• Het kwaad in cliffhangers

    Na het lezen van Aan het einde van de oorlog van Bert Natter resteert verbijstering, zelfs als je wel zo’n beetje weet wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog in de concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s gebeurde. De verbijstering geldt niet het einde, dat is min of meer bevredigend, maar je verzoenen met de menselijke soort is na het dichtslaan van het boek uitgesloten. Het kwaad is getoond in al zijn facetten.

    Het is 20 april 1945, en de verjaardag van de Führer. In een kamp ten noorden van Berlijn, waar tienduizenden vrouwen en een paar honderd mannen gevangen worden gehouden, vergast en verbrand, zal de verjaardag ’s avonds worden gevierd in de Kommandantur, het bureau van de kampleiding. SS-Obersturmführer en hoofdpersonage Karl Zehlendorf heeft een pianoconcert voorbereid, dat iets moet goedmaken van zijn al vroeg uiteen gevallen illusie om concertpianist te worden. Vanuit het westen naderen de Amerikanen en Canadezen, vanuit het oosten het Russische front. De gevechtshandelingen zijn in de verte te horen en komen langzaam naderbij. Dat en de ontknoping van wat er gebeurd is met Karls vermiste zoon Ernst zijn de twee rode draden van het verhaal.

    Vijanden van het Rijk

    De elfjarige zoon van Karl en Christine Zehlendorf heeft met zijn broer Reinhart gevist aan de oever van het meer. De jongens wonen in een villawijkje buiten het kamp en weten niet wat er binnen het ommuurde kamp gebeurt. Hun vader heeft verteld ‘dat veel mensen in het kamp slecht voor zichzelf zorgen, ze zijn vatbaar voor ziekten en genetisch minderwaardig (…) het zijn nauwelijks mensen, (…) oppervlakkig gezien lijken ze misschien op ons, maar in wezen zijn het parasieten, ongedierte – hun dood is de logische uitkomst van een natuurlijk proces’. Veel van het burgerpersoneel wordt wijsgemaakt dat de vrouwen ‘vijanden van het Rijk’ zijn. De SS’ers noemen hen gegenereerde zeugen, teven, hoeren, verderfelijke zwijnwijven, onnutte vrouwen, enzovoort.

    Het verslag – want dat is het – speelt zich af in vierentwintig uur, vanuit de perspectieven van 31 personages. Zij zijn gevangenen, bewakers, soldaten, officieren, of personeel uit het nabijgelegen stadje. In scènes van een paar regels tot een pagina kijken we door hun ogen vanaf de plek waar ze zich dan bevinden naar de gebeurtenissen, in aparte typografie aangekondigd. Zoals EMANUEL VOOR DE HOOFDPOORT; GISELE IN DE GASKAMER; RITA IN DE ARCHIEFRUIMTE; SUZIE IN LOODS 3 VAN HET BEUTEGUT-LAGER. Het lijkt op een toneelscript, alleen zitten we hier in het hoofd van de personages waardoor Natter het kampleven van alle kanten kan belichten. Omdat de scènes iedere keer ophouden om plaats te maken voor een volgende is elk stuk een cliffhanger. Tegelijkertijd vordert het verhaal tergend langzaam, aangezien gedachten en herinneringen van de personages worden geschetst als er nog niets gebeurt. 

    Reinhart komt thuis, Ernst niet. Verschillende mensen zien Ernst op verschillende momenten en plekken maar niemand praat erover. Christine gaat met dienstmeisje Annemarie zoeken, Karl denkt alleen aan zijn optreden. De Joodse tubaspeler en pianostemmer Menachem is er getuige van en ‘hoopt dat hij zich nooit van zijn leven meer in dat rokerige moordenaarshol hoeft te begeven. (…) ook al heeft Menachem er op een akelige manier van genoten eindelijk weer eens iets moois te horen, na al die jaren van geschreeuw en gekerm.’ Tijdens het feest komt het bevel tot ontruiming van het kamp. Alle bewijzen van wat daar gebeurde moeten vernietigd worden en de gevangenen moeten allemaal weg, voordat Russen of Amerikanen het kamp ontdekken. Ondertussen dringt het tot Karl door dat zijn jongste zoon echt wordt vermist. De lezer weet dan al lang wat er met hem is gebeurd.

    Nobelprijs en trots

    Met afstandelijke nauwkeurigheid beschrijft Natter de gruwelen. Zoals over Lucienne die uit haar barak wordt gehaald, in een vrachtwagen gezet, na uren rijden in een ander kamp een bad en schone kleren krijgt om daarna dagenlang te worden verkracht door gevangenen van de Freudenabteilung. Lothar haalt een blik zyklon B uit de voorraadkast, zet zijn gasmasker op, klimt het trapje naar het dak van de gaskamer op om het blik boven het luik te legen. Hij hoort het geschreeuw en gekreun. Als het front nadert zal hij met een andere SS’er in een van de mitrailleursnesten de MG42 moeten bedienen. 

    De Poolse, gezonde Iwona is een van de ‘proefkonijntjes’ van SS-Obersturmführer en arts Lance. Met een grote snijwond in haar been wil hij zien hoe wond en lichaam zich zonder verdere verzorging ontwikkelen. Hij is trots op zijn experimenteel ‘onderzoek’, droomt over de Nobelprijs voor fysiologie of geneeskunde. Als hij over vluchten denkt ‘kan hij alleen maar hopen dat zijn patiënten de oorlog niet overleven. Gelukkig zijn er voor hen veel manieren om te creperen: uitputting, verzwakking, gebrek aan schoon water, besmettelijke ziekten, bommen, kogels, ander geweld. Hoe dan ook zullen er niet veel getuigen overblijven.’ De hebzucht die altijd al in hem zal hebben gezeten uit zich in het slopen van gouden tanden en kiezen uit de monden van de lijken. 

    Karl is trots op zijn werk, de bouw van het kamp, de efficiënte werking van gaskamer en crematorium, al komen er ‘wagonladingen vrouwen bij’ die gaskamer en oven niet aankunnen. Hij is blijven geloven in de eindoverwinning, de opbouw van het Duizendjarige Rijk. Hij begrijpt dat het einde van de oorlog in zicht is, ‘maar het is het verkeerde einde’. ’s Nachts schijnt een zoeklicht over het meer, op zoek naar Ernst. Karl doolt verdwaasd rond. Als ’s ochtends de tankkanonnen vuren en alles verloren blijkt heeft hij kunnen deduceren wat er met Ernst is gebeurd. In een inmiddels besmeurd gala-uniform terug bij Christine en Reinhart neemt hij een onvermijdelijk besluit. 

