• Over dagboekschrijven en Geheim dagboek van Hans Warren in het bijzonder

    Onlangs verscheen Opperhuidmens – De biografie van Hans Warren, geschreven door zijn levensgezel Mario Molegraaf. Met zijn dagboeken was Warren een van de literaire sensaties van zijn tijd. Menigeen holde naar de boekhandel zo gauw er een nieuw deel verschenen was. Toen Geheim Dagboek deel 3 in 1983 uitkwam vroeg K.L. Poll aan Hans Vervoort een stuk te schrijven voor Hollands Maandblad over dagboeken in het algemeen en Geheim dagboek in het bijzonder. Het stuk verscheen meer dan veertig jaar geleden en geeft een mooie indruk van de receptie van Warrens dagboeken.



    Notities naar aanleiding van een dagboek

    Wie heeft er niet ooit wel eens een dagboek willen bijhouden, om al datgene vast te leggen wat hij beleeft en al die gedachten en gevoelens te conserveren die een mens op een dag zoal kan hebben. Ik persoonlijk loop de hele dag te denken en te voelen. Doodmoe ben ik er ’s avonds van en het is eigenlijk zonde dat er niets van overblijft. Nu ik vele jaren ouder ben dan ik zou willen zijn, merk ik bij terugblik dat er reeksen van jaren zijn waarvan ik me niets herinner. Blanco. Ongetwijfeld was ik in die jaren druk bezig en ongetwijfeld dacht ik dat ik leefde. Maar te bewijzen valt het niet meer.
    Oude agenda’s leveren voornamelijk afspraken-notities op met namen die ik vaak niet eens meer kan thuisbrengen.
    Waarover spraken wij? Wat hadden we gemeen? Welke plannen hadden we? De tijd heeft alles toegedekt. Soms tref ik tussen de afspraken een kleine notitie aan, kennelijk bedoeld om een briljante ingeving in steekwoorden vast te leggen.

    Het gevoel dat ik iets briljants bedacht heb dat onmiddellijk vastgelegd moet worden overkomt me alleen op zeer late tijdstippen in café’s en de notities zijn ernaar. Meestal volstrekt onleesbaar, soms een duidelijk maar onbegrijpelijk woord. ‘Strijkbout’ noteerde ik in april 1978 en ik plaatste er voor alle zekerheid een uitroepteken achter. ‘Strijkbout!’
    ‘Oesters zonder statiegeld’ moet op 15 mei van dat jaar een diepe betekenis voor me gehad hebben. Café-brille is nog merkbaar in de sloganvariant ’15 kappers schoren mij met dit éne mesje’ dat ik in september van dat jaar op papier zette. ‘Mensen die zeggen dat ze niet graag achterom kijken in hun leven, hebben daar meestal wel een reden voor’ (18 november 1978). Tja, zo ken ik er nog wel een paar. Meer perspectief biedt de notitie: ‘De 18de eeuwse kritikus die over Gullivers Travels schreef: ik kan er nauwelijks iets van geloven’. Maar een echt beeld van waar ik die dag mee bezig was, biedt ook deze opmerking niet.

    In de vlakte van die bijna herinneringsloze jaren staan enkele gedenktekens, de kennismaking met een beminde, de dood van een vriend, een heel aparte reis. Alles wat de sleur doorbreekt. En dat is achteraf juist zo ontmoedigend. Waarom zijn we zo geschapen dat alleen afwijkende momenten in de herinnering over blijven? Ik geef toe, er zijn veel saaie lelijke dagen in een leven en het hindert me niet die te vergeten. Maar er zijn ook dagen waarin alles onopvallend in evenwicht is. Je staat fit op, de zon schijnt, er is vers brood in huis, er is prettig werk te doen, je hebt met niemand ruzie, je hebt iemand om van te houden.
    Storingsvrije gelukkige dagen die zo gladjes verlopen dat ze geen aparte herinnering achterlaten. Sleur is de verzamelnaam waarin helaas ook die dagen belanden. Als ik ooit een dagboek zou bijhouden, dan zou het vooral zijn om dat alledaags geluk vast te leggen.

    Maar helaas, ik kan geen dagboek schrijven. Het geeft me een dwaas gevoel om iets aan mezelf mee te delen dat ik al weet. En welke ik moet ik aan het woord laten? De ironische? De driftige? De klager? De eerlijke (god verhoede)? Dat wordt een heel geknok. En tot wie moet ik me richten in zo’n dagboek, tot mezelf van nu, of tot mezelf van de toekomst? Of tot die onbekende persoon die na mijn dood het boek zal vinden? Is het eigenlijk wel mogelijk om een dagboek te schrijven zonder de gedachte aan die onbekende bekende die je boeltje op zal ruimen na het onverwachte hartinfarct? Verlammende vragen zijn dat. Het best kan ik nog de dagboekschrijvers begrijpen voor wie het dagboek een onpersoonlijke persoon geworden is, een blanco gesprekspartner die alleen maar luistert en knikt. Lief dagboek, wat me nú weer overkomen is…

    En dan maar pennen, want een dagboek hoort natuurlijk met de hand geschreven te worden. Zo’n dagboek is een zwijgende biechtvader achter het gordijntje, een stille maar begrijpende vriend, een troost in eenzaamheid en verdriet. Een teddybeer, eigenlijk. Helaas, voor mij blijft het altijd een pak nors papier, onwillig om beschreven te worden. Ik schrijf ook nooit met de pen, ik sla met kleine hamertjes de letters op papier. Nee, ik zal nooit een dagboekschrijver worden. En ik zal dus nooit weten of het wáár is wat ik wel eens denk, dat dagboekschrijvers zich in avonturen storten om iets te melden te hebben aan de stille papieren vriend.

    Soms wordt een dagboek gepubliceerd en soms heeft dat levensverhaal een literaire pretentie. In theorie kan dat eigenlijk niet. Van een literair produkt wordt verwacht dat het stilistisch perfect is, een reflectie heeft die verder reikt dan de dag zelf, en een structuur die door de schrijver bewust is aangebracht. Aan die eisen kan een levensverhaal in dagboekvorm eigenlijk nooit voldoen. Stilistisch niet omdat geen enkele schrijver in één keer perfect kan verwoorden wat hij wil zeggen, uitzonderlijke momenten daargelaten. Qua reflectie niet omdat er weinig afstand is van de beschreven ervaringen, dat is nu eenmaal de essentie van de dagboekvorm. En wat de structuur van het verhaal betreft, daar heeft de dagboekschrijver al héél weinig invloed op.
    Hij registreert gebeurtenissen, gevoelens en gedachten, maar weet niet hoe het verhaal verder zal gaan, want dat is in de toekomst verscholen. Op z’n best is de dagboekschrijver de denkende hoofdpersoon in een verhaal waarvan hij de afloop nog niet kent. Literair gezien kan een dagboek dan ook nooit meer zijn dan een ‘objet trouvé’, door toeval interessant omdat de schrijver een leven als een verhaal heeft geleid en daar een leesbaar verslag van heeft bijgehouden. Het beste compliment dat men aan een gepubliceerd dagboek kan geven is dat een schrijver het niet beter had kunnen bedenken.

    Hans Warren

    Onlangs verscheen het derde deel van het Geheim Dagboek van Hans Warren, de Zeeuwse dichter en prozaïst. Het bestrijkt de jaren 1949 tot en met 1951. Hij was toen rond 30 jaar, werkte als beambte op het gemeentehuis van een provinciestadje, woonde bij zijn ouders. Een eenzame gevoelige intellectueel met literaire aspiraties en homofiele geaardheid, gericht op jongens die hem fysiek boeiden maar met wie hij zelden gevoelscontact kon hebben, nog minder een partner kon vinden in zijn dooltocht door de wereldliteratuur. En ze werden onverbiddelijk ouder, die jongens, en dan onaantrekkelijk. In elke verliefdheid lag die onvolkomenheid en het bittere einde al besloten, de eenzaamheid maar tijdelijk verzoet door het genot. Het dagboek van Hans Warren onttrekt zich aan alle theoretische bedenkingen, want hij hanteert dit medium als een virtuoos en houdt rekening met de beperkingen. Het is merkbaar geschreven door de kritische lezer die hijzelf óók is, mogelijk is het achteraf wat geredigeerd, want de stilistische gaafheid is opvallend.

    Warren gebruikt zijn dagboek voor verschillende doeleinden. Soms is het een kladblok voor reisverslagen en natuur-ervaringen, gedetailleerde schetsen van wat voor later gebruik onthouden moet worden. Dat geldt ook voor de instant beschrijvingen van ontmoetingen, met schildersoog neergepend en voorzien van de kleine kanttekeningen van de ervaren pessimist. Een enkele keer wordt het dagboek gebruikt om vernederende ervaringen niet te vergeten:
    ‘In grote haast even de vriendelijke opmerkingen noteren die vader me naar het hoofd slingerde als afscheid toen ik naar Zwitserland vertrok. ‘Voor mijn bestwil’ nog wel, o, die zo vaak gehoorde woorden. Ik schrijf ze op om mogelijke vertedering in de toekomst wat te neutraliseren. ‘Het is een schánde dat je zo’n massa geld wegsmijt voor zo’n stuk strónt terwijl je váder en moeder gebrek lijden’. De hysterie waarmee het werd opgefokt, met dikke ogen van nijd.’
    Vaker dient het dagboek voor een terugblik op gebeurtenissen van de afgelopen weken of soms maanden, het is dan niet echt een dagboek maar een in retrospectie geschreven ‘waar verhaal’. Ook Hans Warren kan in zijn dagboek niet meer zijn dan de denkende hoofdpersoon in een onaf levensverhaal. Maar deze hoofdpersoon analyseert zo scherp wat er gebeurd is en probeert zo sterk te anticiperen op wat in de toekomst verscholen is, dat er vanzelf spanning ontstaat bij de lezer: zal hij gelijk krijgen of loopt het toch weer anders? Als boeiend verhaal heeft dit dagboek alleen het manco dat Warren sommige gebeurtenissen niet op papier kan krijgen zodat er nogal eens hiaten vallen. Soms moet de lezer het doen met een korte wrevelige opmerking: ‘nu dan, de vriendschap met Florus heb ik een week geleden beëindigd. Ook Robert zie ik nooit meer.’

