• Hedendaags liefdesverhaal gebaseerd op een mythe

    In Meisje ontmoet jongen laat de Schotse auteur Ali Smith urgente zaken aan bod komen. Zoals de macht van multinationals, gender fluïditeit, familiebanden, seksisme en grensoverschrijdend gedrag. Met veel humor verweeft Smith de verschillende onderwerpen door elkaar, met als basis het mythologische verhaal van Iphis en Ianthe.

    Anthea en Imogen zijn twee jongvolwassen zusjes die er samen alleen voor staan. Hun ouders zijn uit elkaar en hun grootouders zijn op een zeilboot de oceaan opgevaren en waarschijnlijk verdronken. De zusjes wonen in het ouderlijk huis en zijn beiden creatief en intelligent. Imogen werkt bij het zeer succesvolle Pure, een bedrijf dat water bottelt, maar daarnaast een dubieuze dubbele agenda heeft. Anthea zoekt nog naar haar eigen identiteit, maar Imogen zorgt ervoor dat ze ook bij Pure kan werken. Niet geheel volgens de wens van Anthea, die kritisch is op een cultuur van prestatiedwang en grensoverschrijdend gedrag. 

    Eerste levensbehoefte in een fles

    De kracht van de verhaallijn van het bedrijf Pure dat Smith erin verweven heeft, is dat we allemaal wel eens water in een fles kopen. Dat vinden we heel normaal. Maar bij de gedachte dat water een eerste levensbehoefte is, zou niemand daar eigenlijk zoveel aan mogen verdienen. Keith, de CEO van Pure, zoekt naar een verkoopslogan en vraagt in een brainstormsessie aan zijn mensen: ‘Hoe bottelen we de verbeelding?’ Met andere woorden, hoe perken we iemands verbeelding in. Het is Anthea die dat doorziet en gefrustreerd naar buiten rent. Op dat moment ziet ze een jongen met krullen en een kilt aan op een ladder met een spuitbus de gevel van het gebouw van Pure bekladden. ‘’t Was de mooiste jongen die ik ooit had gezien. Maar hij zag er uit als een meisje. Zij was de mooiste jongen die ik ooit gezien had.’

    Dat is Robin, ze zat vroeger bij Anthea in de klas en op het moment dat Robin zich soepel langs de ladder naar beneden laat glijden, weet Anthea dat ze voor elkaar bestemd zijn. En ze worden geliefden. Robin vertelt Anthea ‘De mythe van Iphis’ geschreven door Ovidius. Nog voor Iphis geboren is, zegt haar vader tegen haar moeder, dat als het een meisje wordt, ze dat niet zal overleven. Hij wil een zoon. Het wordt een meisje, maar de moeder houdt dat geheim en voedt haar kind op als een jongen. Tot Iphis met Ianthe wil trouwen, dat is een probleem, maar de moeder verzint met behulp van godin Isis een list, zodat Iphis verder als man door het leven kan. Het is de metafoor voor hun eigen leven, al is het in deze tijd wel anders. In deze tijd moet je alert blijven en vechten voor je eigenheid. 

    Statements als kunst

    Robin en Anthea vereenzelvigen zich met Iphis en Ianthe en Robin gebruikt voor haar activistische werk Iphis07 als pseudoniem. Door de hele stad kalken ze tamelijk schokkende feministische statements op de gevels van gebouwen. Zoals: ‘Wereldwijd worden 2 miljoen meisjes bij hun geboorte gedood, omdat ze geen jongen waren. Dat is officieel. Tel daarbij op de officieuze schatting dat nog  eens 58 miljoen meisjes gedood werden omdat ze geen jongen waren, dat maakt 60 miljoen meisjes.’ En leuzen die ingaan op andere ongelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Zoals ongelijk loon en dat slechts 2 procent van de vrouwen wereldwijd topfuncties bekleden. Statements die de gemoederen aanwakkeren en uiteindelijk als kunst gezien worden.

    Het boek, eerder een novelle, is verdeeld in vier hoofdstukken. Het eerste deel, ‘Ik’ wordt vanuit Anthea’s perspectief verteld; in ‘Jij’ volgen we Imogen, haar gedachten staan tussen haakjes, wat bijzonder effectief werkt. Ze heeft er moeite mee dat haar zus lesbisch zou zijn. ‘(O god, mijn zus is EEN POT.)’ Ze geeft alles en iedereen de schuld daarvan: de Spicegirls, het songfestival of haar gescheiden ouders. ‘(Maar als dat zo is, ben ik misschien ook een pot.)’ Imogen is graatmager, laat zich koeioneren door seksistische collega’s en haar baas. Ze wil behagen, cijfert zichzelf weg en heeft er grote moeite mee dat ze misschien haar zus kwijtraakt. Totdat ze, op een zeer onaangename manier, op het hoofdkantoor van Pure een topfunctie aangeboden krijgt. Dan valt ook bij haar het kwartje, (wat een tikkeltje snel gaat). Ineens komt ze voor zichzelf op en durft de man van haar dromen, (die ietwat uit de lucht komt vallen) te confronteren met haar gevoelens.           

    Ali Smith schreef dit boek als onderdeel van de serie ‘Canongate Myth Series’, een serie novellen uitgegeven door de Schotse uitgever Canongate Books, waarin oude mythen uit verschillende culturen opnieuw worden bedacht en herschreven. Een project dat in 1999 ontstond. Smith koos voor Ovidius’ Metamorfosen, en specifiek voor de mythe van Iphis en Ianthe. Meisje ontmoet jongen is een verhaal in een verhaal en een ode aan de jeugd. Aan hun verlangens, hun verbeelding en hang naar vrijheid om zichzelf te mogen zijn.

     

     

  • Zwijgen als vorm van zelfbehoud

    Zwijgen kan soms levensgrote proporties aannemen, zeker als je daarnaast ook nog eens een slopend geheim meedraagt. Voor wie met misbruik te maken krijgt geldt dat dubbel, je wordt opgezadeld met het geheim en de levenslange gevolgen daarvan. Misbruik vindt daarnaast ook nog eens vaak plaats in de familiekring, wat het nog lastiger maakt om erover te praten. Aisha Dutrieux kiest ervoor om in haar auto-fictionele boek Wat wij verzwijgen daarover een boekje open te doen. Daarnaast stipt ze ook het ‘Indische zwijgen’ over pijnlijke zaken in haar familie aan.

    Voor het hoofdpersonage Mia die opgroeide in een Indisch gezin, was er een zekere gespletenheid in het opgroeien. Ze ontleende een houvast aan het verleden, maar tegelijkertijd groeide er sluipend bij haar een dubbelzinnig besef van iets wat niet klopte. Van zwijgen en van familie die eigenlijk geen familie meer is, in dit geval haar oom die haar jarenlang heeft misbruikt. In het boek vertelt ze in een lange monoloog de herinneringen die ze aan hem bewaart. Ze was vijftien toen ze aangifte deed. Na de rechtbank is de volgende keer dat ze hem ziet zijn begrafenis. De tijd daartussen vult zij zelf op om het verhaal compleet te maken. Dat verhaal vertelt ze terwijl ze zijn huis schoonmaakt. Het roept een wirwar aan tegenstrijdige emoties op: schaamte, woede, angst, maar ook rouw, medelijden, zijn aardigheid, zijn liefde. Afgewisseld met herinneringen aan haar oom vertelt ze episodes in het heden over haar eigen leven waarin ze inmiddels veertig, getrouwd en moeder van twee dochters is.

