• Steeds een andere pet

    In de serie Zomergasten van 2024 zorgde acteur Pierre Bokma voor enige ophef door als laatste in de serie zijn gesprek met Hanneke Groenteman licht beschonken te beëindigen. Dat was menige kijker opgevallen. In de pers is er geen melding van gemaakt dat hij een illustere voorganger had in Hugo Brandt Corstius. Die werd in 1997 voor hetzelfde programma geïnterviewd door Wim T. Schippers, terwijl zijn vrouw Ina thuis met groeiende zorg zat te kijken naar het tempo waarin haar man glazen wijn achteroversloeg: ‘Halverwege de uitzending belde ze regisseur Ellen Jens met het verzoek Hugo geen wijn meer te schenken’ lezen we nu in Ik heb nog nooit gelogen, de biografie van Hugo Brandt Corstius (1935-2014) door Elsbeth Etty: ‘Geen enkele tv-recensent zinspeelde achteraf op dronkenschap van Brandt Corstius’.

    Hugo Brandt Corstius (verder HBC te noemen) vergeleek zich graag met Multatuli, die over zichzelf ooit zei dat hij ‘een vat vol tegenstrijdigheden’ was. Die karakteristiek kan ook op HBC worden geplakt. De tegenstrijdigheid is in zekere zin vervat in zijn uitspraak ‘Ik heb nog nooit gelogen’ die Elsbeth Etty koos als titel voor zijn levensverhaal. En Etty trekt nog zo’n vergelijking: ‘Ook in Dekkers gebrek aan aandacht voor zijn eerste echtgenote Tine en hun twee kinderen zal Hugo zich hebben herkend’.

    Tatje en Ina

    HBC was in zijn hele leven een vrouwenveroveraar. Soms had hij gelijktijdige relaties met vrouwen die dat van elkaar niet wisten. Met twee van die vrouwen was hij getrouwd, eerst met Henriëtte (‘Tatje’) Smits (van 1974 tot aan haar dood in 1981) en van 1989 tot aan zijn eigen dood in 2014 met Ina Mulder (bekender als Ina Rilke, de naam waaronder ze vertaler was). Met Tatje kreeg HBC zijn drie kinderen Aaf, Merel en Jelle, van wie hij de opvoeding vrijwel geheel aan hun moeder overliet. Datzelfde gebeurde in zijn huwelijk met Ina. Zij verbaasde zich er bijvoorbeeld over dat HBC in 1987 twee weken met haar in New York verbleef zonder de kinderen ooit iets te laten horen; hij had voor hen zelfs geen telefoonnummer achtergelaten. Jelle schreef later: ‘Het is niet zo dat hij ons verwaarloosde, maar wij stonden nooit in het middelpunt’.

    Stralingdag

    Vrijwel alle vrouwen in HBC’s leven hadden gemeen dat ze van taal en taalgrapjes hielden. Tatje bijvoorbeeld noemde hij eens ‘het meisje met de nieuwe woorden’. Omgekeerd inspireerden ze hem tot diverse van zijn vele pseudoniemen, afgeleid van hun naam: De Amerikaanse liefde Pat Gray is terug te vinden in ‘Piet Grijs’, Abby Chapkis leefde voort in ‘Raoul Chapkis’ en Marijke van der Glas in ‘Maaike Helder’. Spelen met taal was de grootste liefhebberij van HBC. Die levenslange interesse werd het Opperlands dat hij ‘Nederlands op vakantie’ noemde en dat uiteindelijk onder zijn pseudoniem Battus geboekstaafd werd in steeds dikker wordende naslagwerken. Toen hij zeven jaar was verzon hij al spontaan een anagram van Stalingrad (‘Stralingdag’ – vanwege een g teveel net niet kloppend) en toen hij op het eind van zijn leven zijn mentale achteruitgang beschreef formuleerde hij dat als ‘Ik word langzaam temend dement’.

    Daarnaast was hij de columnist die ‘provocatie als verdienmodel’ hanteerde. In de woorden van Etty: ‘Hij gaf een persoonlijke, vaak absurdistische draai aan actuele kwesties, meestal polemisch en wat de feiten betreft soms moeilijk verifieerbaar’. HBC begon zijn novelle Liegen, loog, gelogen uit 1987 (onder het pseudoniem Dolf Cohen) met de zin ‘Ik heb mijn hele leven gelogen’ om daar elders aan toe te voegen: ‘Ik heb nog nooit gelogen’. Zijn lezers moesten zelf uitzoeken wat hij meende en wat niet. Daarin beschouwde hij zich als literator: ‘Literatuur is slim liegen’.

    Productiviteit

    Hoe dan ook leidden zijn columns menigmaal tot felle kwesties. Oudere lezers zullen zich de rellen nog herinneren over Buikhuisen (die vond dat criminaliteit verband hield met biologische kenmerken), zijn aanvaringen met Tamar (Renate Rubinstein) en W.F. Hermans enzovoort, en die met minister Onno Ruding die in 1984 leidde tot de weigering van minister Brinkman om de PC Hooft-prijs uit te reiken aan iemand die het kwetsen tot instrument had gemaakt (in 1988 kreeg HBC de prijs alsnog, toen het geen Staatsprijs meer was).

    Vooral als columnist leefde hij zich uit onder tal van pseudoniemen en mystificaties. De bekendste zijn Piet Grijs, Raoul Chapkis, Battus en IJsbrand Stoker, maar het waren er allemaal bij elkaar wel zo’n dertig. Etty stelt zichzelf de vraag waarom hij dat deed. Dat hij ze als schuilnamen gebruikte gelooft ze niet. Hij ontmaskerde zichzelf meerdere keren en anders deden anderen dat wel. Evenmin staat elk pseudoniem volgens haar voor een persoonlijkheid: de alter ego’s lijken daarvoor stilistisch en inhoudelijk te veel op elkaar. Etty’s verklaring is simpelweg de enorme productiviteit van de gebiografeerde: ‘Door steeds een andere pet op te zetten veroverde hij gigantische ruimte in de media die voor een scribent met maar één naam ondenkbaar was’. Die verklaring is heel plausibel want door die veelheid van namen kon HBC bijvoorbeeld in één nummer van Vrij Nederland van 2 november 1978 in drie gedaanten opduiken: als Piet Grijs, als Battus en als Jan Eter.

    Evenwichtig

    HBC was oorspronkelijk overigens wetenschapper. Hij was gepromoveerd in Wiskunde en Natuurwetenschappen en in Algemene Taalwetenschap. Bij die eerste promotie ging zijn dissertatie zijn opponenten blijkbaar boven de pet, beschrijft Etty, want zij stelden alleen vragen over zijn stellingen en niet over de ingewikkelde inhoud van zijn proefschrift.

    De biografie van HBC zou oorspronkelijk worden geschreven door taalkundige Liesbeth Koenen; ze werkte er twee jaar aan, maar kon het werk door haar vroegtijdige dood niet afmaken. Elsbeth Etty is publicist. Het is niet onwaarschijnlijk dat Koenen meer uitgeweid zou hebben over Opperlands waar bij Etty vooral de polemische kant in het licht wordt gezet. Toch is Ik heb nog nooit gelogen – de titel verwijst al vooral naar polemische kant – een evenwichtige biografie. Een prachtig, met vaart geschreven levensoverzicht van een complexe man die een briljante taalvirtuoos was.

     

     

  • Het spel-element in onze cultuur

    Hoe komt cultuur tot stand? Volgens de Nederlandse historicus en cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945) gebeurt dat ‘in’ en ‘als’ spel. Dat is de centrale boodschap van zijn bekende boek Homo ludens (de spelende mens) uit 1938, dit jaar opnieuw uitgegeven en toegelicht door Anton van der Lem. De rede die Huizinga in 1933 uitsprak op de 358ste ‘dies natalis’ van de Leidse Universiteit, getiteld ‘Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur’, geldt als voorloper van Homo ludens en staat eveneens in het boek afgedrukt. Die voorloper komt echter pas na de hoofdtekst, net als de wegwijzer, waardoor de lezer pas op pagina 332 ontdekt dat het eenieder vrij staat eerst de voorloper te lezen. Een wegwijzer met zo’n cruciale mededeling had natuurlijk beter voor in het boek opgenomen kunnen worden. Van der Lem geeft verder een korte, maar heldere biografische schets van Huizinga, beschrijft de totstandkoming van het boek (en van de Duitse en Engelse vertalingen), en Huizinga’s voorbeeldige reactie op de opkomst van het nationaal socialisme in Duitsland en in ons eigen land.