    Warren vraagt zich in zijn notities geregeld af wat de oorzaak kan zijn dat hij gebeurtenissen die hem erg raken vaak niet in het dagboek kwijt kan. Ik denk dat het een gezond schrijversinstinct is dat een rasschrijver als Warren heeft belet om dingen op papier te zetten waar hij op dat moment niet de goede woorden voor had. Als dagboekschrijver faal je dan, maar als schrijver doe je de beste keus als je alleen datgene verwoordt waarvoor je de woorden hebt. En juist die woorden zijn belangrijk bij een schrijver als Warren, die lyrisch dichtersproza schrijft, ritmisch proza waarin elk woord het volgende oproept. Een genot om te lezen.

     

    Dit artikel verscheen in 1983 in Hollands Maandblad – 422/433

     

     

  • Stille gedachten

    Wat komt Susan Sontag in het Sarajevo van 1993 brengen? De stad heette volgens de VN-resolutie 824 een VN-veilig gebied te zijn, onder de bescherming van UNPROFOR. Sontag regisseert er een toneelstuk. En wat doet Cody Garner er op hetzelfde moment? Komt hij iets brengen, of eerder iets halen; verhalen, avontuur, liefde, werk? Dat is de vraag in het eerste hoofdstuk van Het Stravinsky-spel van Arthur Japin. En misschien ook wel de centrale vraag in deze historische roman, waarin je als lezer meteen wordt meegenomen, maar die toch niet helemaal bevredigt.

    Susan Sontag (1933-2004) was een Amerikaanse schrijfster en filosofe. Japins partner Benjamin Moser schreef een veelgeprezen biografie over deze gekwelde vrouw: Sontag. In Het Stravinsky-spel raakt Cody Garner – een verzonnen personage en de ik-verteller – in de jaren veertig van de vorige eeuw bevriend met Sontag. Ze ontwikkelen samen een spel, het Stravinsky-spel, waarover straks meer.

    Cody, David, Sue

    Sontag vertelt aan het toneelgezelschap dat Cody komt assisteren bij de productie van Wachten op Godot van Samuel Beckett. ‘Je hebt geen idee’, schrijft ze hem, ‘hoeveel goed ze dat doet, alleen die mededeling al. Dat je hiertoe bereid bent, betekent dat zij door de wereld niet worden vergeten.’ En dat terwijl haar zoon David Rieff (die over zijn moeders laatste levensjaar het boek Swimming in a sea of death schreef), vanuit het getroffen gebied wereldkundig maakt wat er gebeurt. Dit zegt wat over de gespannen verhouding tussen moeder en zoon, die ze destijds heeft achtergelaten toen ze na haar studie in Europa weer terugging naar de Verenigde Staten. Japin geeft dit op die manier fijntjes, en later ook duidelijker, weer.

    Herinneringen voeren Cody terug naar de tijd dat hij in Los Angeles Susan Sontag, bakvis Sue, leert kennen. Ze zijn onafscheidelijk en doen intellectuele spelletjes, zoals het in een platenwinkel raden van het juiste Köchel Verzeichnisnummer terwijl ze naar een stuk van Mozart luisteren. Ze gaan naar films, struinen boekwinkels af, bezoeken tentoonstellingen en concerten.

    Stravinsky en Thomas Mann

    Zo horen ze op een gegeven moment het baanbrekende Le sacre du printemps van Igor Stravinsky in een uitvoering door het Los Angeles Philharmonic onder leiding van Otto Klemperer, een concert dat ook wordt bijgewoond door de componist en diens vrouw. Sue en Cody vinden uit waar het echtpaar woont en gaan op een dag op de stoep zitten luisteren naar pianospel, waarvan ze aannemen dat dit van Stravinsky is. Daar bedenken ze een spel, dat ze het Stravinsky-spel noemen: wat als je een poos(je) van je leven zou kunnen geven om Stravinsky of een andere kunstenaar, zoals de schrijver Thomas Mann, nog grotere kunst te laten maken? Zou je daartoe genegen zijn?

    Want ook op het werk van Mann zijn ze allebei dol, maar of een bijna zestienjarige, al dan niet vroegwijze puber zich daarover uit in woorden als: ‘Hoe hij dit gevoel van vrijheid afzet tegen het beklemmende, onvermijdelijk verziekende, ziekmakende moeras’ valt te betwijfelen.
    Beiden gaan studeren en ontdekken hun geaardheid: Susan (zoals ze zich inmiddels noemt) is bi- en Cody homoseksueel. Ze achterhalen via via Manns telefoonnummer en gaan op theevisite, wat ze achteraf allebei verschillend beleven; Cody begrijpt dat Susan ‘afstand prefereerde boven contact. Dat geldt voor haar idolen, maar misschien houdt ze die afstand uiteindelijk het liefst tot iedereen.’ In tegenstelling tot zoon David, die een band had met Susans vriendinnen, zoals de laatste partner van zijn moeder, de fotografe Annie Leibovitz. Nee, Susan Sontag, vertelt Cody, ‘genoot (…) naast haar roem, haar status (…) de reputatie ook gevaarlijk harteloos en ongeïnteresseerd te zijn, snel opgebrand en dan onnodig beledigend of ronduit bot en wreed.’ Hij verklaart dit ‘uit onmacht, uit verlegenheid, uit die hang naar stille gedachten en dat aangeboren onvermogen om zich in andermans gevoelens te verplaatsen.’

    Opmerkingen als deze geven diepte aan het karakter van Sontag in een verder rustig voortbewegend verhaal in een mooie stijl, zoals we dat van Japin kennen. Soms slaat hij een zijpad in zoals de vergelijking van hiv met de oorlog in Bosnië Herzegovina. Als thema komt hiv in het verhaal terug wanneer Cody’s vriend Eli Marshall eraan overlijdt, een ontroerend gedeelte.

    Het boek is inherent ook een aanklacht tegen de bezuinigingen op kunst. De verteller heeft het over ‘het nut van moderne kunst in een (…) uitzichtloze situatie’ zoals in Sarajevo. Al is het woord ‘nut’ misschien niet zo goed gekozen, de boodschap is duidelijk. Een boodschap die in dit geval misschien duidelijker verankerd had kunnen worden in de vraag of de personages nu iets kwamen brengen of halen. En of ze nu écht zelf dat Stravinsky-spel hadden willen spelen.

     

     

  • De afschrikwekkende vrouw

    Baba Jaga is volgens de Slavische mythologie een boosaardige oude vrouw die in een hutje op kippenpoten woont. Haar hangende borsten kan ze op de kachel leggen of over een stok hangen, haar puntige neus komt tot aan het plafond en ze rooft kleine kinderen. Haar vervoermiddel is een vijzel waarbij de stamper de roeispaan is. Ze beschouwt zichzelf als een wezen met één been van meestal alleen bot, hoewel het ook van hout, ijzer, goud of ander materiaal kan zijn. 

    Baba Jaga legde een ei van Dubravka Ugrešić gaat over vrouwen, oude vrouwen wel te verstaan. ‘Baba Jaga is, voor alles wat ze ook is,’ schrijft Niña Weijers in haar voorwoord, ‘een schrikbeeld. Dubravka Ugrešić houdt dat schrikbeeld niet alleen in ere, ze eist Baba Jaga’s recht op om een schrikbeeld te zijn.’ 

    Veelomvattende mythologie

    Het boek bestaat uit drie delen: in het eerste bezoekt de schrijfster haar moeder in Zagreb, het tweede is een novelle over Pupa, Beba en Kukla, drie eveneens oude vrouwen die in een duur hotel in een Tsjechische badplaats verblijven, en deel drie handelt over wie en wat Baba Jaga is of kan zijn. In dit deel openbaart de auteur bij monde van folklorespecialiste Dr. Aba Bagay dat de mythische figuur naar veel meer kan verwijzen dan alleen de heks uit het hutje op kippenpoten. Ze treedt in mythes ook op als moeder van draken, als spinster of een lief omaatje, als hulpverleenster of strijdster. De Slavische mythologie blijkt veelomvattend. Alle Slavische talen herbergen talloze uitdrukkingen met ‘baba’ erin. De auteur stipt ook paralellen met de Griekse mythologie aan en zelfs met Boeddhistische en Islamitische vertelsels. 

    Aba Bagay verschijnt voor het eerst in deel een waarin Ugrešić bij haar nog zelfstandige, eigenzinnige moeder in Zagreb op bezoek gaat. Ze is oud, gaat achteruit en haar geheugen hapert. De dochter, zelf ook niet meer de jongste, voert geduldig gesprekken met haar. De jonge Aba heeft contact met Ugrešić gezocht omdat ze graag met haar wil discussiëren over taal- en politieke kwesties. Ugrešić woont niet in Zagreb, ze laat Aba bij haar moeder langsgaan. De auteur ziet bij Aba dezelfde hunkering naar aandacht en liefde als die ze bij haar moeder ervaart, maar wijst haar niet af.  

    In deel twee zit Pupa in een rolstoel, de benen in een bontlaars, heeft Beba heel grote borsten en is Kukla heel lang en dun, vooruitwijzend naar kenmerken van Baba Jaga. De vrouwen kunnen gezien worden als drie-eenheid of als afzonderlijke godinnen. Pupa is ook de oudste vriendin van Ugrešić’ moeder. In het hotel ontmoeten de vrouwen allerlei mensen en ondertussen vertelt Ugrešić in bondige taal hun levens die voorafgingen aan het hotelverblijf. 

    In deel drie komen allerlei parallellen met Baba Jaga terug, bijvoorbeeld: ‘Pupa’s als een grote bontlaars uitgevoerde elektrische voetenwarmer is in wezen een moderne tegenhanger van Baba Jaga’s vijzel’ en haar rolstoel is de tegenhanger van Baba Jaga’s ene been, net als de rollator van Ugrešić’ moeder. Pupa overlijdt tot haar eigen voldoening en wordt in een peperdure doodkist in de vorm van een ei gelegd. Het ei speelt een rol in veel sprookjes. Kukla en Beba beschikken door het lot over een niet onaanzienlijke hoeveelheid geld en ontfermen zich over een onverwacht opgedoken kleinkind. In die zin is het wel een beetje een banaal happy end.