    Verstikkend zwijgen

    Mia constateert dat het zwijgen van de familie over de oorlog en over het gebeurde met haar oom een vorm van zelfbehoud was. Dit noemt ze typisch voor de Indo gemeenschap. De eerste generatie die zich met moeite aan moest passen aan een vreemd land draagt dat trauma over aan de tweede generatie die leert dat ze zich koest moet houden. Niet opvallen, en zwijgen: ‘Maar het zwijgen verstikt me. Ik zou het willen uitschreeuwen.’ Zodoende is het ook een verhaal over de kleine leugens die we onszelf vertellen om niet te zien hoe we anderen kwetsen. Mia probeert zich te bevrijden van het verhaal van haar verleden, maar allerlei lichamelijke klachten bevestigen dat het niet zo makkelijk is het verleden te vergeten. In haar herinnering speelt ze bepaalde gebeurtenissen dwangmatig af. ‘Wat er gebeurd was betrof enkel ons tweeën, jou en mij. Doorkliefde vervolgens een hele familie.’

    De vraag blijft waarom je je überhaupt in zou willen leven in iemand die zoiets heeft gedaan. Het is een thema waar de meeste mensen niks mee te maken willen hebben. Dutrieux schrijft: ‘Het komt te dichtbij, het is te kwetsbaar. Te zeer vervuld met schaamte. Een volwassen man die aan een kind zit, geen mens wil weten hoe dat precies gegaan is. Hoe dat voelt, wanneer je het kind in kwestie bent.’ Toch beantwoordt dat weten net als boeken als Wij waren, ik ben aan een zekere behoefte. Autobiografische of semiautobiografische verhalen zoals deze doorbreken een taboe, maar dat neemt niet weg dat het zeer beladen is om over te lezen. Dutrieux kiest ervoor om het gebeuren zonder opsmuk te vertellen in een sobere stijl die balanceert tussen haar perspectief en dat van hem. Tegelijkertijd is het een manier om de processen waar ze in zat definitief af te sluiten. Uiteindelijk gaat het meer over de gevolgen van het trauma dan dat er in detail wordt in gegaan op het gebeurde.

    Het verleden uitwissen

    ‘Vrijheid is wat je doet met wat je is aangedaan’ schreef Sartre al eens. Dutrieux probeert via Mia het gebeurde van zich af te schrijven en het bestaan van haar oom uit te wissen door zijn aanwezigheid uit zijn appartement te verwijderen. Vroeger had ze geen keuze, nu kiest ze er op deze manier toch voor om de controle terug te nemen. ‘Ik maak van jou een personage, zodat ik uit het verhaal kan stappen, en jou daar achter kan laten, zonder jou verder kan gaan.’ Waarbij het wel opvalt dat de lacunes in haar geheugen veelal opgevuld worden door vooronderstellingen. ‘Maar omdat jij geen antwoord geeft en ik je bij leven deze vraag nooit gesteld heb zal ik het nooit weten. Wie was jij?’ De persoon van de oom blijft een beetje vaag door het hele boek. Ze vraagt zich onder andere af hoe anders zijn leven had kunnen lopen. Als ze zelf niet die woorden had uitgesproken, of als ze gewoon vrienden waren geweest. De vele vragen halen soms wel het tempo uit de tekst, bijvoorbeeld: ‘Heb je spijt van het verleden, ons verleden? Hunkerde je naar vergeving, van mij, van je kleine broertje dat jou op jonge leeftijd in zoveel opzichten al ontstegen was? Hadden we je dit geschenk moeten geven?’

    Naast de herinneringen aan gezellige uitjes naar Amsterdam en eindeloze gesprekken eist het verleden zijn bestaansrecht op in het lichaam en in het hoofd van Mia. Ze realiseert zich gaandeweg dat ze ondanks alles toch van hem hield en hem soms mist. Het helen, en het weer heel worden is een uiterst langzaam proces dat met veel vallen en opstaan gepaard gaat, het lijkt een bijna onmogelijke opgave. Dat het haar toch is gelukt, daarvan getuigt het boek. Het geheel voelt als een poging om ergens definitief een levensgrote punt achter te zetten. Op het einde resteren alleen zijn spullen nog, kan ze afscheid nemen van de herinnering aan het trauma. Er komt weer ruimte voor geluk, voor het mooie van haar dochters die opgroeien.

    Ongemakkelijke waarheid

    Het meeste van dit soort verhalen ontstijgt zelden de persoonlijke sfeer. Er is in dit geval ook het element van de Indische zwijgcultuur dat iets toevoegt maar niet heel diepgravend is. Het is wel interessant dat ook Mia’s particuliere trauma net als het koloniale trauma netjes wordt weggemoffeld. De waarheid is te ongemakkelijk om te kunnen bestaan. Zwijgen is geen oplossing concludeert Mia: ‘Ik begrijp waar het vandaan komt, en dat het mijn voorouders veiligheid heeft geboden. Maar misschien is het als oplossing voor alle kwalen over zijn houdbaarheidsdatum heen.’ Het verhaal is ongemakkelijk om te lezen, net als elke traumatische ervaring. Mia doorloopt alle stadia van zelfverwijt tot zich weer veilig gaan voelen. Misschien is het bespreekbaar maken van zo’n proces ook een manier om het familiale zwijgen te doorbreken. Het dubbele verleden van Mia wordt tot een heden waarin de schaduw naar de achtergrond verschuift. Mooi door haar verbeeld als een blauwzwarte vogel die haar onder het opruimen bekijkt. ‘De schaduwmaker, ik heb je ontmaskerd.’

     

     

  • Aangrijpend mooi zelfportret van een buitenbeentje

    Oever van Ludwig Volbeda is een briefroman of dagboekroman waarin de lezer in het hoofd kruipt van Jip. Jip moet voor school een zelfportret tekenen. En dat is nu precies haar grote talent. Toch heeft ze het heel moeilijk en lukt het niet om dit op papier te krijgen en dit heeft allemaal te maken met de zoektocht naar haar ware ik. Want je kunt natuurlijk geen zelfportret maken als je jezelf niet helemaal kent. De zoektocht naar zichzelf is het thema van Oever.

    […]

    Met Jip creëert Ludwig Volbeda de typische tiener die in de knoop ligt met zichzelf. Net als elke tiener gaat Jip op zoek naar zichzelf, maar weet ook wel dat ze anders is. De manier waarop Volbeda dit beschrijft is zeer raak en juist. Hij gebruikt een poëtische stijl die soms wat vaag is. De lezer moet heel veel tussen de regels door lezen en dat is precies de sterkte van dit werk. De gedachtestroom van de jongere die op zoek is naar zijn eigen identiteit en geaardheid, die gevoelens soms moeilijk weet te plaatsen, die vlucht en fulmineert, die botst en huilt, … die gevoelsuitersten weet Volbeda op een perfecte manier op papier te zetten. Hij doet dit niet door breedsprakerig te schrijven of grote adjectieven te gebruiken. Integendeel. Hij gebruikt weinig woorden, korte zinnen en korte hoofdstukken waarin hij precies weet duidelijk te maken hoe Jip zich voelt. Volbeda laat de lezer veel veronderstellen en geeft slechts druppelsgewijs het hele plaatje weer.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Zusterschap zonder macht van klasse of ras

    Heeft feminisme een inleiding nodig? In het voorwoord vertelt Amerikaans schrijver, hoogleraar en sociaal en politiek activist bell hooks (1952-2021), die haar naam bewust met kleine letters schreef, dat ze een toegankelijk en vlot boek beoogde met Feminisme is voor iedereen. Ze wilde feminisme uitleggen aan een breed publiek. Daarmee toont ze meteen een pijnpunt: feminisme wordt amper onderwezen en feministische ideeën vinden eerder toegang in academische kringen. De ‘mainstream’ media geven feministisch-progressieve boodschappen maar weinig aandacht, klinkt het doorheen het boek. Na het voorwoord volgt er een inleiding die vertelt waarom ze van dit boek droomde. Zo lijkt het of het feminisme veel verantwoording nodig heeft en hooks niet met de deur in huis durft te vallen. Maar dan begint een troostrijk relaas waarin de auteur haar doel lijkt te bereiken. Ze vertelt de geschiedenis en de verschillende invalshoeken van het feminisme. Ze toont ideeën en uit kritiek, benadrukt zaken die het feminisme heeft bereikt en fileert de negatieve dingen die erover worden verteld. Een must voor onzekere tienermeisjes maar ook anderen die zich geklemd voelen in een patriarchaal systeem waarvan je jezelf niet mag zijn. Voor iedereen dus.