    Spel gaat vooraf aan cultuur: in archaïsche gemeenschappen komt cultuur op in spelvorm; cultuur wordt aanvankelijk gespeeld. Kunst, wetenschap en techniek vinden hun oorsprong in het spel. Dat ziet Huizinga terug in het recht dat nog steeds het karakter van een wedstrijd heeft: je moet je (doel)punt maken, er is een tegenpartij en een (scheids)rechter, en je kunt je zaak winnen of verliezen. De filosofie vindt eveneens haar oorsprong in het spel, zo betoogt Huizinga. De oude Grieken gaven elkaar raadsels op en in de dialogen van Plato komt Socrates als winnaar uit de woordenstrijd. Tegelijkertijd verschilt het spel van alle andere menselijke activiteiten: van alles kun je je afvragen waarom je iets doet, maar niet van het spel. Filosofische reflectie helpt niet: het team dat zich afvraagt of het niet raar is om met 22 man anderhalf uur achter een bal aan te hollen, zal de wedstrijd altijd verliezen.

    Het spel-element in de hedendaagse cultuur

    In het laatste hoofdstuk van Homo ludens gaat Huizinga in op het spel-element (bewust zo door hem gespeld) in de hedendaagse cultuur. Hier komen we het door hem gemunte begrip ludiek (dat in de mode kwam in het Provotijdperk) tegen in zijn vraag: ‘In hoeverre is de ludieke geest vaardig over de mens die die cultuur beleeft?’(pag. 275) Hij constateert dat sport steeds meer betekenis krijgt in de samenleving. Vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw wordt het spel dan ook steeds serieuzer genomen: de regels worden strenger en gedetailleerder uitgewerkt; het komt de prestaties ten goede. De ontwikkeling van de professionele sport zorgt er echter voor dat het spel-element verloren gaat: ‘Het spel is verernstigd, de speelstemming is er min of meer uit geweken.’ (pag. 279) Huizinga concludeert: ‘In de moderne cultuur wordt nauwelijks meer “gespeeld” (…).’ (pag. 290) Maar cultuur kan zonder zeker spelgehalte niet bestaan en cultuur moet binnen bepaalde grenzen gespeeld worden omdat de spelbreker de cultuur zelf kapot maakt.

    Huizinga’s belangrijkste en in de huidige tijd nog steeds relevante waarschuwing gaat over propaganda. Die ‘werkt met de middelen tot hysterische massareacties, en is daarom, ook waar zij spelvormen aanneemt, niet als een moderne uiting van de spelgeest te aanvaarden, maar slechts als de vervalsing daarvan.’ (pag. 296). Een waarschuwing die hopelijk menig hedendaags politicus zich ter harte neemt.

    Hedendaags Nederlands

    Van der Lem heeft de tekst omgezet naar de hedendaagse spelling, maar laat de tekst verder zo veel mogelijk intact. De eerste zin van Homo ludens luidt daardoor: ‘Toen wij mensen niet zo verstandig bleken als een blijer eeuw in haar verering van de Rede ons gewaand had, heeft men als benaming van onze soort naast homo sapiens die van homo faber, de mensmaker, gesteld.’ Dat zal voor veel lezers te hoog gegrepen zijn en die leggen het boek teleurgesteld weer weg. Hoe het ook – en misschien wel beter – had gekund laat de Engelse vertaling zien waar iets meer wordt uitgelegd: ‘A HAPPIER age than ours once made bold to call our species by the name of Homo Sapiens. In the course of time we have come to realize that we are not so reasonable after all as the Eighteenth Century, with its worship of reason, and its naive optimism, thought us; hence modern fashion inclines to designate our species as Homo Sapiens: Man the Maker.’

    In deze uitgave van Homo ludens staan veel illustraties. Voor een hedendaags vooral visueel ingesteld lezerspubliek is die keuze goed te verdedigen. Bijzondere vermelding verdient de boekverzorging door Brigitte Slangen: die is voorbeeldig en past – door de klassieke uitstraling – perfect bij deze klassieke tekst.

     

     

  • Poëzie als levenselixer

    Vertaler, dichter en filosoof Jabik Veenbaas publiceerde een achttal bundels. De thematiek van zijn nieuwe bundel Kamermuziek (2024) sluit aan bij die van zijn eerdere bundel Mijn vader bad (2015). De voornaamste onderwerpen zijn de wereld van zijn jeugd, de zee, de natuur, het gezin waarin hij opgroeide en een vader die in zwijgzaamheid zijn oorlogservaringen verwerkt. Het eerste gedicht, ‘Een droom’ gaat over een ingesneeuwd ouderlijk huis. In de huiskamer schuiven de gezinsleden de stoelen dicht bij elkaar. Er spreekt een gelatenheid en overgave uit die aan vroeger doet denken en tegelijk doet verlangen naar een opnieuw mogen beleven. 

    Het ik herinnert zich zijn liefde voor orgelmuziek en vraagt zich af waarom hij geen organist is geworden. Blijkbaar viel met de preek over Beëlzebub de denkbeeldige ‘schaduw’ Gods over hem heen en deed hem dat zijn geloof verliezen. Gelukkig waren er daarnaast de ‘mythologische’ voorbeelden van mensen uit zijn directe omgeving die hem tot voorbeeld waren hoe mens te zijn: ‘onsterfelijk waren ze niet / en ze hadden hun tekorten / toch als ik een mens zou worden als zij / dan was mijn leven geslaagd’. 

    Standvastigheid en geluk

    Tijdens het spelen met buurjongens en het vangen van stekelbaarsjes toont het ik zijn standvastigheid: ‘ze kunnen smeken wat ze willen / mijn stekelbaarsjes krijgen ze nooit’. Geregeld treedt tussen de rietpluimen de dominante vader ‘met zijn onmachtige woede’ op de voorgrond. Veenbaas is openhartig over zijn voorgeschiedenis. Hij bekent dat hij iets ongemakkelijks ervoer bij het noemen van zijn naam, maar zijn grootvader die met een ‘demon’ vocht en deze niet aankon, was de eerste naamgever. Een voorbeeld van een man die ook net als het ik ‘taaie hoop / op moeizaam bereikbaar geluk’ ervoer. Naast deze donkere beelden is er ook de lichte herinnering aan Baukje die hem de beker vol goedhartigheid wist aan te reiken. In een ‘broederlijk gesprek’ komt de gezelligheid van het samen spelletjes doen weer boven, maar ook de ‘armoede en onmacht’ in het gezin. 

    Het titelgedicht ‘Kamermuziek’ geeft een prachtige inkijk in de atmosferische zwaarte die het ik ondergaat. Mogelijk speelt daarin het aanstaande moment van afscheid, omgeven door melancholieke cellomuziek. De accordeon brengt enige ontspanning terug. Zie de oude angsten onder ogen is de opgave, en zie de liefde die er was maar nu pijn doet. Als de liefde verdwijnt, blijft eenzaamheid over. Met gebalde vuisten wordt er geluisterd naar beide muzikale werelden. Die van hoop en die van innerlijke pijn die echter langzaam lijkt weg te ebben.

    ‘Kamermuziek
    terwijl wij in de kamer staan
    klaagt zachtjes aan het raam
    de cello hoe de hoge bomen
    schaduwen worden een kleine
    zwarte vogel valt

     en de accordeon antwoordt altijd
    keer je terug naar je oude angsten
    de liefde die een pijn wordt als
    ze verdwijnt een eenzaam zijn
    aan het eind

     ik zoek je gezicht we drijven nu
    steeds verder uit elkaar
    ik luister de vuisten gebald
    maar roerloos als de bomen buiten
    die zoals de cello kalm buiten
    de matte ogen sluiten’

    Zoeken naar het levenselixer

    Herinneringen vormen het wezen van deze bundel. In ‘Romance’ herinnert hij zich de eerste kennismaking met zijn vrouw. ‘Het lijkt alsof zij sneeuwvelden in haar ijsblauwe ogen heeft waar poolvossen in rondslopen’. Ze vonden elkaar in het lezen van Rilke. Dit duiken in het verleden geeft deze bundel het karakter van een zelfonderzoek. Hier verschijnt voor even de filosoof in de dichter. Maar naast deze ernstig stemmende observaties komt er in ‘Bestemming’ opeens een serveerster op een zonnig terras langs die ‘in wijze rijmen’ orakelt. 

    Het ‘Requiem voor Ilse’ memoreert aan een gezamenlijk poëzie optreden met Ilse Starkenburg (1963 – 2019) in de stad waar gewelddadigheden rondom een voetbalmatch plaatsvonden. Het ik herinnert zich de hinder die ze had van het hooligangeweld. 

    ‘ik zag je schrijven
    en ving een glimp op van je poëzie
    formules waarmee je zocht
    naar een levenselixer een
    oeroud alfabet angstvallig
    geëtst in eenvoud en
    eenzaamheid

    In deze poëzie opvatting van Starkenburg herkent Veenbaas zich. Het zoeken naar een levenselixer om tegen het leven bestand te zijn. Dichten is blijkbaar ook voor hem een manier om te overleven.