    Ugrešić zelf is tussen de fragmenten door als auteur nadrukkelijk aanwezig met tussenzinnetjes als: ‘En wij? Wij moeten door…’, ‘En wij? Wij gaan verder…’, ‘En wij? Wij gaan hen snel achterna…’, ‘Hier dient te worden aangetekend…’, ‘En wij? Tja, het leven is…’ Met deze overbodige en nogal storende toevoegingen wil Ugrešić de lezer er wellicht van doordringen dat hij niet slechts met een eenvoudig verhaal van doen heeft maar met een weldoordachte tekst. 

    Het wemelt van de Baba’s

    Aba stelt in deel drie de tekst Baba Jaga voor beginners samen, waarin ze ‘begrippen, thema’s, motieven en mythen’ uit de Slavische mythologie bespreekt. In honderd pagina’s geeft Ugrešić een uitputtend overzicht van wie en wat Baba Jaga is: ‘in de Slavische wereld wemelt het letterlijk van de Baba’s!’, waarbij ze ook andere onderzoekers en schrijvers aanhaalt die zich over het fenomeen hebben gebogen. Ze legt knappe kruisverbanden tussen de mythologische figuur en haar personages. In deel een wordt de schrijfster nauwelijks ‘toegang tot haar moeders territorium gegund. Haar moeder vereenzelvigt zich met haar huis, (…)’ In deel twee hebben Pupa en Beba ‘met hun kinderen een traumatische relatie die zonder problemen als symbolisch kannibalisme zou kunnen worden opgevat.’ Alle hoofdpersonen in het boek staan model voor Baba Jaga of haar toegedichte eigenschappen.

    Deel drie is doorspekt met antropologische wetenswaardigheden over diverse volken. In aparte tekstblokken behandelt Ugrešić onderwerpen als moeder, vrouw, voeten, benen, de neus, het badhuis, klauwen, poppen, jongens, de kam, vogels, vuilnis, het ei. Aba Bagay merkt op dat de titel van Ugrešić’ boek kan terugverwijzen naar een archetypisch folkloristisch beeld, ‘maar er is ook de verklaring mogelijk dat het ei grofgezegd een symbool voor “vrouwelijke” creativiteit is.’ Dat Ugrešić ook zichzelf met Baba Jaga identificeert blijkt uit de passage: ‘Baba Jaga staat bekend als een “dissidente” een verworpene, een verstotene, een “oude vrijster”, een karikatuur en een verliezer. Maar desondanks is zij eenzaam noch alleen.’

    Joegonostalgie

    Dubravka Ugrešić (1949-2023) werd geboren in Kutina (Kroatië) in Joegoslavië. Vanaf 1996 woonde ze in Amsterdam, een stad die jeugdherinneringen bij haar opriep. Ze noemde zich een Joegoslavische schrijver. Aan de Universiteit van Zagreb studeerde ze vergelijkende literatuurwetenschap en Russische taal- en letterkunde en bleef er na haar studie werken. In 1991 viel Joegoslavië uiteen en brak de burgeroorlog uit met hevige etnische conflicten. Ugrešić keerde zich daar in felle bewoordingen publiekelijk tegen en bekritiseerde zowel het Servische als het Kroatische nationalisme. Daardoor werd ze gezien als een verrader, een vijand van het volk, door collega-schrijvers, politici en journalisten. Ze werd voor heks uitgemaakt en bedreigd. In 1993 verliet ze Kroatië. Ze publiceerde in Europese en Amerikaanse kranten en tijdschriften en doceerde aan Europese en Amerikaanse universiteiten. Haar boeken, waarmee ze prestigieuze prijzen won, zijn vertaald in 27 talen. 

    Veel essays en autobiografische teksten van Ugrešić gaan over Europa, voormalig Joegoslavië, nationalisme en hedendaagse verschijnselen zoals mode. In Het tijdperk van de huid bespreekt ze onder meer tatoeages, de toestand in de academische wereld en in de media, de verstrengeling tussen criminaliteit en politiek en het statusverschil tussen man en vrouw. Ugrešić ziet, duidt en vertelt vanuit eigen waarnemingen en gevoelens. Altijd origineel en kritisch, met scherpe blik, mededogen en humor. Ze heeft een nostalgische kijk op Joegoslavië. In Europa in Sepia (2015) schrijft ze: ‘Maar pas toen Joegoslavië definitief ten onder ging, kreeg mijn neurose een officiële naam: joegonostalgie, met als nadere omschrijving: politieke sabotage van de nieuwe Kroatische staat. Zelf kreeg ik het etiket opgeplakt van “joegonostalgica”, lees: “verraadster”.’ De collectieve geschiedenis en daarmee haar persoonlijke herinneringen werden uitgewist. 

    Het leed van vrouwen

    Op de laatste pagina’s van Baba Jaga legde een ei benoemt Ugrešić het leed van vrouwen in de wereld, de ongelijkheid, de onderdrukking door mannen. ‘Want stelt u zich eens voor dat de vrouwen (…) de Baba Jaga’s van deze wereld, naar het zwaard grijpen dat onder hun hoofd ligt, en erop uit trekken om alle openstaande rekeningen te vereffenen? Voor elke keer dat ze in hun gezicht werden geslagen, dat ze werden verkracht, beledigd, gekwetst en geschoffeerd, voor elke keer dat ze in het gelaat werden gespuwd?’ Mythes of niet, de werkelijkheid is bij Ugrešić nooit ver weg. 

     

     

  • Goed dat dit boek opnieuw werd uitgegeven

    In 1969 verscheen Eer de haan kraait… Een Hollandse soldaat op Java van Jan van Waveren met een andere ondertitel en onder het pseudoniem ‘Jan Varenne’. Toen was het boek al ruim vijftien jaar klaar, maar in die tijd was er geen uitgever te vinden die zijn vingers eraan wilde branden. Het onderwerp lag in de Nederlandse samenleving veel te gevoelig. Indië en wat daar gebeurd was, daar werd niet over gesproken. Tot eind jaren zestig oud-militair Joop Hueting op tv en in de krant voor het eerst melding maakte van oorlogsmisdaden. De tijd was eindelijk rijp voor Van Waverens roman, waarin hij ‘met totale eerlijkheid’ verslag deed van zijn tijd in Indië. Maar zo lang het duurde voor zijn boek eindelijk in druk verscheen, zo snel was het ook alweer vergeten. Het is dan ook goed dat Uitgeverij Jurgen Maas dit boek opnieuw heeft uitgegeven.

    In zijn boeiende nawoord vertelt historicus Remco Raben dat de discussie over de oorlogsmisdaden maar een paar maanden duurde. Toen Eer de haan kraait… uitkwam, ging het in de media alweer over andere kwesties. Het boek kreeg enkele positieve recensies, maar was spoedig ‘veroordeeld tot een schimmenbestaan in de antiquarische schappen’.

    Beeldende schrijfstijl

    Waarom is Eer de haan kraait… na bijna tachtig jaar, na ruim een halve eeuw na de eerste en enige druk nog zo de moeite waard? Om te beginnen vanwege de vlotte, krachtige en beeldende schrijfstijl. ‘Het was net alsof de kleren van sergeant Block tegelijk gestorven waren met Block zelf. Dat had je het duidelijkst kunnen zien aan de modder die op zijn gezicht gespetterd was, net als op zijn kleren. Allebei waren ze dode materie geworden. Het waren dingen. Blocks gezicht was een ding geworden en er zat modder op.’
    Artistiek gezien is het doodzonde dat het bij deze ene roman gebleven is. Kennelijk was Van Waveren, na het leggen van zijn persoonlijke postkoloniale ei, niet geïnteresseerd in een literaire carrière. 

    Een ‘roman’ ja, maar ‘persoonlijk’ ook. Eer de haan kraait… is fictie, maar wel degelijk gebaseerd op persoonlijke ervaringen van de schrijver. Die tweeledigheid is ook terug te vinden in de structuur van het boek. De hoofdlijn bestaat uit losse hoofdstukjes waarin de hoofdpersoon Jenver centraal staat. Ze worden afgewisseld met cursieve intermezzo’s in de eerste persoon enkelvoud met realistische herinneringen van de schrijver. Die hadden evengoed aan de fictieve hoofdpersoon Jenver toegeschreven kunnen worden, maar kennelijk wilde Van Waveren zich toch niet helemaal achter zijn personage verschuilen. In het ‘Woord Vooraf’ identificeert Van Waveren zich expliciet met zijn hoofdpersoon: ;De trap voor mij en voor Jenver ligt niet in de ontzetting over de moord maar in het feit dat de moord hem in wezen weinig doet, gevangenen als wij waren van de groep tegenover een andere kleur ratten.’

    Moraal in tijden van oorlog

    Hoofdthema van het boek is de morele positie van iemand die bij onmiskenbare, vaak sadistische oorlogsmisdaden aanwezig is als passieve toeschouwer en soms als medeplichtige. De hoofdpersoon en de schrijver zijn zich bewust van de gewelddadige wetteloosheid waar ze bij betrokken zijn. Ze proberen er afstand van te nemen, maar beseffen maar al te goed dat de morele speelruimte klein is. Volgens Raben moeten we het boek niet opvatten als een aanklacht tegen het optreden van de Nederlandse troepen. ‘De waarde van de roman ligt vooral in de onverbloemde tegenstrijdigheid van de hoofdpersoon en schrijver en zijn onvermogen zich te verzetten tegen dingen die evident tegen zijn rechtsgevoel indruisen.’

    Dat onvermogen wortelt deels in groepsdruk, legt Van Waveren uit in zijn ‘Woord Vooraf’. ‘De motivering voor het schrijven was de mateloze verbijstering. Niet zozeer om de excessen en de moeiteloze metamorfose van trouwe kerkgangers, goedmoedige dorpelingen, telgen uit regentenmilieus en solide socialisten tot vanzelfsprekende “bij vluchtpoging-neerschieters”. Verbijstering vooral om te ontdekken dat moraal alleen geldt binnen de eigen rattenkolonie.’