    Seksisme

    bell hooks zag het feminisme niet als anti-man. Ze vond seksisme het probleem. ‘Het feminisme is een beweging die een einde wil maken aan dat seksisme en aan seksistische uitbuiting en onderdrukking.’ Het patriarchaat is volgens hooks een andere benaming voor geïnstitutionaliseerd seksisme. Vrouwen kunnen net zo seksistisch zijn als mannen. Ze droomde van een wereld waarin iedereen het recht heeft zichzelf te zijn en waarin wederkerigheid de basis vormt voor onze interactie. Doorheen het boek krijgt deze boodschap gestalte, die hooks niet naïef maar juist genuanceerd vertelt. hooks pleitte voor waar welbevinden.

    In de massamedia wordt feminisme gerepresenteerd door vrouwen die zich in de eerste plaats inzetten voor gendergelijkheid – zoals de beloning voor gelijk werk. Deze vrouwen zijn meestal wit en hebben het goed in materieel opzicht. hooks getuigt van een aantal scherpe inzichten tegen onrecht. Geregeld verwijst ze naar rassendiscriminatie, klassenstrijd en kapitalisme die voor haar onlosmakelijk verbonden zijn met het patriarchaat. Ze herhaalt deze inzichten te pas en te onpas en zo raak je er wel van doordrongen.

    De feministische beweging raakte al gauw verdeeld, zo leert Feminisme is voor iedereen. Vrouwen dienen onder ogen te zien hoe vrouwen – door sekse, klasse en ras – andere vrouwen domineren en uitbuiten. Zwarte vrouwen werden niet de ‘sterren’ die in de massamedia in de belangstelling stonden. Witte vrouwen uit hogere klassen namen al snel de leiding, de rest werd volgeling.
    Dit boek werd in 2000 geschreven, lang voor #MeToo uitbarstte, maar hooks toonde zich visionair. Was de Me Too beweging niet opgericht voor onbemiddelde, zwarte vrouwen? Hoor je hen nog in dit debat?

    Revolutionair versus hervormingsgezind

    Meestal waren zwarte vrouwen revolutionair-feministisch (zoals veel witte lesbische vrouwen). Maar patriarchale massamedia waren niet geïnteresseerd in de revolutionaire visie. Het revolutionair feminisme kreeg nooit media-aandacht. Volgens het beeld dat het grote publiek van de emancipatie heeft, willen vrouwen wat mannen hebben. Het hervormingsgezinde feminisme overschaduwde de oorspronkelijke radicale beginselen van het feminisme, dat opriep tot zowel hervorming als algehele herstructurering van de samenleving.
    Zodra de meeste vrouwen, vooral bevoorrechte witte vrouwen, eenmaal economische macht binnen de bestaande sociale structuur hadden verworven, zagen ze het nut van revolutionair feminisme niet meer in. Dit mechanisme legt hooks zeer helder uit. Arme vrouwen worden nog steeds achtergesteld. Het witte superioriteitsdenken blijft bestaan. De kloof is groot.

    Zolang vrouwen macht op basis van ras of klasse gebruiken om andere vrouwen te domineren, kan er geen volledig zusterschap bestaan. hooks roept op om een beweging te creëren die begint met kritische bewustwording. Vrouwen met klassenmacht mogen het feminisme niet gebruiken voor eigen gewin.

    Radicaal feminisme verstevigt de politieke solidariteit tussen vrouwen en overschrijdt de valse grenzen van ras en nationaliteit. Vlot behandelt hooks verschillende onderwerpen, waardoor haar kernboodschap blijft klinken. De passage over arbeid ontkracht opnieuw een mythe van het feminisme. Vrouwen uit de arbeidsklasse met lage lonen zijn niet per definitie onafhankelijk en bevrijd. Witte hervormingsgezinde powerfeminsten steunen in feite het witte racistische patriarchaat. Het echte radicale feminisme is gestoeld op liefde, stelt hooks moedig. ‘Er is alleen echte hoop op emancipatie als we inzetten op sociale veranderingen die klasse-discriminatie bestrijden en ingaan tegen contractslavernij.’

    Er bestaan nog niet veel onderzoeken die de positieve invloed op werkende vrouwen laten zien. Als vrouwen werken om steeds meer te kunnen consumeren in plaats van hun levenskwaliteit op elk niveau te verbeteren, leidt werk niet tot economische zelfstandigheid.

    Het vrouwenlichaam dekoloniseren

    Gedekoloniseerd feminisme kijkt in de eerste plaats wereldwijd naar de relatie tussen seksistische praktijken en het vrouwenlichaam. hooks durfde meisjesbesnijdenissen te koppelen aan levensbedreigende chirurgische cosmetische ingrepen in het Westen. Vraag is of ze hier aan cultuurrelativisme doet dan wel het superieure witte denken wil ontkrachten.
    hooks sneed onderwerpen aan die intussen het debat af en toe hebben bereikt, zoals de langetermijngevolgen van een hysterectomie. In haar boek heeft ze het ook over kapitalistische investeerders in de cosmetica- en mode-industrie die vreesden dat het feminisme hun industrie te gronde zou richten. Ze kaart de ziekelijke obsessie met ons uiterlijk aan.

    Ze schetst de geschiedenis van de verschillende invalshoeken van seksbeleving en kruidt ze met heldere conclusies. Na de seksuele bevrijding van de jaren ‘60 en ‘70 waren er mannen die profiteerden van bevrijde vrouwen. Ze dachten dat zij geen eisen stelden. Zo dreigt er altijd een vicieuze cirkel. Het begrip integriteit is zeer belangrijk. Helaas wist hooks al dat patriarchale porno in de massamedia is doorgedrongen in alle aspecten. Erotische verbeelding wordt nog steeds bepaald door seksistische archetypes. Vele heteroseksuele vrouwen denken nog steeds dat de betekenis of het belang van hun seksualiteit afhangt van het feit of mannen in hen geïnteresseerd zijn, wat een seksistisch idee is.

    bell hooks schetst het denken vanuit het feminisme rond moederschap, borstvoeding, prostitutie, abortus, waarvan ze vond dat er te weinig getuigenissen van bestaan zoals Annie Ernaux liet zien met het Het voorval. hooks kaartte zaken aan die nog niets hebben verloren aan actualiteit. Ook rond prostitutie. Vaak somt ze verschillende visies neutraal op, dan weer neemt ze resoluut stelling. Het hoofdstuk over religie en spiritualiteit is interessant daar hooks op zoek ging naar godinnen. Ze ontkrachtte hier wel de bevrijdende mogelijkheid van het niet-religieuze, maar het was haar bedoeling een zo breed mogelijk publiek te bereiken en zelf had hooks wel wat met spiritualiteit.

    Dit boek gaat verder dan politieke correctheid en moralisme, die snel als dooddoeners worden gebruikt om revolutionaire krachten te dempen. Deze vrouw sprak vanuit een onderdrukte groep en bleef onrecht aankaarten. Ze sprak over liefde in tegenstelling tot dwang en dominantie. Wie kan daar nu tegen zijn.

