• Een Olympische prestatie

    In zijn boek Russische Spelen wijst Rolf Bos erop dat het besluit de oude Olympische Spelen nieuw leven in te blazen duidelijk gestoeld was op militaristische gronden. Er was fysiek deugdelijker kanonnenvoer nodig. Zowel de Fransman Pierre de Coubertin als de Russische generaal Aleksei Butovski waren onthutst over de slechte lichamelijke conditie van ‘hun jongens’ tijdens respectievelijk de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en de Krimoorlog (1853-1856). Sport en politiek blijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat was toen zo en is ook nu nog ontegenzeglijk het geval. Zo stelde president Macron de vorming van een nieuwe regering op basis van een overduidelijke verkiezingsuitslag uit tot na de Spelen in 2024, omdat hem dit politiek beter uitkomt, en is Rusland niet welkom op de Spelen vanwege de oorlog in Oekraïne. Rolf Bos maakt die verwevenheid tussen sport en politiek in een uitgebalanceerde studie over de Russische Spelen van 1980 inzichtelijk.

    De kleinheid van grote politiek

    De toewijzing van de Spelen aan Moskou heeft een politieke achtergrond. De verhoudingen tussen Oost en West zijn in 1974 veel minder gespannen dan in de daaraan voorafgaande periode, mede als gevolg van wat genoemd wordt de Cadillacdiplomatie tussen de partijleider van de voormalige Sovjet- Unie, Leonid Breznjev, en de Amerikaanse president Richard Nixon. Breznjev is dol op mooie auto’s en tijdens elke ontmoeting tussen de beide heren krijgt hij er weer een cadeau. Door zijn beschrijving van dit soort onthutsende details over de grote politiek weet Rolf Bos een heerlijke leessfeer te creëren. Hoewel de toewijzing van de Spelen behoort tot de competentie van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en niet tot die van nationale regeringen, zou tijdens zo’n toponderonsje in 1974 over de vermindering van kernwapens overeengekomen zijn de organisatie van de Olympische Spelen van 1980 aan Rusland te gunnen en die van 1984 aan de Verenigde Staten. Dit handjeklap-spelen tussen wereldleiders onderling met schoffering van het IOC, werd natuurlijk niet officieel geboekstaafd, maar de aanwijzingen daarvoor blijken wel erg overtuigend te zijn.

    Voor de Amerikaanse president Carter ziet het er aan het eind van zijn eerste ambtstermijn in 1979 somber uit voor wat betreft zijn kansen op herverkiezing. Zijn populariteit is laag. De werkloosheidscijfers zijn hoog evenals de inflatiecijfers. De dollar daalt in waarde. Daarnaast is de Sjah als steunpilaar van de Amerikanen in Iran van het toneel verdwenen en vervangen door de Islamitische geestelijke Ayatollah Khomeiny en worden er al wekenlang Amerikaanse burgers gegijzeld in de ambassade in Teheran. Als dan in 1979 de Russen ook nog eens Afghanistan binnenvallen, is de maat voor president Carter vol en roept hij de internationale sportwereld op de Olympische Spelen in Moskou te boycotten. Hoewel de meeste westerse regeringen, behalve de Franse regering, gevolg geven aan deze oproep, geldt dit niet voor alle nationale Olympische Comités in die landen. Zo besluit het Nederlands Olympisch Comité (het NOC), evenals het Britse, de boycotoproep van hun regering niet te volgen en het aan de sporters zelf over te laten of zij willen deelnemen aan de Spelen of niet. De Bondsrepubliek voelt zich in die jaren nog niet bij machte een onafhankelijke koers van Amerika te varen. Dit geldt ook voor het West-Duitse Olympisch Comité ondanks het hartstochtelijke pleidooi van de gelauwerde Duitse schermer Thomas Bach. Sport blijkt eens te meer de barometer van de politieke verhoudingen te zijn.

    Uit liefde voor de sport

    Toch heeft Rolf Bos geen louter politiek boek willen schrijven. Hij laat zich kennen als een echte sportliefhebber. Met een gevoel van meeleven beschrijft hij hoe individuele sporters zich jarenlang hebben voorbereid op de Spelen en nu plotseling door een twijfelachtige politieke beslissing hun droom in rook zien opgaan. Het onrecht wordt diep gevoeld, dat de morele verontwaardiging over de Russische inval wel gaat ten koste van de individuele sporters, maar niet ten koste van grote bedrijven die flink verdienen aan de Spelen. Met veel warmte en respect verwerkt Rolf Bos in zijn boek het verhaal van de Nederlandse zilveren medaillewinnaar op de marathon Gerard Nijboer. We volgen hem tijdens zijn training langs de grachten van het roerige Amsterdam ten tijde van de kroning van Beatrix en overal de leuze ‘Geen woning, geen kroning!’, langs het beeld van Rembrandt, naar Ouderkerk, langs de oude Joodse begraafplaats en de polder De Ronde Hoep. We lezen over het drama van het 14-jarige zwemtalent Conny van Bentum die het in haar glorietijd moet opnemen tegen de afgevaardigden van de Duitse Doping Republiek en het juryschandaal rond de Roemeense turnster Nadia Comâneci en haar van woede briesende trainer Béla Károlyi. Tenslotte besteedt Bos ruim aandacht aan de mogelijkheden die journalisten hebben om in vrijheid hun reportages te maken in een stad die tevoren is ontdaan van bedelende kinderen en ander ongewenst volk. Hij beschrijft hoe journalisten als Mart Smeets en Barend en Van Dorp hun werk trachten te doen, hoe Alexander Munninghof op bezoek gaat bij Jelena Bonner, de vrouw van de beroemde dissident Andreï Sacharov in Moskou en hoe André Naber in het geheim per trein op bezoek probeert te gaan bij Sacharov zelf in de verboden dissidentenstad Gorki.

    Tussen droom en werkelijkheid

    Bos heeft een rijk boek geschreven, uitstekend gedocumenteerd en benaderd vanuit verschillende invalshoeken. Het gaat om de interactie tussen grote politiek en de weerslag daarvan op de individuele sporter, maar ook over moraliteit. De Olympische gedachte houdt in dat sport iets is voor iedereen, ongeacht politieke kleur, etnische afkomst, genderneutraal, rijk en arm. Sport zou de vertolker van vrede moeten zijn. Oorlogen worden stilgelegd en iedereen strijdt met elkaar op basis van gelijkwaardigheid. In zijn boek beschrijft Bos het verschil tussen droom en werkelijkheid, maar betoont hij zich een pleitbezorger van de droom. Kortom, Rolf Bos heeft een prachtig boek geschreven.

     

     

  • Weinig verrassend verhaal over moederschap

    Leslie Jamison (1983) oogstte veel lof met Ontwenning, dat over haar alcoholverslaving gaat. Ook in haar nieuwste roman Splinters: Een ander soort liefdesverhaal vormen autobiografische elementen de basis. Het boek dat meer als een dagboek aanvoelt dan als een roman is geschreven in een ik-perspectief. De drie delen Melk, Rook en Koorts bevatten geen hoofdstukken. Ze worden alle drie ingeleid door een groot aantal nogal onsamenhangende vragen waarvan de lezer pas aan het eind van ieder deel de relevantie zal begrijpen.

    Het boek start met de scheiding van ik-personage Leslie en haar echtgenoot die C. genoemd wordt. Ze hebben een dochter van dertien maanden oud. Leslie is schrijfster en geeft les aan studenten van de universiteit. Hoofdpersonage Leslie heeft evenals schrijfster Jamison een verleden met een eetstoornis en een alcoholverslaving. Ze heeft als kind erg last gehad van de scheiding van haar ouders en de slechte band met haar vader waar ze jarenlang weinig contact mee heeft gehad.

    Tatoeage

    Ondanks jarenlange relatietherapie ziet Leslie het op een gegeven moment niet meer zitten om met C. verder te gaan. Hij van zijn kant heeft veel moeite met de scheiding, zijn liefde is zeker nog niet voorbij. Het is zijn tweede huwelijk, zijn eerste vrouw is overleden aan kanker. Nadat Leslie en hij een jaar samen waren, heeft hij zelfs haar gezicht op zijn biceps laten tatoeëren. Het huwelijk van Leslie met C. lijkt in de flashbacks redelijk harmonieus. Je vraagt je eigenlijk af waarom het mis is gegaan. Pas halverwege het boek, na de scheiding, valt te lezen dat C. ‘vreselijk kwaad’ geweest zou zijn en dat Leslie ervoor gekozen heeft om ‘gelukkiger’ te willen zijn. Het is jammer dat het personage van C. niet iets meer uitgewerkt is, maar dat hangt ook deels samen met de keuze voor het perspectief.

    Gebruiksaanwijzing

    Het eerste deel van het boek is verreweg het meest interessante. Leslie is een jonge moeder die de gebruiksaanwijzing van haar kind leert kennen. Het meisje huilt veel, is een keer raadselachtig ziek, er moeten nachtvoedingen gegeven worden, maar er is vooral onvoorwaardelijke moederliefde. Het levert regelmatig mooie zinnen op: ‘Eenmaal thuis uit het ziekenhuis tornde mijn baby een naad los in de nacht en trok me de duisternis ervan in – die stille uren tussen twee en zeven, wanneer ze op mijn borst lag te slapen en ik reality-tv over ambitieuze Australische modellen op had staan, terwijl ik ondertussen door onze woonkamer ijsbeerde en naar het verlichte raam in onze straat keek, me afvragend wie? En waarom?

    Leslie neemt het kleine meisje graag mee naar musea. Na verloop van tijd gaat ze weer aan het werk en neemt ze haar dochter mee op tours om haar boeken te promoten (dat gaat om zo’n 30 vluchten op jaarbasis) of schakelt ze haar moeder in als oppas. Ze komt vooral tot de ontdekking dat ze zich verscheurd voelt tussen haar werk en de liefde voor haar dochter. Schuldgevoelens jegens het kind maar ook jegens haar studenten en haar kunst wisselen elkaar af. Voor iedereen die kinderen heeft zal het heel herkenbaar zijn, maar voor Leslie is het alsof zij de enige op de wereld is die zich in een dergelijke spagaat bevindt.

    Het co-ouderschap valt haar eveneens zwaar, maar – weinig verrassend – vindt ze na verloop van tijd toch ook wel weer prettig omdat ze daardoor tijd voor zichzelf heeft. Ze spiegelt zichzelf regelmatig aan kunstenares Marina Abramović, die drie abortussen gehad heeft omdat ze zeker wist dat moederschap rampzalig zou zijn voor haar werk. ‘Je hebt maar zoveel energie in je lichaam en dan zou ik die moeten verdelen.’ Leslie komt in het eerste deel over als een vrij egocentrische vrouw en lijkt daar zelf ook last van te hebben: ‘Mijn lichaam klotste van de hormonen en hun brullende, tegenstrijdige waarheden: ik was een lankmoedige, juice-ontzegde heilige, of anders was ik een monster dat door ijdelheid geregeerd werd en het nauwelijks verdiende te leven. Mijn innerlijke monologen klonken als een klootzak die veel te hard tegen een buitenlander aan staat te praten.’

