• Hoe weten we wat een rivier wil?

    Heeft een rivier recht op een eigen, onbekommerd en gezond leven? Dat is de centrale vraag in het boek Leeft een rivier? van Robert Macfarlane. Om antwoorden te vinden doorkruist hij nevelige wouden in Ecuador, een dichtbevolkte rivierdelta in India en de uitgestrekte Saint Lawrence-baai in Canada. Hij dompelt zich onder in de geschiedenis en de verhalen van drie rivieren. En in een idee dat naar zijn mening de wereld verandert: het idee dat een rivier leeft.

    Tijdens drie expedities ziet Macfarlane hoe Rio Los Cedros, Chennai en Magpie River alle drie worden ingedamd, vervuild, weggemoffeld en gemolesteerd, ter meerdere eer en glorie van de menselijke of beter gezegd, economische ontwikkeling. ‘De rivier moest worden gedood zodat de stad kon leven,’ zegt Yuvan Aves, leraar, schrijver en wateractivist in India. Wat uiteindelijk een te hoge prijs is als je die stad gezond wil houden. ‘Steden groeien op de oevers van rivieren, […] en vergeten langzaam hun ecologische, hydrologische oorsprong. Later bezwijken ze langzaam onder hun eigen gewicht, tenzij datgene waaruit ze zijn ontstaan met kracht nieuw leven wordt ingeblazen: een rivier.’

    Het lijkt een eerste antwoord op de titelvraag: een rivier kan alleen gedood worden als ze leeft. Wat hij aantreft in India is geen beeld om blij van te worden: een zwaar gemartelde Chennai, verstikt door industrie en verstedelijking. Een lot dat veel andere rivieren in India treft. Tot de dood er volgens sommigen op volgt. Van de moord op de rivier de Yamuna werd zelfs aangifte gedaan.

    Wat gij niet wilt dat u geschiedt

    Twee dagen voor de aangifte van deze moord hadden rechters van het Indiase Hooggerechtshof de Ganges en Yamuna erkend als ‘levende entiteiten’ met bijbehorende rechten. Een besluit dat niet op zichzelf staat maar past binnen een wereldwijde trend om de natuur ook rechten toe te kennen, net als mensen, bedrijven en organisaties. Met als doel om de natuur beter te kunnen beschermen. Immers, als de natuur net als organisaties een rechtspersoon kan zijn, kunnen rechten en plichten beter worden onderscheiden: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. 

    De natuurrechtenbeweging vindt zijn oorsprong in de vraag die Christopher Stone, een jonge academicus, zijn studenten in 1971 stelde: wat zou er gebeuren als de natuur over rechten zou beschikken? Een vraag die in 2017, ruim veertig jaar nadat Stone zijn vraag had gesteld, in Nieuw-Zeeland leidde tot het toekennen van rechten aan de Whanganui rivier. Een wereldwijde primeur die navolging zou vinden. In 2008 werd water in de Ecuadoriaanse Grondwet 2008, erkent als collectief goed, ‘onoverdraagbaar, onvervreemdbaar, onbevattelijk en essentieel voor het leven’. Privatisering van water werd verboden, natuurrechten werden vastgelegd. Vanaf dat moment staan mensen in Ecuador niet meer los van de natuur maar zijn ze – ook in juridische zin – een onlosmakelijk deel van de natuur. En heeft de natuur omgekeerd dezelfde rechten als de mens. Of als bedrijven. Een benadering die de machtsverhoudingen tussen bedrijven en de natuur begint te beïnvloeden: in 2021 oordeelde het Constitutionele Hof van Ecuador op grond van de nieuwe grondwet dat mijnbouw de rechten van de rivier Los Cedros schond. 

    Een rivier leeft… in de harten van mensen

    De natuurrechtenbeweging krijgt volop aandacht van MacFarlane. In zekere zin is Leeft een rivier? dan ook meer een verhaal over de rechten van rivieren dan van het levend zijn van die rivieren. Maar toch is ook dat uiteindelijk niet het hart van het boek. Dat is veel meer de liefde van mensen voor rivieren en voor de natuur. Inderdaad, rivieren leven bij Marcfarlane zeker. In de harten van mensen.

    De liefde voor rivieren druipt van de pagina’s af. Bijvoorbeeld bij Giuliana Furci, die MacFarlane vergezelt bij zijn trip in de nevelwouden. Furci is schimmeldeskundige en valt keer op keer in extase op haar knieën als ze in het stroomgebied van Los Cedros opnieuw een zeldzame slijmzwam ontwaart, waarvan ze zegt dat die tot een ander ‘kindom’ behoren (geen kingdom), ‘een geheel van verwanten, een bos, een rivier’. Of Rita Mestokosho, een Canadese dichteres en natuuractiviste, die zegt altijd al geweten te hebben dat de rivier leeft. De rivier zit diep in haar: ‘Allemaal hebben we een rivier die tot ons spreekt’.

    Het is vooral deze liefde van mensen voor rivieren die Leeft een rivier? een lezenswaardig boek maakt. Al moet je er wel heel wat pagina’s voor doorploegen. Zonder een antwoord op de vraag te krijgen of de rivier leeft. Of op de vraag wat een rivier wil (handig te weten als je haar rechten wil beschermen). Maar zeker deze laatste vraag is misschien ook niet te beantwoorden. Dat lijkt althans aan het einde van het boek (spoiler alert) Macfarlane’s eigen conclusie: ‘Hoe weten we wat een rivier wil? De rivier wil… de zee bereiken. […] Het is alsof dat antwoord tekortschiet.’ 

     

  • Een literaire legpuzzel

    In Een luisterend oog ontvouwt Bertram Koeleman niet alleen een prikkelend mysterie à la Het smelt van Lize Spit, hij verwerkt ook de universele complexiteit van menselijke relaties. Een ambitieuze combinatie voor een boek van nauwelijks 100 pagina’s. Het werkt, maar Koeleman vraagt wel wat van zijn lezer.

    Een luisterend oog draait om kunstenaar Boris Němec en om Maarten, die een foto van Němec koopt bij diens tentoonstelling in een galerie. Maar Boris verdwijnt na de opening van de tentoonstelling van de radar. En er is iets vreemds aan de hand met de foto die Maarten van hem kocht, getiteld Can You See Me?. In het werk – op het eerste gezicht een stilleven van een eenvoudig ingerichte kamer – zou namelijk een menselijke figuur verwerkt zijn. Stukje bij beetje ontsluiert Maarten dit raadsel.

    Literaire omkoperij

    De verdwijning van Boris en de raadselachtige foto werken precies hetzelfde als het blok ijs in Het smelt van Lize Spit: zij wakkeren de nieuwsgierigheid en leeslust van de lezer aan, en scheppen de verwachting dat de schrijver in de loop van het verhaal de belofte van een ontknoping zal inlossen. Op die manier koopt de auteur – om het oneerbiedig te zeggen – de lezer om. Wat vraagt de schrijver in ruil voor de bevrediging van de nieuwsgierigheid? Diens aandacht.

    De nuance en gelaagdheid van interpersoonlijke relaties

    Die aandacht gebruikt Koeleman voor het uitwerken van de belangrijkste thematiek van zijn roman: de gelaagdheid van familiebanden. Een luisterend oog maakt genadeloos duidelijk dat ook ogenschijnlijk onbeduidende en onschuldige gedraginkjes, zoals het plukken aan een wenkbrauw of het sturen van een WhatsApp-bericht, symptomatisch kunnen zijn voor grotere, niet zelden toxische patronen van manipulatie en voor de lelijkere kanten van een menselijk karakter. Maar het is duidelijk dat het goede met het kwade verweven is, en dat die narigheden de affectie en liefde die er tussen twee mensen kan bestaan, onverlet kunnen laten.

    De verhaaltechnische mysteries – de afwezigheid van Boris Němec en de foto – en de thematiek van interpersoonlijke relaties zijn in Een luisterend oog op vernuftige wijze met elkaar verweven. Maarten legt telefonisch contact met Boris, en de twee mannen vinden elkaar in gesprekken over de relaties tussen ouder en kind, en hun eigen ervaringen daarmee: Boris vertelt over de band met zijn vader, Maarten over de band met zijn zoon Thomas.

    Vrienden of kennissen?

    Wanneer Maarten Boris op zeker moment niet meer kan bereiken, begint hij zich zorgen om de ander te maken. Hij gaat naar hem op zoek. Uiteindelijk treffen de twee elkaar weer bij Boris thuis. Deze fysieke ontmoeting had kunnen voelen als het emotionele hoogtepunt van het verhaal: twee mannen die elkaar anders nooit hadden ontmoet vinden herkenning in elkaars verhaal en smeden een onverwachte vriendschap. Maar helaas blijft de aard van de verstandhouding tussen de twee moeilijk in te schatten voor de lezer: de indruk wordt gewekt dat Boris en Maarten ondanks hun persoonlijke ontboezemingen toch nog een zekere afstand tot elkaar bewaren, maar bij hun treffen bejegenen ze elkaar alsof ze elkaar al jaren kennen;  Maarten geeft Boris zelfs meermaals een knuffel.

    Tijdens Maartens bezoek vraagt Boris hem zijn installatie This Is Your Life te doorlopen, een kunstwerk waarin de bezoeker een alternatieve, fictionele levensloop voorgeschoteld krijgt. Het meermaals doorlopen van het kunstwerk zorgt voor een doorbraak bij Maarten, alsof hij door de blootstelling aan al die alternatieve levensinvullingen en -keuzes inziet wat het leven hem nog meer te bieden heeft. En inderdaad blijkt uit de ‘post-credit sequence’ – een soort epiloog – dat Maarten is gestopt met werken en dat de banden tussen hem, zijn vrouw en zijn kind sterker worden. Al met al heeft de ontmoeting op Maarten dus een positieve invloed gehad.

    Een minimalistische vertelstijl

    Een luisterend oog bevat veel plot en karakterontwikkeling voor zo’n dun boekje. Het blijft voor de lezer dan ook wat gissen naar het hoe en waarom van de ontwikkeling die Maarten en Boris als karakters doormaken. Met het oog op de minimalistische narratieve stijl van de roman is het opvallend dat er aan het perspectief van Thomas – Maartens zoon, een relatief bijpersonage – in verhouding veel pagina’s zijn gewijd, terwijl die voor een indruk van Thomas’ karakter niet strikt noodzakelijk zijn.