     

     

  • Twee aan twee

    Het door Sven Schriever ontworpen omslag van de tweede roman van Leo Pauw brengt een kleine schok teweeg: het hele beeld van de titel doet aan oud-Duits schrift denken, maar dan wat strakker vormgegeven. Met als ondergrond de gebroken spiegels van het Auschwitzmonument van Jan Wolkers in het Amsterdamse Wertheimpark. Op het eind van het boek wordt de bedoeling van dit beeld duidelijk: Duits Angehaucht aan de ene kant en herdenken van de vermoorde joden uit Amsterdam aan de andere kant.

    Een stap verder is de titel: De tranen van de stad. De hoofdpersoon van het boek, David, kent ze – de tranen van Amsterdam over de uit hun midden weggevoerde joden. Soms denk je dat het beschrijvingen zijn van beelden uit de documentaire Verdwenen stad van Willy Lindwer en Guus Luijtens. Zij laten zich in tramlijn 8 (een berucht nummer, dat het GVB niet meer voert) door de stad rijden, wijzen elkaar panden aan. Lieux de mémoires zijn het, plaatsen die aan in dit geval de Tweede Wereldoorlog en kort daarna herinneren. Plekken waar ‘het’ gebeurde.

    De hoofdpersoon, David, laat ook zulke plekken zien en vertelt erover aan iedereen die er iets over wil horen en weten. Of – eerder – aan iedereen waaraan hij zijn verhaal maar kwijt kan: zijn geliefde Marthe (die eigenlijk rooms-katholiek als Martha was gedoopt), zijn uitgesproken kleindochter Pat die dierenactivist is en haar bedeesde vriendinnetje Liora.

    Als yin en yang

    Alles gaat in tweetallen, als yin en yang. David en Marthe, Pat en Liora. En vooral David en zijn oud-studievriend Arend, die met hem heeft gebroken. Waarom wordt aan het eind van de roman duidelijk. Het heeft alles met schaamte te maken.
    David is een sportieve oud-politiek journalist, geboren in 1944, geïnteresseerd in literatuur. Arend is een flirt, zenboeddhist en geïnteresseerd in filosofie. Ze kennen elkaar van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding (1965) en studeren daarna verder. David politicologie en Arend culturele antropologie. Ze ondernemen begin jaren zeventig als respectievelijk zesentwintig- en zevenentwintigjarige een tocht naar Jotunheimen, een berggebied in Oost-Noorwegen. Een ‘mooi, maar hard’ oerlandschap dat door Pauw prachtig wordt beschreven, met beelden als ‘een klein wak in de wolken’. Het gaat David ‘om het gevoel van nietigheid’, denkt Arend. En je ziet wéér beelden voor je, nu van een schilderij van Caspar David Friedrich, van een eenzame man op de rug gezien in een groots berglandschap.

    De overgang naar het tweede hoofdstuk is hard, want de stijl veranderd op slag. We zijn in Amsterdam en belanden in dialogen tussen de verschillende personages. David weet het allemaal wel heel erg goed en dat maakt hem – zeker in het begin – niet tot een al te aangename man in wiens doen en laten de lezer zich kan inleven. Vervolgens gaat het over de kennismaking tussen Arend en David, die – een opvallend detail dat in het verhaal een onverwacht grote rol speelt – bij de jeugd van de ‘jodenclub’ Ajax voetbalt. De beide jongens wonen in een huis bij de kunstenares Van Wijngaarden, waar ook nog een dementerende mevrouw De Vries woont. Hier weer een tweetal, dat overigens in het verloop van het boek geen rol meer speelt.

    David heeft een joodse moeder. Zij is voor de tweede keer getrouwd, met een man die afkomstig is uit het Friese land. Davids biologische vader is door de Duitse bezetters geëxecuteerd voor een van de villa’s op de hoek van de Apollolaan en de Beethovenstraat die ze in brand hebben gestoken. Beide hoeken vallen nu nog op door de nieuwbouw die daar later is gepleegd.

    Mozaïekroman en ideeënroman

    Het volgende tweetal wordt door een alwetende verteller qua karakter verder uitgewerkt: David en zijn geliefde Marthe. David is een rationele atheïst die wikt en weegt. Hij is een man van de bergen en de winter, van het ijzige Noorwegen. Marthe is een gevoelsmens, wat zweverig en spiritueel ingesteld. Ze is impulsief, houdt van de zomer en de zee. Ze zijn kortom even verschillend van elkaar als Arend en David, Pat en Liora. Marthe wordt afhankelijk van David, die haar van zich afduwt, hoewel het Marthe is die verliefd wordt op een collega van haar werk. Ze blijven vrienden en raken elkaar niet kwijt.

    Dan krijgt David opeens een brief van Arend. Hij zoekt weer contact. De mozaïekroman die stukjes waarheid toont, kantelt richting een ideeënroman waarin vraagstukken aan de orde komen als: bestaat er een verschil in vriendschap tussen mannen met mannen, en vrouwen met vrouwen? Wat is het activisme van Pat precies? Wat te denken van sociale media? Wat houdt schaamte in? Arend en David maken uiteindelijk weer samen een reis naar Noorwegen en Arend vertelt zijn verhaal, met name over zijn eigen vader. Meer weggeven hier is niet de bedoeling, maar duidelijk is dat David na die bekentenis als versteend achterblijft. Arend gaat lopen, de bergen in. Het boek eindigt in het land waar het ook vele jaren eerder begint. Tussen de bergen. Bergen als symbool voor leven en dood. De stad huilt, maar de bergen verstenen.

    Het boek is mooi geconstrueerd. De karakters zijn goed uitgewerkt. En hoewel de dialogen niet altijd even sterk zijn, zijn de natuurbeschrijvingen juist van hoge kwaliteit. Een roman tenslotte die door deze opzet doet denken aan Pauws debuut Riverside Drive. Ook hier is een gepensioneerde man de hoofdpersoon. In dit geval een historicus. Hij heeft geen dochter maar een zoon en een geliefde. Ook hier speelt een stad, New York, een grote rol. Niet de joodse geschiedenis ervan, maar de koloniale rol van Nederland in de historie van de stad. En ook hier komen beschouwingen voorbij over thema’s als liefde, verlies en dood. Het is een beproefd model gebleken, want alles bij elkaar heeft Pauw in een soortgelijk stramien wederom een boeiende, beeldende tweede roman geschreven.

     

     

  • Diepgravend onderzoek overschaduwd door zweverigheid

    Meer dan een half miljoen Nederlandse jongens en jonge mannen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter gedwongen in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken. Over hoe dat ging en welke gevolgen dit had voor de tewerkgestelden is bar weinig bekend. Wie terugkeerde, soms na jarenlange dwangarbeid, deed er doorgaans het zwijgen toe. Zo ook de vader van journalist en schrijver Tim Overdiek. In Zwijgende vaders, Het onbekende verhaal van de dwangarbeid doet hij een poging te achterhalen hoe het zijn vader in Duitsland verging en waarom er thuis altijd over werd gezwegen: ‘Ik wil Paul Overdiek weer tot leven brengen’, schrijft hij. Het is goed dat Overdiek deze voor veel van zijn generatiegenoten herkenbare problematiek heeft onderzocht. Toch schuurt er iets. 

