• Wij bezitten het juiste heden 

    Sasja Janssen benadert in haar nieuwe bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica, net als in haar voorlaatste bundel Virgula (2021), de telkens veranderende werkelijkheid met licht, logica en beheersing. In een schemerige atmosfeer waarin het logisch denken verder weg lijkt dan ooit, voert ze ons naar een bewustzijn van het heden in allerlei levensfasen. De bundel bestaat uit vijf afdelingen, voorafgegaan door een ‘heden’ gedicht. Verder wordt elke afdeling ermee afgesloten. In ‘Het heden is een lach in het donker’ spreekt ze zich uit, verwijzend naar de liefdesroman van Vladimir Nabokov over een jong meisje en een oudere man, over het heden dat, ‘wacht op zijn volledige openbaring / maar het houdt niet van mij en zwerft in zichzelf / prostitueert de tijd’.

    De ik ziet krampachtig verlangend uit ‘naar de judaskus die het [heden] me geeft’ dat impliceert dat je er mag zijn, voor jezelf en de anderen. Daarmee is het volledig op willen gaan in het heden een diep verlangen van de ik om los te kunnen komen van wat geweest is en komt. 

    Ontoereikendheid van taal

    Janssen werpt in ‘het beste’ uit de eerste afdeling ‘Wat slapen de geraniums licht’  fundamentele vragen op: ‘zijn wij alomtegenwoordig? Zijn wij goed?’ Uit haar antwoorden blijkt dat de ‘verzengende feitelijkheid’ ons raakt en de moraal ons op een dwaalspoor zet met dood maken tot gevolg: ‘Wij deden altijd het betere / we verlangden elkaar kapot, vraten elkaars bezit’. Onze taal blijkt ontoereikend te zijn om de alomtegenwoordige schepping en onszelf te doorgronden. Al het denken over zonde en schuld is de schuld van Bijbelse theorie. Dat laat de ik achter zich. ‘Tot niets keer ik weer’ blijft dan over. Er is enkel een hier en nu. In ‘Lichte geraniums’ verwoordt ze ‘doodgemoedereerd’ het verwerkingsproces van een overlijden van moeder: ‘bij haar wake branden ze een kaars / zodat ze niet verdwaalt in haar einde’. Het brengt de ik dichter bij het besef van de eigen vergankelijkheid ‘dat de mensen net zo snel gaan als de aarde / door de ruimte schiet’. In ‘de heimwee als meisje van zestien’ komt de ik erachter dat ‘het heden is het probleem van de kunst’, omdat je als kunstenaar in dat heden wil blijven dat achter je geraakt. In ‘Het heden is een gramarijn’ drukt het voortdurend bestellen van ‘dure kleren’ een verlangen uit om als taalkunstenaar gewetensvol om te gaan met woorden.

    Licht en duisternis, dood en leven duelleren met elkaar in de tweede afdeling ‘Het bloeiende uitroeiende’. In de bloemrijke omgeving leeft bij de ik een verlangen naar wat is geweest. In de plantenkas ervaart de ik existentieel ‘das Seiende und das Wesen’. Terugkomst in de moestuin betekent ‘op zoek naar het juiste woord’, om woorden aan herinneringen te geven aan het ouderlijk huis. De betrokkenheid op het proces in de natuur helpt om de essentie van het heden te benaderen.  In ‘Het heden is een sjibbolet’ wijst op het onderscheidend woord ‘heden’ gestalte te geven als toegang tot het leven: ‘Wij bezitten het juiste heden, enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. 

    Verrassende beeldwendingen

    Het heden diagnosticeert in de derde afdeling ‘De eerste bloem als een magnolia’ de wording van de ik tot een taalgevoelig dichter. In het kerngedicht ‘ben ik niet langer een teken begint men mij te betekenen’ lezen we de wording van ik: 

    ‘een vader zegt entropie mijn moeder logica
     mijn vader schaken mijn moeder dammen
     […]
     daarna scheppen ze mijn duisternis leeg
     en word ik van een deling een speling 

     En 

     zo ritmeer ik tussen alle klanken, maar verlies mijn taalloosheid
     ons oudste zintuig
     toch praten we het opgetuigde brood met smaak’

    Op de hotelkamer in ‘ik ging naar Greenwich’ gebruikt Janssen een van de zovele verrassende beeldwendingen. Zo ‘zapte ik op de hotel-tv, at dinerkokkels als ontbijt / zo kort beefde de nacht, tot ik het ei uitpoepte / en uit het flinterdunne heden glipte’. De ik beseft in ‘terug naar het eerste lied’ als een eerbetoon aan Nicole, haar tweelingzus, dat ze in een paradox leeft: ‘dat ik pas dood kan na jou / smaect men bitteren suere / mij gruwelt dat ic leve / maar mijn moeder heft opnieuw haar lied aan als ze zwarte bessen plet’. Hadewijch komt haar tegemoet in haar mystieke eenheidservaring. Het obsessief kopen geeft in ‘Het heden is geen zweetdoek van Veronica’ een ‘onbetaalbaar maar vol heden’, en ‘je bent elke keer nieuw’.

    Patronen in de werkelijkheid

    De ‘Spinsels’ hebben in de vierde afdeling ‘Tapijtbloemen’ direct betrekking op wat Janssen zich als dichter bij het heden voorstelt: ‘zwijgen is van vrouwen, het niet-bestaan, daarom bezitten zij het weten / van voor de tijd dat het denken bestond / van de tijd waarin weten ruimte was’.
    Het gedicht spint woorden ‘omdat ze niet lineair zijn / en valt zijn prooi aan om zo mooi mogelijk te glinsteren’. De ik houdt ‘meer van de waanzinnige / dan van de dichter, omdat die zichzelf betekenis ontzegt’. In het derde spinsel’ staat er wat Janssen zich als dichter toewenst: 

    ‘soms hebben we een filosoof nodig voor onze woorden en dingen
     soms een psychiater om te weten dat we menselijk zijn, een kosmoloog
     die ons opgeilt met zijn verstrekkende kennis, te wijd
     om na te vertellen, een priester die seks tussen God en materie
     stelt, waardoor we ons kunnen vermeerderen, soms een moeder
     of vader voor duiding van een wereld van taxonomie’ 

    Janssen verenigt als dichter de filosoof, psychiater, priester en ouder in zichzelf. Net als melancholie is het ontdekken van patronen in de werkelijkheid voor de ik belangrijk. In ‘Het heden is de derde ruimte’ gaat het om wat niet hoorbaar is in klanken, maar wel wordt gesuggereerd met de sjwa-klank. Het heden is niet te vatten, het is iets wat het verleden uitvreet en voor toekomst geen geduld heeft: ‘ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd’.  

    In het gedicht ’een spiegel in de aarde’ uit de vijfde afdeling ‘De narcissen buigen’ schemert het niet, ‘toch is er geen licht, toch is er geen donker’. De krans van bladeren aan de oever toont een zwartgroene onderwereld en een doorzichtige bovenwereld. Op het meer mengt toekomst en verleden zich, ‘in zijn oog dat nooit sluit / de narcissen buigen, een uil draait zijn kop, vlinders geborgen // dan zinkt ze en duikt op het gedicht als nieuwste tijd’.

    opmerkelijke metaforen en personificaties

    Het gedicht opgedragen aan Marianne Moore spreekt van een ‘coup de foudre’ in de eenzaamheid ‘van het onzegbare in elke geboorte en moord’. Hoezeer ook alle schepsels zich afhankelijk weten, ‘alleen het gedicht echoot ons in en uit en slijpt zichzelf ruw / naar de wetten van zijn enige geluid’. Of het nu Freud of Rimbaud is – in het gedicht dat Janssen aan zichzelf opdraagt – hij is de enige ‘die mijn gedichten begrijpt, volledig / als een wortelkanaal / daar heb ik wel wat seks voor over’. Hoe het ook zij: ‘de poëzie laat me nooit / meer in de steek’. 

    Janssen heeft een beeldrijke bundel geschreven. Strak gecomponeerd vol van opmerkelijke metaforen en personificaties die er niet alleen een objectiverend karakter aan verlenen, maar ook indirect het levenloze tot leven wekken. Ze toont een voorliefde voor eigenzinnig geformuleerde versregels die in hun vervreemdende werking de distantie tot de lezer vergroten, zoals ‘performatieve papavers’ of ‘de ostranenie van het organisme’. De ik heeft aldoor ‘alleen maar Gegenwart’ willen leven, om aan het eind in haar tijdelijk huis te worden teruggebracht ‘tot mijzelf in een kaal bad’. De vraag blijft in dit schaakspel dat leven heet: ‘waarheen toch en waarvandaan’, aldus de Perzische dichter Omar Khayyam. 

    Vooralsnog lijkt voor Janssen poëzie te ontstaan uit een geheimzinnige werkelijkheid, die aan haar betekenissen toedicht en waarop ze vervolgens al schrijvend grip probeert te krijgen. Ze doet er in de hele bundel alles aan ‘het juiste heden’ te veroveren: ‘enig in onze enige soort / wij zijn de logica in onszelf’. In die zoektocht naar zichzelf als dichter probeert ze een vast geloof in het heden te doen oplichten. Deze bundel is een intense zoektocht naar betekenisgeving voor dichter en lezer. 