    Foute man

    In het tweede deel, Rook, is de fase van de moedermelk voorbij. Het gaat dan veel over een nieuwe relatie met een overduidelijk foute man en wederom over de schuldgevoelens waar ze last van blijft hebben. Regelmatig bekruipt je als lezer het gevoel dat je sommige dingen al eerder hebt gelezen en dat er weinig nieuwe elementen aan het verhaal toegevoegd worden. Dat geldt ook voor het laatste deel dat zich afspeelt gedurende de lockdowns vanwege COVID.

    Samenvattend is Splinters een enigszins teleurstellende leeservaring. Het schetst weliswaar in vaak fraai gekozen taal het dilemma waarvoor kersverse ouders zich geplaatst zien wanneer ze hun aandacht moeten verdelen tussen werk en gezin. Het feit dat dat gegeven in dit boek ook nog eens gepaard gaat met een echtscheiding is een extra complicatie, maar ook weer niet uniek. De onvoorwaardelijke liefde die Leslie voelt voor haar dochter en de prijs die ze voor het moederschap moet betalen zijn mooi beschreven en herkenbaar. Helaas roept het hoofdpersonage op een gegeven moment eerder irritatie dan empathie op en wordt er veel herhaald. Wellicht zou de boodschap van ‘een ander soort liefdesverhaal’ beter zijn overgekomen wanneer het boek zo’n honderd bladzijden korter was geweest.

     

     

  • Ierse en Amerikaanse intriges

    De film Brooklyn (2015) geldt als een doorslaand succes. Deze verfilming van de gelijknamige roman van Colin Tóibín uit 2009 won drie Oscars. Dit jaar verscheen Tóibíns roman Long Island, een vervolg op Brooklyn. Beide boeken brengen zowel het Ierland van het begin van de jaren vijftig, als het New York uit die tijd via allerlei mooie en sprekende details tot leven. Het boek Brooklyn is interessanter en schrijnender dan de wat zoetsappige verfilming. Het slot van de roman roept juist veel vragen op. Met die vragen gaat Tóibín in Long Island aan de slag.

    In de roman Brooklyn woont hoofdpersoon Eilis Lacey met haar moeder en oudere zuster Rose in Enniscorthy, in zuidoost Ierland. Ze kan geen behoorlijk werk vinden. Via Rose ontmoet ze een pater uit Brooklyn, vader Flood. Hij ziet haar kwaliteiten en besluit haar te helpen. Hij regelt een baan en onderdak voor haar in New York. Tóibín schetst een prachtig beeld van de lange overtocht in de derde klasse van de oceaanstomer en van het verblijf bij een Ierse pensionhoudster en haar medebewoonsters. Het enige contact met haar familie in Ierland verloopt per brief. Eilis heeft hevig heimwee en als vader Flood dat doorkrijgt, schrijft hij haar in op een avondcursus waarmee ze haar boekhouddiploma kan halen.

    Terug voor rouw

    De pastoor organiseert van alles voor zijn parochianen, onder andere een wekelijkse dansavond. Daar ontmoet Eilis, die de problemen van aanpassing en heimwee te boven is gekomen, de jonge loodgieter Tony Fiorello, zoon van arme Italiaanse migranten. Als ze haar diploma voor boekhouden heeft behaald, krijgt ze bericht dat Rose plotseling is overleden. Totaal van de kaart gaat Eilis voor de rouw terug naar Ierland en neemt een paar beslissingen die bepalend zijn voor haar verdere leven.

    De hechte relatie via de katholieke kerk tussen de Amerikaanse oostkust en Ierland, het netwerk van de sociale controle dat twee continenten omspant, is ook een centraal motief bij andere Ierse auteurs. Bijvoorbeeld in de Quirke-verhalen van John Banville, die overigens opgroeide in Wexford, vlakbij Enniscorthy.

    Nora Webster

    In 2014 publiceerde Tóibín de roman Nora Webster, die lijkt te beginnen als een vervolg op Brooklyn. De hoofdpersoon is een weduwe van veertig met twee thuiswonende zoons en twee uitwonende dochters. Ze woont eveneens in Enniscorthy. Al in het begin zien we moeder Lacey bij Nora op bezoek komen en horen we haar een anekdote vertellen over schoonzoon Tony in Brooklyn. Nora verkoopt ook een weekendhuis aan Eilis’ broer Jack, omdat ze dat niet meer kan onderhouden. Voor de rest van de roman blijven de verwijzingen beperkt tot de namen van Rose en Eilis’ vriendin Nancy.

    Desalniettemin is Nora Webster een aanrader voor de lezers van Brooklyn en Long Island, al was het alleen al om te zien hoe de Ierse samenleving is veranderd sinds de meer dan vijftien jaar die inmiddels verstreken zijn. Nora heeft bijvoorbeeld een auto en iedereen ziet de maanlanding op tv. Belangrijker zijn de toenmalige spanningen in Noord-Ierland die op tv worden uitgezonden, waarbij het Britse leger keihard optreedt tegen de katholieke bevolking. Zagen we in Brooklyn vader Flood op te achtergrond het leven van Eilis manipuleren, in Nora Webster heeft een non, zuster Thomas, deze rol. De substantiële steun die Tóibíns vrouwen via de kerk ontvangen, heeft uiteraard ook een prijs. Ze dienen zich wel keurig aan de regels te houden.

    Vreemd Iers eendje in de bijt

    Zoals gezegd schreef Tóibín Long Island na het succes van de film Brooklyn. Het begin van dit vervolg slaat in als een bom. We zijn weer wat jaren verder, in de tijd vlak na Watergate. Eilis Fiorello, née Lacey, woont zo’n twintig jaar met Tony in een gehucht op Long Island. Ze heeft een baantje als boekhouder bij een bedrijf in de buurt, haar dochter Rosella gaat bijna studeren en zoon Larry doet het goed op de middelbare school. Tony en zijn broers hebben voor elk gezin en hun ouders een rijtje huizen gebouwd. Maar dan belt een man aan die Eilis meedeelt dat Tony tijdens een klusje zijn vrouw zwanger heeft gemaakt en dat hij het kind na de geboorte bij hen voor de deur zal deponeren.

    Vanaf dat moment begint Eilis langzaam maar zeker in te zien dat ze in de familie Fiorello niet zozeer een vreemd Iers eendje in de bijt is, als wel een volkomen buitenstaander. Met name schoonmoeder Francesca, die instrumenteel poeslief doet tegen haar schoondochter, intrigeert achter haar rug om dat het een lust is en tutta la famiglia blijkt daaraan mee te doen. Zelfs haar kinderen weten meer dan Eilis, bijvoorbeeld dat de Fiorello-clan het nieuwe ‘kleinkind’ dolgraag in zijn midden wil verwelkomen. Wat Eilis daarvan vindt, zal hun een zorg zijn.

    Wat moet ze doen? Keurig haar plaats innemen? Nee, ze grijpt de tachtigste verjaardag van haar moeder aan om een tijdje in Ierland door te brengen. Daar ziet ze ook Nancy en haar oude vlam Jim weer. We zien hoe de welvaart is gestegen. Moeder Lacey krijgt dan ook van haar dochter een koelkast, een wasmachine en een cooker.
    Overigens merkwaardig dat Tóibín dingen ‘onthult’ die bij de lezer van Nora Webster al bekend waren. Bijvoorbeeld dat Eilis’ broer Jack van Nora het vakantiehuis aan de kust heeft gekocht voor hun broer Martin.

    Verwarring

    Wie denkt dat Long Island een herhalingsoefening is van Brooklyn, heeft het mis. De nieuwe roman is – nog – beklemmender dan Brooklyn en Nora Webster omdat Eilis nu zowel in Ierland als in Amerika met intriges wordt geconfronteerd. Iedereen lijkt een verborgen agenda te hebben en zelfs een personage dat – als een grote uitzondering – haar onvoorwaardelijk steunt, blijkt deel uit te maken van het tribale complot. Eilis’ verwarring is aan het slot dan ook veel groter dan in Brooklyn. De lezer weet niet wat haar keuze zal worden. Een zoetig einde als in de film wordt bij een eventuele bioscoopversie van Long Island volkomen onmogelijk, zonder de hele roman van Tóibín geweld aan te doen.

    De auteur heeft zijn jeugd in Enniscorthy doorgebracht en de omgeving is ook het decor voor ander werk, maar die wereld is slechts een deel van zijn oeuvre. Hij heeft interessante romans gewijd aan de schrijvers Henry James en Thomas Mann. En ook een aan Maria, volgens de christelijke legenden de moeder van Jezus, en een romanbewerking gemaakt van Euripides’ Oresteia. Al deze boeken zijn door critici geprezen en met literaire prijzen bekroond.

     

  • Juweel van een roman over verliezers in het Duitse interbellum

    Zelden zoveel slampampers bij elkaar gezien als in de roman Mensen naast het leven van de jonggestorven Duits-joodse auteur Ulrich Alexander Boschwitz (1915-1942). Slampampers maar ook overlevers. De roman werd in 1937 gepubliceerd, niet in het Duits, maar in het Zweeds. Boschwitz verliet Duitsland in 1935, emigreerde naar Zweden, waar hij de roman op zijn tweeëntwintigste schreef. Blijkbaar kreeg hij het Zweeds in korte tijd onder de knie. Hij vluchtte in 1939 naar Engeland, werd er kort geïnterneerd en daarna per boot naar Australië gedeporteerd. In 1942 kwam hij om het leven toen de boot, waarop hij van Australië naar Engeland terugvoer, werd getorpedeerd. In 2018 werd Mensen naast het leven pas voor het eerst in het Duits vertaald. Onlangs is het juweeltje in een uitstekende Nederlandse vertaling van Irene Dirkes door uitgeverij Oevers uitgebracht.

    De roman speelt zich af in Berlijn in de beginjaren dertig, een verschrikkelijke tijd, voorafgaand aan het nazitijdperk. Boschwitz geeft een verbijsterend portret van een aantal werklozen, steuntrekkers en randfiguren die slachtoffer zijn geworden van hun gemankeerde opvoeding, opleiding en gezinssituatie en proberen te overleven in een wereld waarin er voor hen geen werk is. Deze mensen zijn op de een of andere manier met elkaar verweven en komen uiteindelijk in de apotheose van de roman samen in een café met de misleidende naam De Vrolijke Jager.

    De slampampers en overlevers

    De oude bedelaar Fundholz leeft van de pfennigs die hij bij elkaar bedelt, slaapt in een vochtige kelder. Een dikzak die de naam Tonnetje draagt, sleept hij uit mededogen overal met zich mee. Tonnetje heeft alleen belangstelling voor eten en slapen, spreekt in gebrekkige zinnen (‘Tonnetje honger’) en is een blok aan zijn been. Fundholz is, zoals de auteur zegt, een vogelverschrikker, ‘niet gekleed maar omhangen’ en al enkele malen wegens landloperij opgepakt. Hij probeert uit handen te blijven van de politie die hem van de straat wil hebben en onderbrengen in een werkkamp. Via Fundholz krijgen we inzicht in de strategie van de beroepsbedelaar, komisch maar ook mensonterend.