    Een luisterend oog trekt de lezer het verhaal in door zich voor te doen als een klassieke mystery-roman, maar laat in de loop van de tekst haar ware gezicht zien: dat van een psychologisch drama. Geleidelijk aan laat Koeleman die mystery-opzet los, en de belofte van de grootse ontknoping, waarmee de lezer in het begin lekker is gemaakt, wordt uiteindelijk niet helemaal ingelost. Dat is niet alleen zonde – de mystery-opzet was juist zo effectief –, maar ook teleurstellend voor de lezer. Die zal namelijk zelf op zoek moeten gaan naar de antwoorden op de vragen die in het begin zijn opgeworpen. Om die reden zal Een luisterend oog vooral de toegewijde lezer aanspreken, die het geen bezwaar vindt de puzzelstukjes zelf aan elkaar te leggen.

  • Denken met het hart en voelen met gedachten

    Zonder het af te doen als obscurantisme geldt vaak dat wijsheid uit het Oosten cryptisch wordt gebracht. Deze wijsheidsliteratuur duiden en brengen is een vaardigheid op zich. Zie bijvoorbeeld Michael Puett’s De Weg uit 2016. Maar deze andere perspectieven kunnen ons een nieuwe kijk bieden op het dagelijks leven en even een venster openzetten naar een andere wereld. Een van de belangrijkste stromingen uit het Rijk van het Midden was het taoïsme, een traditie geënt op oudere volksreligies, de natuur en mysticisme. De taoïstische filosofen waren vooral bezig om zich af te zetten tegen het heersende confucianisme, een strijd van ideeën die vandaag de dag nog actueel is.

    Filosoof Michel Dijkstra laat in Spiegel van hemel en aarde zijn licht gaan over het begrip hart-geest, een van die onmogelijk te vertalen begrippen uit de Chinese filosofie. Een woord dat lijkt te hinten op een verborgen affectieve dimensie van en sympathie met de ’tienduizend dingen’. Je zou het volgens Dijkstra ook kunnen vertalen als ‘inter-sensitiviteit’. Net als het woord Tao is het op vele uiteenlopende manieren uit te leggen. Dijkstra kiest ervoor het begrip hart-geest te benaderen vanuit vier verschillende hoeken: taoïsme, confucianisme, shinto en zen. Hij laat hierover vier verschillende denkers aan het woord uit verscheidene tijden.

    Deze aanpak heeft Dijkstra eerder al gebruikt door zenmeester Dogen tegenover de christelijk mysticus Meester Eckhart te stellen in zijn boek In alle dingen heb ik rust gezocht (2019). Dijkstra is goed thuis in de comparatieve filosofie en oosterse bronnen en dit levert boeiende vergelijkingen op, zeker op punten waar het Oosten het Westen ontmoet. Deze aanpak resulteert in een spectrum dat loopt van de dogmatische zenleraar Dogen tot de flierefluitende haiku dichter Ryokan. Een onderscheid wat Dijkstra al snel maakt is de tegenstelling tussen dualiteit en non-dualiteit. In het samenvloeien van subject en object ontstaat een modus die je denk-voelen kunt noemen. Hierover zegt Dijkstra dat de ‘antieke Chinees denkt met zijn hart en voelt met zijn gedachten.’ Denkers zoals Zhuang Zi gebruikten vaak geen instrumentele denkwijzen maar volgden onorthodoxe en paradoxale methodes om tot hun conclusies te komen.

    Het oppoetsen van de spiegel

    Zhuang Zi is een tegendraadse denker die ervan houdt om paradigma’s om te keren en ingesleten waarden tegen het licht te houden. De school van zen en taoïsme legt sterk de nadruk op ‘gecultiveerde spontaniteit’ en stelt als doel om zo los mogelijk te komen van alle geconditioneerde manieren van denken. De ‘spiegel van de geest’ moet opgepoetst worden om tot een grotere vrijheid van denken en handelen te komen. De gedachte is dat we met onze vastomlijnde voorkeuren onszelf het meest in de weg zitten. Deze grotere openheid en onthechting zou volgens Zhuang Zi leiden tot meer vrijheid van het ego, en paradoxaal genoeg juist tot meer verbinding. Wars van dogma’s en conventionele kennis grossieren de taoïsten in ongrijpbaarheid.

    Omdat de confucianisten in de optiek van de taoïsten rigide en moralistisch waren met hun nadruk op regels en voorschriften gingen zij de hele andere kant op. Zij zagen het als belangrijk om zoveel mogelijk niet in te grijpen in de loop van de dingen. Gevoel wordt op deze manier boven de categorieën van het denken geplaatst. Het zoveel mogelijk loslaten van oordelen en vooroordelen is hierbij het hoogste devies. Voor denkers als Zhuang Zi was het loslaten van controle belangrijk. Zo wordt voor Zhuang Zi ontvankelijkheid of receptiviteit tot de hoogste deugd. Iets wat hij verbond met het mysterieuze alomvattende vrouwelijke begrip van de Tao die ‘alle dingen voedt’. In het taoïsme is het begrip hart-geest een paradoxaal ontstijgen van verwarring. De taoïsten houden een pleidooi voor de zachte krachten, voor buigen in plaats van breken.

    Voetballen met kinderen

    Moraal was voor confucianistische filosofen als Mencius iets wat ingebakken zit in de mens. We verplaatsen ons volgens hem vanzelf in anderen door compassie te hebben met hen die het slechter hebben. Op fijngevoelige wijze lichten deze filosofen uit dat deugd natuurlijk handelen belichaamt. Deze morele ontwikkeling is iets wat vooral in relaties naar voren komt. Het cultiveren van deugden is voor het confucianisme iets wat vanzelf tot meer medemenselijkheid leidt. Hart-geest is voor de volgelingen van Confucius een vorm van openhartigheid, het inclusieve verbreden van de eigen morele kring. Goedheid straalt af op anderen en schept zo de voorwaarden voor een meer harmonieuze maatschappij.

    Voor shinto is hart-geest dan weer meer een esthetisch besef, wat voornamelijk terugkomt in de Japanse poëzie. Shinto is doortrokken van het besef van de kami en de bezieldheid van de wereld. Getroffen worden door het besef van vergankelijkheid of ontroerd door schoonheid lijken dus uitingen van hart-geest te zijn. Iets wat je bijvoorbeeld terugziet in het spontane karakter van sommige haiku’s.

    Voor het in de praktijk brengen van al deze verheven ideeën richt Dijkstra zijn blik op de zendichter Taigu Ryokan (1751-1831). De man die voetbalde met kinderen, dobbelde met prostituees en schijnbaar zorgeloos zonder bezit leefde, belichaamt het ideaal van in het moment leven het beste. Als dieven zijn hut plunderen beklaagt hij zich niet maar merkt op dat ze tenminste wel het raam hebben achtergelaten waardoor hij de maan kan zien. Deze wijze dwaas leefde ongebonden, en was in elk geval los van tradities een vrije geest. Bij hem zie je de liefdevolle aandacht, het dingen nemen zoals ze zijn en in het moment leven, wat je de kern van zen zou kunnen noemen.

    Illusies loslaten

    Intuïtie lijkt dus leidend te zijn voor veel van het denken rondom hart-geest, als alles met alles is verbonden dan is ook elke interactie waardevol. Het enigszins mystieke besef van hart-geest kan wel tot solipsisme leiden, de onthechte houding is goed voor meer gelijkmoedigheid maar maakt ons niet meteen meer invoelend of geneigd tot liefdadigheid. Dus blijft de vraag; hoe pas je het begrip hart-geest nou daadwerkelijk toe? Het dichtst in de buurt komt Dijkstra in de epiloog als hij het heeft over het afstemmen op je hart, oordelen en illusies loslaten en je perspectief verbreden en zuiveren van egocentrisme. Hoewel dit mooie idealen zijn is het gevaar wel dat het daarbij blijft. Lao Zi kan het mooi verwoorden maar de praktijk is vaak weerbarstig.

    Ondanks dat Dijkstra overvloedig citeert en goed uitlegt kan dat niet verhinderen dat het begrip hart-geest zelf vaag blijft. Het is iets wat eigenlijk in de praktijk duidelijk moet worden. De vele voorbeelden, metaforen en wijsgerige parabels behandelen de hart-geest allemaal op andere manieren. Het gaat soms over de balans van actie tegenover contemplatie in de morele praktijk, wat het een gebalanceerd verhaal maakt omdat er ruimte is om ook de tekortkomingen van de houding te bespreken. Zo kun je ook te open zijn of jezelf verliezen. Af en toe grijpt Dijkstra in zijn discours ook terug op Griekse denkers; zo vergelijkt hij confucianisme met de Aristotelische deugdethiek. En hij maakt uitstapjes naar westerse cinema, zoals met Star Wars. Dit maakt dat je goed verbanden kunt leggen.

    Over het geheel genomen kan het begrip hart-geest ons iets leren over niet-weten als levenshouding en hoe we onze cirkel van sympathie kunnen uitbreiden. Iets wat bijvoorbeeld heel goed aansluit bij het werk van Peter Singer, een verband dat Dijkstra ook legt. Zijn boek is dus meer een ideeëngeschiedenis dan een praktisch boek en dat is prima. Het geheel biedt een boeiend overzicht van pakweg tweeduizend jaar Chinese en Japanse filosofie. Soms verlies je wel het overzicht tussen al die lianen, maar dat komt ook omdat het begrip zo vaag is. Er is geen houvast, maar misschien is dat ook goed want alles is constant aan verandering onderhevig. We worden met alles wat we zijn ‘van ogenblik tot ogenblik opnieuw geboren.’

     

  • Regime van geluk is zelf ook niet gelukkig

    In het voetspoor van Orwell’s Nineteen Eighty-Four zijn al heel wat boeken geschreven. Nelleke Noordervliet voegt daar met Het bewind van de gelukkigen een kloeke roman aan toe. Ze plaatst de handeling in het heden en maakt er een psychologisch verhaal van. De leider van het nieuwe regime in dit boek is toevallig ook de halfbroer van hoofdpersoon Sophie Roth. Hun relatie speelt een belangrijke rol in deze roman die zich afspeelt in de Lage Landen. Door de bloedband wordt een politiek-maatschappelijk probleem tot iets heel persoonlijks. Het boek gaat over de persoonlijke keuzes en beslommeringen van een tobbende vrouw die naar het platteland vlucht en de mede door haar opgevoede charmante halfbroer die uitgroeit tot de leider van het nieuwe regime. Big Brother teruggebracht tot kleine broer.

