• Prachtige biografie over Louis Couperus in zijn herdenkingsjaar

    Uitgerekend in het jaar waarin de honderd jaar geleden overleden Louis Couperus (1863-1923) wordt geëerd, komt het Couperus Museum met het nieuws dat zonder een nieuwe mecenas het Haagse Louis Couperus Museum per 1 januari moet sluiten. In november vertelde oprichter en voorzitter van Stichting Louis Couperus Museum Caroline de Westenholz aan het NRC dat de gemeente Den Haag meerdere verzoeken om gemeentelijke subsidie heeft afgewezen. Zelf steekt ze €30.000 per jaar in het Museum, maar voor een gezonde exploitatie is bijna het dubbele bedrag nodig. Den Haag zonder Couperusmuseum, het is bijna niet voor te stellen. De Westenholz: ‘Maar wie weet gebeurt er nog een wonder. Daar hopen wij op!’

    Caroline de Westenholz verzorgde voor het jubileumjaar een mooie geïllustreerde biografie, Louis Couperus, een verwende vagebond. Het is niet de eerste biografie over Couperus. Bekend zijn vooral de biografieën van Henri van Booven, Leven en werken van Louis Couperus (1933), van Albert Vogel, De man met de orchidee, die als tweede druk een herziene titel kreeg, Louis Couperus. Een schrijversleven (1973), Frédéric Bastet, De wereld van Louis Couperus (1991) en van Rémon van Gemeren, Couperus. Een leven (2016).

    Groote eigenschappen, en eigenaardigheden

    Van Booven schreef in zijn voorrede ondermeer: ‘Ik stelde mij op het standpunt, dat wie Couperus bewondert, dit volledig doet, en hem neemt zóó als hij is, met ál zijn groote eigenschappen, met ál zijn eigenaardigheden.’ Hij eerbiedigt daarmee de wens van de schrijver:  ‘Laten de menschen niet meer van mij willen weten, dan ik hen reeds van mij zelf heb verteld.’

    Dat was in 1933. Bijna een eeuw later is er veel nieuw materiaal beschikbaar gekomen, zoals brieven en onbekende foto’s van Couperus en van tijdgenoten. Alle reden om in het jubileumjaar een nieuwe biografie het licht te doen zien. Van het fotoarchief van Frédéric Bastet dat het Couperus Museum heeft geërfd heeft De Westenholz dankbaar gebruik gemaakt.

    Eerbetoon

    De biografie van De Westenholz is prachtig geworden. Het boek bevat meer dan 450 foto’s en afbeeldingen. Zo is het een eerbetoon geworden aan de beroemde Haagse schrijver en het geeft ook een mooi tijdsbeeld van de periode 1863-1923. De biografie begint met de beschrijving van de familiegeschiedenis van Couperus, zijn jeugd en achtergrond. Een bijzonder detail: kindersterfte kwam in die jaren veel voor. Louis Marie Anne Couperus is vernoemd naar drie overleden zusjes. In het Haagse bevolkingsregister stond hij tot zijn achttiende abusievelijk ingeschreven als meisje.

    Als bewonderaar van Petrarca begint Couperus als dichter, maar zijn roem dankt hij vooral aan zijn Haagse romans, Eline Vere, De boeken der kleine zielen, Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan. De ontstaansgeschiedenis van zijn werken wordt uit de doeken gedaan en ook de reacties van tijdgenoten daarop. Aan de vormgeving van zijn boeken werd in die tijd heel veel zorg besteed. Wenckebach, Berlage, Toorop, het zijn namen van ontwerpers die we nu ook nog kennen. Couperus deed zelf ook voorstellen voor de omslagen van zijn boeken. Voor Extaze. Een boek van geluk maakte Pieter Josselin de Jong het omslagontwerp naar een idee van Couperus. De biografie bevat afbeeldingen van de omslagen van zijn bundels en boeken.

    Reiziger

    Tijdens zijn vele reizen naar o.a. Florence, Nice, Venetië en Rome verbleef hij met zijn echtgenote Elisabeth Baud in pensions, villa’s en hotels. De Westenholz heeft veel van die plaatsen bezocht en gefotografeerd. Zij vult haar eigen beelden aan met oude prentbriefkaarten en afbeeldingen van schilderijen. Zo reis je als lezer met Couperus mee door de tijd. De biografie is prettig leesbaar en op iedere pagina staat wel een afbeelding. De titel van de biografie is ontleend aan wat Bastet schreef over de jaren waarin Couperus veel reisde en stukken schreef voor de krant. ‘Het zwervende leven van een verwende vagebond beviel hem nog altijd goed.’

    Zwerfsteen

    Aan het einde van zijn leven verhuisde Couperus naar een nieuw huis in De Steeg. Lang heeft hij daarvan niet kunnen genieten omdat hij toen al ziek was. Hij overleed kort na zijn zestigste verjaardag. Van Simon Carmiggelt is de volgende anekdote uit een van zijn Kronkels in Het Parool: Couperus wandelde dagelijks met zijn hond in de omgeving van het dorp. ‘Van elke wandeling nam hij een zwerfsteen mee naar huis. Met die stenen legde hij in zijn voortuin het woord ‘Vale’- vaarwel in het Latijn. Hij kwam tot en met de ‘l’.

    De nieuwe biografie vormt een stimulans om de boeken van Couperus te (her)lezen. Het is te hopen dat er nog een oplossing voor het Couperusmuseum wordt gevonden. Een vaarwel in het Couperusjaar, dat kan toch niet. Aan Caroline de Westenholz ligt het niet. Zij zet zich al vele jaren met veel energie in voor het levend houden van het werk van Couperus. Met haar nieuwe geïllustreerde biografie heeft zij een nieuw monument voor hem opgericht.

     

     

  •  Over werkelijkheid en identiteit

    Schrijfster Nina Weijers, tevens schrijfdocente, constateert dat het voor haar studenten moeilijk is om precies op te schrijven wat ze waarnemen. Vrij snel overkomt het hen dat de wereld van binnen zich met de wereld van buiten vermengt. De wederzijdse beïnvloeding is onontkoombaar, maar tegelijk kan het een verrijking opleveren voor het verhaal dat ze willen schrijven. Tot die binnenwereld behoort niet alleen ons bewustzijn, maar ook ons onbewuste met zijn diep verzonken herinneringen en ervaringen. Dat versterkt het beeld dat onze persoonlijke beleving van de werkelijkheid zeer gekleurd, gelaagd en meerduidig kan zijn. 

    Wat deze ervaring van de studenten ons laat zien, is dat hun identiteit ‘dat wat aan zichzelf gelijk is, onafhankelijk van de omstandigheden’ gedurende de waarneming verandert. Een dialogiserende interactie van het individu met zijn omgeving, het spanningsveld tussen identificeren en verzelfstandigen, is noodzakelijk om de identiteit blijvend te ontwikkelen. Ze vindt levenslang plaats en is nooit voltooid. 

    Hoe verhoud ik me tot de werkelijkheid

    Bindervoet is een veelzijdig kunstenaar, meer dan een dichter alleen. Samen met Robert-Jan Henkes is hij onder meer vertaler van werk van Shakespeare, Joyce, Kraus en Tarkovski. Hun grootste bekendheid kregen ze met hun vertaling van Finnegans wake van James Joyce. Samen met de beeldhouwster Saskia Pfaeltzer schreef Bindervoet Aldus sprak Nietzsches zuster (2019) en Wittgensteins wereld (2022). Die filosofische oriëntatie blijkt ook uit zijn nieuwe bundel Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid met deels eerder gepubliceerde gedichten en deels nieuwe teksten. Wat Bindervoet in deze bundel doet, is veelvuldig het proces van spiegelen en separeren zo bewust mogelijk te ondergaan in zijn confrontaties met zijn omgeving, en er taal aan te geven.