     

  • Absurd maar niet onmogelijk

    Rinske Bouwman (1988) is een Utrechtse theatermaker en schrijver. Zij maakte diverse voorstellingen, luistertochten en audiotours. Een soort eelt is haar debuutroman. De Nederlandse Sarlag is grotendeels in Mongolië opgegroeid en keert als studente terug naar Utrecht. Ze neemt letterlijk afstand van haar ouders en het land waarin ze groot is geworden. Ze hoopt alles daar achter te laten. Ze draagt een groot verdriet met zich mee, waarvan de oorzaak pas veel later in de roman duidelijk wordt. ‘Weggaan is moeilijker als er duidelijk iets is om achter te laten.’ Ondertussen doet ze er alles aan om dat verdriet uit de weg te gaan.

    Ze vindt een baantje op de koel-vriesafdeling van een supermarkt, want, vinden ze bij de supermarkt ‘jij bent gewend aan de kou’. Naast haar dagelijkse werkzaamheden brengt ze haar dagen door met het boetseren van half gesmolten diepvriesproducten tot vleesbeeldjes. Ze probeert zichzelf te kalmeren door haar favoriete feiten op te noemen, bijvoorbeeld ‘Iemand die zijn hond uitlaat en dat als de hond poept dat dan de baas wegkijkt en hij alvast klaarstaat met om zijn hand een roze plastic zakje’.

    Ze begint een soort verhouding met Kalle, een collega, maar weet niet hoe ze met hem om moet gaan en hij ook niet met haar. Hij is wel lief, maar ook een beetje vreemd. ‘Hij vroeg of ik zijn vriendinnetje wilde zijn. Ik zei: ”Oké”.’ Gaandeweg wordt duidelijk wat er gebeurd is in het gezin waar ze vandaan komt en wat de reden is dat ze min of meer gevlucht is naar Nederland.

    Verdriet uit Mongolië

    Bouwman neemt ons in mee in het leven op het platteland van Mongolië, het leven in een grote tent (een ger), de jaks waar het gezin zijn inkomsten uit haalt. Ze vertelt over haar lievelingsjak Batraa en wat ze met haar vriendinnetje en haar broertje allemaal met dat beest kan en meemaakt. We maken kennis met haar ouders. Haar vader is brandweerman en redt mensen. Als hobby jaagt hij op wolken om ze te beschieten en zo voor regen te zorgen. Haar moeder houdt thuis de boel gaande, haar broertje Yul is acht jaar jonger. Sarlag zorgt op haar manier voor hem en leert hem van alles. Van haar vader leert ze wijsheden als ‘Je moet weten waar je bent, dan weet je wie je bent’.

    Deze hoofdstukken worden afgewisseld met die over haar leven in Utrecht. Ze beschrijft daarin vooral de verveling op haar werk en alle mogelijke manieren om maar niet aan haar rouw te hoeven denken. Bovendien worstelt ze nog met het feit dat ze haar ouders alleen met hun verdriet heeft achtergelaten. Ze heeft vaak heimwee en toch weer niet en weet niet wat ze wel of niet moet doen en waarom. ‘Ik bedacht dat niet denken aan dat je weggegaan bent veel moeilijker is dan het weggaan zelf.’

    Ondertussen heeft het onverwerkte verdriet zich vastgezet in Sarlags lichaam. Rouw kan zich in je nestelen en voor een onverwachte en onvermoede (en absurde) metamorfose zorgen. Ook daarin neemt Bouwman de lezer mee in deze roman: stukje voor stukje wordt niet alleen duidelijk wat er gebeurd is in Mongolië, maar ook hoe zich dat uit in en door Sarlags lichaam. Er was een ongeluk. Haar vader was erbij betrokken, maar die is helemaal dichtgeklapt en kan en wil er niet over praten. Haar moeder is door haar verdriet onbereikbaar. Op het moment van het ongeluk woont Sarlag voor haar studie in Ulaanbaatar, de hoofdstad van Mongolië. Ze gaat terug naar huis, maar daarna vertrekt ze al snel naar Nederland.

    Jak

    Na een tijdje merkt Sarlag in Utrecht dat er van alles met haar lichaam gebeurt: ze krijgt lange witte haren op haar hele lichaam, haar botten en daarmee haar houding verandert, ze gaat anders eten, kan zich minder gemakkelijk bewegen. Ze zorgt ervoor dat haar lichaam helemaal bedekt is, zodat niemand kan zien wat er gebeurt, ook haar vriend Kalle niet. Uiteindelijk stormt ze als jak het conservengangpad van de supermarkt door en eindigt ze in de diepvriesruimte. Haar hart bevriest. ‘Met mijn bevroren hart sta ik voor de gesloten Dirk. In de grote glazen winkelpui kan ik voor het eerst mijn hele weerspiegeling zien, ik ben het echt.’

    Een soort eelt is een roman over rouw en de verwerking daarvan, of eigenlijk de niet-verwerking. Bouwman is erg overtuigend in haar beschrijvingen van al het verdriet en op indrukwekkende wijze beschrijft ze een macabere gebeurtenis. Maar daarnaast is ze heel licht en luchtig in haar zinnen: niets is raar, niets is zwaar. Dat komt door haar humoristische taalgebruik, de onverwachte beelden, de beschrijving van haar transformatie tot jak. Natuurlijk absurd, maar door de wijze van vertellen zeker niet ondenkbaar of onmogelijk.

    Wat overblijft na het lezen van deze roman is vooral hoop. Hoop op een beter leven, hoop op een leven zonder rouw, hoop op een leven zoals haar beste vriendje uit haar jeugd, haar lievelingsjak. Haar ideale wereld is grazen tussen de andere jaks in het weiland: ‘Ik wil alleen zijn, maar het liefst wel met anderen om me heen.’ Dat ze dan als jak te zijner tijd geslacht en opgegeten wordt, aanvaardt ze als iets wat erbij hoort. Een mateloos intrigerende roman.

     

     

  • Manifest van onverwoestbaarheid

    Drie lezingen en vele weken geduld waren er voor nodig vooraleer duidelijk werd dat er aan Koeiendagen van Kira Wuck weinig valt te grijpen, en nog minder te be-grijpen. Poëzie die vrij als stromend water zichzelf lijkt te vormen, zonder zich te storen aan hoofdletters, leestekens, en wat er verder zoal aan regels zijn uitgedacht om het de schrijver en vooral de lezer makkelijker te maken. Gedichten die soms wat langer, soms wat korter zijn; soms een titel hebben, soms ook niet; en die zijn opgedeeld in zes blokken van ongelijke grootte. De inhoudsopgave alleen is al een feestje. Titels vetgedrukt, titels cursief, of gewoon een eerste regel ingeval er geen titel is.

    Wuck hanteert haar taal soepel. Woorden die niet als klinkertjes of kinderkopjes met veel symmetrie en ritmiek in een fraai patroon zijn gelegd in het voorplein van een zestiende-eeuws kasteeltjes, maar hier en daar als ringen in de rotswand geslagen, om met nog iets van houvast een ravijn te kunnen passeren. Met prachtige vergezichten uiteraard, maar ook met peilloze diepten waarvan niemand precies weet wat zich daar afspeelt. Levensgevaarlijk. Maar wel een ervaring die je achteraf voor geen goud had willen missen. Woorden waarvan je niet goed weet wat je ervan moet denken. De titel alleen al: Koeiendagen. In de Dikke Van Dale komt het niet voor. Maar er is iets aan dat woord – en aan andere woorden en zinnen trouwens ook – dat je pakt, dat je raakt, zodat je maar al te graag meedrijft op de melancholie die het oproept.

    Wachten op Vertraging

    Verwacht bij die weidse panorama’s overigens geen scherpe adelaarsblik. Die past niet bij deze gedichten, noch qua vorm, noch qua inhoud. Eerder is het als wachten op een vlucht met vertraging, ergens op een vliegveld ver van huis; met een beker te dure koffie in de handen. Halfslaperig, tussen je wimpers door, kijken naar de andere reizigers. Allemaal wachtend op harde stoelen, aan formica tafeltjes, met hun rolkoffers, hun blèrende kinderen.

    ‘de man die met zijn hoofd tegen het beslagen raam bonkt
     zoekt een uitweg
     hij wordt door antidepressiva aan elkaar geregen’

    Hoe kan taal die zo fragmentarisch wordt gebruikt, zo zonder kop of staart, toch zo’n compleet verhaal vertellen? Nee, eerder nog alsof de verhaal-fase in een rotvaart wordt gepasseerd, in één keer door naar het beeld. De gedichten van Wuck lezen als korte films. En die films zijn van een dermate niveau dat ze moeiteloos internationale prijzen zouden binnenslepen; verbluffend van eenvoud en tegelijk geraffineerd complex.

    Naar believen wordt er in- en uitgezoomd, van cel naar heelal en vice versa, door een ik-figuur waarvan niet zeker is of dat een mens is of een dier. Zelfs niet of het een zoogdier is; mogelijk een amfibie, een weekdier, een visje. Het is allemaal zo diffuus als wat, doorschijnend en zonder materie bijna. En daar tussendoor plaatst Wuck woorden van een onontkoombare en welhaast alledaagse concreetheid: bril, pillen, sinaasappels, kopje, suiker, melk.

    ‘Zure melk

     Als de aarde is opgebrand / hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat / bossen zijn teruggegroeid
     eencelligen voeten krijgen / rechtop leren staan / beschutting zoeken
     misschien is er voor een lange tijd / alleen heel veel zwart / doet iemand vanaf een andere planeet / met zaklampen de sterren na’

    Huidloos naakt

    Een paar jaar terug was er een film met de intrigerende titel Kan door huid heen. Bij het lezen van deze bundel krijgt de lezer bij tijd en wijle het gevoel dat er helemaal geen huid is. Wucks gedichten zijn van een haast lichaamloze transparantie, en tegelijk zijn ze zo lichamelijk als het maar kan; aards, naakt, en op een meer dan gebruikelijke manier nabij. Intiem, op een soms ongemakkelijke wijze.

