• Pure nostalgie

    In De vlinderkus beschrijft regisseur, presentator en eindredacteur Cees van Ede zijn jeugdherinnering aan France Gall, het tienermeisje dat met Poupée de cire, poupée de son in 1965 het Eurovisie Songfestival won. Het verhaal begint met een bezoek aan de begraafplaats Cimetière de Montmartre in Parijs waar France Gall in 2018 begraven is. Ze heeft een nogal detonerende graftombe, vindt Cees, waarin ze met haar man Michel Berger en dochter Pauline ligt. Op drie glasplaten staan hun handtekeningen gegraveerd. ‘Nog één keer deel je je handtekening uit.’ De auteur spreekt Gall in je-vorm toe alsof het een brief aan zijn toenmalige vakantieliefde betreft.

    In de volgende hoofdstukken beschrijft de volwassen Van Ede het verhaal in de derde persoon, zijn jeugdversie noemt hij Kees, wat hem de vrijheid geeft om de herinnering ruimer te interpreteren. Het is uiteindelijk fictie. Van Ede’s stijl is wat zakelijk, maar afgewisseld met een persoonlijke, soms licht ironische toon leest het vlot, al blijft de lezer enigszins op afstand.

    Kees groeide op in Utrecht, Kanaleneiland in aanbouw, in een groot katholiek gezin waar ook opoe nog bij inwoonde. Zijn enige troost was een citer van een van zijn tantes, maar al gauw wilde hij meer. Hij had een witte gitaar gezien in een etalage op de Steenweg. De citer diende als ruilmiddel en Kees was de koning te rijk met zijn gitaar. Dat het een jazzgitaar was, wist hij toen nog niet.

    Heeroom Piet

    Heeroom Piet was Curé de Campagne in Bourgondië. Behalve dorpspastoor was deze oom ook aalmoezenier van een groot kinderkoor, Les Passereaux de Auxerre. Samen met dat koor zouden de veertienjarige Kees, zijn broer en een neef met heeroom Piet naar Bretagne reizen om daar drie weken aan zee te kamperen in Saint-Lunaire, niet ver van Saint-Malo. Hun taak was om te assisteren bij het in het gareel houden van de koorknapen. ‘Het duurde nog negen maanden voordat ze zouden vertrekken, maar Kees kon er nu al bijna niet meer van slapen.’

    In het derde hoofdstuk geeft Van Ede een korte biografie van France Gall. Ze had een relatie met Julien Clerc, en Serge Gainsbourg schreef haar winnende songfestivalliedje Poupée de cire, poupée de son. Van Ede geeft de door hem zelf vertaalde songteksten erbij, die in het Nederlands tamelijk simpel lijken, maar zoals Cees verzucht: ‘Waarom klinkt alles in het Frans zoveel mooier.’
    France Gall had haar zinnen op de succesvolle Michel Berger gezet. Berger schreef onder andere voor Veronique Sanson en had een relatie met haar. Toen Sanson naar Amerika Stephen Stills achterna ging, stapte France Gall in haar plaats. Berger werd haar tekstschrijver, ze trouwde met hem, ze kregen een dochter en hij wist haar zeer succesvol te maken.

    Heeroom Piet haalde zijn drie neven, die hij Kwik, Kwek en Kwak noemde, in Utrecht op en ze reden naar Frankrijk en vervolgens naar Bretagne. Kees zat graag op het strand van Saint-Lunaire met zijn gitaar en zong Lonely Boy van Paul Anka. Een groepje Franse jongeren kwam naderbij en aangetrokken door zijn gitaar, verzamelden ze zich om hem heen. Onder hen bevond zich Isabelle Geneviève Marie Anne Gall. ‘Zeg maar Isabelle.’ Ze was met haar twee broers, nichtje en neven, en ze vonden de muziek mooi en Kees voelde zich vereerd in hun middelpunt. Hij zong zijn liedjes en begeleidde zichzelf op de gitaar. Isabelle, diep onder de indruk, wilde dat Kees haar gitaar leerde spelen. Hij wilde niets liever. ‘Toen hij was uitgezongen boog Isabelle zich naar hem toe en drukte haar voorhoofd tegen zijn slaap. Hij voelde de warmte van haar huid en hoorde haar snelle ademhaling. Kort na elkaar sloot en opende ze haar ogen, waardoor haar lange wimpers zacht zijn wang beroerden. Ze herhaalde het een keer, en nog eens. Kees zag en hoorde niets meer, hij voelde alleen haar fluwelen wimpers op zijn wang. Kon hij de tijd maar stilzetten, dacht hij, zodat dit moment nooit voorbij ging. Toen boog ze weer achterover, keek hem ernstig aan en zei: ”C’est un baiser de papillon.” Een vlinderkus.’ Ze spraken samen af, wandelden hand in hand over het strand, droomden samen over de toekomst, zonder dat er al iets van haar zangcarrière duidelijk was.

    Ze zong over hem

    Na die vakantie bleven ze corresponderen, maar de pauzes tussen de brieven werden met het verstrijken der jaren groter. Ze zagen elkaar nog een enkele keer, de laatste keer in Bussum bij de opnames van de show van Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooijer, waar France Gall tussen de sketches optrad.
    In de epiloog is Cees weer op het kerkhof van Montmartre. Vol nostalgie blikt hij terug op dat wat eens was. In een interview leest hij dat ze wel degelijk een lied over hem gezongen heeft, haar favoriet, Christiansen. Cees had zichzelf er niet in herkend en constateert dat hij een liedje is geworden.
    Voor fans van France Gall is deze novelle echt een aanrader, maar ook zonder haar te kennen is het boek een hartverwarmend en herkenbaar relaas van een jeugd en een vakantieliefde.

    Cees van Ede schreef na een dichtbundel, een in memoriam voor Lodewijk de Boer en met De vlinderkus zijn eerste novelle. Verschenen bij uitgeverij Sunny Home, vernoemd naar het Leidse huis van Maarten en Eva Biesheuvel.

     

     

  • Vanzelfsprekende onlogica

    Wat zou jij doen met meer dan twee armen? De octopus, in dit nieuwe verhaal van Toon Tellegen, heeft voor al zijn acht armen een eigen logische functie. Of toch niet? In dit prachtige prentenboek De armen van de octopus lezen we hier meer over.

    […]

    Voor wie bekend is met de fantasierijke dierenverhalen van Tellegen, die vaak een wijze en filosofische ondertoon hebben, zijn er veel herkenbare situaties. Denk bijvoorbeeld aan brieven die worden geschreven in Misschien wisten zij alles en die soms wel of juist niet aankomen. Denk aan de overpeinzingen van de eekhoorn en de mier. Denk aan de speelse en onderzoekende functies van de slurf van de olifant of de steeltjes van de slak. Denk aan bezoek dat zomaar aan kan komen waaien of letterlijk binnen kan vallen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • Met een volstrekte eerlijkheid

    Jan de Rooy heeft met Ethel in Wonderland een hybride vorm tussen biografie en autobiografie uitgebracht. In een traditionele biografie beschrijft de biograaf het leven van degene die in de biografie centraal staat. In een autobiografie wordt uiteraard het eigen leven verteld. De Rooy heeft echter een biografie in de ik-vorm geschreven. Hij staat als auteur op omslag en titelpagina, maar heeft zich vervolgens uit de biografie geschreven. Zijn hybride biografie is dan ook gebaseerd op een jarenlange vriendschap tussen biograaf en hoofdpersoon, op vele gesprekken die ze gevoerd hebben en op de (dagboek)aantekeningen van Ethel zelf. Wat bij lezen meteen opvalt is de volstrekte eerlijkheid waarmee het verhaal zich ontrolt: vrienden en familie worden niet gespaard in dit goudeerlijke en daardoor waardevolle document. Wat verder opvalt is de geringe aandacht voor de boeken die Ethel geschreven heeft. Het is geen auteursbiografie: niet haar boeken, maar de gebeurtenissen uit haar leven staan centraal. De hybride biografie heeft daardoor een sterk anekdotisch karakter.

    Ethel Portnoy (1927-2004)

    De Ethel uit de titel van het boek is de in Amerika geboren schrijfster Ethel Portnoy, dochter van Russisch-Joodse immigranten. Op school schrijft ze een opstel: mijn eerste zoen. Het is de gewoonte dat opstellen voorgelezen worden in de klas. Na het voorlezen van de titel gaat er een schok door het leslokaal. Portnoy wacht even voor ze verdergaat. De leerlingen hangen aan haar lippen. Ze bouwt de spanning op door te vertragen naarmate het moment van de zoen dichterbij komt. Ze geniet van de aandacht die haar ten deel valt, en begrijpt in één klap de macht van het woord.