    Hij probeert van buitenaf de werkelijkheid te onderzoeken waarvan hij onderdeel uitmaakt en waarin hij zich nadrukkelijk onderdompelt. In het gedicht ‘Bijgedachten’ gaat hij als een betrokken toeschouwer net als Martinus Nijhoff ‘naar Bommel om de brug’ te zien: ‘Ik ging naar Ouderkerk om kalfjes te tekenen.’ Allerlei bijgedachten vallen hem in. De grote vraag die hem blijvend fascineert, is hoe de Schepping nu eigenlijk tot stand is gekomen. Het duizelt hem, zeker nu hij kort tevoren nog zelf ‘vader is geworden’. Hoe zit die schepping nu precies in elkaar? Zijn meest ‘(aannemelijke en logische verklaring over de Schepper is: “Hij schept Zichzelf, dag in dag uit, elke keer opnieuw, / Net als Moeder Natuur / En Vader Tijd)”.’ In die strofen geeft hij eigenlijk al het antwoord op de vraag waarnaar hij in deze bundel op zoek is: ieder mens dient gaandeweg de schepper van zijn eigen werkelijkheid te worden. De hele bundel door blijft hij als een razende op zoek naar het gehalte, het soortelijk gewicht van zijn werkelijkheid.

    Hartstochtelijk spel met taal

    In het motto, voorafgaand aan de bundel, geeft hij een uitgebreid citaat van Arthur Schopenhauer uit diens hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung (1818): ‘Denn die selbe Gehirnfunktion, welche, während des Schlafes, eine vollkommen objektive, anschauliche, ja handgreifliche Welt hervorzaubert, musz eben so viel Antheil an der Darstellung der objektiven Welt des Wachens haben!’ Omgeven door een schare blauwgevleugelde engelen verschenen deze woorden aan Bindervoet van de leraar Duits O. den Besten uit het satirisch programma van Kees van Kooten & Wim de Bie die hem aanbeval: ‘Gebruikt U dat maar als motto, meneer Bindervoet!  / Dan zult U nog eens wat beleven!’ 

    Met dit citaat is de droomwereld dominant de werkelijkheid van deze bundel binnengekomen. Bindervoet speelt hartstochtelijk zijn spel met de taal, soms flauw, soms spitsvondig, zoals in de opening van zijn lange gedicht ‘Met het oog op morgen’ waarin hij Woody Allen een kurkentrekker laat vasthouden ‘tegen zijn oog en zegt [dan] lachend: -Ware schoonheid zit vanbinnen. / Kijk maar. / Hij ontkurkt zijn oog – PLOP! – / en dat oog trekt de wijde wereld in.’ Een reeks van exuberante beelden volgt. 

    Op een maniakale manier probeert hij de wereld naar zijn taal te zetten als een ‘manische transvormer: ‘wij bouwen zinnen / wij bouwen zinnen op / zinnen bouwen de wereld / in alles wat het geval is / wat ik ben wat wij zijn / van alles en nog wat / is het geval / trillingsvrije en trillingsarme paalsystemen / mijn zwakke schaduw de vermolmde tijd / die is als was in mijn handen’. Hier is een taalspuwer aan het woord die niet van ophouden weet, vooral om maar greep te krijgen op zijn werkelijkheid. In de verte hoor ik vanuit mijn herinnering de magische donderstem van de dichter Johnny van Doorn opklinken. 

    Taalvirtuositeit en flardenbewustzijn

    In zijn ‘Charmante verwikkelingen in het politieke en medische spectrum’, sprekend over identiteit, drukt Bindervoet zich beeldrijk uit: ‘Op het hoofdkussen lag een mond / en die fluisterde in mijn oor / dat ernaast lag: – Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde./ Kijk maar. / Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde. Er komt altijd wat voor / of na. / En als je opschiet / kun je de bus van half tien nog halen!’ Voor mij wordt duidelijk dat het Bindervoet niet lukt de werkelijkheid in de taal te vangen. De vloeiende tijd en ons beweeglijk flardenbewustzijn zijn nauwelijks tot stilstand te brengen.

    Die beweeglijkheid, die onrust als het ware, maar ook de onbevangenheid van deze dichter, trilt door de hele bundel heen. Aanvankelijk wekte de hoeveelheid aan de uiteenlopende woordenvloed ergernis en verontrusting op, maar gaandeweg groeide de waardering voor de moed van Bindervoet om taal te blijven aanslepen. Niet alleen in kleine verfijnde, maar ook in omvangrijke verzen met eindeloze opsommingen. Zo probeert hij het werkelijkheidsgehalte te peilen. Daarvoor heeft hij lange cycli en korte gedichten nodig die alle door opsomming, repetitio, assonerende en allitererende woorden worden bijeengehouden, waarbinnen de (schijnbare) tegenstellingen zijn werkelijkheidsvoorstelling schragen. Hij kiest voor rake beelden en bedient zich van uiteenlopende taalregisters. Hij schuwt de straattaal niet die hij vanuit de Kadoelen, ten noorden van Amsterdam, heeft meegekregen, zo was al te lezen in zijn eerste bundel Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje (1995).

    Twijfel aan de taal

    Hoezeer hij twijfelt aan zijn eigen voorlopige vaststellingen van het werkelijkheidsgehalte in taal blijkt uit het titelgedicht:

    ‘Door de vreemde olijvengeur die in de stad hing
     wist ik dat het geen droom was
     want als je droomt ruik je niet
     behalve af en toe rook, of stront.
     Er waren meer voortekenen die erop wezen
     dat de werkelijkheid werkelijk werkelijker is
     dan je soms denkt’, bijvoorbeeld
     het gefladder van de reuzenmot
     met zijn hoestbonbonrode vleugels in de badcel
     en dat Rinus en ik tegen elkaar zeiden,
     toen we hem, […]
     […], hadden bevrijd, door het raampje open te doen
     en het dier naar buiten te dirigeren
     […]
     -Wat een dierenvrienden zijn we toch!
     Toen we onze ogen weer opendeden
     gevolgd door een berustend:
     -O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’

    Deze ‘dierenvrienden’ doen op een gegeven moment de ogen weer open, ontwaken uit hun droom, nadat ze de mot z’n vrijheid hebben teruggegeven: ‘O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’ Hoe werkelijk kan die werkelijkheid zijn!? De dynamische poëzie van Bindervoet doet de perceptie van de werkelijkheid even vertragen, doordat hij haar als vervreemdend vanuit een rijk dagdroomleven aan ons voorstelt.  In het laatste gedicht ‘De laatste droom’ is de ik zijn mobiele telefoon kwijt. Hij keert in zijn dagdroom terug naar de oude buitenwijk waar zijn ouders woonden. Het lezen van een flyer van de zangvereniging uit zijn jeugd brengt hem in een stemming van ‘onverklaarbare vreugde’. In een dergelijk irrationeel moment van identiteit schuilt de kracht van deze virtuoze taalmeester.



    ,
  • Vechtwedstrijden gedetineerden tot de dood er op volgt

    Van Nana Kwama verscheen in 2019 de verhalenbundel Friday BlackChain Gang All-Stars is de eerste roman van deze jonge Amerikaanse auteur en gaat over de commerciële uitbuiting van gevangenen in geprivatiseerde huizen van bewaring. Abjei-Brenyah geeft zijn fantasie de vrije loop en vertelt het verhaal van een absurde, maar in de roman vanzelfsprekende gang van zaken waarin gevangenen tegen elkaar vechten om hun vrijheid te ‘verdienen’. Gevangenen kunnen zich aanmelden voor SPEL, het Strafrechterlijk Programma voor Entertainment door Langgestraften, wat inhoudt dat ze in arena’s en daarbuiten tegen elkaar vechten ter vermaak van het publiek. Iedere gevangene die veroordeeld is tot minstens 25 jaar detentie, kan, als hij of zij drie jaar de gevechten op leven en dood overleeft, in aanmerking komen voor gratie.