    Paul Overdiek sterft op 27 april 1978. Hij is 55 jaar oud. Zijn zoon Tim is net dertien en voelt ‘een stiekeme opluchting’, want bepaald makkelijk was zijn vader niet geweest. ‘Hij was een grootmeester in het verbaal oorlog voeren. Of keihard zwijgen. Ik wist het niet met hem.’ Vader was een ‘grillige tijdbom’, die zonder waarschuwing kon ontploffen. Maar hij kon ook heel lief zijn en ‘superleuke dingen’ met zijn kinderen doen. Overdiek, inmiddels zelf ouder dan zijn vader is geworden, vraagt zich af in hoeverre de onberekenbaarheid van zijn vader het gevolg kon zijn van diens jarenlange dwangarbeid tijdens de oorlog in een metaalfabriek in Krefeld. Zelf wilde zijn vader daar nooit over praten. ‘Ja ja, dat was een rottijd’, zei hij dan en liep weg. 

    Foto als startpunt

    Paul Overdiek was niet de enige die ervoor koos te zwijgen over zijn tijd in de Duitse oorlogsindustrie. Toch lukt het zijn zoon Tim behoorlijk wat informatie boven tafel te krijgen over de tijd in Krefeld. Zijn startpunt is een foto die zijn vader had bewaard. Er staan zestien mannen op, sommigen geknield, anderen gebukt en de achterste rij recht overeind, als op een voetbalelftalfoto. Een van de gefotografeerden is Paul. De mannen zien er goed uit, de sfeer lijkt ontspannen, iemand speelt zelfs op een banjo. Overdiek herkent een paar gezichten op de foto; in de jaren na de oorlog was er wel sprake van wederzijds familiebezoek. Er zijn meer foto’s uit Krefeld, maar Paul Overdiek is verder nergens te bekennen – misschien omdat hij zelf de fotograaf was. 

    Overdiek zoekt de nabestaanden van de mannen op de foto op en merkt dat zijn generatiegenoten veelal dezelfde ervaringen hebben als hij – vader was nooit erg mededeelzaam geweest over de ‘Arbeitseinsatz’. Was het schaamte, verdringing? Feit is dat lang niet iedereen gehoor gaf aan de oproep van de bezetter. Velen doken onder. Was het dan niet een vorm van vrijwilligheid, en feitelijk zelfs landverraad, als je je wél netjes meldde en naar Duitsland liet brengen? Zo beschouwd (en het werd na de oorlog vaak ‘zo beschouwd’) is dat zwijgen goed te begrijpen. Toch komt Overdiep in zijn onderzoek nog veel te weten over de mannen in Krefeld en hoe ze daar hun tijd doorbrachten.

    Door de week was het keihard werken in de snikhete staalfabriek. Het eten was vies, karig en nauwelijks voedzaam, het onderkomen een slecht verwarmde, vochtige barak. Overtredingen en wangedrag werden zwaar bestraft, soms met opsluiting. Van zijn vader wist Overdiek dat die na een conflict (‘Pa zou een lepel naar een Duitser hebben gegooid’) een paar dagen in een bunker werd opgesloten waarin hij niet rechtop kon staan. Toch was er ook ontspanning. In het weekend trokken de mannen Krefeld in om bier te drinken. Kerkbezoek was mogelijk. En soms had men verlof en werd er met de trein naar huis gereisd. Uit de foto’s en de dagboeken die Overdiek onder ogen krijgt, blijkt dat er sprake was van veel kameraadschap en onderlinge loyaliteit onder de dwangarbeiders. 

    Buiten beeld

    Gaandeweg ontstaat zo een goed beeld van de manier waarop de ‘Arbeitseinsatz’ in zijn werk ging en leren we verschillende lotgenoten van Paul Overdiek wat beter kennen. Alleen over hemzelf komen, tot grote frustratie van de schrijver, we weinig tot niets te weten. Zijn vader blijft letterlijk en figuurlijk buiten beeld, zowel tijdens als na de oorlog. De vragen uit het begin van het boek blijven onbeantwoord. Wat ging er werkelijk om in het hoofd en het hart van zijn vader? ‘Hoe is hij geworden wie hij was? Waar heeft hij afslagen in zijn leven gemist? Welke onmacht heeft hij gevoeld? En net zo belangrijk: hoe ben ik daardoor geworden wie ik ben?’

    Hm, ‘net zo belangrijk’? Het lijkt erop dat Overdiek het gebrek aan informatie over zijn vader tracht te compenseren met aandacht voor zichzelf. Overdiek is niet alleen journalist en schrijver, maar ook ‘therapeutisch mannencoach’, zoals op de achterflap van het boek vermeld staat. Daarom begrijpt hij hoe het komt dat twee zoons van een (overigens foute) dwangarbeider aanvankelijk zo boos reageren als Overdiek hen benadert voor een gesprek: ‘Als therapeutisch coach weet ik hoe oude emoties dicht aan het oppervlak zitten.’

    En dat niet alleen: hij begrijpt ook zijn eigen reacties. Overdiek belt met Henry Kissinger, die na de oorlog een rol had in het normaliseren van de situatie in Krefeld: ‘Ik merk hoe het me raakt als hij het over “your father” heeft. Mijn papa.’ Een oud-collega op de leerfabriek waar Paul Overdiek na de oorlog bescheiden carrière maakte, zegt: ‘Het was wel duidelijk dat hij het in het leven heel zwaar heeft gehad.’ Waarop Overdiek schrijft: ‘Ik voel mijn hart verzachten.’ Verderop noemt hij zich zelfs ‘een kind van de oorlog’.

    Hij voelt een door de historicus en tv-maker Hans Goedkoop uitgesproken zin over het in ere houden van de 4 mei-herdenking, ‘in alle vezels van mijn lijf’. Na zijn zoektocht naar de feiten vraagt Overdiek zich af of hij ‘ook emotioneel dichterbij [zijn vader is] gekomen’. Opnieuw duikt de therapeutisch coach op. Overdiek beschrijft hoe hij tijdens een mannenworkshop ‘in een zweethut’ ging om ‘half hallucinerend zowaar mijn vader ‘tegen te komen’’. Tijdens een ‘tantrafestival’ nam hij deel aan een sjamanistisch ritueel, waarbij hij zich ‘half gehypnotiseerd kon verplaatsen naar de dodenwereld, waar hij het sterven van zijn vader herbeleefde, waarbij ‘kinderlijke razernij’ om het in de steek laten omslaat in vergiffenis schenken. Tijdens een ‘ayahuasca-ceremonie’ in 2023 kwam hij wederom in contact met zijn vader: ‘ik nodigde hem uit in mijn hart’. Het is bijzonder jammer dat Overdiek zijn diepgravende en verhelderende journalistieke prestatie laat overschaduwen door iets wat veel lezers als zweverige onzin zullen beschouwen. 



  • Obsessief verlangen het verleden te reconstrueren

    In de roman Dit is jouw tijd van Bertram Koeleman zou Mart Rebius terug willen gaan in de tijd. Wie kent dat verlangen niet, met een tijdmachine een val in het verleden maken naar een gezinssituatie van vele jaren terug. Toen vader en moeder nog leefden en broers en zussen met vrienden en vriendinnen luidruchtig rondom de eettafel zaten. In een interview in Trouw vertelde  Koeleman dat het schrijven van deze roman begon met het beeld in zijn hoofd van een volwassen man in pyjama. Een man die in het verleden duikt en probeert zich in te beelden dat hij kind is. Hij schreef een eerste scène. Daarin staat Mart met zijn moeder bij het verse graf van zijn vader. En krijgt een visioen: hij ziet slingers en ballonnen die hem terugvoeren naar zijn zesde verjaardag. Het visioen wordt – op haast Proustiaanse wijze – gewekt door de parfum van zijn moeder naast hem.

    In de dagen na de begrafenis van zijn vader komt hij tot het besef dat het gebeurde op die verjaardag voor hem van grote betekenis is geweest: ‘Haast alsof tot dusver iets in mijn hoofd had liggen slapen dat ontwaakte door de dood van mijn vader en zichzelf nu koste wat kost kenbaar wil maken. Alsof mijn levende vader het slapende had gehouden.’ Voor de begrafenis van zijn vader bestond dat verleden niet voor hem. Hij heeft geaccepteerd dat zijn ouders gescheiden waren, dat hij bij zijn moeder opgroeide en zijn vader geregeld langskwam. 