    De verwijzing naar het boek van Orwell is helder. Hoofdpersoon Sophie noemt het boek expliciet. In de maatschappij waarin zij leeft, heeft zich een regimeverandering voorgedaan, die de Grote Omslag wordt genoemd. De omslag is op democratische wijze tot stand gekomen. De partij van Sophie’s halfbroer Alain Legrand heeft een meerderheid bereikt en nadien blijft niets bij het oude. Alle democratische vrijheden worden ingeperkt. Immigranten worden het land uit gepest. De lhbtq+ gemeenschap wordt tegengewerkt en alle verzet tegen het regime wordt de kop ingedrukt. Sophie kan deze nieuwe maatschappij niet verdragen en trekt naar het platteland.

    Verwerpelijk verzet

    Deze roman laat zien wat de overgang naar een autocratisch bewind betekent voor de burgers. En hoe de burgers langzamerhand meebuigen met het nieuwe regime. Er is ook geen echt alternatief. Hierin herkennen we onze eigen tijd waarin links ploetert om een antwoord op de dominantie van rechts. In de roman proberen enkele groepen zich wel actief te verzetten. Sophie raakt betrokken bij één ervan. Maar het verzet verwacht van haar dat zij zo ver gaat haar broer om het leven te brengen en daarmee het regime omver te werpen. Deze kwestie wordt nog persoonlijker als het verzet Sophie chanteert door haar dochters te bedreigen als ze niet meewerkt. Sophie ondervindt dat zowel het regime als het verzet ertegen gedreven worden door hun eigen alternatieve waarheden. Ze moet laveren tussen haar broer en het verzet tegen hem. In de loop van het boek wordt de band tussen Sophie en haar broer steeds duidelijker. De passages waarin ze in gesprek zijn behoren tot de interessantste en best geschreven.

    Nelleke Noordervliet heeft een aanzienlijk oeuvre van fictie en non-fictie bij elkaar geschreven. Als geëngageerd schrijfster maakt zij zich druk over de gevaren van onze tijd. Zij wil met deze roman waarschuwen voor de uitholling van de democratie. Sophie vindt het rechtse regime uitermate verwerpelijk, maar even verwerpelijk is volgens haar het verzet ertegen, want ook dat neemt zijn toevlucht tot geweld om het gestelde doel te bereiken. Sophie zelf wordt heen en weer geslingerd tussen bloedband en politieke voorkeuren, tussen mensen en ideeën. Waarheid is niet meer dan een optelsom van tegenstrijdigheden, denkt ze. Noordervliet maakt haar tot een speelbal van allerlei gedachten en indrukken. De titel is in dit verband ironisch bedoeld. Het bewind maakt de burgers niet gelukkig en wordt geleid door mensen die zelf ook niet gelukkig zijn. Ook Sophie is dat bepaald niet. Haar vlucht naar het platteland biedt geen uitkomst.

    Veel uitleg

    De roman geeft veel informatie over ontwikkelingen en personen, wat prettig is voor lezers die ervan houden om bij de hand te worden genomen. Noordervliet maakt er – enigszins gechargeerd gezegd – een encyclopedie van moderne ideeën van. Een figuur als de filosoof Fukuyama bijvoorbeeld wordt uitvoerig belicht en becommentarieerd en hij niet alleen. Sophie legt alles uit wat ze doet. Ze psychologiseert en informeert de lezer uit en te na over mensen die ze ontmoet. Soms is dat te gek. Zo is er bijvoorbeeld een oude mevrouw die aan het syndroom van Gilles de la Tourette leidt. Zij roept altijd ‘Sodemieter op’ en dan op een dag opeens ‘Hallelujah, looft den Heer’. Sophie voegt daaraan toe: ‘dat leek wel de softe versie van Sodemieter op.’ Alsof je dat zelf niet kunt bedenken. Aan de andere kant verwijst Noordervliet in sommige gesprekken naar klassieke figuren of romanfiguren. Zo zegt een verzetsman tegen Sophie, die onder druk is gezet en nadenkt of ze mee wil werken: ‘Je bent aan het spinnen. (…) De draad van Ariadne, de weg uit het labyrint.’ Wellicht is dat de manier waarop Noordervliet zelf converseert, maar het komt in een spannende scène gekunsteld over. Spreektaal is bij haar nogal eens schrijftaal. Ze gebruikt ook dubieuze metaforen: de temperatuur is ‘zacht als zijde’, maar dat kan toch alleen de lucht zijn? Temperatuur is gewoon een getal. Of: ‘Er ging weinig uit van het huis, behalve achterbaksheid.’ Aan de ene kant wordt de lezer aan de hand genomen en aan de andere kant wordt verwacht dat hij of zij allerlei metaforen en literaire verwijzingen begrijpt. Dat lijkt tegenstrijdig.

    Toch was het lezen van deze roman niet vervelend. Er gebeurt veel en Noordervliet is en blijft een goede schrijver. De oude mevrouw met De La Tourette bijvoorbeeld ‘heeft de eeuwige jeugd van een mummie’. De brieven die de jonge Alain aan zijn zus schrijft tijdens zijn reis door Amerika, Mexico en andere landen zijn prachtig van taal en inhoud. De roman verrast echter niet en zet je niet echt aan het denken. Misschien komt dat wel omdat de ervaren schrijfster te veel uitlegt en te weinig toont.

     

     

  • In de ban van leegte

    Het vlees van David Szalay, het boek waarmee hij in 2025 de Booker Prize won, opent opvallend terughoudend. In plaats van een dramatische gebeurtenis of een expliciete psychologische inleiding presenteert Szalay een opeenvolging van alledaagse momenten, nauwelijks ingekaderd en zonder duidelijke spanningsboog. Die keuze is wezenlijk voor de roman. Door het verhaal vrijwel zonder richting te laten beginnen, dwingt Szalay de lezer om het leven van zijn hoofdpersonage, István, te ervaren zoals het zich voor hem ontvouwt: als een aaneenschakeling van situaties waarin hij zelden zelf sturend optreedt. De Hongaarse flatwijk in de jaren tachtig waarin hij opgroeit vormt daarvoor een logische achtergrond. Het is een omgeving waar perspectieven schaars zijn, waar gezinnen onder druk staan en waar jongeren vooral leren te verdragen in plaats van te sturen. In zo’n wereld is het niet vreemd dat Istváns jeugd bestaat uit gebeurtenissen die hem overkomen. Zijn passiviteit is geen karakterzwakte, maar het resultaat van omstandigheden waarin initiatief weinig oplevert.

    Dat wordt pijnlijk zichtbaar in de scène waarin hij, vijftien jaar oud, een seksuele relatie krijgt met een oudere buurvrouw. Szalay vertelt het zonder sensatie, alsof het een alledaagse gebeurtenis is. Voor de lezer ontstaat daardoor een ongemakkelijk gevoel. Je weet dat het niet normaal is, maar het wordt zo gepresenteerd. De focus ligt op Istváns reactie: een mengeling van afkeer en nieuwsgierigheid, zonder protest, zonder volledig besef van wat er gebeurt. Zijn ‘oké’ is veelzeggend. Het is geen instemming, maar een houding die het patroon van zijn hele leven samenvat: meebewegen, aanpassen, verdragen. Dit moment vormt geen traumatisch breekpunt, maar een vroege aanwijzing voor wie István is en hoe beperkt hij zich voelt door de verwachtingen van anderen en de grenzen van wat hij durft te voelen of te zeggen.

    Een leven in stappen die hij niet zelf kiest

    Over een periode van ongeveer veertig jaar volgt de roman Istváns ontwikkeling – of beter gezegd: zijn verschuivingen. Szalay kiest bewust niet voor een klassieke ontwikkelingslijn. De stappen in Istváns leven hebben geen duidelijke opbouw en komen niet voort uit ambitie of besluitvorming. Ze komen in sprongen: militaire dienst, werk als uitsmijter, klusjes in de beveiligingssector, en uiteindelijk een onverwachte entree in de wereld van de Londense superrijken.

    Belangrijk is dat Szalay steeds laat zien hoe deze sprongen tot stand komen. Niet omdat István iets nastreeft, maar omdat anderen hem verplaatsen. Een sergeant die hem opmerkt. Een werkgever die hem ergens neerzet. Een vrouw met geld en invloed die hem betrekt in haar wereld en hem kansen geeft die hij zelf nooit zou hebben gezocht. Zijn latere werk als vastgoedontwikkelaar wordt daardoor geen bewijs van bekwaamheid, maar van afhankelijkheid. Hij bezit geen visie, maar passeert door deuren die anderen openzetten. Zo laat Szalay zien hoe succes soms weinig zegt over zelfsturing en veel over beschikbaarheid en toeval.

    István als stille lens

    Wat István vooral kenmerkt, is zijn manier van in de wereld staan. Hij verklaart zichzelf nauwelijks, hij denkt weinig hardop, en hij reageert vaak aarzelend of ondoorgrondelijk. Dat maakt hem geen traditioneel romanpersonage dat de lezer via innerlijke monologen of conflicten leert kennen. In plaats daarvan fungeert hij als een lens. Doordat hij zelf weinig initiatief neemt, vallen de bewegingen van anderen des te meer op.

    In de flatwijk is hij iemand waarop mensen projecteren: familieleden die hem zien als een last of hoop, leeftijdsgenoten die hem als doelwit gebruiken, volwassenen die hem proberen te kneden volgens hun verwachtingen. In Londen verandert dat mechanisme niet; de context wordt groter, de huizen ruimer, de macht zichtbaarder, maar Istváns positie blijft die van iemand die observeert en wordt waargenomen. Zijn stille houding maakt hem tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Zichtbaar als lichaam dat aanwezig is, onzichtbaar als persoon met een eigen wil.

    Dat zijn zoon langzaam hetzelfde gedrag vertoont, onderstreept de herhaling van patronen. Szalay toont hiermee hoe een manier van leven – gedreven door aanpassing, stilheid en gebrek aan zelfvertrouwen – kan worden doorgegeven zonder dat iemand expliciet leert of kiest. Het komt voort uit wat men ervaart, niet uit wat men besluit.