    Winst maken met het voeden, huisvesten en verzorgen van gevangenen is in de VS, Australië en Engeland heel gewoon. Acht procent van de Amerikaanse gevangenen zit zijn tijd uit in geprivatiseerde huizen van bewaring. Ondanks herhaalde pogingen, onder meer van oud-staatssecretaris Fred Teeven, bestaat dit in Nederland niet. Na onderzoek bleek dat niet kon worden vastgesteld of privatisering in Nederland de kosten zou drukken bij gelijkblijvende behandeling van de gevangenen. 

    De deelnemers

    De roman bestaat uit meerdere hoofdstukken die verdeeld zijn over de vier groepen die een hoofdrol spelen. Allereerst is daar de deelnemers aan SPEL. Zij worden van alle kanten belicht, als echte sporthelden. Zij hebben bij- of koosnamen, zoals ook deelnemers aan vechtsporten buiten de gevangenis die hebben. Daarnaast komen enkele trouwe kijkers in aparte hoofdstukken aan bod. Zij kunnen iedere seconde uit het leven van hun favorieten volgen via hun holofoon, een beeld en geluidsontvanger. In de derde plaats worden de demonstranten tegen de gevechten in enkele hoofdstukken belicht. Zij zijn verenigd in de ‘Coalitie ter Beëindiging van Moderne Slavernij’ en demonstreren op straat tegen de onmenselijke behandeling van gevangenen.

    Een van hen is Nile, een student die door zijn protest tegen SPEL vrijwel geïsoleerd komt te staan aan de universiteit. Hij krijgt te horen dat SPEL gewoon sport is en de deelnemers zichzelf aanmelden, dat het allemaal verkrachters zijn en dat die lui gevaarlijk zijn en dat er niet alleen zwarten aan meedoen, maar ook witten. Kortom Nile is een watje, omdat hij SPEL afkeurt. Ten slotte komt Chain Gang Unlimited in beeld, het bedrijf dat deze gevechten heeft bedacht en exploiteert. Het houdt zich bezig met de organisatie van de gevechten in de arena’s, de logistiek van de ‘Marsen’ naar volgende steden en organiseert publieksmanifestaties waar het publiek kennis kan maken met gladiatoren. Het bestuur van dit bedrijf denkt dat dit gevangenen circus kan uitgroeien tot het grootste entertainment product ter wereld. Als hen dat zo uitkomt veranderen ze de reglementen om nog meer spanning op te roepen. De meest aansprekende figuur in dit bestuur is Mick Wright, de persoon die het ‘circus des doods’ presenteert en met zijn ‘elektriserende stem’ het publiek opwarmt. 

    Vechten voor vrijheid

    Hoofdpersonen van de roman zijn de twee zwarte vrouwen Loretta Thurwar en Hamara ‘Hurricane Staxx’ Stacker, die worden gevolgd op hun tocht van gevecht naar gevecht, tot aan wat genoemd wordt de definitieve ontketening. Wie uiteindelijk ontketend wordt laten we hier in het midden. Hun gevechten worden bijna tot op de huid beschreven. Alle details over houding, handeling en resultaat worden door de auteur aan de lezer voorgeschoteld. De twee zwarte vrouwen behoren tot de ‘A-Hamm Keten’, een tiental gevangenen die via gevechten vrij willen komen. Deze gevangenen vechten individueel of collectief tegen (leden van) andere ketens. Deelnemers aan SPEL worden continu gevolgd door HMC’s, ‘Holo Microphone Camera’s’, het (fictieve) meest gebruikte video/audio-opnameapparaat in de wereld van de actiesport waardoor iedere beweging en ieder geluid van de deelnemers 24/7 gevolgd kan worden. Ze trekken van stad naar stad en worden onderweg bewaakt door geavanceerde technische hulpmiddelen die voorkomen dat ze kunnen ontsnappen. Kijkers kunnen de beelden van hun helden gratis bekijken, ter opwarming voor de gevechten in de arena, waarvoor ze wel entreegeld moeten betalen.  

     Loretta en Staxxx zijn een liefdeskoppel (Staxx krijgt na iedere gedode tegenstander een x achter haar naam erbij). Zij vechten uiteindelijk ook samen tegen de compleet geschifte ‘ondoodbare’ Simon J. Craft en de altijd zingende eenarmige krachtpatser Hendrix ‘Scorpion Singer’ Young. Het is aandoenlijk te lezen hoe Loretta en Staxxx, twee sterke, ongenaakbare en wrede vrouwen die veel anderen om het leven hebben gebracht, teder en lief voor elkaar zijn. Ze laten zien dat mensen in de moeilijkste omstandigheden toch liefde voor elkaar kunnen opbrengen. Loretta haalt andere deelnemers in haar keten ertoe over elkaar niet uit te roeien, zodat er in de onwerkelijke wreedheid van hun bestaan toch iets van solidariteit ontstaat. Beide vrouwen worden tot publiek bezit en hun fans willen alles van hen te weten komen. 

    Onvoorstelbare wordt doodnormaal

    De roman geeft eenzelfde harde beeld van het leven in de gevangenissen als Kathy Page dat deed in haar roman Simons Alphabet over een Engelse gevangenis. Daar lag de nadruk op de kans op rehabilitatie door een psychologische aanpak waarbij de gevangene een beter mens wil worden. In onderhavige roman draait het om gevangenen die via ‘entertainmentlynchpartijen’ vrij kunnen komen door medegevangenen te doden ter vermaak van het publiek en tot profijt van de investeerders. 

    De auteur slaagt er in de lezer mee te voeren met de helden die zich voorbereiden op een gevecht of aan het vechten zijn waardoor het onvoorstelbare verandert in iets wat doodnormaal lijkt. Door middel van voetnoten geeft hij uitleg over technische of juridische details, waardoor het nog realistischer lijkt. Hij laat goed zien dat er in deze commerciële hel ook liefde en genegenheid bestaat, maar dat het systeem door en door verrot is. Gevangenen zijn in dit door Chain Gang-Unlimited geleide bedrijf niets meer dan een bron van vermaak voor het grote publiek. De roman toont een uiterste consequentie van privatisering van het gevangeniswezen waarin mensen worden gereduceerd tot handelswaar, en dus tot geldmachines.

     

     

  • Helemaal alleen in een mistige stad

    De Oeigoerse auteur Perhat Tursun (1969) werd in 2018 door de Chinese autoriteiten opgepakt. Sindsdien is er niets meer van hem vernomen. Hij zou tot zestien jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld. De details van zijn veroordeling en gevangenschap zijn nooit openbaar gemaakt. Wellicht was een vroege versie van zijn roman De achterstraten die eerder op internet verscheen de aanleiding. Tursun schreef zijn boek in 1990-1991. In 2005 heeft hij de roman herzien en in 2015 voltooid. In een lange inleiding legt de Amerikaanse antropoloog Darren Byler uit dat hij lang gewacht heeft met het publiceren omdat aandacht voor het werk van Tursun de kans op arrestatie van Tursun en zijn anonieme Oeigoerse vertaler zou vergroten. Maar nu er al zo lang niets meer van hen is vernomen, heeft hij besloten tot publicatie over te gaan. Byler: ‘Ze verdienen het te worden gehoord.’