    Eer de haan kraait… geeft een bijzonder levendig beeld van het leven van een gewone, dienstplichtige soldaat in het moreel en politiek uiterst ingewikkelde militaire conflict dat inmiddels geen ‘politionele actie’ meer genoemd wordt, maar een ‘onafhankelijkheidsoorlog’ was. Het perspectief is omgedraaid, maar omdat Van Waveren wèl een morele, maar geen politieke positie inneemt, heeft hij de particuliere bevindingen losgeweekt van de politieke omstandigheden. Daardoor krijgt dit boek een universele geldigheid en tijdloze relevantie, waarbij de stijl en de literaire aanpak ook nog eens onvoorstelbaar modern aandoen. Na het verschijnen van de roman werd Van Waveren actief als pleitbezorger van kamermuziek in Nederland.’Vermoedelijk kon Van Waveren zijn kunstzinnige (…) talenten hier kwijt,’ veronderstelt Raben. Maar wat jammer voor de literatuur!

     

     

  • De geliefde die wel of niet blijft

    Wat is een allesverzengende liefde waard in een wereld die ten onder dreigt te gaan aan onverschilligheid ten aanzien van de natuur. Voor Yentl van Stokkum lijkt het een samengaan van twee grootheden, de liefde en onze natuurlijke omgeving. Ze vertaalt deze in dichtvorm zodat de verbinding goed voelbaar is, alsof het een niet zonder het ander kan bestaan. Liefde betekent vooruit voelen, de verwachting aanwakkeren van een toekomst vol passie en romantiek. Natuur staat in de achteruitversnelling, een aankondiging van afbraak die ons te wachten staat als er niets gebeurt om het tij te keren. Van Stokkum weet beiden te verwoorden als een onlosmakelijke twee-eenheid, de tegengestelde richting draagt juist bij aan de boodschap die ze hiermee afgeeft. In het eerste gedicht wordt op luchtige wijze een introductie gegeven:

    ‘alles wat volgt is een leugen
     til niet te zwaar

     (taal is niet gemaakt om te dragen haha)

     maar liefste dit is waar wij zijn begonnen
     midden in de pit van een zonsondergang

     (vermoeide zucht)

     warm en koel tegelijk
     daar gaan we
     terwijl het verdwijnend licht de vingers
     over jouw ruggengraat laat lopen’

    Het is de aankondiging van een naderend einde. De dichter praat onafgebroken tegen en over een geliefde, waarbij ze langzaam lijkt toe te werken naar een onvermijdelijke scheiding. Er worden oorzaken gezocht, verontschuldigingen gemaakt en twijfels geuit, maar het afscheid hangt al vanaf het begin in de lucht. Een afscheid dat verdrietig maakt en tegelijkertijd als een rationele transactie ondergaan lijkt te worden.

    Complex bouwwerk

    En ook de natuur moet eraan geloven. Van Stokkum stapelt het liefdesdrama laag voor laag op, afgewisseld met het natuurlijke verval. Er ontstaat een complex bouwwerk dat gestut door een zoekende toon overeind blijft. De stijgende zeespiegel, afbrokkelende ijskappen, weersextremen, alle vormen van kwetsbaarheid in de natuur worden aangehaald en in verband gebracht met de breuk in een liefdesrelatie.

    ‘maar even hè heb je de bomen zien buigen
     heb je gezien hoe een heel bos kan buigen
     we zijn nog niet in het stormseizoen beland
     voor het gemak vergeet ik wat moet komen
     druk een gebed op jouw schouder
     het weer slaat om

     niet ik die al het morgenrood de hemel in spuwt
     asdeeltjes maken zich los uit mijn longen
     schillen van granaatappelpitjes en de stelen van kersen
     die ik opknoopte met mijn tong
     ik laat alles los’

    De gedichten slingeren zich schijnbaar onafgebroken over de pagina’s. Een relaas op zoek naar een uitlaatklep. Er is geen interpunctie, er zijn geen beginkapitalen en de lange titels houden het midden tussen een aankondiging en een eerste regel. Het is de voortstuwende gedachtegang die de worsteling van het moment goed weergeeft. De dichter gebruikt deze vorm doeltreffend, een onheilsboodschap om het einde in te luiden.

     Tuurlijk had ik hem graag gehouden 

     al was het maar voor de fluorescerende nachten
     waarin hij me vastpinde in bed
     de zon ging maar niet onder
     ik had het amper in de gaten
     ik lette niet op die giftige gloed
     zelfs de vogels waren stil

     hij pelde mijn benen uit elkaar twee sinaasappelpartjes
     en al dat vocht hij likte het op en ik had hem graag gehouden
     ook al kende ik onze houdbaarheidsdatum alleen ik
     hield die in de gaten ik telde
     onze dagen
     het zou kunnen dat ik liever niets aan toeval overlaat

     Natuur en mensheid

    De onstuimige intimiteit valt samen met de benoeming van alles wat er fout gaat in onze natuurlijke omgeving. Van Stokkum weet die grootheden prachtig te combineren en tot één boodschap te vervlechten. Het is indringend door de doorlopende urgentie, het ritme in de taal en de genuanceerde wisselwerking tussen het strikt persoonlijke en de algemene deler, de natuur. 

    Dat samenvloeien zorgt tegelijkertijd voor het allergrootste contrast die deze bundel zo sterk maakt. De grootsheid van de natuurlijke omgeving versus de nietige positie van de mens daarin. Het levert een spanningsveld op waarin de liefde balanceert tussen aantrekking en afstoting, terwijl de dichter woorden probeert te vinden om dit liefdesdrama een plek te geven. Dat die plek in de eeuwigheid van de ons omringende elementen is te vinden is een prachtig gegeven. Liefde is allesomvattend, juist in haar bizarre kronkelingen, en is in deze gedichten op een prachtige wijze verbeeld.

    ‘de vissen die uitsterven maken mij minder verdrietig
     dan de dieren tegen wie ik aan wil kruipen
     en ik houd me meer bezig met mijn geliefde
     die wel of niet blijft (want iedereen weet dat geliefden net zo onvoorspelbaar zijn
     als het weer) dan met het watertekort dat op ons wacht’



  • Stukgescheurde sluiers van het bestaan

    Hoofdpersoon Asher knutselt bomvesten in elkaar. ‘Hij heeft nog geen concrete doelen gekozen’ maar overweegt dat ‘buitenlanders en andere Papoea’s’ een goed doelwit kunnen zijn. Evenals het Koninklijk Huis trouwens, ‘voor driekwart Duitsers.’ Schrijver Rob Verschuren geeft hiermee in ‘Vrolijk knallen de bomvesten’, het eerste verhaal uit de bundel Buitenlanders en andere Papoea’s, duidelijk zijn visitekaartjes af. Asher is een cynicus die niet meer in de goedheid van mensen gelooft. Hij is een boze nihilist en kritisch antikapitalist geworden, die na zijn ontslag uit de psychiatrische inrichting Dennenvreugd huisloos van Van der Valkhotel naar Van der Valkhotel trekt – er zijn er volgens dit verhaal 63 in Nederland – waar hij in anonimiteit zijn bomvesten maakt.
    De ‘hele wereld is een gekkenhuis’ en ‘iemand moet de mensheid wakker schudden’ vindt hij. Op tv ziet hij hoe de koning de eerste Elfstedenwinnaar van Papoea-Nieuw-Guinese afkomst feliciteert. Tien korte verhalen bevat de bundel en in vele daarvan is sprake van bizarre, absurde of op z’n minst vreemde personages en gebeurtenissen in een wereld vol waanzin en onverschilligheid.

    Rob Verschuren (geb. 1953, woonachtig in Vietnam) is pas op late leeftijd gedebuteerd. Hij heeft korte verhalen gepubliceerd in de literaire tijdschriften Tirade en Extaze (inmiddels ter ziele) en schrijft regelmatig mooie blogs voor Elders Literair die gewoon gratis online toegankelijk zijn. Verschuren heeft vier romans op zijn naam staan en deze uitgave is zijn derde verhalenbundel. Van de tien verhalen in deze bundel zijn er vier eerder verschenen in de genoemde tijdschriften en in een boekenweekeditie ‘Zin en Waanzin’ uit 2015.

    Zin en waanzin zijn ook thema’s in de verhalen in zijn nieuwe verhalenbundel. Een stukje waanzin bleek al bij Asher. Een ander hoofdpersonage, uit het verhaal ‘Epifanie’, is een schrijver die worstelt met een schrijfopdracht. ‘Wat wij de waarheid noemen’, laat Verschuren hem zeggen, ‘is iets wat te groot is om in zijn geheel te zien en iedereen ziet er een stukje van en het is de opdracht van de schrijver om al die stukjes te vertellen. Dit denk ik, en als gedachte lijkt het me diep genoeg.’ Verschuren schotelt ons in tien verhalen die zich afspelen op allerlei plaatsen in de wereld de nodige prikkelende stukjes werkelijkheid en waarheid voor.

    Worsteling met waarheid en waanzin

    In het langste verhaal, ‘De stem van de Roos’, wordt deze worsteling met waarheid, waanzin en onbegrip vormgegeven door Basel Lund die bij zijn ontslag uit de gevangenis een vreemde Jeroen Boschachtige stoet voorbij ziet komen. Hij kijkt naar de optocht ‘met een fascinatie die alles wil begrijpen’, maar het is ‘alsof het vermogen om te denken hem ontglipte’. Gevangen door de blik van de beenloze voorganger Chokhamela die zich verplaatst op een plank met wieltjes kan hij niet anders dan zich bij de groep aansluiten. Basel is dichter. Hij weet weinig ‘van de dingen van de wereld, maar alles van de zaken van het hart.’ Zijn eerste herinnering is die aan zijn moeder die hem voorleest uit een gedichtenbundel van Fakhr-al-Din Iraqi. Daaruit citeert hij een gedicht dat spreekt van ‘de stem van de Roos’, een motief dat verwijst naar liefde en de zoektocht naar geluk. Het gedicht staat in een verboden boek van een verboden dichter, begrijpt de jonge Basel later. Wat hij toentertijd vooral zag was de opvallend glimmende ogen en zoete stem van zijn moeder en wat hij nu verwoordt is woede over ‘seniele machthebbers’ en een ‘goddeloze God van het kapitaal’.