    Het lichaam als drager van ervaring

    Szalays stijl is doelbewust sober. Hij werkt met korte, precieze zinnen en scènes die vaak breken op het moment dat een gevoel of gedachte zich zou kunnen uitkristalliseren. Door die keuze ontstaat ruimte voor lichamelijke details. Een hand die te lang blijft liggen, een blik die ongemakkelijk is, een schouder die wegdraait. Het zijn precies die momenten die de betekenis dragen. Niet wat István zegt, maar hoe hij fysiek reageert; niet wat anderen verwoorden, maar wat hun lichaam prijsgeeft.

    De titel Het vlees krijgt daardoor een dubbele lading. Enerzijds verwijst het naar lichamelijkheid en seksualiteit, die door het hele boek terugkomen als bronnen van verlangen én macht. Anderzijds benadrukt het hoe het lichaam functioneert als een soort geheugen. Waar István mentaal weinig vastlegt of doorvoelt, onthoudt zijn lichaam alles: spanning, onderwerping, afkeer, aantrekkingskracht. Zo maakt Szalay voelbaar dat een leven niet alleen bestaat uit gedachten en keuzes, maar evenzeer uit aanrakingen, nabijheid en ervaringen die zich in het lichaam nestelen.

    Het contrast tussen Hongarije en Londen versterkt dit effect. In de kleine, krappe appartementen in Hongarije beweegt István tussen de bewoners door, aanwezig maar nauwelijks opgemerkt; hij maakt geen deel uit van hun leven. In de grote, luxueuze huizen in Londen is hij zichtbaar tussen de mensen, maar slechts als figurant. Hij leeft mee aan de rand van hun wereld, fysiek onder de mensen maar emotioneel en sociaal afgescheiden. Zijn aanwezigheid is het enige constante, zijn plek in de wereld blijft onzeker. Szalay laat zo zien dat sociale verschillen niet alleen abstract bestaan, maar voelbaar worden in hoe iemand wel of niet onderdeel kan zijn van de ruimtes en levens om zich heen.

    Aandacht voor het minieme

    Het vlees is uiteindelijk geen verhaal over groei of bevrijding. Het is een roman die laat zien hoe omstandigheden iemand kunnen vormen, beperken en opsluiten in patronen. Szalay toont hoe een jeugd zonder goede begeleiding, zonder duidelijke grenzen of steun, iemand een leven lang kan achtervolgen. István is soms onaantrekkelijk en vaak onbegrijpelijk, maar precies daardoor geloofwaardig. Hij staat voor velen die geen grote gebaren maken, maar vooral proberen te overleven in de omstandigheden die ze krijgen.

    De spanning in het boek komt voort uit stiltes, uit details, uit het ongemak van kleine momenten. Een blik kan een hele relatie veranderen, een aanraking kan een machtsverhouding blootleggen, een korte misser kan een levenspad verzegelen. Szalay vraagt de lezer om aandacht voor het minieme. In die kleine details schuilt de ware lading.

    Een roman die blijft nazinderen

    Het vlees vraagt geduld, omdat het weigert de lezer te belonen met een climax of een ommekeer. Maar juist dat maakt het boek krachtig. Het toont een leven dat grotendeels in de marge wordt geleefd, maar dat daardoor een scherp licht werpt op hoe afhankelijk mensen zijn van hun omgeving en van andermans wil. Szalay confronteert de lezer met vragen die zich niet laten afschudden: hoeveel invloed hebben we werkelijk op ons leven? Hoeveel van wat we doen is keuze, en hoeveel is reactie?

    István is geen gids of voorbeeld, maar een spiegel. Hij toont hoe een leven eruitziet wanneer richting verdwijnt, wanneer gebeurtenissen elkaar opvolgen zonder dat iemand ze naar zich toetrekt. En juist daardoor blijft de roman lang hangen: het is een verhaal dat weinig zegt, maar veel laat zien.

  • Voorbij het cliché

    De vijfde roman van Cobi van Baars, Vacht!, begint met een cliché. In één woord heet het: ‘Knotje’. Hoe vaak wordt een bibliothecaresse of archivaris niet voorgesteld met een knotje? Denk aan juffrouw Bits van Annie M.G. Schmidt (zelf bibliothecaresse) en Wim Bijmoer of aan de film 8 Femmes. Sommige collegae van hoofdpersoon Eline hebben haar weinig origineel zo gedoopt: ‘Knotje’. Maar Cobi van Baars gaat voorbij aan dit cliché.

    Eline werkt als archivaris in het archief van een voormalig klooster. Ze maakt plaatsingslijsten van het archief van de Liefdezusters van het Kostbaar bloed. Medewerkers van een bibliotheek of archief kunnen veel herkennen in de gebruiken binnen zo’n instelling die Van Baars beschrijft: als je een doos of map uit een kast licht, plaats je een rode flap terug. Je leest het als was je de cavia op kantoor in de boeken van Paulien Cornelisse, die alles van een afstandje bekijkt. Eline is natuurlijk ook vrijgezel, al wordt door een misverstand haar buurman Jaap aangezien voor haar vriend.

    Een kudde schapen en collegae

    Buiten het klooster kijkt Eline geregeld naar een kudde op de dijk grazende schapen. Ze is jaloers op de herder. Hij heeft géén collegae ‘die hij het hoofd moet bieden, geen bezoekers die hij uitnodigend, nee, wérvend moet bejegenen’. Nee, hij heeft een kudde ‘die hem omringt en beschermt’. Het tegenovergestelde van haar laatdunkende collegae – met uitzondering van Camiel, die digitaliseert – waartegen ze zich verschanst met stapels bananendozen die als vesting dienen. In de archiefdozen die Eline behandelt zitten ook foto’s die door Camiel in de beeldbank dienen te worden opgenomen.

    Er zijn ook vergelijkingen te maken tussen de schapen en Eline, met name tussen één ooi en haarzelf: ze laten het allebei maar gebeuren. Dat de herder de vacht van de ooi liefdevol kroelt staat haaks op collega Machteld die gevoelens van Eline in negatieve zin openkrabt met vragen als ‘Zullen we even bijpraten?’ of wanneer ze roept: ‘Wat een beeldig vest!’ Waarop Eveline denkt: ‘Vacht!’. Een vacht beschermt je immers. Ze heeft behalve die gedachte ook een reflex of tic ontwikkeld door op moeilijke momenten tegen haar knotje te tikken.

    Baars gaat hiermee psychologisch dieper dan het cliché aan het begin van het boek zou doen vermoeden; dat knotje heeft ze nodig als kapstok voor haar zich geweldig ontwikkelende verhaal over intermenselijke, alledaagse relaties. Op het werk en thuis, met buurman Jaap. En over de omgang met de schapen, waarin Eline trekjes van haar collegae ontwaart, zoals de opdringerige 72123 die haar doet denken aan Machteld. Een nummer en geen kwetsende bijnaam als ‘Knotje’.

    Verlangens, beelden en gevoelens

    Zo eendimensionaal is het echter allemaal niet. Eline kan wel degelijk genieten van haar moestuin, een glas witte wijn, de laatste zonnestralen, kijken naar sterren en de wassende maan. Ze voelt zich er prettig bij. Om erbij te horen gaat Eline mee in de roddels van haar collegae over haar en buurman Jaap. Dat ze een petunia van hem kreeg voor haar verjaardag, want Jaap houdt van petunia’s. Ze ‘wrijft met twee handen teder door die roze-purperen bloemetjes alsof het een krullenbol is, die, die …’. Je ziet Eline door de vacht van de kop van een ooi gaan terwijl ze zegt: ‘Je moet je niet zo opzij laten drukken’. Tegen de ooi én tegen zichzelf. Je voelt haar verlangen dat iemand háár eens aait.

    Zo grijpen alle beelden en gevoelens knap in elkaar, hoewel Eline zelf niet in staat is in beelden te denken. Collega Pim, die zijn achtjarige hond Basta aait, wil maar niet op haar netvlies blijven staan. Eline doet graag de deur van haar werkkamer dicht om de collegae en haar baas buiten te sluiten. Ze moet aldoor alert zijn op mogelijk pestgedrag en door de stress uit ze onwillekeurig kreten die daar het gevolg van zijn. Kreten die klinken ‘als een dier, een lam in nood’, wat misschien weer net even te nadrukkelijk beschreven is door Van Baars.

    Symboliek

    Het draait allemaal om afstoten en aantrekken, om een net dat soms gaten heeft of zich soms weer steeds strakker sluit. Het feit dat het verhaal in en om een voormalig klooster is gesitueerd, speelt daarbij een rol. Op een dag krijgt Eline een schoenendoos te verwerken waarin twaalf kleine katoenen zakjes met boetegesels zitten. Hiermee sloegen kloosterzusters zichzelf terwijl ze ‘Ave Maris Stella’ baden (Wees gegroet, ster van de zee). Een gebruik dat tot in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw werd volgehouden. Het was de bedoeling dat zusters zo voelden wat Christus aan het kruis moet hebben gevoeld, zoals Eline misschien mag hopen dat mensen zich in haar kunnen verplaatsen?

    Wat Machteld ook daadwerkelijk probeert. Van Baars geeft haar zo een gelaagd en méér dan een eendimensionaal karakter. Overigens wordt de symboliek van het lam bij Van Baars minder nadrukkelijk in christelijke richting uitgewerkt dan bijvoorbeeld Jannie Regnerus doet in haar roman Het lam. Ook in Van Baars’ boek De onbedoelden speelt het rooms-katholicisme geen al te grote rol van betekenis.

    Niemand merkt dat Eline van het paradijs (de eerste jaren in het archief) inmiddels in de hel terecht is gekomen, al heeft Machteld daar wel een vermoeden van. De vraag is hoe Eline daar weer uit komt. Zal Machteld haar redden, zoals ze eens een ooi redde die vastzat in het prikkeldraad? Of Jaap? Of Camiel? Of wordt ze zelf assertiever? Het antwoord op deze vraag, de ontknoping, zit razendknap in elkaar en laat je als lezer verbluft achter. Met andere woorden: Vacht! Is een boek dat flink nazindert.

  • Mens & geld

    ‘We are living in a material world’ zong Madonna in 1984 al. Ellie en Freya, de hoofdpersonages uit Geld verdienen van Hanna Bervoets zijn misschien geen typische ‘material girls’, maar veel geld verdienen is wel hun doel. Ellie tipt Freya om te investeren in een aandeel dat zeker meer waard zal worden. Wat de lezer verwacht, gebeurt natuurlijk, het blijkt een financiële bubbel te zijn. Maar toch ga je gaandeweg meer en meer begrijpen waarom je zou willen winnen in het kapitalistische systeem en waarom het tussen de mens en geld zo vaak fout gaat.