    We zien de branie van SS-Scharführer Franz, de ontevredenheid van Christine, de naïviteit van chauffeur Herbert, de wreedheid van kampbeul Eva – nooit te beroerd om een vrouw met haar zilveren zweepje tot moes te slaan -, de gelatenheid van Szymon, de lafheid van SS-Sturmbannführer Hanns.

    De Russische sluipschutter Zmitser die voor de tanks uit het kamp verkent, tracht zijn angst te bezweren door Stalin te laten spreken. ‘(…) het gevangennemen van zo’n opperfascist zou een tot de verbeelding sprekende prestatie zijn. Het doden ook. Kameraad Stalin beweert dat je dan niet de lasten hebt, maar wel de lusten.’ 

    Banaliteit van het kwaad

    Veel van Natters personages zijn tussen de vijftien en vijfentwintig jaar, vertelt hij (interviews onder meer VPRO Boeken en RTV Baarn). Ze leefden onder een nazidictatuur, zoals een goed opgeleide arts, en leerden vanaf de kleuterschool al de rassentheorie van de nazi’s. Ze kenden alleen een antidemocratisch systeem waarin slechtheid werd beloond, met name in extreme omstandigheden. Hoewel Karl met zijn culturele gevoeligheid een voorbeeld is van Hannah Arendts banaliteit van het kwaad, maakt ook Natter niet inzichtelijk waar het moment zit dat een ‘gewoon iemand verandert in een slecht mens’. Hij begrijpt dat proces zelf ook niet, zegt hij. 

    Met zijn heldere zinnen, ieder treffend woord op zijn plaats, is Natter een geweldige schrijver en Aan het einde van de oorlog een magnifiek boek. De lezer is getuige van wat de personages meemaken, al doseert Natter de gruwelijkheden tot te behappen proporties. De vergelijking is eigenlijk laakbaar, maar het boek laat zich lezen als een thriller. Wat voor wie het nog niet begrepen had een goede manier is om de ijzingwekkende waanzin van oorlog tot zich te laten doordringen.

     

  • Niemand kent ooit iemand

    De Amerikaanse Elizabeth Strout (1956) is bekend van titels als Olive Kitteridge waarmee ze in 2009 de Pulitzer Prize for Fiction won, en van Ik heet Lucy Barton. Onlangs werd The Burgess Boys in het Nederlands uitgegeven. Op de achterflap van het boek staat te lezen dat De Burgess-broers ‘het ontbrekende puzzelstuk [vormt] in de geliefde Lucy Barton-serie’. Die blijkt uit in totaal zes delen te bestaan. De flaptekst zou lezers die niet bekend zijn met het werk van Strout ervan kunnen weerhouden om het boek te gaan lezen, in de veronderstelling dat er een bepaalde voorkennis vereist is, maar niets is minder waar.

    Het boek begint met een proloog in ik-perspectief waarin een ik (de schrijfster) en haar moeder het hebben over de familie Burgess, en dan met name over de kinderen Jim, Bob en Susan, die afkomstig was uit het slaperige plaatsje Shirley Falls in Maine. Deze familie heeft in het verleden een tragedie meegemaakt. Bob heeft namelijk toen hij vier jaar oud was zijn vader per ongeluk doodgereden met de auto, toen hij in een onbewaakt moment met de versnelling zat te spelen. De schrijfster en haar moeder zijn het erover eens dat het verhaal van de familie Burgess een ‘goed verhaal’ is voor een boek. ‘‘‘Ze zullen zeggen dat het niet aardig is om te schrijven over mensen die ik ken.” Mijn moeder was die avond moe. Ze gaapte. ”Ach, je kent hen niet,” zei ze. “Niemand kent ooit iemand.’’’

    Varkenskop

    En precies over die laatste zin gaat het in De Burgess-broers. In vijf delen beschrijft Strout in een alwetend perspectief een aantal maanden uit het leven van met name Jim en Bob Burgess. Zij hebben Shirley Falls al jaren geleden en tot hun grote vreugde achter zich gelaten. Jim is een succesvolle bedrijfsjurist geworden in Manhattan. Hij is getrouwd met Helen, die ten tijde van het boek gebukt gaat onder het legenestsyndroom vanwege het feit dat hun jongste kind is gaan studeren. Bob is minder succesvol dan zijn oudere broer. Hij is minder carrièregericht en werkt in de rechtsbijstand. Zijn vrouw heeft hem verlaten omdat hun relatie kinderloos bleef.

    De tweelingzus van Bob, Susan, is wel in Shirley Falls blijven wonen. Zij roept de hulp in van haar broers, omdat haar zoon Zachary een bevroren varkenskop door de voordeur van een moskee heeft gegooid tijdens het gebed in de ramadantijd. Er blijkt in Shirley Falls een grote Somali-gemeenschap neergestreken te zijn waarvoor het overwegend witte stadje niet altijd sympathie kan opbrengen. Het lukt de broers niet om helder te krijgen waarom Zachary dit haatmisdrijf heeft gepleegd. Sinds de scheiding van zijn ouders is de broodmagere jongen enorm in zichzelf gekeerd geraakt. De enige die hem enigszins doorgrondt is een vriendelijke vrouwelijke predikant.

    Verwachtingen

    De verwachtingen die zich bij de lezer ontwikkelen naar aanleiding van deze ingrediënten buitelen in het eerste deel nog ongelimiteerd over elkaar heen. In de delen die volgen worden alle elementen echter zonder uitzondering uitvoerig genuanceerd. Jim is inderdaad de gewiekste advocaat van wie je zou verwachten dat hij zijn neefje met allerlei slinkse juridische trucjes uit de gevangenis weet te houden. Maar Jim blijkt veel meer te zijn dan alleen dat en daardoor loopt alles net iets anders dan verwacht. Daarnaast blijkt Jim zijn hele leven al een ingewikkeld geheim met zich mee te dragen. Bob heeft zijn hele leven in de schaduw gestaan van zijn grote, knappe en succesvolle broer en aangezien zijn leven ooit al is begonnen met een fout lijkt het logisch dat hij een mislukkeling zal blijven. Hij heeft weinig verwachtingen van zichzelf en ook als lezer zit je lang op het spoor dat je met Bob de oorlog niet zult winnen. Ook dit personage krijgt in de loop van het boek steeds meer diepgang.