    Als een peepshow waar niet het platte, directe bloot wordt bekeken, maar de werkelijke intimiteit die zich onder dat evidente bloot afspeelt. De intimiteit van mensen die voor hun geliefde niets te verbergen hebben. De zelfloosheid waarmee iemand zich overgeeft, om te worden uitgehold, verslonden, met huid en haar. Of – het is maar net hoe de verhoudingen liggen – om met de ander te versmelten, zoals slakken paren, traag, langdurig, en ja, huidloos naakt. Niet meer zichtbaar waar de een ophoudt en de ander begint. Voor de betrokkenen zelf mogelijk ook niet.

    Los van de vraag of de lezer hier op zit te wachten – zo ongevraagd en onbedoeld voyeur te zijn van zo’n verregaande intimiteit – verdient Wuck alle lof voor deze bundel, want ze krijgt het toch maar op papier. Als een goocheltruc waarbij je je als toeschouwer alleen maar afvraagt: Hoe dan? 

    ‘Ineens besefte ik dat je geurloos was / alsof je jezelf tot nu toe ongemerkt door het leven bewogen had / toch wist ik je steeds te  vinden en te verleiden / om op lelies te gaan staan / misschien ben je wel een engel / want je huid is ook intact // nog geen doorn heeft in je enkels geprikt / geen scherf heeft je ooit geraakt’

    Herinnerd lichaam

    Wie de door Wuck geschetste en geschilderde intimiteit uitsluitend wil opvatten als liefdespoëzie in positieve, wellicht zelfs romantische zin, komt bedrogen uit. Veel gedichten zijn geschreven vanuit negatief oogpunt. Niet in de betekenis van somber, depressief, zwartgallig, maar als een fotonegatief, als omgekeerde aanwezigheid. Afwezigheid dus; na het vertrek, na het verlies van de geliefde, op welke wijze dan ook.

    Herinnering van aanraking die derhalve niet-aanraking is geworden; gemis, leegte, en de rouw die nu, na het heengaan, om dat ontbreken wordt geleden. En uiteraard met dezelfde intensiteit, wat bijna onvermijdelijk doet denken aan dat prachtige Shakespeare-vers: love is not love which alters when it alteration finds. Ofwel: de liefde is altijd wat ze is, ongeacht de omstandigheden; met een aanwezige of afwezige geliefde; met een levend lijf, of met een herinnerd lichaam dat er in puur stoffelijke vorm allang niet meer is.

    Verval en dood gaan hand in hand, de dood van dingen, het verval van mensen. Of omgekeerd, wie zal het zeggen. Zonder aarzeling wordt in dat bederf gewroet en gezocht naar de gaafheid van het begin. Als tijd niet bestaat – en die indruk wordt veelvuldig gewekt in de gedichten van Wuck – is het er allemaal tegelijk, geruststellend nabij, en pijnlijk afwezig.

    ‘Vintage is hip

    Vannacht droomde ik dat ik in je huis was/ maar het servies was al opgehaald / dus omhelsde ik de aangevreten bank /   dievanbinnen zo hol moest zijn / als een oude ezel // overeind gehouden met telefoonboeken uit de jaren negentig / toen je nog gewoon iedereen bellen kon // de lelijke kopjes zocht ik in elke kringloopwinkel / net als je kleren die hipsters nu dragen’

    Kaarten met spreuken

    Tot slot het allerlaatste vers; daarna komt er niets meer, enkel nog het schutblad. Woorden die iedereen aan het begin van een nieuwe liefde aan de nieuwe geliefde zou moeten toesturen. In sierlijke letters gekalligrafeerd, als op zo’n kaart die je vindt in een molentje, tussen spreuken van Rumi, Rilke of Inayat Kahn. Zo’n kaart die niet zelden eindigt in een mooi lijstje; vanwege de compacte maar o zo waardevolle levenswijsheid. In dit geval als een gebruiksaanwijzing, een manifest:

    ‘je kan met me gooien
     maar niet op me gaan staan
     ik veer niet terug
     en vertrek maar één keer’



     

  • De veerkracht van een jonge vluchteling

    Het debuut Net als ik is een autobiografie die is geschreven door de inmiddels 25-jarige, Syrische, Muzoon Almellehan. Ze heeft op haar jonge leeftijd al een hele staat van dienst en is de jongste GoodWill-ambassadeur van UNICEF met een vluchtelingenstatus. Ook nam ze een plek in op de lijst ’21 under 21’ door Teen Vogue.

    In dit fraaie boek vertelt ze over haar leven in vluchtelingenkampen en hoe ze uiteindelijk asiel krijgt in Engeland. Heftige kost, maar luchtig en positief gebracht. Muzoon Almellehan slaagt erin vooral een mooi en sfeervol jeugdboek te schrijven vanuit de beleving van een opgroeiend meisje van twaalf. Muzoon staat bekend als ‘activiste’. Maar we zien gewoon een meisje dat door de snel veranderende wereld om haar heen zich als vanzelf inzet in haar strijd om meisjes en hun ouders er toe te bewegen vooral naar school te gaan.

    Lees verder op Jong Literair Nederland.

  • Mozaïek van verhalen

    De Nederlandse auteur Frank Nellen (1982) – schrijver en fiscalist – kreeg voor zijn tweede roman De onzichtbaren, de Boekhandelsprijs 2024, werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2024 én voor de E. du Perronprijs 2022/23. Het kan niet op en dat is terecht, want het boek verdient het allemaal. Net als lezers. Heel veel lezers. Vanwege de zorgvuldige stijl waarmee de auteur de sfeer weet te treffen van Oekraïne aan het eind van de Sovjettijd. Vanwege de manier waarop hij de twee totaal verschillende hoofdpersonen, een ik-figuur die luistert naar de naam Dani en zijn vriend Pavel, weet te treffen. Zoals hij in zijn debuutroman Land van dadels en prinsen ook twee totaal verschillende jongens, Simon en Youssef, neerzette. Vanwege de stijl die soms aan een jongensboek doet denken.

    Bijvoorbeeld in de scène met een monster à la Loch Ness dat de jongens in hun greep houdt. Wanneer ze hem hebben gevangen, blijkt het een meerval te zijn die ze naar het dorp brengen, waar hij ’s avonds met peterselie wordt opgediend. Een stijl die je dan weer eerder van een sprookje zou verwachten. Neem bijvoorbeeld de omschrijving van Dani’s en Pavels schooljuf Kravets: een blank, geplooid gezicht, samengeknepen ogen, mondhoeken die zo laag hangen dat ze haast over de vloer sleepten, een gerimpeld voorhoofd, haren op de kin.

    Een groteske figuur zoals we die uit de grote Russische literatuur kennen. Vanwege de sombere en naargeestige scènes, gelijk die in een lampenfabriek, die op een komische manier worden verteld, waardoor ze des te meer bijblijven. Vanwege surrealistische verhalen. Bijvoorbeeld over hoe Pavel aan zijn ene oog kwam. Door een onontplofte granaat uit de Tweede Wereldoorlog die de baan van een gouden ring kruiste die zo in zijn oog terecht kwam. Wie zal zeggen of het allemaal waar is, maar allemaal samen vormen ze een mozaïek van kleine verhalen en anekdotes, groots verteld, waarbij de schrijver veel aan de verbeelding overlaat.

    Neem bijvoorbeeld de manier waarop de ramp met de kernreactor in Tsjernobyl wordt beschreven. Nellen duidt die aan met ‘een vroege zaterdagmorgen in april’ en met het feit dat het ‘warmer voelde dan andere jaren’. De lezer vult de gegevens aan (26 april 1986), maar het gebrek aan verdere informatie is vergelijkbaar met wat de bewoners toen wisten. Niets. Of foute informatie, zoals dat het om ‘een ernstige natuurramp’ nabij Pripjat zou gaan.

    Pavel

    Laten we beginnen met Pavel, een geëngageerd personage dat niet alleen iets ongrijpbaars over zich heeft, maar ook iets ongenaakbaars. Want hij leest onverstoorbaar boeken en niemand op de school van Pavel en diens vrienden, waaronder Dani en bijfiguur Igor, doet dat. Wat wil je ook met boeken over arbeiders, Lenin-pioniers of kosmonauten en tegen het kapitalisme. Ze doden de tijd niet, want die lijkt eindeloos en vol verveling; een constante onderstroom onder alle verre van vrolijke verhalen.

    Pavel heeft haast een Messiaanse uitstraling: ‘In Pavels bijzijn gebeurde er (…) niets onbetamelijks. Er werd niet gevochten, niet geraakt, niet gesjacherd. Langzaamaan werd de plek voor de zijgevel [van de school waar hij zich ophield en een boek leest, vS] het belangrijkste trefpunt van het schoolplein’. Er vormde zich een kring van jongens om hem heen die geen woord van hem wilden missen en uiteindelijk ook zelf aan het lezen sloegen. ‘Een boek in je handen was niet langer een rariteit. Het straalde verfijning uit, en bovenal bevrijding’. De tijd ging opeens snel voorbij.

