• Hoe belangrijk kleren voor ons zijn

    ‘Haal mij van deze hanger.
    Grijp mij uit deze kast.
    Laat mij hier niet hangen.
    Pak me beet. O, houd me vast.’


    Gedichten over kleding. Wellicht niet het eerste onderwerp waaraan je denkt bij het bepalen van een thema voor een dichtbundel. Maar Ted van Lieshout besloot om het wél te doen met
    Ommouw me. Het is een bundel vol gedichten, in beeld en taal, waarin hij betekenis probeert te geven aan hoe belangrijk kleren voor ons zijn. En wij voor onze kleren.

    […]

    Ommouw me, gedichten en portretten van kleding en schoeisel, staat er beschreven als je het boek openslaat. Maar daarmee doet de auteur zichzelf én deze bundel tekort. Het is buitengewoon mooie poëzie die raakt, doet verwonderen en kan helen. Een bundel die je leest, koopt of cadeau krijgt, en de rest van je leven met je meedraagt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Een groot niet-weten

    Omineus veranderen de letters van de titel Cassandra van een hecht weefsel uiteindelijk in een losse draad. Niña Weijers’ nieuwe boek is een gewaagde poging licht te brengen in de zaak Cassandra van Schaijk, een zeventienjarig meisje uit Almere dat in 2007 zoekraakte en drie weken later dood werd gevonden in de naburige Noorderplassen. Dat Weijers niet slaagt in haar opzet, is geen verrassing – zelfs Peter R. de Vries beet zijn tanden stuk op de kwestie. Het boek gaat dan ook meer over het schrijven over de zaak, dan over de zaak zelf.
    Na Stephan Sanders, Renate Dorrestein en Redmond O’Hanlon was Niña Weijers in 2020/2021 de vierde writer in residence in Almere. De opdracht was zich ‘door de stad te laten inspireren’ en een boek te schrijven over iets wat zich er afspeelde. De huisbaas van Weijers’ tijdelijke appartement wijst haar op de zaak Cassandra van Schaijk, die vijftien jaar na dato de Almeerse gemoederen nog altijd bezighoudt. 

    Na een avond stappen in een plaatselijke hardcorediscotheek komt Cassandra niet thuis. Een getuige heeft haar rond vier uur ’s ochtends op het busstation mee zien gaan met twee ‘Hindoestaanse’ mannen. Drie weken later wordt haar lichaam uit het water gehaald. De zaak is nooit opgelost. De twee mannen hebben zich niet gemeld. Zelfs de doodsoorzaak staat niet vast. Ook niet of het gaat om een ongeluk, moord of zelfmoord. Het is dat ‘gebrek aan bijna alles’ dat Weijers intrigeert. ‘Misschien is de vage belofte van een avontuur genoeg; iets specifieks om me in vast te bijten tijdens dat oeverloze najaar (in coronatijd – R.L.) waarin de wereld knarsend tot stilstand is gekomen.’

    ‘Het plan was concreet,’ schrijft Weijers. Zoveel mogelijk mensen spreken en documenten, archieven en het internet doorspitten. ‘Op die manier zou het verhaal zich min of meer als vanzelf openbaren: ik hoefde alleen maar goed op te letten en me te laten leiden door de werkelijkheid.’ Wie weet, fantaseerde ze met vrienden, vond ze wel iets dat de zaak in een klap oploste! 

    Ontspoorde terror-Helga

    Weinig pagina’s gaan verhoudingsgewijs over de zaak zelf. Logisch, omdat de feiten op een half A4tje passen. Uiteraard probeert Weijers als nieuwsgierig schrijfster meer te weten te komen over het slachtoffer. Cassandra van Schaijk blijkt dan iemand geweest te zijn met twee gezichten: de aardige, onschuldige tiener van de verspreide foto’s, met een bijbaantje achter de kassa van de Plus in Almere-Buiten, en een drugsgebruikend feestbeest dat zich in dubieuze, deels racistische kringen bewoog en zich op het internet presenteerde als ‘ontspoorde terror-Helga’ – de naam is te herleiden tot een stripverhaal uit de jaren zeventig met de naam Terror, waarin de nazikampbewaakster Helga een sadistische rol speelt. Het is de politie noch Weijers gelukt een aanwijsbaar verband te leggen tussen Cassandra’s dubbelleven en haar dood. 

    Weijers zoekt contact met allerlei betrokkenen. De vader en broer van Cassandra. De teamleider van het politie-wijkteam Almere Buiten. Een zekere ‘Ariana’, die zich bij de schrijfster meldt als ‘beste vriendin’ van Cassandra: ‘als je vragen hebt kunt u ze ook mij stellen’. Weijers spreekt af met een vooraanstaand persoon uit de Hindoestaanse gemeenschap, in de hoop meer te weten te komen over de twee mannen die Cassandra het laatst hebben gezien. Dan is er Desiree, een vriendin van Cassandra, die nog iets kan vertellen over de nacht van de verdwijning. Uit al die ontmoetingen komt ontmoedigend weinig bruikbare informatie. Weijers verwijst naar een essay uit 1925 van Virginia Woolf over het toneel van de oude Grieken, waarin Woolf spreekt over ‘het niet-weten, de onoplosbare dubbelzinnigheid’ als kenmerk van ‘de hoogste vorm van poëzie’. Je zou dit als een manmoedige poging kunnen zien van Weijers om haar verhaal over Cassandra op een hoger plan te tillen, los van de true crime boeken, films, tv-series en podcasts. 

    Worsteling van de schrijfster

    Daartoe doet Weijers uitgebreid onderzoek naar wetenschappelijke literatuur over ’true crime’, onopgeloste moordzaken en naar de traditie waar haar boek toe zou gaan behoren. Susan Sontag leert haar dat het verlangen naar misdaad en geweld zo universeel is dat je het nauwelijks morbide kunt noemen. Filosoof Slavoj Žižek legt uit dat er verschillende soorten geweld zijn: ‘Subjectief geweld, zoals dat van een misdaad, plaatst hij tegenover twee vormen van wat hij objectief geweld noemt: symbolisch geweld, belichaamd door de taal, en systemisch geweld, dat een gevolg is van de manier waarop onze politieke en economische systemen zijn ingericht.’ Weijers zoekt houvast in ‘intelligente journalistiek-literaire metareflecties als die van Janet Malcolm in The Journalist and the Murderer (1990), Emmanuel Carrères L’Adversaire (De tegenstander, 2000) en Helen Garners Joe Cinque’s Consolation (2004)’. Veel lezers zullen niet zitten te wachten op deze reflectieve uitweidingen, die onbedoeld een licht werpen op de worsteling van de schrijfster die hardnekkig op zoek is naar een verhaal dat groter is dan de onopgeloste verdwijning van Cassandra. 

    Op weer een ander niveau is Cassandra ook het verslag van het ‘schrijven’ van Cassandra en de impact die dat heeft op het leven van de schrijfster. ‘Omdat ik het zo langzaam doe, raakt mijn schrijven verweven met de tijd die het kost om te schrijven; het leven zelf krijgt alle gelegenheid erdoorheen te vloeien.’ En andersom ook (Weijers is zwanger ten tijde van het schrijven van het boek). ‘Al bleek één ding, telkens weer, verrassend eenvoudig: mijn buik, en later het noemen van mijn pasgeboren baby, wekte meer vertrouwen dan welke geloofwaardigheid die ik verder ook bezat als vrouw en schrijver.’ Zo zie je de schrijfster aan het werk, zonder omhaal, in alle eerlijkheid. Cassandra’s vriendin Desiree zegt dat het goed is dat ze over Cassandra wil schrijven. ‘Ik kan haar met geen mogelijkheid vertellen wat ik denk, namelijk dat het me hoe langer hoe ondoenlijker lijkt om zoiets voor elkaar te krijgen.’ Ergens anders: ‘(…) wat ik weet is omgeven door een nog veel groter niet-weten’. 

    Het kan haast niet anders of Niña Weijers heeft af en toe flink in de maag gezeten met dit aangenomen werk. Het optimisme waarmee ze begon en de veronderstelling dat veel bronnen lezen, diepgaande gesprekken voeren en goed opletten ‘vanzelf’ tot resultaat zou leiden, tot ontrafeling van een zaak die al vijftien jaar in de knoop zat, bleken al gauw een illusie. Maar ze zette door, zocht verder, liet zich niet uit het veld slaan, en schreef een mooi boek over de frustratie van het niet-weten, over leven en dood in Almere en vooral ook over de weerbarstigheid van het schrijven van een boek.