    Portnoy studeert in Amerika letterkunde en Frans en vertrekt in 1950 met een Fulbrightbeurs naar Parijs. In die stad ontmoet en trouwt ze de Nederlandse schrijver Rudy Kousbroek. Via hem komt ze in contact met Nederlandse schrijvers (de Vijftigers) en schilders (Cobra) die na de Tweede Wereldoorlog naar Parijs zijn gegaan: op dat moment nog het centrum van de (kunstenaars)wereld.

    Portnoy studeert bij Claude Lévi-Strauss en Roland Barthes en werkt bij het International Theatre Institute van Unesco. In die tijd krijgt ze ook twee kinderen (Hepzibah en Gabriel). Ze verhuist in 1970 naar Den Haag waar haar echtgenoot af en toe opduikt, terwijl hij in de Parijse woning blijft wonen. Ze hebben een vrij huwelijk en beiden maken daarvan gebruik om er minnaars en minnaressen op na te houden. Ook dit deel van haar leven wordt volstrekt eerlijk verteld. Portnoy ontwikkelt zich in Den Haag tot een veelgelezen schrijfster waarbij ze put uit de vele volgeschreven archiefkaartjes.

    Ook na de scheiding van Kousbroek blijft hij aanwezig in het leven van Portnoy. Ze schrijft af en toe liefdevol over hem, maar soms ook vilein, bijvoorbeeld over de ruzie tussen Kousbroek en hun zoon Gabriel over haar mémoires (op z’n Frans geschreven) en de tekst die op haar grafsteen moet komen te staan. Portnoy is bang dat Kousbroek met de aantekeningen aan de haal gaat of dat Hepzibah alles naar het Letterkundig Museum (het huidige Literatuurmuseum) zal brengen. Daarom geeft ze het materiaal aan Jan de Rooy die het voor de hybride biografie heeft aangevuld met informatie uit de eerste hand van zoon Gabriel en van nog levende vrienden en vriendinnen.

    Terug naar Amerika

    Op 25 mei 2004 overlijdt Portnoy, 77 jaar en 77 dagen oud. Drie dagen later organiseren Hepzibah en Gabriel voor haar vrienden en vriendinnen een bijeenkomst om afscheid te nemen. Een dag later begeleiden haar kinderen haar naar New York waar ze op 30 mei tussen haar vader en moeder begraven wordt.

    De schrijfster

    1978 was een belangrijk jaar voor de schrijfster die Portnoy wil zijn: ze richt met Hanneke van Buuren en Hannemieke Postma het feministische tijdschrift Chrysallis op, een blad dat openstaat voor alle vrouwen die over literatuur en kunst willen schrijven. Het blad wil laten zien hoe vrouwen zouden kunnen schrijven als ze alle kansen kregen om dat te doen en zich kunnen bevrijden van opgeplakte verwachtingen. Hetzelfde jaar verschijnt haar toneelstuk Belle van Zuylen ontmoet Cagliostro én haar bekendste boek Broodje Aap waarin ze bizarre verhalen opdist die als waarheid gepresenteerd worden, maar waarvan iedereen wel kan weten dat het om verzinsels gaat. Het titelverhaal gaat bijvoorbeeld over een hotdog-verkoper die apenvlees in zijn hotdogs verwerkt zou hebben. De titel is een gevleugeld woord in het Nederlands geworden: een broodje-aapverhaal.

    Wonderland

    In het begin van het boek verklaart De Rooy wat hij bedoelt met het begrip wonderland uit de titel: Portnoy gaat van het leven genieten wanneer ze de wondere wereld van film, theater en literatuur ontdekt (met ongetwijfeld een verwijzing naar Alice). De ondertitel van het boek luidt: Hoe de Amerikaanse Ethel Portnoy een Nederlandse schrijfster werd. Portnoy schrijft namelijk in het Engels en haar teksten worden in het Nederlands vertaald door onder anderen Rudy Kousbroek en hun dochter Hepzibah. Dit is waarschijnlijk de reden dat ze – hoewel ze zich een Nederlandse schrijfster voelt – geen Nederlandse literatuurprijzen heeft gekregen. Wel krijgt ze in 1991 de Annie Romeinprijs van het feministische maandblad Opzij, een bekroning voor schrijfsters wier werk bijdraagt aan de ontplooiing, bewustwording en emancipatie van vrouwen.

    Op het omslag van de (auto)biografie staat een foto van Portnoy met zoon Gabriel. Dat Rudy Kousbroek verliefd is geworden op deze sprankelende vrouw hoeft geen verbazing te wekken. Het boek bevat een schat aan illustraties (waarvan de foto’s helaas in zwart-wit afgedrukt zijn). Het uitgebreide personenregister laat zien hoe innig haar leven verbonden is geweest met de culturele elite in Nederland. Uiteraard is iedereen in het register gealfabetiseerd op de achternaam, maar in de tekst worden vrienden en vriendinnen vaak aangeduid met uitsluitend hun voornaam. Gelukkig staan zowel hun voor- als achternamen op pagina 387 vermeld in het dankwoord zodat de lezer eenvoudig kan nagaan naar wie de voornamen Yolanda of Thérèse verwijzen.
    Blijft over de vraag: waar blijft de biografie van Rudy Kousbroek?

     

     

  • Schaevers als aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus

    Van nare pestkop, heulend met de Duitse bezetter, tot uitgedoofde dementiepatiënt – dat zijn nog maar twee van de levens die in de biografie van Hugo Claus door Mark Schaevers besproken worden. Zijn onderwerp wekt niet veel sympathie op bij de lezer. Gelukkig maakt Schaevers het niet mooier dan het is en krijgen we in De levens van Claus een zuiver en volledig beeld van een van de grootste naoorlogse Nederlandstalige schrijvers. 

    Hugo Claus’ zelfgekozen dood vond plaats op 19 maart 2008. Het was zijn eer te na de ziekte van Alzheimer haar fysieke en geestelijke sloopwerk te laten afmaken, ‘hij wilde niet in duisternis sterven, maar waardig in het licht,’ aldus Bezige Bij-redactrice Suzanne Holtzer, die bij de euthanasie aanwezig was. Claus’s einde en de deerniswekkende maanden van aftakeling die eraan voorafgingen, worden door Schaevers zeer uitvoerig beschreven. De vraag die Schaevers zich te weinig stelt is of alle bijeengegaarde biografische details even relevant zijn. Zo vermeldt hij wat Claus in zijn dagboek schrijft na een etentje bij een bevriend advocaat: ‘Ik at: 1 meter geroosterde darm, gevuld met gerookte tong, ham en hart (na 3 vodka’s) met vijf glazen wijn, daarna wat gebakken darmen (die te keurig geschrobd waren, het beestachtige was totaal zoek) toen gebakken grouse (Schotse sneeuwhoen of korhaan) met frites en appelmoes en een halve liter Gevrey-Chambertin, daarna twee flinke stukken vla (gemaakt van mastellen en peperkoek) en een flinke brok geflambeerde pudding. […] Vanmorgen broeierig en broos in het hoofd.’

    Onmatig karakter van een brute jongen

    Tijdens de verbouwing van (alweer) een nieuw woonadres in de Provence logeren Claus en zijn vrouw Veerle de Wit, ‘in Le Mas de Curebourse, een achttiende-eeuws koetshuis in de boomgaarden bij L’Isle-sur-la-Sorgue. De keuken was er prima – heel Frans, kokkin met de toque op de kop’. Zou het eerste citaat nog kunnen gelden als indicatie van Claus’ onmatige karakter, het tweede lijkt pure bladvulling. 

    Maar goed, Schaevers pakt het werk nauwgezet aan en presenteert een nuchter, chronologisch feitenrelaas. Van de levens die hij beschrijft liegt het eerste, over Claus’ jeugd tijdens de oorlogsjaren, er niet om. Een klasgenoot: ‘Claus was een onaangename kerel. Hij was ambetant. Hij nam mijn potlood af. En hij had een reukske, zijn kleren stonken.’ Een buurmeisje noemt hem later een ‘lokale verschrikking’. ‘Hij was een brute jongen met veel geweld in zijn lijf.’ Als stoere puber in een Vlaams-nationalistisch en daarom Duitsgezind gezin zou hij graag naar het oostfront zijn gegaan, maar daarvoor was hij te jong. In plaats daarvan trad hij toe tot de NJSV, een uiterst rechts, radicaal-nationalistisch scholierenverbond, vergelijkbaar met de Hitler Jugend. Het is niet de fraaiste fase in het leven van Claus. Erg open is hij dan ook nooit geweest over zijn oorlogsverleden. Zoals hij trouwens graag mythes, vaagheden en aperte leugens over zichzelf rondstrooide.