    Liefde voor het leven

    In menig gedicht werkt Veenbaas naar een pointe toe, zoals in het gedicht ‘De oude’ waarin een oude vrouw langzaam maar zeker ‘zou verdwijnen in een aardster of een madelief’. Deze wederopstanding in de vorm van een denkbeeldige bloem of en ster herinnert aan de vroegchristelijke discussie over de tegenstelling tussen een nieuw, geestelijk, opstandingslichaam en een weer tot leven gewekt oud-stoffelijk lichaam. De zee is de favoriete plek van deze dichter. Hij voelt zich verwant met de zeezeiler die een walvis waarneemt. Door alles heen proef je dat Veenbaas het leven liefheeft. Als hij over Emily Dickinson mediteert en zich voorstelt op haar kamer te zijn, dan ziet hij voor zich hoe zij haar ‘witste’ jurk aantrekt ‘om licht en leven te vieren’. 

    Dat alles neemt niet weg dat ook de harde realiteit getoond wordt. Zoals het vluchtelingenkamp Yarmouk waar een Palestijns-Syrische pianist speelt te midden van de puinhopen. Hoe de zangers in de Laurenskerk te Alkmaar lijden onder het verstrijken van de tijd. Hun stemmen weggedragen als ‘de engelen onder het orgel’. En ondanks het coronavirus dat voor ons de muren tot metgezellen maakt, blijft de ziel zoeken naar houvast. We blijven echter denken aan het onverwachte, ‘zelfs aan dingen die voorgoed onmogelijk waren geworden / zoals de zuiverheid van onze ziel’. 

    De gedachte aan reïncarnatie, het leven na de dood, het verlangen naar de wereld van vroeger met zijn momenten van stilstand en overgave laten een dichter zien die blijft zoeken naar het levenselixer van de non-dualiteit. Hij weet die wereld in zijn gelukkige en ongelukkige momenten aansprekend uit te beelden. Zijn taal blijft aldoor helder en verstaanbaar.



  • Thuiskomen in een ander land

    Enne Koens is actrice en auteur, ze schrijft toneelteksten en debuteerde in 2007 met Tot alles gezegd is bij uitgeverij Podium. Ze heeft tal van kinderboeken op haar naam staan en haalde diverse literaire prijzen binnen. Voor Vandaag komen we niet meer thuis interviewde ze veel minderjarige migranten en door hun situatie te spiegelen schijnt er een vers licht op migratie en inburgering. Dit hoopvolle, ontroerende en geloofwaardige verhaal is heel verfijnd geïllustreerd door Maartje Kuiper.

    Ieder kind dat Vandaag komen we niet meer thuis leest, zal zich identificeren met Mirza en hopelijk beter begrijpen hoe het is om als migrantenkind in een totaal vreemde wereld opnieuw een plek, een thuis, te vinden. Immers, als je de taal niet begrijpt, blijven zoveel deuren dicht.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem

    Als Pippa met haar moeder Oddný en haar ‘zoveelste’ vader naar haar nieuwe huis rijdt in een uithoek van IJsland heeft ze het idee dat ze de bewoonde wereld verlaat. Ze krijgt buikpijn en weet niet of dat is omdat ze een blaas vol plas heeft of omdat ze in een jeep zit die de wereld uitrijdt. Haar hoofd is zo leeg als de leegte om haar heen. Als haar nieuwste vader, Snorri, zegt dat ze er zijn, schrikt ze. ‘Want we zijn nergens’.

    Zo begint Magnetisch middernacht, de derde roman van Laura Broekhuysen (1983), schrijver en violist. Een roman als een zoektocht in niemandsland, waar de lezer uiteindelijk net zo weinig houvast heeft als bewoners van IJsland, die leven op voortdurend over elkaar heen schuivende aardschollen.

    Broer, zus of zoer

    Pippa maakt kennis met Loke, zoon van Snorri. Ze vraagt zich af of hij echt een jongen is, of een meisje in een jurk. Is hij haar nieuwe broer, zus of zoer? Ze maakt ook kennis met haar nieuwe huis in niemandsland, ‘een paar honderd kubieke meter niet-wit’. Het is een bevreemdende ervaring. Alhoewel Pippa net is gearriveerd lijkt veel vertrouwd. ‘Ik heb een rare smaak in mijn mond, lijk de kamer te proeven: de lampenkap, de halfvergane franje, het gehaakte tafelkleedje, de mat onder mijn sokken, de zoom van het gordijn, de roestvlekken op de kraan.’ En ze herkent tot haar verbazing de akoestiek van het huisje. Alsof ze er eerder is geweest.

    Heden en verleden gaan voortdurend in elkaar over, waardoor maar moeilijk duidelijk wordt of nieuw echt nieuw is of een herhaling. Als haar moeder haar vraagt wat ze van Snorri vindt zegt Pippa dat ze hem goed vindt ruiken. ‘Het is niet direct een lekkere lucht, maar wel een betrouwbare. (…) Hij ruikt naar dit huis. Naar vochtige planken. Naar oude verhalen verschoten behang. Naar stoffige dozen, naar vis, naar aardappelen. Hij ruikt huiselijk.’ In haar herinnering begint haar eigen vader, die ze niet kent, steeds meer op Snorri te lijken.

    Een schim met takkige haren

    Zo huiselijk als Snorri voor Pippa is, zo vreemd zijn de omgeving en de mensen om hem heen voor haar. Vooral op Iðunn krijgt ze maar moeilijk vat. De familie van dit meisje is enkele jaren geleden bij een aardverschuiving met huis en haard in zee geschoven. Volgens velen is Iðunn daarbij met haar moeder omgekomen. Maar wie is dan die schim, bijna doorzichtig, nachtkleurig, met takkige haren, die in een gescheurde, besmeurde jurk rond het huis doolt? Als Pippa haar blik vangt lijkt het of ze wordt aangekeken door een schichtig dier.

    Ook Herdís, de vrouw van Snorri en moeder van Loke, is ongrijpbaar. Als de lente komt staat ze opeens voor het huis, ‘als een verzinsel, schutkleurig in de drek’. Maar ze is wel degelijk echt en treedt meteen binnen om de leiding over het huishouden over te nemen. En over Snorri, Loke, Oddný en Pippa. Alsof dat altijd zo is geweest. Haar komst schudt Pippa’s wereld opnieuw door elkaar en zet een raderwerk in beweging dat haar uiteindelijk haar oude grondvesten terug zal geven alvorens ze weer ongenaakbaar door elkaar te schudden.

    Glijdende aardschollen

    Magnetisch middernacht is de tijd waarop het poollicht op zijn felst is. Het is ook de tijd dat de IJslanders elkaar opzoeken, kerstbomen verbranden, hossen en elkaar verhalen vertellen. Pippa gaat met Loke mee en voelt voor het eerst hoe het is om een broer te hebben. Of een zus of een zoer. Ze voelt zich onderdeel van een groter geheel zonder er veel van te begrijpen. Waarschijnlijk is dat laatste iets waar de meeste lezers zich in zullen herkennen. Want Broekhuysen maakt het hen niet makkelijk. Magnetisch middernacht heeft geen eenvoudig plot en is eigenlijk net zo schimmig als Iðunn. Net zo ongrijpbaar als de immer bewegende IJslandse bodem. Verhaallijnen glijden als aardschollen over elkaar heen, hier en daar een schok veroorzakend, om daarna weer weg te glijden in het niets, waarbij Broekhuysen haar verhaal kruidt met prozaïsch taalgebruik en Noordse mythen. 

    Het proza in Magnetisch middernacht is rijk en beeldend. Wat je leest zie je zo voor je. ‘Het stormt, van slapen is geen sprake. De zee raast, het ijswater wordt door de wind omhoog gezogen, tegen de ruiten gesmeten. De balken kraken.’ Alsof je midden in een IJslandse storm zit. Broekhuysen is vindingrijk en legt de mooiste verbanden. ‘In het hout van de vloer zijn de noesten zo rond als muzieknoten, als ik me een kwartslag draai zijn de planken vol nerven mijn notenbalken. In elke kamer zijn liedjes te vinden.’

    Met de mythologie komt ook de verwarring. Moeders veranderen in zeehonden en wolven bijten handen af. Loke is niet alleen Pippa’s broer, maar in de Noordse mythologie ook de god van chaos en leugens. Wat de vraag oproept waar de vertrouwde steun die Pippa in hem vindt op is gebaseerd. En Iðunn is in de oude verhalen de bewaarster van de appels der jeugd, die de goden de eeuwige jeugd gaven. Terwijl het maar zeer de vraag is hoe eeuwig die jeugd in Magnetisch middernacht is.