  • Liefdevolle lessen van een stervende zus

    Wie zonder enige voorkennis begint in Lentekind, kan lang de indruk hebben dat dit debuut van Harmen van Liemt enkel een coming of age-roman is van protagonist Woody Cohen. De proloog beschrijft de moeilijke bevalling waaruit hij wordt geboren. We volgen hem tot hij een jaar of zeventien is, maar dan zwenkt halverwege de roman het verhaal vooral naar de liefdevolle relatie met zijn zus Lara. Nog altijd is Woody’s persoonlijke groei het hoofdthema, maar die staat nu in directe relatie tot de omgang met de kanker van zijn twintigjarige zus.

    Het gezin Cohen wordt ondanks de nodige strubbelingen sowieso als een warm thuis beschreven met de ouders Simon en Lydia en, naast zus Lara, Woody’s oudere broer Ben. Door die wending halverwege kan de roman ook gelezen worden als een eerbetoon aan de zus. Zij is het lentekind uit de titel. Ze is in het voorjaar geboren en de lente is haar geliefde seizoen.

    Dan blijkt ook dat de indeling van de roman in vier delen, Lente, Zomer, Herfst en Winter alles te maken heeft met de ernstige ziekte van Lara die vier jaar duurt. Bij haar wordt longkanker geconstateerd als ze twintig is. Tot drie keer toe lijkt ze te herstellen, maar uiteindelijk sterft ze toch op haar vierentwintigste met het gezin om haar heen. Dat ziekteproces wordt in het deel Herfst beschreven in vier subdelen of cycli, die steeds uit één hoofdstuk bestaan.

    Autobiografische roman

    In dit deel wordt tevens duidelijk dat Lentekind in hoge mate autobiografisch is. Auteur Harmen van Liemt is de jongste broer van Floor van Liemt, die op haar twintigste longkanker kreeg en vier jaar later stierf. Zij publiceerde zelf in 2018 over haar ziekte Witte raaf – Je bent twintig en krijgt longkanker (begonnen als blog voor NRC) en stierf, net als Lara in Lentekind, op Oudjaarsdag 2021. Haar boek werd hier besproken.
    Beide boeken kregen hetzelfde motto mee van Hiëronymus van Alphen: ‘Ik ben een kind / door iedereen bemind / en voor het geluk geboren’. Lentekind werd bovendien opgedragen aan Floor. De seizoenen zijn op meer plekken een verbindende factor tussen Woody en Lara. Bij de geboorte van Woody beeldt zijn moeder zich in dat ze De Vier Jaargetijden dirigeert en als Lara en haar jongste broer in Florence zijn, bezoeken ze het Uffizi en vertelt zij, staande voor La Primavera
    van Botticelli, over de Metamorfosen van Ovidius.

    Lentekind is een eerlijk verslag van de geestelijke strijd van een opgroeiende jongen die aarzelend zijn homoseksualiteit ontdekt en van zijn zus leert echt te gaan leven. Eén van de mooiere verbindingen tussen de twee is dat zij beiden niet willen samenvallen met het etiket dat de omgeving hen opplakt. Woody is homoseksueel, maar wordt boos als iemand doet alsof dat zijn identiteit uitmaakt, net zoals Lara niet haar ziekte wil zijn, maar de vrouw Lara. Tegen het einde van haar leven gaat ze nog een liefdesrelatie aan met een man omdat daten met onbekenden voor haar voelt als beginnen met ‘een schone lei’.

    Chronologische opbouw

    Het kent een strikt chronologische opbouw. Dat doet de roman niet altijd goed. Door die werkwijze worden veel voorvallen uit het dagelijkse leven van Woody in opeenvolgende jaren verteld, zonder dat duidelijk wordt hoezeer die ervaringen hem in zijn latere leven vormen (uitzonderingen zijn gesprekken met theaterman Thibaud en met Valentijn, een vriend van zijn vader met wie Woody een tijd een seksuele relatie had) of welke repercussies deze hebben voor hem of andere personages. Een voorbeeld daarvan is de rol van het Joodse geloof. Vader is Joods, maar niet belijdend. Als een (vrouwelijke) rabbijn na een gesprek met Lara aan hem vraagt met zijn dochter over leven en dood volgens de Thora te spreken, wil hij dat niet. Daarop zegt ze hem dat dat niet haar wens is, maar die van Lara. Vervolgens wordt de lezer echter onthouden waartoe deze verwikkeling leidt.
    De auteur ontkomt er af en toe niet aan minder fraaie formuleringen te gebruiken als, ‘Toen de deur openging, voelde hij dat het zijn moeder was, en dat klopte ook’. Of: ‘Tranen stroomden over haar wangen, ontlading van zoveel emoties door elkaar’. Lentekind had iets meer ‘show, don’t tell’ kunnen gebruiken.

     

     

  • Originele manier van vertellen van een tof wijf

    Kun je spreken van ‘lillende prozagedichten’? Volgens het woordenboek wordt ‘Lillen’  gebruikt bij het beschrijven van ‘een weke massa die in schuddende beweging is’, waarbij de gedachten meteen uitgaan naar een klassieke drilpudding met gelatine, of naar een dampende hoop ingewanden van een pas geslacht kalf. Maar in het voorwoord van de debuutbundel van Geraldine Suijkerbuijk, Het leven is geen ponykamp, wordt die omschrijving aan haar gedichten gegeven. Het is geen adjectief dat uitnodigt om de bundel te gaan lezen. Wie dat toch doet, ontdekt dat de bundel is samengesteld uit prozagedichten: kleine verhaaltjes zonder titel, miniaturen, tafereeltjes die over twee of drie pagina’s in een kolom zijn gezet, een enkel gedicht in de vorm van een aforisme dat apart staat.

    De pagina’s zijn niet genummerd, maar de 123 gedichten wel. Ze lijken wat inhoud betreft op bladzijdes uit een dagboek, waar bijna elke dag in geschreven wordt over alles wat de dichter heeft meegemaakt en verwerkt. Dat wordt nog versterkt door beginregels als: ‘Even niet geschreven’ en ‘Ja, daar ben ik weer’. Het zouden brieven kunnen zijn, gericht aan een correspondentievriendin, of een gesprek aan een tafeltje in de kroeg waarbij je slechts een spreker hoort. De bundel is prachtig vormgegeven door Steven Oost, met een kunstwerk van Marcel Herms als omslag, dat uit te vouwen is tot postergrootte.

    Verstrijken van de tijd

    De steeds terugkerende onderwerpen zijn de overleden vader, ‘de man die rauwe bonen zoet maakte’ en hoe erg hij door de dichter gemist wordt, haar zoon Storm, haar hond Rav, ‘Een hond die voor 1 dag niet zijn aars/ zat te schaven aan een prinsentapijt’, haar liefde voor wijn en zelf gedraaide gehaktballen, maar vooral haar uitbundige levensstijl.

    De gedichten bestrijken een aantal jaren: de zoon van wie in het begin verteld wordt dat hij 16 jaar is, start aan het einde van de bundel met zijn twintigste levensjaar. Ook de mededeling ‘ik ben inmiddels 5 badmatten en 4 banen verder’ geeft in gedicht 33 het verstrijken van de tijd aan. 

    Deze bundel is een kennismaking met een vrouw die haar eigen leven leeft en daarvoor geen excuses maakt, met ‘te veel gedachten en van het leven genietend’. Ze heeft een baan in de bibliotheek in Eindhoven als ‘ongeorganiseerde biebmiep’ waar ze geniet van de aanblik van studenten die er komen werken, maar dat gevoel meteen weet te relativeren: ‘[…] Een diepe buiging/ voor alles wat hier nu voorbijloopt. Op/ een enkeling na.’ Elke morgen als ze opstaat, kijkt ze naar de tekst die boven haar bed hangt en die de titel verleende aan deze bundel. Ze heeft vriendinnen, gaat op vakantie, maakt zich zorgen over haar uiterlijk. Ze beschrijft haar dagelijkse leven en maakt de lezer deelgenoot van de gevoelens en gedachten die terugblikkend op de dag bij haar opkomen. Daarbij lijkt ze nauwelijks aan een lezer te denken en lijken de gedichten puur voor eigen plezier te zijn geschreven.