    Schaevers citeert de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, die het mythologiseren van het verleden ‘zelfs een van [Claus’] belangrijkste drijfveren’ noemt. Claus beleefde zijn wereld volgens Schaevers ‘als een claustrofoob universum’. ‘En was erover schrijven niet de beste manier om te pogen zich van alle klemmen te ontdoen?’ Het resultaat is een versnippering van zijn persoonlijkheid, of – in Claus’ eigen woorden – ‘een bombardement van veranderingen’, met als resultaat ‘een man in scherven’. Ook qua activiteiten: dichter, romanschrijver, kunstcriticus, dramaturg, regisseur, librettist, vertaler, filmer, scenarist, tekenaar, schilder.

    Verandering van koers na de oorlog

    Claus schakelt na de oorlog wonderlijk snel over naar dat heel andere facet van zijn persoonlijkheid, het kunstenaarsschap. Ook de biograaf lijkt opgelucht te zijn de zwarte oorlogsbladzijden om te kunnen slaan. Claus werpt zich op de beeldende kunst en schrijft zijn eerste serieuze verzen. Als prille twintiger vertrekt hij naar Parijs, waar hij aansluiting vindt bij een opwindend gezelschap van avant-garde kunstenaars als Corneille, Karel Appel, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Lucebert en Hans Andreus. Hij maakt er kennis met het surrealisme, publiceert zijn eerste verhalen en waagt zich aan het schrijven van toneelstukken. Het verblijf in Parijs en zijn omgang met al die boeiende, eigenaardige geestverwanten wordt mooi door Schaevers beschreven, zoals hij überhaupt de hele dikke biografie door een aangename gids door de turbulente levens van Hugo Claus is. Schaevers is een ingewijde die zich nochtans niet op zijn persoonlijke nabijheid bij zijn onderwerp laat voorstaan en op een prettige manier op de achtergrond blijft. 

    Eenmaal erkend als buitensporig talent en veelzijdig kunstenaar gaat het hard met de carrière van Claus. Als dichter breekt hij door met De Oostakkerse gedichten, geworteld in zijn West-Vlaamse geboortegrond (‘land van mest en mist’), zoals die in feite in heel het oeuvre van Claus zijn weerklank vindt. Zo komt zijn proza pas echt goed op gang als hij de zangerigheid van de streektaal erin verwerkt. Toch verloopt Claus’ carrière als kunstenaar bepaald niet zonder horten en stoten. Regelmatig voelt hij zich geblokkeerd of ‘uitgebloed’ – door te hoge ambities, een hardnekkig gevoel van miskenning, gebrek aan inspiratie en een fatalistische levensvisie. Claus is een moeilijk mens, die hoge eisen stelt aan zichzelf en aan anderen. Hij brandt de debuutroman van zijn (toen nog) vriend Simon Vinkenoog radicaal af: ‘Er spreekt geen sensibiliteit uit, geen perceptie, aanvoelen van dingen, woorden, mensen. Er is alleen jij, Simon, die klaagt, jankt om iets dat je niet aan kan.’

    Schaevers voegt hieraan toe dat Claus’  conclusie ook iets zegt over wat hemzelf voor ogen stond als schrijver: ‘…wat wil je dat het mij kan schelen als het niet dwingend en heet als een schreeuw op mij afkomt?’ Hoewel kritisch op zichzelf kon Claus slecht tegen kritiek van anderen. Ook al deed hij voorkomen alsof het hem niet raakte, ‘in werkelijkheid leed hij eronder dat hij zo’n dunne huid had’, aldus Schaevers. Claus maakt een hele lijst ‘van de zgz progressieven die mij met al hun rancune – want anders kan het niet zijn – bespat hebben’. Zo noopt Claus in de loop van zijn leven vele collega’s, getrouwen en vrienden afstand van hem te nemen. 

    Imponerende en charismatische verschijning

    Hoewel rancuneus, onberekenbaar, onevenwichtig, ijdel en recalcitrant was Claus ook charmant, trouw en onderhoudend genoeg om altijd het middelpunt te zijn van een grote vriendenschaar. In het boek staan foto’s van Claus in gezelschap van Harry Mulisch, Cees Nooteboom, Fons Rademakers, Remco Campert, Kees van Kooten, Tom Lanoye, Henny Vrienten, Guy Mortier en de Belgische premier Guy Verhofstadt. Claus’ imponerende verschijning en zijn magnetisch charisma zogen alle aandacht naar hem toe, waar hij ook was. Hij had op vrouwen een onweerstaanbare aantrekkingskracht. De levens van Claus doet zijn vele amoureuze allianties (vaak meerdere tegelijk) uitvoerig uit de doeken. Makkelijk was het niet altijd om levensgezellin te zijn van de overweldigende auteur. Net zo onbestendig en onrustig als in zijn vele relaties was Claus ten aanzien van zijn woonsituatie. Tientallen verhuizingen komen in de biografie voorbij, en vele daarvan uitgebreid beschreven. 

    Die uitvoerigheid, ook in andere onderwerpen, is een aspect dat het boek soms parten speelt. Zeker, De levens van Claus is een boeiende, goed geschreven, meeslepende biografie. Maar Schaevers heeft een beetje hetzelfde euvel als Claus zelf: onmatigheid. Hij ontspoort hier en daar in zijn zucht naar volledigheid. Gerrit Komrij schreef over Claus’ roman Schola Nostra, ‘Het lezen ervan maakte op mij de indruk van het moeten uitzitten van Wagners Ring der Nibelungen.’ Zo erg is het zeker niet, maar enig kordaat redactioneel snoeiwerk zou de biografie beslist ten goede gekomen zijn. 

     

     

  • Alles is vindbaar zolang je maar graaft

    Wie bij een dichtbundel van tweeënzestig pagina’s denkt ‘grote stappen, snel thuis’, komt geheid bedrogen uit. Bij Sterkteleer van Lans Stroeve al helemaal. Is er voor het lezen van poëzie toch al een zekere gesteldheid nodig – rust, geduld, openheid -, voor deze bundel geldt dat des te meer. Stroeve’s gedichten voelen alsof men voor een rotspartij staat en een code, een wachtwoord, een soort van ‘Sesam open u!’ nodig heeft voordat de spaarzame openingen zichtbaar worden. Er lijkt aanvankelijk weinig lucht te zitten in deze poëzie. Het is allemaal te vast en te hard, hermetisch bijna. Moest deze bundel een baksel zijn, dan was het een Christmas pudding. Of een zuurdesembrood, met inhoud die vult, hoezeer ook vorm- en woordschoonheid in acht worden genomen.

    De taal van deze gedichten is stevig en gesloten. Als lezer ben je voortdurend in verwarring, weet je niet wat binnen of buiten is, bolster of pit. Denk je zacht te beginnen, dan breek je de tanden op een harde binnenkant. Of omgekeerd. Erger nog, wat binnen of buiten is, is vaak niet duidelijk. Maar je moet erdoorheen, hoe dan ook. Soms blijf je berooid achter, geschokt, onbarmhartig van je sokken geblazen. Andere keren word je beloond met een schat; een gedachte, een beeld, een kostbaarheid waarbij je huilend scheefzakt. En is die ervaring je eenmaal ten deel gevallen, dan wíl je er ook doorheen. ‘Dat je dat leert in de loop van je leven, om het ongedierte / uit je dekentje te kloppen voordat je het omslaat en je warm / te stappen en op tijd te zwijgen, te fluiten, de vogels te spotten / met hun ragfijne pootjes balancerend op de uiteindes van goud- / gebladerte en daarbij de route te snappen, de tomtom ontwijkend.’
    Beelden zijn er ook. Tussen de drie blokken waarin deze bundel is opgedeeld – ‘Breekspanning’, ‘Imker van de engelen’ en ‘Kracht’ – zijn afbeeldingen van schilderijen opgenomen. Enkele zijn van Stroeve zelf, die behalve dichter ook kunstenaar is, en enkele van haar grootvader Egbert Johannes de Maar.

    Dansende ritmiek

    Net als de omhulde, verborgen zachtheid, zit er ook dansende ritmiek in de gedichten zelf. Niet in de opmaak, niet in de visuele vorm. Ongeacht de vorm – soms met herkenbare strofen en witregels, maar even zo vaak niet – loopt elk gedicht door als proza, wordt bijna een kort verhaal. Proza dat om de beeldigheid van de taal gedicht mag heten. Omdat er in die dichtgedrukte zinnen een cadans zit, sterk als een harteklop. en daarover gaan de meeste gedichten, over een lichaam waar iets mee is. Het hoe en waarom van dat alles wordt gespiegeld in operatiekamerscènes, met die heldere kleuren ook, en in dat licht.