    Na jaren ontmoet Ellie haar oude vriendin Freya weer. Freya blijkt in de problemen te zitten, ze zit in een scheiding en wil voor haar kind zorgen. Ellie voelt zich schuldig naar Freya, omdat die zich over haar ontfermde op de middelbare school en haar uit haar isolement haalde. Ze geeft haar daarom de gouden tip om Matador, een belegingsapp te gaan gebruiken. Ellie helpt haar om aandelen te kopen van een Australische wijnhandelaar, Royal Estate, die volgens Ellie binnenkort door het dak gaan. Ellie leeft in een zelfgekozen isolement en kan na het ontslag bij haar reguliere baan van haar Matador beleggingen leven. Ze ziet geen kwaad in het delen van het gouden aandeel, want Freya deed vroeger toch ook alles voor haar?

    Freya wil na hun gesprek nog wat meer bijverdienen door Ellie’s gouden tip in een cursus te gieten en te verkopen. Hierdoor koopt een groep die voornamelijk bestaat uit vrouwen uit Freya’s netwerk het magische aandeel. Het devies: het aandeel vasthouden tot het de maximale waarde heeft behaald, het zogenoemde ‘HODL’. Wat aanvankelijk lijkt op een slimme financiële beslissing, krijgt echter een bizarre en duistere wending. Want al snel worden alle investeerders getroffen door vreemde ongelukken en mysterieuze gezondheidsproblemen. Het aandeel lijkt wel vervloekt. Dan gebeurt natuurlijk wat de lezer al aan zag komen: het aandeel blijkt niet alleen snel veel meer waard te worden, maar ook vrijwel onmiddelijk daarna alle waarde te verliezen. Het was een bubbel.

    HODL

    In Geld verdienen is overduidelijk een ervaren schrijver aan het werk, het is niet voor niets Bervoets tiende boek. Het is een spannend en op een goede manier plotgedreven boek, waarbij je steeds slim van hoofdstuk naar hoofdstuk wordt gedreven door cliffhangers en (voorspelbare) onthullingen. Je zou Hanna Bervoets kunnen verwijten dat het voor de literaire lezer niet literair genoeg is, dat Ellie en Freya te weinig diepgang hebben en dat het verhaal te veel leunt op het plot. Dat is echter niet terecht. Het feit dat het verhaal soepel wegleest is in dit geval niet omdat het oppervlakkig is. Het plot en de personages staan helemaal ten dienste van het thema: wat geld met mensen kan doen.

    In het vasthouden van je aandacht en het aan het denken zetten over dat thema slaagt het boek zeker. Gaandeweg het boek wordt het contrast tussen Freya en Ellie steeds schrijnender. Ellie heeft een moeilijke jeugd, met weinig vrienden, tot Freya haar uit die eenzaamheid haalt. Ellie gebruikt al haar geld om zichzelf voor te bereiden op het ergste, ze bouwt aan een vrij overdreven overlevingspakket. Freya lijkt haar leven meer op orde te hebben. Maar of ze echt een goede vriendin is die simpelweg het beste met Ellie voor heeft, wordt steeds lastiger te geloven als je meer over hun verleden leert. De relatie tussen de twee komt onder allesbeslissende druk te staan als het aandeel exponentieel in waarde toeneemt. Dan komt uiteindelijk toch de ware aard van de mens naar boven. Ook bij de andere investeerders die met schulden achterblijven. Het boek eindigt in chaos na het klappen van de bubbel.

    Material girls

    Geld verdienen gaat over de dunne lijn tussen echt en nep, in vriendschap, maar ook in bezit. Het gaat niet om het wonderaandeel op zichzelf, het gaat om twee vriendinnen en de worsteling met een kapot kapitalistisch systeem. Dat systeem benadeelt de mens, maar zoals Geld verdienen laat zien vooral de vrouw. Veel vrouwen met het aandeel hebben dat niet alleen maar om rijk te zijn, om zogezegd een ‘material girl’ te zijn. Ze willen het geld gebruiken om zich vrij te kopen uit een systeem dat hen benadeelt, bijvoorbeeld Freya die het geld gebruikt om haar scheiding te bekostigen.

    Jezelf vrij maken lijkt alleen te kunnen met veel geld. Dat zie je ook bij twee van die vrouwelijke investeerders, Lorie en Samia. Ze ontmoeten Freya op een cursus van MissBusiness en raken zo ook in de ban van het aandeel. Samia wil een eigen bedrijf opzetten, Lorie wil naar Griekenland, om te zwemmen in een infinity zwembad. Het wonderaandeel maakt dat ze opeens kunnen gaan dromen, dat ze verder kunnen. Maar door het aandeel krijgt Samia uitslag over haar hele lichaam en Lorie durft door haar pleinvrees niet meer het huis uit. Is dat het waard, als je daarna je droom kunt leven? Want ben je echt rijk met een wonderaandeel, maar zonder plezier in het leven? En is alles te koop, ook de liefde, macht en seks? Nee natuurlijk niet, denkt de lezer. Maar toch is het interessant om te zien wat er gebeurt als je de kapitalistische fantasie wél gelooft en probeert te winnen in het systeem. De chaos in de tweede helft van het boek, die steeds ongeloofwaardigere vormen aanneemt, laat al te meer zien: ook de material girl blijft een fantasie. Alles van waarde is uiteindelijk weerloos tegen de macht van het geld.

     

     

  • Spannend en absurd debuut

    ‘Ze aten als hun koeien, hun kaken kwamen niet tot stilstand voordat alles was verdwenen.’ Koeman van Jan Wester is geen biografie over de trainer-coach van het Nederlands voetbalelftal maar een debuutroman met een agrarisch thema. Vader en melkveehouder krijgt een hartaanval waaraan hij later overlijdt. ‘Hij had naakt op zijn buik in de badkamer gelegen, als een pasgeboren kalf na een bevalling die te lang heeft geduurd.’ Vader was ‘omgevallen’. De agrarische context bevindt zich in het hart van het groene West-Friesland, in Wognum.

    Vader zal het na zijn hartaanval niet lang meer maken. Maar voor zijn overlijden zal hij zijn enige, negentwintigjarige zoon Jaap nog toevertrouwen: ’Je kan hier niet voor altijd alleen blijven, Jaap. Er moet straks natuurlijk wel een opvolger zijn voor de boerderij.’ Als er tijdens vaders ziekte een wat timide maar zorgzame en ongetrouwde thuiszorghulp op de boerderij verschijnt, Anne, ontstaat er al een vermoeden van het vervolg van het verhaal. Vader gaat dood. ’Tegen de tijd dat Jaap klaar was met melken was Vader helemaal koud. Hij lag met zijn gezicht tegen de vloerplanken van de stal, starend door de kieren naar de donkere laag stront op de bodem van de gierkelder. 0571 stapte over hem heen. 0499 at van haar krachtvoer. Jaap rolde hem op zijn rug. Tillen had geen zin.’

    Meesterlijk verteller

    Het einde van de vader is niet erg esthetisch beschreven. ‘Jaap liep naar de schuur en kwam terug op de Liebherr. De machine boog het hoofd voor zijn oude eigenaar. Jaap schoof de palletvork onder het lichaam. De pneumatische arm tilde Vader van de grond en legde hem neer op een zeil op het pad. Jaap vouwde het dicht.’

    Tot dan toe lijkt het boek de kant op te gaan van een soort literaire ‘Boer zoekt Vrouw’ met een al dan niet geslaagde zoektocht naar een echtgenote en moeder van de opvolger van het bedrijf. Een op het eerste gezicht wat uitgekauwd thema en eerder geschikt voor een aflevering van het bekende tv-programma dan een (interessant) literair debuut.

    Maar schijnt bedriegt. Beeldhouwer en schrijver Jan Wester (30) ontpopt zich als een meesterlijk verteller van een wel zeer bizarre plot. Hij studeerde filosofie aan de UvA en Beeld en Taal aan de Gerrit Rietveld Academie. De auteur schrijft heel precies en beeldend. ‘Vanuit de stal klonk het krijsen van de melkpomp. Anne leverde de dieren uit aan Jaap. Roepend en fluitend dreef hij ze dieper in zijn fuik van buizen en rekken. De machine begon te drinken. Antigone kromde haar rug en zette zich schrap. De zuigmonden bewogen langzaam op en neer, hun rubberen lippen zoenden de roze huid van haar uiers.’

    Luisteren naar vrouwen

    Knap is die stijl waarmee Jaap als enerzijds zorgzame en anderzijds bijna autistische, en in elk geval monomane, boer wordt beschreven. Anne heeft tal van psychische klachten, verbleef in een psychiatrische inrichting en is daarvan nog niet echt volledig ‘genezen’. Ze staat in contact met een hogere macht, Limos, met wie ze gesprekken voert en die haar raad geeft. Maar die haar ook streng bekritiseert, bijvoorbeeld over het feit dat ze Jaaps vader door slechte zorg de dood in zou hebben gejaagd.

    Toch bloeit ze wel op in de nogal afgesloten wereld van de boerderij. ‘Vader was begraven, maar Anne verscheen de volgende ochtend gewoon weer in de stal. Ze verplaatste kopjes en borden in de keuken, legde een nieuwe deken over de bank en veegde het stof van de televisie. Zo was het beter, zei ze, en Jaap sprak haar niet tegen.’ Jaap is een gesloten man van zeer weinig woorden die leeft voor en met zijn koeien op basis van strakke dagschema’s. Veel ervaring met andere mensen heeft hij niet, en al helemaal niet met vrouwen. Ooit heeft hij het advies van zijn vader gehoord dat je naar vrouwen moet luisteren en soms ook goed met ze moet praten, maar in de praktijk brengt hij daar weinig van terecht.

    De inleiding op het hoofdstuk zwangerschap en een nakomeling is typerend. ‘Jaap: ”Kun je een kind krijgen?” Anne viel even stil. “Met jou?”. ”Ja.” Ze lachte. Maar iets was anders. Haar mond vervormde. ”Je maakt geen grapje?” Jaap schudde zijn hoofd, hij maakte nooit grapjes. Anne staarde drie minuten naar het tafellaken. Toen stond ze op. “Ik ga naar huis.”’