    De inmiddels ouder geworden Pavel houdt in de universiteitsbibliotheek een rede tegen het communisme en trekt een goedkoop gipsen beeld van zijn sokkel, een daad die doet denken aan Jezus die in de tempel de tafels van de wisselaars omver wierp. Pavel verdwijnt op een gegeven moment van de universiteit en verzoekt later om zijn onderzoeksmateriaal en archieven te vernietigen, zoals Jezus zijn leerlingen verzocht te zwijgen. Uit angst voor de gevolgen.

    Zo’n personage met Messiaanse trekken lijkt ook, net als lerares Kravets, te zijn weggelopen uit de grote Russische literatuur. Bijvoorbeeld uit De gebroeders Karamazov van Dostojevski.

    Dani

    Dani woont met zijn moeder aan de ene kant van een dorpsweg in Taranivka, weesjongen Pavel aan de andere kant ervan bij zijn oudtante mevrouw Janovitsj. ‘In een huisje aan de voet van een metersdikke beuk’. Beide jongens zijn bevriend. Maar op een gegeven moment verliest Dani Pavel uit het oog. Tot hij hem op een radiostation verhalen hoort vertellen van gewone, alledaagse Sovjetburgers. Dani vindt hem terug in Kamp 451, vlakbij Nova Nolienka, ‘tussen de restanten van een verloren leefwereld’. Barrevoets. Als een handelaar in oud roest en oud papier. Waarbij het cijfer 451 een geestig detail betreft, dat naar van alles en nog wat kan verwijzen: Fahrenheit 451 (een dystopische roman, een film), het jaar waarin de Romeinen worden verslagen, een dakpan, een polsbandje en een artikel in het Burgerlijk Wetboek. De roman van Nellen zit vol met zulke grapjes.
    ‘De verhalen,’ zegt Pavel tegen Dani, ‘daarom ben ik hier’. ’s Nachts leest hij ze voor. Dani hoopt Pavel met zijn verhalen ‘terug te voeren naar de werkelijkheid’.

    De onzichtbaren

    Veel uit de werkelijkheid blijft onzichtbaar. Het gif van de Sovjet-Unie is onzichtbaar, net als dat van Tsjernobyl, maar het bestaat wel degelijk. De spionnen van de Sovjet-Unie zijn onzichtbaar, maar ze zijn er wel. De onzichtbaren zijn de mensen in de werkkampen, de sanatoria. Pavel geeft ze een stem. Of liever: de ene mens maal miljoenen, want het communisme kent aan een individu nauwelijks betekenis toe.

    De titel doet denken aan de roman De onzichtbaren van Roy Jacobsen, waar het om Noorwegen gaat. Beide landen zijn niet of nauwelijks te verlaten of in gedachten achter te laten. Is het bij Jacobsen de natuur die haar eigen loop neemt, bij Nellen is het het communisme met zijn al even ijzeren wetten. Wat blijft zijn dromen over een ander leven. Bijvoorbeeld door het lezen van boeken zoals eerst Pavel doet en later de andere schoolkinderen, of door het omverwerpen van goedkope beelden. Toch blijkt er in het eentonige leven op het eiland en in Oekraïne eind jaren tachtig veel te veranderen met het wankelen van de Sovjet-Unie en de dreiging en meer dan dat die er nog steeds – ook voor Noorwegen – van uitgaat.

     

     

  • Over de dichter die wel of niet bestaat

    Schrijfster Emmelien Kramer draagt haar roman op aan ‘alle slachtoffers van de martelingen tijdens Operación Garzón in de zomer van 1992, aan alle slachtoffers van de martelingen in Via Laietana 43, aan alle slachtoffers van alle martelingen.’ Zij doelt daarmee op de gruwelijkheden voorafgaand aan de Olympische Spelen in 1992, toen de Spaanse politie – officieel met als doel een aanslag op de Spelen te voorkomen – 45 Catalaanse nationalisten vastzette en martelde. Het adres dat ze noemt duidt dan weer op de plek waar in het Spanje onder Franco alle dissidenten werden vastgehouden.

    In Woestijnpassages beschrijft Kramer, die een tijd in Barcelona woonde, hoe Rodrigo Torres, een Latijns-Amerikaanse schrijver, in Barcelona op zoek gaat naar een mysterieuze dichter genaamd Àngel Or. We beginnen in medias res met een spannende scène in een bibliotheek waar Àngel wordt opgepakt. Hij verdwijnt: ‘Onvermijdelijk kwam het moment dat de laarzen een hoofd en twee handen werden, een Spanjaard, een jonge jongen nog, ogen met wijd open pupillen (…) hij trok Àngel Or met een ruk achter de boekenkast vandaan.’

    De tegenstelling is duidelijk: het is niet zomaar een agent of lid van de Guardia Civil, het is een Spanjaard die een Catalaan, die kennelijk als separatist wordt aangemerkt, uit de boeken vandaan trekt. Niet met de beste bedoelingen, dat is duidelijk, maar dat het zo erg zou worden, weet de lezer op dat moment natuurlijk nog niet. Rodrigo Torres, die er het ene moment van overtuigd is ‘dat hij hem in zijn geheel zou kunnen terugkrijgen en op het andere moment slechts in delen, in fragmenten’, nemen ze niet mee.

    Schaduw

    Het boek bestaat in eerste instantie uit fragmenten omdat Rodrigo Torres als een soort detective op zoek gaat naar de handel en wandel van Àngel Or; het is geen whodunit maar een whowasit. Wie is die mysterieuze man, en waarom is hij opgepakt in de bibliotheek waar zelfs de boeken hem niet konden beschermen?

    Die informatie is inderdaad gefragmenteerd: er komen zelfs anonieme telefoontjes aan te pas die Rodrigo Torres vertellen dat Àngel Or misschien wel helemaal niet bestaat: ‘Naar wie ze op zoek waren (…)? Dat weet ik niet, misschien maar een schaduw, een aantal dauwdruppels die bloem vormen. Wat is het waar de Spaanse overheid werkelijk naar op zoek is? (…) Àngel Or [is] de schaduw van het Catalaanse volk, hij gaat waar wij zijn, hij is onze inspiratie (…) Het maakt ook niet zoveel uit of hij echt bestaat, wat denk je zelf?’

    Waanbeeld

    Op die manier lijkt Kramer duidelijk te maken hoe twee partijen in zo’n onafhankelijkheidstrijd als die in Spanje in de wedstrijd zitten. Voor de ene partij is de onafhankelijkheid een ideaal, een inspiratiebron. Maar hoe weet je hoe het is om onafhankelijk te zijn als er in je leven altijd maar één Spanje is geweest? Toch is voor de Spaanse overheid de onafhankelijkheid evenmin concreet. Men weet dat iets bestreden moet worden maar wat precies is eigenlijk ook niet helemaal helder. Ze kiezen gewoon iemand uit om te arresteren om maar met wat concreets te komen. Een zondebok, die in dit geval luistert naar de naam Àngel Or.
    De Catalaanse onafhankelijkheid is in wezen voor alle partijen geheimzinnig; niemand weet hoe die er daadwerkelijk uit zou (moeten) zien. Ook de recent gerehabiliteerde Carles Puigdemont niet, vermoedelijk.

    Naarmate het boek vordert weet je als lezer nooit echt waar je aan toe bent: wie is die Àngel nu precies? En waarom brandt er eigenlijk een kaars zonder op te gaan in Rodrigo’s appartement? Waarom interesseert Rodrigo zich zo voor hem? De vragen dringen zich al lezend op. Daarop geeft Kramer lang geen duidelijk antwoord, tot vlak voor het einde, wat alle voorgaande bladzijden meteen in een ander, dreigender licht zet. Een beetje zoals de macht van de Spaanse, per definitie sterkere, overheid altijd dreigend boven Catalonië hangt wellicht? Al met al is dit boek daarmee een knappe prestatie: het is een prikkelende mengeling van een detective met een politieke geëngageerdheid, die de lezer verbouwereerd achterlaat.

     

     

  • Morbide schoonheid

    Mijn mannen is een literaire interpretatie van een gruwelijk, waargebeurd verhaal. De
    Noorse schrijfster Victoria Kielland, een van de meest originele stemmen van haar generatie volgens uitgeverij Oevers, verplaatst zich in de psyche van Brynhild, oftewel Belle Gunness. Ze was een Noors dienstmeisje uit de tweede helft van de negentiende eeuw en begin vorige eeuw dat naar Amerika emigreerde en bekend werd als de eerste vrouwelijke seriemoordenaar.

    De jonge Brynhild heeft seks met de zoon van haar werkgever. Het is pure verkrachting, maar zij ervaart dit als het hoogste genot en echte liefde. Haar begeerte wordt aangewakkerd en verdwijnt ook nooit meer. ‘Brynhild had zich razendsnel uitgekleed, 17 jaar zo heerlijk en zo zacht, zo klaar voor deze wereld, ze was er al klaar voor geweest vanaf het moment dat ze hem zag, toen ze schrijlings op hem was gaan zitten: ”Ik weet dat je me wil.”’

    Seksverslaving in metaforen verpakt

    Brynhild is gevoelig, ze snakt naar aanraking en nabijheid en verlangt hevig naar seks, wat voelt als de nabijheid van God, of ze voelt zichzelf als God. Haar genotsgevoelens worden in een stream of consciousness uitgestald in beeldende, fysieke taal. ‘Zijn oneindig warme lijf. Iedere nacht werd ze met haar hoofd in het kussen gedrukt. Haar mond stond open tot het overstroomde en ze moest slikken. Spiertrekkingen joegen door haar heen als nachtzwarte bevingen door de ruimte.’ Haar liefde voor de man die haar verkracht en misbruikt en uiteindelijk een geestelijke afgrond induwt gaat ver. Als hij haar zowel lichamelijk als geestelijk diep kwetst, gloren de eerste wraakgevoelens in haar onderbewustzijn. Wanneer ze haar leven in Noorwegen niet meer overziet emigreert ze naar Noord-Amerika, waar haar zuster woont met man en kinderen. In Amerika laat ze zich eerst Bella en later Belle noemen.