    ‘Wist je dat iedere, ook de fijnste materie / zoals huid in meerdere gehaltes bestaat / zodat de breekspanning wisselt. Sterker / materiaal geeft andere waarden, waar // het lichaam via de huid bij tl-licht / geopend, gepijnigd en gezuiverd werd, / de ziel zich verborg maar bij kaarslicht / verscheen, schemert er iets voor de geest’

    Een lichaam en een hoofd dat enerzijds zichzelf moet verstaan in die nieuwe rol van patiënt. Anderzijds zichzelf verder droomt als levend tussen al het andere leven van de vogels, de struiken, een hond, de kleur van de lucht.

    En juist als je de vraag stelt: wat is hier droom, en wat werkelijkheid, valt het kwartje. Alles is de werkelijkheid in lagen. De ene werkelijkheid, de oude vertrouwde, waar de voelende, kijkende verteller zich verbergt. De andere, die nieuw is en ongemakkelijk, en met dat tl-licht dus. Maar alles mag, met ogen dicht of ogen open, want in alle lagen wordt de autonomie hoe dan ook bewaard. In alle lagen huist een diepste zelf dat al dat schijnbaar ongerijmde met elkaar verbindt. Een zelf dat zegt: dit ben ik, dit ben ik allemaal, dit alles is mijn leven.

    Krachteloze lichaam

    Niet de hogere kunst van het loslaten, maar de hogere kunst van het besef dat er niet zoiets bestaat als loslaten, dat het enkel aankomt op hoe er wordt vastgehouden, en waar het wordt gestald. En als er toch wordt losgelaten – omdat het niet anders kan – dan is het eerder een toevertrouwen. Je krachteloze lichaam leggen in de handen van onbekenden die met geen ander doel om je heen staan dan je te dragen. ‘Bij vele koppelingen ontstaat een oppervlakte / en kan je als een schaatsenrijdertje over donker // water snellen. Zigzaggen. Hoeken slaan. Je gaat / niet zinken, je wordt gedragen. Ogen open: // ze vliegen af en aan, het flinke ziekenhuis in / en uit, de grootste zwerm goede zielen van de stad.’

    Uiteindelijk is de grens tussen hard en zacht en tussen sterk en kwetsbaar niet te vinden. En misschien is het ook niet relevant. Stroeve is erin geslaagd tussen al dat onbekende en schijnbaar onvindbare de nodige woorden te vinden om het onbenoembare van een persoonlijke situatie – een mens balancerend op de levensgrens – te benoemen. En anders worden er woorden gemaakt, met speels gemak, plezier en bravoure: ‘Zielekastje, pimpelmeespetjeblauwehemelkoepel, bezwijkmechanisme, zwartenachtblauwe, paniekregister’.

    Voor deze poëzie moet je moeite doen. En is dat verkeerd? Integendeel. Misschien is het wel goed dat in deze lelijke tijden – van oorlogen tot fatbikes – we ergens moeite voor moeten doen om schatten en kostbaarheden terug te vinden die het leven mooi maken. Niet dat het weg was, maar omdat we waren afgeleid, tot stilstand gekomen in een poel van oppervlakkigheid. Omdat we om wat voor reden ook geen moeite meer deden, niet zochten, niet vochten terwijl we zo verlangden.

    Niks krijg je cadeau

    Alles is er nog, het goede, het ware en het schone, maar we krijgen het niet cadeau. Wellicht is dat de essentie van deze bundel. Alles is vindbaar, zolang je maar graaft, en nog dieper graaft. Durf te blijven gaan, van de ene stapsteen naar de andere, van de ene gedachte naar de andere. Meegaan in de ‘stream of consciousness’. Want naast gedichten met strofen en witregels en leestekens, zijn er ook die in de meest letterlijke zin van het woord vooraan beginnen en achteraan eindigen. Die lezen als één lange flow van beelden zoals in het gedicht:

     ‘Meander

     In deze meander kan men aan de leuning lopen
     in mateloze passages. Men neemt de laatste zin
    en start vanuit die woorden naar een volgende
    verbeelding in klare, laag gezongen klinkers
    en loost in de bochten leestekens voor oude
    ogen. Denkt de houding te herkennen aan de
    herinnering van die ene.

     Men heeft een zacht hart en warme handen.
    Ongenaakbaar werd langzaam onbeholpen
    en opende daarmee een luikje in mijn zielekastje.’

    Helemaal zichtbaar wordt deze ‘stream of consciousness’ in ‘De glimwormen van het geheugen’. en met welk een impact!

    ‘er is me verteld dat je bijna verdwenen bent
    uit het nu en alleen nog uit verleden op te roepen
    herinner ik me dat ik gewekt ben op een zomeravond
    in het warme donker of ik lig toch nog te luisteren
    de schuifgeluiden van de stoelen en een ingehouden
    fluistersfeer schoenen aan we gaan de berg op lopen
    in colonne er is iets wat je moet gaan zien krekels
    breken met hun kleine ratels de geurende duisternis
    tot aan de sterren open, er staat iets te gebeuren’

    Lees dit hardop, proef het ritme, gaande gehouden door subliem gedoseerde assonantie.



  • Een rollercoaster van een boek

    In De grote vloed slingert Sjoerd Kuyper ons meteen het verhaal in: het is 4 mei 2029 als Moos wakker wordt doordat het bed van zijn opa vanaf de benedenverdieping omhoog gespoeld is en tegen het voeteneind van zijn eigen bed botst, hoog in de torenkamer. Opa denkt dat hij in bed geplast heeft, maar de wereld is onder water gelopen door de grote vloed, en de bedden drijven op de stroom. […] Het boek leest als een op zichzelf staand avontuur vol grappige, bijna surrealistische wendingen. De maatschappijkritische ondertoon is weliswaar steeds aanwezig, maar neemt nooit de overhand.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Het bewogen leven van Betje Wolff

    Marita Mathijsen heeft dit jaar Een vrije geest, de biografie van Betje Wolff (1738-1804) gepubliceerd, voorbeeldig uitgegeven door uitgeverij Balans. Wolff is vooral bekend van de brievenroman Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart die ze samen met Aagje Deken (1741-1804) schreef. Er is natuurlijk veel meer over haar leven en werk te vertellen en dat doet Mathijsen met veel inlevingsvermogen.

    Mathijsen begint de biografie van Wolff op het moment dat ze op de boot stapt die haar van haar geboortestad Vlissingen naar de Beemster zal brengen als toekomstig echtgenote van de veel oudere dominee Adriaan Wolff (1707-1777). Dat roept meteen de vraag op waarom ze haar familie verlaat en kiest voor een onzekere toekomst bij een veel oudere dominee. Dat heeft te maken met een gebeurtenis die vier jaar eerder heeft plaatsgevonden: Wolff is er als zeventienjarige vandoor gegaan met een geliefde, de militair Matthijs Gargon (1731-1772). Dat is in haar tijd natuurlijk een schandaal en haar vader haalt haar dan ook terug. De orthodoxe protestanten bepalen dat ze niet meer deel mag nemen aan het avondmaal en dreigen met excommunicatie. Ze is opgelucht dat de veel oudere dominee haar verlost uit haar isolement waar ze na haar liefdesvlucht in terecht is gekomen.

    In de Beemster

    Het leven van Wolff in de Beemster is saai, maar ze heeft wel tijd voor wat ze het liefste doet: boeken lezen en schrijven, zoals de Zedenzang, aan de menschenliefde, by het verbranden des Amsteldamschen Schouwburgs. Dat schrijft ze nadat op 11 mei 1772 brand is uitgebroken tijdens een voorstelling in de houten Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht waarbij achttien doden vallen. Rechtzinnige dominees grijpen de brand aan om het theaterbezoek te veroordelen: de brand is een straf van God en wie op zo’n plaats aan zijn einde komt, kan het eeuwige leven wel vergeten. Sinds haar jeugd in Vlissingen koestert Wolff al een wrok tegen dit soort orthodoxe protestanten en ze prijst juist de helden die om zijn gekomen bij de brand omdat ze geprobeerd hebben anderen te redden.