    Dan heb je Grissman, een lafhartige werkloze, die zich te goed voelt voor eerdergenoemden. Hij bezint zich op het plegen van een grote misdaad waardoor hij rijk kan worden om zich uit zijn beklagenswaardige toestand te bevrijden. Grissman heeft geen enkel zelfvertrouwen, omdat hij denkt dat hij zelf de oorzaak is van zijn werkloosheid. Hij is naarstig op zoek naar een vriendin.

    De chique hoer Minchen Lindner zit goed in de slappe was vanwege het herenbezoek dat zij iedere avond ontvangt. Zij is de enige met wat zelfvertrouwen. Zij onderhoudt haar aan lagerwal geraakte vader die door malversaties in zijn werk als gerechtsdienaar in de gevangenis is beland en daarna aan het zuipen is gegaan. Prachtig laat Boschwitz zien dat de snor van haar vader het toonbeeld is van gezag en positie in het begin van de twintigste eeuw (Kaiser, officieren). Deze snor wordt in de gevangenis afgeschoren. Boschwitz begrijpt de symbolen van zijn tijd.

    Tenslotte is er nog de blinde man Sonnenberg, die zijn handicap heeft opgelopen in de Eerste Wereldoorlog. Hij houdt zich in leven met de verkoop van lucifers en het spelen op de trekharmonica. Heel mooi beschrijft Boschwitz de psychologie van de aalmoesgevers: ‘Als ze Sonnenberg tien pfennig gaven, dan wilden ze niet alleen hem helpen, ze wilden tevens investeren in het nobele gevoel ruimhartig te zijn.’ Sonnenberg reageert zijn eigen frustraties af op zijn vrouw Elsi, die bang voor hem is en van hem af wil. Dat leidt tot prachtig geschreven afschuwelijke scènes van een in zijn woede bijna stikkende blinde man die zijn vrouw verrot scheldt en fijnknijpt en daarna spijt heeft.

    Zij die het gelag betalen

    Boschwitz beschrijft zijn hoofdpersonen ironisch en vol mededogen. De schrijver laat zien dat deze mensen het slachtoffer zijn van maatschappelijke en economische ontwikkelingen die niet door hen veroorzaakt zijn. Tussen de verhalen over de mensen door besteedt hij aandacht aan thema’s als rationalisatie, de term die toentertijd gebruikt werd voor de strikte tijdsbeschrijving van het productieproces, waardoor arbeidskrachten werden opgedreven tot hogere productie in dezelfde tijd en mensen zonder werk kwamen te zitten. De term rationalisatie werd internationaal gebruikt en had in de jaren dertig eenzelfde verachtelijke klank als voor sommigen de term ‘globalisering’ nu.

    De roman bevat prachtige scènes waarin de hoofdpersonen met al hun gebreken worden getoond. Het gaat stuk voor stuk om mensen die in hun leven spreekwoordelijk het gelag moeten betalen, maar daar zelf weinig of niets aan kunnen veranderen. De roman blinkt ook uit in scènes waarin bepaalde opvattingen worden geridiculiseerd. Zo wordt de onnozele Tonnetje op een bankje in het park door een vreemdeling, genaamd Müller, getrakteerd op beschouwingen over de ware schuldigen van de malaise in de wereld: de joden en de vrijmetselaars, zoals dat al in de Protocollen van Zion staat vermeld. De man oreert over mensen als Ludendorff, de generaal die van mening was dat Duitsland in de Eerste Wereldoorlog een dolk in de rug was gestoken door het thuisfront, met name door joden. Hij praat ook honderduit over vrijmetselaars als Schiller en Goethe. Tonnetje denkt dat het om groentes gaat die hij nog nooit heeft gegeten, want hij eet enkel koolrapen, zijn lievelingsgerecht. Als Müller hem vraagt of hij een vrijmetselaar is en Tonnetje uit angst ‘ja’ knikt, is dat voor de man de bevestiging dat die vrijmetselaars overal zitten. Hij loopt boos weg en Tonnetje blijft peinzend achter: ‘Schiller, dacht hij, hoe zou dat smaken? Hij had de zoetige smaak van gedroogde pruimen nog in zijn mond. Of dat Schiller was? Hij zou het niet weten.’ Alleen al deze en vele andere schitterende scènes maken het lezen van dit boek tot een genot.

    Ook schrijft Boschwitz prachtige beschouwingen, bijvoorbeeld over wat honger met mensen doet: ‘Honger is de beste kok wordt gezegd, maar ook een uitstekend kalmeringsmiddel. Mensen die wekenlang niets te eten hebben zijn in de meeste gevallen bereid de onjuistheid van hun standpunt in te zien. Meningen en opvattingen worden vale schimmen wanneer je ze niet kunt voeden.’

    Vernietiging van ‘hele volksstammen’

    Aan het einde van de roman komen alle hoofdpersonen van de roman samen in café De Vrolijke Jager. Het café is de pleisterplaats van een groep pooiers die om de politie te misleiden doen alsof ze een zangkoor zijn. Een van de pooiers is Mooie Wilhelm, een jongeman van 26 die bij toeval in het beroep terecht is gekomen. Hij wil eruit, probeert een normale baan te vinden en besluit de pooiersvergadering van zijn beslissing op de hoogte te stellen. Maar zijn goede bedoelingen worden doorkruist door de harde realiteit. Er breekt namelijk een gevecht uit tussen de oersterke blinde harmonicaspeler Sonnenberg en de slapjanus Grissman. De schrijver gebruikt vele bladzijden om de confrontatie tussen deze kemphanen te beschrijven. Het is de apotheose van een boek waarin de beschrijving van de gevoelens van de vechtersbazen samengaat met algemeen maatschappelijke beschouwingen. De confrontatie tussen Sonnenberg en Grissman is een onvermijdelijke, gewelddadige botsing tussen twee mensen die door de omstandigheden vervreemd zijn van het gevoel dat ze nog enige betekenis hebben in de samenleving. Deze confrontatie geeft Boschwitz aanleiding te filosoferen over de totale vernietiging van ‘hele volksstammen’. Volgens de auteur is het te verwachten dat in de volgende jaren nog andere vernietigingen zullen plaatsvinden. Er is een alomvattend gevecht aanstaande waar iedereen bij betrokken zal worden.

    Door deze profetische laag stijgt het boek uit boven het niveau van een komisch en bizar verhaal en dringt Boschwitz door in de kern van de tot ondergang gedoemde samenleving van zijn tijd.

     

     

  • Het echte leven van mastodont Moeyaert

    In de prachtige privédomeinserie van de Arbeiderspers is kortgeleden Een ander leven verschenen van en over de Vlaamse mastodont Bart Moeyaert. Zestig jaar is de gelauwerde schrijver dit jaar geworden en bijna zestig publicaties heeft hij op zijn naam staan: poëzie, proza, theater, literatuur voor jeugd en volwassenen. In 1983 debuteerde hij met de latere ‘longseller’ Duet met valse noten, uitgebracht als 12+ titel. Moeyaert zegt in het egodocument Een ander leven dat het genre van de adolescentenliteratuur ‘schromelijk onderschat’ wordt, dat er vaak vanuit wordt gegaan dat deze literatuur per definitie niet meerlagig is, ‘weinig vlees aan het bot bevat’. Moeyaerts oeuvre is een bewijs van het tegendeel. Zijn werk is veelvuldig vertaald en met vele bekroningen beloond onder andere met de ‘Nobelprijs voor de Jeugdliteratuur’, de Astrid Lindgren Memorial Award in 2019.

    Een ander leven is het verslag van de zoektocht naar de contouren van zijn geschiedenis. Zijn volwassenwording als zevende zoon in een traditioneel gezin wordt beschreven en de achtergrond van en band met zijn ouders. De strijd om schrijver te worden en de persoonlijke zoektocht naar zijn identiteit krijgen veel aandacht en ook poëticale aspecten en duiding van zijn eigen werk komen aan de orde. Het boek is non-fictie, beschrijft feiten, maar wie het werk van Moeyaert kent weet dat er voor de lezer altijd werk aan de winkel is. In dit geval bijvoorbeeld door een originele opbouw waarbij een hersenbloeding van zijn vader de opmaat vormt en poëtische fragmenten uit brieven van zijn moeder als motto’s de hoofdstukken inleiden die starten bij moeders zeventigste verjaardag en niet-chronologisch heen en weer meanderen van Moeyaerts tienertijd tot nu. Een eerste, tweede en derde ‘rust’, korte tussenstukjes, beschrijven hoe de vader, de moeder en tenslotte de spullen het ouderlijk huis verlaten.

    Moeder, vader en geaardheid

    De rode draad van het boek is een driedaags verjaarscadeautje van zoon Bart (dan 35) voor zijn jarige moeder (70) naar Parijs, de stad waaraan Moeyaert veel herinneringen heeft. Moeder geniet met volle teugen. Ze is blij dat ‘ze meer deel uitmaakt van de wereld dan gewoonlijk’. Als ze tijdens het ontbijt in het hotel een geanimeerd gesprek voert met een mondaine vrouwelijke hoogleraar uit New York (‘Kinderen, nee daar heeft ze nooit tijd voor gehad’), een vrouw en een leven over wie ze later die dag nog door fantaseert, realiseert Moeyaert zich tot zijn ontsteltenis dat er voor zijn moeder naast het leven dat ze geleid heeft, thuis met zeven kinderen, ook een ander leven is dat ze niet geleid heeft. Deze ontdekking en ook het feit dat hij niet veel wijzer wordt van zijn moeder als hij doorvraagt, is illustratief. Eigenlijk weet hij heel weinig van zijn moeder, die al heel jong vaderloos opgroeide op een kasteel waar haar moeder huisbewaarster was, die misschien veel minder kinderen had gewild, die zegt ‘nooit’ naar een andere man dan haar vader te hebben omgekeken. Dit laat onverlet dat er een goede en warme band is tussen moeder en benjamin Bart. Hij schrijft met veel liefde over haar, zij geniet tijdens het uitje overduidelijk van hun samenzijn en ze heeft vanaf het moment dat hij het huis verliet fantastische brieven naar hem geschreven waar de lezer van mee mag genieten.