    Het is aangrijpend om te zien hoe de door afstand bekoelde relatie tussen de broers en hun zus zich na aanvankelijk wat stroeve weken toch verdiept. De invloed van de gebeurtenissen uit het verleden blijkt voor Jim, Bob en Susan groter te zijn dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden. De oplossing voor het incident met de door Zachary gegooide varkenskop komt uiteindelijk uit een onverwachte hoek.

    Vooroordelen

    De Burgess-broers is een boek waarin veel vooroordelen beschreven worden. De personages hebben onderling (voor)oordelen over elkaar, zowel positieve als negatieve. Hetzelfde geldt voor de gemeenschap waarin ze zich bewegen. Over en weer is er sprake van allerlei vooronderstellingen die Strout haarfijn fileert, zonder politiek correct te willen zijn en zonder oordeel. Daarvoor neemt ze haar tijd, de roman is met bijna vierhonderd bladzijden tamelijk dik en bij vlagen wat langdradig. Dat komt ook omdat Strout ervoor zorgt dat werkelijk ieder draadje zorgvuldig wordt afgehecht. Zelfs in de proloog zijn achteraf nog antwoorden te lezen op vragen die je na het lezen eventueel nog zou kunnen hebben. Als je een minpunt zou willen noemen van dit boek, dan is het dat alles grondig wordt voorgekauwd en uitgekauwd.

    Toch is het eindresultaat een verhaal dat onder je huid gaat zitten. De vlotte maar redelijk rechttoe rechtaan-stijl met veel dialogen zorgt ervoor dat je als lezer het gevoel krijgt aanwezig te zijn bij gesprekken. Je raakt behoorlijk begaan met de verschillende personages, zelfs met personages met wie je aanvankelijk weinig hebt. Je krijgt bijna de neiging om ze toe te spreken, vanwege het alwetend perspectief waardoor je als lezer soms meer weet dan de personages zelf. Het is ook een boek dat aanzet tot nadenken over je eigen standpunten en vooroordelen, omdat je ontdekt dat er een kern van waarheid zit in de stelling van de moeder van de auteur dat niemand ooit iemand kent. Toch komt haar dochter een eind in de buurt met het schrijven van De Burgess-broers, een boek dat zeker een uitnodiging is om de andere delen van de Lucy Barton-serie te gaan ontdekken.

     

  • Horror in het alledaagse

    In Een zonnige plek voor sombere mensen van Mariana Enriquez ontstaat de horror door het onverklaarbare: geesten en andere bovennatuurlijke verschijnselen dringen het dagelijks leven van de personages binnen zonder dat er duidelijke oorzaak of logica is. In twaalf verhalen lopen persoonlijke trauma’s, sociale misstanden en bovennatuurlijke verstoringen steeds verder door elkaar heen, tot oorzaak en gevolg nauwelijks te onderscheiden zijn. Het angstaanjagende zit hem in de herkenbaarheid van de situaties: omstandigheden zoals armoede, sociale druk, uitsluiting en eenzaamheid vormen het kader waarin de dreiging langzaam voelbaar wordt.

    Dat is zichtbaar in de openingsverhalen, waarin armoede, geweld en sociale ontwrichting de basis vormen voor het bovennatuurlijke. De geesten die verschijnen, doen geen recht aan morele orde en komen vaak bij personages die nauwelijks iets verkeerds hebben gedaan. Juist die willekeur maakt het kwaad voelbaar en realistisch: het weerspiegelt een wereld waarin lijden zonder logica of rechtvaardigheid wordt verdeeld. Door het bovennatuurlijke zo te verbinden aan sociale ongelijkheid, doorbreekt Enriquez het klassieke horroridee dat angst uiteindelijk altijd betekenis, orde of vergelding onthult.

    Ondermijnd door lijden

    Ook in ogenschijnlijk gewone situaties laat Enriquez zien hoe het alledaagse ongemerkt wordt ondermijnd door lijden. In het verhaal over tweedehands kleding zijn jurken en sieraden geen actieve bedreigingen, maar dragers van pijn, ziekte en aftakeling van eerdere eigenaars. De dreiging zit niet in wat de kleding doet, maar in wat het meedraagt: de ervaringen van anderen drukken zich bijna tastbaar op de nieuwe drager af.

    Die stille overdracht maakt het verhaal verontrustend. De angst sluipt langzaam binnen en manifesteert zich in het lichaam: de kleding zit strak op de huid, veroorzaakt ongemak en confronteert de drager met andermans verlies. Enriquez laat zien dat consumptie nooit volledig onschuldig is; wie iets overneemt, neemt ook sporen van een ander leven mee. Het vertrouwde alledaagse verliest zijn neutraliteit en verandert in een bron van spanning en ongemak.

    Diezelfde strategie keert terug in verhalen waarin ruimtes centraal staan: vervallen buurten, afgelegen kustplaatsen of kleine steden met een beladen verleden. Enriquez laat deze plekken niet enkel als decor functioneren, maar als actieve krachten die gedrag en ervaringen sturen. Personages raken verstrikt in een omgeving die herinneringen bewaart en eerdere vormen van geweld reproduceert, waardoor het verleden letterlijk op hen terugvalt. Het bovennatuurlijke manifesteert zich hier als ruimtelijk geheugen. Gebeurtenissen en trauma’s laten zich niet begraven en dwingen confrontatie van wie er nu leeft. Zo toont Enriquez hoe omgeving, geschiedenis en collectief lijden onlosmakelijk verbonden zijn, en hoe horror ontstaat uit de invloed van plaats op mensen.

    Waar komt het kwaad vandaan?

    Thematisch richt de bundel zich op marginaliteit en lichamelijkheid. In verschillende verhalen koppelt Enriquez psychische instabiliteit aan fysieke aftakeling of transformatie, zonder dit volledig te verklaren. In een opvallend verhaal moet een vrouw een vleesboom laten verwijderen voordat deze mogelijk tot kanker uitgroeit, maar ze vindt een manier om het lichaamselement elders voor zichzelf te gebruiken, waardoor ze opnieuw verbinding voelt met haar lichaam. Soms blijft onduidelijk of ervaringen voortkomen uit ziekte, trauma of een externe, bovennatuurlijke kracht. Door deze ambiguïteit te behouden, dwingt Enriquez de lezer beide mogelijkheden naast elkaar te laten bestaan, waardoor de spanning verschuift van directe angst naar onzekerheid over lichaam en kwetsbaarheid zelf.