    Vrolijke chaos

    Het zou niet veel om het lijf hebben als Suijkerbuijk niet zo’n originele manier van vertellen had, zo sprankelend en los dat je meteen bevriend wilt raken met zo’n tof wijf. Alle gedachten en invallen van Suijkerbuijk buitelen in vrolijke chaos door de gedichten heen, alsof ze voorbeelden zijn van automatisch schrijven, zonder vooropgezet idee. Ze zet gewoon op papier wat er in haar hoofd opkomt. Een fragment uit gedicht 50 illustreert dit:

    ‘[…] Ik zeg, ontkurk
     en omarm het leven. Maak een flikflak
     over die kutpoortjes op het station als
     je geen OV hebt en toch naar de andere
     kant moet. Houd je toilet schoon. Dat
     maakt mijn hoofd ook zuiver. Ik ben
     Pippie Langkous falderie faldera.
     […]
     Ik ben net als onkruid, overal.’

    Op een grappige manier weet Suijkerbuijk mensen, dieren en dingen beeldend te beschrijven: haar aanbeden hond is ‘een bruine blafgod’ en een vrouw met ‘een anitameijerkapsel’ staat je meteen voor ogen. Pubers ‘ruiken de/ lente en dat voelen ze in hun boxers.’ Haar taalgebruik is origineel en vloeiend, alsof het haar geen enkele moeite heeft gekost om te schrijven. Zo is bijvoorbeeld haar brief aan Sinterklaas een mooi voorbeeld, al is het gedicht te lang om hier in zijn geheel te citeren. ‘Lieve Sint, mocht je echt bestaan en / mij het voordeel van de twijfel geven, / dan heb ik best een leuk verlanglijstje / voor je. Iets waar je je best voor moet / doen. Maar na een turbulent jaar vind / ik dat ik het wel verdien om de gekste / cadeaus te krijgen. // […] // […] Dat mijn hond geen / salto meer maakt in een mesthoop / en dat mijn vriend nieuwe wervels krijgt. // […] // Wil je mijn tandarts vragen nooit / met pensioen te gaan Sint? Een / robotstofzuiger hoef ik niet, want / stofzuigen hoort bij mijn primaire / Levensbehoeftes.’ Waarna ze, nadat ze allerlei buitenissige wensen genoemd heeft, eindigt met:

    ‘Morgen komt de schoorsteenveger,
     dus dat gat moet niet echt lastig zijn.
     Vol verwachting klopt mijn hart.’

    Optimisme en levensvreugde

    De dichter wisselt drama af met nuchterheid, liefde met boosheid, hoogdravendheid met platvloerse uitdrukkingen. De gedichten zijn soms kinderlijk en speels, laconiek en filosoferend tegelijk, maar door alles heen klinken een overweldigend, niet klein te krijgen optimisme en levensvreugde en dat is het wat deze bundel zo aantrekkelijk maakt. Je kunt je als lezer afvragen of dit wel een gedichtenbundel is, en of het waar is dat een gedicht een gedicht is als de dichter zegt dat het een gedicht is. Je kunt je afvragen of er niet te veel clichés en platitudes in staan: ‘Kleine kinderen, kleine zorgen, grote/ kids, grote zorgen. Geen kids weinig/ zorgen. Ik had hem voor geen goud/ willen missen. En bloed kruipt toch/ waar het niet gaan kan.’ Je kunt je afvragen of het niet steeds over hetzelfde gaat, dode vader, hond, buren, eten, alledaags leven, maar je moet je gewonnen geven door die bruisende levenslust. De humor en de zelfspot van de dichter nemen je ogenblikkelijk voor haar in, evenals haar ontwapenende eerlijkheid, al is het wel veel wat er op je afkomt, want Suijkerbuijk ratelt maar door zonder adem te halen. Het is even wennen, maar uiteindelijk lees je door, omdat je alles van haar wilt weten. Gedoseerd lezen is het advies.


    Het leven is geen ponykamp is verkrijgbaar bij Uitgeverij Petrichor.

     

  • Soms moet je je gedachten poetsen

    De twaalfjarige Veertje leefde meer dan honderd jaar geleden. In die tijd stopten veel meisjes noodgedwongen met school om te gaan werken als dienstmeid. De weg naar morgenochtend gaat over de nacht voorafgaand aan Veertjes eerste werkdag. Het is een beeldverhaal, gevat in illustraties en tekstballonnen, dat Joke van Leeuwen creëerde ter herinnering aan haar oma, die ook zonder diploma’s door het leven ging.

    […]

    Sinds 1980 heeft Van Leeuwen vrijwel alle Nederlandse en Vlaamse literaire prijzen in ontvangst genomen. De auteur, illustrator, dichter en performer ontving voor haar oeuvre de Theo Thijssenprijs, de Gouden Ganzenveer én de Constantijn Huygensprijs. Dat ze na zoveel jaren vakmanschap nog steeds kan verrassen, bewijst de Haagse duizendpoot met De weg naar morgenochtend.

     

    Lees de recensie op Jong Literair Nederland.

  • Verrassende en wijsgerige roman

    In zijn fascinerende nieuwe roman Over het zwijgen bewijst de jonge, gelauwerde auteur Roelof ten Napel opnieuw dat hij een fijnzinnige en onderzoekende schrijver is. Roelof laat in deze korte roman de dichteres Marie Verhulp eindeloos over zichzelf en over de relatie met de mensen om zich heen nadenken. De lezer cirkelt vanuit allerlei invalshoeken mee rondom de vraag wie zij is. Marie is geen mens uit één stuk die een vlotlopend verhaal over zichzelf kan vertellen. Ze stelt iedere fixatie van haar persoonlijkheid uit. Ze is echter bepaald geen meeloper of windvaantje. Ze heeft een geheel eigen kijk op de dingen en doet aan continue introspectie. Ze noemt zichzelf een plaats waar gedacht wordt, waar indrukken zich vasthaken. In een metafoor: ze is een plek in de bocht van en rivier waarin allerlei door het water meegesleept materiaal blijft liggen.

    De roman is opgebouwd uit korte hoofdstukjes met een titel die begint met het voornaamwoordelijk bijwoord ‘waarin’. Het zijn momenten uit haar leven, waarin ervaringen, gevoelens en gedachten van Marie beschreven worden die het bouwmateriaal zijn van haar persoon, maar nooit tot een afgewerkt geheel worden geassembleerd. Belangrijk is de betekenis van metaforen. Niets bestaat op zichzelf. Alles lijkt op iets anders of wordt door iets anders beïnvloed. Typerend is het veelvuldig gebruik van het voegwoord ‘alsof’. Ze vergelijkt zichzelf met mensen, kunstwerken, etenswaren, waarvan de metaforiek gebruikt wordt om een beeld te geven van het innerlijk van Marie. Zoals er bijvoorbeeld wit tussen woorden en zinnen zit, ruimte tussen twee hapjes eten op een bord, blauwe stukken tussen de wolken, zo is er leegte tussen de verschillende aspecten van haar identiteit. Die leegte is essentieel. 

     Zwijgen beter dan schrijven

    Marie Verhulp zocht als kind naar haar identiteit met behulp van het schrijven van gedichten. Het zijn voor zichzelf gemaakte notities waarin ze haar diepste zelf probeert te formuleren. Haar vader noemt haar notities gedichten en neemt ze serieus. Ook anderen doen dat, want haar bundels worden onderscheiden met de hoogst mogelijke prijzen. Na haar derde bundel zwijgt ze echter, twintig jaar lang. Aan de jongeman Herder, die een geschreven portret van haar probeert te maken, noemt ze diverse oorzaken van dat zwijgen. Maar de belangrijkste noemt ze hem niet. Marie is na drie bundels van mening, dat zwijgen beter is dan schrijven. Ze herinnert zich een wezenlijk moment. Wandelend in een bos liet ze, door op een tak te stappen en die te breken, een hert schrikken. Uit haar ooghoek zag ze een flits van een wegschietend hert. Deze ervaring heeft ze niet aan anderen verteld en ook niet opgeschreven. Daardoor bleef die ervaring van haarzelf en van niemand anders en kon ze er telkens naar terugkeren.