    De stoet trekt langs Bharuch in West-India naar Dost jo Tor, de Witte Woestenij, waar ze hevige ontberingen lijden. Een groteske karavaan terreinwagens bereikt hen daar met overbodige westerse consumptieartikelen en met een CNN-reportageploeg. Een rantsoen lauwe cola houdt de volgelingen nog even op de been maar als de filmploeg hen verlaat en ‘profeet’ Chokhamela komt te overlijden valt het ergste te vrezen. Overwegingen over de waarde van kunst, zoals Basels poëzieliefde, zijn ook beschreven in ‘Pietà’. Dit verhaal is gebaseerd op de waargebeurde en bizarre geschiedenis van de aanval van de Hongaarse Laszlo Toth in 1972 op Michelangelo’s Pietà, het wereldberoemde beeld dat het moment weergeeft waarop Christus van het kruis gehaald is en op de schoot van Maria ligt. Alle grote kunst roept meta-emoties op, legt curator Robert uit aan de ik-persoon, die kunstenaar is. Robert is bevlogen. ‘Grote kunst verandert ons’, zegt hij. De kunstenaar is wat nuchterder. Eén emotie die kunst oproept is agressie, zoveel weet ik ervan, overweegt hij.

    In veel verhalen wordt een defaitistische, nihilistische of nare werkelijkheid beschreven. In ‘Rumbonen’ is dat het ongeluk van hoofdpersoon Bella die zich niet meer aan de buitenwereld durft te vertonen en geregeerd wordt door angsten en eetzucht. In ‘Er is mij verteld dat u op zoek bent’ wordt een corrupte adoptiepraktijk beschreven en ‘Het dorp, de aardappelen, de oorlog’ beschrijft bloederig oorlogsgeweld. ‘Het dagelijks leven loert ons […] aan met zijn lelijke ironie’, beweert Verschuren zelf in een interview. Daar zijn veel van zijn verhalen een weerslag van.

    Zielen die het daglicht verdragen

    De weerbarstige werkelijkheid is soms pijnlijk, vaak bizar, maar de personages wekken ook sympathie door hun kwetsbaarheid en door een soort onverschrokken en uitgesproken onbevangenheid die hen siert. Het zijn mensen wier ziel het daglicht kan verdragen. Dat geldt voor Hai uit China, de schilder die het portret van zijn vrouw in ‘De Abrikozenzomer’ na haar overlijden nóg mooier wil maken, en ook voor Phan Than Gian uit ‘Riviermist’. Eigenlijk zou hij de Franse vijand moeten bestrijden in de Mekong Delta maar dat lijkt hem een zinloze missie. Na zijn ‘desertie’ gaat hij vasten en schrijft hij gedichten in de wetenschap dat hij door zijn keuze de keizer verraadt en dus een zekere dood tegemoet gaat. De Nederlandse gewezen wetenschapper en Nobelprijswinnaar Karel Steenveld uit het verhaal ‘Zeven x 6’ is nu met zijn ‘grootste project ooit’ bezig namelijk zeven keer zes gooien met een dobbelsteen. Deze Steenveld woont in het verzorgingshuis bij tante Corrie die met een handgebaar ‘de buitenwereld afkapte met al zijn waanzin en onverschilligheid en de rest.’ Zo dus.

    De bundel heeft een citaat van de Russische schrijver Isaak Babel meegekregen. ‘[…] alleen de wijze scheurt de sluier van het bestaan aan flarden met gelach.’ Dat is precies wat Verschuren zijn personages in de verhalen in deze bundel laat doen, met de nodige humor en in een verzorgde en poëtische stijl. Rob Verschuren zegt dat hij ondanks zijn buitenlandse bestaan een onavontuurlijk en kalm leven leidt. In zijn verhalen toont hij zich een schrijver die over grenzen en culturen kijkt. Het is een wijde blik, die ieders denken kan verruimen.

     

     

  • Hoogte- en dieptepunten van de menselijke natuur

    Het is 2022 als Irwan Droog voor het eerst iets over walrus Wally leest. Het jaar ervoor heeft Wally, een Atlantische walrus, zo’n zes maanden in Europese wateren gezwommen, waar hij zich ophield in havens en kleine bootjes vernielde met zijn zware lijf. Nieuwsberichten gingen de wereld over, want wat moest een walrus in Europa en vooral, wat moesten mensen met hem?

    Droog raakt gefascineerd door het dier en de reis die het maakte, en misschien nog wel meer door wat die reis ons over onszelf en onze impact op de natuur vertelt. Hij besluit Wally na te reizen, van het Ierse Valentia Island, waar Wally op 14 maart 2021 voor het eerst werd gezien, via Groot-Brittannië, Frankrijk, Spanje, Engeland, terug naar Ierland. IJsland, de laatste plek waar Wally gezien is, slaat hij over. Eerst omdat hij zijn pasjes is kwijtgeraakt en daarna omdat hij niet meer wil vliegen. Wally en wij is het verslag van Droogs tocht.

    De impact van klimaatverandering

    Dat Wally in Europa rondzwemt is niet alleen leuk (als je van grappige filmpjes over dieren houdt) of lastig (als je boot gezonken is), het vertelt ons ook iets over de tijd waar we in leven. Droog zet de toon met zijn eerste alinea. Daarin beschrijft hij wat er gebeurt in een walruskolonie aan de noordoostkust van Rusland, op basis van beelden afkomstig uit BBC’s Our Planet, ‘Frozen Worlds’. Door klimaatverandering krimpen de ijsvlaktes waar de walrussen gewoonlijk leven en sommige verdwijnen zelfs helemaal. De walrussen moeten dus op zoek naar andere grond. Een groep klimt op een berg, tachtig meter hoog, maar de weg terug is niet makkelijk. De BBC schuwt de werkelijkheid niet en laat in slow motion zien hoe tientallen walrussen te pletter vallen op het strand. De impact van de mens, op walrussen, maar ook op alle andere dieren, blijft het hele boek terugkomen.

    Droog als walrusexpert?

    Wie weet er veel van walrussen? Droog niet. Althans, niet voor zijn interesse door Wally wordt gewekt. Misschien dat hij er daarom in slaagt de informatie die hij over walrussen deelt, zo goed gedoseerd aan te bieden. Nergens is sprake van lange lappen feiten. Droog vertelt steeds een beetje, over de anatomie van walrussen, bijvoorbeeld, en de voortplanting en sociale relaties, over de vernietigende impact van de commerciële walrusjacht (gelukkig sinds halverwege de vorige eeuw verboden) en de manier waarop walrussen communiceren: ze lijken met elkaar te praten door middel van allerlei geluiden en ‘zingen’ ook gezamenlijk. Droog weet daarbij de indruk te wekken dat hij ieder feitje vertelt op het moment in de reis dat hij het zelf te weten kwam.

    Over walrussen en mensen

    Wally en wij, de titel zegt het al, Droogs boek gaat zeker niet alleen over Wally of over walrussen in het algemeen. Minstens even veel aandacht gaat uit naar mensen en hun reactie op de komst van Wally. Op iedere plek waar Wally is geweest, gaat Droog in gesprek met degenen die met de walrus te maken hebben gehad. Hoewel hij erin slaagt zijn gesprekspartners te typeren, blijven de gesprekken wel wat aan de oppervlakte. Alsof iedere persoon die hij opvoert alleen een functie van zijn rol is: een kassamedewerkster die Wally-merchandise verkocht (deels gemaakt door de bewoners van het stadje), een wildlife guide, natuurbeschermers die zich zorgen maken over Wally en de redenen dat hij in Europa rondzwemt.

    Foto’s om twee keer te bekijken

    Naast de foto van Wally op de omslag — hij zit in een motorbootje en laat zijn ene flipper nonchalant over de rand hangen — zijn er acht pagina’s foto’s in het boek opgenomen, op stevig wit papier. Voor wie dat niet al uit zichzelf doet: het is een aanrader om de foto’s voor je begint te lezen te bekijken. Het zijn foto’s van een walrus, bruin en rimpelig rond op zijn vlot, in bootjes, op een steiger. En foto’s van de omgeving. Niet veel bijzonders, eigenlijk.

    En dan, als je alles gelezen hebt, bekijk je de foto’s voor de tweede keer. Nu staat er niet zomaar een walrus op de foto’s, maar is het Wally, het dier waar mensen overal ter wereld aan gehecht zijn geraakt. Interessant is om te kijken door wie de foto’s zijn gemaakt. Alle foto’s waar Wally niet op staat, zijn gemaakt door de auteur. Hij heeft de walrus immers zelf nooit in het echt gezien.

    Geweldig en lastig

    In de epiloog zegt Lizzi Larbalestier, vrijwilliger van de British Divers Marine Life Rescue op de Isles of Scilly, die eigenhandig een haul-out, een drijvend bed, voor Wally maakte: ‘Mensen waren geweldig, en ze waren lastig. Dat is hoe het altijd gaat. Ik zag de hoogtepunten, maar ook de dieptepunten van de menselijke natuur.’ Ze vat daarmee precies samen wat Droog in zijn boek heeft laten zien. En Wally? Na zijn bezoek aan IJsland heeft niemand nog iets van hem vernomen. De hoop is dat hij ergens tussen de andere walrussen een walrusleven leeft.

     

     

  • Een verzameling briljante omschrijvingen

    De Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer schreef eerder vier dichtbundels voordat haar eerste roman, Compoun, dit jaar verscheen. De thematiek is dezelfde als in haar poëzie: het leven in Zuid-Afrika na de afschaffing van de Apartheid. De titel in de Kaaps-Afrikaanse taal is afgeleid van ‘compound’, ‘een Engels begrip voor een omheinde leefgemeenschap, waarbinnen mensen gemeenschappelijk leven (bijvoorbeeld een grootfamilie) of verwante activiteiten bedrijven’, is te lezen op Wikipedia. Het woord komt van het Maleisische begrip ‘kampong’ dat vrijwel hetzelfde betekent. De leefgemeenschap in deze roman is die van de familie McKinney, een grote, kleurrijke familie waarin vooral de vrouwen een belangrijke rol spelen. Zij zijn degenen die in een voortdurende staat van onveiligheid en geweld zichzelf staande moeten zien te houden. Kamfer gaf haar roman als motto mee: ‘Opgedragen aan alle vrouwen die ‘het spijt me’ moesten zeggen, al hadden ze geen spijt, en voor mijn moeder, altijd’.