    Die openheid vormt tegelijk de kracht en een mogelijke zwakte van de bundel. Veel verhalen eindigen abrupt, op het moment dat een verklaring lijkt te naderen. In de sterkste verhalen, bijvoorbeeld wanneer een personage een ondefinieerbare dreiging voelt, versterkt dit het besef dat kwaad structureel en niet tijdelijk is. In andere verhalen blijft de techniek minder overtuigend, waardoor sommige intrigerende ideeën onvolledig blijven en de lezer eerder gefrustreerd dan geïntrigeerd achterblijft.

    Herhaling of versterking van haar stijl?

    Door de bundel heen blijft de spanning voelbaar. Terugkerende motieven, zoals geesten van vergeten doden, gewelddadige sociale omgevingen, lichamelijke ontregeling, folklore en spiritisme, scheppen interne samenhang, maar kunnen soms het gevoel van herhaling geven. Verhalen volgen vaak een beweging van realisme naar ontregeling, waarbij niet elk verhaal een nieuwe dimensie toevoegt.

    Stilistisch overtuigt Enriquez. Haar proza is zintuiglijk en doelgericht; ze besteedt veel aandacht aan tastzin, geur en lichamelijk ongemak. Zo blijft maatschappelijke thematiek concreet. Armoede, geweld en uitsluiting zijn voelbaar, bijvoorbeeld in de aftakeling van een veel te jonge vrouw. Horrorscènes functioneren als analyse van een gewelddadige en arme samenleving, niet als ontsnapping aan de werkelijkheid.

    Een zonnige plek voor sombere mensen is geen gemakkelijk toegankelijke bundel. Wie enkel schokkende horror verwacht, kan teleurgesteld raken. Wie echter bereid is ambiguïteit te accepteren en herhaling als stilistische keuze te zien, ontdekt een bundel die consequent en compromisloos een somber portret van de wereld schetst. Hier is kwaad geen uitzondering, maar een toestand. Dat maakt de verhalen ongemakkelijk en onvergetelijk.

  • Metamorfoses van verdriet

    De debuutroman Prooidier van Irene Wiersma draait om drie personages: Kirsten, haar vriend Berend, en Rudi: de man op wie ze hopeloos verliefd wordt en haar de figuurlijke afgrond in helpt. Er ontstaat een toxische relatie tussen Rudi en Kirsten, maar de relatie tussen haar en Berend is ook niet liefdevol. De twee mannen sturen haar continu en er is weinig ruimte voor Kirstens eigen behoeftes en gevoelens. Haar onzekerheid laat haar bij beide mannen blijven, en haar zelfbeeld brokkelt steeds verder af. Totdat er bijna niets meer van over is. Ze leeft haar leven ‘angstig ineengedoken, zoekend naar verlossing in de armen van anderen’.

    Kirsten is een jonge, net afgestudeerde muzikante. Ze benadert de oudere Rudi, een bekende popartiest, om te vragen of hij haar wil helpen met haar debuutalbum. Hij stemt toe, maar al gauw blijkt dat hij andere bedoelingen heeft. Hij zuigt haar mee in zijn wereld, accepteert geen ‘nee’. Hij betwijfelt elke keuze die Kirsten maakt en beïnvloedt haar zodanig dat het lijkt alsof haar hele identiteit vervormt. Ze smelt bij Rudi, vergeet bijna wie ze is. Haar gevoelens voor hem zijn zo intens dat alles ervoor moet wijken. Er ontstaat een destructieve driehoeksverhouding, waarbij Kirsten zichzelf steeds meer verliest.

    Afgebrokkeld zelfbeeld

    Tussen Kirsten en Berend vormt zich ‘een barrière van onbegrip.’ Ze geeft toe verliefd te zijn op Rudi en daarmee jaagt ze Berend behoorlijk in het harnas. Hij lijkt haar te willen kneden tot een persoon die ze niet is. Onder het mom dat hij het beste met haar voorheeft, lijkt Berend in sommige opzichten nog dominanter dan Rudi. Kirsten incasseert een bijna constante stroom van beledigingen en woedeaanvallen van Berend, haar twintig jaar oudere vriend.   Hij had qua leeftijd haar vader kunnen zijn, en zo behandelt hij haar ook regelmatig. Op enig moment komt hij haar halen alsof ze een stout kind is: ‘Jas aan, nu, ik breng je naar je ouders. […] Ik vroeg je niets, ik zei: jas aantrekken’. Hij controleert alles, alsof ze zijn eigendom is. Dit neemt zulke heftige vormen aan dat Kirsten op een gegeven moment haar telefoon en laptop aan hem moet geven zodat hij alle inkomende berichten kan lezen. De rode vlaggen lijken ook bij deze man eindeloos. ‘Mijn adem stokt, ik krimp tot formaat Duimelijntje’. Ook hier is geen sprake van liefde en hij dwingt Kirsten in allerlei bochten en tot seks. Haar schuldgevoel richting Berend neemt buitenproportionele vormen aan en laat haar bij hem blijven en hem zijn gang gaan, terwijl ze eigenlijk los zou moeten komen van beide mannen. Kirsten neemt zich dit vooral steeds zelf kwalijk.

    Vervorming naar de ander

    Het afgebrokkelde zelfbeeld van Kirsten is op meerdere plekken terug te lezen. Niet geheel toevallig zijn er verwijzingen naar De gedaanteverwisseling van Kafka. Kirsten lijkt enkel nog te bestaan in de schaduw van anderen, en transformeert en vormt zich tot een vreemd wezen: ‘Als een levend accessoire’. Alsof ze haar omgeving nodig heeft om zichzelf te definiëren. Kirsten vormt zich naar de persoon die ze voor zich heeft; Rudi en Berend bepalen haar wisselende identiteit. ‘Ik verander in een fluorescerende cartoonversie van mezelf.’ Even later is te lezen: ‘De strelingen van Rudi’s vingertoppen reduceren me tot een graatloos wezen’.   Ook in de vele liefdeloze seksscènes tussen Rudi en Kirsten is dit terug te lezen. ‘Haast teder vouwt hij me open en neemt me; alles draait om hem, precies zoals het moet zijn – de bekende degradatie tot gebruiksvoorwerp’.