    Op hol geslagen zweefmolen

    Het is duidelijk dat deze twee mensen geen hartstochtelijke relatie tegemoet gaan. Toch trekt Anne bij Jaap in en beginnen ze nogal stuntelig hun pogingen tot het verwekken van een kind. Dat gaat, weinig verrassend, niet vlot. Ook de rest van hun relatie is niet direct warm en inhoudsvol. Het zijn duidelijk twee mensen die last hebben van hun verleden, een eenzame en harde jeugd, psychische stoornissen, bij Anne anorexia, maar eigenlijk hunkeren naar warmte. Jaap vindt die bij zijn koeien, maar geeft die niet aan Anne. Niet omdat hij dat niet wil, maar omdat hij het niet kan. Anne mist het vermogen om door de betonnen muur van Jaap heen te breken.

    En dan, op twee derde van het boek, is er een plotselinge, zeer heftige plotwending, te maken met de zo gewenste zwangerschap van Anne en Jaaps vertrouwen in koeien boven dat in mensen. Er wordt een kind geboren, al even bijzonder als buitenissig. De roman ontwikkelt zich in snel tempo tot een plastisch geschreven horrorboek, met magisch-realistische trekken en – vooruit, één spoiler – een seriemoordenaar met 49 moorden op zijn geweten. Spannend, ja, maar ook een soort tocht in een op hol geslagen zweefmolen. Je komt er bijna misselijk uit, en ook wat bedrukt door zoveel narigheid.

    Is het een goed boek? Ja en nee. Wester schrijft treffend en beeldend zoals pagina’s lang gedetailleerd de heftige scènes in een slachthuis. Het inzicht in autisme waaraan Jaap lijdt en anorexia nervosa waaraan Anne lijdt is waardevol. De plot is even absurd als heftig en dwingt tot doorlezen, al is op een gegeven ogenblik wel duidelijk hoe het afloopt. Fijnzinnig is het boek niet, rijk van taal wel en in ieder geval een hoogst origineel debuut. Benieuwd welke richting Wester hierna op gaat: thrillers of een verdere uitdieping van het agrarisch milieu dan wel weer een combinatie.

     

  • ‘Rot op met je canon’

    In 1947 werd de Nieuw-Zeelandse schrijfster Janet Frame als schizofreen gediagnosticeerd. Ze zat acht jaar in een psychiatrische inrichting en kreeg daar meer dan 200 electroshockbehandelingen. In 1952 werd ze ternauwernood gered van een lobotomie en ontslagen uit de inrichting nadat een leidinggevende had gelezen dat haar een literaire prijs was toegekend. Frame was niet schizofreen.
    Dit voorval wordt door de Amerikaanse schrijfster Kate Zambreno aangehaald in haar al in 2013 verschenen maar nu pas in het Nederlands vertaalde Heldinnen. Daarin wordt deze episode over Frame verteld naar aanleiding van het tragische leven van Vivien (Viv) Eliot, de vrouw van T.S. (Tom) Eliot, die wellicht een schrijver had kunnen worden als zij niet zo (onder andere door Tom) vernederd was.

    Wat Janet Frame overkwam doet verder sterk denken aan de Amerikaanse actrice Frances Farmer over wie Zambreno eveneens schrijft. Farmer werd in 1943 gearresteerd vanwege de weigering een verkeersboete te betalen. De eigenzinnige vrouw werd daarop gediagnosticeerd als psychotisch en schizofreen. Ook zij kreeg shocktherapie. Na een jaar werd ze genezen verklaard.

    Gekke echtgenotes

    Kate Zambreno is geobsedeerd door het verschijnsel dat zelfbewuste vrouwen in de kunst- en literaire wereld zoals Frame en Farmer werden gemarginaliseerd en zelfs weggezet als hysterisch of anderszins gepathologiseerd, vooral als ze de vrouw-van zijn.  Dat overkwam niet alleen de al genoemde Viv Eliot, maar ook bijvoorbeeld Jane, vrouw van Paul Bowles, Zelda, vrouw van Scott Fitzgerald, Jean Rhys (pseudoniem van Ella Rees Williams), Djuna Barnes en anderen: ‘Ik raakte in de ban van de gekke echtgenotes, mijn eeuwige referentiepunt’ schrijft Zambreno. Haar [ze beschouwt zich als non-binair, maar in navolging van Basje Boer in het Voorwoord bij de vertaling van Heldinnen worden hierna de vrouwelijke voornaamwoorden gebruikt] onderzoek dat uiteindelijk zal resulteren in Heldinnen noemt ze een ‘boek van schaduwgeschiedenissen’.

    Voor Zambreno lagen de vragen die die levens opriepen dicht bij haar eigen werkelijkheid. Ze is getrouwd met kunstenaar John Vincler en voelde zich vaak de vrouw-van die steeds haar man volgde (hij verhuisde in verband met zijn carrière vaak en was het meest bepalend voor de agenda van het gezin) en ondertussen met veel strijd haar eigen onafhankelijke leven wilde leven. Haar eigen biografie verweeft ze met wat haar onderdompeling in al die vrouwenverhalen te zeggen heeft.

    Sudderen

    Zambreno’s onderzoek kreeg een extra stimulans toen ze in 2009 een blog startte onder een titel die verwees naar de genoemde actrice: Frances Farmer is My Sister. Het werd een platform waarop veel vrouwen hun kennis en ervaring deelden. Van alles wat daar beschreven werd en wat ze zelf analyseerde uit lezen en herlezen van literatuur maakte ze een synthese, ‘een soort langdurig laten sudderen van een groot aantal elementen’. Dat sudderen is duidelijk niet zonder emotie gegaan; je voelt vaak de kwaadheid die regelmatig bij haar op kwam. Heldinnen ademt verontwaardiging over al het onrecht dat ambitieuze vrouwen is aangedaan. Ze wil dat dat verandert en spoort vrouwen aan zich niet te laten wegzetten: ‘Het is cruciaal dat wij onszelf (…) weten te overtuigen van onze uiteindelijke genialiteit’ en: ‘Rot op met je canon. Rot op met al die grote jongens met hun belangrijke boeken’.

    Witregels

    Zambreno beheerst haar materiaal tot in haar vezels. Haar kennis strekt zich uit tot de kleinste details. Dat maakt lezing van Heldinnen niet altijd gemakkelijk. Het is een stortvloed van informatie, die iets weg heeft van een omgevallen archiefkast. De pagina’s lijken achtereen volgeplakt met snippers van aantekeningen, gevonden citaten, fragmenten en associatieve zijsporen. Ondanks een indeling in hoofdstukken lijkt er niet veel ordening in te zitten. Ze herhaalt zich vaak en strooit met losse gedachten tussen teksten door. Ze gebruikt werkwoordloze zinnen, als een soort verzuchtingen, met veel witregels en springt van de hak op de tak. Een voorbeeld ter verduidelijking is het volgende over Vivien Eliot (die ook bevriend was met Bertrand Russell):

    ‘(witregel)
    Ik voel me geroepen op te treden als de literaire executeur van de doden en de uitgewisten. Het is mijn verantwoordelijkheid te waken over hun nalatenschap.
    (witregel)
    In 1947 overleed Viv op achtenvijftigjarige leeftijd. De doodsoorzaak op haar overlijdensakte luidt ‘hartaanval’. Mogelijk door medische nalatigheid of een overdosis. In haar grafsteen is de verkeerde datum gebeiteld. Het jaar erop won haar man de Nobelprijs. (En vervolgens Bertrand Russell twee jaar later – is er voor of na haar ooit iemand geweest die het bed heeft gedeeld met twee winnaars van de Nobelprijs voor Literatuur?)
    (witregel)
    Een doorhaling.  De regel ‘Voor mijn vrouw’ verdween uit zijn gedicht ‘Aswoensdag’. Bertrand Russell schreef haar uit zijn memoires.
    (witregel)’

    Toch zou het jammer zijn om Heldinnen om die reden terzijde te leggen. Zambreno doet iets belangrijks. Ze leert vrouwen-van autonoom te zijn en hun echtgenoten eventuele superioriteitsgevoelens ter discussie te stellen.

  • Een eenzaam leven

    ‘Ik verzin levens’ zegt beeldend kunstenaar en schrijfster Joke van Vliet in een interview. Dat wil niet zeggen dat niets echt gebeurd is in haar eerste roman Niets is echt gebeurd, integendeel. Een bezinksel van zoekende mensen vormt de klei waarmee haar fictieve personages gekneed zijn. Dat levert een duizelingwekkend verhaal op dat start met de traumatische jeugdervaring van hoofdpersoon Daan en dat een zoektocht is naar een eigen weg in het leven. Een weg die bezaaid ligt met onzekerheid en vragen over moederschap en talent, kunst en schoonheid en met gemis, pijn, verdriet en eenzaamheid.

    De fabel van het verhaal is de volgende: Daan, eigenlijk Danaë, den Dolen woont in een rijtjeshuis met haar vader en moeder. Moeder is professioneel fluitiste, vader werkt als modelfotograaf in een eigen studio. Als Daan negen jaar jong is verlaat moeder het gezin. Daan denkt dat dat haar schuld is. Vader verkoopt het huis en Daan en vader gaan in de fotostudio wonen waar Daan al gauw bij zijn werk betrokken wordt. Ze gaat later naar de fotovakschool. Als haar vader jaren later in een verpleeghuis overlijdt, trekt Daan in bij zijn laatste verpleger Don. Daan wordt min of meer tegen haar wil moeder en huisvrouw. Het dochtertje wordt in de roman consequent enigszins afstandelijk ‘de baby’ en ‘het kind’ genoemd. Daan en Don raken steeds verder van elkaar verwijderd. Als ‘het kind’ negen jaar is, verlaat Don na verwijten van Daan en een knallende ruzie het gezin. Hij laat een afscheidsbriefje na: ‘Zeg Finne dat ik van haar houd’. Daan raakt de weg kwijt, verwaarloost zichzelf en haar kind. Het boek begint als Daan zich in die deplorabele toestand bevindt. Ze maakt al snel duidelijk dat ze een afschuwelijke daad heeft begaan die ze niet meer ongedaan kan maken.