    Het verleden reconstrueren

    Voor Mart wordt het een obsessief verlangen om die verjaardag te reconstrueren. Daarvoor is niets hem te veel. Hij haalt alles uit de kast om de waarheid omtrent die dag te ontdekken. Hij koopt het huis waar hij als zesjarig kind met zijn moeder woonde en richt het in als een kopie van vroeger. Vervolgens huurt hij via een castingsbureau toneelspelers in die de rol spelen van de personen die op zijn kinderverjaardag aanwezig waren. Behalve voor zijn moeder, die zichzelf speelt. Zijn vader wordt door zo’n goede lookalike gespeeld dat zijn moeder schrikt van de gelijkenis en later zelfs met de acteur naar bed gaat. Mart vraagt zijn moeder en zijn lookalike vader niet alleen die verjaardag na te spelen, maar ook andere momenten uit zijn jeugd. Zoals het optuigen van de kerstboom. Daardoor wordt hij soms weer de ‘springerige, vrolijke jongen die zo verlangde naar de liefde van zijn vader’. Door de reconstructies heen dringt tot hem door dat hij zijn vader, die door de scheiding niet altijd beschikbaar was, blijkbaar gemist heeft.

    De rol van de moeder in deze roman is uiterst merkwaardig. Eerst probeert ze zijn zoektocht in de kiem te smoren: ‘Lieverd ik heb echt geen idee waar je het over hebt. Je had een normale jeugd, Mart.’ Ze zegt zich niet te herinneren wat er gebeurd is, maar werkt vervolgens wel mee aan Marts experiment en leeft zich ogenschijnlijk helemaal in.
    Enige tijd later, als ze ernstig ziek is, dwingt Mart haar dat ze hem nu eindelijk vertelt wat er gebeurd is. Maar ook dan vertelt ze hem niet het hele verhaal. De ontbrekende stukken uit haar verhaal komt hij later te weten van een ambulancebroeder. De onthulling van dat geheim maakt alles anders: ‘Er was een nieuwe laag over de werkelijkheid heen gelegd en alles om hem heen leek opeens onecht, alsof zijn omgeving was vervangen door een replica.’

    Wat is er in hemelsnaam gebeurd

    Dat iemand zijn verleden wil reconstrueren is niet vreemd. Maar de gedetailleerde en obsessieve manier waarop dit in Dit is jouw tijd gebeurt is wel erg hyperbolisch. Het komt als ongeloofwaardig over dat zijn moeder niet wil zeggen wat er gebeurd is, terwijl ze wel van harte meewerkt aan de reconstructie. Er wordt niet genoeg uitgewerkt wat dit stilzwijgen van zijn ouders voor gevolgen heeft gehad voor het leven van Mart. Wel is er een passage waarin Mart zegt: ‘Wie wij vandaag zijn, of hoe wij onszelf vandaag zien, is in grote mate afhankelijk van ons beeld van onszelf vroeger.’ Maar dat wordt verder niet invoelbaar gemaakt. Koeleman beschrijft  de zoektocht, maar geeft er psychologisch te weinig noodzaak toe. Daarmee is er een kans blijven liggen. De beschrijvingen van eindeloze gesprekken die nooit een doorbraak bereiken, vervelen nog wel eens. Moeder houdt vast aan een leugen, naar het waarom ervan moet je gissen. Soms doet zich de vraag voor waar al die reconstructies voor nodig zijn. De hints die Koeleman voor de clou geeft, zijn zo summier dat de lezer zich blijft afvragen wat er toch in vredesnaam gebeurd kan zijn op die zesde verjaardag.

    Toch is het ook een roman met kwaliteiten want Koeleman schrijft in mooie zinnen: ‘Mart rent met een legodoos naar de eettafel en zet hem bij vier andere legodozen die een slagroomtaart omsingelen.’ Boeiend is de hele reconstructie van een huis met inrichting uit de jaren tachtig vorige eeuw, herkenbaar voor velen. Dit is jouw tijd gaat over het verzwijgen van dingen. Ouders die hun kind niet de waarheid vertellen uit angst dat hun leven erdoor bepaald zal worden. En dat ‘wat niet weet wat niet deert’ in zo’n omstandigheid nooit de juiste gedachte is. In essentie zijn ouders vaak bang om hun eigen trauma hieromtrent te delen met hun kind.

     

     

  • Een boek dat bruist van het leven

    Misschien is de titel van Het dierendoodboek van Stern Nijland wat misleidend. Alles wat in het boek staat heeft met de dood te maken, maar toch gaat het vaak niet over de dood. Het is een boek dat bruist van het leven. Nijland, die zelf de illustraties maakte, begint met een korte uitleg. De dood is heel natuurlijk in het dierenrijk, zegt ze, doodnormaal. ‘Eten en gegeten worden, daar gaat het om. Elk dier is voedsel voor een ander, dat is de voedselketen. Dood doet leven.’ Daarna bespreekt ze de natuurlijke aspecten van dierendood voor ze verder gaat met onnatuurlijke, veroorzaakt door de mens.

    […]

    Het dierendoodboek bevat begrippen uit de biologie en zal misschien niet makkelijk te lezen zijn voor kinderen onder de tien jaar. Toch is het ook voor hen de moeite waard, misschien zelfs voor leergierige kleuters. Met de uitleg van een volwassene erbij, zullen ze het toch kunnen volgen, zeker gezien de prachtige illustraties.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • Schrijf niet

    Niet schrijven, maar vooral veel lezen. Dat advies geeft Alex Boogers aan aspirant-schrijvers in zijn essay De schrijver als samoerai, uitgegeven door Hollands Diep. Er is een overaanbod aan romans en een nog veel groter surplus van mensen die een boek willen schrijven, terwijl er nauwelijks nog Nederlandse literaire romans worden gelezen. Die tegenstrijdigheid verklaart Boogers uit de behoefte van het eigentijdse ego gezien en gewaardeerd te willen worden. Maar die vorm van egoïsme is volgens Boogers niet de drijfveer van de pure schrijver. Een pure schrijver is iemand die niet anders kan dan schrijven, zelfs als hij droog brood moet eten, zijn relatie opoffert en zijn familie van zich vervreemdt. Zo’n schrijver houdt met niemand rekening en is compromisloos, net als de samoerai in de traditionele Japanse vechtkunst die uitsluitend is gericht op perfectie en daar alles voor over heeft.

    (Auto)didact

    Boogers neemt, zoals de meeste mensen, zichzelf als maatstaf. Wie zich vanuit een kansarm arbeidersmilieu opwerkt tot een gewaardeerd schrijver met inmiddels een vijfentwintigjarige carrière en een bibliografie die ertoe doet, denkt kennelijk dat dit de enige weg is die een schrijver moet afleggen. Autodidactisch. Lijdend. Strijdend tegen klassenjustitie. De klassieke kunstenaar. Vanzelfsprekend wijst hij schrijversvakscholen af. Heeft hij zelf ook niet nodig gehad. En hij heeft in de krant gelezen dat studenten daar vooral over techniek praten, maar zich niet afvragen waarom ze eigenlijk niet willen maar moeten schrijven. Boogers vindt dat schrijversvakscholen zich zouden moeten omturnen tot lezersvakscholen.