    De achterstraten speelt zich af in de Oeigoerse stad Ürümqi, een stad die bekend staat om zijn zware industrie en luchtvervuiling. Tursun laat zijn naamloze hoofdpersoon door deze vieze stad dwalen: ‘Het zou nog even duren voordat de zon onderging, maar in Ürümqi komt de zon nooit echt op. Hij lijkt altijd weg te vallen in een allesoverheersende duisternis.’ Eindeloos dwaalt de man door de stad met dichter wordende mist: ‘Ik keek aandachtig naar silhouetten van mensen in de mist. Sommige van hen, gekleed in het wit en één of twee meter bij mij vandaan, leken te flikkeren als weerspiegelingen in troebel, stromend water, alsof ze op lucht liepen. De mensen die in het zwart gekleed waren zag je pas als ze recht voor je stonden.’

    Vriend of vijand

    De hoofdpersoon vindt na zijn studie in Beijing in Ürumqi een baantje met een proeftijd op een stinkend en slecht verlicht gemeentekantoor, geleid door Han-Chinezen. Een sleutel krijgt hij niet. En een woonplek hoort niet bij de functie, ondanks dat er meerdere ruimtes in het gebouw leeg staan. Zijn collega’s kijken niet naar hem om. Zijn leidinggevende voelt zich ver boven hem verheven: ‘Met mij praten was niet alleen zonde van zijn eigen tijd, maar was eigenlijk een misdaad, omdat hij de tijd van zijn volledige etnische nationaliteit verdeed (…) Hij vroeg me uit te leggen waar ik goed voor was.  Ik zei hem dat ik in staat was te leven. Want ja, het mooiste ter wereld is leven. Er is niets mooiers dan leven! Wat hem het meest dwarszat, was dat ik leefde.’

    Als hij niet op kantoor zit, dwaalt hij door de mistige stad. ‘Vanuit het niets rende er een rat voor me uit, hij verdween als een kogel in het vuilnis. (…) Zoals de rat door het afval schoot, zo bewoog ik me door de stad. Net als hij was ik zoek naar eten, en als mijn maag gevuld was, wilde ik niets anders dan slapen.’

    De behandeling als tweederangsburger maakt dat de hoofdpersoon zich alleen voelt. Ontmenselijking is het thema van het boek. Op meerdere plaatsen komt de volgende bezweringszin terug: ‘Ik ken niemand in deze vreemde stad, dus ik kan onmogelijk iemands vriend of vijand zijn.’ De leidinggevende Han-Chinees beschouwt hem als inferieur door zijn uiterlijk en de taal die hij spreekt. Zo leeft hij in een sociaal isolement. Hij is helemaal op zichzelf aangewezen. Toch lukt het hem om te overleven in smogstad Ürümqi, door gebruik te maken van soms irreële, maar voor hem belangrijke en doelmatige overlevingstechnieken.

    Ontmenselijking

    In de inleiding vertelt Byler hoe de Chinese autoriteiten al jaren bezig zijn de Oeigoeren te ontmenselijken. Sinds 2017 zijn er honderdduizenden Oeigoeren ‘verdwenen’ in interneringskampen in Noordwest China – een gebied dat in het Chinees bekend staat als de provincie Xinjiang, of ‘Nieuw Grensgebied.’ De eveneens verdwenen Perhat Tursun schreef vijftien jaar aan De achterstraten. Hij observeerde hoe de beeldvorming van Oeigoeren als lagere diersoort ontstond, zoals religieuze Oeigoeren afbeelden als ratten die door mensenmassa’s achterna gejaagd worden. Byler vertelt over zijn gesprekken met Tursun. In de roman treedt de mist in de stad op als een soort personage. De mist zorgt voor een verstikkende sfeer. In zijn boek wil Tursun uitleggen hoe vervreemding verbonden is aan mentale gezondheid en etnisch nationalisme. Hij vertelt ook dat hij graag Albert Camus las: ‘Ik ben heel erg beïnvloed door De pest. Ik las het steeds opnieuw en nog steeds voelt het alsof elke zin iets belangrijks zegt.’

    Dit boek maakt invoelbaar hoe Tursun zich gevoeld moet hebben. In De achterstraten beschrijft hij een leven in de marge en een gebrek aan medemenselijkheid. In breder perspectief vraagt het boek aandacht voor het lot van duizenden verdwenen Oeigoeren. Dat we niet weten hoe het met de schrijver is, maakt het lezen van deze roman zeer intens.

     

     

  • Suikerklontje in een glas heet water

    In Ik zeg geen vaarwel, het meest recente boek van de Koreaanse schrijfster Han Kang vloeien personages in elkaar over, krijgen dialogen geen leestekens, worden handelingen zeer gedetailleerd beschreven, dringen dromen zich in de werkelijkheid en speelt de natuur een hoofdrol. Vooral sneeuw domineert het boek. Kang beschrijft eindeloos veel variaties van vlokkende, smeltende en verblindende sneeuwval.

    Sneeuw is ‘iets wat zichzelf al smeltend verliest en zacht wordt’. Vallende sneeuwvlokken absorberen geluid. In die stilte is het vanzelfsprekend om onbelangrijke en belangrijke zaken van elkaar te onderscheiden. Beide metaforische eigenschappen van sneeuw zijn van toepassing op Kangs hoofdpersonages Gyeong-ha en Inseon, vriendinnen van vergelijkbare leeftijd (rond de veertig), de een schrijfster, de ander beeldend kunstenaar, maar naarmate het boek vordert steeds nadrukkelijker elkaars spiegelbeeld.

    Trauma’s

    Ze verliezen zich in de bloedige en wrede geschiedenis van een burgeropstand die van 1948 tot 1954 op het Koreaanse eiland Jeju heeft plaatsgevonden, maar tientallen jaren in de doofpot is gestopt. Tienduizenden mannen, vrouwen en kinderen zijn toen afgeslacht. Hun lijken vormden massagraven in mijnschachten, op schoolpleinen en stranden. Inseons moeder heeft vrijwel haar hele leven naar haar verdwenen broer gezocht; ze heeft nooit vaarwel willen zeggen. Inseons vader heeft die episode overleefd, maar is gruwelijk gemarteld. Het trauma van haar ouders heeft zich in Inseon vastgezet.

    De schrijfster en vertelster Gyeong-ha heeft een vergelijkbaar trauma opgelopen door een non-fictie boek te schrijven over eenzelfde bloedbad. Nachtmerries teisteren haar. Haar leven is ‘uit elkaar gevallen als een suikerklontje in een glas heet water’. Ze houdt zich alleen nog op de been omdat ze elke dag een betere zelfmoordbrief wil schrijven. In die staat reist ze naar Jeju, waar ze te maken krijgt met een levende dode vogel, een ongeschonden gewonde vriendin, de een zojuist begraven, de ander 1000 kilometer verderop in een ziekenhuis, maar beide ook aanwezig in het landhuisje waar ze tijdens een sneeuwstorm terecht komt.

    Mooie zinnen

    Hoe prachtig de taal van Kang in de vertaling van Mattho Mandersloot ook is, toch is het jammer dat de schrijfster zich vooral bedient van secundair beschreven gebeurtenissen via herinneringen, brochures, getuigenissen, krantenknipsels en foto’s. Die indirecte ervaringen bemoeilijken identificatie met het leed van de protagonisten. Voor een doorsnee Nederlandse lezer is het bovendien soms moeilijk precies te begrijpen wie er kort na de Tweede Wereldoorlog tegen wie streden in Korea en wie ‘goed’ en ‘fout’ waren.

    Dat neemt niet weg dat het boek indrukwekkende zinnen bevat. Bijvoorbeeld: ‘Zodra ze mijn wangen, zo nat van het huilen dat het leek alsof ik net uit het zwembad kwam, aanraakte, rolde ik op mijn andere zij en dacht na’. Of: ‘Wolken die ieder moment sneeuw konden spuwen hingen laag boven de betonnen gebouwen aan de overkant van het ziekenhuis die stonden te verkleumen in de koude, vochtige wind’.