    Verstikkende kinderliefde

    De 25 korte hoofdstukken van de roman beschrijven vanuit Daans huidige hallucinante perspectief fragmentarisch en niet-chronologisch het thema moederschap. Daan bevraagt haar eigen schuldig leven en zoekt naar waarheid en betekenis. Moeder maakte thuis altijd muziek en wilde niet gestoord worden, alleen poes Babushka mocht even langskomen. Dat de poes zo heet, is overigens niet zonder betekenis, zoals niets in deze roman. Babushka is Russisch voor grootmoeder en is de benaming die in Nederland gebruikt wordt voor de matroesjkagelukspoppetjes. Moeder, Daan en Finne zijn in feite ook drie van die poppetjes. In Daans beleving en herinnering is haar ‘slechtheid’ de oorzaak van haar moeders vertrek, zij heeft bijvoorbeeld een keer de gaatjes en het mondstuk van haar moeders fluit vol met klei gestopt. ‘Ze was een manipulatief diertje dat alles opeiste’ overdenkt ze nu. Vader zegt op zijn sterfbed dat moeder heeft gekozen voor haar talent en haar carrière, voor haarzelf dus, omdat zij sinds Daans geboorte niet meer kon fluiten zoals ze wilde en het niveau niet meer haalde. ‘Een kind zonder haar ouders gaat dood,’ zegt Daan later tegen een buurvrouw, om vervolgens met haar dochtertje in een soortgelijke spagaat tussen een eigen leven en een leven in dienst van een kind te belanden. Ze voelt zich na de geboorte van haar dochter zowel een gekooide tijger als een parkietje dat op een stokje zit te wachten tot het jong groot genoeg is. Het loopt niet goed af met moeder en dochter.

    Van Vliet snijdt een belangrijk en actueel thema aan met het moederschapsjuk. Het is een gegeven waar veel vrouwen die een eigen (werkzaam) leven willen leiden mee te maken hebben. Sommigen, zoals Charley Toorop of Andreas Burnier besteedden hun kinderen als ‘ontaarde moeders’ uit om te kunnen werken, anderen, zoals de vroegtwintigste-eeuwse Amsterdamse Joffers als Coba Ritsema en de latere Jeanne Bieruma Oosting kozen er bewust en nadrukkelijk voor alleenstaand en kinderloos te blijven. En niet alleen kunstenaarsvrouwen hebben hiermee te maken. Teddy Tops recent verschenen roman Egelskop gaat over niet-ontwikkeld vrouwentalent door opgelegd huisvrouwen- en moederschap en één van de ‘B’s’ van de recente Zuid-Koreaanse 4B-beweging (B = ‘ni’ oftewel ‘nee’) zegt ‘nee’ tegen het moederschap om eigen ruimte voor vrouwen te behouden.

    Daan heeft van jongs af aan een zogenoemd lui oog. Later verliest ze door een vuiltje in haar andere oog ook daarin het zicht en is ze nagenoeg blind. In deplorabele toestand ploetert ze zich uitgehongerd een weg door een langzaam maar zeker totaal vervuild huis, wat onbeschrijflijk sinistere scènes oplevert in een decor van ratten en kattenpoep, geschreven in een gedetailleerde, filmische stijl. Het wel of niet zien speelt een grote rol in de roman. Daans vader zegt dat Daan ‘het oog’ heeft, van een vakfotograaf bedoelt hij, Daan beschrijft de ogen van haar moeder zoals ze in een verte staarden toen ze voor haar vertrek fysiek nog bij het gezin was. Er worden gitgele meeuwenogen genoemd, de argwanende ogen van poes Maria, grotvissen zonder ogen. Partner Don sluit als verpleegkundige in het hospice duizenden ogen.

    ‘Wie noemt zijn kind nou Danaë, naar een cycloop?’ vraagt Daan zich af. Is Daan ook wat dit betreft in de war, of vergist de schrijfster zich hier? Danaë is in de Griekse mythologie geen cycloop. Wel zijn er parallellen met de mythologische Danaë in Niets is echt gebeurd.

    Schoonheid, talent en moraal

    De roman bevat heel veel betekenisdragende elementen. Er valt werkelijk geen mus dood van het dak zonder betekenis, of het nu een moedervlek is, een abrikozenpit, een oehoeënde uil, insecten, aanraking en zintuigen, de Etna en lava, een ballerinapopje of verschrompeld fruit, gebladerte, fossielen, medicijnen, het heelal, ruimtehond Laika of de Bijbel. De naam van poes Maria verwijst naar Daans moeder, over wie Daan zich op een moment afvraagt of zij misschien niet meer dan een verschijning was, zoals Maria voor Bernadette. Schoonheid en (onbetrouwbare) herinneringen zijn de belangrijkste motieven. ‘Een mens moet voortdurend op zoek naar schoonheid,’ zegt Daans moeder, ‘de rest doet er niet toe.’ Daan vraagt zich vervolgens af wat schoonheid eigenlijk is, of die werkelijk iets teweegbrengt en of dat belangwekkender is dan thee schenken, veters strikken, een enkel kind verzorgen? Tegelijkertijd leert ze dat talent niet vrijblijvend is en dat ook zij dus iets met haar talent zou moeten doen.

    Draait het in het leven om de zoektocht naar goed of fout of bestaat dat onderscheid niet en zijn goed en fout slechts afspraken, vraagt Daan zich af. Is een mens vrij om zijn eigen moraal te bedenken? Door haar poging het beter te doen dan haar moeder, is het Daan niet gelukt om van haar te leren, constateert ze met terugwerkende kracht. Het liefst zou ze als een vlinder naar een volgend stadium groeien. En zo voelt ze zich uiteindelijk: als een vlinder die ontwaakt uit zijn overwintering, verleid door een reepje binnenvallend licht – als in de fotostudio van haar vader en als op de omslag van het boek.

    In 2022 debuteerde Joke van Vliet met de verhalenbundel Wanneer de herten komen. De werkelijkheid omvat meer dan zijn feitelijke beschrijving, zei ze toentertijd over de verhalen in die bundel. In deze roman is dat zeker ook het geval, wat versterkt wordt door een beschrijving die sterk inzoomt op heftige gebeurtenissen. Het is en blijft de vraag, niet alleen voor Daan, wat uit de romanwerkelijkheid echt gebeurd is. Dat Daans strijd en gedrag mededogen oproept is een verdienste van de schrijfster die in een zelfbewuste stijl met veel verbeelding een werkelijkheid creëert die bij tijden surrealistisch aandoet, maar ook meeslepend en overtuigend is.

     

  • Monument voor een vriend

    Willem Otterspeer schreef een biografie over dichter, schrijver, criticus, programmamaker en boekenmens pur sang Michaël Zeeman (1958-2009). Otterspeer dekt zich van tevoren terdege in: hij en Zeeman waren goed bevriend, wat vragen kan oproepen over de vereiste objectiviteit. Als we dat gehad hebben kan de lezer al snel constateren dat de vriendschap de biografie vooral warmbloedig maakt: goed geschreven, betrokken en liefdevol. Wat ook snel duidelijk wordt is dat we met een hoofdpersoon te maken hebben die alles is behalve gewoon. En dit maakte Zeeman ook raadselachtig. Otterspeer schreef de biografie om zijn vriend te begrijpen. Aan het slot van hoofdstuk een wordt de lezer flink nieuwsgierig gemaakt: ’Zijn leven was lezen, zijn lezen schrijven, zijn schrijven schandaal. Elke minuut ervan was boeiend.’

    De grote gebeurtenis in Zeemans leven was de arrestatie in 1986 op verdenking van grootschalige boekendiefstal. Die zou hebben plaatsgevonden gedurende de jaren dat Zeeman werkte bij boekhandel De Tille in Leeuwarden. Wat de een beschouwde als verduistering, was voor de ander een uitbetaling in natura, in alle openheid, ter compensatie van gewerkte overuren en opgeofferde vrije dagen. De administratie van een en ander bleek een gatenkaas, voor zover deze überhaupt werd bijgehouden.

    Zeeman werd opgesloten en intensief verhoord. Toen hij onverwacht na enkele dagen werd vrijgelaten realiseerde hij zich twee dingen: dat hij niet ‘gewoon’ meer wilde zijn, geen burgerman, en het belang van vriendschap. Otterspeer behandelt deze cruciale episode uit het leven van Michaël Zeeman indringend. Na langdurig procederen kwam een veroordeling er uiteindelijk niet. ’Hij heeft het niet gedaan maar hij heeft het ook niet niet gedaan,’ aldus Otterspeer. Dat de affaire Zeeman blijvend heeft beschadigd wordt overtuigend duidelijk.

    Slaag en vrouwen

    Michaël Zeeman was een domineeszoon. Het intense gevoel voor taal en boeken ging van de vader op de zoon over. Tot in kerkdiensten en uitvaarten imiteerde de kleine Michaël zijn vader, met zijn zusjes als toehoorders en deelnemers in het spel. Overigens werd de verstandhouding met de ouders met de jaren slechter en slechter: steeds meer gekenmerkt door afstandelijkheid en onbegrip, en gelardeerd met veel slaag.

    De liefde komt in Zeemans leven: hij stort zijn hart uit bij de vrouw die door biograaf Otterspeer wordt aangeduid met de letter ‘M.’ omdat zij niet herkenbaar in het boek wil figureren (ze is de enige niet). Ze wordt overladen met post, vol van hartstocht en (beschouwingen over zijn) belevenissen. Na verloop van tijd echter rest de illusie. Er volgen andere vrouwen en al snel is een patroon herkenbaar: van overrompelend en liefdevol geluk, met als keerzijde een verstandhouding die al snel zwaar te lijden heeft onder Zeemans angstaanvallen, gewelddadigheid en ontrouw.

    In diverse functies ontwikkelt Zeeman een tomeloze inzet. Als boekhandelaar en uitgever, als bestuurder/organisator bij de Rotterdamse kunststichting, als initiatiefnemer voor literaire projecten in Leeuwarden, als student-assistent bij de opleidingen Filosofie in Utrecht en Groningen. Het duizelt de lezer geregeld, want daarnaast schreef Zeeman ook nog toneelrecensies, literaire kritieken en poëzie. Vanaf begin jaren negentig van de twintigste eeuw fungeert Zeeman als chef kunst bij de Volkskrant en ook daar was zijn inzet groot. Hij maakte plannen, ontvouwde perspectieven en visies, schreef zelf bovenmatig veel. En hij stelde hoge eisen aan zijn collega’s.