    Na twintig jaar zwijgen begint Marie opnieuw te schrijven. Ze verzamelt fragmenten waarin ze orde aanbrengt. Van tijdsvolgorde is nog steeds geen sprake. Het blijven brokstukken, ‘met leegte ertussen, maar samengehouden door een dwingend ritme en een hechte klank.’ De bundels zijn opnieuw succesvol. Daarmee is het verhaal echter niet voorbij, zo van ‘eind goed al goed’, want Marie gelooft daar niet in. Ze geeft les en denkt na, blijft een nauwkeurige observator die toevallig ook schrijft als weerkaatsing van wat ze opmerkt en ziet. En ze ziet heel veel en merkt veel op, telkens op zoek naar de nuance. 

    De vader en de filosofie

    Naast identiteit is opvoeding een belangrijk thema in deze roman. Wat heeft de opvoeding van een kind voor invloed op het latere functioneren? Marie’s vader stierf op jonge leeftijd. Hij stimuleerde haar en stond aan de wieg van haar dichterschap. Hij zorgde ervoor dat ze ‘bedachtzaam’ schreef en elk woord woog. Zijn plaats werd bij haar ingenomen door de filosofie. Ze leest filosofen als Pascal, Plato en Kierkegaard, die onder woorden brengen wat ze denkt of die haar aan het denken zetten. Maar zij ontwikkelt geen schabloon voor het leven en komt tot de overweging dat het zonder betekenis is of kan worden gezien. Als er af en toe iets van betekenis oplicht is dat al genoeg. Ze is wie ze in haar manier van denken. Toch zijn ook haar jeugd en opvoeding niet zonder wrijving geweest. Heel mooi is het dat ze die wrijving niet kenmerkt als het resultaat van bewuste handelingen, maar als het gevolg van een som van misverstanden. Haar oudere broertje Wouter sloeg haar, maar haar vader bemerkte dat zij hem nooit uit liet spreken. Het slaan was een ultieme poging om gehoord te worden. 

    Als docent geeft Marie op haar beurt weer door wat ze van haar vader geleerd heeft. Ze geeft een college met de titel ‘Ervaring als methode’. Wie zou niet zo’n college willen volgen van iemand als Marie die uiterst subtiel en gevoelig haar studenten begeleidt en met hen een intellectuele relatie aangaat om ze verder op weg te helpen. Zo legt ze bijvoorbeeld uit wat het verschil is tussen kennis en ervaring en hoe vanuit ervaring kennis kan ontstaan. Op welk moment wordt een beschrijving meer dan een eigen indruk? Hoe geeft ervaring waarheid prijs? Ervaring is de kennis van één enkel mens. Kennis is de herhaalde waarneming van vele mensen. Ze begint het college met een voorbeeld, een vraag. Wat is het verschil tussen een stoel en een kruk? De rugleuning. Neem je de rugleuning weg dan wordt een stoel een kruk. De studenten moeten inzicht als een delfstof leren zien, eigen ervaring als een groeve. En zo staat het boek vol met prachtige vergelijkingen en zinnen. 

    Originele observaties

    Heel bijzonder is Marie’s begeleiding van studente Rachel in wie zij veel herkent van zichzelf. Als ze beschrijft hoe Rachel denkt, lijkt het alsof ze een zelfportret schrijft. Ze omringt haar met goede raad en advies en is betrokken. Het is onvoorstelbaar dat zo’n jonge schrijver als Roelof ten Napel (1993) dit rijpe en wijze boek heeft geschreven.

    Over het zwijgen verrast met originele observaties en intelligente doorzichten, zonder dat het belerend wordt. Het is een verademing, een antigif tegen oppervlakkige presentaties op sociale media, in een paar steekwoorden of foto’s. Oppervlakkige self-exposure is de kurk van ons sociale leven geworden. Marie woont liever in het uitstellen van dingen en heeft geen behoefte zichzelf in een paar woorden te presenteren, al is ze paradoxaal wel duidelijk herkenbaar voor anderen. Een persoonlijkheid verraadt zich altijd, evenals ieder boek van een schrijver het stempel van de schrijver verraadt, zo ook dit boek van Roelof ten Napel. De uitgestelde identiteit van Marie uit zich in voorzichtigheid en zorgvuldigheid ten aanzien van zichzelf en de dingen om zich heen. Ze annexeert de wereld niet, maar laat die doorklinken in haar woorden als dichteres en haar gedrag als docent.



  • Krachtig essay-debuut

    De wereld een lichaam is het opmerkelijke essay-debuut van Melani Reumers, waarin zij zichzelf onderwerpt aan een intrigerend en diepgaand onderzoek. Aan de hand van haar eigen lichaam, dat van vroeger en nu, legt ze verbanden met de literatuur, filosofie en de kunstwereld. Reumers is gefascineerd door haar eigen lichaam, zonder dat het klef of ijdel wordt, integendeel ze bekijkt zichzelf objectief en schuwt de zelfspot niet. Ze verdeelt haar zoektocht over vijf hoofdstukken: Lichaamsdelen, Verlengstukken, Sporen en projecties, die worden afgewisseld met Waterwezen I en II.

    In Lichaamsdelen bouwt ze uit een bouwpakket met tien kartonnen platen het menselijk geraamte. Ze krijgt er een instructieboek met tekeningen, een plastic zakje met honderden splitpennetjes en een paar haken bij en kan beginnen met de wervelkolom. Al knutselend, wat soms moeizaam gaat, dwaalt ze af naar haar eigen lichaam. ‘Ik houd van botten. In mijn eigen lijf vind ik het fijn om ze te zien en te voelen: wervelkolom, borstbeen, ribben, sleutelbeenderen. In mijn beeldhouwtijd deden mijn meest geslaagde beelden denken aan botten.’ Reumers ontleedt het bot en benoemt de verschillende vormen – zoals hamer, aambeeld, stijgbeugel – en komt verder associërend uit bij muziektheatergroep Bot. Ze eindigt in een abattoir waar ze een paardenkaak haalt, dit ontdoet van vleesresten en schoon schuurt om er een quijada van te maken, een percussie-instrument, wat haar een brug naar een bizar verhaal van de Argentijnse schrijfster Mariana Enriquez geeft.

    Langzaam vordert het kartonnen skelet, dat ze nu Kas (van karkas) noemt, aan zijn haak in haar woonkamer. Ondertussen maakt ze uitstapjes naar gerelateerde onderwerpen. Het anatomisch museum Vrolik in het AMC bijvoorbeeld. Waar de lege oogkassen haar aanstaren en de skeletontwikkeling van foetus tot bejaarde te volgen is. Als Kas voltooid aan zijn haak hangt wordt Reumers geconfronteerd met herinneringen aan haar vader aan het eind van zijn leven, toen hij nog maar dertig kilo woog.

    Oogbollen, huid en haar, tanden

    De film Chien Andalou (1929) van de Spaanse cineast Buñuel, waarin hij samen met Salvador Dali vorm geeft aan hun droombeelden, geeft Reumers aanleiding om de beroemde scène van het scheermes dat in een oog snijdt te beschrijven. Voorts neemt ze de lezer mee op reis naar India, haar eigen nachtmerries en haar fascinatie voor de schilder Odilon Redon. Kijken, gezien worden, luisteren, Reumers trekt haar beelden heel breed. ‘Het oog en identiteit: “eyedentity” geeft maar liefst 518.000 treffers op Google. De conclusie is van een verpletterende eenvoud: mijn oog, dat ben ik!’

    Reumers had als kind een zware haardracht en vaak hoofdpijn. Na een asymmetrisch kapsel in haar tienertijd gaat ze nu met een geschoren schedel door het leven, wat veel stof tot bespiegeling oplevert. Ze schrijft over de confrontatie met vooroordelen, verwijst naar haardracht in andere culturen en slaat historische, mythologische en culturele zijwegen in. ‘Al wordt kaal vaak geassocieerd met kracht, ik zie er ook veel kwetsbaarheid in. De omhulling van een haardos is weg, het gezicht moet het helemaal zelf doen.’
    De auteur gaat ook uitgebreid in op haar gebit, ze heeft een diasteem en oligodontie: een spleet en te weinig tanden. Reden voor haar om er dieper op in te gaan, onder andere met het voorbeeld van de Argentijnse schrijver Eduardo Berti die met het idee speelt dat iemands herinneringen liggen opgeslagen in zijn gebit.
    Het is knap zoals Reumers zichzelf in de wereld om zich heen plaatst aan de hand van haar lichaamsdelen. Samen met herinneringen aan gebeurtenissen uit haar jeugd, haar ouders en haar kennis van de wereldliteratuur (veel Spaanstalig werk), gedichten, muziek en beeldende kunst weeft ze haar essays fraai ineen.