    Het is duidelijk dat hij nauwelijks weet heeft van de praktijk op schrijversvakscholen, waar al gauw de helft van de tijd wordt gespendeerd aan lezen. Er is geen docent die niet hamert op het belang van veel lezen als iemand zijn schrijverschap wil ontwikkelen. Een schrijversvakschool is een hogedrukpan, waar getalenteerde schrijvers sneller en met meer bagage uit komen dan wanneer ze op hun zolderkamertje het allemaal zelf hadden moeten doen. Hetzelfde geldt overigens voor kunstenaars op toneelscholen, film- en kunstacademies; opleidingen die vreemd genoeg vanzelfsprekender worden gevonden. Net zo evident vindt Boogers dat kickboksers (verwant aan samoerai) in de dojo getraind worden. Hij heeft zelf jaren van training achter de rug. Jaren waarin hij niet alleen de techniek van het vechten leerde, maar naar eigen zeggen ook en vooral de betekenis ervan. Een zwaard is niet zomaar een zwaard. Het gaat erom een geslepen, schitterend, onbreekbaar, verblindend zwaard te worden. Daartoe moet het naar erkenning strevende ego sterven.

    Acceptatie

    De romankunst gaat wat Boogers betreft dan ook ‘over het accepteren van de dood, de wetenschap dat we zullen sterven, en dat we er weinig tegenover kunnen stellen, behalve de verhalen die we elkaar vertellen en die op wat voor manier dan ook beklijven.’ Ook hier ziet hij een analogie met de oude Japanse krijgskunst, want hij citeert een Japanse zwaardvechter die zegt dat de weg van de samoerai het vastberaden accepteren van de dood is. Los van de minder interessante hoofdstukken waarin Boogers ingaat op gedoe met uitgevers, recensenten en collega-schrijvers, los ook van het gedram over de oorspronkelijke miskenning van zijn schrijverschap (hij werd eindeloos geframed als de kickboksende schrijver), en los ook van de tegenstrijdigheden als het gaat om het belang van scholing, heeft Boogers met De schrijver als samoerai een interessant essay geschreven waarin hij zich laat kennen als een ouderwetse romanticus die waarschijnlijk zelfs bereid zou zijn harakiri te plegen voor zijn werk.

     

     

  • Almadhoun brengt lezer weer in contact met de werkelijkheid

    Dit is geen poëzie om bij achterover te leunen. Dit zijn gedichten die bijten en pijn doen en je dwingen om je blik niet af te wenden. De teksten en kanttekeningen van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun drukken je met de neus op de vreselijke gevolgen van een wereld die in brand staat. Zijn gedichten zjn zo indringend dat het onmogelijk is om ze schouderophalend te vergeten. Almadhoun is geboren als zoon van een Palestijnse vader en een Syrische moeder in het grote vluchtelingenkamp Yarmouk in Syrië. Sinds 2008 woont hij afwisselend in Stockholm en Berlijn. Eerder vertaalde bundels van hem zijn Weg van Damascus en de bundel die hij samen met Anne Vegter schreef, Ik hier jij daar. Alle keren verzorgde Djûke Poppinga de vertaling uit het Arabisch. 

    Zijn gedichten gaan net als in eerdere bundels nog steeds over politiek, oorlog, vluchtelingen, discriminatie en uitzichtloosheid, maar hij is de liefde en de hoop daarbij niet uit het oog verloren, hoewel die nooit zonder bitterheid zijn.  Almadhoun houdt Europa een spiegel voor waarin het zichzelf niet durft te herkennen, zoals in ‘Ode aan het verdriet’: ‘We houden van je, Europa, o oud continent, ik weet niet waarom ze je oud/ noemen, want je bent jong vergeleken met Egypte en het land van Eufraat en Tigris. […] // We houden van je, Europa, en we houden van de vrijheid die je ons hebt/ gebracht toen we als vluchtelingen naar je toe kwamen en het racisme negeerden/ dat jij onder het tapijt probeert te schuiven als je de woonkamer aanveegt. […] // Jij, die de vernietiging van de Joden hebt/ bedacht, de Endlösung die ertoe heeft geleid dat ik als vluchteling ben geboren / in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen in Damascus, omdat je in/ al je schaamteloosheid met Palestina, mijn land, compensatie hebt betaald, als/ de oplossing voor de Holocaust die jouw witte inwoners, die geloofden in het zuivere arische ras, hebben uitgevoerd.’

    Choqueren vereist

    Almadhoun waarschuwt voor de parallel die getrokken kan worden tussen het racisme tegen de Joden in de Tweede Wereldoorlog en dat tegen de hedendaagse vluchtelingen: ‘Niemand wil ze hebben’. Hij is in deze bundel rechtstreekser dan in eerdere bundels, onverbloemder ook, met de bedoeling te choqueren omdat er anders niet geluisterd wordt. Hij schudt de mensen wakker die gezapig zijn ingedut bij de gruwelijke beelden die het journaal laat zien en waar niemand meer van opkijkt. De oorlog in Syrië, de talloze vluchtelingen en nu de oorlog in Gaza: Almadhoun zorgt ervoor dat de afstand van de lezer tot die gruwelijke gebeurtenissen wordt verkort. Het is zijn persoonlijk verhaal dat hij meedeelt. Het is poëzie die je als lezer beschaamd maakt omdat je dacht dat je met één knop het wereldleed kon uitschakelen. 

    Ook zijn liefdespoëzie is intens, als een verhaal uit ‘Duizend en een nacht’, de Arabische raamvertelling uit het Midden-Oosten, maar altijd wordt verdriet en bitterheid erdoorheen verweven: ‘Ik schrijf liefdesgedichten in de vorm van nachtmerries;’ zegt de dichter, zoals in het gedicht

    ‘Het blauwe marmer 

     Kom, het eten is klaar, de wijn staat kouden het bed is warm. Ik heb een paar
    bloemen langs de straat gedood, zodat mijn kamer tot leven komt. Hier ben ik, klaar om me voort te planten. Laat de bloem van
     het leven niet verwelken.
    Liefhebben is moeilijk als we niet weten hoe het moet, maar nog moeilijker als
    we het wel weten. Kom, misschien zullen we ons niet herinneren wat er in de
    toekomst gaat gebeuren en misschien zullen we, na al deze oorlogen, sterven van
    liefde.’ 

    Even indringend als zijn gedichten over de liefde voor een vrouw zijn de gedichten die vertellen over zijn liefde voor de stad Damascus. Voor de beschoten en afgebrokkelde stad van nu, maar ook voor de stad uit zijn herinneringen die met niets anders te vergelijken is. Steden als Berlijn en Stockholm kunnen de vergelijking met Damascus niet doorstaan. Vooral Stockholm moet het daarbij ontgelden vanwege de koude winters, de hypocrisie van de Zweedse staat: ‘Stockholm, Zweed als ze de belastingen innen, migrant als ik gelijkheid eis.’
    Met zwarte humor beschrijft Almadhoun zijn verblijf in Stockholm, het land waar hij toch de liefde heeft gevonden. Hij wil ‘om klimatologische redenen asiel in een warm land aanvragen.’ Het gedicht ‘Het barre land’ is een litanie van opsommingen die één voor één aangeven waarom de dichter zich ongelukkig voelt in dit voor hem vreemde land, waar hij nooit zal wennen en waar hij ook nooit echt deel van uit zal maken. Hij beschrijft het lot van de migrant die altijd tussen verleden en heden zal blijven dwalen, tussen het land van herkomst en het land van zijn keuze en die zich in geen van beide thuis weet.

    De ene ramp voor de andere

    Almadhoun brengt de lezer weer in contact met de werkelijkheid. Bij alle brandhaarden die nu zijn aangestoken op de hele wereld, lijkt het vaak alsof dat de ene ramp de andere uitwist of doet vergeten. De oorlog in Oekraïne, de burgeroorlog in Jemen, het geweld in Ethiopië, Nigeria, Myanmar: steeds als er één dodelijk conflict onder de aandacht wordt gebracht in de media, zijn we geneigd te vergeten dat het wapengekletter elders gewoon doorgaat. Dat geldt ook voor de oorlog in Gaza, in heel Palestina. 