    De objectiverende woordkeuzes, waarin ze zichzelf of haar lichaam degradeert tot een ding,   zijn door het hele verhaal te lezen en laten zien dat Kirstens gevoelswereld en eigenwaarde steeds verder aftakelen. Haar emotionele afhankelijkheid wordt daarmee ook fysiek beleefd. Kirsten gaat uiteindelijk in therapie en vindt zichzelf terug. Ze breekt zowel met Rudi als met Berend en krijgt een nieuwe relatie met Vincent. Die relatie is wel liefdevol, en ze verlangt ‘niet langer naar het kruipen over de bodem, naar het schaven van mijn knieën bij het aanbidden van een defect persoon.’ Hoewel ze getekend is voor de rest van haar leven, krijgt het verhaal hiermee toch een geruststellende afsluiting.

    Een literaire traktatie

    Wiersma trakteert de lezer op een prachtig taalspel. Zinnen als ‘de lamellen voor de ramen snijden de zomeravond aan repen; verlangend gluur ik naar de lucht achter het glas, naar het laatste restje licht dat gloeit aan de horizon’ laten de lezer, ondanks het zware thema, genieten van de luchtige tussenstukken. Het kost daardoor geen moeite om begrip te krijgen voor Kirsten. Hoe onzekerheid onder de huid kan kruipen, en iemand kan vervormen en van zichzelf kan vervreemden. Hoe vatbaar iemand dan kan zijn voor een ander, die een persoon kneedt tot een ding dat hij of zij amper herkent. Wiersma heeft de complexiteit van zulke gevoelens en relaties prachtig beschreven. Rauw, ongefilterd en niet te overdreven. Een indrukwekkend debuut, en een aanwinst voor het literaire landschap.

     

     

     

  • Op zoek naar inspiratie in Beiroet 

    Naar Beiroet is de zevende roman van Gerrit Brand (1956). Hoofdpersoon van deze roman is Edgar Laseur die een galerie heeft in de stad Groningen en op zoek is naar nieuwe inspiratie. Zijn vriend Arthur van den Berg is arabist en wijst Laseur op Libanon als ideale springplank naar het Midden-Oosten. Daar kan hij vast wel inspiratie opdoen en werk van interessante schilders vinden. De internationale kunstmarkt wordt immers steeds meer door rijke oliesjeiks beheerst. Van den Berg weet ook nog iemand die Edgar wegwijs kan maken in de hoofdstad van Libanon, namelijk de persfotograaf Fatima die van de alwetende verteller geen achternaam meekrijgt.

    Das gelobte Land

    Laseur reist af naar Beiroet. Hij hoopt er niet alleen een schilder te vinden die zijn galerie een nieuwe impuls kan geven, maar is ook op zoek naar een impuls in zijn eigen leven. Na 7 oktober 2023 ziet hij een groep jongens die zwaaien met Palestijnse vlaggen en luid juichen. Free Palestine hoort hij hen roepen. Het zijn aanhangers van Hezbollah die blij zijn dat Hamas Israël te grazen heeft genomen, in de eufemistische woorden van Fatima.

    Tijdens zijn reis leest Laseur de roman Das gelobte Land (Het beloofde land) van Erich Maria Remarque die vooral bekend is geworden door zijn roman Im Westen nichts Neues. De vlucht van Joodse vluchtelingen voor de naziterreur uit Das gelobte Land spiegelt Laseur aan het lot van de Palestijnse vluchtelingen voor de Israëlische bombardementen. Het boek van Remarque biedt daardoor een mooie allegorie op de huidige situatie in het Midden-Oosten.

    Eyeless in Gaza

    Laseur moet tijdens zijn verblijf in Libanon ook denken aan een andere roman: Eyeless in Gaza van Aldous Huxley. De titel refereert aan Simson met de lange haren uit de Bijbel, een Jood met bovenmenselijke krachten. God waarschuwt hem: als zijn haar wordt afgeknipt, verliest hij zijn kracht. Simson valt voor de Filistijnse – zeg maar: Palestijnse – Delila, die achter zijn geheim komt en zijn haar afknipt terwijl hij slaapt. Ze levert hem uit aan de Filistijnen die zijn ogen uitsteken en hem gevangen zetten in Gaza. Vandaar de titel van de roman van Huxley: Eyeless in Gaza. In Gaza begint zijn haar weer te groeien en wanneer hij meegenomen wordt naar de tempel van een Fenicische god, vraagt hij of hij even mag uitrusten tussen de steunpilaren. Daar bidt hij tot God en vraagt aan Hem of hij zijn kracht terug kan krijgen. God vervult zijn wens en vervolgens duwt Simson de steunpilaren uit elkaar waarop de tempel instort. Hij komt samen met de Filistijnen om het leven.

    Het boek van Huxley spiegelt niet alleen de huidige situatie in het Midden-Oosten, maar ook de eigen positie van Laseur. Is hij niet blind geweest voor het lijden van de Palestijnen en is hij niet als blindeman op zoek gegaan naar de zin van het leven?

    Kantelend perspectief

    Fatima neemt Laseur mee naar demonstraties (omdat ze daar foto’s moet maken) en laat hem de verwoestingen na de Israëlische bombardementen zien. Laseurs westerse en pro-Israëlische opvattingen kantelen omdat hij via haar Libanon leert kennen en de geschiedenis van dat land beter leert begrijpen. Zijn zoektocht naar een spraakmakende schilder gaat door en door bemiddeling van Fatima maakt Laseur kennis met de schilder Balsam Aridi en hij koopt haar werk voor zijn galerie. Wanneer de dreiging groter wordt, geeft hij gehoor aan het negatieve reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en keert hij terug naar Groningen.