    Waterwezen

    In haar jeugd wilde Reumers het liefst onzichtbaar zijn, zonder lichaam. Wanneer ze lang genoeg haar adem inhield, lukte dat bijna. ‘De drang naar onzichtbaarheid werd een overlevingsmechanisme…’ Ze zag zichzelf meer als een tussenmens. Haar dagelijks zwemmen in natuurwater brengt haar de essentiële vrijheid. ‘Het water is mijn habitat geworden, de plek waar ik me altijd goed voel […] Zwemmen is me overgeven, me durven laten dragen […] Strijden tegen de elementen, maar altijd samen met het water. Alles loslaten.’

    Reumers gaat daarin heel ver. Ze zwemt naakt van eind maart tot begin december, soms in water onder de tien graden. Afgezien van het zwemgenot, loopt ze ook tegen zichzelf aan en wordt teruggefloten door haar lichaam met duizelingen, een TIA, een maandenlang slapende voet. Toch is het moeilijk om maat te houden, de vrijheid van het zwemmen is een verslaving. Ze voelt zich verwant aan een sirene en haalt opnieuw Odilon Redon aan, met zijn schilderij ‘De sirenen boven de zee.’ Ze zwemt zomer en winter, ’s nachts, bij mist of windkracht negen. Het opzoeken van de grens en er meestal net overheen gaan, is haar hoogste doel, genot, obsessie. We zien een vrouw met een sterke persoonlijkheid maar het zijn verontrustende stukken want Reumers schroomt niet om de dood te tarten.

    In Verlengstukken gaat Reumers terug naar haar jeugd, herinneringen aan haar vader, ‘de man met de pijp’, die te jong sterft aan longkanker. Via de dementie van haar moeder die de wijzers van de klok manipuleert, associeert ze naar de Duitse Emma Hauck, die begin vorige eeuw met schizofrenie in een inrichting verbleef en brieven schreef. Ze schreef deze brieven met een potlood. Ze zijn nauwelijks te ontcijferen, maar ze leverden wel een kunstwerk op in de vorm van een animatiefilm van de The Quay Brothers. Reumers schrijft zelf ook graag met potlood, wat mooie mijmeringen oplevert in dit subhoofdstuk met de veelzeggende titel ‘Plooirokjes van cederhout’.

    Hoe echt is onze schaduw

    In het laatste deel Sporen en Projecties belicht Reumers nog twee boeiende aspecten van het lichaam: het litteken en de tatoeage. Ze gaat in op haar eigen pijn na een herniaoperatie. ‘Littekens herinneren ons eraan hoe kwetsbaar we zijn. Maar ook hoe veerkrachtig we zijn.’

    In de literaire observaties van De wereld een lichaam ontbreekt de dood niet, evenmin als – verrassend genoeg – de schaduw. ‘Mijn schaduw en ik zijn tot elkaar veroordeeld. Zonder mij kan zij niet bestaan, zonder haar is het alsof er iets aan mij ontbreekt.’ Ook bewegingen horen tot de beeldtaal van het lichaam en de auteur haalt het project Mortus Mori aan, een voorstelling met dansers die de klein menselijke motoriek ontrafelen in herhalende patronen. Reumers is gefascineerd en doneert haar eigen bewegingen, die door een danser intensief worden bestudeerd en verbeeld.

    Het boek sluit af met een indrukwekkende bibliografie van de aangehaalde literatuur, van Paul Auster tot Stefan Zweig.
    Melani Reumers is afgestudeerd geofysicus. Ze vertaalde literaire teksten uit het Spaans, ze ontdekte het schrijven en volgde de Schrijversvakschool. Enkele van de in dit boek opgenomen essays verschenen eerder in De Gids, Liter, en Dietsche Warande & Belfort. Fragmenten van door haar uit het Spaans vertaalde gedichten verschenen eerder in Terras, Tirade, Tortuca en Pluk. Reumers’ essays zijn persoonlijk en openhartig, in een frisse, heldere stijl geschreven en dankzij haar brede intellectuele bagage, uitermate boeiend om te lezen.

     

  • Een eenpersoons fanfareorkest

    In 2013 verscheen bij uitgeverij Van Oorschot het boek Gedundrukt van S. Carmiggelt. Deze uitgave viel op door de gedistingeerde uitvoering: smal en hoog, netjes in linnen band, echt in katernen genaaid gebonden, uitgevoerd met leeslint, stofomslag en buikbandje. Het omslag prijkt met rustige en klassieke typografie, wat verwijst naar het werk van Helmut Salden, eertijds de befaamde huisboekverzorger van Van Oorschot. Na het Carmiggelt-boek verschenen in deze aansprekende uitvoering méér uitgaven van Nederlandse auteurs, mannen en vrouwen, levend en ‘reeds aan de overzijde’. Denk daarbij aan namen als Theo Thijssen, Annie M.G. Schmidt, Mensje van Keulen, Kees van Kooten, Marga Minco en Godfried Bomans. 

    In april van dit jaar verscheen in deze reeks een uitgave met proza van Heere Heeresma (1932-2011), onder de titel Houdbaar. Heere Heeresma was een productief en veelzijdig auteur. Tussen 1954 en 2006 pende hij een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat bestond uit verhalen, romans, gedichten en al dan niet autobiografisch getinte opstellen, schimpscheuten, radiocolumns en boutades, alsmede enkele brievenboeken. Sommige van zijn titels verwierven een klassieke status, zoals Een dagje naar het strand (1962), Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (1973). Meermalen zijn er verfilmingen van zijn werk gemaakt en Heeresma’s boeken werden regelmatig herdrukt. Toen zijn schrijverscarrière wel zo ongeveer voorbij leek te zijn, verraste Heeresma vriend en vijand met de gestileerde herinneringen aan zijn jeugdjaren tijdens de Tweede Wereldoorlog onder de titel: een jongen uit plan Zuid, dat verscheen in 2005. Een literaire prijs van enig belang kreeg Heeresma nooit; en hoe vaak zijn werk tijdens zijn leven ook werd gedrukt, herdrukt, verzameld en opnieuw uitgegeven, vrijwel zijn gehele oeuvre is thans alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. 

    Onmogelijke man

    Heere Heeresma was ‘een onmogelijke man’. Iemand met een uitgesproken reputatie van dwarse eigenzinnigheid, over wie talrijke anekdotes bestaan. Hij was een volstrekte eenling die vaak met zijn omgeving overhoop lag. Heeresma had geen telefoon, gaf zijn adres aan niemand, correspondeerde via zijn postbusnummer en wenste alleen contant betaald te worden voor het werk dat hij leverde. Omdat hij zich niet kon verenigen met het Nederlandse onderwijssysteem nam hij zijn zoon van school en onderwees hem zelf, thuis. Heeresma’s weerbarstigheid blijkt ook uit het grote aantal uitgevers met wie hij zijn boeken maakte. Telkens vertrok hij met ruzie of bedong hij ergens anders betere voorwaarden. Hij stichtte met kennelijk plezier verwarring met verhalen over zijn inkomsten uit exploitatie van een keten wasserettes in Frankrijk of over het manuscript ‘Kaddish voor een buurt’, een meermalen aangekondigd boek dat desondanks onder die titel tijdens Heeresma’s leven niet verscheen.        

    Houdbaar bevat een dertigtal verhalen, opstellen en romanfragmenten. De langste beslaat 24 bladzijden, de kortste en niet toevallig (?) laatste bijdrage is slechts anderhalve pagina lang. Daarin noemt Heeresma zichzelf een ‘eenpersoons fanfareorkest’ en de literatuur ‘een nering in de kleren van de keizer’. De lezer is dus terdege gewaarschuwd, zij het helemaal aan het eind van het boek. Deze dundruk is vintage Heeresma, zoveel is duidelijk. Scherpe observaties, verhalen met opvallend oog voor detail, en een kenmerkende mengeling van weerbarstigheid en melancholie. Een mooi en kernachtig voorbeeld van dit laatste is te vinden in de afdeling ‘Dronken deuren uit een verzopen verleden’. Daarin krijgen we korte, dagboekachtige notities te lezen over te veel drankgebruik – en de gevolgen. 