    Fascinerende schelm

    Biograaf Otterspeer dist het allemaal smakelijk en meeslepend op. Zeeman en de poëzie. Zeeman en het proza. Zeeman als televisiepersoonlijkheid. Geregeld vat Otterspeer samen, of herneemt hij het voorafgaande, vaak compact en overtuigend, met af en toe een cliffhanger. Het is bijna verslavend om zinnen te lezen als ‘Kwetsbaarheid is de kwintessens van zijn poëzie’ of ‘… die vreemde combinatie van zelfkennis en zelfmisleiding die bij Michaël, door de intensiteit en omvang ervan, een wezenskenmerk is’ of ‘ambitie was het product van zijn talent, faalangst het resultaat van zijn opvoeding. Met elkaar vermenigvuldigd leverden ze de fascinerende figuur van de schelm op (…) die bluf tot kunst- en levensvorm maakte’.

    Overigens verliep Zeemans werkzame leven bij de Volkskrant inderdaad tumultueus. Een sleutelroman waarin collega’s voor sommigen herkenbaar optraden leidde tot spanningen die niet Zeemans vertrek tot gevolg hadden, maar een functie elders. En niet tot Zeemans verdriet: hij werd cultureel correspondent te Rome.

    Geliefde dode

    Al lezende leren wij Michaël Zeeman aan Otterspeers hand beter en beter kennen: als veelgevraagd presentator en gespreksleider, als bibliomaan, als denker en publicist over Nederlandse identiteit, over de rol van de elite, over het multiculturele vraagstuk. Indrukwekkend bij dit alles zijn Zeemans toewijding en radicaal internationale oriëntatie. Maar Zeeman was ook een intrigant, die er behagen in schiep conflicten op te stoken. Zijn verhoudingen met vrouwen waren complex, om het vriendelijk te zeggen. Hij was romantisch, genereus en veeleisend, hals over kop straalverliefd en vroeg of laat toch weer verveeld, jaloers, ontrouw.

    Vooral toch was Zeeman erudiet, belezen, creatief, onconventioneel en onstuitbaar. Zijn veel te vroege dood op 50-jarige leeftijd, als gevolg van een ruim twee maanden daarvoor vastgestelde hersentumor, treft de lezer als een aangrijpend verlies, omdat er nog zoveel gaande was, omdat dit leven nog niet af was.
    Wat wel af is is dit bijzondere, rijke boek over een bijzonder mens. Samen met een eerder samengestelde keuze uit Zeemans artikelen, verschenen in 2010, vormt de biografie een monument voor een geliefde en bewonderde dode. Deze biografie over zijn vriend Michaël Zeeman, aldus Willem Otterspeer, ‘maakt de complexiteit van het verschijnsel mens duidelijk. Zoiets gaat niet ten koste van de vriendschap, maar is er het bewijs van.’ Waarvan akte.

     

  • Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels

    De omvang van de wereld is alweer de veertiende roman van de Portugese schrijver António Lobo Antunes (1942) die Harrie Lemmens naar het Nederlands heeft vertaald. Deze keer betreft het echter het sluitstuk van dat imposante oeuvre (Lobo Antunes schreef er ruim 30): deze roman uit 2022 is de laatste voordat de eerste tekenen van dementie zich bij de schrijver manifesteerden.

    Zoals in bijna alle romans van Lobo Antunes volgen we ook hier de gebeurtenissen via meerdere personages. Het verhaal draait om een 77-jarige industrieel die nu hij ziek is zijn dood voelt naderen. Als jonge man heeft hij een kind verwekt bij een van de arbeidsters uit het bedrijf van zijn vader. De dochter die uit deze verbintenis is voortgekomen is het tweede personage. Dan is er de jonge vrouw met wie de industrieel samenwoont, het derde personage. Zij heeft een relatie met een advocaat, de vierde persoon, die haar helpt voorbereidingen te treffen om zoveel mogelijk geld uit de nalatenschap van de industrieel te krijgen als deze komt te overlijden.

    Verwijt

    ‘Het hoogste wat het leven ons in het algemeen geeft, is een zekere kennis van dat leven, die veel te laat komt’. Dit citaat uit een van de columns van Lobo Antunes dat Harrie Lemmens aanhaalt in zijn nawoord, illustreert perfect het hoofdthema van De omvang van de wereld. Terugkijkend op zijn leven verwijt de industrieel zijn zwakte als jonge man; hij durfde zijn hart niet te volgen en koos niet definitief voor zijn geliefde en zijn dochter, bang als hij was voor de consequenties van zijn vader die deze verbintenis afkeurde. ‘Haal het niet in je hoofd om je eigen leven en dat van de zaak te vergallen vanwege een of ander mokkeltje met wie je je nergens kunt vertonen druiloor’. De positie die hij zijn dochter later geeft binnen het bedrijf komt voor haar als een schrale en te late troost; ze is al teveel vervreemd van haar vader, die ze in haar jeugd zo vaak heeft gemist: ‘mijn vader geen vader meer maar een meneer die ik nauwelijks kende’. De vader die in haar jeugd maar een keer per week op bezoek komt, altijd ongemakkelijk, hij blijft veraf.

    De passages waarin de dochter terugdenkt aan de momenten waarop ze met haar vader de speeltuin vlakbij het souterrain bezocht behoren tot de meest ontroerende van de roman, juist omdat die ontroering niet door sentiment wordt gecreëerd. ‘[… ] net zoals ik nooit heb gekeken als hij wegging uit het souterrain, dan pakte ik mijn vilten olifant en luisterde zittend op de grond naar zijn voetstappen buiten’.  Het is pijnlijk om keer op keer te lezen hoezeer ze haar vader heeft gemist ‘het aantal keren dat ik bij het parkje ben gaan kijken in de hoop u daar op een andere bank te zien zitten’. Nu is ze hard en verbitterd. Het is knap hoe Lobo Antunes tussen de verbittering door haar emoties toont. De liefde waar ze altijd naar hunkert. De vader die er wel maar vooral ook niet is. Tegelijkertijd wordt duidelijk hoeveel hij van zijn dochter houdt, en hoezeer hij haar altijd heeft gemist – die pijn is erger dan de pijn die hij nu fysiek voelt als langzaam stervende man.

    Bij al zijn beslissingen speelde ook mee dat hij bang was dat haar moeder – die inmiddels is overleden – alleen zijn geld wilde, maar uit alles blijkt dat de moeder vooral verbitterd is geraakt door de weigering van de vader om zijn leven werkelijk met hen te delen. Zijn geld hoeft ze niet. ‘Ik hoef geen aalmoezen ik ben je hoer niet’. De ouders hebben een haat-liefde verhouding: ‘vol haat en tegelijkertijd een en al glimlach, ze snauwde hem weg en greep zijn arm vast, duwde hem van zich af terwijl ze aan hem trok’.

    Armoede

    De jonge vrouw die met de industrieel samenwoont en de advocaat worden ook gedreven door de armoede die ze hebben gekend in hun jeugd, waarbij daarnaast voor de advocaat ook nog het cynisme komt van de praktijken waar hij zich noodgedwongen mee bezighoudt; ‘terwijl ik gegoede lui help bestaand geld te stallen in niet-bestaande landen’. Steeds schemert door dat de industrieel heel goed beseft wat de jonge vrouw en de advocaat van plan zijn, maar het lijkt hem niet meer te deren en onbeschaamd zetten zij hun plannen door, waarbij de advocaat steeds het initiatief neemt: ‘ik zette de bankrekening van mijn cliënte over op mijn naam en nee, daar zat ik niet zo mee, zo is het leven, de grote vissen eten de kleine en worden op hun beurt gegeten door nog grotere dieren’.

    ‘Eenzaamheid meet je af aan het kraken van de meubels’. Zoals in bijna al het werk van Lobo Antunes zijn er zinnen die als een mantra terugkeren, de gedachtes die het leidende motief vormen en waarop steeds meer wordt gevarieerd, als een terugkerend motief in een symfonie. Het beeld is prachtig en laat alle ruimte voor die variatie die hij zo nodig heeft en die zijn stijl zo kenmerkt, ‘gedreven door het dwingende verlangen om een vorm te vinden voor gelijktijdigheid en meerstemmigheid’, zo karakteriseert Harrie Lemmens deze stijl treffend. Dit uit zich in herinneringen, gedachtesprongen, wisselingen van perspectief, maar de kracht van Lobo Antunes is dat bij dit alles de focus altijd blijft op het verhaal dat hij wil vertellen.

    Herinneringen en eenzaamheid

    Ouderdom en eenzaamheid zijn twee leidende motieven on deze roman. In zijn portrettering van de industrieel heeft Lobo Antunes autobiografische elementen verwerkt, zo leren we uit het nawoord van Harrie Lemmens: mede doordat hij al eerder door kanker werd getroffen was die nakende dood voor Lobo Antunes een angstbeeld. En naarmate we ouder worden krijgen we natuurlijk steeds meer herinneringen: ‘God wat zit ik toch vol voorvallen van vroeger’, zo denkt de industrieel, en later ‘de tijd vernielt je lichaam langzaam’. Die herinneringen, en daarmee de eenzaamheid, spelen zich allemaal af binnen dat universum dat onze gedachtewereld vormt, voor de psychiater die Lobo Antunes vooral ook was, bij uitstek het terrein dat hem door en door bekend was. ‘We hebben allemaal iets nodig wat ons verbindt met het verleden en ons helpt te geloven dat we in zekere zin misschien gelukkig zijn geweest.’ Zijn werk als psychiater is niet strikt gescheiden van zijn literaire werk, maar loopt er direct in door, een vloeiende lijn. En bij die herinneringen, bij dat ouder worden, neemt de eenzaamheid alleen maar toe: ‘eenzaamheid is een traan van een waterkraan die door het donker vanuit de keuken tot hier komt’.

    António Lobo Antunes weet de diepere menselijke angsten, gevoelens en drijfveren altijd naar boven te halen. Zijn kracht ligt erin dat hij ogenschijnlijk ‘gewone’ levens weet uit te vergroten en zo een universeel karakter weet te geven, terwijl ze toch ook gewoon dat ogenschijnlijk ‘normale’ leven blijven. Ook in dit sterke sluitstuk van zijn oeuvre toont António Lobo Antunes aan dat hij tot de top van de wereldliteratuur behoort.