    Het schrijversduo Wolff en Deken

    Deken stuurt Wolff op 29 juli 1776 een brief waarin ze zich erover beklaagt dat Wolff kwaad over haar gesproken zou hebben. Diep beledigd is Wolff en ze antwoordt met een lange brief op 4 augustus. Ruim een maand later, op 13 oktober, ontmoeten ze elkaar voor het eerst en worden de misverstanden uit de wereld geholpen.
    Na de dood van Wolffs echtgenoot op 29 april 1777 komt Aagje Deken bij haar in de Beemster wonen. Wanneer Wolff later dat jaar de pastorie moet verlaten, verhuizen ze naar De Rijp waar ze leven van Wolffs pensioen waar ze recht op heeft als weduwe van een predikant. De Rijp is echter een ongezonde plek om te wonen: er hangt een penetrante stank van de dierenbotten en -huiden die liggen te rotten om er lijm uit te winnen, en van de traankokerijen waarin het vet van walvissen wordt gekookt. Ze krijgen dan ook te maken met ziektes die veroorzaakt of verergerd worden door de ongezonde lucht.

    In 1781 erft Deken ruim dertienduizend gulden en van dat geld kopen ze een kapitale villa in Beverwijk die ze Lommerlust noemen. De ongezonde lucht van De Rijp is nu verleden tijd. Twee jaar later wordt ook Wolff vermogend: haar vader overlijdt en laat haar ongeveer twintigduizend gulden na.

    De brievenroman Sara Burgerhart van het schrijversduo Wolff en Deken verschijnt in 1782 bij Isaac van Cleef. Het boek is meteen een succes: binnen drie maanden is de eerste druk uitverkocht en in 1786 verschijnt al de vierde druk. Ze geven een Hollandse draai aan het genre van de brievenroman, omdat het milieu en de personages zo door en door Noord-Hollands zijn. Hun volgende brievenroman, Historie van den Heer Willem Leevend, bestaat uit acht delen van in totaal zo’n 3.100 pagina’s en komt uit in 1784 en 1785. Dit boek is een stuk minder succesvol dan Sara Burgerhart: tijdens hun leven wordt het niet herdrukt.

    Patriotten en orangisten

    De denkbeelden van Wolff en Deken over burgerparticipatie en opvoeding sluiten goed aan bij die van de patriotten, burgers uit gegoede huize die het landsbestuur willen democratiseren. Ze eisen hervormingen, bewapenen zich en dringen aan op verkiezingen voor het stadsbestuur. Tegenover de patriotten staan de orangisten: enerzijds regenten die profiteren van hun bevoorrechte positie, en anderzijds het lagere volk dat ervan uitgaat dat de stadhouder door God aangesteld is om het land te leiden. De orangistische regenten maken gebruik van ‘het Oranjegepeupel’ om patriotten te bedreigen.

    De tegenstellingen tussen patriotten en orangisten hebben ook hun weerslag op het leven van Wolff en Deken: ze voelen zich met hun patriottische denkbeelden bedreigd in de Republiek en verhuizen in 1788 naar Trévoux, dat 25 kilometer ten noorden van Lyon ligt. Het is een lieflijk, kalm en overzichtelijk stadje en brengt aanvankelijk de idylle waar de dames op hopen: ze wonen in een prachtig gelegen buitenhuis en genieten van de natuur. De Franse Revolutie van 1789 werpt echter alle zekerheden omver. De Franse koning wordt op 21 januari 1793 publiekelijk in Parijs onthoofd. Rond juni begint de terreur waarbij vijanden meedogenloos worden uitgeschakeld: wie ook maar het minste teken van koningsgezindheid of contrarevolutionair denken vertoont, komt onder de guillotine.

    Wolff en Deken zelf komen in 1794 in hun nieuwe woonplaats onder vuur te liggen: iemand heeft verraden dat de Hollandse dames suiker verborgen houden en dat is verboden. Suiker moet namelijk ter beschikking gesteld worden aan het leger en de ziekenhuizen. Hun huis wordt onderzocht, er worden inderdaad vijf suikerbroden gevonden die in beslag worden genomen. Er volgt geen veroordeling omdat hun voorraden graan, aardappelen, bonen, linzen, meel en noten binnen de vastgestelde normen liggen.

    De Bataafse republiek

    Wanneer Frankrijk bezig is zijn gebied uit te breiden zien de patriotten daarin kansen: de revolutie die in Frankrijk heeft plaatsgevonden, kan zo geëxporteerd worden naar de Republiek. Ze formeren het Bataafs Legioen en trekken met de Franse troepen op naar de Republiek. In 1795 ontstaat de Bataafse Republiek waar niet alleen zeggenschap is voor de burgerij, maar ook godsdienstvrijheid en vrijheid van drukpers. Wolff en Deken staan nu voor de keuze: in Frankrijk blijven of terugkeren? Ze kiezen voor het laatste en vertrekken naar Den Haag. Mathijsen schetst met veel empathie de toestand waarin Wolff en Deken verkeren, wanneer ze daar in 1797 aankomen. Ze zijn als welgestelde dames in 1788 naar Frankrijk vertrokken, ze keren in armoede terug. Ook van hun literaire roem is niet veel meer over. Daardoor zijn ze afhankelijk van vrienden die hun af en toe wat geld toestoppen. Met de nodige zelfspot spreken ze over die vrienden: dankzij het feit dat ze financieel krap zitten, leren ze namelijk hun echte vrienden kennen.

    Een pijnlijk einde

    Wolff ligt vanaf 1801 voornamelijk in bed, verzorgd door Deken, die evenmin vrij van kwalen is: ze lijdt aan jicht. In 1802 brengt Van Cleef een nieuwe uitgave van hen op de markt: Geschrift eener bejaarde vrouw, in twee delen (achthonderd pagina’s). Het is bedoeld als handleiding voor het opvoeden. Een derde deel zal nog volgen. De reacties in de pers zijn vernietigend: het is ‘oude wyven praat’ en gebabbel. Het boek verkoopt dan ook slecht en het in het vooruitzicht gestelde derde deel wordt niet uitgegeven (het is wel in handschrift aanwezig in de Universiteitsbibliotheek Leiden).

    Op 5 november 1804 brengt Wolff nog uit dat ze kramp heeft; daarna is ze rustig, maar met een pijnlijke trek op haar gelaat, gestorven. Aagje regelt de begrafenis op het Scheveningse kerkhof Ter Navolging, het eerste Haagse kerkhof dat buiten de stad ligt. Om hygiënische redenen is er een beweging opgekomen tegen het begraven in of om de kerk en daar hebben Wolff en Deken zich bij aangesloten. De volgende dag is Deken ziek: ze heeft hoge koorts en brengt geen verstaanbaar woord meer uit. Op 11 november weigert ze nog te drinken of medicijnen te nemen en ze overlijdt drie dagen later. Aan een gebroken hart, meent Mathijsen. Het graf ligt nog open wanneer Deken naar het kerkhof gebracht wordt. Daar worden de twee vrouwen in hun kist met elkaar herenigd.

    Na hun overlijden bloeit de belangstelling voor het werk van Wolff en Deken weer op, in de negentiende eeuw verschijnt de ene na de andere herdruk van Sara Burgerhart. Ze staan nu in de Nederlandse canon en de brievenroman is nog steeds, ondanks de teloorgang van kennis over het literaire verleden, een bekend boek. Mathijsen vindt dat ook hun andere boeken zich lenen voor herdrukken, bewerkingen, hertalingen of inkortingen, en zelfs als basis voor tv- of streaming-series. Haar prettig leesbare biografie van een bewogen leven zal daar zeker aan bijdragen.

  • De langste nacht van iemands leven

    In Zonder slaap ben ik het noodlot voor (2024) van schrijfster en programmamaakster Mirthe Frese besluit een moeder om een nacht wakker te blijven. Terwijl de vroege ochtend aanbreekt, is haar zoon negen jaar en 178 dagen oud: precies dezelfde leeftijd die de naamloze hoofdpersoon had toen zij haar moeder verloor aan kanker. Gedurende de lange nacht reflecteert ze op haar eigen verlies en worstelt met de angst om hetzelfde lot als haar moeder te ondergaan. In eerste instantie probeert ze haar onrust thuis te verdrijven, maar midden in de nacht besluit ze naar het centrum van Amsterdam te gaan, naar de plekken die een grote rol in haar verleden speelden.

    Dat Frese kan schrijven over haar familie, bewees ze al in haar theatervoorstelling Retourtje Polen. Deze voorstelling ging over haar vader, zijn Joodse achtergrond en hun gezamenlijke reis naar vernietigingskamp Sobibor. In deze debuutroman schrijft ze over haar vroeg overleden moeder. Het boek belicht niet alleen hoe er voor haar als jong meisje ruimte was om over het verlies te spreken, maar vooral ook hoe moeilijk het is om de juiste woorden te vinden voor de complexiteit van je gevoelens. Dit geldt zowel voor de relatie die ze had met haar moeder vanaf het moment dat de diagnose kanker werd gesteld, als voor het verwarrende gevoel dat over je komt als je alleen achterblijft: ‘De kracht in haar benen werd minder, waardoor ze met een stok moest lopen en op het laatst in een rolstoel zat. Toen de chemo niet meer aansloeg, besloot mijn moeder dat het genoeg was geweest. Terwijl ze langzaam afscheid nam van het leven, begon ze qua uiterlijk weer steeds meer op haar ware zelf te lijken. Ik kreeg mijn moeder terug en raakte haar op hetzelfde moment kwijt.’