    Dagcafé Koninck

    ‘Fietsenrek niet meer aanwezig. Twaalf halve litertjes Dommelsch bier; flesje cola, kop koffie; vleesstang; 9 vieux. Niets hielp. Door ruit achterkamer gevallen maar geen letsel van betekenis. Ter ontnuchtering opgesloten hoofdbureau gemeentepolitie ’s-Hertogenbosch. Schone cel. Betonnen vloer die cementstof afgeeft. Geen slaapgelegenheid. Een kruk aan de muur. Om half zes vrijgelaten. Koffie gekregen van oude adjudant die begrip toonde. Gehuild.’    

    Teksten die worden gemist

    Houdbaar is samengesteld door radioprogrammamaker en Heeresma-biograaf Anton de Goede, die veel met de auteur heeft samengewerkt. De meeste bijdragen in Houdbaar (zes in totaal, 17 blz.) komen uit Zacht gelag, een bundeling radio-voordrachten die verscheen in 1996. Uit de befaamde bundel Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming uit 1973 werden vier van de in totaal vijf verhalen overgenomen (in totaal meer dan 80 blz. in Houdbaar), waarmee deze bundel dus nagenoeg integraal is herdrukt; alleen het verhaal ‘Anna’ ontbreekt. Juist uit twee van Heeresma’s bekendste boeken, Een dagje naar het strand uit 1962 en Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp (1972) werd geen enkel fragment geselecteerd. De verantwoording van de keuze uit Heeresma’s oeuvre had wel wat uitgebreider gemogen. Zo is bijvoorbeeld niet vermeld waarom  er geen poëzie is opgenomen.

    Volgens welke volgorde de fragmenten en verhalen worden gepresenteerd is onduidelijk. Chronologisch in elk geval niet – integendeel, zoals blijkt uit de inhoudsopgave. Ook is niet vermeld aan welke edities de teksten zijn ontleend, wat toch relevant is bij een auteur wiens boeken zo dikwijls werden herdrukt. Er zijn ook verschillen tussen de teksten in de eerste uitgaven van Heeresma’s boeken en de verhalen in Houdbaar, wat de vraag om opheldering qua precieze tekstkeuze enkel groter maakt.

    Dit alles laat onverlet dat Houdbaar – prachtig vormgegeven en smaakvol uitgevoerd – een uitgelezen kans is tot kennismaking met het werk van een auteur die de aandacht ten volle waard is. Om zijn pronte stijl, zijn stroeve troost en om zijn volstrekt eigen en bij vlagen uitzinnige humor.            

     

     

  • Een van de betere Nederlandse grafische romans

    Het lied van de merel van Maria van Lieshout is een ‘graphic novel’ over de bezettingstijd in Amsterdam en de doorwerking daarvan veel later in 2011. De strip bevat onder meer authentieke foto’s die destijds door verzetsmensen zijn genomen. De tekeningen van Van Lieshout zijn fraai en de uitvoering van deze grafische roman is goed verzorgd. Het behandelen van de Tweede Wereldoorlog in fictie is niet gemakkelijk. Mensen die zich deze periode als auteur toe-eigenen, zonder dat er sprake is van een rechtstreekse connectie met het vertelde, krijgen soms kritiek. Met name als er sprake is van effectbejag. Hoewel de fictionele constructie van deze graphic novel soms wat te duidelijk is (met name de rol van de merel uit de titel komt niet helemaal uit de verf), is hier geen sprake van effectbejag, maar van een respectvolle wijze van omgaan met het leed van de bezetting.

    Belang van verhalen over onderdrukking

    Verhalen over deze periode kunnen niet genoeg verteld worden, zeker in tijden waarin het geschiedenisonderwijs bijna is afgeschaft en de functie van de zondebok door de eeuwen heen (en zeker ook in het heden) de meeste mensen onbekend is. Of liever: daar wil men niet over nadenken. Kunst kan hen daartoe dwingen en Van Lieshout dwingt de lezer indirect om ook in het heden een positie in te nemen. Juidt nu er weer een zwakke en kleine groep in de samenleving (vluchtelingen) de schuld van alle problemen krijgt.

    Die boodschap is eerder impliciet. Van Lieshout toont vooral dat het verleden voor het heden belangrijk is, dat de geschiedenis ingrijpt in het hier en nu en dat families zonder uitzondering voortkomen uit deze geschiedenis. De oma van het hoofdpersonage Annick lijdt aan acute leukemie en heeft een beenmergtransplantatie nodig, van een verwant. Haar broer en zus blijken echter geen familie te zijn. Annick (wel familie, maar haar beenmerg is ook niet geschikt) gaat vervolgens op zoek naar de familiegeschiedenis, in de hoop een andere verwant te vinden. Deze familiegeschiedenis heeft te maken met de bezettingstijd. In het verhaal lopen de lijnen van 2011 en van de jaren veertig vervolgens door elkaar heen, om uiteindelijk bij elkaar te komen.

    Schematische gezichten

    Van Lieshout laat zien dat de graphic novel bij uitstek geschikt is om een beeld van het verleden op te roepen. Ze plaatst de lezer vooral ook in de sfeer van de bezettingstijd. De gezichten van de personages zijn schematisch. Door dit schematisme is het voor lezers gemakkelijker om zichzelf te projecteren in de personages, zo betoogde striptheoreticus Scott McCloud ooit. Juist doordat de personages niet realistisch of gedetailleerd zijn weergegeven hebben ze een universeel karakter.

    Het lied van de merel bevat ook een historisch dossier, waardoor de lezer iets te weten komt over de historische feiten waarop het fictionele verhaal is gebaseerd. Het album hoort beslist bij de betere Nederlandse grafische romans en het verhaal leent zich ook voor verspreiding in de Verenigde Staten, waar Van Lieshout woont.

     

     

  • Een invuloefening

    De liefdesgeschiedenis Dora doet een beetje denken aan de voorstelling The Second Woman van Nat Randall en Anna Breckon die dit jaar in het Holland Festival staat. Georgina Verbaan zal in een theatermarathon honderd keer, met verschillende, voor haar onbekende tegenspelers, steeds dezelfde scène spelen. The Second Woman gaat over een vrouw en een man die dan weer menen van elkaar te houden en dan ook weer niet. De man vertrekt. Een enorme rommel achterlatend.

    In het boek van Toon Tellegen gebeurt iets soortgelijks. Tweeënvijftig keer in het totaal, iets meer dan de helft van The Second Woman. In het boek draait het ook om een man (Vink) en een vrouw (Dora). Hier is het de vrouw die telkens weer naar – in dit geval – het strand vertrekt. Ze laat haar man achter. De rommel die door een buitenstaander of door Vink zelf wordt veroorzaakt, wordt elke keer weer door Vink opgeruimd en opgebouwd voor het nieuwe hoofdstuk.

    Een scène die telkens wordt herhaald

    De scène is in wezen telkens hetzelfde. Vink wordt op een morgen wakker, neemt de kamer in ogenschouw en denkt aan Dora. Hij wil haar eigenlijk meenemen naar het strand, maar kan de woorden niet over zijn lippen krijgen, gelijk Cordelia in King Lear van Shakespeare haar ‘hart niet naar de lippen kan tillen’. Vink ziet een vaas met bloemen staan en aan de muur hangt ‘een klein schilderijtje’. Een volgende keer wordt het tafereel ingevuld: het gaat om ‘een paardenrace in Engeland’. De bloemen blijken rode gladiolen te zijn. Naast Dora komt als personage de heer Leenderts voor, die de gewoonte heeft alles kort en klein te slaan. De vaas met bloemen, het schilderijtje van de muur. Waarom? Hij komt elke ochtend opdagen en waarschuwt Vink, maar waarvoor?

    Dora komt binnen en nu is zij het die naar het strand wil. Ze heeft een picknickmand bij zich. Uiteindelijk gaat ze alleen. Twee jongens staan voor het raam. De een gaat op de schouders van de ander staan, kijkt naar binnen en rapporteert aan de andere jongen wat hij ziet. ‘Gladiatoren,’ bijvoorbeeld. Daarna gaat er een of gaan ze allebei voetballen. Er zijn nog andere constanten: een motorfiets die langsrijdt, een liedje dat op het gazon voor de deur wordt gezongen door een koor onder leiding van een moedeloze dirigent: Bloemen verwelken, schepen vergaan, maar onze liefde, onze liefde blijft altijd bestaan. Boven elk hoofdstuk staat een trefwoord, variërend van aardig, gezellig, tot hartverwarmend enzovoort. In een register achter in het boek zijn ze allemaal nog een keer alfabetisch gerangschikt, als gaat het om een wetenschappelijke verhandeling. Het zijn allemaal emoties en stemmingen.