  • Over burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij

    Tezer Özlü heeft hoge verwachtingen van haar lezers. De kille nachten van de jeugd is bepaald geen simpele, chronologische vertelling. Op de eerste paar bladzijden is het al opletten geblazen, want zodra je je aandacht even hebt laten verslappen, vraag je je af waar en wanneer een scène speelt. Je komt niets te weten dat de verteller zich niet op dat precieze moment herinnert. De lezer is aan haar grillen overgeleverd, van hot naar her. En, als je net denkt dat je de draad weer hebt opgepakt, maakt Özlü opnieuw een sprong in tijd en plaats, alsof ze wil zeggen: het doet er niet toe of je het begrijpt of niet, als je maar weet dat ik je heb opgesloten in het hoofd van mijn verteller, waar geen enkele ervaring ooit echt tot het verleden behoort.

    In dat hoofd gebeuren verontrustende dingen: ‘De gedachte aan de dood achtervolgt me. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat speel ik met de gedachte een eind aan mijn leven te maken. Niet dat er een bepaalde reden voor is. Je kunt leven of niet, het maakt niet uit.’ Wat erbuiten gebeurt is nog verontrustender. De onrust in de samenleving, de staatsrepressie, de staatsgrepen en, meer persoonlijk, de opnames in psychiatrische klinieken waar de behandeling met elektroshocks meer weg heeft van marteling dan van een manier om beter te worden en de machteloosheid van patiënten benadrukt wordt door seksueel misbruik en geweld. Wie op zoek is naar de feiten, naar gebeurtenissen die elkaar logisch opvolgen komt bedrogen uit. Door het hele boek heen weeft Özlü de herinneringen van de verteller associatief door elkaar: haar reizen naar Berlijn en Parijs, haar seksuele ervaringen met mannen, de geestesziekte die weer de kop opsteekt.

    Onderdrukking van gewone burgers

    Özlü’s naamloze verteller groeit de eerste paar jaren op in een klein provincieplaatsje en daarna in Istanbul. Het huwelijk van haar ouders is slecht. Haar vader probeert thuis een militaire discipline te handhaven, er is geen warmte tussen hem en zijn vrouw. Ze heeft een goede relatie met haar zus, ze slapen in elkaars armen. Tussen haar en haar broer is er weinig liefde. Ze moet zijn modderige schoenen poetsen en mag zijn boeken niet aanraken zonder het eerst te vragen. Na haar zelfmoordpoging — ze slikt een grote hoeveelheid pillen en komt voor het eerst in een psychiatrische inrichting terecht — vraagt hij waarom ze het heeft gedaan. ‘Die boeken van Aziz Nesin,’ zegt ze, ‘over de burgerlijkheid, wat er mis is in de maatschappij.’ Nesin (1915 – 1995) was een schrijver die zich uitsprak tegen de onderdrukking van gewone burgers, tegen de bureaucratie en tegen economische ongelijkheid. ‘Mijn ideeën en mijn daden hebben maar één doel,’ zegt de verteller een stuk verderop in het boek, ‘en dat is het slechten van de benauwende grenzen die de vrijheden van de kleine burgerij inperken.’

    Opgroeien in woede

    De kille nachten van de jeugd werd in 1980 voor het eerst in Turkije gepubliceerd, zes jaar voor Özlü’s vroegtijdige dood. Ze stierf op drieënveertigjarige leeftijd aan borstkanker. De nieuwe vertaling (de eerste verscheen in 1985 onder de titel Kille nachten) is gemaakt door Hanneke van der Heijden, die ook het nawoord heeft geschreven.

    Het boek gaat over de periode van 1960 tot 1980, over de politieke en economische situatie in Turkije toen en vooral over hoe die doorwerkte in het dagelijkse leven van meisjes en vrouwen. Drie staatsgrepen, de onderdrukking van vreedzaam protest, het geweld op straat en op universiteiten, Özlü benoemt grote gebeurtenissen zijdelings. Het gaat haar om repressie in de persoonlijke sfeer, de onderdrukking van vrouwelijke seksualiteit, de stringente normen die gelden voor het gedrag van meisjes en vrouwen. Dat is de wereld waarin Özlü en haar tijdgenoten opgroeien, een wereld die haar razend maakt.

    ‘We groeien op in woede. Woede over de wijk, de straat waar we wonen, over de kamers, de spullen, de bedden met de versleten en doorgezakte kapokmatrassen, waar we het ’s winters nauwelijks warm in kunnen krijgen’. Alleen op straat is er leven. ‘Wat mooi is, wat echt is, zijn de mensen van de stad, de drukte, de buitenwereld.’ Juist die buitenwereld is niet bedoeld voor vrouwen, de verlangens van de hoofdpersoon, naar liefde, naar seks, naar vrijheid botsen met de repressieve sociale mores. Özlü zegt misschien niet letterlijk dat dat is wat haar verteller ziek maakt, maar het spreekt uit iedere zin.

    De pijn en het leed van het land

    De kille nachten van de jeugd bestaat uit vier hoofdstukken en als je na het lezen van de eerste drie snakt naar verlossing uit het hoofd en het leven van de verteller, ben je niet de enige. De verteller zelf hunkert naar haar vroege jeugd, of eigenlijk: naar de natuur die ze zich van vroeger herinnert en de verbondenheid met haar zusje. Het vierde hoofdstuk is kort, twaalf bladzijden, en de titel geeft hoop, ‘Terug naar de Middellandse zee’. Daar vindt de verteller niet alleen zichzelf maar ook de verbinding met anderen, aan zee wacht ze op ‘de zon van duizenden jaren’, een constante schoonheid in een wereld die continu en gewelddadig omwentelt. Toch is ook hier geen echte ontsnapping mogelijk. ‘Allemaal voelen ze [mijn vrienden] de pijn en het leed van het land en spannen ze zich in, in de hoop dat het bestel verandert.’ Een aantal van die vrienden sterft kort na elkaar, veertigers nog maar, een lot dat ook de schrijver zelf treft.

    Özlü’s boek is een verontrustende en desoriënterende roman. De opeenvolging van herinneringen benauwt, zeker als het gaat om de opnames in psychiatrische instellingen. Dat is meteen ook de kracht van het boek, de onverbiddelijke manier waarop Özlü haar lezers meesleurt in het innerlijke leven van haar verteller, de eerlijkheid waarmee ze er verslag van doet. Dat Özlü zo jong gestorven is, is daarmee niet alleen een persoonlijk drama maar ook een gemis voor de literatuur. Gelukkig verschijnt er in 2025 nog een vertaling van een werk van haar hand, getiteld Reis naar het einde van het leven.

     

     

  • Een schreeuw om verlossing

    Gerwin van der Werfs nieuwste boek Wilgeneiland is een sfeerrijke en veelzijdige roman die speelt in de zompige wereld van het Hollandse merengebied. De auteur heeft voor dit boek veel onderzoek ter plaatse gedaan. Hij vestigde zich in een woonboot van een vriend om de sfeer van de alomtegenwoordigheid van het water te kunnen ondervinden. Er worden veel vragen opgeroepen, maar weinig beantwoord.  De roman speelt zich af in een oerconservatief fictief dorpje Oud Zweiland in het Hollandse merengebied, waar de wereld verdeeld is in gevestigden en buitenstaanders. De dorpelingen die er van geslacht op geslacht gewoond hebben, zijn de gevestigden. Ze worden als simpele vreemdelingehaters geschetst, vanuit het perspectief van de buitenstaanders getekend. Het zijn stuk voor stuk flatcharacters, die stereotiep reageren op veranderingen en gedreven worden door eigenbelang en oude tradities. 

    De buitenstaanders zijn de mensen die ook nog letterlijk aan de rand van het dorp wonen in woonboten. Zij proberen te assimileren, maar dat wordt hen door de plaatselijke jeugd niet gemakkelijk gemaakt. Ze zijn niet van ‘hiero’. Het zijn allemaal mensen die er niet thuishoren. De buitenstaanders zijn moeilijk grijpbaar. Het zijn in zichzelf gekeerde mensen die zich niet uitspreken, die vastlopen in hun eigen gedachten. Het boek stemt bepaald niet vrolijk, omdat de hoofdpersonen geen lolbroeken zijn. Depressiviteit overheerst bij hen. Zij zijn geen van allen praters die inzicht geven in hun drijfveren. Het zijn kwetsbare mensen die leven in een kwetsbaar gebied aan de rand van de bewoonde wereld. 