    De relatie met vader is om verschillende redenen moeizamer. In die relatie is de strijd zichtbaar die Moeyaert gestreden heeft om het aan te durven schrijver te worden – pa vindt dat geen beroep met perspectief en eist dat er eerst een degelijke opleiding wordt afgerond – en zijn strijd om homoseksueel te durven zijn. Dat laatste aspect krijgt gaandeweg het boek steeds meer aandacht. De route naar het andere leven dat Moeyaert wil leiden doet denken aan Splinter Chabots Confettiregen. Onontkoombaar en indringend ervaar je als lezer nog maar weer eens hoeveel strijd een niet-heteromens moet leveren voor zelfacceptatie. Bij Moeyaert komt daar de strijd met zijn vader bij, die homoseksualiteit ‘een ziekte’ noemt, die ‘als een gezwel genezen of weggesneden [moet] worden’. De kleine Moeyaert is ‘niet breed, niet groot, mijn stem is hoog. In winkels word ik met meisje aangesproken.’ Mild stelt hij dat zijn vader niet goed weet hoe hij met zijn jongste om moet gaan: ‘Mijn gebruiksaanwijzing is niet helder opgesteld.’ Moeyaert moet voor zichzelf erkennen dat hij niet ‘stoerder’ hoeft te worden en dat de beslissing die hij even neemt als hij 25 is ‘nu ben ik van de jongens af’ een leugen is. Tegenover zijn ouders liegt hij niet maar verzwijgt hij lange tijd dit aspect van zijn identiteit. ‘Wat ongezegd blijft is geen leugen.’ Uiteindelijk beweert vader geen problemen te hebben met de homoseksualiteit van zijn jongste zoon. Hij geeft hem wel het ongevraagde advies mee: ‘Wat jij voelt hoeft niemand te weten.’ Daar denkt Moeyaert het zijne van. Hij is ‘klaar met zijn vaderlijk advies, de meningen, het ingehouden leven.’ In Een ander leven deelt Moeyaert gelukkig veel met de lezer, iets wat ook gewaardeerd wordt door de jury van de BruutTAALprijs voor het beste Regenboogboek van 2024, die Moeyaerts Een ander leven 12 augustus jongstleden deze bekroning heeft toegekend.

    Een gelukkige schrijver

    Het boek is een feest voor de lezer. Moeyaerts schrijfstijl is vlot, beeldend, humoristisch, hier en daar vriendelijk ironisch. Een integer mens klinkt door in de geboekstaafde geschiedenis. Levendig, boeiend en zachtaardig beschrijft Moeyaert zijn jeugd, het gezinsleven, de relatie met zijn broers, het verleden van zijn moeder, zijn zoektocht in de liefde, vrienden en relaties. Dat hij een schrijver is en wil worden, is hemzelf eigenlijk altijd al wel duidelijk geweest, maar ook dat hij niet weet ‘of ik het durf.’ Een aantal mensen blijkt belangrijk te zijn geweest in zijn schrijversontwikkeling: schrijver Aidan Chambers (‘Je bent zo overduidelijk een auteur’), schrijfster Mireille Cottenjé (‘ga eens op de rand van het nest zitten, jij’) en partner Geert (‘Vanaf nu woont in de Van Geertstraat een schrijver’). Hij leert dat de schrijver de eerste lezer is en dat de belangrijkste opdracht is trouw aan jezelf te blijven. Wie een boek ‘te literair’ of ‘te moeilijk’ noemt, spreekt voor zichzelf. Nu durft hij uit te spreken dat een titel tegenwoordig wel een zuivelproduct met een beperkte houdbaarheidsdatum lijkt. ‘Het woord oeuvre krijgt er iets archaïsch door’ waardoor er geen ruimte meer genomen wordt om het werk in een context te plaatsen. Uit zijn eigen indrukwekkende oeuvre bespreekt hij de ontstaansgeschiedenis, receptie en interpretatie van het met (internationale) prijzen overladen jeugdboek Blote handen uit 1995 waarin ‘de schrijver Moeyaert en de man Bart elkaar beginnen te vinden.’ Over het schrijven zegt hij: ‘Schrijven maakt mij gelukkig. Als iemand van mijn werk houdt, […] maakt me [dat] gelukkig.’ Een ander leven is een boek om van te houden.

    ‘Altijd weer die eindes van me’, schrijft Moeyaert in een reactie op een opmerking van een uitgeefster. ‘Ze zeggen wel eens vaker dat mijn verhalen niet met een punt eindigen, […] dat ik te veel aan de lezer overlaat.’ Daar is in dit boek geen sprake van. Het boek eindigt met een ‘laatste rust’ waarin een andere kant van Moeyaerts vader blijkt en met de heerlijke aantekeningen van zijn moeder over hun gezamenlijke dagen in Parijs begin 1996.

     

  • ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    De Iraans-Amerikaanse schrijver Kaveh Akbar (Teheran, 1989) is vooral bekend als dichter. Hij publiceerde o.a. Pilgrim Bell, Calling a Wolf a Wolf en Portrait of the Alcoholic. Met Martelaar! maakt hij zijn debuut als romanschrijver.

    Op zijn tweede is Cyrus Shams na de dood van zijn moeder met zijn vader vanuit Iran naar Indiana in Amerika verhuisd. Zijn moeder zat in een neergehaald vliegtuig. Een oorlogsschip van de Amerikaanse marine schoot op 3 juli 1988 een Iraans lijntoestel uit de lucht, vlucht 655 van Teheran naar Dubai. Alle 290 inzittenden kwamen daarbij om. Omdat zijn moeder Roya het beter vond dat Cyrus op zo’n jonge leeftijd niet meeging op die vlucht, leeft hij nog. Hij voelt zich schuldig, want hij had ook in dat vliegtuig moeten zitten.
    Zijn vader Ali werkt in een kippenfokkerij. Lange zware werkdagen in combinatie met veel drank leiden tot zijn vroege dood. ‘Nu zijn vader dood was, had Cyrus geen ouders meer die zich zorgen over hem konden maken /…/ Wat nog restte van zijn leven had geen zin van zichzelf, wist hij, want die zin kon alleen vorm krijgen in relatie tot anderen.’

    Cyrus is jaren in de ban van drugs en drank, maar hij stopt uiteindelijk met drinken.

    Op zoek naar betekenis

    Cyrus is eind twintig als hij zich verdiept in de geschiedenis van martelaren zoals Jeanne d’Arc, IRA-lid Bobby Sands – overleden door zijn hongerstaking in de Maze-gevangenis – en de ‘Man-voor-de-tank’, die tijdens de studentenopstand in 1989 op het plein van de Hemelse Vrede een tank tegenhield. Zijn appartement heeft hij volgeplakt met zwartwit afbeeldingen van deze martelaren. Daartussen hangt een trouwfoto van zijn ouders. Hij denkt aan het publiceren van een dichtbundel of een roman over martelaren. Cyrus: ‘Ik ben er nog niet uit. Maar heel mijn leven denk ik al aan mijn moeder op die vlucht, dat haar dood van geen betekenis is geweest. Echt letterlijk van geen betekenis. Van geen betekenis. Het verschil tussen 290 doden en 289. Een verzekeringsstatistiek. Niet eens tragisch, snap je? Maar was zij nu een martelaar? Er moet een definitie van dat woord zijn waar zij in past. Daar ben ik naar op zoek.’ Cyrus over de betekenis van de dood: ‘Ik denk niet dat het zo gek is dat ik wil dat mijn dood die wel heeft. Of om een studie te maken van mensen wier dood ertoe deed, weet je? Mensen die hebben geprobeerd om hun dood iets te laten betekenen.’

    Zijn zoektocht lardeert hij met bijzondere verhalen, zoals die over zijn oom Arash die verkleed als engel met een zaklantaarn onder zijn gezicht over het slagveld van de oorlog tussen Irak en Iran rijdt om het lijden van de stervenden te verlichten. Zo geloofden zij dat ze werden bezocht door de engel Gabriël en zo konden ze met waardigheid sterven.

    Zijn vrienden Zee Novak en Sad James wijzen hem bij zijn zoektocht naar het martelaardom op de tentoonstelling Death-Speak in het Brooklynmuseum in New York van de ‘internationaal vermaard kunstenaar Orkideh.’ Zij sporen hem aan naar New York te gaan: ‘Je wilt schrijver zijn. Zo gaan schrijvers te werk. Ze gaan achter het verhaal aan. Het is een omslagpunt. Je kunt die droeve, nuchtere man in Indiana blijven die altijd verkondigt dat hij schrijver wil worden, of je kunt er echt een gaan worden.’ Orkideh is gediagnosticeerd met terminale borstkanker en nodigt bezoekers in haar allerlaatste installatie uit voor een gesprek tijdens de laatste weken en dagen van haar leven die zij ter plekke in het museum zal doorbrengen. In een ‘abramoviceske performance’ kunnen museumbezoekers een paar minuten bij haar zitten ‘om frank en vrij over de dood te spreken.’

    Ontmoetingen in het Brooklyn Museum

    Meerdere hoofdstukken zijn gewijd aan de ontmoetingen tussen Cyrus Shams en Orkideh in het Brooklyn Museum. Hij vertelt haar dat hij studie maakt van al die mensen die zijn gestorven voor iets waarin ze geloofden. ‘Doodgaan. Het lijkt zo’n verspilling als je gewoon maar voor niets doodgaat. Zonde van je enige goede dood.’ Over de performance van Orkideh: ‘Jij bent dit aan het doen en dus betekent jouw doodgaan echt iets.’ Zij vraagt hem of hij een ‘weer zo’n door de dood geobsedeerde Iraanse man’ is. Bij de tweede ontmoeting vertelt Orkideh hem dat zijn project haar doet denken aan al die geweldige Perzische spiegelkunst. Uit Isfahan reisden ontdekkingsreizigers naar Europa. Daar zagen ze grote spiegels. De sjah wilde ook van die spiegels, maar bij het vervoer gingen die kapot: ‘In plaats van enorme spiegelpanelen kregen de architecten van de sjah in Isfahan dure spiegelscherven om mee te werken. En dus begonnen ze daar ongelooflijke mozaïeken mee te maken, heiligdommen, gebedsnissen.’ Orkideh: ‘Daar denk ik vaak over na, Cyrus. Al die eeuwen dat de Perzen de Europese ijdelheid, hun weerspiegeling eigenlijk probeerden te kopiëren.’ Bij de derde ontmoeting vraagt Cyrus waarom ze haar laatste dagen niet doorbrengt met haar familie. Orkideh: ‘Ik ben kunstenaar. Ik wijd mijn leven aan de kunst. Dat is het enige wat er is. /…./ Ik wijd mijn leven aan de kunst omdat die blijft /…/ Dat is wat de tijd niet kapotmaakt.’  Het motto van haar tentoonstelling Death-Speak luidt: ‘Kunst is waar wat wij overleven overleeft.’

    Orkideh doet orakelachtige uitspraken over zijn zoektocht naar het martelaarschap: ‘Wat ik bedoel is dat ik denk dat je je echte einde misschien ontdekt als je er niet langer naar zoekt. Ik denk dat echte eindes zich meestal van buitenaf naar binnen werken.’

    Bijzondere stijl

    Kaveh Akbar heeft een bijzondere manier van vertellen. Hoofdstukken over Cyrus’ moeder Roya Shams, zijn vader Ali Shams en zijn oom Arash, worden afgewisseld met hoofdstukken uit zijn schooltijd, zijn drank- en drugsperiode. Er zijn hoofdstukken met dromen, o.a. over zijn gesprekken met Orkideh en fragmenten uit zijn Martelarenboek.docx. Bovendien bevat het boek korte citaten uit officiële Amerikaanse en Iraanse onderzoeksrapporten over het neerstorten van vlucht 655. Vanuit Amerikaans standpunt is het neerschieten van het lijntoestel ‘niet met opzet’ gebeurd; in Iran wordt de aanslag op een postzegel gezet om te gebruiken als propagandamateriaal tegen Amerika.