    Eerdere boeken van Kang zoals De vegetariër en Mensenwerk zijn vanuit het Engels vertaald. Ik zeg geen vaarwel is het eerste boek van de schrijfster dat rechtstreeks vanuit het Koreaans in het Nederlands is omgezet. Vertaler Mattho Mandersloot heeft meerdere problemen het hoofd moeten bieden. Zo kent het Koreaans woorden die een gevoel of een situatie via hun klank tot uiting brengen. In dit boek is bovendien een rol weggelegd voor het Jejuaanse dialect. Het bleek volgens het nawoord van de vertaler lastig om een taalkundige variatie toe te passen zonder te vervallen in een bestaand Nederlands dialect. Toch doet de gekozen oplossing met woorden als buuten en kieken sterk aan het Sallands denken. Dat komt geforceerd over, waardoor vereenzelviging met het verhaal er niet makkelijker op wordt. Misschien had Mandersloot dit aspect van het oorspronkelijke boek beter onvertaald kunnen laten.

     

     

  • Een onuitgepakte koffer in elke hartkamer

    Het meest indrukwekkende verhaal in Goudjakhals van Julien Ignacio is ‘De host’. Het hangt sterk samen met het kortere verhaal ‘Chatilat Road’, dat eraan vooraf gaat. Daarin is taxichauffeur Samir met een belangrijke passagier op weg naar zijn vroegere familiehuis in een buitenwijk van Beiroet. De klant, een Libanees die twintig jaar is weggeweest uit Libanon, wordt door Samir verbaal bewerkt om een handtekening voor de papieren van zijn jongere broer, Tarek – die in Nederland wil studeren – te bemachtigen.
    Deze Tarek is het hoofdonderwerp van ‘De host’. Hij is op een studievisum naar Nederland gekomen, studeerde aan de Rietveld Academie, werd bekend als graffitikunstenaar (op zijn muurtekeningen plaatste hij onder zijn tag een jakhalskop, waar de titel Goudjakhals van dit boek naar verwijst) en heeft door verschillende trauma’s een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS) ontwikkeld. Dat houdt in dat hij in zijn hoofd vier andere personaliteiten (alters) heeft ontwikkeld die mede zijn gedrag bepalen. Hij is de host voor die vier anderen, die allen hun ontstaan hebben te danken aan dramatische gebeurtenissen in Tareks leven.

    Onuitgepakte koffer

    Ignacio heeft zich razendknap verdiept in het ziektebeeld van een DIS-lijder. Daardoor weet hij op een beklemmende manier over te brengen wat zich in het hoofd van Tarek afspeelt. Maar ook de opzet van dit verhaal is sterk. De geschiedenis van Tarek krijgt bij Ignacio vorm in brieven van hem, een podcast die iemand over hem maakt, in passages waarin de stemmen van de vier alters aan bod komen (geïnspireerd door de poëzie van de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish), in verslagen van de behandelsessies van Tareks klinisch psycholoog en in persoonlijke herinneringen van zijn ex-vriendin en zijn advocaat. Trefzekere zinnen als: ‘Laat de vluchteling lang genoeg in je lijf wonen en je verandert in een dubbele ontkenning: een vreemdeling in een vreemd land’ en over de migrant met ‘een onuitgepakte koffer in iedere hoek van zijn hartkamer’.

    Julien Ignacio (1969) werd in Boxtel geboren maar is van Arubaanse afkomst. In 2018 verscheen van hem zijn debuutroman Kus over een vader die plotseling wordt geconfronteerd met de coma waarin zijn zoontje raakt. Daarnaast schreef Ignacio toneelteksten en verhalen.
    Goudjakhals bestaat uit zes verhalen. Ze gaan op meerdere manieren een verband met elkaar aan. De belangrijkste rode draad is dat ze allemaal gaan over mensen die naar de marge van de maatschappij zijn gedrongen of zelfs totaal zover over de rand zijn geduwd dat ze in zekere zin niet meer bestaan.

    AI

    In het eerste verhaal, ‘GPS’, voert verteller AI (artificial intelligence) gesprekken met Jiwan, een Koerdische vluchteling die vastzit in kamp Moria op Lesbos. AI volgt Jiwan als het ware in the cloud. Hij heeft kennis van al zijn sms’jes, posts en pdf-bestanden op zijn telefoon en laat ons zo vanuit cyberspace toe tot de gedachten van de vluchteling. Jiwan komt alleen indirect aan het woord als AI zich tot hem richt. We merken daardoor pas dat hem iets overkomen moet zijn als zijn telefoon geen gps-signalen meer geeft. Met de keuze voor deze verteller kiest Ignacio een krachtige vorm om de eenzaamheid van Jiwan te laten zien als van iemand die niet lijkt te bestaan. Hoe ziet zo iemand eruit, vraagt AI, die Jiwan vervolgens verwijst naar (de echt bestaande site) thispersondoesnotexist.com. Daarop staan portretten van niet-bestaande mensen. ‘GPS’ is gebaseerd op de werkelijke geschiedenis van de Koerdische dichter Behrouz Boochani die zijn boek No Friend But the Mountains (uitgegeven in 2018) in detentie schreef via WhatsApp en Messenger op een naar binnen gesmokkelde smartphone.

    ‘Wette en gebode’

    Ignacio beheerst vele registers. Een heel andere stijl en toon gebruikt hij in het tweede verhaal ‘Het silvere koord’, een begrip dat in het boek Prediker voorkomt en in spirituele zin betekent dat de ziel pas overgaat als het fysieke leven definitief breekt met het lichaam. In dit verhaal wordt het leven van prostituee Zwarte Sjaan door haarzelf verteld, deels nadat ze in 1679 op de Dam geëxecuteerd is voor de ogen van tsaar Peter die getrakteerd wilde worden op een executie, en deels vanaf de plek op Volewijck, waar haar dode lichaam te kijk is gehangen. In het smeuïge taaltje van het Amsterdamse hoerendom uit eind zeventiende eeuw krijgen we een meeslepend beeld van haar, met als ontroerendste gedeelte haar liefde voor een zeeman van wie ze in verwachting raakt. Ignacio heeft zich voor die tekst – vooral voor de taal – grondig gedocumenteerd, onder andere bij Bredero: ‘Maar dat lere se je niet op school, wat het leve is. De burgerij, het grachtevolk en de kerk, se hebbe er een wereld van wette en gebode en kaarsrechte hoeke van gemaakt, van rije pale in het water en mure om de stad. Binnen die grense word je voortgeduwd’.

    Betico Croes

    Zelfs in ‘Nader tot jou’ – een sterk autobiografisch gekleurd verhaal waarin de gekleurde verteller zich richt tot Gerard Reve gaat het over die uitsluiting. De verteller bewondert de volksschrijver ondanks diens bewering dat ‘zwarten erfelijk minder begaafd zijn dan blanken’.
    Daarnaast gaan de verhalen een verbinding aan in opvallende dwarsverwijzingen. Zo is Ma Mercedes in ‘Radio Gaga’op Aruba hulphuishoudster in het gezin van de rijke Libanese familie Mansur (een naam die ook al in zijn eerst boek Kus opdook en nu weer in verschillende verhalen in Goudjakhals). Deze had in Beiroet een familiehuis dat sterk doet denken aan dat uit ‘Chatilat Road’ en ‘De host’. En ook Mercedes is naar de rand van de maatschappij geduwd. Ze heeft nauwelijks geld, wordt geridiculiseerd door vrouwen uit de buurt en gaat bijna ten onder aan de hunkering naar haar zoon die in Nederland is gaan wonen. Ze mist haar overleden man die bevriend was met Betico Croes, maar ook dat is een wereld waaruit ze verbannen is. Als ze haar hoop stelt op Croes om haar zoon uit Nederland terug te halen, laat hij haar vallen.