    Frese creëert met taal ruimte voor verlies

    Frese slaagt erin met haar taal emoties en ervaringen vast te leggen die vaak moeilijk onder woorden te brengen zijn, vooral vanuit het perspectief van een jong meisje. Ze beschrijft niet alleen het rouwproces, maar ook de zoektocht naar identiteit en het vinden van een plek in de wereld zonder de persoon die je vanaf het begin van je leven hebt gekend: ‘Een van de vervelendste dingen aan het hebben van een dode moeder, is het keer op keer vertellen dat je moeder dood is. Een moeder komt snel ter sprake, zeker als je nog kind bent. Ik probeerde het “moedermoment” vaak uit te stellen, zinnen te construeren waarin ik het woord kon vermijden. Maar dat was in de meeste gevallen niet vol te houden. Ik geneerde me, plaatsvervangend, voor het ongemak van de toehoorder, wiens mond vaak vertrok in een vreemde grimas.’

    Twee verhalen, twee waarheden

    Het begin van de roman schetst een eenzijdig beeld van het gezin van de hoofdpersoon: de moeder is ziek maar altijd aanwezig, terwijl de vader wordt neergezet als de grote boosdoener. Wat deze roman zo krachtig maakt, is dat dit beeld geleidelijk wordt genuanceerd. Zowel de vader als de moeder krijgen elk een hoofdstuk waarin hun perspectief centraal staat. Dit geeft de lezer inzicht in beide kanten van het verhaal, en benadrukt dat er in veel pijnlijke en verdrietige situaties meerdere waarheden naast elkaar kunnen bestaan. Frese vermijdt hiermee de valkuil van starre denkpatronen en eenzijdige oordelen.

    Zo belicht ze in het hoofdstuk ‘Mijn vader’ de invloed van opa: ‘Hoe kwaadaardig zijn vader zich tegenover zijn moeder gedroeg – de vernedering van zijn moeder voelde hij vaak in zijn eigen botten. Hij probeerde haar te beschermen, het voor haar op te nemen. Maar vaak leek het alsof ze helemaal niet zat te wachten op zijn bemoeienis.’ Hieruit blijkt hoe de geschiedenis van opa het gedrag van de vader heeft gevormd. In het hoofdstuk ‘Mijn moeder’ komen juist de overeenkomsten tussen de moeder van de hoofdpersoon en haarzelf naar voren. Dit roept Frese op met veel emotie en mooie beeldende taal.

    Deze verschuiving in perspectief geeft niet alleen diepgang aan de ouders, maar helpt de hoofdpersoon ook om een beter begrip te ontwikkelen voor de complexiteit van haar gezinssituatie, zelfs van vóór haar geboorte. Deze gelaagdheid maakt duidelijk hoe de gezinssituatie is ontstaan, en hoe deze tot op heden doorwerkt. Wat aanvankelijk leek op een simpele zwart-witverdeling tussen goed en kwaad, transformeert door deze hoofdstukken in een genuanceerd beeld van de ouders als volwaardige personages met eigen angsten, motieven en tekortkomingen.

    Ook ruimte voor humor en herkenbaarheid

    Ondanks de zware thematiek heeft Frese zorgvuldig voorkomen dat het verhaal somber wordt. Integendeel, het zit vol momenten die je doen glimlachen, herkenbare situaties uit het gezinsleven die door de lichte, soms humoristische toon de zwaarte van het verhaal in balans brengen.

    Een voorbeeld is de scène waarin de vader zijn zestigste verjaardag viert en samen met zijn dochter naar een experimenteel jazzconcert gaat – een ervaring die de dochter moeilijk kan waarderen: ‘Terwijl de drummer met een schelpenkoord over zijn snaredrum streek, keek ik naar mijn vader in de hoop een blik van erkenning voor deze verschrikking te kunnen vangen. Maar hij had zijn ogen dicht, zijn armen lagen zoals altijd gekruist over zijn buik, deinend op het totaal onnavolgbare ritme van de muziek. Op zijn gezicht een glimlach van verrukking. Ik besloot het ook mooi te vinden.’

    Deze subtiele humor en warme observaties maken de personages levensecht en menselijk. Het contrast tussen de dochter en de vader in deze scène benadrukt hun verschillen, maar ook de genegenheid die hen ondanks alles verbindt. Door dit soort scènes krijgt de roman een zekere luchtigheid die de zware thema’s verlicht zonder hun impact te verminderen.

    Zonder slaap ben ik het noodlot voor is een mooi verhaal dat raakt aan universele thema’s zoals verlies, familiebanden en de zoektocht naar identiteit. Freses vermogen om zware emoties in woorden te vatten, gecombineerd met herkenbare momenten, zorgt voor een unieke balans die zowel ontroert als doet glimlachen. De kracht van deze roman ligt in de eerlijkheid waarmee de complexiteit van menselijke relaties tot uitdrukking komt, zonder te vervallen in sentimentaliteit of simplistische oordelen.

     

     

  • Couperus in levende lijve

    In zijn novelle voert Coen Peppelenbos de schrijver Louis Couperus levend op. Hij doet dat aan de hand van de eerste druk van Couperus’ boek De stille kracht, een bibliofiele uitgave die dankzij de fluwelen omslag duizenden euro’s waard is. Het boek uit 1900 speelt zich af in Nederlands-Indië. Couperus laat zijn westerse personages, ten prooi aan de stille kracht van de oosterse cultuur, zowel politiek als erotisch geheel ontsporen. Couperus zelf typeert de kunstzinnige omslag in een brief aan zijn uitgever als ‘de luxe waarin ge dat onfatsoenlijke boek hebt gekleed’. Aan dit citaat heeft Peppelenbos de titel van zijn boekje ontleend: Onfatsoenlijk en luxueus.

    Hoofdpersonage Chris probeert als adviseur van het Groninger Museum kunstwerken aan een oude weduwe te ontfutselen. Onderwijl ziet hij kans voor eigen gewin uit haar boekenkast zo’n fluwelen Couperus te ontvreemden. Daarbij gaat van alles mis, wat leidt tot een schandaal in de Groningse museale wereld. Het verhaal biedt de auteur de mogelijkheid venijnig te spotten met die wereld. Chris denkt bijvoorbeeld: ‘Je kon een leven lang toe met een handjevol termen die je met veranderende bijvoeglijke naamwoorden in verwisselbare volgorde kon zetten – lijnvoering, kadrering, kleurgebruik, losse toets, focus, beeldtaal, bevreemding, spanningsveld, patronen, urgentie, vlakverdeling, spel met licht, dieptewerking en ga zo maar door – en hop weer een artikeltje klaar waarin nooit iets wezenlijks stond.’

    Broeierig

    Het verhaal kent drie perspectieven, uitgewerkt in de delen ‘Chris’, ‘Louis’ en ‘Jaap’. In elk deel hanteert de schrijver een verschillende stijl, om ook op die manier uit te drukken dat er iemand anders aan het woord is. In het (tweede) deel, dat door Couperus zelf wordt verteld, is dat natuurlijk een tour de force. Peppelenbos heeft er (terecht) voor gekozen modern Nederlands te gebruiken. Alleen in broncitaten handhaaft hij de oude spelling. In dit deel vertelt de grote schrijver hoe hij aan het begin van de twintigste eeuw op uitnodiging van een studentendispuut naar Groningen reist. Een van de studenten is Jaap, de overgrootvader van de Jaap in het derde deel. Er ontstaat een broeierige sfeer tussen de twee mannen, want Couperus is weliswaar getrouwd maar dat huwelijk was vooral een maatschappelijk alibi.

    In het derde deel, ‘Jaap’, is sekswerker Gio aan het woord. Jaap/Gio heeft onder beide namen een relatie met Chris en is betrokken bij het schandaal. Zo biedt Peppelenbos een onthullend perspectief op de gebeurtenissen in het eerste deel. Een uitgever overweegt de ervaringen van Jaap/Gio in boekvorm uit te geven, wat op zich al grappig is. Maar dat voornemen sneuvelt omdat, zoals de uitgever aan Jaap schrijft, ‘onze uitgeverij op dit moment opgaat in een wat groter concern (…)’ En als Couperus begin twintigste eeuw van Den Haag naar Groningen reist, een reis per trein die vier uur in beslag neemt, laat Peppelenbos de schrijver zich afvragen: ‘Hoeveel sneller zal dat zijn over honderd jaar?’ Het wemelt van dit soort geestige kleinigheden in dit boekje, dat qua sfeer, omvang en vermaak een aardig Boekenweekgeschenk had kunnen zijn.