    De roman zit knap in elkaar. De hoofdstukken kunnen gezien worden als stukjes van een gebroken spiegel: aan het eind is het mozaïek klaar en heeft de lezer een duidelijker beeld van hoe alle gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

    Clarice Lispector

    Cyrus’ roman spitst zich toe op de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze dood ertoe doet? Uiteindelijk is zijn boek af, hij zal net als Orkideh een kunstwerk nalaten. In een droombeeld ziet hij ‘zijn familie, allebei zijn ouders, zijn boek, zijn eigen gezicht. Zonder toekomst, als een verbrijzelde glazen bol.’ Martelaar! heeft een motto van Clarice Lispector. Vooraan: ‘Mijn God, nu pas moet ik eraan denken dat mensen doodgaan.’ En na de laatste bladzijde wordt dat citaat herhaald, met de toevoeging: ‘Maar… maar ook ik? Niet vergeten dat het vooralsnog aardbeientijd is.’ De citaten zijn afkomstig uit haar laatste boek Het uur van de ster. Kort na het verschijnen ervan overleed de schrijfster, net voor haar zevenenvijftigste verjaardag. Mede door deze citaten vraagt de lezer zich af wat er van Cyrus is geworden. Zo blijft Martelaar! na lezing nog lang rondzingen in het hoofd van de lezer.

    Met zijn ruim 400 bladzijden is Martelaar! een interessant en boeiend boek. Vertaler Hans Kloos, die de lezer ook nog kan kennen van zijn vertaling van Ik ben een eiland van Tamsin Calidas, leverde weer een mooie vertaling af. Wie meer wil weten over Akbar en zijn debuut kan terecht op het Crossing Borderfestival op 2 november in Den Haag.

     

     

     

  • Toen Gaza nog gewóón een hel was

    De Palestijnse auteur en psycholoog Mahmoud Jouda schreef Een tuin voor verloren benen vóór de terreuraanslag in oktober 2023, die de achtergrond van de roman achteraf nog dieper rood kleurde dan hij al was en het toenmalige decor uiteindelijk veranderde in één grote ruïne. Die lugubere anachronie maakt de thematiek van Een tuin voor verloren benen niet minder schrijnend.

    In 2018 en 2019 verzamelden duizenden bewoners van Gaza zich elke vrijdag bij het hek dat de grens met Israël markeerde. Het protest kreeg al gauw de naam ‘De Mars van de Terugkeer’ – naar de plekken vanwaar de Palestijnen rond 1948 waren weggejaagd. In het begin had de wekelijks manifestatie nog iets gemoedelijks. Maar toen de stemming grimmiger werd en er stenen over het hek werden gegooid, schoten de grenswachten met scherp, op de knieën van de betogers. De door dumdumkogels verwoeste benen moesten meestal worden geamputeerd. Niet zelden stierven de slachtoffers aan complicaties.

    Chroniqueur

    De ik-figuur in Een tuin voor verloren benen neemt zelf niet actief deel aan de demonstraties, hij fungeert uitsluitend als chroniqueur. Hij tekent de verhalen van de slachtoffers op en probeert op die manier zijn bijdrage aan de strijd te leveren. In die zin is het hoofdthema van de roman niet zozeer het lot van de Gazaanse bevolking, maar de rol van de schrijver daarin, of – meer in het algemeen – de rol van schrijvers in tijden van onderdrukking, oorlog en genocide. Het liefst wil de ik-figuur ‘ontsnappen aan de verhalen over de demonstraties’, die ‘de stad in een gewonde plek’ hadden veranderd. Maar omdat hij door iedereen als een begenadigd schrijver wordt beschouwd (‘Ze bewonderde mijn schrijfstijl, zei ze. Dat was geen verrassing, want ik kreeg veel van dat soort berichten’) ziet hij in dat hij zich niet afzijdig kan houden: ‘iets in mij dreef me ertoe naar de verhalen van deze mensen te luisteren’.

    Die verhalen liegen er niet om. Vaders die hun veelbelovende zonen zien wegkwijnen in een rolstoel. Een moeder die het been van haar kind ‘volledig’ ziet wegrotten, ‘overwoekerd door gangreen’. Een nichtje dat zwaar gewond clandestien over de grens moet worden gesmokkeld voor een hopelijk levensreddende operatie. Een zwaar gewonde strijder die koste wat kost de begrafenis van zijn gesneuvelde kameraad wil bijwonen. Er komt geen eind aan de verschrikkingen.

    Dat laatste maakt Een tuin voor verloren benen gaandeweg wat moeilijk te verteren. Hoe intens en indringend de verhalen ook zijn opgetekend, hoe goed het ook is dat het inferno in de openluchtgevangenis die Gaza heet tot in detail wordt beschreven, met alle passie en empathie die eigen is aan echte literatuur, na het zoveelste kapotgeschoten been weet je het als lezer wel – hoe cru het ook klinkt. Daar komt bij dat de vertellingen qua vertelinstantie soms lastig te volgen zijn. De ik-figuur ontmoet iemand die hem vertelt over een verhaal dat weer iemand anders diegene verteld heeft, en dat verhaal wordt weergegeven in de directe rede, waardoor het op een bepaald moment volstrekt onhelder is wie er nu eigenlijk het woord voert.
    De ‘tuin voor verloren benen’ in de titel van het boek is een verzinsel van de ik-figuur dat voortkomt uit een terugkerende droom, waarin Hassan, de beste vriend van de ik-figuur (en min of meer zijn muze) vertelt dat hij in de nabijheid van het afscheidingshek een soort erebegraafplaats voor geamputeerde benen heeft aangelegd, die gaandeweg opbloeit tot een tuin van hoop en bezieling. Ook in die dromen komen zeer gedetailleerd vertolkte verhalen vol afgeschoten ledematen voor, alsof de dagelijkse werkelijkheid niet gruwelijk genoeg is.

    Initiatief

    Dit neemt niet weg dat het initiatief van Uitgeverij Jurgen Maas en vertaalster Djûke Poppinga om meer aandacht te besteden aan literatuur uit Gaza de komende vijf jaar telkens ten minste één Palestijnse roman te publiceren, zeer te prijzen valt. Het wrange lot van de machteloze, gegeselde bevolking van Gaza kan niet vaak en indringend genoeg beschreven worden. Dat kan het beste van binnenuit, wat het des te navranter maakt dat Mahmoud Jouda zich in maart 2024 gedwongen zag met zijn familie naar Egypte te vluchten. De ziekenhuizen waarin de verloren benen werden geamputeerd, zijn intussen zelf kapotgeschoten.

     

     

  • Vredig berustend met de dood in zicht

    Het late leven is geen autobiografische roman die de succesvolle auteur Bernhard Schlink schreef over ouder worden, maar het thema zal hem na aan het hart liggen. Dat thema is, kort gezegd: hoe worden we oud en wat en hoe laten we als – figuurlijke – erfenis na? Schlink brak als schrijver laat door, naast een loopbaan als jurist. Maar dan wel meteen met een geweldig mooi boek, De voorlezer (1995), over de holocaustverwerking in Duitsland dat een paar jaar na verschijnen geleidelijk aan een bestseller werd, mede door de verfilming. Eerder schreef hij misdaadromans. In zijn latere werk bleef Schlink dicht bij de actualiteit, laatstelijk in De kleindochter (2022) over rechts radicalisme in het voormalige Oost-Duitsland, en de verhalenbundel Afscheidskleuren over, hoe kan het anders, afscheid. Schlink is tachtig, leidt een actief bestaan in afwisselend Duitsland en de VS (New York) en is emeritus hoogleraar rechten. Op die leeftijd zul je weleens gedachten hebben over het (aflopende) leven en hoe je herinnerd wilt worden.

    Dat is dus precies het thema van het mooie, rustige en evenwichtige Het late leven. Net als in het laatste verhaal uit Afscheidskleuren is hoofdpersoon Martin zesenzeventig en getrouwd met de veel jongere Ulla van begin veertig. Anders dan in dat verhaal met een heel optimistisch en vitaal perspectief, heeft Martin nu net de aanzegging gekregen van een ongeneeslijke alvleesklierkanker. Hij heeft nog rond zes maanden te leven. Zijn kalme, evenwichtige bestaan waarmee hij heel tevreden is, met een paar wetenschappelijke klusjes, het naar school brengen en halen van hun nog jonge David van zes, de tuin, de boodschappen en het koken, alles staat op zijn kop. Hoe verhoudt hij zich tot dat opeens zo andere perspectief? Zijn vrouw werkt als succesvol kunstenaar en galeriehoudster. Hun romance was voor hem en voor haar een verrassing en biedt met de duidelijke taakverdeling ondanks het grote leeftijdsverschil een prettig vastomlijnd levenskader.

    Na de schok

    Direct na de onheilstijding komen vragen op, vooral bij Martin die meer tot contemplatie is geneigd dan Ulla. Wat gaan we deze maanden nog doen, wat laat ik hen en met name David na? En op welke manier? Moeten het voorwerpen zijn, maar welke? Die waaraan hij hecht? Maar zal dat ook voor David zo zijn? Wat is een geschenk en wat wordt tot last? Ulla dringt aan op een video bij de begrafenis, maar Martin kiest voor brieven over de grote thema’s in het leven, zoals goed en kwaad, werken en leven, de liefde. En later voor een – zwaar symbolische – composthoop die David en hij samen maken.

    Hun leven lijkt nog verder ontwricht te worden door de verhouding die Martin met enig detectivewerk ontdekt van Ulla met een andere, jongere man. Hij wordt niet werkelijk boos maar berust daarin en gaat zelfs constructief in gesprek met de man in kwestie over een toekomst zonder hem maar met Ulla en David. Dat is wel erg berustend en wijs, maar ook wel in lijn met het kalme en zachtmoedige karakter van Martin.

    Ulla en hij kiezen voor de vlucht vooruit en vertrekken met David voor een paar laatste weken in intiem gezinsverband naar de Duitse kust. Hoewel hij lichamelijk steeds zwakker wordt, beleeft Martin rijke weken. Hij lijkt de kunst van het loslaten goed te hebben geleerd en toegepast. Dit deel van het leven is het ‘voorlaatste hoofdstuk’ dat Martin vult met een vrede die optrad na de eerste schok van de medische diagnose en de heftige ontdekking van Ulla’s vreemdgaan. Hij rust en slaapt veel. Ook bezoekt hij het strand en hoewel eten moeilijker wordt eet hij zo lang mogelijk mee. Hij geniet van de steeds sterker wordende David die op school wordt gepest, droomt niet alleen over het verleden maar heeft ook beelden van een leven voor Ulla en David zonder hem. Boosheid en verongelijktheid zijn hem vreemd, wel huilt hij – eindelijk – meer dan vroeger. ‘Hoe zwakker hij werd, hoe vaker hij huilde. Als jongen vond hij dat hij zijn tranen moest bedwingen en was het verleerd. Tientallen jaren had hij niet kunnen huilen, en al verlangde hij er nu naar, het was een vloek. Nu gebeurde het als hij een merel hoorde zingen, als het geluid van spelende kinderen tot hem doordrong of als de zon onderging.’ Treffend opgeschreven, zeker als deze passage wordt bekroond door een dichtregel van Heinrich Heine: ‘dat het leek alsof zijn brekend hart van vreugde zou kunnen bloeden.’