    Wie in de schoenen wil staan van vluchtelingen of anderszins geïsoleerde mensen moet Goudjakhals lezen. Ignacio drukt je onontkoombaar met je neus op hun levens.

     

     

  • Filosoferen over Dood en Leven

    ‘Ik ben de Dood.
    Zoals het
    Leven leven is
    ben ik de dood.’

    Zo begint het verhaal Jij en de Dood, geschreven door Elisabeth Helland Larsen en geïllustreerd door Marine Schneider. De vertaling van Alicja Gescinka leest als een filosofisch gedicht. De Dood fietst door een dromerig landschap en neemt mensen en dieren met zich mee.

    […]

    Schneider maakte dromerige, lieflijke tekeningen bij het verhaal. Ze scheppen een prachtig beeld. De Dood is een meisje op een fiets, ze heeft bloemen in haar haar. Ze draagt een zwarte jurk en lijkt hier en daar ook op een vogel. Ze zweeft op een schommel en strooit bloemen in het rond, of ze dobbert in een bootje in een lichtblauwe zee. Op alle prenten is veel natuur te zien, vogels, dieren, bomen, insecten, bloemen. Leven leren we kennen als een bruin-roze meisje. Leven en Dood, ze horen bij elkaar.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Vermakelijk absurdisme in verhalenbundel vol liefde

    ‘Liefde is een stroopgraf voor de bij’ beweert een van de hoofdpersonen uit het laatste verhaal van de recent verschenen verhalenbundel van Tom Hofland. ‘Wie zich er […] in laat zakken zal zich omringd voelen met het zoetste wat de wereld te bieden heeft’. Maar, vervolgt hij, passie verblindt. En zoals de bij verstrikt en vleugellam raakt in een teveel aan zoetigheid, zo leidt liefde en passie ook bij een mens tot veel onheil. Het laatste verhaal, ‘Een stroopgraf voor de bij’ uit de gelijknamige bundel, is in meerdere opzichten een dissonant, maar geeft met de liefdesmetafoor wel een van de belangrijkste thema’s aan.

    De bundel bevat tien korte verhalen. De eerste negen beslaan elk minder dan zestien pagina’s, het laatste (titel)verhaal is vijftig pagina’s lang. Die eerste negen zijn een feest om te lezen. Ze zijn toegankelijk geschreven, bevatten prikkelende open plekken of plottwisten en zijn vooral vermakelijk door bizarre gebeurtenissen en wendingen.

    Liefde en absurdisme

    Moederliefde of het gebrek daaraan speelt een belangrijke rol in het eerste verhaal, ‘De pruik’. Er is in dat verhaal sprake van een moeder die haar zoontje verlaat als hij nog heel jong is – op zijn verjaardag nota bene! Hoofdpersoon Yorgos beleeft dat moment therapeutisch na en gaat vervolgens een liefdesrelatie aan met de vrouw die in die setting zijn moeder verbeeldt. Een half jaar later gaat hij met deze Risha min of meer onaangekondigd naar zijn moeder toe om het met haar te hebben over haar vertrek van twintig jaar geleden en zijn gemis. Zij heeft nooit tijd en aandacht voor hem gehad en heeft dat ook nu eigenlijk niet. De pijn is navoelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ wordt deze pijn nog eens beschreven. Elsie verwoordt de paniek van haar vriend toen zij hem vertelde dat ze hem zou verlaten als ‘alsof ik zijn moeder was en hij mijn kind, en ik hem vertelde dat ik hem achter zou laten.’

    Liefde, vaak in een hilarische, onbereikbare of ploeterende vorm, speelt een rol in veel van de verhalen. De ‘sirene’ uit het tweede verhaal van de bundel is een vreemde vogel die Suli, de vrouw van Junot lokt, Elsie uit het verhaal ‘Het advies’ verlaat zoals gezegd haar geliefde. Zama de zwerfster uit het gelijknamige verhaal knoopt een verrassende en wellicht wat opportune relatie aan met politiechef Hein, professor Anderson uit ‘De mysterieuze barricade’ is ‘verliefd op iemand die er niet meer is’. Voor Acea uit ‘De scheur’ is er een definitieve scheiding van zijn geliefde doordat het moedercontinent Pangea scheurt en zij zich beiden aan verschillende zijden bevinden. Verliefdheid is een ‘romantisch concept dat lang niet voor iedereen is weggelegd’ aldus Elsie.

    Wat de verhalen ‘spannend’ maakt, zijn de irreële, vaak absurde gebeurtenissen. Een bezoeker die enkele dagen in het zwembad in de tuin staat is zo’n absurditeit in het verhaal de ‘De sirene’, maar ook en vooral de vrouw des huizes die een liefde voor hem op lijkt te vatten, en niet in de laatste plaats hoofdpersoon Junot die dit alles maar heel gewoon lijkt te vinden en onverstoorbaar liefdevol blijft voor zijn vriendin. Ook de hoofdpersoon Arvo Klam uit het verhaal ‘De belediging’ lijkt zo’n subassertief watje. Hij laat zich door een ober onheus bejegenen en anderszins schofferen en verlaat vervolgens aangeslagen en nederig het restaurant. De gebeurtenissen zijn verrassend en origineel, de reacties van de personages bij tijden tenenkrommend, maar ook ontwapenend kwetsbaar en integer.

    Absurdisme voorbij

    Het absurdisme in sommige verhalen doet erg denken aan dat van de korte verhalen uit Armando Duyns’ Herenleed uit 1977, maar het is minder realistisch. Zo is er in ‘De tafel’ sprake van een ik-figuur die zich niet alleen absurd lang onder de tafel verstopt om zijn vriendin te verrassen en vervolgens om haar niet te laten schrikken, maar die uiteindelijk voor altijd blijft zitten en één wordt met de tafel. In ‘De mysterieuze barricade’ is er een werkende tijdmachine waarmee de professor terug kan naar zijn (nu) onbereikbare oude liefde. In het eerste geval is de niet-realistische ontwikkeling nog wel vermakelijk want origineel en verrassend, in het tijdmachineverhaal is ze nogal voorspelbaar. In het verhaal ‘Het advies’ doen buitenaardse wezens hun intrede. Voor de hoofdpersoon is het schokkend dat ze een nogal vergaand advies heeft opgevolgd dat uiteindelijk van zo’n wezen blijkt te komen, voor de lezer is het een grappige plottwist.

    Schrijver Tom Hofland flirt vaker met ‘bovenmenselijke’ zaken. Naast (toneel)schrijver is hij ook radio- en podcastmaker. In zijn podcastserie ‘Er is iets vreemds gebeurd’ komen allerlei bijzondere ervaringen langs van doorgaans nuchtere mensen. Hofland geeft in een interview aan dat hij gefascineerd is door dat wat we niet weten en wat we niet helemaal kunnen begrijpen. Met negen van de tien verhalen uit deze bundel probeert hij onze hedendaagse onttoverde wereld weer van wat magie te voorzien en dat is goed gelukt.

    In het laatste verhaal van de bundel, ‘Een stroopgraf voor de bij’, is dit niet aan de orde. Het is een ‘kostuumdrama’, een negentiende-eeuws realistisch verhaal dat zich afspeelt in fictief Mesopië, ergens in Oost-Europa. Het sluit aan bij Hoflands debuutroman Lyssa uit 2018 die zich ook daar en dan afspeelt. Dezelfde personages duiken op, zoals de mysterieuze Gaspar Szabó als cynische maar ook verraderlijk verliefde hoofdpersoon. Het is een verhaal dat niet bij de bundel past en dat is jammer, want dat levert een teleurstellende anticlimax op na negen verhalen vol leesplezier.