    Semantisch

    Hoewel Onfatsoenlijk en luxueus een novelle wordt genoemd, heeft het meer weg van een uit de kluiten gewassen kort verhaal. De verschillende perspectieven verhullen enigszins dat er nauwelijks ontwikkeling in de personages zit, iets dat in een novelle toch wel verwacht mag worden. Chris is aan het eind nog steeds de man voor wie automatische deuren gesloten blijven. Couperus is en blijft uiteraard Couperus en Jaap/Gio persisteert als een heerlijke opportunist. Deze semantische kwestie doet er echter niets aan af dat dit boekje gegarandeerd een prettig leesuurtje oplevert. Peppelenbos publiceerde eerder de romans Victorie (2008) en De valkunstenaar (2016). Hij is oprichter en hoofdredacteur van het literaire platform Tzum, waar hij vaak de geestig-spottende toon weet te treffen die ook dit boekje kenmerkt.

     

     

  • Veertig verhalen geschreven door Anne Frank

    Het Achterhuis, Anne Franks dagboek, is een van de meest gelezen boeken ter wereld en dat is zeker niet alleen te danken aan het aangrijpende verhaal. Het zit hem in de manier waarop Frank vertelt, haar heldere stem, scherpzinnige (zelf)kritiek en onverbiddelijk oog voor het grappige en absurde. Al na de eerste paar bladzijden is duidelijk: hier is een schrijver aan het woord. Dat Frank naast haar dagboek ook verhalen schreef zou dus niemand moeten verbazen. Pennekinderen — Verhaaltjes en gebeurtenissen uit het Achterhuis viert Franks schrijverschap én herinnert ons aan de verschrikkingen van de holocaust. Frank stierf in februari ’45, zes maanden na haar laatste dagboekaantekening, in concentratiekamp Bergen-Belsen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Kun je ontsnappen uit een achterstandswijk?

    Nicolas Lunabba (1981) groeide op in een achterstandswijk in het Zweedse Malmö. Hij keert er later terug in de rol van basketbalcoach en jongerenwerker. Zijn debuut Ben je verdrietig als ik doodga? werd zeer goed ontvangen. Het op waargebeurde feiten gebaseerde boek biedt een inkijkje in een wereld waar de gemiddelde literaire lezer niet snel mee te maken zal hebben. Het vraagt even wat doorzettingsvermogen om je over te geven aan het uit eenenzeventig korte hoofdstukken bestaande verhaal, omdat het er in veel opzichten nogal ruw aan toe gaat, niet in de laatste plaats op verbaal gebied.

    ‘Toen ik een paar jaar geleden in de bovenbouw van een basisschool werkte, werd ik zo razend op een jongen die Hassan heette, dat ik hem in blinde woede bij zijn kraag greep en op de grond smeet. Ik drukte hem met mijn volle gewicht tegen de vloer en schreeuwde in zijn gezicht: “Jij loopt me niet te fucken! Jij loopt me niet te fucken!” terwijl ik met mijn vuist op de vloer naast zijn hoofd sloeg.’
    Nicolas, Nick in het boek, is zich ervan bewust dat hij geneigd is om terug te vallen op geweld, terwijl hij er tegelijkertijd een enorme afschuw van heeft. Het zijn voor hem de restanten van een jeugd in een achterstandswijk waar het recht van de sterkste gold.

    Brieven aan Elijah

    Het boek is geschreven in de ik-vorm en richt zich in briefvorm tot een jij, ene Elijah. De moeder van Elijah heeft een alcoholprobleem, vader is niet in beeld. Nick heeft duidelijk een zwak voor de jongen die een bijzonder talent voor basketbal blijkt te hebben. Elijah en zijn vrienden Abbe en Josef verlaten Nydala, de wijk waar ze wonen, nauwelijks. Ze bevinden zich veel op straat, maken ruzie met iedereen en halen van alles uit wat niet mag. Hun school is de slechtste school van Zweden. Op een gegeven moment neemt Nick tegen alle protocollen in Elijah in huis, voor één nacht per week, overigens wel in overleg met diens moeder. Binnen de kortste keren woont Elijah echter permanent bij Nick.

    Nick heeft een tweekamerappartement en Elijah slaapt aanvankelijk op de bank in de woonkamer. Op het gebied van privacy is het duidelijk dat Nick een hoge prijs betaalt voor de keuze die hij gemaakt heeft. Anderzijds merk je dat hij hoe langer hoe meer verknocht raakt aan Elijah en dat hij er alles aan wil doen om hem een toekomst te bieden. Ze eten altijd buiten de deur, omdat Nick nooit kookt. Tijdens de maaltijden hebben ze de mooiste gesprekken. Elijah is altijd eerlijk wanneer hij met Nick praat en laat alleen bij hem zijn ware gevoelens zien. Hij is duidelijk enorm gesteld op Nick. Nick op zijn beurt houdt zijn gevoelens zoveel mogelijk verborgen voor Elijah, maar laat in het boek via een soort brief waarin hij terugkijkt weten hoe hij de tijd met Elijah heeft beleefd: ‘Toen je afgelopen week thuiskwam en huilde in de hal omdat de samenleving de waarde niet ziet van een jongen van kleur met een grote bek, voelde ik daarom een steek van geluk. Ja, dat was precies wat ik voelde. Geluk. Ik had medelijden met je, maar ik was ook blij. Je verdriet bood me de kans je te troosten, en tegelijk mezelf te troosten. Het was een heerlijk gevoel.’

    Een mens van vlees en bloed

    Ben je verdrietig als ik doodga? is onder meer een aanklacht tegen de politiek die zo veel jongens in achterstandswijken aan hun lot overlaat. Lunabba citeert een aantal statistieken waaruit blijkt hoe gering te kansen van jongeren zijn om aan die omgeving te ontsnappen en hoe enorm groot het risico is om in de criminaliteit te belanden. Toch is de toon nergens belerend en is Lunabba evenmin huiverig om kritisch naar zichzelf te kijken. Nick is echt een mens van vlees en bloed en Lunabba heeft een prachtig round character van hem weten te maken. Mooi wordt het ook wanneer Nick zijn liefde voor literatuur beschrijft en zelfs Elijah aan het lezen weet te krijgen.

    Het contrast tussen Abbe en Josef, de vrienden van Elijah die verzwolgen worden door het bendegeweld dat regeert in de wijk enerzijds en Elijah zelf die onder invloed en met hulp van Nick goede keuzes gaat maken voor zijn toekomst anderzijds, wordt groter en groter. Toch krijg je nergens het gevoel dat Nick en Elijah de toekomst met vertrouwen tegemoet zien, integendeel. De zorgen die Nick zich maakt over zijn protegé zijn enorm invoelbaar. Bij iedere sirene die klinkt is er de paniek dat Elijah betrokken zou kunnen zijn bij een van de vele en regelmatig zelfs dodelijke incidenten die zich voordoen. Nick haalt zich als een bezorgde ouder gruwelijke scenario’s in zijn hoofd, waarin Elijah als slachtoffer niet meer te redden valt. Soms is het lastig om te onderscheiden wat werkelijkheid is en wat zich in het angstige hoofd van Nick afspeelt.

    Ben je verdrietig als ik doodga? roept een buitengewone bewondering op voor mensen zoals Nick die zich inzetten voor kinderen als Elijah, een jongen die niet per se als heel sympathiek naar voren komt. Nick beschrijft hem als irritant, onsportief, gewelddadig en als een pestkop. Hij haat de rommel die de jongen maakt in zijn appartement en het feit dat hij ‘boert en ruft’, dat hij zonder het te vragen spullen leent, dat hij nooit dankbaarheid toont en dat hij impulsief foute beslissingen neemt. Het is een boek dat je doet beseffen hoe moeilijk iemands leven kan zijn wanneer hij op een bepaalde plek geboren wordt. De manier waarop Nick en Elijah communiceren met woorden als bro, fonna, retegoed en fokking zijn iets om als lezer doorheen te kijken. Het boek verdient het om helemaal gelezen te worden, al was het alleen maar vanwege het laatste hoofdstuk dat je het bloed in de aderen bijna doet stollen.