    De kunst van het loslaten

    Het late leven is een fijnzinnig, stil, melancholisch boek dat je in een rustig tempo zou moeten lezen. Het begin alleen al. ‘Hij nam niet de lift, maar de trap. Hij liep langzaam naar beneden, tree na tree, etage na etage, het wit van de muren viel hem op, het groen van de getallen die naast de lift de etages aangaven, het groen van de deuren. Toen stond hij buiten en vielen hem de frisse lucht op, de voetgangers op de stoep, de auto’s op straat, de steigers voor het huis aan de overkant. Zijn eerste gedachte was dat hij in plaats van de trap de lift had moeten nemen, nu hem nog maar zo weinig tijd restte.’

    Daarmee valt de auteur met de deur in huis; de kunst van het loslaten, het besef van vergankelijkheid, de relativiteit van wat vroeger belangrijk was en tevens de verscherpte blik op alles wat tot dan toe gewoon en routine was. De dilemma’s die zich aandienen, moet je alles nu juist snel doen of toch langzaam of gewoon? Maar ook een zo logische gedachte als hoe zou het met de wereld gaan, komt er oorlog tussen de VS en China, hoe gaat het met het klimaat? ‘Hij hield niet van de dood omdat hij niet zou weten hoe alles verder zou gaan.’ En het onoplosbare dilemma: ’Hij hoefde niet eeuwig te leven, maar had graag verder geleefd op een manier die hem in staat zou stellen om de komende eeuwen op dezelfde manier te zien als hij de afgelopen eeuwen zag.’ Voor een jurist en rechtsfilosoof met een speciale interesse in de geschiedenis van het recht een prangende gedachte.

    Ontroerende roman

    Is er dan niks aan te merken op het boek? Ach, Ulla wordt soms meer als decor dan als levensecht geschetst, Martin is wel erg bovenmenselijk rustig en verdraagzaam. Maar wat zou het als een boek je zo meesleept in afstand nemen, loslaten en aanvaarden van het lot met een korte tijd voor reflectie over wat essentieel is en wat niet. Martin had een gelukkig leven, zeker de laatste twaalf jaar met een jonge Ulla en op zijn zeventigste nog een kind, een ‘geschenk waar je geen vraagtekens bij plaatst’.

    Deze ontroerende roman van een auteur die nooit tot de literaire incrowd wilde behoren pakt je bij de keel. Misschien is Schlink als jurist als geen ander in staat om helder en scherp te schrijven, zonder onnodige uitweidingen of ingewikkelde constructies. In een interview met de Volkskrant heeft Schlink een hele mooie, troostende gedachte voor lezers op leeftijd laten optekenen: ‘Wat ik heb willen zeggen in Het late leven: het late leven is een echt leven. Het is niet zo dat het geleidelijk bergafwaarts gaat. Het is een intens leven met, wederom, zijn eigen uitdagingen, zijn eigen problemen en zijn eigen vreugde.’

    Deze schrijver geeft een grote mate van zuiver lezersgenot, en ook nog een portie troost over de schoonheid van het ouder worden. Jongere lezers zal het wellicht minder aanspreken, maar dit wijze en aangrijpende boek is het waard om met aandacht woord voor woord te savoureren.

     

  • De vrolijke waanzin van Hamsuns honger

    Schrijven om te overleven, in letterlijke zin. De naamloze verteller uit Knut Hamsuns Honger (1890) weet er alles van. Deze zonderlinge figuur moet in de straten van Kristiana, het huidige Oslo, in mensonterende omstandigheden zijn kostje bij elkaar scharrelen. Op visionaire wijze beschrijft Hamsun wat alle soorten honger met een mens doen. Hij doopt je onder in de hersenspinsels, wanen en hallucinaties van een man op het randje van de dood, het scherp van de snede en de drempel van genialiteit. Uit dit wankele evenwicht schept hij een psychologische tour de force die zijn gelijke niet kent. De hertaling van de hand van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders, uitgebracht bij uitgeverij Oevers (2022), brengt deze klassieker weer helemaal bij de tijd.

    Bij verschijning veroorzaakte Honger al flink wat opschudding omdat de details rechtstreeks uit de persoonlijke ervaringen van Hamsun kwamen. Alle hemeltergende details over de honger zijn daarom des te levensechter, hij overwoog om anoniem te publiceren omdat hij zich schaamde voor de armoede. In de tijd voor zijn doorbraak kon Hamsun nauwelijks rondkomen en had hij al zwervend allerlei luizenbaantjes. De honger die aan de ingewanden van de hoofdpersoon knaagt is meer dan alleen de fysieke variant, hij is net zo hongerig naar literaire erkenning en liefde. In Honger is Hamsun op zijn top, je vindt nergens anders de combinatie van rauwe wanhoop en enorme intensiteit die zichzelf kannibaliseert. Wie het spoor van elke gril van de hoofdpersoon volgt eindigt al net zo duizelig.

    De vinger van God

    Gedreven door een staat van delirium schrijft de hoofdpersoon de meest wonderlijke artikelen die hij voor een paar centen aan kranten verkoopt om niet van de honger om te komen. Tegelijkertijd lijkt hij de honger nodig te hebben om te kunnen schrijven. Zijn meest creatieve momenten heeft hij vaak als hij zich in de greep bevindt van de ‘vrolijke waanzin’ van de honger. Naast het verzinnen van artikelen liegt hij uit nieuwsgierigheid aan de lopende band alles bij elkaar. Hamsuns hoofdpersoon wordt alle kanten op getrokken en is even gevoelig als een emotionele seismograaf. Zijn lot leidt hem net als Job tot een serie rancuneuze aanklachten aan het adres van God: ‘God had zijn vinger in mijn zenuwstelsel gestoken en behoedzaam en nauw merkbaar de verbindingen wat verstoord. En nu had God zijn vinger weer teruggetrokken en kijk, er waren wat vezels en tere worteldraadjes van mijn zenuwen aan die vinger blijven zitten. En zijn vinger, die Gods vinger was, had een gapend gat achtergelaten en wonden in mijn hersenen waar zijn vinger was geweest.’

    De lezer krijgt weinig informatie over de werkelijke omstandigheden van de hoofdpersoon. Alleen zijn verpletterende armoede is duidelijk en een zeker plezier dat hij schept in het schofferen van met name de politie en de middenklasse. Door zijn sterke plichtsgevoel kan de hoofdpersoon moeilijk hulp accepteren en maakt hij het zichzelf erg lastig. Hij wil bijvoorbeeld zelden giften aannemen. Hij is een vat vol contradicties en dat maakt hem zo ongrijpbaar. Tussen de regels door ontstaat een beeld van een man die vroeger een vermogend leven moet hebben gehad maar die nu bestaat bij de gratie van de goede gunsten van zijn hospita en de grillen van een redacteur. Zowat al zijn bezittingen heeft hij al naar de lommerd gebracht. Als de nood echt aan de man komt gebeurt er vaak iets wat de nood tijdelijk opheft, maar nooit voor lang. Dit maakt het ook een verhaal over het belang van kunst creëren als levensbehoefte in extreme omstandigheden. De ficties van de uitgehongerde schrijver functioneren als een ontwrichtend gegeven. In het ontdekken hoever hij hiermee kan gaan stelt Hamsun vraagtekens bij de goedgelovigheid van de lezer. Want hoeveel is verzonnen en hoeveel is echt?

    Buitenstaander

    Ten prooi aan wrede recollecties zwerft de hoofdpersoon in armoedige staat over de straten van de hem vijandige stad. Tot op het bot vernederd komt hij meerdere keren afzienbaar dichtbij de ondergang. Naast de constante armoede is de andere rode draad het meisje dat hij Ylajali noemt, die drie keer terugkomt in het verhaal. In deze wanhopige verhouding is geen plaats voor een echte romance, daarvoor is de hoofdpersoon te zeer gebonden aan zijn ‘kletspraat en boekentaal’. Zij ziet in hem eerst een losbol, maar als hij zijn werkelijke toestand aan haar beschrijft schrikt ze en is hij opeens een gevaarlijke gek. Door zijn wispelturige gedrag is hij veroordeeld tot de positie van eeuwige buitenstaander.

    De speciale gevoeligheid van de zenuwlijder is het bijzondere onderwerp van Hamsun. Nooit krijgt de lezer een vinger achter het karakter van de hoofdpersoon, hij ontglipt elke beschrijving en karakterschets. Altijd maar balancerend op de rand van een inzinking bestaat hij in de eeuwige ironie van Kierkegaard. Of op de rotspunt die Dostojewski beschrijft in Misdaad en straf. Hij kan op een gegeven moment zijn wanen nauwelijks meer van de werkelijkheid scheiden. Of zijn gekte echt of gespeeld is laat Hamsun aan de verbeelding over. De oververhitte stream of consciousness van de fantasierijke hoofdpersoon zorgt voor een wervelend relaas.

    Verschil vertaling

    Net als Hamsuns vitale elan de literatuur nieuw leven inblies zet de vertaling van Adriaan van der Hoeven en Edith Koenders (2022) de brontekst weer op scherp. De vorige Nederlandse vertaling van Cora Polet dateert alweer uit 1976 en wijkt op belangrijke grammaticale punten af van de nieuwe vertaling. Het verschil is opvallend te noemen. Polet wijzigde bijvoorbeeld geregeld de verspringende werkwoordtijden en de grillige interpunctie omdat deze als storend werden ervaren. De wilde expressieve stijl van Hamsun wordt bij Polet op deze manier enigszins beknot en in banen geleid.

    In het nawoord van de nieuwe vertaling wijzen de vertalers op de innerlijke onrust die weerspiegeld wordt in de tekst. Die onrust gecombineerd met de buitengewone precisie van Hamsuns taalgebruik zijn kenmerkend voor het effect dat hij probeert te bereiken. Juist het wisselen van tegenwoordige en verleden tijd weerspiegelt de onbetrouwbaarheid van de verteller en zijn wispelturige invallen. Dit heen en weer springen in tijden en aanspreekvormen is dus niet alleen belangrijk voor het ritme van de tekst maar behoudt ook de originele bedoeling van de auteur. Dat redigeren is het karakter van de roman wijzigen. De gekte lijkt opeens minder willekeurig en het manische tempo is niet meer zo bezeten. Ter illustratie volgt hier hetzelfde fragment uit beide vertalingen:

    1976: ‘De honger had zijn aanval op mij nu ingezet. Ik zat te kijken naar het witte zakje dat bol scheen te staan van glanzend zilvergeld en spoorde me zelf aan te geloven dat er werkelijk iets inzat. Ik zat stijf rechtop en wilde dat ik het juiste bedrag zou raden-‘

    2022: ‘Nu kreeg de honger me te pakken. Ik keek naar dat witte zakje alsof het bol stond van de zilveren munten en zweepte mezelf op te geloven dat er echt iets in zat. Ik daagde mezelf hardop uit het bedrag te raden-‘

    De vertalers van de nieuwe vertaling hebben geprobeerd het ritme van de teks zo getrouw mogelijk te volgen om zo de innerlijke spanning te behouden. Het zijn juist die elementen die van Hamsuns roman een wegbereider van het modernisme maakten. Hij wilde de lezer volledig doen ondergaan in die razende gedachtestroom. Daarnaast is de woordkeuze in de nieuwe vertaling iets moderner en directer. Hamsun was minder geïnteresseerd in de standaard roman maar wilde iets nieuws scheppen, zijn individu laat iets van het essentiële mysterie van menszijn zien in al zijn onsamenhangende complexiteit. Iets wat hij in zijn volgende roman, Mysteriën, des te sterker zou treffen in de figuur van Nagel.