    Vernissage

    Terug in zijn galerie exposeert Laseur de schilderijen van Aridi. De Libanese ambassadeur komt de expositie zelf openen. Dat is natuurlijk mooi, maar misschien ook wat onwaarschijnlijk daar op de schilderijen wonderlijke voorstellingen van open vulva’s, rechtopstaande en hangende penissen (doorboord of afgebonden) te zien zijn. Of geeft dit blijk van vooringenomenheid en een westerse blik op een land dat voor de helft uit Moslims bestaat? Op de vernissage is ook één zwarte man aanwezig, Kofi Tsiboe uit Ghana. Hij zegt: ‘Zolang je als buitenlander kunst maakt en je aangepast gedraagt is er niets aan de hand. Als er maar niet te veel van jouw soort het land inkomen.’ Zo eindigt de boeiende roman een tikje moralistisch. Het is een indringend verhaal, niet zozeer door de belevenissen van de hoofdpersoon die op zoek is naar inspiratie, maar door de lotgevallen van de vrouwen in Libanon die zwaar te lijden hebben onder oorlog en geweld.

  • Een naakte wolrat en de waarde van de aarde

    Een van de meest opvallende boeken van het voorbije jaar is ongetwijfeld Grondwerk van de Vlaamse auteur Tijl Nuyts. Dit debuut stond op de shortlist van de Boekenbonliteratuurprijs en staat ook nog op de longlist van de Boon-literatuurprijs 2026.  Met Grondwerk debuteert Nuyts als romanschrijver, nadat hij eerder bekend werd als dichter. Nuyts werd geboren in 1993 in Istanboel en woont en werkt in Brussel, een stad die ook in deze roman een belangrijke rol speelt. Als dichter kreeg hij al veel erkenning: zijn bundel Vervoersbewijzenwerd bekroond met de Herman de Coninckprijs. Zijn poëtische achtergrond is duidelijk merkbaar in Grondwerk. Het boek is geen klassieke roman, maar een verhaal dat elementen van fabel en maatschappijkritiek combineert, waarbij taal en beeld centraal staan.

    Het verhaal speelt zich grotendeels af onder het Brusselse Vaderlandsplein. In een ondergronds gangenstelsel wacht een naakte molrat op instructies voor een missie. Zij vertelt het verhaal en kijkt vanuit haar leefwereld naar de mensen boven haar. Geleidelijk aan sluit ze vriendschap met een mens die haar woorden opschrijft. Zo ontstaat een dialoog tussen mens en dier. Tegelijk verschijnen er in Brussel steeds meer zinkgaten, waardoor delen van de stad letterlijk beginnen in te storten. Deze gebeurtenissen vormen geen klassieke plot, maar zijn vooral betekenisvolle beelden van instorting en kwetsbaarheid.

    Klimaatroman

    Een belangrijk thema in Grondwerk is het klimaat en de relatie van de mens met de aarde. De zinkgaten symboliseren een bodem die haar draagkracht verliest door misbruik en verwaarlozing. Nuyts laat zien dat ecologische problemen niet plotseling ontstaan, maar het resultaat zijn van lange tijd genegeerde keuzes. De aarde lijkt letterlijk terug te slaan. Het ondergrondse perspectief benadrukt hoe weinig aandacht mensen hebben voor de fundamenten onder hun voeten, terwijl juist die basis alles mogelijk maakt. De klimaatopwarming laat overal haar sporen na: het verhaal van de oorspronkelijke heimat van de molrat illustreert dit duidelijk.

    De naakte molrat is het centrale personage. Ze leeft in een gemeenschap waarin samenwerking en het welzijn van de groep centraal staan. Vanuit dat standpunt kijkt ze kritisch naar de menselijke samenleving, die volgens haar te individualistisch is en te weinig rekening houdt met de omgeving. Ze ziet de aarde als iets levends, niet als een bron die je kunt gebruiken en achterlaten. Het menselijke personage blijft bewust vaag uitgewerkt. Het is een activist die tracht zaken in beweging te brengen, maar daar hopeloos in faalt. Hij staat voor de mens die voelt dat er iets misloopt, maar niet goed weet hoe dit te veranderen. Door deze keuze verschuift de focus van persoonlijke emoties naar grotere maatschappelijke vragen.

    Poëtisch

    De stijl van Grondwerk is beïnvloed door poëzie. Nuyts schrijft in korte, beeldrijke zinnen en herhaalt bepaalde motieven zoals grond, instorting en verbondenheid. Het verhaal springt tussen observaties en gedachten. Dit maakt het soms uitdagend, maar ook rijk aan betekenis. Het klimaatthema wordt niet uitgelegd met cijfers of feiten, maar door beelden en symbolen, waardoor de lezer actief moet nadenken over de boodschap. De afwisseling in hoofdstukken tussen het leven in Brussel en de herkomst van de molrat maken het geheel bijzonder vlot verteerbaar.

    De roman is bijzonder relevant in een tijd waarin klimaatverandering steeds zichtbaarder wordt. Grondwerklaat zien dat ecologische problemen verbonden zijn met politieke en sociale keuzes. Door Brussel, het centrum van macht en besluitvorming, te laten verzakken, suggereert Nuyts dat systemen hun basis verliezen als ze geen rekening houden met de aarde. Het boek stelt de vraag of vooruitgang mogelijk is zonder zorg voor de omgeving en of een andere manier van samenleven mogelijk is.

    Grondwerk leest bijzonder vlot, maar toch kunnen enkele kanttekeningen gemaakt worden. De originaliteit van het verhaal en het gekozen perspectief zijn bijzonder en vormen ook de sterkte van het boek. De molrat als verteller biedt een frisse blik op de mens en zijn omgang met de aarde. Ook de samenhang tussen klimaat, samenleving en verantwoordelijkheid is goed uitgewerkt. Daartegenover staat dat het boek weinig actie bevat en soms te abstract blijft. Lezers die een duidelijk verhaal met herkenbare personages verwachten, kunnen hier moeite mee hebben, maar het is ongetwijfeld een gedurfd debuut dat aanzet tot nadenken over onze relatie met de aarde. Door zijn rustige tempo en beeldrijke taal blijft het boek lang nazinderen en maakt het de lezer bewust van wat vaak verborgen of vergeten blijft.

     

  • Waar het juist om uitstellen gaat

    Sunzi, De kunst van het oorlogvoeren is een van de internationaal bekendste werken van de klassieke Chinese literatuur. Het is vele malen vertaald. Maar nu pas is er de eerste Nederlandse vertaling rechtstreeks uit Chinees, van de hand van Mark Leenhouts die in 2025 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs kreeg.