     

  • Waanzinnige necrologie over Von Neumann

    Als Usain Bolt – ’s werelds snelste sprinter – een marathon zou moeten lopen, zou hij dat dan sneller kunnen dan een Ferrari? Een absurde vraag. Niemand zal ervan opkijken dat de sportwagen het traject minstens twintig keer sneller aflegt. Waarom? Kwestie van vermogen. 800 pk verslaat geen sterveling. Knap zouden we de moeiteloze overwinning van de Ferrari nooit noemen. Hoe anders is dat bij de vergelijking tussen de menselijke hersenen en Artificial Intelligence. Massa’s mensen vinden het knap dat AI homo sapiens naar de kroon steekt. Niet Simon Vestdijk of Herman Brusselmans, maar Chat-GPT schrijft tegenwoordig sneller dan God kan lezen. Schaakcomputers degraderen grootmeesters tot amateurs. Netflix en Spotify voorspellen onze muziek- en filmvoorkeur. In de roman De MANIAC laat Benjamín Labatut zien dat kunstmatige intelligentie niks met talent, intuïtie of denken te maken heeft. Een schaakwedstrijd van Kasparov tegen Deep Blue is geen gelijkwaardige één-tegen-één confrontatie, zelfs geen bovengemiddeld zware simultaanseance. Een biljoen hersenen verpletteren de denkkracht van één bescheiden mensenbrein. Brute kracht van een oneindig heelal aan gegevens tegen een begaafd individu. Goh, wie zou dat winnen?

    Toch betovert artificial intelligence vriend en vijand. Een machine die menselijke handelingen kopieert, heeft immers iets magisch. Iets kwetsbaars en eenzaams bovendien. In feite zit er natuurlijk een heel team wetenschappers achter, dat via imitatie en machine learning een ‘rekenaar’ boven zichzelf doet uitstijgen. De MANIAC laat zien waartoe zo’n team in staat is. Dit boek ontspruit echter wél aan ‘slechts’ één brein: dat van de Chileen Benjamín Labatut. Hij gaat dieper in op het leven van een van AI’s grondleggers, Janos Neumann. Aan de bekendere Brit Alan Turing zijn al vele biografieën en biopics gewijd, maar de Magyaren kennen hun eigen magiër. Met deze geweldige necrologie sleurt Labatut Neumann uit de anonimiteit. De joodse Janos vlucht naar de Verenigde Staten om uit handen te blijven van de nazi’s. Daar werkt hij onder meer mee aan de atoombom. Eenmaal genaturaliseerd wordt de Hongaarse wiskundige omgedoopt tot John von Neumann. Een maniak met vele gezichten.

    Monomaan, scherp, egoïstisch

    Labatut kiest ervoor vanuit meerdere perspectieven te vertellen over Von Neumann. Hier en daar dikt hij een feitje met fictie aan om zijn docu-roman van sjeu te voorzien. In verfrissende registerwisselingen ontstaat het beeld van een veelzijdig, feilbaar mens. Nooit spreekt de hoofdpersoon zelf. Voortdurend verrast Labatut met boeiende personages die elk oogpunt geloofwaardig maken. En leesplezier geven. Janos’ echtgenotes blikken terug op hun tumultueuze huwelijk met de Hongaar. Ook Eugene Wigner, dochter Marina, leraar Gábor en vele vakgenoten herdenken Von Neumann, die aan kanker bezwijkt. Stuk voor stuk bewonderen Janos’ kennissen zijn kennis, denkkracht en genialiteit. Als twintiger wordt hij reeds hoogleraar wiskunde. Op congressen brengt hij gerenommeerde wetenschappers in verlegenheid met bondige, vernieuwende inzichten. Zijn honger naar kennis kent geen verzadiging, aldus makker én Nobelprijswinnaar Eugene Wigner: ‘Ik heb hem ooit twee boeken mee naar de wc zien nemen, uit angst dat hij het eerste uit zou hebben voordat hij klaar was. (…) geen van mijn intelligente vrienden had zo’n snelle en scherpe geest als Janos von Neumann.’ Scherp als een tweesnijdend zwaard creëert zijn brein kansen en gevaren.

    Altijd denkt Janos verder, haast ziekelijk: ‘Het is niet de uitgesproken perverse destructiviteit van één specifieke uitvinding die gevaar creëert. Het gevaar is intrinsiek. Vooruitgang valt niet te genezen.’ Welke vooruitgang? Het apparaat waarop deze recensie over De MANIAC ontstaat, zou er zonder Von Neumann niet zijn geweest. Het beeldscherm waarop u dit leest evenmin. Zijn gedroomde computer doopt hij tot de MANIAC: Mathematical Analyzer, Numerical Integrator And Computer Model. Hij mikt hoger dan de Giganten ooit durfden. Zijn grootheidswaan drijft vrouwen Klara en Mariëtte geregeld tot waanzin. Zo wil hij het weer beïnvloeden met waterstofbommen die stadsgrote tyfoons en orkanen van koers moeten doen veranderen. Gelukkig komt het nooit tot zo’n levensgevaarlijk experiment. Bijna al zijn uitvindingen doet hij aan het Institute for Advanced Study in Princeton. Aangezien geen levende ziel in de jaren ’50 de gevaren kent van radioactieve straling, sterven velen aan kanker. Voor Neumann maakt de ziekte geen uitzondering. Hij die zijn liefde verklaart aan Kennis en voor haar leeft, sterft dankzij kennisgebrek. Ironie die pijn doet van schoonheid.

    Gospel over het Go-spel

    Aan het einde van zijn leven vlucht Janos in religie, het makkelijke medicijn dat hij in goede gezondheid verkettert. Het besef dat de aarde een grens kent, kan hij niet verkroppen: ‘Te langen leste beginnen we de effecten van de eindige, daadwerkelijke omvang van de aarde op een kritieke manier te voelen.’ Tot veler verbazing verandert Janos in een geesteswetenschapper die de rauwe exactheid van de natuurwetenschappen niet langer interessant vindt. Plotseling troost het hem dat kunstmatige intelligentie voorlopig mooi niet op ons, de kroon der schepping, zal lijken: ‘Hij zei dat die [machine] zou moeten groeien, niet gebouwd worden. (…) En hij zei dat hij zou moeten spelen als een kind.’ Wat hem betreft, scheidt dat de levende wezens van machines, die nooit spelen. Spelen is in feite niets meer dan een bewuste, spontane afwijking van verwachtingen, gewoon omdat het kan. Daar hebben mensen en dieren soms zomaar zin in, dus dan gebeurt dat simpelweg. En Labatut speelt na Janos’ dood vrolijk door met een smakelijk toetje over hét Aziatische bordspel bij uitstek: Go.