    Een stuk repetitieve muziek

    Deze opzet doet niet alleen denken aan het toneelstuk The Second Woman, waarvan Tellegen misschien de filmversie uit 1950 kent, maar ook aan een stuk repetitieve muziek uit het Amerika van zo’n tien jaar later (Terry Riley, Steve Reich en anderen): een motief dat telkens wordt herhaald, met aldoor minieme veranderingen, verschuivingen en aanvullingen. Verder gebeurt er niet of nauwelijks iets. Niet in de muziek en ook niet in het oorspronkelijk in 1998 verschenen boek.

    Misschien ga je bij het luisteren naar een stuk repetitieve muziek op het puntje van je stoel zitten en kun je soms zelfs in een bepaalde vorm van trance raken, bij het lezen van een boek als dit moet je doorzetten. Of je legt het boek weg, of je bent nieuwsgierig (het woord komt in het register voor…) en leest door. Ondanks een gebrek aan spanning, die de aandacht soms doet verslappen, wil je weten hoe het afloopt. Als het al afloopt.

    Opeens zit er een ontwikkeling in de karakters. Vonk laat Leenderts’ gedrag en dagelijkse waarschuwing niet zomaar lijdzaam over zich heenkomen. Hij wordt boos (staat in het register), zegt stampvoetend en met zijn vuisten zwaaiend, dat Leenderts stinkt. En het koor zingt opeens een andere tekst, waarin geen bloemen vergaan, maar liefde vergaat. Leenderts wil de schade ten gevolge van Vinks uitval opeens vergoeden. De koordirigent ziet het niet meer zitten en loopt weg, Vinks vrouw blijft thuis en vraagt of haar man Anna Karenina al eens heeft gelezen. Is dat ook als waarschuwing bedoeld? Een roman over een vrouw die verliefd wordt op een ander?
    Het is allemaal eenmalig en de gewone, dagelijkse gang neemt tot op zekere hoogte weer zijn loop. Elk hoofdstuk wordt weer op dezelfde manier opgebouwd. Heeft de verteller, Vink, houvast nodig, vraag je je als lezer af. Is hij misschien aan het dementeren? Er zijn signalen die in die richting wijzen; hij verwart Dora met zijn moeder (Dora? Nora?) en met Leenderts, wordt opeens boos en flapt er iets uit.

    Grotere veranderingen

    De grootste veranderingen liggen in het feit dat het koor opeens binnen staat te zingen, en de twee buurjongens niet langer buiten voor het raam staan, maar ook binnen zijn. Alles lijkt intern te zijn geworden. Geïnternaliseerd als het ware. Ook Dora komt van buiten, wanneer ze Vink komt opzoeken, wat een andere wending aan het geheel geeft. De picknickmand lijkt zo opeens meer op een mand fruit die je aan een bedlegerige in een tehuis komt brengen. Zoals een koor daar soms met hoogtijdagen in de gang staat te zingen. Bedlegerig is Vink steeds meer. Hij kan niet of nauwelijks meer opstaan. Koortsdromen houden hem in de greep en roepen een surrealistische sfeer op.
    Uiteindelijk gaan Dora en Vink toch samen naar het strand. Op de motorfiets. Als lezer mag je invullen wat daar gebeurt. Had Leenderts met zijn waarschuwingen iets voorzien? Of hebben de scherven van de vaas met gladiolen uiteindelijk toch geluk gebracht? Die twee mogelijke eindes geeft Tellegen niet weg. Dat hoeft ook niet. De lezer mag ook wel wat doen. Meer misschien dan je in eerste instantie verwacht bij zulke repetitieve scènes die uit hetzelfde stuk hout zijn gesneden.

     

  • Ontroerende familiegeschiedenis

    ‘Heimwee is de weg weten in een huis dat niet meer bestaat.’ Dat is een van de mooiste uitspraken van Rudy Kousbroek. Maar Otto de Kat (pseudoniem van Jan Geurt Gaarlandt) laat in zijn zojuist verschenen Autobiografie van een flat zien dat ook een huis dat nog wel bestaat een groot heimwee naar verloren tijden kan oproepen. Na de dood van zijn 93-jarige moeder Annie (of  Bill zoals haar man haar noemde) bezocht hij met zijn oudere broer Karel haar appartement om met hem te verdelen of op te ruimen wat daar aanwezig was aan bezittingen zoals boeken, brieven, foto’s, meubels, kleding en zo meer.

    Alles wat ze vinden roept herinneringen op die de Kat met grote weemoed vervullen. Vader overleed al langer geleden. Maar nu is ook moeder er niet meer. Al doende in de flat ziet hij hoe ook broer Karel al de verschijnselen toont van een naderend einde, hij heeft de diagnose Parkinson gekregen en dat is te zien.

    ‘We hadden mooi en lelijk verdeeld. We keken en zagen de flat als vanzelf leeg worden. In de stilte die ons bekroop vervaagden mooi en lelijk, de dag was bijna voorbij, het begon te schemeren. ”Ik ga maar eens,” zei Karel ten slotte. Hij leek ontheemd door de veiling van ons verleden. Ontheemd en vreselijk moe, ik moest hem aan zijn toegestoken handen omhoogtrekken. Even stond hij onbeweeglijk, licht voorovergebogen, de gedachte om te gaan lopen vertrok uit zijn hoofd naar zijn voeten, en dat duurde een paar tellen. Dan ging hij, z’n passen overdenkend, voorzichtig richting de voordeur.’

    Hoe je vader en moeder te kennen

    Vader Hans en Moeder Bill komen in 1941, in een gebombardeerd Rotterdam, in de flat wonen. De sleutel wordt hen aangereikt door de vorige bewoner Harm van Riel, later een VVD-prominent. Ze maken de oorlog mee en de heropbouw van de stad daarna. Ze krijgen er hun twee zoons en leven er hun hele verdere  leven. Vader Hans lijdt aan een nare huidziekte en overlijdt 59 jaar jong aan hartfalen. Terugkijkend bedenkt De Kat dat hij zijn vader nooit heeft horen klagen.

    ‘Maar wat weet een kind van de gedachten van zijn ouders. Ik geloof: bijna niets. Kinderen denken wel graag hun vader en moeder te kennen, maar dat is natuurlijk niet zo. Een snippertje van hun wereld, een mespuntje, meer niet. (…) Ik geloof: ik bezit niet meer dan een vaag vermoeden, een enkel inzichtje, een paar onthullende woorden ooit uitgesproken, dat is het wel ongeveer. Eerder nog zijn het de dingen die ze verzamelden, de kleur van de muren, hoe ze liepen, de jas die ze droegen, de boeken die ze lazen, daar zit hun leven in, daar kan je hun gedachten soms in vinden.’

    Een groot pak brieven die zijn vader in zijn prachtige handschrift aan zijn moeder schreef helpt iets om te doorgronden wat zij dachten, maar haar brieven aan hem zijn weg (heeft ze ze weggedaan omdat ze te intiem waren?). ‘Maar zelfs uit brieven is niet op te maken hoe iemand werkelijk is.’ Na de dood van haar man blijft moeder Bill eenzaam achter, een schoonheid die ooit werd bemind door Leo Vroman. ‘Annie ik had je zo lief. Leo’  staat op een enveloppe die hij ooit beschreef. Maar ze verkoos Hans.

    Sterven zonder gekend te zijn

    Otto de Kat vertelt in meeslepende stijl de geschiedenis van zijn familie in de flat. Je ziet de gezinsleden de decennia doorleven en ouder worden. Je beleeft mee hoe de twee zoons met elkaar optrekken en weer uit elkaar raken en hoe vriendschappen en liefdes hun levens vullen. Met onvergetelijke momenten zoals de eerste zoen. Ze heette Dietje.  

    ‘Midden in de kamer van haar huis ruimden we wat slingers op die waren blijven hangen na het verjaardagsfeestje dat ze had gegeven, ze was zestien geworden. We stonden vlak bij elkaar en plotseling zoende ze me, ik was totaal overvallen. Met slingers in mijn hand, doodstil stonden we daar, in een omhelzing die mijn wereld op z’n kop zette. Het is nooit meer overgegaan dat moment, er is nooit iets mooiers na gekomen. De tijd heeft er geen vat op gekregen, een ogenblik waarin alles ophield, alles begon, niets meer hetzelfde was, nooit meer af te nemen of te vergeten.’