    Diverse Wikipedia-pagina’s, in niet minder dan 111 talen, weerspiegelen de bekendheid van het boek. De Franse Wikipedia meldt dat de eerste Europese editie in het Frans verscheen, in 1772. De Duitse Wikipedia somt tien Duitse vertalingen op, de Japanse Wiki noemt een dozijn Japanse vertalingen. De Engelse pagina vat de positie van boek en auteur goed samen: ‘Sun Tzu (Sunzi) wordt traditioneel beschouwd als de auteur van een klassiek Chinees werk over militaire strategie, uit de periode tussen de vijfde en derde eeuw voor onze jaartelling die bekend staat als de Strijdende Staten. Sun Tzu wordt in de Chinese en Oost-Aziatische cultuur vereerd als een legendarische historische en militaire figuur; zijn historische bestaan ​​is echter onzeker.’ Het artikel geeft een aansprekend voorbeeld uit de traditionele biografie op Sunzi. ‘Koning Wu ontbood Sun Tzu naar het paleis en vroeg hem zijn bekwaamheid te demonstreren door de koninklijke harem van 180 concubines tot soldaten op te leiden. Sun Tzu wees twee concubines die het meest in de gunst van de koning stonden, als commandanten aan. Hij gaf hen vervolgens bevelen, maar ze barstten in lachen uit. Tot ontzetting van de koning liet Sun Tzu de twee concubines executeren. Daarop gingen de andere “soldaten” zich onmiddellijk gedragen. En de koning benoemde Sun Tzu tot generaal.’

    Verschillende soorten strijders

    De Spaanse Wiki zegt dat Sunzi het handboek was voor de shoguns en generaals die vanaf de achtste eeuw Japan tot een eenheid smeedden. Het Engelse Wiki-artikel vermeldt dat twintigste-eeuwse leiders zoals Mao Zedong en Ho Chi Minh, net als Amerikaanse generaals inspiratie uit het boek hebben gehaald. De Franse Wikipedia stelt dat Sunzi werd gebruikt door de FARC-guerrilla’s in Colombia, zoals in hun aandacht voor inlichtingen, spionage en misleiding. ‘De invloed van Sun Tzu op deze revolutionaire bewegingen nam aanzienlijk toe via China, dat in de jaren zestig en zeventig de geschriften van Sun Tzu in het Spaans vertaalde en er voor zorgde dat ze in heel Latijns-Amerika werden verspreid om communistische strijders te steunen.’ Het Chinese Wiki-artikel stelt dat Sunzi vandaag de dag ‘verplichte lectuur is voor senior managers in veel Japanse bedrijven’, ‘frequent wordt aangehaald in juridische geschriften over onderhandelings- en processtrategieën’, ‘wordt bewonderd door de hoofdcoach van de Amerikaanse football-liga’, ‘door de coach van de Braziliaanse voetbalbond is gebruikt om het WK 2002 te winnen’ en ‘is meegenomen door illegale Chinese emigranten die bang waren in het buitenland gepest te zullen worden’.

    Zelfstandigheid

    Geen van de artikelen op Wikipedia evenaart de kwaliteit van de inleiding plus uitgebreide toelichting per hoofdstuk van vertaler Mark Leenhouts. Leenhouts’ eerste constatering is dat De kunst van het oorlogvoeren, het oudste traktaat over oorlogvoering uit de wereldliteratuur, in feite de kunst behelst om het oorlogvoeren zo lang mogelijk uit te stellen. Er klinkt geen wapengekletter, er wordt geen bloed vergoten, we zien geen verheerlijking van geweld of heldendaden. Als er iets is wat Sunzi’s krijgskunst typeert, is het: verstandig zijn: ‘Bespaar kracht, middelen en mensen, bespaar volk en land, leed en ontwrichting.’ Historici, schrijft Leenhouts, zijn het er al lang over eens dat er achter ‘meester Sun’ een collectief van schrijvers moet schuilgaan. De relatief kleine legers van het verleden, waarin strijdwagens de voornaamste rol speelden, zwollen rond 500 v.Chr. aan tot vijftigduizend tot soms tweehonderdduizend man voetvolk. Dat had alles te maken met de verbreiding van het ijzer. Daarmee konden scherpere en hardere wapens worden gemaakt dan in de voorafgaande bronstijd, en bovendien op grotere schaal. Meester Suns tekst moet tot stand zijn gekomen in de late vierde en vroege derde eeuw.

    Vertaling

    De vertaling is geen geringe klus, mede omdat de overlevering nogal wat varianten heeft opgeleverd. En soms lijkt de aansluiting van de delen te rammelen. De historische tekstvergelijking is een voortgaand proces. Zo werd in 1972 in een koningsgraf de vooralsnog oudst bekende versie ontdekt, gekalligrafeerd op bamboelatjes uit de tweede eeuw v.Chr.. Die versie bevat een paar niet eerder bekende tekstdelen, die echter zo fragmentarisch en onvolledig zijn dat ze voornamelijk als ondersteunend materiaal konden dienen.

    Er is in Sunzi’s werk veel invloed van het taoïsme bespeurbaar, de ‘zachte kracht’ van de natuur. De aantrekkelijkheid van het boek zit ‘m in de beknoptheid en de aforistische stijl. De kunst van het oorlogvoeren is een sterk gestileerde tekst met veel parallellie en herhaling, en een welhaast poëtisch gebruik van klank en ritme. De hoofdstukken hebben pregnante titels. Onder ‘Inschattingen’ schrijft meester Sun: ‘Als het terrein van leven en dood, de weg naar behoud of ondergang, kan die zaak niet zorgvuldig genoeg worden bekeken. Maak daarom uw eerste beoordelingen aan de hand van vijf hoofdzaken, uw verdere afwegingen aan de hand van zeven inschattingen, en verschaf uzelf zo inzicht in de situatie tussen de partijen.’ Onder ‘Slag leveren’ zet Sunzi uiteen dat dat fysieke strijd zoveel mogelijk vermeden moet worden: pas als men niet de plannen van de vijand kan verijdelen, niet zijn bondgenootschappen met andere generaals kan verstoren, komt het leveren van een veldslag of, ‘als laatste redmiddel’, het belegeren van een vesting in zicht. Het hoofdstuk ‘De negen terreinen’ gaat over de inzet van spionnen. ‘Plaatselijke spionnen worden geworven onder de onderdanen van de vijand. Interne spionnen worden geworven onder de ambtsdragers van de vijand. Dubbelspionnen worden geworven onder de spionnen van de vijand. Dode spionnen zijn eigen spionnen voor wie wij opzettelijk valse inlichtingen naar buiten brengen, opdat zij die doorgeven aan spionnen van de vijand. Levende spionnen zijn degenen die met inlichtingen weten terug te keren.’