    Er komen prachtige beelden met veel oog voor detail voor in dit boek, zoals: ‘… langs de horizon stond een zwak briesje, het licht gleed als een zwaar ooglid over de rand.’ Of ‘… ze hoorde geen enkel geluid, ze zag alleen het uitgestrekte, stille wateroppervlak in de verte. Het was mooier dan vroeger, dat stond vast, en ’s avonds kwamen de waterlelies tevoorschijn schommelend op het kabbelende water, ze dwaalden als stralende lantaarntjes door de avondschemer, gleden haar kant op, …’ De zinnen bevatten veel bijzinnen, er is veel herhaling, wat enerzijds zorgt voor een sterk ritme maar soms stoort, zoals haar namen Brynhild en Bella die in vrijwel iedere zin worden herhaald. Of haar diepe gelovigheid, verwijzingen naar God en haar zware innerlijke gevoelens maken het verhaal soms haast pathetisch.

    Bella

    ‘Brynhild was Bella geworden, ze was nu een andere persoon, maar alles wat haar gegeven was, kon haar ook weer worden afgenomen, en de romantiek en het mooie licht boven Lake Michigan waren verschrikkelijk, ze moest er bijna van kotsen. […] Dus hoe de lucht hing, roze boven het water, Michigan bespotte haar met zijn kleine stekende insectengeluiden. De dingen in de buitenwereld vonden geen enkele weerklank in haar, niet in haar lichaam niet in haar hersens en al helemaal niet in haar hart.’

    Via haar zus Nellie krijgt ze een baantje bij een naaiatelier en ze heeft de zorg voor Nellies kinderen, wat ze tamelijk achteloos doet. Ze probeert contact met ze te maken, wat vaker niet dan wel lukt. Ze laat dochtertje Olga alle bloemen uit de tuin plukken tot een groot boeket voor Nellie. Bella ziet het als een gebaar van liefde, maar Nellie begrijpt het niet, zij ziet alleen haar vertrapte tuin. Bella sluit steeds minder aan op haar omgeving, ze spreekt de taal niet, ze is eenzaam, voelt afstand en afwijzing en verdrinkt in haar liefde voor God. En zoals het citaat van Simone Weil aan het begin van het boek zegt: ‘De liefde streeft naar steeds verder. Maar er bestaat een grens. Wanneer die grens overschreden is, verandert liefde in haat. Om deze omkering te vermijden, moet de liefde anders worden.’

    Beter leven

    Dan komt Mad Sørensen in haar leven, ze trouwen en gaan naar Austin, Illinois. Hun huis brandt af en van het verzekeringsgeld kopen ze elders een nieuw huis. Ze willen een goed en Goddelijk leven leiden en besluiten kinderen te adopteren. ‘Dus Mads en Bella hadden hun armen geopend, ze ontvingen het en tilde het in het licht en kusten het, het pasgeborene dat huid en haar had en dat nog maar het begin van alles was, ouderloze kindjes die niemand wilde hebben. Dat was Gods glorie.’ Maar Mads gaat dood en Bella staat er weer alleen voor. Dat zijn dood niet natuurlijk was lezen we tussen de regels door en zo wordt de beklemming over wat komen gaat sterk opgebouwd en uiteindelijk bewaard voor de laatste paar bladzijden.

    Bella ruilt haar huis in Illinois met een boerderij in La Porte en vertrekt met de kinderen om daar een varkensboerderij te beginnen, met hulp van knecht Ray Lamphere. In 1893 gaat ze naar de wereldtentoonstelling in Chicago waar ze de getrouwde Noor Peder Gunness ontmoet. ‘Bella’s hart opende zich, beschadigd en eenzaam, in vrije val.’ Ze lijkt weer gelukkig, ze trouwen, ze laat zich voortaan Belle noemen en ze krijgt zelfs een zoon met hem. ‘Peder zag het bloedige landschap dat zich over haar polsen uitstrekte, de dunne blauwe riviertjes, haar gezicht sprak boekdelen, alles wat er door haar heen sloeg, in grote, zware golven.[…] Peder dreef het verlangen tot het uiterste en toen hij tenslotte bij haar kinderlijke mondje kwam wilde hij zich alleen nog maar in haar verdrinken, haar met zich meetrekken, haar zien loslaten, slikken en in de duisternis wegzakken.’ En ook Peder vindt de dood.

    Huwelijkskandidaten

    Weer alleen grijpt de eenzaamheid haar aan en begint ze iets duisters met de knecht. Vervolgens zet ze advertenties waarin ze op zoek gaat naar een huwelijkskandidaat die mede haar hypotheek wil aflossen. Er komen talloze argeloze mannen op af met medeneming van geld, paarden, bontmantels en horloges. ‘Belle sloeg haar handen voor haar gezicht, er schuurde weer iets helemaal open, een goudkleurig, glinsterend vlies, ze voelde het diep in haar ziel, het gretige grommen in haar borst.’ De ene na de andere man vindt de dood. Uiteindelijk brandt ook deze boerderij af en wordt er een opzienbarende vondst op het erf gedaan. Van Belle ontbreekt ieder spoor.

    Belle’s gevoeligheid, eenzaamheid, onvermogen, sociopathisch gedrag en niet aangesloten zijn op haar omgeving wordt pijnlijk goed beschreven vanuit haar perspectief. Dat we de andere personages alleen vanuit Belle’s perceptie zien, is als totaalbeeld wat kaal en eenzijdig en roept vragen op. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn om te zien hoe de andere personages haar zien. Toch is Mijn mannen dankzij Kiellands taal een literair juweeltje.

     

     

  • Beeldschoon boek over dystopisch toekomstbeeld

    Met Eenbeen brengt Thijs Goverde een heel actuele en relevante jeugdroman uit die menig jonge lezer zal aanspreken.

    Eenbeen houdt het midden tussen een dystopische roman en een coming-of-ageverhaal. De roman speelt zich af in het jaar 2136. Onze planeet gaat gebukt onder een nieuwe wereldorde mede bepaald door de klimaatproblematiek.

    […]

    Het toont een nieuwe wereld waaraan de mens zich heeft aangepast, maar tegelijkertijd toont Goverde ook dat sommige zaken nooit veranderen en dat mensen altijd mensen blijven. De onderlinge relaties, de sociale contacten en de eigenheid van karakters bepalen in grote mate hoe mensen leven,  wat er ook gebeurt, in welke wereld de mens ook terechtkomt. Roosmarijn bijvoorbeeld leert hoe het echte leven in elkaar zit en dat niet alles is wat het lijkt. Een boodschap die veel jongeren van vandaag op korte tijd lijken te moeten leren. Vandaar dat Eenbeen zonder enige twijfel een belangrijk en relevant boek genoemd kan worden. Goverde toont dat sommige zaken van alle tijden zijn, maar dat de manier waarop de mens ermee omgaat cruciaal is, en dat ondanks alle tegenslagen en verdriet .

  • Beeld van een getalenteerd en gevoelig kunstenares

    Gedurende vele jaren heeft literatuurhistoricus Nop Maas (1949) intensief contact gehad met de dichteres Hanny Michaelis (1922-2007). In 2002 bezorgde Maas Michaelis’ boek Verst verleden. Jeugdherinneringen verteld aan Nop Maas verschenen bij Van Oorschot. Maas ondervroeg Michaelis natuurlijk over haar huwelijk met Gerard Reve voor zijn driedelige biografie over Reve, getiteld Kroniek van een schuldig leven (2009-2012). Hij was ook de bezorger van de oorlogsdagboeken van Hanny Michaelis, die postuum zijn uitgegeven in twee delen bij Van Oorschot, samen ruim 2.000 pagina’s. De Tweede Wereldoorlog betekende voor de joodse Hanny Michaelis persoonlijk een catastrofe: haar beide ouders werden door de nazi’s in Sobibor vermoord. Zelf overleefde ze de shoah door onder te duiken. 

    Talrijke herinneringen, opmerkingen en uitspraken van Michaelis, gedaan tijdens vele ontmoetingen heeft Nop Maas op geluidsband opgenomen en later schriftelijk uitgewerkt. Zelf spreekt hij van ‘ongeautoriseerde momentopnamen’. Deels in combinatie met wat Maas al eerder over haar schreef, heeft hij dit alles nu bewerkt tot het boek Vastgenageld aan de rand van het niets. Hiermee heeft Nop Maas geen biografie over Hanny Michaelis geschreven, en ook niet willen schrijven. Wel heeft hij uit al die soms terloopse uitlatingen en gespreksfragmenten een kaleidoskopisch geheel weten te maken dat boeit van begin tot eind.

    De vrouw die getrouwd was met

    Heel knap heeft Nop Maas de uitspraken en boutades van Michaelis geordend in een negental hoofdstukken, chronologisch en thematisch: Jeugdherinneringen, Na de oorlog, Leven met Reve, Na de scheiding, Jodendom, Eigen werk, Schrijvers, kunstenaars en uitgevers, Varia en ten slotte Haar laatste jaren.