     

     

  • Aangename psychologische thriller

    Harman Nielsen schrijft met Vrouw met litteken een zelfstandig te lezen vervolg op Impasto dat in 2008 verscheen. Daniel, voorheen diplomaat en nu fulltime kunstschilder en de ik-verteller, wordt tijdens zijn werk gestoord door Suzanne. Ze kennen elkaar van vijftien jaar geleden toen ze een korte affaire hadden in Sarajevo (Impasto), waar zij als juriste betrokken was bij een dodelijk ongeluk van een vrouw die Daniel heeft geschilderd.

    Daniel laat geen emotie zien wanneer hij Suzanne binnenlaat, of het moet het obsessieve schoonwrijven van de olieverf van zijn handen zijn. ‘”Je hoeft dit niet te doen,” zegt ze, op twee passen van mijn drempel en met haar rug bijna tegen de balustrade van de galerij, alsof ze erop rekent dat ze dadelijk weer zal moeten vertrekken. Ik sta in de gang, achter de deurmat, terwijl ik nog verf van mijn handen wrijf met de doek die ik ongeduldig van de ezel heb gepakt toen de bel ging.Een mooi voorbeeld van show, don’t tell. De ex-geliefden zijn duidelijk aan elkaar gewaagd, zonder veel woorden hernieuwen ze de vriendschap, die eigenlijk verdergaat waar hij destijds werd afgebroken: in bed.

    Onderzoek

    Suzanne komt met een missie. Ze heeft zijn hulp nodig. In Vrouw met litteken is er, net als in Impasto, ook een vrouw die na een ongeluk overlijdt. De vrouw van nu, Antonia van Staveren, beheerde in Den Haag een safe-house voor de AIVD, waar diplomaten of ambtenaren even konden onderduiken. Maar ze dreef er ook een bordeel en gaf bloemschikcursussen, als dekmantel. Wanneer Antonia van Staveren dood onderaan de trap van haar huis gevonden wordt, is er een verband met de zelfmoord van de schijnbaar onbeduidende ambtenaar Leonard Heemskerk, werkzaam voor de AIVD. Hij zou Huize Constance meermalen bezocht hebben.

    Daniel en Suzanne luisteren bij Gijs, eveneens oud-diplomaat en jurist en vriend van Suzanne, naar de bandopname waarin twee ambtenaren van de AIVD en BZ de zaak rond de ‘toevallige’ dood van de twee mensen uitleggen. De financiën en begrafenis van Antonia van Staveren worden afgehandeld door een majoor met onberispelijke staat van dienst. Suzanne krijgt de opdracht om het juridische deel voor haar rekening te nemen. ‘”Vragen jullie dus van me om een onderzoek te starten? Naar wat jullie hebben gedaan?” “Niet echt. Niet een onderzoek in eigenlijke zin en niet zo zeer naar wat wij hebben gedaan, Suzanne.” Joost Hofman. Hij schraapt zijn keel. “Volgens ons is onze positie namelijk juridisch over het geheel genomen in wezen gezond en bovendien vinden we dat de hele kwestie uit het oogpunt van veiligheid verder beter kan worden vergeten. Maar dat ene punt, Felix zei het al, blijft.”’ Dat ‘ene punt’ is de aanleiding voor dit verhaal, dat als thriller wordt aangekondigd, maar eerder een psychologische roman is. Hoewel Suzanne net haar ontslag heeft ingediend, raakt ze zo gefascineerd door het verhaal van Antonia van Staveren dat ze deze schijnbaar gewone vrouw beter wil leren kennen, de opdracht aanneemt en Daniel erbij betrekt. Waar haar fascinatie precies vandaan komt, blijft onduidelijk, zoals ook elders in het verhaal de lezer bepaalde aannames moet accepteren.

    Na het bezoek aan Gijs rijden Daniel en Suzanne met de sleutel van Antonia’s huis in Suzannes eend (Deux Cheveaux) naar Huize Constance. Die eend is wel een apart detail, welke juriste van middelbare leeftijd rijdt er nog in een eend, en zou de jongere lezer sowieso een beeld hebben bij deze auto? Het doet niet ter zake in het verhaal, maar het zorgt beslist voor sfeer en wellicht zegt het iets over Suzanne.

    Waarom zij Daniel betrekt bij haar onderzoek is omdat hij als kunstschilder beter zou kunnen kijken. En dat doet hij inderdaad, op een heel andere manier dan Suzanne. Bladzijden lang lopen de twee door het verzorgde huis en de goed onderhouden tuin met bloemenborders van Antonia van Staveren. Daniel doet minutieus verslag, terwijl ze de haar fataal geworden monumentale trap zo lang mogelijk vermijden. Antonia van Staveren hield van bloemen, overal staan grote boeketten. Het huis is duidelijk ingericht voor bloemschikcursussen, maar dat blijkt voor tweeërlei uitleg vatbaar. De ruimtes zijn ook ingericht om je intiem in te kunnen terugtrekken. En zijn de laag geplaatste kranen in de grote badkamer bedoeld om emmers met bloemen bij te vullen, of dienen ze als gemak voor de meisjes om zich van onderen te wassen? Daniel ontdekt andere zaken dan Suzanne, zoals een doos ‘voor de helft gevuld met in glanzend wit plastic verpakte condooms.’ Waarover hij de snedige opmerking maakt: ‘Alles voor het bloemschikken is voorhanden, dus ook een voorraad van de onmisbare rubber omhulsels waarmee wordt voorkomen dat tere bloemstengels hun kostbare sappen verliezen, waarna ze slap zouden hangen.’

    Beelden van Antonia

    De roman beslaat slechts twee dagen. Daniel en Suzanne gaan er vol in, maar hun aannames over hetgeen gebeurd zou kunnen zijn komen hier en daar wat uit de lucht vallen. Zoals de code voor de brandkast, en het grote geheim: het litteken dat Antonia van Staveren met zich meedroeg. Door haar fotoalbum bladerend trekt juriste Suzanne vlotweg de juiste conclusies.

    Ze bezoeken de achterbuurvrouw, een bloemenwinkel, de weduwe van de suïcidale ambtenaar van Buitenlandse Zaken die een bezoeker van Huize Constance was, en de huisarts. ‘”Ik wilde die huisarts maar bellen voor een afspraak. Tenzij jij vindt dat we voldoende weten. Kun je haar zien, Daniel?” Ik blijf staan en kijk naar de immense kalkwitte achtergevel, maar terwijl ik zopas alleen aan de keukentafel zat, werd me al duidelijk dat ik me Antonia nu wel in Huize Constance kan voorstellen: lang en bleek, met donker haar en grote donkere ogen omgeven door tinten groen, rood en grijs, terwijl ze traag dwaalt van haar kas naar haar piano en zich herinnert dat ze als meisje inschikkelijk met zich liet sollen waarna ze er geld voor vroeg…’ Bij de huisarts, die een bijzonder verhaal vertelt over lotsbestemming, vallen de beelden in Daniels hoofd samen. Hij ziet het schilderij dat hij van Antonia van Staveren zal maken al voor ogen.

    Later die dag doen ze aan Gijs uitgebreid verslag van hun wederwaardigheden. Het is Gijs die hier de uiteindelijke, juiste conclusies trekt en de dader bij hem thuis uitnodigt. Opnieuw via een bandopname, worden Daniel en Suzanne – en de lezer – tot in de details op de hoogte gesteld van het wel en wee van de dader, die ook slachtoffer is. De onthulling komt eigenlijk niet als een verrassing. Het is zijn motief dat het verhaal een diepere psychologische laag geeft, met als belangrijke thema’s liefde, eenzaamheid, verlies en verlangen.

    Doordat Vrouw met litteken vanuit Daniels perspectief wordt verteld, tonen sommige personages vlakke emoties. Het plot is wat vergezocht, omwille van de vaart worden enkele vlotte aannames gedaan. Desondanks is het een aangenaam verhaal dat een paar mooie beelden op het netvlies achterlaat en een uitnodiging om ook Impasto te lezen.

     

  • Poëzie om de wereld te kunnen aanzien

    Wie tegen de vijftig loopt en daarmee statistisch gezien de helft van zijn leven achter zich heeft, gaat zichzelf onwillekeurig vragen stellen over de eerste helft: Wie was ik vroeger? Ben ik geworden wie ik altijd al wilde zijn? Wat doe ik met de rest van de mij toegemeten jaren?

    Ook Bernard Wesseling stelt die vragen in zijn nieuwe bundel Ontkrachtingen en Affirmaties. Maar bovendien vraagt hij zich af hoe hij zich nu verhoudt tot de wereld, vergeleken met vroeger. De titel van de bundel geeft dat al aan: wat kan ik behouden van vroeger, wat is vals gebleken? Wat neem ik mee, wat wijs ik af? Wat is waan, wat zijn zekerheden? In de gedichten kijkt Wesseling met een kritisch oog naar de wereld en naar zichzelf. De afbeelding op de voorkant speelt met vroeger en nu door de woorden van klein naar groot en andersom te laten gaan, alsof daarmee vertrek- en eindpunt steeds gewisseld worden, van verleden naar toekomst.

    De bundel bestaat uit twee naamloze afdelingen, die vooraf gegaan worden door een inleidend gedicht, waarin het jongere zelf van de dichter zich in een brief, een ‘memo’, richt tot het oudere zelf en verantwoording aflegt: ‘Als ik de aanjager was van je ongeluk, dan ook de vonk van je levenslust.’ Met andere woorden: aanvaard wie je was, want het is de kern van wie je nu bent.

    Verzoening

    In de eerste afdeling wil de dichter de wereld doorgronden waarin hij is opgegroeid en die hij nu om zich heen ervaart. Maar vooral is het een poging tot verzoening van de staat van de wereld zoals die is met de mate waarin de dichter die kan bevatten. De wereld dringt zich in de poëzie naar binnen. Dat blijkt al uit het eerste gedicht, ‘Heenkomen’, dat in drie delen vertelt over de geboorte van een kind dat verwekt werd tijdens de vlucht van zijn ouders, die hun thuisland hebben verlaten omdat het er niet veilig was:

    ‘pijnlijk aanwezig, nerveus door omstanders bekeken bij het inschepen
    voor de overtocht naar het Avondland om in die nacht van onbekend
    op onbekend, boven het onpeilbaar diep,
    met de schreeuw waarmee het tijdelijke voor het eeuwige wordt verwisseld,
    buiten territoriale wateren te worden geboren […]’

    Ook wordt er een tolk aan het woord gelaten in het gedicht ‘Een tolk spreekt zich uit’, die een nieuwkomer probeert uit te leggen hoe we hier in Nederland leven. Het is een gematigd kritische zelfbeschouwing: ‘Het moet gezegd: hier hangt de vlag uit van verdraagzaamheid,/ maar het is de handelsgeest die erdoor waait.’