    Een geheimzinnig eiland

    In het eerste deel van de roman dat speelt in 1992 staat de dertienjarige Natan centraal. Hij is een dichterlijke jongen die met zijn ouders Johan en Magda (Lena) op een woonboot woont. Vanuit de ouderlijke woonboot heeft Natan uitzicht op een geheimzinnig eiland. Bij een poging het eiland zwemmend te bereiken verdrinkt hij bijna. Hij wordt gered door zijn buurman Tom Healy die ook op een woonboot woont. Deze Tom wordt op het dorp Jezus genoemd, omdat hij de hoofdrol speelt in de musical Jezus Christ Superstar. Natan gebruikt in het vervolg diens kano om naar het eiland te varen. Daar ligt een verrotte woonboot, waar eens de kunstschilder Aalt woonde. Is Aalt overleden, of pleegde hij zelfmoord? Natan probeert dat uit te zoeken en maakt daarvoor een bewijsbord, waar hij mogelijke daders en slachtoffers een plaats geeft, als een echte detective. Hij komt er echter niet uit.

    Wie denkt in het tweede deel, dat vanuit het perspectief van Aalt is geschreven, antwoorden te krijgen, komt bedrogen uit. We gaan in dit deel terug in de tijd naar 1979. De auteur beschrijft Aalts leven als schilder en houtbewerker in sympathieke bewoordingen, bijna met liefde. Aalt legt een nieuwe stalvloer bij Boekhorst, een rijke boer, die de stal wil gebruiken om een verzameling religieuze beelden aan te kunnen leggen. Nadat hij bij boer Boekhorst een piéta heeft gezien, die hem angst aanjaagt, gaat hij maniakaal aan het schilderen. In het schilderij dat ontstaat verwerkt hij zijn eigen angsten en geeft hij zijn visioenen weer. Aalt hoort in zijn hoofd allerlei ondergangsteksten van de oud-testamentische profeet Sefanja. Die doen vermoeden dat het niet goed afloopt met de schilder. 

    Bijbelse namen

    Een vierde hoofdpersoon, naast Natan, Tom en Aalt is Marie een vriendin van Natan. Marie die eigenlijk Christine heet is de buitenechtelijke dochter van een Koreaanse, die door boer Boekhorst geadopteerd is. Wie Marie’s vader is, blijft een raadsel. Is het de boer, die haar moeder adopteerde, is het een van de dorpsjongens of is het de eenling Aalt? Marie is geen buitenstaander, want zij is op het dorp geboren, maar ook geen autochtoon. Zij vertrekt uit Oud Zweiland om kunstenares te worden en neemt een andere naam aan. 

    Veel in deze roman ademt de christelijk achtergrond van de auteur. Van der Werf strooit met verwijzingen naar de bijbel. De meeste voornamen in het boek stammen uit de bijbel. Natan is in de bijbel een profeet die koning David aanklaagt vanwege diens overspel met de mooie Bathseba. De andere namen verwijzen naar mensen rondom Jezus, zo heten Natans ouders Johan (Johannes de Doper?) en Magda (Lena). Marie spreekt voor zichzelf, alleen Aalt valt uit de toon in dit opzicht. 

    De auteur beweert in een interview, dat hij afscheid heeft genomen van het christelijk geloof, maar in de roman schreeuwt ieder persoon als het ware om verlossing, de kern van de christelijke boodschap. Van boer Boekhorst wordt letterlijk gezegd, dat hij beelden verzamelt om zichzelf te verlossen. Maar ook de andere personen schreeuwen als het ware om de verlossing uit hun verloren toestand. Met de meesten loopt het niet zo goed af. Alleen het buitenechtelijke kind Marie (Christine) lijkt die dans te kunnen ontspringen. Zij lijkt nog het meest op de Piéta, die mannen kan troosten. Maar Christus zelf ontbreekt.

    Van der Werf schrijft geen rechttoe rechtaan verhaal van begin naar eind, maar verdeelt het in delen waarin het perspectief wisselt. Het is zowel een familieroman, een moordmysterie en een streekroman. Ergens vergaloppeert hij zich door een schrijversspelletje te spelen. Uiteraard is Van der Werf de auteur, omdat zijn naam op de omslag staat, maar in de roman wordt één van de hoofdpersonen als auteur van de eerste twee delen genoemd. Waarom hij dat doet, is niet duidelijk. Die twee delen worden door dat spel met  wie is de auteur wat ongeloofwaardig. Is deze hoofdpersoon in staat zijn hoofdpersoon dergelijke gedachten in de mond te leggen?

    Apocalyptisch perspectief

    Dankzij de geheimzinnige sfeer en de onbeantwoorde vragen die je aan het denken zetten, blijft de roman fascineren. Daarbij komt dat Van der Werf mooi proza schrijft. Hij kan in korte bewoordingen goed karakteriseren. Zo zegt hij over een vrouw: ‘‘Ze heeft een mekkerstem, waarmee ze niet meer dan twee registers kan bedienen: geveinsde interesse en ongenoegen.’ Zijn beschrijving van het landschap is ook erg mooi en bovendien verstaat hij de kunst om een hoofdstuk zo te beginnen dat je meteen geboeid bent. Van der Werf gebruikt ook mooie oude woorden als ‘deernis’ waardoor Tom Healy ‘bevangen wordt’. Het is opnieuw een verwijzing naar Jezus. Healy wordt ook, als hij Natan uit het water trekt in zijn kano, beschreven als een ‘visser van mensen’. Zou Tom dan, de musicalster, de enige zijn, die zoals de bijbelse Jezus door ontferming bewogen is over de anderen? Maar Tom haalt het niet bij Christus. Hij is een man ‘zonder kern die leeft op het gejuich van het publiek’. 

    Door gebruik te maken van de ondergangsteksten van de bijbelse profeet Sefanja zet Van der Werf dit complexe verhaal in een apocalyptisch perspectief. Alsof de gebeurtenissen op het dorp het einde der tijden inluiden, waarin God zal rechtspreken over de zonden van de mensheid. 



  • Een roze kerst

    Nadine Swagerman is een jonge schrijfster met een missie. Haar nieuwste young adultroman Een ongelooflijke kerst is uitgekomen in de nieuwe JIJ DOET ERTOE-lijn van uitgeverij Kluitman, een serie boeken waarin inclusiviteit centraal staat.

    […]

    In jeugdromans van de laatste jaren komen regelmatig personages voor die heel vanzelfsprekend homoseksueel zijn, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. Dat is het misschien voor veel ‘buitenstaanders’ maar vaak niet voor jongeren die het zelf betreft. Een tiener wil niet ‘anders’ zijn, is sowieso zoekend en onzeker en al helemaal als het doemscenario van homoseksueel-zijn zich opdringt. De kracht en waarde van dit boek ligt juist in de identificatiemogelijkheid die het biedt aan jonge niet-hetero tieners die verward en zoekend zijn zoals Noëlle, de hoofdpersoon van dit kerstverhaal.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Een voorbereiding op wat komen gaat

    In deze bundel wordt al snel duidelijk, ook zonder de achterflap  gelezen te hebben, dat iemand aan het woord is die afscheid neemt. Van zijn verleden, van zijn dierbaren, van het leven zelf. Bij de dichter Koen Stassijns (1953) is longkanker vastgesteld. Zijn bundel Het huis waar alles verdwijnt bestaande uit drie afdelingen, is een reflectie op deze diagnose. Het huis uit de titel is een metafoor voor het lichaam en voor het leven zelf, waarvan de bestaande zekerheden hem een voor een ontvallen. Hoewel zijn ziekte slecht één keer bij name wordt genoemd in het eerste deel van het gedicht ‘Herinneringen’, als een arts de diagnose stelt, is de hele bundel een voorbereiding op wat komen gaat. 

    In de eerste afdeling, ‘Nieuwe hemelingen’ is een verwijzing naar zijn bundel Hemelingen (2019). Hemelingen zijn overleden mensen. Zij zijn gaan ‘hemelen’ en zijn engelen geworden. Stassijns schrijft gedichten over zijn eigen hemelingen en over het bestaan dat hij voortaan zonder hen moet leiden. Ze helpen hem in moeilijke tijden en beloven hem te begeleiden als het zo ver zal komen wanneer hij zelf aan de beurt is om een hemeling te worden.

    De angst te verliezen

    De dichter herinnert zich zijn ouders, zijn geboortedorp en schooljaren. In pakkende beelden zonder sentimentaliteit beschrijft hij voorvallen alsof hij er al afstand van heeft genomen en hij een buitenstaander is die naar de film van zijn eigen leven kijkt. Hoogte- en dieptepunten worden beschreven: ‘ik kan ze alleen bewaren in schamele woorden’, zegt hij in gedicht ‘2. Mijn moeders’. Hoewel de dichter aangeeft niet bang te zijn voor de dood, lijkt dat gezegd te zijn om zichzelf moed in te spreken, zichzelf te troosten.

    De angst die wel degelijk door de bundel waart, is niet zozeer om te sterven als wel om alles al te moeten verliezen voordat het werkelijke einde zich aankondigt. Dat begint al vroeg: als kleine jongen aan moeders hand beseft hij al dat wij als mensen weerloos zijn tegen de grote overmacht die ieder van ons beheerst. Hij verliest vrienden, een echtgenote, zijn ouders; is het niet door de dood, dan wel door het leven dat mensen uiteen slaat. Alles en iedereen is een herinnering geworden.