    Dikwijls werd Michaelis vooral gezien als de vrouw die van 1948-1959 met Gerard Reve was getrouwd. In dit boek komen juist andere aspecten van haar leven aan bod. Even opmerkelijk als terecht is de aandacht voor Michaelis’ eigen poëzie. Tussen 1949 en 1971 publiceerde ze een vijftal bundels met gedichten, tezamen ruim tweehonderzeventig bladzijden. Ook daarover praat Michaelis laconiek, relativerend, spottend soms. Dat dit geen valse bescheidenheid is, blijkt wel uit het feit dat ze na 1971 inderdaad met dichten stopte, of in elk geval: het lukte niet meer. En hoe jammer is dat niet: ze wist met haar gedichten telkens nieuwe lezers te bereiken, haar werk werd met regelmaat herdrukt. 

    Roddelpraat van een lief mens

    Zeer aansprekend is het grote hoofdstuk over collega-dichters en -schrijvers en uitgevers. Niet alleen Nederlandse auteurs die zij gekend heeft, ook over veel anderen die zij alleen uit de lectuur heeft leren kennen, laat Michaelis zich over uit. Van Hans Christian Andersen tot aan de Zangeres zonder Naam. Met name omdat Michaelis totaal geen blad voor de mond neemt en de halve Nederlandse literatuur van de 20ste eeuw afwerkt, levert dit een verrukkelijk brok ongepolijste, uiterst levendige literaire geschiedenis op. Zo vond ze dat iemand van de portuur van Carry van Bruggen nog geboren moest worden, Hermans was iets heel bijzonders, H.J.A. Hofland is een ontzettende zak, de smaak van Komrij kan Michaelis gestolen worden, Harry Mulisch noemt ze een prulschrijver, Du Perron kon schrijven als de ziekte, Ethel Portnoy is een kolerewijf, A. Roland Holst viel omhoog door gebrek aan gewicht, Renate Rubinstein was narcistisch en jaloers. Roddelpraat? Och ja, maar van een oprecht, toegewijd en liefdevol mens. De dankbare en geamuseerde lezer vergeeft haar veel, zo niet alles.     

    Al lezend in dit boek wordt men telkens weer getroffen door de onnadrukkelijkheid waarmee Michaelis haar uitlatingen doet. Dit kan te maken hebben met de gefragmenteerde opbouw: allemaal miniatuurtjes die in hun samenstelling een gaaf en veelzijdig beeld opleveren. Een beeld van een getalenteerde, gevoelige kunstenares, die een dramatisch leven leidde en zich door haar opmerkingsgave, groot gevoel voor humor en neiging tot relativeren staande wist te houden. En zelfs meer dan dat. Michaelis’ poëzie verdient het gelezen te worden. Dit boek met herinneringen en commentaren is met Michaelis’ dagboeken en poëzie het sluitstuk van een boeiend en indrukwekkend drieluik.

     

     

  • Geloven in het eigen dichterschap

    De Russische schrijver en filosoof Leo Tolstoï (1828-1910), bekend van zijn beroemde roman Anna Karenina (1877), schreef in een van zijn brieven dat ‘werkelijk genoegen niet bestaat, behalve dat wat zijn oorsprong vindt in scheppende arbeid. Wat is moeilijker weer te geven dan de waarheid, wat komt moeilijker tot stand dan helderheid?’ Daan Doesborgh is in zijn nieuwe bundel Moet het zo op zoek naar een verstaanbare manier om tegen de vergankelijkheid in aan zijn dichterschap gestalte te geven. 

    In zijn gedicht ‘Prefiguratie’, voorafgaand aan de bundel, raakt Doesborgh aan zijn voorgeschiedenis waarin de religie een rol speelde. Hij verwijst onder meer met het ‘ruisen van de beukenhaag’ naar een religieuze ervaring op de manier, zoals God Elia nadert op de berg. De dichter lijkt zich hierin bewust te worden van de scheppende arbeid die hem zo nu en dan te boven lijkt te gaan. Met deze religieuze grondtonen opent Doesborgh zijn bundel die uit vijf afdelingen zonder titel en van verschillende lengte bestaat. Het is aan de lezer om de thematische noemer vast te stellen. Achter in de bundel noemt Doesborgh een groot aantal dichters aan wie hij schatplichtig is: ‘I think my friends have gathered here for me.’ (Nick Cave) Of hij deze vermelding uit zelfvertrouwen doet, blijft vooralsnog de vraag. 

    Angst in het donker

    De eerste afdeling plaatst ons direct in de dodelijke actualiteit van Oekraïne. Een granaat, een ‘shrapnelkop ontbrandde’ in een zomerse nachtelijke ontmoeting boven Snizjne. Omgeven door angst in het nachtelijk donker lijkt alles wat het persoonlijke voelt, wordt overgedragen op de dingen. In het ‘Lang sonnet voor Laurens van der Graaff’ concretiseert het ik het dreigende gevaar met dodelijk afloop in dienst van het Oekraïense leger’. In het ‘Sonnet voor de eeuwige jeugd’ stelt hij zich voor, hoe het is om zo jong te moeten sterven: ‘Het niet-begrijpen [daarvan] wordt een tweede huid / Je groeit niet meer jaarlijks je denken uit’. 

    Tragisch is dat in het gedicht ‘Cordyceps’ het ‘sprankelend begin’ van de geboorte tevens het einde inhoudt. Als een cordyceps, een schimmel, zijn we ‘het ware kwaad in de natuur’. In deze bedreigende werkelijkheid is er voor een ieder ‘een weg die je / verkent, er is een pad dat je bent.’ Onder deze bizarre omstandigheden personifieert het ik de dingen, zoals in het gedicht ‘September op het eiland’, waarin hij de steiger laat zeggen: ‘kruip tegen mijn wang / en kus me met je autobanden’. 

    Doesborgh schroomt niet zich in zijn eigen onwerkelijke wereld terug te trekken. In zijn poëzie waart existentiële eenzaamheid, leegte en dreiging rond, waarin hij als oplettend waarnemer soms meegezogen dreigt te worden. Te midden van het muzikale geweld kringelen de gedichten ‘als gas tussen haar lokken’ van Sappho omhoog. In het laatste titelloze gedicht op het plein gaan allen dood, ‘haast terloops’ / en meteen daarna / was alles [weer] weids en licht’. In meerdere gedichten lijkt het ik vrij te zweven, en los van zijn werkelijkheid te komen. 

    Gezondheid en bestaanszekerheid

    In de tweede afdeling twijfelt het ik in ‘De dokter en ik’ aan zijn gezondheid, sterker nog aan zijn bestaan. Hij gaat te rade bij een pièta en vertrouwt zich denkbeeldig toe aan de armen van Maria: 

    ‘ik ben Christus op Golgotha
     of een onbedaarlijke aansteller
     maar niets daartussenin
     ik denk in grotere woorden dan ooit’ 

    Hij weet zich na deze dokterssessie gezond verklaard, en verbaasd zich daarover. Gezond willen zijn en bestaanszekerheid voeren de boventoon in deze afdeling: ‘Het leven zwemt / blikkerend voorbij, niet ziek is / niet klagen.’ Voortdurend leeft het ik in een sfeer van onbestemdheid, alsof hij het leven uit zich voelt wegvloeien, al dan niet verkankerd. Hij vraagt zich dan ook af, hoe kan er dan uit het niets een gedicht ontstaan? 

    ‘zoals je
     uit het niks een dag gezond was
     en de volgende niet.

    Het ik voelt zich nog altijd door de dood bedreigd en vraagt zich af wie van zijn vrienden als eerste zal gaan. Zijn remedie tegen deze levensbedreigende gedachten is het draaien van een film. Net als in de film blijft de afloop van het leven onvoorstelbaar. De doodsangst bedreigt zijn levenszin. 

    Dood en liefde omsluiten elkaar

    De derde afdeling opent Doesborgh met een zeemanslied waarin het terugkerend refrein ‘We zijn doden maar we weten het nog niet’, duidt op een ontbrekend (zelf)bewustzijn van wat onze onbarmhartige condition humaine als levensles inhoudt. In de ‘Ballade voor mijn oma’ brengt Doesborgh een onthutsende hommage aan haar, een trotsmakend boegbeeld dat hem herinnert aan Slauerhoffs gedicht ‘Het boegbeeld: de ziel’. Zij vroeg hem haar te helpen het leven te verlaten: ‘er was een storm opgestoken in haar hoofd’. Dood en liefde omsluiten elkaar dikwijls in deze bundel. De dood van de ander betekent dat hij of zij nog meer aanwezig is dan daarvoor, zoals het slachtoffer op de cover van ‘Time Magazine’. Opnieuw komt de ellende van Oekraïne langs met een opzwellende rivier die de militaire opmars doet stranden. De natuur neemt de macht over. 

    De dood is dominant in deze afdeling. Zo droomt het ik in het vijfdelige gedicht ‘Je mag niet dromen in gedichten maar wel doodgaan’, dat hij stierf: 

    ‘het lijkt alsof we reizen
     langs huizen vol graven
     om een eigen graf te vinden

     zodat men hier 

     in innerlijke vrede
     op het laatste oordeel wacht
     […]
     Een graf!
     zo hebben wij een lus geleefd!
     Op de meter af is zo ons einde
     ons begin.’