     

  • Jacob Campo Weyerman – schrijver van satirische tijdschriften

    Kun je fan zijn van een kunstenaar wanneer je weet dat hij of zij zich misdragen heeft? Die vraag stelt Claire Dederer in haar boek Monsters (2023). Ze heeft het dan onder anderen over de filmer Roman Polański, de schilder Picasso of schrijvers als J.K. Rowling en Ernest Hemingway. Kun je hun kunstwerken los zien van de persoon die ze gemaakt heeft? Er zijn bijvoorbeeld veel lezers die grote moeite hebben met de mens Céline die antisemiet was, maar die zijn Reis naar het einde van de nacht één van de boeiendste boeken vinden die ze ooit hebben gelezen.

    Bij het lezen van Monsters kan ook gedacht worden aan Jacob Campo Weyerman (1677-1747), één van de spraakmakendste figuren uit de achttiende eeuw die bij leven al beroemd en verguisd was. Er bestaat nog steeds een stichting die zich om zijn leven en werk bekommert met een informatieve website. Het archief van de stichting is binnenkort te raadplegen in het Stadsarchief van Breda. Peter Altena is de voorzitter van deze stichting en heeft dit jaar Weyermans biografie getiteld Nieuwsgier Jacob Campo Weyerman [1677—1747] gepubliceerd bij uitgeverij Boom.

    Het leven van Jacob Campo Weyerman

    Op 9 augustus 1677 bevalt Elisabeth Someruell (?-1723) van een zoon. Ze is marketentster, dat is een vrouw die het leger volgt en aan soldaten drank, voedsel en kleine benodigdheden voor het dagelijks leven mag verkopen. De militair Hendrick Weyerman (rond 1630-1695) is de vader en geeft zoonlief de voornamen Jacob en Campo mee, die tweede naam als eerbetoon aan kapitein Campo Plantines, een vrouw die zich als man had verkleed om dienst te kunnen nemen in het leger. De jonge Weyerman groeit op in Breda waar hij teken- en schilderles krijgt. Behalve Nederlands en Engels leert hij ook Frans en kan hij naar de Latijnse school in Breda. Daar wordt op 27 juli 1703 de onwettige zoon van Weyerman en Catharina Snep ten doop gehouden. In het doopregister wordt als naam genoteerd: Jacobus Weidermans.

    Weyerman werkt in Antwerpen als correspondent voor de Antwerpsche post-tydinge van Hendrik Aertssens (1661-1741) waar Weyerman de kunst van het liegen leert. Vervolgens gaat hij naar Londen waar hij werk vindt in het atelier van de in die tijd beroemde Duitse schilder Godfrey Kneller (1646- 1723) wiens schilderijen Weyerman mag voorzien van bloemen, fruit, vogels en vlinders. Later schept hij erover op hij dat koningin Anne twee spiegels van hem bezit die hij beschilderd heeft met bloemen, fruit en vlinders.

    Weyerman keert weer terug naar Breda waar hij op 30 juni 1713 een trouwbelofte doet aan Johanna Ernst (1692-1775). In 1715 en 1717 worden hun zonen in de rooms-katholieke kerk in Breda gedoopt. In 1720 woont hij in Rotterdam, naar eigen zeggen in het kasteeltje Leeuwenburg aan de Oudedijk. Overigens niet met een vrouw, maar met kater Louw.

    In Breukelen-Nijenrode trouwt Weyerman op 31 maart 1727 met Johanna Ernst. Twee jaar later woont hij in Amsterdam. Bij een aantal gerenommeerde uitgevers uit Den Haag verschijnt dat jaar zijn rijk geïllustreerde Levens-beschryvingen der Nederlandsche konst-schilders en konst-schilderessen waarin hij ook zijn autobiografie opneemt. In 1730 wordt een dochter gedoopt in de Oude Kerk in Amsterdam. Met een zware schuldenlast verhuist Weyerman in 1733 naar de vrijplaats Vianen, dichtbij Utrecht. In 1738 wordt hem de toegang tot de vrijstad Culemborg ontzegd, omdat hij de stad een roversnest heeft genoemd. Bovendien heeft hij geprobeerd een aantal vooraanstaande Culemborgers af te persen.

    Op 17 december 1738 wordt Weyerman in Vianen gearresteerd: hij trekt een sprint, vlucht over een muur, maar de 61-jarige schrijver wordt achterhaald, in de boeien geslagen en overgebracht naar de Gevangenpoort in Den Haag. Hij wordt vanwege het schrijven van smaadschriften en chantagepraktijken veroordeeld tot levenslang, met de verplichting achter de tralies in eigen onderhoud te voorzien. Hij krijgt daartoe schildersbenodigdheden, maar door de aanwezigheid van zware tralies is er weinig licht en is schilderen lastig. Hij vraagt daarom of hij bij daglicht mag schilderen, maar dat verzoek wordt afgewezen.

    In 1743 verzoekt Weyerman om een bijdrage in het levensonderhoud van zijn vrouw en kinderen, omdat ze armlastig zijn. Hierop wordt positief beslist. Een jaar later krijgt hij een jaarlijkse toelage van zestig gulden, om daarmee koffie, thee en tabak te kopen. Het bedrag wordt uitgekeerd aan zijn echtgenote. Hij schrijft enkele lofdichten om daarmee de Haagse gezagsdragers gunstig te stemmen. In 1746 verschijnt nog de bijzonder prestigieus uitgevoerde Voornaamste gevallen van den wonderlyken Don Quichot met prachtige prenten van Bernard Picart (1673-1733). Op 9 maart 1747 overlijdt Weyerman op 70-jarige leeftijd; er is geen geld om zijn begrafenis te betalen.

    Auteur van satirische tijdschriften

    Veel minder dan als schilder is Weyerman beroemd geworden als schrijver. Hij komt op het idee een tijdschrift te gaan maken nadat hij in 1720 een blaadje in handen gedrukt krijgt: de Amsterdamsche Argus. Hij vindt het vreselijk slecht en denkt een veel interessanter blad te kunnen maken: nog hetzelfde jaar verschijnt het eerste nummer van De Rotterdamsche Hermes. Er zullen 59 afleveringen van dit tijdschrift verschijnen waarin hij op satirische wijze personen, zaken, gebeurtenissen en situaties uit de actualiteit beschrijft.

    Weyerman realiseert zich hoeveel macht zijn scherp geslepen pen hem geeft. Zo kondigt hij aan een biografie te gaan schrijven van de toneelspeelster Anna Bruynsteen (1675-1757), maar vermeldt ook dat hij bereid is van zijn plan af te zien tegen betaling van twee zilveren kandelaars. Hetzelfde gebeurt bij een rijke Dordtenaar (voor zijn tijdgenoten zal ongetwijfeld bekend zijn geweest om wie het ging) wanneer daar een geldbedrag tegenover staat. Voor Altena is het duidelijk: afpersing is voor Weyerman hoofdzaak geworden en satire fungeert enkel nog als dekmantel.

    De balans opgemaakt

    Peter Altena maakt op het einde van zijn biografie de balans op van Weyerman als auteur: zijn stijl is onovertroffen, maar hij is ook een broodschrijver die weet dat schandaal verkoopt. Zijn lezers hebben een haast onlesbare dorst naar schandaal en als rumoer ontbreekt, gaat hij ernaar op zoek. In zijn portretten van tijdgenoten benadrukt hij vooral hun ondeugden en gebreken. Iedereen kan onderwerp zijn om over te schrijven en leedvermaak zet vaak de toon. Wie zich misdraagt of kapsones heeft, kan rekenen op hekeling en tussen de bedrijven door vereffent hij oude rekeningen.

    Tussen 1720 en 1730 speelt Weyerman met verve de rol van ‘vrolijke tuchtheer’ van de natie. Die tien jaren leggen hem geen windeieren en gedurende dat decennium verzamelt hij een omvangrijke schare lezers; daarvan getuige de vele herdrukken van zijn tijdschriften. In 1730 kantelt het beeld door Weyermans overhaaste vertrek uit Amsterdam omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan zonden waarvoor hij in zijn weekbladen anderen de maat heeft genomen. Zijn vlucht naar Vianen is in de ogen van tijdgenoten het bewijs dat hij niet deugt. Weyerman is zo het slachtoffer van een mentaliteit die hijzelf mede gevormd heeft, waardoor niemand medelijden met hem heeft.

    Er is zeker veel op de manier van leven van Weyerman aan te merken (hoewel een levenslange gevangenisstraf in onze ogen misschien wat overdreven is), maar dat verhindert toch niet hem te bewonderen als de schrijver van satirische tijdschriften. Het goed geschreven en schitterend uitgevoerde boek van Altena heeft dat eens te meer duidelijk gemaakt.