    ‘Wat heb ik te verliezen. Ik ben er goed in
     geworden. Drie vrouwen, drie dochters ben
     ik kwijtgeraakt, mijn abonnement op God,
     ten slotte vele vrienden. Ik ben een vod
     geworden, een aftandse vlag zonder land.’

    Dicht hij in de eerste strofe van ‘Mijn hemelingen’. In de laatste strofe, waarin ‘Hij’ de dood voorstelt, wordt de indruk gewekt dat de dichter zelf alles van waarde ontdoet om er gemakkelijker afscheid van te kunnen nemen:

    ‘Hij gomt de hartstocht weg uit mijn herinnering.
     Wat heb ik te verliezen? Een lichaam, een vriend,
     een vrouw die me bedroog, een God die me blind
     misbruikte toen ik een onooglijke jongen was?
     Of een leven dat zijn zin in het vergeten vindt.’

    Oefeningen in sterven

    In de tweede afdeling, ‘Het huis waar alles verdwijnt’, worden gebeurtenissen, voorwerpen en mensen van hun belang ontdaan. Soms klinkt dat bitter en gedesillusioneerd alsof de dichter bij leven al koud en ongevoelig tegenover wat hem eigenlijk lief moet zijn, staat. Het lijkt een afweermechanisme tegen pijn en angst, de dood voor willen zijn om als het erop aan komt van tevoren afgedaan te hebben met alle aardse zaken. Het huis staat centraal en is een symbool voor alles waarop de dichter dacht te kunnen bouwen: zijn lichaam, zijn leven, zijn ouders, zijn relatie met een vrouw.  ‘Mensen willen weten wat ze aan elkaar hebben/ maar wij vergissen ons zo vaak.’ Maar ook: ‘we hebben geleerd// om ook ons huis van tegenslagen te bouwen.’ De herinneringen kunnen ook troost bieden, niet alles was verkeerd, al blijven er meer vragen dan antwoorden over.

    De laatste afdeling, ‘De laatste meters’ bevat gedichten met titels als de kleine cyclus ‘Oefeningen in sterven’ en ‘De verlossing’. De naderende dood lijkt niet meer zo afgrijselijk, maar eerder een ‘één worden met het wit’. De dood wordt zelfs liefkozend toegesproken met een zelfbedacht koosnaampje, ‘Doodjedood’, een ‘maatje’, en er is sprake van ‘rusten in de schoot van de dood’. De dichter lijkt zich verzoend te hebben met zijn nabije einde: ‘Het komt, het nadert, het glijdt op me af,/ het wacht nog even en het neemt zijn tijd./ Ik weet dat het niet lang meer duurt, het tuurt/ voortdurend naar een kwetsbaar ogenblik.’ 

    Verhalend en melancholiek

    De gedichten zijn melancholiek en verhalend, zoals een droom die na het ontwaken werd opgeschreven, of als een sprookje, een oud verhaal. Dat wordt nog versterkt doordat de dichter begrippen uit de Griekse mythologie in zijn gedichten verwerkt, zoals de hellehond Cerberos, de rivier de Styx die de grens vormt tussen de boven- en de onderwereld. Of de Lethe, de rivier in de onderwereld die alles doet vergeten als je van het water gedronken hebt. Het meest veelzeggende gedicht is het allerlaatste uit de bundel, waarin alles samenkomt wat de dichter eerder heeft aangeroerd.

    ‘Het dode kind

     Ik hield een dood kind in mijn armen en wist niet
     waar het vandaan was gekomen, uit welke kamer
     van mijn hart. Ik zag dat ik niet droomde, het lag
     daar stil, verstard, ik stutte zijn hoofd met een hand
     en voelde een lijfje dat in zichzelf verzonk.

     Ik wiegde het, als om iets goed te maken, zong
     een liedje waarop het gaandeweg in zou slapen.
     Ik zong van lammetjes en hun wollige schapen
     die, eens geschoren, wolken werden die de sprong
     naar de hemel en de eeuwigheid zouden wagen.

     Maar het kind verdween niet uit mijn schoot, het bleef
     hier liggen, met zijn verglaasde ogen halfopen.
     En hoezeer ik het wou overdragen aan de tijd,
     het haakte zich vast. Toen keek ik het aan en trok
     bleek weg. Het leek als twee druppels water op mij.’

    Wie geconfronteerd wordt met de dood van zichzelf of van een ander, kan troost en herkenning vinden in de gedichten van Stassijns, maar ook de bevestiging van angst en onwetendheid. De opdrachten die hij zichzelf geeft of die hij opgelegd krijgt door een innerlijke stem zijn bedoeld om te helpen het sterven te vergemakkelijken. Hij brengt zichzelf dichter bij de dood door in zijn gedichten te onderzoeken wat er allemaal bij komt kijken als je sterft. Of dat voor iedereen geldt, is nog maar de vraag. Sterven is een eenzaam proces, net als geboren worden. Dat de dichter met deze bundel een dappere poging heeft ondernomen zich met de dood te verzoenen, is duidelijk.

     

     

  • Geen haar beter dan een moordenaar

    Het is niet de eerste keer dat in Midden-Europa een boswachter wordt vermoord, maar voor schrijfster en journaliste Dore van Duivenbode (1985) vormde dit een aanleiding om zich te verdiepen in de complexe en vaak tegenstrijdige belangen rond oerbossen en de intense spanningen die daaruit voortvloeien. Ontbossing is een terugkerend thema in de geschiedenis van onze planeet, waarbij telkens een fragiele balans gezocht wordt tussen bosbehoud, de houtindustrie, landbouw en de gemeenschappen die van het bos afhankelijk zijn. Van Duivenbode onderzocht deze dynamiek en de conflicten die hier onvermijdelijk uit voortkomen. Haar bevindingen verwerkte ze in het boek Oerbos, De strijd om de Europese natuur.

    Om haar verslag goed te kunnen onderbouwen, trok Van Duivenbode in bij een Pools internaat voor aankomende boswachters en werkte ze als vrijwilliger in een Nationaal Park om het dagelijkse reilen en zeilen van dichtbij mee te maken. Dit bleek allesbehalve eenvoudig. Al snel kreeg ze het stempel ‘ongeschikt voor in het bos’: het zagen van hout voor Ikea mislukte, ze worstelde met schaamte over haar eigen aandeel in de ontbossing, at vlees (ondanks haar vegetarische overtuigingen) om maar niemand voor het hoofd te stoten, en moest telkens de teleurstelling van de docenten ondergaan. Wat haar wél goed afging, waren de koude avonden waarin ze zich verdiepte in boeken over de natuur. De kennis die ze verzamelde over de geschiedenis van het Europese oerbos heeft ze zo verwerkt dat ook wij een helder inzicht krijgen.

    Wie luistert er naar mij?

    Oerbos
    is een levendig en verre van schools overzicht van de geschiedenis van ontbossing. Eerder is het een boek waarin Van Duivenbode ruimte biedt aan de uiteenlopende verhalen van mensen die van het bos afhankelijk zijn. Ze spreekt met de weduwe van de overleden boswachter, maar ook met milieuactivisten die alles op alles zetten om het bos te behouden. Wetenschappers bekijken de situatie weer vanuit een andere invalshoek, en de mensen die in de schaduw van de houtindustrie leven, zijn vaak pessimistischer dan de houtmaffia’s die er flink aan verdienen. Van Duivenbode heeft goed werk verricht als journalist door al deze verhalen een plek te geven. Daarmee onderstreept ze het belang van luisteren: ‘Wat we zelf optuigen, kunnen we ook weer afbreken. Maanden geleden schreef ik dat de verhalenschrijvers de machthebbers zijn: verhalen beïnvloeden ons denken en handelen. Welk verhaal we onszelf vertellen zegt iets over onze vrees en hoop, over wat we najagen en over onze moed. Het enige wat nodig is, is verbeelding.’

    Haar eigen worstelingen komen eveneens aan bod, want al snel wordt duidelijk dat haar reis ook een persoonlijke confrontatie met een pijnlijke realiteit betekent: ‘Na maanden in de bossen realiseer ik me dat ik geen haar beter ben dan de conservatieven in Oost-Polen. Ik vind dat we onszelf niet boven de natuur of anderen moeten plaatsen, toch leef ik er niet naar (…) In al mijn jaren op aarde ben ik nooit bereid geweest mijn manier van leven aan te passen aan het collectieve belang.’ Dat collectieve belang is een belangrijk thema, en het komt in ieder hoofdstuk ter sprake. Als je houtkap volledig stopt, ontstaan er niet alleen problemen voor de mensen die volledig afhankelijk zijn van de houtindustrie, maar ook voor de bomen zelf, die vatbaar worden voor ziektes die zich snel verspreiden. Laat je houtkap toe, dan versterkt de zogenaamde houtmaffia zich enorm. Natuurbescherming gaat altijd gepaard met machtsverdeling, en het boek toont op indringende wijze de menselijke aard in dit conflict.