    Zo ook in ‘Toen Thomas stierf’ weet het jarige ik zich overvallen door het nieuws van de dood van de ander die achter zijn laptop de dood in zich voelde zakken. Gevonden door andere mensen: ‘Jij was te dood en ik niet jarig genoeg.’  Wat in deze gedichten opvalt, is dat het ik zich zeer bewust wordt van het feit dat doden ‘snel vergeten wie we zijn’. In het gedicht ‘Travertijn’, opgedragen aan Menno Wigman, vraagt het ik zich af, waar de gedichten nu nog vandaan komen, 

    ‘wel
     dat die dode er iets
     mee te maken heeft, 

     Kom op zeg, je leest dit
     immers met mijn stem’

    De vierde afdeling verwoordt vluchtgevaar voor het eigen leven: ‘Het was geen vluchten wat we deden, / een ontsnapping meer, aan iets / wat op ons leven leek. 

    Een houding van gelatenheid die je de dreiging doet vergeten. Het ‘Gedicht met licht’, is een cruiseschip dat licht met bakken vol over het water uitstrooit. Het is zomer en de dingen gebeuren als vanzelf: ‘De iepen aan het water werpen grote / kanten schaduwrokken op de scheefgezakte / kade’ 

    Zoeken naar zelfvertrouwen

    Beeldrijk formuleren lukt Doesborgh lang niet altijd. Het is ook een moment van verrukking, je opgenomen weten in een groter geheel. Nadat het water van de ‘Maas’ gezakt was, waren alle stammen gedrapeerd met ‘knapperige Degasjurken’. Opnieuw doemt zijn oma op die ‘ziet uit het raam hoe de oever haar dagelijks nadert’. Als het ik vijf is, durft het niet uit het raam te kijken naar het naderende water.

    Het zand van Aalsbeek aan de Maas blijkt in het achtdelige gedicht ‘Van water’ nauw verbonden te zijn met zijn levensgevoel: ‘ze zeiden toen / dat je geboren was uit water’. Het is de plek vol geheimenissen. Op het einde neemt de rivier zijn ruimte onder de lage lucht. Kiezels rollen ‘de laatste meter tot het water / dat likkebaardend je naam hijgt’. Met deze hartstochtelijke beelden neemt het natuurlijke leven zijn loop. Het gevecht met het achterlaten van de ander blijft. Ter geruststelling volgt er een ‘Bezwering’: 

    ‘je bent zoals je altijd bent geweest  

     en doet alsof je altijd zo zal zijn. Dan heb je
     spijt dat je niet het onmogelijke hebt gedaan:
     bestaan in het volle licht van het bestaan.’

    In de laatste afdeling komen we dichter bij wat het lyrisch ik bezielt. Bovenal is dat geloof hechten aan het dichterschap. Geen rijm. Geen trukendoos en alledaags taalgebruik, maar ‘schrijven alsof het er altijd al stond’. Deze poëticale opening zegt iets over het zoeken naar zelfvertrouwen door deze dichter: Zo is ten slotte elke gebeitelde regel / weifelend neergeschreven door iemand / die eerst moest geloven / in zijn eigen gezicht.’ 

    ‘Gezicht’ is hier in de betekenis van ‘beeld’ dat zich aan hem voordoet op het moment dat de dichter bezig is zijn woorden aan het papier toe te vertrouwen: ‘Wat denkt die vent [wel], / vanwaar dat licht?’ Gelooft hij er nog wel in? In hoeverre kan hij wegblijven van de vorm? Hier is enige worsteling bij het schrijven te proeven, terwijl de dichter tezelfdertijd behoefte heeft aan ‘spelregels’. De conclusie is voor hem duidelijk: hou je in dit spel klein, laat de taal haar werk doen. 

    Al met al weet de dichter zich voor een onmogelijke opdracht gesteld. Toch ontleent hij troost in dit vergankelijke bestaan aan het grote gedicht van W.B. Yeats, terwijl het ‘meer zingt’. Wat er ook aan de overzijde gebeurt, ‘jij loopt over straat met dit gedicht. / Geen mens kan je iets maken.’ De dichtkunst geeft hem iets onoverwinnelijks. In ‘Het lied van der dwaze bijen’ van Nijhoff vindt de dichter zijn positieve slotakkoord. Daarin laten de nieuwe koningin en de bijen hem ‘dansend de stand van de zon […] zien’. Doesborgh heeft in deze bundel geprobeerd de vergankelijke wereld te begrijpen. Voor hem is het dichterschap een manier om daaraan tegenwicht te bieden: ‘bestaan in het volle licht van het bestaan.’

     

     

  • Mahmoud en Mahmoud moeten de machtigen lezen

    Rieneke van Tongeren kreeg als docente Nederlands/NT2 in 2018 twee cursisten in haar klas die gevlucht waren uit Syrië: Mahmoud Omar en Mahmoud Ali (niet hun echte namen). Ze raakte al gauw onder de indruk van deze mannen, omdat ze ondanks alles wat ze hadden meegemaakt in hun leven, zo vriendelijk en leergierig waren gebleven, met grote belangstelling voor al het nieuwe om hen heen. Van Tongeren besloot te vertellen over hun verleden in Syrië, hun vlucht naar Europa en hun nieuwe bestaan in Nederland.

    Van Tongeren kon toen nog niet vermoeden hoe de oorlog in Gaza zou gaan woeden en hoeveel slachtoffers er zouden vallen onder het Palestijnse volk. Het deed haar even aarzelen om haar boek uit te brengen, schrijft ze op LinkedIn, omdat ze geen politiek statement wilde maken, maar uiteindelijk besloot ze door te zetten, ‘want dit verhaal moet verteld worden.’

    Ze schrijft het verhaal van twee vrienden, collega’s en buren, Mahmoud Omar en Mahmoud Ali, twee Palestijnen die nog nooit in Palestina geweest waren. Hun ouders moesten vluchten toen in 1948 de Arabisch-Israëlische oorlog uitbrak, die ‘Al Nakba’ genoemd werd: ‘de ramp’. Na vele omzwervingen kwamen alle vier de ouders in 1957 terecht in Kamp Yarmouk. Dit heet ook wel de ‘hoofdstad van de diaspora’, want geen vluchtelingenkamp zou ooit groter worden. Hier werden Mahmoud en Mahmoud geboren, maar ieder aan een andere kant van het immense kamp, waardoor ze elkaar pas ontmoetten in hun twintiger jaren. Ze waren vastbesloten om hard te werken en hard te studeren en ze ‘kozen de weg van de geweldloosheid. Ze zouden geen martelaar worden, maar een strijd voeren met woorden, met kennis, met kunst en muziek.’

    Nuchter en lyrisch

    Hun verhaal begint met een gedicht van een andere Mahmoud, de bekende dichter Mahmoud Darwish. Deze Palestijn dichtte over het verlies van zijn land, de pijn van de verdrijving en de Palestijnse diaspora. Het gedicht nodigt uit om aan anderen te denken, aan mensen die het slechter hebben dan jij. Het werd vertaald door Mahmoud Omar. Na dit indrukwekkende gedicht is de paklijst, waarop staat wat de vluchtelingen moeten meenemen, wel heel prozaïsch: tot de benodigdheden behoren ‘1 set schoon ondergoed en lege flessen om urine op te vangen’.

    In flashbacks wordt de reden dat deze mensen willen vluchten, onthuld tijdens hun gevaarlijke reis: de mannen denken terug aan hun jeugd, de armoe, de hongersnood, de angst, de bommen en de scherpschutters. De geheime dienst en de verraders. Op straat worden jonge mannen ontvoerd om te dienen in het leger van Assad. Zij komen terug in een lijkenzak. Overleven ze het toch, dan sidderen ze nog na van marteling en geweld. In korte zinnen vertelt Van Tongeren hoe het was: ‘De aangewezen schuldigen waren altijd terroristische groeperingen, ook al was het klip-en-klaar dat het regime erachter zat. En zij die in de ziekenhuizen overleden, stierven in de officiële stukken altijd aan een natuurlijke dood: een hartaanval, een beroerte. Maar nimmer noteerde men staatsmarteling als officiële doodsoorzaak.’

    In de geest van…

    Van Tongeren hanteert nog een andere verteltechniek om heden en verleden met elkaar te verbinden en om zowel de vluchtelingen als de achterblijvers tegelijk aan het woord te laten komen. Ze schiep een geest, de ‘schim van Palestina’, die al sinds 1948 door Syrië dwaalt om haar Palestijnse broeders en zusters te volgen. Deze verteller, die boven de verhalen zweeft, stelt Van Tongeren in staat om de gebeurtenissen van lang geleden en van ver weg af te wisselen met het heden. Deze ‘schim van Palestina’ lijkt enigszins op de verteller in Hertog van Egypte van Margriet de Moor en vervult dezelfde rol. Daardoor vernemen we ook rechtstreeks hoe het gaat met de gezinnen van Omar en Ali, die in angst en zorgen achterblijven in het kamp, waar de dagelijkse ellende gewoon doorgaat.

    Van Tongeren beschrijft op treffende wijze hoe de mensen zich voelen, hoe ondanks de ontberingen de hoop op een beter leven blijft bestaan. Haar korte zinnen staan sentimentaliteit of overdrijving niet toe, maar ze weet heel goed inzichtelijk te maken wat er in deze mensen omgaat, of het nu de mensen zijn die in Kamp Yarmouk achterblijven of de vluchtelingen in de bus: ‘Angst overvalt hem. Is er een controle? Waarom duurt het zo lang? Hij probeert het gevoel van paniek te onderdrukken. Twee stemmen schreeuwen in zijn hoofd om het hardst. ‘Er is niks aan de hand. De chauffeur gaat gewoon tanken.’ ‘We worden gecontroleerd, Let maar op, zo meteen gaat de laadruimte open en worden we ontdekt.’