    Almadhoun vestigt onze aandacht op alle geweld, alle oorlogen. Het feit dat hij de kans heeft gehad om naar Zweden te vertrekken, doet niets af aan het verdriet en het heimwee. ‘Jij zegt dat ik aan de oorlog ben ontsnapt. Nee, liefste, niemand ontsnapt aan/ de oorlog. Het is alleen zo dat ik niet ben gestorven. Ik ben blijven leven, dat is/ alles.’

    Het is de kracht van de poëzie van deze dichter dat hij de lezer dichterbij zichzelf weet te brengen, bij zijn verleden, zijn trauma en zijn verdriet. Heel even weten we weer wat oorlog aanricht, ook al hebben we het niet zelf meegemaakt. Het is wat we voelen bij de twee minuten stilte op de vierde mei. En als we de bundel dichtslaan, moeten we proberen dat gevoel vast te houden om ervoor te zorgen dat we niet vergeten. Dat is de boodschap die deze dichter brengt.

     

     

  • Wat kunnen personages ons leren over The meaning of life?

    De boektitel Papieren vrienden van literatuurwetenschapper Jan Konst bestaat uit zestien letters. Toeval? Grappig in elk geval wel, want het zijn zestien romanpersonages die de auteur aan een diepgaand onderzoek onderwerpt om te achterhalen wat hun idee over de zin van het leven zou kunnen zijn. In dat onderzoek betrekt Konst ook zichzelf, want in elk hoofdstuk (één per personage) stipt hij herinneringen of ervaringen uit zijn eigen leven aan. De aanleiding voor dit onderzoek is zo’n persoonlijke ervaring.

    De dood van zijn vader confronteerde hem met existentiële vragen rond the meaning of life. Hij vroeg zich af of het antwoord misschien te vinden was met behulp van protagonisten uit romans en toneelstukken die ooit een onuitwisbare indruk op hem hadden gemaakt. Het zijn uiteenlopende figuren van allerlei slag uit zo’n veertig jaar lezen en een tijdsbestek van acht eeuwen. Passend bij de auteur, die hoogleraar Nederlandse literatuur is aan de Freie Universität in Berlijn, komen de vrienden alleen uit Nederlandstalige werken en zijn het bijna allemaal Nederlanders (uitzonderingen zijn rechter Jephta uit Vondels Jephta of offerbelofte (1659), Medea uit Medea. Treurspel van Jan Vos (1667) en Deirdre uit Deirdre en de zonen van Usnachvan Adriaan Roland Holst (1920) – Samir Zafra uit De belofte van Pisa van Mano Benzamour (2013) is Nederlander met Marokkaanse ouders).

    Frames

    Wat zou het leven voor iemand zin kunnen geven? Konst onderzoekt dat voor zijn papieren vrienden aan de hand van vijf frames uit de existentiële psychologie: [1] ‘de verticale transcendentie’ (grof gezegd de religie die belooft dat de eeuwige beloning voor deugdzaam leven in het hiernamaals komt), [2] de ‘horizontale transcendentie’ (die spiritualiteit ervaart in het aardse leven door de mystieke beleving van de natuur of in een idealisme), [3] de zelfontplooiing en het streven naar vervulling van levensdoelen, [4] het gevoel deel te zijn van een gemeenschap van normen en waarden waarop je kunt vertrouwen, en tot slot [5] de verbondenheid met naasten in vriendschap en liefde.

    Konst benadert elk van zijn papieren vrienden met de vraag welk van die frames het beste bij hem of haar past. Het antwoord is zelden eenduidig. Sommigen passen in meerdere frames, maar er zijn ook protagonisten die het leven volkomen zinloos vinden (Bert Alberegt uit Herinneringen van een engelbewaarder van W.F. Hermans, Walter van Raamsdonk uit Gimmick van Joost Zwagerman en Onno Quist uit De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch). De duidelijkste frames vindt Konst bijvoorbeeld bij ridder Ferguut (uit 1250) voor wie de verticale transcendentie opgaat, bij Marie Deniet uit De wetten van Connie Palmen voor wie zelfontplooiing leidend is, bij boer Wortel uit Boerenpsalm van Felix Timmermens, die zich deel weet van een traditionele gemeenschap en bij Sofie Lamaker uit De geschiedenis van mijn seksualiteit die de zin vindt in verbondenheid met haar omgeving.

    Speculatief

    De zestien hoofdstukken zijn met elkaar verbonden als – zo noemt Konst het – ‘een dominospel’. Hij bedoelt ermee dat geen enkele beschouwing in een isolement staat. Voortdurend grijpt hij bij het schrijven over de ene vriend terug op een andere of verwijst hij vooruit naar een komende. Het levert voortdurend vergelijkingen – parallellen en verschillen – op. Bovendien toetst hij de analyses aan zijn eigen persoonlijke leven in enigszins vergelijkbare ervaringen.
    Papieren vrienden is daarmee een interessante benadering van zestien literaire figuren uit de Nederlandse literatuur. Het boek is nadrukkelijk geen literatuurbeschouwing. Konst gaat niet in op genres of structuren en laat de geestelijke vaders en moeders van de vrienden volkomen buiten beschouwing. Daarnaast schrijft hij behoorlijk speculatief en veroorlooft hij zich bewust interpretatieve oordelen die hij in wetenschappelijke zin niet kan onderbouwen.

    Doorgeploeterd

    Hoe interessant de invalshoek ook is, het boek is bepaald geen pageturner. Dat komt vooral door de alwetendheid van de auteur ten opzichte van de lezer. In een nawoord schrijft Konst ergens dat hij sommige van de titels waarin zijn vrienden onderdak vonden ‘een keer of tien doorploeterde’. Dat zullen weinig lezers hem na kunnen zeggen. En dat maakt Papieren vrienden soms erg exclusief. Als lezer raak je geregeld de draad kwijt als Konst in het ene hoofdstuk teruggrijpt op een karaktertrek van een eerder besproken personage dat al weer een beetje uit het geheugen is weggezakt. Dit betreft vooral de personages die je als lezer nog niet kende. Het is voor iedereen anders, maar bovengetekende las de hoofdstukken over Marie Deniet en Sofie Lakmaker vanwege eigen herinneringen aan de romans een stuk geboeider dan bijvoorbeeld dat over Robert van Maeren uit Noodlot van Louis Couperus, simpelweg omdat dat laatste boek nooit op de leestafel heeft gelegen.

     

     

  • ‘Zouden ze het eindelijk begrijpen?’

    ‘Wie de gedichten van Kees Spiering leest, begrijpt opeens hoe je tegelijkertijd nu en ooit kunt lezen, hoe woorden naar warm hout kunnen ruiken en dat poëzie een hemel kan zijn.’ Dat schrijft Edward van de Vendel in het voorwoord van Nog lang geen later.

    De jeugddichter, die eerder al bekroond werd met een Vlag en Wimpel voor zijn bundel Jij begint, besteedt aandacht aan thema’s die leven onder de jeugd. Vriendschappen die aan en uit gaan, ruzie tussen ouders, gedachtegangen in de pubertijd, maar ook kwesties over het klimaat en de natuur.

    […]

    Nog lang geen later is een aanrader voor elke jonge poëet en dichtliefhebber die houdt van magische, soms onbegrijpelijke woorden die je aan het denken zetten, maar die ook de gedachtegang van een puber lijken te begrijpen met prachtige sprookjesachtige illustraties.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.nl.