    Diepgang in emotie en filosofische vraagstukken

    Van Duivenbode heeft geen oplossing voor dit grote probleem. Ze brengt verslag uit, toont verschillende perspectieven en verbindt een wereldwijd vraagstuk met de impact van de mens. Dit doet ze in een vlotte schrijfstijl, zonder te verzanden in overbodige details. Het leest soms bijna als een roman, vanwege de aandacht voor de emoties die dit complexe verhaal oproept. Hierdoor heeft het boek een toegankelijke sfeer, wat het extra aantrekkelijk maakt, vooral voor lezers die niet per se geïnteresseerd zijn in de problematiek van de boskap.

    Voor de lezer die naast emotionele diepgang ook intellectuele uitdaging zoekt, bieden de filosofische passages de nodige stof tot nadenken. Een terugkerend thema is de rol van de mens in de wereld, en hoe we het leven vanuit verschillende perspectieven kunnen benaderen. Hoe verbindt het bos ons met elkaar? Wat betekent je leven als je naast afval woont? Kun je een beter mens worden door je in te zetten voor de natuur, of is dat te simplistisch? En hoe ver reikt de macht van het individu? Deze passage over de dood van de boswachter maakt indruk: ‘Ik ben onderdeel van het probleem. Ik had oude meubels in prima staat, maar vond ze te ouderwets en kocht nieuwe bij Ikea. Ik ben geen haar beter dan de moordenaar, ik ben een consument. Iemand doodde de boswachter omdat er een houtbehoefte is, mijn behoefte. Ik denk dat ik goed bezig ben terwijl ik achter mijn computer petities opstel, toch ben ik net als de moordenaar een schakeltje in het systeem.’

    In Oerbos combineert Van Duivenbode verslaggeving met persoonlijke reflectie, waarbij ze de emotionele en filosofische aspecten van het onderwerp verkent. Haar boek stelt vragen over de rol van de mens in de natuur, de ethiek van natuurbescherming, en de macht van het individu in een complex wereldsysteem. Door de heldere schrijfstijl en de ruimte die ze geeft aan emoties, maakt ze het onderwerp zowel begrijpelijk als boeiend voor een breed publiek.

     

     

  • Een wankelende wereld

    Alle tijden zijn onzeker is de nieuwste roman van Joke van Leeuwen. Een grote klimaatramp speelt een rol, er is sprake van polarisatie, wantrouwen in wetenschap, en er worden complottheorieën aangehangen over orgieën met zelfs kinderen en een bad vol kinderbloed. Kinderen worden bij hun ouders weggehaald omdat dat beter voor hen zou zijn, er vindt exorbitante zelfverrijking plaats, er is ‘geen man die deugt’ en ergens op een muur staat ‘Ga trug nar je eige lant’. Van Leeuwen heeft dus een bijzonder actuele roman geschreven zou je denken. Maar schijn bedriegt, want Alle tijden zijn onzeker speelt in het Parijs van enkele jaren voor de Franse Revolutie, in 1783 en 1784. Onzekere tijden zijn blijkbaar van alle tijden.

    De prachtige en verzorgde schrijfstijl van de de 72-jarige schrijfster, is het eerste wat opvalt. ’In de vroege zomer van 1783 vliegen de merels en spreeuwen rusteloos boven de daken van die ene hoofdstad waar de rivier als een kromme ruggengraat doorheen stroomt.’ De geboren Nederlandse die sinds haar dertiende in België woont, schrijft en illustreert al meer dan vijfendertig jaar kinderboeken, romans, non-fictie en poëzie en haar werk is vele malen bekroond. Ook in deze roman is haar poëtische taalgebruik een lust om te lezen. Ze verstaat de kunst van wat ze zelf de ‘nadenkende lichtheid’ noemt, een term van Italo Calvino die staat voor taal waarmee wezenlijke zaken op lichte wijze toegankelijk worden gemaakt.

    Mensen en omstandigheden

    De wezenlijke zaken waar het in dit boek om gaat zijn zaken van gewone mensen in het 18e eeuwse Parijs én die van vorst Lodewijk XVl en zijn Oostenrijkse vrouw Marie-Antoinette. Parijzenaar Gaston D. lijdt na het overlijden van zijn vrouw dertien jaar eerder aan godsdienstwaanzin. Hij verkondigt op straat vanaf een houten kistje de boodschap van de Allerhoogste. De jonge dakloze wees Pierre wordt zijn ‘discipel’, ook al weet hij zelf niet zo goed wat dat is. Pierres vader verliet het gezin al vroeg voor een andere dame en zijn moeder is aan de pokken overleden. Hij is een onzekere zoekende tiener, niet dom maar wel beïnvloedbaar en naïef. Daarnaast is er Vince, de vrolijke, nieuwsgierige en creatieve echtgenoot van kostwinner Marie die in de drukkerij van haar vader werkt. De alwetende verteller laat de personages elkaar tegenkomen zonder dat ze het zelf weten en maakt ook duidelijk dat de verguisde en gedemoniseerde ‘Buitenlandse’ Marie-Antoinette een totaal eigen perspectief heeft en speelbal is van haar eigen en andere omstandigheden, die later tot de bekende bloedige ondergang van de Franse monarchie en henzelf zullen leiden.

    Een zo’n belangrijke omstandigheid is de uitbarsting van de zogeheten spleetvulkaan Laki op IJsland in 1783, de grootste uitbarsting op IJsland ooit die ruim een half jaar duurde. Op het Europese vasteland zijn de (klimaat)gevolgen van deze uitbarsting groot. Parijs en zijn bewoners hebben te lijden onder een verstikkend hete mistige zomer, een ‘herfst in verwarring’ en een ‘stervenskoude winter’. Deze toentertijd onverklaarbare fenomenen maken de onwetenden vatbaar voor allerlei verklaringen zoals het naderende einde der tijden, een komeet die naar de aarde snelt en buitenlandse aanvallen. Er zijn grote tegenstellingen tussen doem- en complotdenkers als Gaston aan de ene kant en een rationele wetenschappelijke zoeker als Vince aan de andere kant, personages die overtuigend en aanstekelijk worden uitgewerkt. Gaston lijdt onder zelfverwijt na het overlijden van zijn vrouw en vindt wetenschap grootheidswaan, Vince doet niets liever dan dingen uitpluizen en uitproberen en is juist van de wetenschappelijke verklaringen. Hij is een uitvreter bij de gratie van zijn vrouw Marie die de kost verdient en kan naar hartenlust experimenteren en zich verdiepen in de raadselen van elektriciteit en magnetisme.

    Zo kleuren mensen en omstandigheden een geschiedenis in. ‘De Buitenlandse’ die in Versailles baadt in exorbitante rijkdom valt in sommige opzichten niet te benijden. Van Leeuwen verstaat de kunst de lezer zelfs in haar en haar goede bedoelingen mee te laten leven. Op veertienjarige leeftijd wordt ze uitgehuwelijkt, in Frankrijk leeft ze letterlijk en figuurlijk in keurslijven. Ze doet haar best zich aan te passen, is begaan met arme kindertjes en houdt oprecht van haar eigen kinderen die ze graag wat meer zelf zou opvoeden. Ze weet dat ze bekritiseerd en bespot wordt, maar dat dat ondergrondse gerommel de opmaat is van een op handen zijnde figuurlijke vulkaanuitbarsting die zelfs de Franse monarchie op z’n grondvesten gaat laten schudden, kan zij natuurlijk niet bevroeden.

    Verzet

    In de drukkerij van haar vader werkt Marie zich een slag in de rondte. Vader is voor wat betreft zijn werk een opportunist. Hij drukt alles wat hem aangeboden wordt, dus ook spotprenten en ander opruiend en belastend materiaal over ‘de Buitenlandse’. Dat zijn enige dochter, een vrouw, de drukkerij draaiende houdt zint hem maar matig, helemaal omdat haar man Vince in zijn ogen een nietsnut is. Ontroerend is de beschrijving van de broze relatie tussen vader en dochter en hun strijd, die een climax bereikt als Marie een grens trekt bij een smadelijk en opruiend stuk over Marie-Antoinette: ‘Dit ga ik niet zetten […] ik heb nu al zoveel moeten zetten waar ik niet achter kan staan. Dit slaat alles.’ De breuk tussen vader en dochter is van korte duur want zij is toch zijn dochter. ‘Hij had haar willen omhelzen, maar zijn armen hadden dat niet goed geleerd.’ Haar man Vince blijft op zijn beurt bij zijn wetenschappelijk-kritische houding en weigert naar schoonvaders pijpen te dansen. De arme Pierre ondertussen, als slachtoffer van allerlei omstandigheden en van eigen misinterpretaties tot ‘eenzame wolf’ geworden, meent dat hij een belangrijke taak heeft uit te voeren. Hij wil niet naamloos sterven en realiseert zich dat het doden van een beroemd iemand door het doorsnijden van de hals hém bekend zal maken.