    Na een spannende en gevaarlijke reis komen Mahmoud Omar en Mahmoud Ali aan in Nederland, in Ter Apel, waarmee het tweede deel van het boek begint. In het azc is de verveling groot, het is er nooit stil en ze hebben amper privacy. Maar klagen doen ze niet, want ze zijn blij en dankbaar dat ze ‘in vrijheid, in veiligheid zijn en met vertrouwen hun toekomst tegemoet lopen.’ De volgende stap is het aanvragen van een verblijfsvergunning en de gezinshereniging. Beide processen duren erg lang, veel langer dan verwacht was, waardoor de zorgen om hun achtergebleven gezin stijgen, evenals de angst voor represailles van het leger van Assad op hun families. Een aantal keren moeten ze verhuizen, van Ter Apel naar Gilze, van Gilze naar Onnen. Ze worden gehoord voor hun asielaanvraag en ervaren hoe lastig het is om te bewijzen dat je terecht bent gevlucht. Ze leren de Nederlandse taal, ‘een manier om uit de wachtkamer te ontsnappen.’

    Ten slotte krijgen ze hun verblijfsvergunning. Nog later, na bijna een jaar, mag het gezin overkomen en krijgen ze een huis toegewezen. De mooiste scène wellicht: Mahmoud Ali krijgt een kleindochter. Zij is het eerste familielid in zeventig jaar dat een eigen, legale nationaliteit krijgt: de Nederlandse.

    Actualiteitswaarde

    In een nawoord refereert Van Tongeren aan de strijd tussen Israël en de Palestijnen, al kon zij toen nog niet weten dat de vete vanaf 7 oktober 2023 opnieuw zou losbarsten. Ook spreekt zij de hoop uit dat andere vluchtelingen ‘net als Mahmoud Ali en Mahmoud Omar als ware geluksvinders in het leven zullen staan. Nederig, dankbaar, vol levenslust en altijd oog hebbend voor de mooi, goede, fijne en leuke dingen in het leven. Want de Mahmouds zien en vinden het geluk dat overal om ons heen is. Geluk, dat veel mensen niet meer zien in de waan van alledag.’

    Dat gun je iedereen, maar haar verwachting om ‘nederig en dankbaar’ te zijn komt wel erg moralistisch over. Het is een van de weinige minpunten van dit boek, dat alles in het tweede deel, als de mannen in Nederland zijn, zo rooskleurig beschrijft. Iedereen is even aardig, vriendelijk en bereid om te helpen. In Groningen leren ze een man kennen, Tije, die zelfs voor hun beider gezinnen de vliegtickets betaalt. Alle Nederlanders zijn eerlijk en bereiden hun een warm welkom. Het kan natuurlijk echt zo gegaan zijn, dan hebben de Mahmouds een geluk gekend waarvan je zou willen dat elke vluchteling het mag overkomen. Maar het valt te vrezen dat de andere kant van het verhaal niet vermeld wordt: de overvolle azc’s, het buiten slapen in de kou, de agressie, de uitzichtloosheid, de discriminatie, alles wat de media wel vermelden.

    Twee keer beschrijft Van Tongeren die andere kant: als in een trein een Arabische man in paniek raakt omdat hij niet weet of hij de goede richting opgaat; en nadat Ali ondervraagd is door de IND. Dan komen alle emoties boven: ‘Hij is het nu die de stilte op de kamer verbreekt, die angstkreten uitstoot, die in gierende uithalen huilt alsof hij een klein kind is.’

    Vorige jaar, op 7 juli viel het kabinet over de vluchtelingenpolitiek, de beperking van de asielinstroom en de gezinshereniging. Laten we alle kabinetsleden dit boek cadeau doen en ervoor zorgen dat ze het ook daadwerkelijk lezen. Misschien helpt het om vluchtelingen een veilige plek in Nederland te geven.

     

     

  • Over de gele soepterrine

    Plotseling was zij weg als presentator van het populaire televisieprogramma Heel Holland Bakt, Martine Bijl, getroffen door een hersenbloeding. Het programma werd overgenomen door André van Duijn. Martine Bijl maakte carrière als zangeres van het Nederlandse luisterlied, als actrice, schrijfster en cabaretier, maar bij het grote publiek was zij de laatste jaren vooral bekend van de reclame en als presentator van bovengenoemd programma. Zij was getrouwd met Berend Boudewijn, jarenlang een bekende persoonlijkheid in de Nederlandse amusementswereld. Na een ziekbed van een kleine vier jaar overleed zij in mei 2019. In zijn boek Wie houdt je warm in de winter?, waarvan de titel ontleend is aan een van haar gedichten, reflecteert Berend Boudewijn op zijn leven na haar dood. Het boek is absoluut geen larmoyante onderdompeling in zijn verdriet over haar gemis. Het is veeleer een liefdevolle bespiegeling van een man, zelf in zijn laatste levensjaren, op zijn leven met en zonder haar.

    Vergeetwoorden

    Berend Boudewijn valt als het ware met de deur in huis door zijn boek te beginnen met de constatering: ‘Daar zit meneertje dan in zijn grote huis, alweer drieënhalf jaar alleen. Zo zat hij te denken. Zo zag hij zichzelf zitten denken.’ Hij deelt met de lezer zijn persoonlijke kijk op zijn leven. Door in zijn relaas consequent te kiezen voor het hij-perspectief zorgt Boudewijn voor de nodige distantie tussen zijn gevoelens en de weerslag daarvan op de lezer. De toon is beschouwend, soms licht spottend of ironisch als hij de draak steekt met zichzelf of zijn omgeving. Juist deze licht relativerende afstandelijkheid zorgt ervoor dat zijn boek niet alleen een ontroerend inkijkje geeft in de zielewereld van de oude Berend Boudewijn, maar tevens een kleinood oplevert van een meer algemene strekking en dat is prachtige literatuur. Zijn toonzetting sluit naadloos aan bij de lieve, soms zelfs vileine en ironische toon die wij kennen van Martine Bijl en waaraan zij een groot deel van haar populariteit te danken heeft. In deze zin is het boek wel degelijk ook een ode aan Martine Bijl.

    Berend Boudewijn getuigt via de taal van zijn diep gevoelde zielsverwantschap met Martine Bijl. Dit wordt nog versterkt door het gebruik van wat Frits Spits in zijn programma De Taalstaat vergeetwoorden noemt zoals ‘gebelgd’ en ‘blohartig’. Gelukkig is de dosering hiervan heel zorgvuldig en zit het de leesbaarheid niet in de weg. Dat Berend Boudewijn en Martine Bijl beiden furore hebben gemaakt in de wereld van het amusement laat zich duidelijk aflezen uit het gebruik van korte, heldere zinnen zoals kenmerkend zijn voor cabaretteksten en luisterliedjes. Hij sluit het boek dan ook passend af door te refereren aan zijn openingszin: ‘Zo ziet meneertje zichzelf zitten denken in zijn grote huis.’

    Een hoop vragen

    De overpeinzingen in het boek hebben een vaak nostalgisch, weemoedig karakter. De tekening op de kaft van Marion Vrijburg, die doet denken aan de grote reclameposters van de Rotterdamsche levensverzekeringsmaatscappij van 1830, accenteert dit mooi. De alom aanwezigheid van de overleden Martine in zijn huis valt af te lezen aan de titels van haar boeken, de dofzwarte, ooit drooggekookte ketel die decoratief staat te wezen op het AGA-fornuis, de gele soepterrine zo sfeervol uitgestald op het witte servies achter de ruitjes van de ouderwetse inbouwkast in de keuken, de geur van haar kledingstukken, de inrichting van het huis, haar zorgzame gerommel in de tuin, de lege plek naast hem in bed. Ook in zijn relatie met vrienden en kennissen laat het gemis zich kennen, wat leidt tot gevoelens van eenzaamheid. Vaak blijkt zo’n relatie niet één op één te werken, maar is ze gekoppeld aan hen samen. Het gemis staat ook oprechte belangstelling voor de zorgen van de ander in de weg waardoor zo’n vriendschap erodeert. Wat voor man zou hij geweest zijn als hij Martine nooit had ontmoet? Hoe moet hij nu verder? Wat voor man is hij nu nog?

    Herinneringen aan zijn ouderlijk huis, aan andere verliefdheden vóór Martine komen boven drijven. Hoe zou zijn leven dan verlopen zijn? Hoe zien de anderen hem nu? Is hij een zielige, oude man in hun ogen? Moet hij trachten zich tegen dit beeld te weer te stellen door zich sterker voor te doen dan hij in werkelijkheid is? Zal hij nu eindelijk het laatste boek dat Martine bij zich had toen zij van de trap viel, gaan lezen? Dat boek met dat kleine bloedspoortje van de val er nog op: Biografie van een eigenwijze kunstenaar.Het zijn allemaal vragen die iemand zich stelt om de balans van zijn leven op te maken na een groot verlies. Het feit alleen al dat Berend Boudewijn dit boek heeft geschreven maakt duidelijk dat voor hem de balans positief is. Het schetst een beeld van een rijk, zorgzaam en liefdevol leven. De literaire kwaliteit van het boek zorgt ervoor dat het het persoonlijke beeld overstijgt en een ereplaatsje verdient temidden van de autobiografische geschriften van bekende Nederlandse persoonlijkheden.