    Schaken brengt een schier oneindige reeks van spelverlopen voort. Het spel van koningen en koninginnen geeft met 8 bij 8 vakjes de mogelijkheid tot biljoenen wedstrijdvariaties. Veel, zegt u? Zijn oosterse concurrent Go rekt het begrip ‘oneindigheid’ pas echt op. Een Go-spel bestaat uit een leeg speelveld van 19 bij 19 vakjes, die steentje voor steentje gevuld moeten worden. Aantal mogelijke variaties: googolplex. Dat getal is zo idioot groot, dat er niet genoeg atomen in het universum voorhanden zijn om dit nummer in decimalen uit te schrijven. Een perfect speelveld, dus, voor de AI-tool AlphaGo, bedacht door de Cypriotische Brit Demis Hassabis. De epische uitweiding tussen wereldkampioen Go, Lee Sedol, en deze monstermachine, leest weg als een ouderwetse kickboksvijfkamp. Vijf onderlinge confrontaties, waarin vuriger dan ooit voor de underdog wordt geduimd. De metafoor van de menselijke hardloper tegen de bloedrode sportwagen zou een te rooskleurige afspiegeling zijn van de kansverhoudingen. Dan geschiedt het wonder, een meesterzet:

    ‘… één op de tienduizend menselijke spelers zou hem overwogen hebben. Daarom kon AlphaGo niet omgaan met Lee’s wigzet: hij stond te ver af van de menselijke ervaring, zelfs voorbij waar AlphaGo’s schijnbaar grenzeloze capaciteiten konden reiken.’

    Geen magisch-realisme, maar reële magie

    Wel vaker wordt over wetenschappelijke ontdekkingen gezegd dat ze magie dichterbij brengen. Van zelfrijdende auto’s en hologrammen tot gebouwen producerende 3D-printers. Niet te bevatten, haast. Toch zijn ze net zo echt als de ogen waarmee we ze aanschouwen. Juist omdat deze roman erin slaagt niet in de val van al te futuristische sciencefiction te trappen, blijft hij continu boeien. Sciencefiction hoeft zich niet altijd eeuwen in de toekomst af te spelen. Het gebeurt hier, voor onze neus. Voor Von Neumanns neus ook. Hij haatte het Go-spel, trouwens. Menig bord sneuvelde onder zijn toorn. En of Labatut dit detail nu verzonnen heeft of niet, maakt geen verschil. Met zijn fantasie levert hij ons een écht magische ervaring: De MANIAC.

     

     

  • Zoektocht naar jezelf

    De rode draad in Kilometers zonlicht van Marike Goslinga is de wezenlijke en diepe vraag: ‘Wie ben ik?’ De hoofdpersonen Peer en Leonne (beide 15) worstelen hier ieder op hun eigen manier mee. En daar horen ook vragen bij als ‘Wat wil ik nu echt?’ en ‘Hoe kijken anderen naar mij?’ Heel herkenbaar, zeker voor de doelgroep van het boek. Deze vragen en nog veel meer thema’s komen aan de orde tijdens de eerste twee etappes van het Pieterpad. Ofwel de eerste 43 kilometer van de wandeling van totaal meer dan 500 kilometer, die Peer en Leonne beiden om een andere reden lopen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Een intiem verhaal over geluk en ziekte, kwelling en verlangen

    Een vrouw met mooie borsten. Het dagboek van Veere Wachter is de debuutroman van Elte Rauch. Rauch groeide op in Zeeuws-Vlaanderen, vertrok naar Bristol voor haar studie filosofie en sociale wetenschappen en werkte tot haar dertigste in Engeland. Daarna keerde ze terug naar Nederland, studeerde filosofie in Utrecht, werkte vervolgens bij de GGZ, als literair assistent van Huub Oosterhuis en als programmeur voor literaire en culturele podia. Naast auteur is Rauch ook uitgever bij de door haar opgerichte uitgeverij HetMoet.

    Een vrouw met mooie borsten is een dagboek, een persoonlijke en intieme kijk in het leven van Veere Wachter. Veere is een vrouw van bijna veertig die met haar partner Krysztof in Amsterdam woont. Ze gaat vaak naar Engeland, waar haar broer Iain woont en waar ze vroeger zelf ook heeft gewoond. Ze is een creatieve vrouw, een bohemienne zoals ze zelf zegt. Ze werkt als trainer, is bezig met een boek, schrijft teksten en gedichten en houdt van culturele activiteiten. Dan krijgt ze borstkanker. Een zware periode vol chemobehandeling en bestralingen verandert haar leven drastisch. Ze schrijft bijna dagelijks in haar dagboek, behalve in de maanden juni en juli, waarin ze zo ziek is dat ze niet kan schrijven.

    Virginia en Vita

    Veere is een sociale vrouw en de relatie met anderen is heel belangrijk voor haar. Haar relatie met Krysz is aan de ene kant stabiel en goed , ‘mijn man, mijn anker, mijn levenspartner’, maar aan de andere kant voor haar toch niet voldoende. Zo schrijft Veere: ‘ik [wil] Krysz beschermen en hetgeen we hebben opgebouwd, wat heel liefdevol en vertrouwd is. Ik wil Krysz beschermen voor mijn wankele, zoekende onzin’. Veere blijft zoeken, is gefascineerd door vrouwen en vrouwelijkheid en verliest zichzelf volledig als ze op een avond de jonge zangeres Janna ontmoet. Volgens haar heeft ze Janna nodig. Ze ziet in hen een soort Virginia Woolf en haar geheime minnares Vita Sackville-West: twee sterke, creatieve en intellectuele vrouwen die elkaar beter maken. Veere schrijft Janna appjes, brieven, gedichten, belt haar, spreekt met haar af en verlangt constant naar haar. De relatie met Janna is complex, Veere zet Janna op een voetstuk, ze raakt helemaal in de ban van haar, terwijl Janna het spel van aantrekken en afstoten speelt. Hoe zieker Veere wordt, hoe meer ze naar Janna en haar vrouwelijkheid verlangt. En ondanks dat Veere zich meermaals voorneemt om de situatie met Janna te laten voor wat is het, krijgt ze haar niet uit haar hoofd.

    Later worden de verhoudingen nog ingewikkelder als Janna bekent verliefd te zijn geworden op Erik, een collega van Veere met wie ze zelf ook een complexe, intieme band heeft.

    Ondertussen gaan de bestralingen, chemokuren en onderzoeken gewoon door. Het is een loodzware periode voor Veere. Er zijn dagen waarop het relatief goed gaat, dagen waarop ze doodziek en depressief is en dagen waarop ze reflecteert op haar leven. Vaak verlangt ze daarbij naar Engeland, de plaats waar haar basis ligt, haar herinneringen aan haar oude leven met haar vader en haar ex-man A. en waar ze zichzelf kan terugvinden. De roman begint en eindigt dan ook daar, rond de jaarwisseling en rustig, samen met Krysz.

    Authentiek

    Een vrouw met mooie borsten is een heel persoonlijk en intiem werk: Veere schrijft heel eerlijk en open over haar gevoelens. Haar obsessie voor Janna gaat heel ver en ze durft alles in het dagboek te schrijven. Ook is het heel interessant om de veranderingen te zien in haar gemoedstoestand, van een dromerige, levens-genietende jongedame naar een zorgelijke, vermoeide en kwetsbare vrouw. Rauch weet de gevolgen van de behandeling prachtig te beschrijven, zowel met haar woordkeuze als met haar stijl. ‘Het lichaam liegt niet. Ik ben wat er van mij is overgebleven.’

    Het is verleidelijk om te denken dat Een vrouw met mooie borsten autobiografisch is, maar dat is volgens Rauch niet het geval. In een interview met de Groene Amsterdammer geeft ze aan dat ze wel uit haar ervaring heeft geput, – ze heeft de ziekte bijvoorbeeld zelf gehad -, maar dat ze Veere niet ís. Groot compliment voor Rauchs inlevingsvermogen: het dagboek doet heel authentiek en echt aan. Rauch weet Veeres gevoelens, gedachten en twijfels heel mooi te bewoorden: ‘hoe begin ik nieuw. Weinig, minder, bijna niets. O lieve god, geef me niets en laat van me houden.’

    De roman krijgt meerwaarde door de opname van prachtige citaten van literaire grootheden aan het begin van elke maand. Ook voegen Veeres gedichten veel toe, in het Nederlands, Engels en zelfs in het Frans.

     

     

  • De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.