    Na de extreem strenge winter van 1783 breekt er toch weer een voorjaar aan. ‘Het koninklijke sneeuwpoppenhoofd glijdt langzaam en onontkoombaar van zijn romp en ploft neer op kasseien, en niemand die er de onbedoelde vooruitwijzing in ziet naar wat negen jaar later met het echte hoofd zal gebeuren.’ Zover komt het niet in deze roman die laat zien dat een geschiedenis of gebeurtenis vele perspectieven kent en waarin de lezer tussen de regels door niet om de onmiskenbare paralellen tussen toen en nu heen kan. Joke van Leeuwen heeft op de regels zelf met Alle tijden zijn onzeker een boeiende historische roman geschreven waar de lezer in meerdere opzichten iets van kan leren.

     

     

  • De waarheid volgens Werner Herzog

    In De Toekomst van de Waarheid waarschuwt de Duitse filmmaker en schrijver Werner Herzog (1942) tegen de ‘overweldigende opmars van nepnieuws’. Hij illustreert zijn zoektocht naar de waarheid met verwijzingen naar een groot aantal van zijn films en zegt dat de vraag naar de waarheid hem tijdens zijn loopbaan altijd heeft bezig gehouden. Herzog ziet die vraag als een ‘zoektocht die ons onderscheidt van de koeien in de wei’. Hij reflecteert op observaties en persoonlijke ervaring in zijn eigen praktische werk en zijn ‘artistieke ervaring van de wereld’. Daarmee wil hij zich buiten de filosofische debatten over het begrip waarheid houden.

    De vraag naar de waarheid achter een ‘zwak gloeiende bestemming in de verte’ drijft hem altijd, zoals hij het poëtisch uitdrukt.  Hij vraagt zich af of er waarheid bestaat in de kunst. Ook vraagt hij zich af of we onze oriëntatie niet kwijtraken door de wijdverspreide digitale vervalsingen en de leugenachtige propaganda in de politiek. Hij noemt de uiterst realistische video-imitaties van mensen. Als voorbeeld geeft hij een non-stop door AI nagebootst online gesprek van zichzelf met een Sloveense filosoof (Slavoj Žižek). Een gesprek dat ‘niets anders is dan mimicry’. 

    Het verborgene en het verhulde

    Volgens Herzog is een interview met een gevirtualiseerde Darwin over een mogelijk leven op Mars een vorm van ‘collectief zelfbedrog’, omdat zulke plannen ‘onzinnig en onuitvoerbaar’ zijn. Hij vindt het bovendien een obsceniteit om een onbewoonbare planeet bewoonbaar te maken ‘in plaats van ervoor te zorgen dat onze eigen planeet bewoonbaar blijft.’ Herzog ziet dan ook het idee van Elon Musk om miljoenen aardbewoners als kolonisten op Mars te vestigen als een reclame om zijn auto’s te verkopen en zichzelf als een visionair neer te zetten.

    De Toekomst van de Waarheid is geschreven in 2023, nog voor Elon Musk zich als aanhanger van Trump met halve waarheden en miljoenen een plek kocht in de nieuwe regering van de Verenigde Staten. Herzog vroeg zich toen nog af of de overname van Twitter wel zo’n goed plan was. Maar het plan om Mars te koloniseren ziet hij als zelfbedrog dat door Musk behandeld wordt als een waarheid, vegelijkbaar met een ‘sektarische geloofsovertuiging’.

    In zijn zoektocht naar de waarheid waaiert Herzog vele kanten uit. Hij zegt onder de indruk te zijn van het onderscheid dat de oude Grieken maakten tussen het verborgene, het verhulde en zijn tegenovergestelde, het onthulde dat vanuit het verborgene aan het licht wordt gebracht. Herzog ziet daarin een analogie met het fotografisch proces, met film, met beelden op celluloid. Hij ziet in dat proces de zoektocht ‘die ons dichterbij de niet onthulde waarheid brengt’, en ons, wat cryptisch geformuleerd, ‘een soort deelname aan iets onbereikbaars, aan de waarheid geeft.’ 

    Nepnieuws was nog nooit zo zichtbaar

    Nepnieuws is volgens Herzog van alle tijden, het is nu alleen zichtbaarder. Hij geeft een aantal voorbeelden van ‘historisch nepnieuws’: Ramses II, Numa Pompilius, Nero, Constantijn de Grote, en wat recenter de Potemkindorpen uit 1787 en nog recenter uit de jaren zeventig de Centraal Afrikaanse dictator Jean-Bedel Bokassa. Tegenover de dwaalleer ‘dat feiten identiek zijn aan waarheid’ stelt Herzog het begrip ‘extatische waarheid’, een ervaring voorbij het feitelijke (zie ook de recensie over Herzog’s Ieder voor zich en God tegen allen ). Volgens hem kunnen alleen stilering, fictie, poëzie en fantasie ‘een diepere laag van waarheid’ blootleggen. Hij heeft zich daarom ook verzet tegen de ‘cinema vérité’, een vorm van documentaire maken die hij een reactie noemt op de chaotische realiteit in de jaren zestig. 

    In zijn zoektocht naar de extatische waarheid geeft Herzog een aantal sprekende voorbeelden uit zijn eigen bekende en minder bekende films. Het eind van zijn film Cave of Forgotten Dreams, over rotstekeningen in Zuid Frankrijk, noemt hij voor het publiek onvergetelijk omdat er ‘zoiets bestaat als een collectieve bereidheid om rechtstreeks te worden getransporteerd naar het rijk van de poëzie, de waanzin en de pure vertelvreugde.’ Het gaat kort gezegd om ensceneringen en verzonnen teksten, die in zijn films open en bloot als extatische uitvindingen te zien of te horen zijn.  Herzog gebruikt de woorden ‘overdreven realiteit’ voor verzonnen elementen in de boeken van Daniel Defoe, Ryszard Kapuscinski en Bruce Chatwin, die daarmee volgens hem ‘levendiger en geloofwaardiger’ zijn. 

    In een van de laatste hoofdstukken ‘Postwaarheidstijdperk’ laat Herzog de tegenwoordige technische mogelijkheden zien om fictieve waarheden te produceren. Photoshop, chirurgische ingrepen, deepfakes, ChatGPT. Kunstmatige intelligentie is volgens hem tot veel in staat, tot veel meer dan de meeste mensen. Gedichten en teksten schrijven, foto’s en films maken. Maar het is nep. 

    Script geschreven door AI

    Tijdens het recente IDFA festival draaide de openingsfilm About a Hero,  de verfilming van een script geschreven door een AI die werd getraind op Herzogs oeuvre. Herzog had daar zes jaar geleden toestemming voor gegeven; nadat hij About a Hero heeft gezien, noemt hij het eindresultaat ‘alarmerend’. De film heeft hem gewaarschuwd en wellicht geïnspireerd tot dit boek. Wat te doen? In de met aan Lenin ontleende titel van het voorlaatste hoofdstuk vraagt Herzog zich af hoe we nepnieuws kunnen herkennen. Hij vindt dat we het kritisch denken moet herijken. Bij radio en fotografie hebben we door de jaren heen geleerd nepnieuws en vervalsingen te herkennen. Nu moeten we dat leren voor internet en mobiele telefoons. We moeten er een gewoonte van maken verschilllende bronnen te raadplegen. Door ‘schuldpresumptie’, wantrouwen, de veronderstellling van manipulatie, propaganda en leugens.

    Meer lezen en lopen

    En we moeten, aldus Herzog, meer lezen. Een boek kan een bewustzijn van ‘grotere processen’, van ‘conceptuele lijnen in onze werkelijkheid’ geven. De ontlezing is al jaren aan de gang, wie leest nog of is in staat een een eenvoudige gedachte op papier te zetten?  En we moeten meer lopen, ‘reizen te voet met bijna geen bagage, elementair, door diepe noodzaak gedicteerd.’ Volgens Herzog is dat de meest intense ervaring van de werkelijkheid. Uit een van zijn eerdere boeken citeert hij: ‘De wereld ontsluit zich voor wie te voet onderweg is.’ 

    De vaak wat megalomane filmmaker kan de vraag naar waarheid uiteindelijk niet beantwoorden en hij stelt vast, op basis van gesprekken met hersenonderzoekers, dat het menselijk brein geen waarheid kent. Aan het slot van zijn inspirerende, essayistische stukken schrijft Herzog dat we ‘de zoektocht naar de waarheid […] niet opgeven.’