    Degene die ‘verwante activiteiten bedrijven’ zijn Nadia en Xavie, tieners van de derde generatie McKinney in dit boek, neef en nicht, die het verhaal van de familie vertellen. Vooral Nadia’s verhaal is heftig, schokkend en luidruchtig. Xavie weet dezelfde gebeurtenissen wat rustiger te vertellen en toe te lichten vanuit hun achtergrond en voorgeschiedenis. Maar het is Nadia die het meest te lijden heeft: haar vader mishandelt haar zo erg, dat ze haar haren afknipt om hem niet meer de kans te geven haar daaraan mee te sleuren (maar dan doet hij het wel aan de mouwen van haar hoodie). Met haar oma heeft ze een haat/liefde verhouding en haar moeder heeft het te druk met zichzelf en het wel en wee van haar broers en zusters om zich met haar dochter bezig te houden.

    De verschrikkelijke oma

    De neefjes en nichtjes van Nadia en Xavie groeien op als getuigen van dood, geweld, alcohol, drugs, prostitutie en mishandeling binnen een familie die hen niet kan of wil beschermen. De dood is prominent aanwezig. Vele begrafenissen worden bijgewoond en beschreven, een tante die door haar ‘boyfriend’ is toegetakeld en sterft aan de verwondingen. Een oom die zich dood gezopen heeft en uiteindelijk ook oma Sylvia, de ‘stomme oude bitch’.

    Nadia is opgevoed door die verschrikkelijke oma, de sadistische matriarch wier moeder wit was, en die daarom neerkijkt op gekleurde mensen als ‘vuil volk’. Ze wilde de tweeling van haar dochter Diana verkopen omdat het ‘hoerenkinderen’ waren, geboren uit een verhouding met een zwarte man, waarvoor Diana een pak slaag van haar moeder krijgt. Ook na de periode van de Apartheid blijkt huidkleur nog steeds van belang te zijn. Hoewel Kamfer de nadruk niet op politiek legt, weet ze wel binnen de familie McKinney, die alle schakeringen van wit tot diepzwart vertoont, te suggereren dat hoe blanker, hoe beter, nog steeds geldt binnen de Zuid-Afrikaanse samenleving. 

    Accepteren van de status quo

    In korte hoofdstukken vertellen Xavie en Nadia, niet perse om de beurt, hun verhaal, waarbij heen en weer gesprongen wordt van heden naar verleden en terug, van herinneringen naar dromen, waardoor de tijd een factor lijkt te zijn die niet van belang is. Het is alsof hun leven altijd al zo geweest is en ook nooit zal veranderen. De mannen in de familie vervullen een negatieve rol: ze zijn dronken, belazeren de boel, of vergokken alles, maar vooral slaan ze hun vrouwen en kinderen. De vrouwen sussen, proberen geheimen te verhullen, alles toe te dekken, maar zijn vooral bezig te overleven, ieder op haar eigen manier, waarbij het weer de kinderen zijn die aan hun lot worden overgelaten. Die hebben op harde wijze geleerd om iemand uitsluitend op zijn gedrag te beoordelen, niet op aanzien of status binnen de familie.

    Het is het accepteren van de status quo die dit boek zo schrijnend maakt: iedereen berust in zijn of haar lot, behalve Nadia. Alle hoofdpersonen dromen van een beter leven, maar weten heel goed dat deze droom geen werkelijkheid zal worden. Toch is dit boek met veel humor geschreven, in een tempo dat even razendsnel is als dat waarin de schokkende gebeurtenissen elkaar opvolgen. Het is niet de humor die je doet lachen, maar eerder een ongemakkelijk grijnzen is. Zo gebruiken de protagonisten Xavie en vooral Nadia galgenhumor om het leven draaglijker te maken en te relativeren: ‘Toen mijn vader me zo hard sloeg dat ik van de koelkast tot de wasbak tolde, zong ik: ‘Brightly Beams Our Father’s Mercy.’’ 

    Rauwe nietsontziende taal

    Nadia heeft moeite met het bepalen van haar plaats binnen de familie: ze wijst de houding van haar vrouwelijke familieleden af. Ze verzet zich tegen de gelatenheid en acceptatie van hun levensomstandigheden. Tegelijkertijd wil ze erbij horen, zoekt ze liefde en genegenheid, zelfs bij de mensen die het gemeenst tegen haar zijn. Als haar oma overlijdt, voelt Nadia zich woedend en verloren, zelfs zeven jaar later in haar dromen: ‘Ik kan niet besluiten of ik geld moet sturen voor bloemen, een deel van mij wil en het andere deel wil niet. Een dozijn witte rozen, nee, lelies, nee, niks. Ze krijgt niks als ze dood is, ze heeft alles gepakt toen ze leefde.’

    Wat het meeste opvalt in dit overweldigende boek, is de felle schoonheid die schuilgaat in de rauwe, nietsontziende taal die het lezen van alle ellende te verdragen maakt. Steeds word je eraan herinnerd dat Kamfer in de eerste plaats vooral dichter is, zoals blijkt uit de titels die ze aan de hoofdstukken meegaf. ‘Breek het boompje als het jong is’ en ‘Stoïcijns als een motherfucker’, ‘De Heer schept een mens, de duivel kleurt hem in’, en het eerste hoofdstuk luidt: ‘Hallo-daar-tieten en tot-ziens-tranen’. Het is een bonte verzameling van briljante omschrijvingen, origineel en tot de verbeelding sprekend in een halsbrekend tempo. 

    Daarom mag de aandacht ook uitgaan naar het werk van de vertaler, Alfred Schaffer, die ook Kamfers dichtbundels vertaalde. De vertaling moet een enorme klus geweest zijn, niet in het minst omdat Kamfer woorden uit diverse talen gebruikt, Kaaps, Afrikaans, Engels, slang en straattaal door elkaar. Mede dankzij Schaffers vertaling is dit een goed boek en een verschrikkelijk boek. Een verschrikkelijk goed boek. 



  • Ideeënroman gesitueerd op het Franse platteland

    Literaire beschouwing door Gerrit Brand 


    Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik ben een liefhebber van het werk van Rachel Kushner (1968). Al sinds haar in 2013 verschenen roman The Flamethrowers (De vlammenwerpers). Haar werk viel me op omdat zij deze roman begon met een snelle rit op een motor, een 1971 Ducati  750 GT, een absolute klassieker. Vervolgens koppelde ze het motorrace-element van het boek aan de art scene in het New York van de jaren ’70 en eindigde in Italië dat destijds werd verstoord door de linkspolitieke acties van de Rode Brigades.

    In het onlangs verschenen Creation Lake, dat inmiddels ook in Nederland is verschenen onder dezelfde titel, gaat ze weer aan de slag met min of meer hetzelfde thema. Linkse politiek en klimaatactiegroepen, gelardeerd met ideeën over de prehistorie van de mensheid dat zich afspeelt in Frankrijk, gegoten in de vorm van een spannende literaire thriller. Dat literaire is niet bedoeld in de slappe betekenis die er over het algemeen aan gegeven wordt – om een misdaadroman meer cachet te geven – maar in de ware zin des woords.

     

    Erudiet verhaal

    Voor Creation Lake gebruikte Kushner de vorm van een spionageroman om een uitermate amusant en erudiet verhaal te vertellen. De hoofdfiguur in het boek noemt zichzelf Sadie Smith (haar echte naam komen we niet te weten), een soort selfmade geheim agente die freelance werkt voor wie haar maar wil inhuren. Ze deinst er niet voor terug om een val te zetten voor degenen die ze in de gaten houdt. Zo gaat ze er probleemloos in mee om een klimaatactiegroep waarin ze geïnfiltreerd is, tot gewelddadige actie aan te zetten terwijl ze dat niet van plan waren. Sadie’s opdrachtgevers zijn de machthebbers die de kritische en dwarsliggende burger onder de duim willen houden. Zoiets. 

    Mooi aan Kushner is haar fantasie en het gemak waarmee ze zich daarvan bedient. En daarbij haar aandacht voor zaken waar de meeste vrouwen zich doorgaans niet voor interesseren, zoals motorfietsen en auto’s. Wie Rachel Kushner een beetje volgt weet dat ze in een klassieke auto rijdt, een Ford Galaxie uit 1964 (zie de cover van haar essaybundel The Hard Crowd).

    Zelf noemde Kushner het schrijven van Creation Lake het leukste dat ze ooit heeft gedaan. Ze wilde een ideeënroman schrijven die niet saai is en die je voor je plezier leest en herleest. Het idee dat ten grondslag ligt aan Creation Lake is niets minder dan waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Zoals de bijna negentigjarige Bruno Lacombe in het boek zegt: ‘Op dit moment zijn we als mensheid op weg om uit te sterven in een glimmende, auto zonder bestuurder. De vraag is: hoe komen we uit die auto?’ In korte, stuwende hoofdstukken worden de overpeinzingen van Bruno Lacombe – de leider van een groep militante klimaatactivisten, een originele soixante-huitard (studentenopstandeling uit ’68), die al twaalf jaar in een grot woont – afgewisseld met het verhaal (in de eerste persoon) van spionne Sadie Smith. Die graag de boel op stelten zet.
    Bruno
     heeft zijn hele leven onderzoek gedaan naar Neanderthalers en Homo Sapiens en de relatie tussen hen. Lacombe (de naam doet denken aan Lucien Lacombe, een film uit 1974 van Louis Malle). Er zitten trouwens meer verwijzingen in het boek naar een bekende Franse auteur. Goed verstopt, maar als je een literatuur freak bent, dan herken je gewoon Michel Houellebecq.