    Het sterven dat onherroepelijk voor vader, moeder en twee jaar oudere broer volgt roert ook de lezer tot tranen toe. Want iedereen sterft zonder echt gekend te zijn door wie achterblijft, is de herhaalde en treurige boodschap van het verhaal. Het lezen van De autobiografie van een flat  geeft dan ook dezelfde ontroering als het beluisteren van dat prachtige lied ‘Het Dorp’ over lang vervlogen tijden: ‘Ik was een kind en wist niet beter / Dan dat ’t nooit voorbij zou gaan’.

     

     

  • Het wegdenken van woorden

    Het is niet voor het eerst dat Judith Herzberg zich in haar nieuwe bundel Bijna 90 Hopla’s bedient van de korte dichtvorm. Bijna tien jaar geleden introduceerde zij deze dichtvorm in Nederland. Ze publiceerde zulke poëtische snippers in bundels als Dagrest (1984) en Het vrolijkt (2008). In 2014 verscheen 111 Hopla’s en in 2021 100% Hopla’s. Nu is Herzberg een dichter die doordacht en sober met haar woorden omgaat. Herzberg is in staat om met weinig woorden gelaagdheid aan te brengen en de ambiguïteit werkzaam te laten zijn in haar verzen. Het vervreemdende effect daarvan maakt het wezen van haar poëzie uit. Een dergelijke omgang met taal zorgt voor een veranderde blik op de werkelijkheid, al is het maar tijdelijk. Daarin gaat iets van het mysterie van de poëzie schuil.

    Of deze snippers zijn blijven liggen na voltooiing van eerdere bundels of van die in wording zijn, doet eigenlijk niet zo ter zake. Herzberg acht ze levensvatbaar en geschikt voor publicatie. Deze hopla’s doen denken aan de vertaalde Spaanse copla’s van Hendrik de Vries. Een vrije versvorm van vier versregels en acht lettergrepen. Verder raken ze in hun beperkte omvang en woordgebruik aan de slanke, soms eenregelige Japanse gedichten van Bashõ. Of aan het Perzische ghazele dat uit zes verzen van twee regels bestaat. Hélène Swarth vertaalde dat soort verzen begin twintigste eeuw. En niet te vergeten de Japanse haiku die met zijn lyrische beknoptheid als drieregelige vers bestaande uit zeventien lettergrepen. De korte verzen van de schilder-dichter Willem Hussem (1900-1974) munten uit in beeldrijkdom. Zijn begeleidende Japanse kalligrafieën staan op zichzelf naast de korte gedichten. In deze verzen is alles en iedereen met elkaar verweven. De korte gedichten van Herzberg staan in een traditie en in al haar eigenzinnigheid heeft ze er een eigen naam aangegeven.

    Hopla, het leven in en uit

    Bijna 90 hopla’s zijn twee, drie- of vierregelige verzen, meestal slechts één strofe van verschillende regellengte, al dan niet voorzien van een titel. Dat alles vervat in een klein formaat boekvorm met stevige omslag. Een boekje voor in de tas om waar dan ook ter hand te kunnen nemen en je even te laten inspireren: ‘hopla’, het leven van alledag in en uit. Er is geen vast pandoer in vorm en inhoud van deze verzen. Soms ligt het geestige accent in de laatste versregel:

    ‘vrolijk kwetteren
    de vogels maar het
    allerkwetterendste jij’

    Zo personifieert de dichter de ‘volwassen / ‘golven die ze in het meer nog laat nalebberen ‘in riet en gras / aan kiezelkant’. De alliteratie in het laatste woord onderstreept nog eens de zachte botsing met de oeverrand. Het is een verrassende opening in ‘Wegdenken’ om je voor te stellen de mensen uit je bewustzijn weg te denken en je af te vragen wat de bevindingen van de schoenen van die mensen zijn over wat voor mensen het zijn. Dan weer speelt ze met de letterlijke en figuurlijke betekenis van een woord als ‘tippen’ in ‘Protocol’. Ergens niet aan kunnen tippen heeft protocollair niets van doen met het drinken van het een of andere soort sap op een receptie. 

    Diverse invalshoeken

    De onderwerpen die in deze hopla’s worden aangesneden zijn heel divers. In alle gevallen is de dichter erop uit het vertrouwen in eigen waarneming te ondermijnen, iemand op het verkeerde been te zetten. Soms komt het niet verder dan een woordgrapje, zoals in: ‘Gehoord’

    Hoe
    Bedoelu
    Zonnen
    Schadu’

    Geestig is het sympathieke bedrog van de ‘Hospita 1 en 2’. Het lekkere hapje is wat van haar eigen maaltijd over is en tegelijk snakt de hospita naar de komst van haar kostganger om hem of haar opnieuw te kunnen verwennen. Wat verhevener klinken de woorden in: ‘In plaats van kamers’

    Je krijgt nog: “Het gebouw des Heren / heeft vele localen”. Een verwijzing naar Johannes 14: 2: In het huis mijns Vaders zijn vele woningen’, aldus Jezus. Waarbij het woord ‘localen’ allerlei associaties oproept.  Het de onbezorgdheid en gastvrijheid mist die de Bijbelse tekst oproept. Bovendien associeert het woord met de ‘Zang der vocalen’ (1931-32) van de Litouwse beeldhouwer Jacques Lipchitz. Waarbij de harp een eenheid vormt met het lichaam van de speler. Dan krijgt het woord meer het ontvangende dat past bij de oorspronkelijke Bijbeltekst. Geestig zijn de hopla’s ook, zoals: ‘Intimiderend’

    oude vrienden
    met hun nieuwe
    halfbakken liefdes
    effe wenne
    In een tijd van partnerwisselingen een voorstelbare situatie. Herzberg zoekt dikwijls het gedoe van alledag op in haar verzen. In de ‘Vondst’ laat ze treffend zien hoezeer de telefoon een onmisbaar onderdeel van onze samenleving is geworden:

    Los barst
    wat bij telefoon
    lach
    zaterdag
    Vooral dat ‘lach’ toont een subtiele pirouette in de taal van ‘lach’ naar ‘lag’, en tegelijk de momentopname van een afspraak door de telefoon die door lachen wordt begeleid.

    Beeld- en slagkracht van taal

    Niet altijd lukt het Herzberg om de beeld- en slagkracht van de taal te mobiliseren zoals in ‘Slotsom’: het is bedroevend / dat het niet meer hoeft’, of: ‘Hoe zo’: Ze haalde / eruit / wat erin zat. Maatschappelijke betrokkenheid spreekt uit het vers ‘Goodall’, verwijzend naar het werk van de Britse antropologe Jane Goodall (1934) en haar zorg om de apen. Dit vers is een rechttoe rechtaan oproep: ‘

    en waarom dringt
    nog steeds niet door
    dat wij onszelf
    de das om doen

    In ‘Druk’ blijkt dat gepensioneerden het ‘niet eerder zo druk gehad’ hebben, en de plicht dus blijft bestaan. Weer verrassend is het luisteren in, ‘Hoe hij luistert’: De toonhoogte / van zijn ogen, van elk oog, / zo anders dan / die van een dove. Enig besef van zinloosheid is Herzberg niet vreemd. Zo stelt ze zich in ‘Slede’ voor wat de zin van een rit is: hierheen of daarheen / als in de rit zelf geen / waarheen zit. Of je eigen lichaam bevragen in ‘Intern’: je hart. je darmen / slaan alarm / herken je dat. Nee dus, vertolkt de ontgoocheling vriend te zien overlijden terwijl die gedacht, de ik te helpen wegglijden in de dood. Zo stuit zij voortdurend tegen de absurditeit van ons doen en laten aan.

    Al met al is deze bundel een meer of minder persoonlijk en maatschappelijk betrokken reeks hopla’s geworden, die hier en daar verrassen in het op het verkeerde been plaatsen van de lezer. Terwijl de dichter zoveel mogelijk woorden heeft weggewerkt, wordt de lezer gedwongen de woorden te wegen in hun letterlijke en figuurlijke betekenis, hun klankspel, hun maatschappelijke insteek, hun doorbreking van het gangbare doen en laten en hun vertrouwde waarneming. Een lichvoetige bundel, geestig en zo nu en dan verrassend van toon. Hierbij dan nog een laatste:

    verre van
    bij lange na

    Hopla!