    Wesseling beziet de hem omringende wereld met een milde blik als hij dicht over Jehova’s getuigen, over anarchisten in de trein, een achterneef in een inrichting, of met een aaneengesloten prozagedicht een pagina lang de zaterdagmarkt beschrijft. Het zijn alledaagse dingen en alledaagse mensen die hij beschrijft, maar de buitenwereld en de eigen beleving kunnen moeilijk van elkaar gescheiden worden in een gedicht als ‘Ontwijding’ of ‘Bekentenisgedicht’, waarbij in het eerste sprake is van kindermisbruik en in het tweede van een vroegere relatie met een man.

    Meerdere keren lezen

    Deze gedichten vormen de verbinding naar de tweede afdeling, waarvan de gedichten veel persoonlijker zijn en de altijd aanwezige invloed van de maatschappij minder sterk naar voren komt. Zoals in de eerste afdeling de wereld in de poëzie doordringt, zo kan het andersom ook: poëzie kan een manier zijn om de wereld toe te laten in je persoonlijke leven, een gewaarwording die beide elementen verbindt. In deze afdeling gaat het over de toevalligheid van het bestaan, over ‘Ongerijmdheden’, over de onlogische hoop dat het toch wel in orde zal komen met de wereld. Over het doorgronden van waar je vandaan komt en hoe dat je heeft beïnvloed in je verdere leven.

    Hoewel Wesseling altijd de stijlfiguur ironie hanteert, zijn de gedichten in deze afdeling overtuigender, alsof hij de onderwerpen dichter op de huid zit en niet alleen maar toeschouwer is, maar ook medespeler. Zoals in het lange gedicht ‘Het meesterwerk. Een vertelling met verbeterd einde’, waarin een kunstenaar na het scheppen van zijn beste werk het gevoel krijgt dat er geen ruimte is voor hen beiden: hij moet het kunstwerk vernietigen of de hand aan zichzelf slaan. De laatste versregels luiden: ‘Nee, dacht hij in een pijnlijk helder moment, dat werd afgedwongen door de nabijheid / van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd zoals ik een / van hen ben, zo is het van iedereen.’
    De solitaire liefde voor het kunstwerk moet het afleggen tegen het gevoel bij de anderen te willen horen.

    Het taalgebruik van Wesseling is zorgvuldig en overdacht, zijn beeldspraak verrassend en origineel. Zo zegt hij in het gedicht ‘Regen’ dat je aan de regen kunt zien ‘dat de hand van de schepper die van een striptekenaar is’, omdat regen de wereld lijkt te arceren.

    Het al eerder genoemde gedicht ‘Lofzang op de zaterdagmarkt’ beslaat een hele pagina zonder dat er een komma in te bespeuren valt en met slechts één punt achter het allerlaatste woord, een kunstgreep die de opsomming van wat er te zien is ademloos omhoogstuwt in een sneltreintempo. En in het gedicht ‘Kunstenaars zijn despoten’ beweert de dichter: ‘De muze, mensen, / is een dominatrix. Koudbloedig, in spiegeld latex, rijzweep ter hand, / door hen, zinnelijke beesten, het is waar, zelf aangereikt.’

    De gedichten zijn lang en de zinnen hebben de hele bladspiegel nodig. Hoewel het taalgebruik van Wesseling niet moeilijk is, moet je toch vaak meerdere keren lezen waar het eigenlijk over gaat. Ook gebruikt de dichter veel adjectieven en houdt hij van opsommingen, waarbij je in de gaten moet houden wat het uitgangspunt is. Zo spreekt hij in het gedicht ‘In de trein zit een jonge anarchist’ in de tweede strofe over wat poëzie niet is:

    ‘Poëzie, denk je, is toch vooral veel dingen niet: de agitprop van het pamflet,
    je intelligentie in quotiënten, wenskaartsentimenten, sussende sofismen,
    de santenkraam van naam en faam, de sekse strijd, meteorologische huzarenstukjes,
    intertekstuele hoogstandjes, de tijdgeest gebotteld, de toekomst ontkurkt,
    de viering van vulgariteit, en al helemaal niet De Waarheid in kapitalen…’

    Wat poëzie dan wel is? In een interview met Frits Spits in ‘De Taalstaat’ verklaart Wesseling dat ‘poëzie het middel bij uitstek is om de wereld te kunnen aanzien zonder te verstarren, een manier van leven, een religie voor ongelovigen, een manier van vertrouwen in wie je bent en de vorm waarin je jezelf wilt gieten.’ Met deze affirmaties kan de dichter met een gerust hart aan de tweede helft van zijn leven beginnen.

     

  • Wat is dit voor boek?

    Anne Broeksma (Almelo, 1987) is schrijver, dichter, journalist en fondsenwerver. Voor haar poëziedebuut regen kosmos kamerplant ontving ze het C.C.S. Crone Stipendium; haar tweede bundel Vesper werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de J.C. Bloem Poëzieprijs. Broeksma schrijft over natuur, geschiedenis en literatuur.

    Een verhaal met schubben is haar non-fictiedebuut. Al lezend in dit fantastische boek deed zich de vraag voor: wat ben ik aan het lezen? Een roman? Het verslag van een manie? Een biologiestudie? Een pleidooi voor meer liefde voor de natuur? Het blijkt het allemaal te zijn! Je kunt je afvragen waarom iemand in hemelsnaam een boek wil schrijven over schubdieren, een dier waarvan velen nog nooit hebben gehoord. En nu een heel boek over dit zoogdier.

    Zeven jaar zoeken

    Tijdens een driedaagse retraite die draaide om het drinken van ayahuasca, een bladerdrank uit de Amazone, gericht op het opdoen van inzichten en spirituele groei, ontdekt Broeksma niet alleen zichzelf, maar ook het schubdier. Een geheimzinnig dier, een soort boomdraakje, dat in Azië en Afrika voorkomt en het meest gestroopte zoogdier ter wereld blijkt te zijn. Het wordt haar lievelingsdier. Ze raakt geïntrigeerd en besluit naar het schubdier op zoek te gaan. Zeven jaar lang zoekt ze, eerst nog in boeken en op internet, daarna daadwerkelijk in het verre oosten en in Afrika.

    Broeksma geeft aan dat ‘het’ schubdier niet bestaat: ‘Het schubdier is de idee van een diersoort zoals zich dat in mijn hoofd ontwikkeld heeft dankzij de hoofden van vele anderen. Een dier bovendien waarin ik de hele tijd aanwezig ben. Ik heb geprobeerd uit het schubdier te stappen, maar dat bleek helaas niet mogelijk. Alles wat ik schrijf is vergiftigd met mijn blik.’

    En waarom dan nou precies een schubdier? Voor de schrijfster vertegenwoordigen ze de levendige chaos van de kosmos waarin alles rent en vliegt en botst en evolueert tot iets nieuws. ’En omdat er een zelfde soort chaos in mijn hoofd zit, waarin ook alles rent en vliegt en botst kom ik van het lezen over die dieren tot rust.’

    Achter het schubdier blijkt een wereld van verhalen schuil te gaan: ‘Verhalen zijn een machtsmiddel, net als gebiedskaarten.’ Verhalen over de geschiedenis, over evolutie, ecotoerisme, illegale wildhandel en -smokkel en over nog veel meer. Zo verschijnt het schubdier als een soort bindend element in de verhalen die gemeenschappen in kleine dorpen in Azië en Afrika bij elkaar moeten houden. We leren over totemisme, waarvan sprake is als een plant of een dier een totem is waar een groep mensen zich mee associeert, en waarmee ze zich onderscheiden van andere groepen. Ondanks Broeksma’s innerlijke bezwaren tegen vliegen, ecotoerisme en inbreuk maken op gesloten gemeenschappen reist ze samen met haar man over de wereld om alles te weten te komen over het schubdier en natuurlijk om er een in levende lijve te zien.

    Massagraven met schubdieren

    Het duurt lang voordat ze daadwerkelijk een schubdier spot. Op allerlei plaatsen op de wereld gaat ze met gidsen, dorpsbewoners en zelfverklaarde schubdierexperts op pad om er een in het wild te vinden. ‘Het schubdier vertoont ongrijpbaarheid, ook in de stamboom van het leven,’ laat ze zien aan de hand van de geschiedenis van het schubdier. Het blijkt al miljoenen jaren te bestaan en is daarmee een van de oudst bekende zoogdieren. ‘Het lijkt wel of ze pas tevoorschijn komen als je stopt met zoeken.’

    Op een van haar reizen komt ze terecht in een dorpje waarin een opvanghuis voor zieke schubdieren blijkt te zijn, gedreven door vrijwilligers die zich het lot van dit dier aantrekken. En daar ziet ze voor het eerst een schubdier. Ze moet ze verzorgen, hokken schoonmaken, eten geven en komt erachter dat onbevangen naar dieren kijken lastig is: ‘Het mensenbrein weekt mij niet los van het dierenrijk.’

    De handel en smokkel in schubdieren vindt vooral plaats omdat er in veel gemeenschappen in Afrika en het verre oosten aan de schubben van het dier allerlei geneeskrachtige of versterkende of afrodisiacumachtige krachten worden toegekend. Broeksma ontdekt op internet foto’s van massagraven waarin honderden van hun schubben ontdane schubdieren liggen. De schubben zijn een gouden handel.

    Dan is het maart 2020. Het coronavirus wordt in China op een dierenmarkt bij onder andere schubdieren aangetroffen. In één klap is het schubdier wereldberoemd, waar het voorheen een nogal obscuur dier was. Nog meer mensen gaan erop jagen, waardoor de kans op uitsterven vele malen groter wordt.

    Miljoenen jaren ervaring met de wereld

    Dat is het moment waarop Broeksma in haar boek overstapt op milieufilosofie. Een verhaal met schubben wordt ook een ecoboek. ‘De lucht , het water, het land: het is alles wat we hebben.’ Ze pleit voor meer aandacht voor de wereld als ecosysteem, de aarde als broedplaats voor al het leven. ‘De natuur wil ons niet weg hebben, ze mist ons.’ Vandaar ook haar oorspronkelijke moeite met reizen over de wereld: door haar vliegreizen doet ze mee aan de verwoesting ervan. Het schubdier wordt het symbool voor een wereld waarin we met z’n allen druk bezig zijn dieren uit te roeien, de aarde naar de filistijnen te helpen en daarmee onszelf.

    Broeksma richt met haar boek een monument op voor het meest bejaagde zoogdier ter wereld en daarmee spoort ze ons aan om als de tijden somber zijn juist onze fascinaties te volgen in plaats van te gaan doemdenken. Er gaat met het verdwijnen van een diersoort een heleboel verloren, in dit geval miljoenen jaren ervaring – van het schubdier met de wereld. Bij uitsterven verdwijnt niet alleen dat, maar ook een unieke ervaringswereld, een Umwelt, de subjectieve leefwereld van een dier.

    Vraag je niet af wat dit voor soort boek is, het is niet belangrijk. Lees het vooral en laat je meevoeren in een bijzondere wereld: die van de gedachten, ervaringen en pleidooien van Anne Broeksma en ook in die van het schubdier.