     

    Aaneenkoppeling van era’s

    Rachel Kushner koppelt van alles aan elkaar. Het werk en de ideeën van een prehistoricus over de Neanderthalers en Homo Sapiens leidt tot een bijzondere geschiedenis van de mensheid van vandaag de dag. De cultuurkritische ideeën van een extreemlinkse (om hem zo maar te noemen) theoreticus uit de groep van ’68, gebaseerd op het boek van Guy Debord, De Spektakelmaatschappij, culinaire beschouwingen en overpeinzingen over wijn (ten slotte zijn we in Frankrijk), een mooie karakteristiek van Zuid-Frankrijk met Marseille als middelpunt en noem maar op. 

    Toen Rachels boek bij me in de brievenbus viel stond ik op het punt op vakantie/familiebezoek te gaan in Marseille. Een mooie toevalligheid aangezien de roman van Kushner min of meer in Marseille begint om zich vervolgens ergens in een ondefinieerbaar gebied in Zuid-Frankrijk verder af te spelen (Kushner gebruikt overigens veelal fantasienamen voor de plaatsen en gebieden). Ik las het dan ook in de juiste sfeer; er komen droge, onherbergzame gebieden en een afgelegen landhuis in voor.
    Sadie Smith noemt de generatie van mensen die in de jaren 90 geboren zijn een generatie die niets heeft meegemaakt. ‘Alleen maar popmuziek, een romantische film, vakantie in augustus. Geen oorlog, niks.’

     Kushner is een meester in het geven van goede sfeertekening. Ze komt steeds op de proppen met mooie beschrijvingen. Ze beschrijft mensen, steden, wegen en landschappen. Maar ze is ook goed in het weergeven van ideeën (al dan niet van haar zelf) over politiek, het kapitalisme en het proletariaat, en de gebeurtenissen in en rond 1968, het jaar van de studentenopstanden waarin het recalcitrante optreden van allerlei extremistische (terreur)bewegingen ontstond.

     

    Marxistisch gedachtengoed

    Bruno Lacombe ziet het nut niet in van op klassen gebaseerde organisaties. Waarbij je je afvraagt of dat niet op de ideeën van de Franse marxist Guy Debord (1931 -1994) gebaseerd is. Zijn argument is dat de wig tussen de mens en de natuur veel dieper is dan de wig tussen fabriekseigenaren en fabrieksarbeiders die de omstandigheden van het leven in de twintigste eeuw hebben gecreëerd. ‘Liefde bevestigt wie iemand is en dat hij het waard is om van te houden. Politiek bevestigt niet wie iemand is. (…) In mensen zit geen politiek.’

    Rachel Kushner is een speelse schrijfster. Als lezer stuwt ze je voort. Ze stopte er haar ideeën over het leven, liefde, politiek en dergelijke in. Je kunt je niet aan het idee onttrekken dat ze het verhaal gebruikt als kapstok om al die ideeën te kunnen etaleren. Ze weet alles van de techniek van auto’s en motorfietsen en prehistorische geschiedenis, maar is vooral gefascineerd door de jaren 60/70. De jaren van de studentenrevoltes en dergelijke. De tijd waarin de wereld zijn onschuld verloor. Men begon zich af te vragen of het wel klopte wat de machthebbers ons vertelden. Denk aan de oorlog in Vietnam. Ik heb iets met die tijd, maar was te jong (12 jaar) om te begrijpen waar het echt om draaide. Rachel Kushner, geboren in 1968, heeft die tijd dus helemaal niet bewust meegemaakt.  Maar die tijd was wel het begin van het alternatieve, linkse denken, dat nu is uitgemond in Metoo, wokeness, klimaatactivisme. Hoe je het ook wendt of keert, Rachel Kushner is een klasse apart. Ze is van alle markten thuis, of het nu over auto’s, culinaire aangelegenheden of politiek gaat. In Creation Lake kom je het allemaal tegen. Het boek leest als een trein, is vermakelijk, en je hebt te maken met een auteur die iets te vertellen heeft. 

     

     

    Creation Lake | Rachel Kushner | Atlas Contact  (2024) | vertaling Lidwien Biekmann | ISBN 9789025470920 | 400 pagina’s | Prijs € 24,99


    Gerrit Brand is uitgever bij uitgeverij Nobelman en auteur.

     

     

  • Niet tevreden met een kikkerbrevet

    Een roman schrijven die grotendeels in het zwembad plaatsvindt, is een gedurfde onderneming. Toch is schrijfster Rosanna ten Have deze uitdaging aangegaan in haar debuutroman Badje 3. Voor Suzanne, de hoofdpersoon, begon er een moeilijke periode toen ze haar zwemdiploma niet haalde. Jaren later denkt ze er nog steeds aan terug: ‘Een van mijn topanekdotes: ik ben gezakt voor mijn A-diploma. Als troostprijs kreeg ik een kikkerbrevet. Misschien ben ik wel de enige. Op fora voor ouders van nu ben ik over het onderwerp “zakken voor je zwemdiploma” niets tegengekomen.’

    Het blijft Suzanne bezig houden, zodat zij bij een lifecoach op de bank belandt: ‘Er moet iets mis met mij zijn. Waarom ben ik anders zo moe en duizelig, en heb ik de hele tijd spierpijn terwijl ik niets uitvoer? Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat ik geen echte problemen heb en mij aanstellerig gedraag.’ De lifecoach probeert Suzanne te stimuleren om het diploma toch een keer te behalen, maar daarvoor zal ze eerst zwemlessen moeten nemen. Ze start in het tweede instructiebad en krijgt begeleiding van zweminstructrice Fab.

    Moeilijke communicatie

    Suzanne heeft begeleiding van een lifecoach nodig om een beslissing in haar leven te nemen, maar er spelen nog meer problemen. Tijdens haar eerste zwemles ontmoet ze nieuwe vrouwen, maar ze vindt het lastig met hen te communiceren. Ook in de kleedruimte voelt Suzanne zich zodanig ongemakkelijk dat zij omslachtige manoeuvres toepast om zich om te kleden. Het is duidelijk dat ze snel van streek raakt als het gaat om het menselijk lichaam, fysiek contact en communicatie. Als Suzanne eenmaal de stap neemt om te praten, dan houdt ze een bepaalde techniek in haar achterhoofd, de zogenaamde luister-, samenvattings- en doorvraagmethode.

    Deze methode kan tijdens het lezen ook toegepast worden. Je ‘duikt’ in Suzannes visie op de wereld, het is eenvoudig om haar verhaal samen te vatten, maar er is vooral veel om over door te vragen. Wat is er bijvoorbeeld gebeurd met haar vader? Waarom is de relatie tussen Suzanne en haar moeder problematisch? Welke rol heeft dit gespeeld in haar ontwikkeling? Eigenlijk laat de auteur pas aan het einde van het verhaal meer los over haar personage. Dit hoeft geen probleem te zijn, maar Ten Have geeft zoveel hints naar iets wat er in Suzannes verleden is gebeurd dat de nieuwsgierigheid wel gewekt wordt. Dan valt het tegen als uiteindelijk onduidelijk blijft waar die hints naar verwijzen. Het blijft dobberen. 

    Opwekken van herkenbaarheid

    De thematiek van de roman raakt de complexe ontwikkeling van Suzanne: sociaal isolement, verlatingsangst, jaloezie, schaamte en vooral de zoektocht naar het begrijpen van emoties die op elk moment de kop kunnen opsteken. Het verhaal draait om de vraag hoe ver Suzanne kan gaan met haar wens om het diploma te behalen en daarmee ook een sociale groei door te maken. Haar worsteling met zichzelf wekt een bepaalde mate van herkenbaarheid op: het te veel nadenken over wat de ander denkt, zich onzeker voelen over haar lichaam en de vraag hoe zij zich dient te gedragen in een groep. Ook veel andere jongeren worstelen hiermee en dat maakt het boek geschikt voor de jongere lezer. Het verhaal is toegankelijk en de schrijfstijl en toon van Ten Have sluiten daar goed bij aan. Ondanks de zware thematiek blijft het luchtig door de humor die zij heeft ingezet.

    Ten Have heeft aandacht besteed aan de diversiteit van haar personages. De karakters vertegenwoordigen diverse stemmen in de samenleving. Zij hebben allemaal hun eigen reden om op zwemles te gaan, gaan op verschillende manieren met elkaar om en hebben diverse normen en waarden. Hoe mensen bijvoorbeeld soms niet tot een goede communicatie kunnen komen, wordt getoond door de plotselinge verbreking van een vriendschap tussen Suzanne en één van de vrouwen uit het zwemclubje. Er wordt geen poging gedaan om werkelijk naar elkaar te luisteren. Ten Have is er goed in geslaagd om herkenbare beelden te creëren.

    Verhaallijnen worden niet afgemaakt

    De opbouw van het verhaal is duidelijk: de hoofdstukken verwijzen naar het nummer van de les. De roman leest vloeiend en dat is aangenaam, al worden veel zaken aangehaald die niet worden afgewerkt. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met de gastheer van het zwembad? Er wordt gesuggereerd dat hij oprechte interesse in Suzanne toont, maar hij verdwijnt uit het verhaal en komt niet meer terug. De rol van Suzannes moeder blijft onduidelijk. Zij heeft iets ernstigs meegemaakt, maar haar verhaal krijgt geen betekenis in de ontwikkeling van de roman. En de lifecoach? Haar rol lijkt aan het begin van het verhaal groot. Ze helpt Suzanne haar impasse te doorbreken, maar ze verdwijnt compleet naar de achtergrond.
    Badje 3 is een toegankelijke roman die thema’s aansnijdt die in de hedendaagse samenleving spelen. In het verhaal fungeert het zwembad op een interessante wijze als metafoor voor de maatschappij. Het beeld dat de auteur schetst van haar personages en hun denkwijzen is humoristisch, maar de ontwikkeling van de personages laat enigszins te wensen over.

     

     

  • Zwarte bladzijden

    Schrijver Erno Pickee en tekenaar Harits Farhan maakten de graphic novel Molo Uku. Erfenis van de gouden eeuw, het eerste deel van wat een vijfdelige reeks moet worden. Pickee, wiens moeder Moluks is, schreef een verhaal dat de erfenis van de gouden eeuw vanuit een kritische invalshoek belicht.

    De term ‘gouden eeuw’ is een nostalgisch ophemelende term in de nationale geschiedschrijving. Het gaat om een omschrijving van de periode in de zeventiende eeuw waarin de basis werd gelegd voor de rijkdom van wat nu Nederland is. En wel door de activiteiten overzee van de Verenigde Oostindische Compagnie, de VOC. Deze VOC heeft onder velen in Nederland een positieve reputatie, zelfs onder historici (‘Die VOC mentaliteit! Toch?’). Pickee en Farhan maken in hun album duidelijk dat die reputatie niet gebaseerd is op nobel handelen in de zeventiende eeuw. Hun album is nadrukkelijk geen nostalgisch werk. Het is een eerder een zwartboek en de tekeningen zijn dan ook geplaatst op zwarte bladzijden, wat niet subtiel is, maar wel terecht.

    Moluks perspectief

    De VOC-kapitein De Vries wordt als de onbetrouwbare ander getoond. De VOC, de eerste Nederlandse multinational, had belangstelling voor de kruidnagels van de Molukse eilanden. Met vals handelen weet De Vries het vertrouwen van de Molukkers te winnen. Door rigoureus het perspectief van de Molukkers te kiezen, wordt de Nederlandse lezer, of in ieder geval diegene die weinig van dit deel van de geschiedenis weet, de mogelijkheid geboden om eens niet mee te leven met ‘onze jongens’.

    Er zijn politici die vinden dat de schaduwzijden van de nationale geschiedenis niet belicht moeten worden, terwijl wij als maatschappij toch voortkomen uit alle handelwijzen van onze voorouders, ook de twijfelachtige. Mensen die slechts een gouden eeuw willen belichten, zijn op zijn best leugenaars en op zijn slechtst mensen die, als ze de kans zouden krijgen, de fouten van het verleden zouden herhalen. De auteurs trekken zelf de parallel met het heden niet nadrukkelijk, dat zou het vertellen van het alternatieve geschiedverhaal verstoord hebben. Toch maken ze indirect duidelijk dat er wel degelijk lessen uit het verleden kunnen en moeten worden getrokken. De nadruk op het erfgoed die ook uit de ondertitel van het album blijkt, laat zien dat ze oog hebben voor de betekenis in het hier en nu van wat er uit het verleden overgeleverd is. 

    Vaardige tekeningen tonen belang van Moluks erfgoed

    De tekeningen van de Indonesiër Farhan zijn vaardig. Het album is uitgevoerd in een Aziatische stijl, in een combinatie van realisme (decors) en halfrealisme (personages). De tekenstijl vergemakkelijkt het lezen niet, maar wie doorzet wordt beloond: het andere perspectief roept op tot meeleven met de slachtoffers van de geschiedenis, in plaats van tot een zwelgen in misplaatste trots over de winnaars van die geschiedenis.

    Het album opent met enkele bladzijden over de geschiedenis van de internationale handel in kruidnagels voorafgaand aan de zeventiende eeuw. Zo wordt er een historische context geboden, die het album ook geschikt maakt voor gebruik in het onderwijs. Het schema goed-fout wordt iets te opzichtig neergezet in dit album: de Molukkers zijn vooral nobel. Er wordt wel gesuggeereerd dat het tussen hen onderling niet per se pais en vree is. Hopelijk worden dergelijke verhaallijnen in de komende delen nog verder uitgewerkt.

    Het is goed dat het Molukse verhaal wordt belicht, ook om tot een beter begrip te komen van de Molukse gemeenschap in ons land en van wat de Molukkers aan negatief doorwerkende geschiedenis hebben geërfd door de aanraking met Nederlanders. Het is het belang van het Molukse erfgoed dat in deze bladzijden overtuigend getoond worden.

     

  • Verhalen als waardevol document

    De tien korte verhalen in Milde Klachten van Sanneke van Hassel hebben één ding gemeen: corona. Tegen de achtergrond van de coronapandemie beschrijft Van Hassel het isolement van haar personages. Met oog voor detail en een heldere stijl komen de verhalen vanzelfsprekend en ongedwongen uit de verf. Voor iedereen zo herkenbaar en tegelijkertijd is het nog moeilijk voor te stellen dat de hele wereld ‘in de ban van’ was. De glimlach achter het mondkapje, de perspexschermen op de toonbank, het niet handen geven, buiten afspreken of wachten tot je een winkel binnen mag. Maar ook eenzaamheid, angst, bedreigingen en bezorgdheid voor verlies van dierbaren zijn emoties die in de verhalen worden opgeroepen.

    In niemand die het ziet wonen het ik-personage en Toby samen in een studentenhuis. Het meisje, de ik, houdt in een fluorescerend roze dagboek haar dagen bij. ‘In dit schrift wil ik vooral schrijven over de bijzondere tijd waarin ik ben beland. Van het ene op het andere moment zitten we met zijn allen thuis door een of ander virus.’ Het dagboek is geschreven in de typerende associatieve stijl van een twintigjarige, die haar dagen slijt met afwachten. Haar baantje in de plaatselijke kroeg is gestopt. Ze gaat hardlopen en geeft het typische straatbeeld weer van een Rotterdamse stadswijk (veel van de verhalen spelen in dezelfde wijk in Rotterdam) tijdens corona. Maar eigenlijk gaat het verhaal over haar schuldgevoel, omdat ze niet heeft gezien hoe haar huisgenoot Toby eraan toe is. Hij gaat veel uit en lijkt nogal onbereikbaar, ze slapen een keer samen en daarna ontwijkt hij haar. Totdat hij geheel onverwacht door zijn ouders wordt opgehaald.

    Personages komen terug

    In het tweede verhaal, 1 April, lezen we over het gezin Vuursteen tijdens de lockdown: vader, moeder, twee dochters en de cavia’s die iedere ochtend door de meisjes worden begroet. Vader Arjen houdt zich vooral bezig met het nauwgezet volgen van het coronanieuws, de doden en de regels. Moeder Colet verveelt zich en ergert zich ziek nu de souvenirwinkel waar ze werkt gesloten is. Om de jeu erin te houden bedenkt zij dat iedereen een 1 aprilgrap moet verzinnen. ‘Het is stil in huis. Zonnestralen vallen de diepe gang in waaraan de slaapkamers liggen. De deuren van de meisjeskamers staan een stukje open. Meneer Vuursteen heeft er een beker water opgezet. Zodra zijn dochters hun deuren verder opentrekken, zullen ze een flinke plens over zich heen krijgen. Haha, 1 april!’ Mevrouw Vuursteen heeft een nog veel ziekere grap bedacht.

    In sommige verhalen komen dezelfde personen langs, wat de bundel een mooie eenheid geeft. Zo komt de studente terug in Zwevend balkon. Ze wil haar opa verrassen die in een verpleeghuis zit en dat was geen pretje tijdens de pandemie. Kleindochter mag hem niet bezoeken, dus huurt ze een hoogwerker met een bakje dat tot de derde verdieping reikt. Opa verschijnt op zijn balkon en zo kunnen ze even praten. Wat volgt is een ontroerende, maar ook nietszeggende dialoog en daarom veelzeggend. ‘”Mooi uitzicht heb je, opa,” zei ik. Tegenover het verpleeghuis stond een kerk, op de hoek van een laan met grote huizen en veel bomen. ”Laatst liep er een teckel, die wilde niet naar huis,” zei opa. “Die man had duidelijk haast en sleepte het beest over de grond mee. Kostelijk.”’

    Ingeslopen gelatenheid

    In het verhaal Geduld gaan drie oudere mensen, Marja, Hans en Renske, naar de Matthäus Passion in theater De Doelen in Rotterdam. Het mag weer, de regels zijn versoepeld. Uit de dialoog blijkt dat Marja en Hans de grootouders zijn van Toby uit In niemand die het ziet. Renske heeft haar man kort geleden verloren. Bijzonder aan dit verhaal is de perspectiefwissel, die steeds begint met een zin vanuit een (niet aanwezige) ik-verteller, om dan over te gaan in een van de drie anderen. ‘Er was veel jong publiek, wat ons verheugde. De afgelopen twee jaar hadden we onze kinderen en kleinkinderen minder gezien en het contact met de jeugd gemist. Toen Karin moest thuiswerken wilde Marja voor de jongens zorgen, maar haar dochter durfde het niet aan, hoewel ze bijna overspannen was geraakt.’ Zelfs buurvrouw Vuursteen uit het verhaal met de cavia’s loopt langs, uit het commentaar van de anderen blijkt dat ze niet dol op haar zijn.

    In Haarden gaat een jonge vrouw vrijwilligerswerk doen in het vluchtelingenkamp Moria op Lesbos waar ze hele heftige dingen meemaakt. Na terugkeer logeert ze bij haar broer, maar het contact verloopt ongemakkelijk. Hij heeft weinig aandacht voor haar ervaringen en reageert pragmatisch en gevoelsarm. Illuminati gaat over twee jonge vrouwen die worden uiteengedreven door verschillende meningen over het coronabeleid. De Italiaanse Elissa in Berensporen wordt verteerd door heimwee naar Italië. Haar familieleden en vrienden sterven bij bosjes en zij is alleen. Ze werkt thuis, haar man is op reis en ze heeft de zorg voor haar zoontje. Ondertussen verlangt ze hevig naar lichamelijk contact. Het laatste verhaal, Panic Room, is het schrijnende voorbeeld van een huisarts in Oostenrijk die wordt bedreigd vanwege haar uitspraken in de media over vaccinatie.

    Covid-19 is de verbindende protagonist op de achtergrond, maar in Milde klachten gaat het om de personages die in een onzinnige tijd hun leven zo goed mogelijk trachten voort te zetten. Er hangt een sfeer van gelatenheid over de mensen, wat de titel misschien verklaart. Dat maakt de verhalen niet hoogdravend, maar wel heel herkenbaar. Duidelijk wordt dat de impact van de pandemie bij iedereen sporen heeft achtergelaten. Wellicht zullen kinderen die in deze tijd geboren zijn, de verhalen over 25 jaar met interesse lezen. In die zin is deze bundel een waardevol document.