    Wie de Chinese tekst kan lezen, ziet overal de mooie blokjes tekst waarin met heel weinig karaktertekens zoveel wordt verteld. Geen westerse vertaling kan dat echt recht doen. Maar met zijn beknopte zinnen en probate commentaar is het Mark Leenhouts gelukt optimaal de stijl en strekking van het origineel over te brengen.

     

  • Vragen zonder antwoorden

    Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en debuteerde in 1997 met zijn bundel Nooit zonder de paarden. Zijn vierde bundel, Groter dan de feiten, werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2008. In 2016 ontving hij de Jan Campertprijs voor de dichtbundel Seizoensroddel. Met het in de bundel Het verkeerde hart (2022) opgenomen gedicht `Ik bel mijn moeder’ won hij de Melopee Poëzieprijs van 2020.

    De tiende bundel van Jan Baeke geeft in de titel al aan dat er in het leven gebeurtenissen zich voordoen waar we allemaal tegenaan zullen lopen. Het woord ‘Die’ duidt erop dat iedereen wel weet welke dat zijn, daarom hoeven ze niet nader benoemd te worden. Zoals het glas water op de foto van de omslag onherroepelijk van tafel zal vallen, zullen ziekte, ouderdom en dood ons allen ten deel vallen. Zoals de dichter zelf zegt: ‘Naar binnen gaan en buiten zingend mooier maken jezelf of de wereld vergeten/ niet kunnen vergeten en daarom die onrust die melancholie die verslagenheid/ die onvermijdelijkheden.’

    Beheersing van de realiteit

    Baeke werpt in zijn gedichten vele vragen op, maar antwoorden worden niet gegeven, niet aan de lezer, maar waarschijnlijk ook niet aan hemzelf. Daarom probeert hij door middel van de taal de werkelijkheid naar zijn hand te zetten en met de verbeelding van zijn poëzie de realiteit te beheersen. De raadsels die hij de lezer voorlegt, tracht hij zelf ook nog steeds op te lossen. Fundamentele vraagstukken zijn het, mysteries die aan grote gevoelens raken. Op filosofische wijze gaat Baeke ermee om, zonder evenwel tot een slotsom te komen.

    Omdat zowel verbeelding als realiteit niet voor iedereen hetzelfde zijn, kunnen er talloze interpretaties aan de gedichten gehangen worden, afhankelijk van hoe je ernaar kijkt. Maar door hun meerduidigheid worden dezelfde gedichten niet gemakkelijker om te begrijpen.

    Baeke kijkt naar de hem omringende wereld vanuit steeds andere ogen van veel verschillende personages, waardoor het niet altijd eenvoudig is om te bepalen wie er aan het woord is als de dichter spreekt van ‘ik’. De personages zijn niet duidelijk gedefinieerd, ze praten veel en door elkaar, hun gesprekken en monologen lijken fragmenten zoals wanneer er mensen langs je lopen, van wie je enkel een paar zinnen opvangt waarvan je de context niet kent. Baeke geeft een stem aan soldaten in Oekraïne, aan treinreizigers, aan tienermeisjes, aan bootvluchtelingen, aan misdadigers. Hij laat hen vertellen hoe ieder van hen een wereld voor zichzelf tracht te scheppen, hoe ze zich staande weten te houden.

    Onderdompelen en laten meevoeren

    De gedichten doen denken aan een licht absurdistische film, waarvan je de eerste helft niet gezien hebt en uit de dialogen van de vele spelers moet je het verhaal zien op te maken. Analyseren heeft voorlopig geen nut, je kunt je het beste onderdompelen en je laten meevoeren door de stroom van taal die over je uitgestort wordt.

    ‘Van belang is niet wat ik kan voelen, van belang is
    dat in datzelfde labyrint mijn dromen wonen
    verdeeld over hoofdstukken waarin lichamen opduiken
    die niet bij de namen horen waaraan je ze herkent
    labyrinten van leem waar ik keer op keer in verdwaal.

    Gesprekken domineren en hoewel ze tot de nacht behoren
    brengen ze geen geluid voort, verdwijnen ze terug
    naar die oneindige voorraad gebeurtenissen
    die mij iets willen vertellen.’

    Van de vier afdelingen van deze bundel is de derde de meest toegankelijke. Een zwarte bladzijde gaat vooraf aan de gedichten die geschreven zijn ‘Bij de dood van mijn geliefde, Marrigje de Bok [1965-2021]’. Dood, een van de onvermijdelijkheden waar we allemaal mee te maken krijgen, laat geen ruimte vrij voor meerdere duidingen:

    ‘even dacht ik
    als ik de wereld erna ervoor gekend had
    dan had ik alles in de warmte gestopt en in die warmte de aanraking
    kleine en grote woorden
    een misschien haperende maar ontroerende melodie
    wat zou ik hebben geruild voor je aanraking?

    De relativerende filosofische benadering waarmee Baeke andere onvermijdelijkheden aanpakt, moet het hier afleggen tegen de rauwe verslagenheid. Baeke laat hier een ‘ik’ zien dat heel dicht bij ons staat, dat ieder van ons zou kunnen vertolken, omdat verdriet, verlies en desillusie universeel zijn. Hier is geen plaats voor vrijblijvendheid of objectieve observaties, hier geldt alleen de rauwe werkelijkheid.

    Filmische fragmenten

    Maar Baeke is op zijn best in de vierde afdeling, De toekomst is een terughoudende minnaar, waarin hij in filmische fragmenten een verhaal vertelt bij monde van een jonge vrouw, die terugkijkt op haar jeugd, haar ouders, een liefdesrelatie. Niets is duidelijk omlijnd, het verhaal kan alle kanten op en maakt sprongen in de tijd. Algemeenheden worden afgewisseld met persoonlijke herinneringen. De indruk die achterblijft is er een van eenzaamheid, teleurstelling en onbegrepen zijn. Maar de taal waarin alles plaatsvindt, is hallucinerend, als in een koortsdroom, en doet een overtuigend beroep op begrip.

    ‘Wetenschap, natuur versus opvoeding, bij de sloot wegblijven
    zei mijn moeder, niet zomaar de weg oversteken
    het leven is te groot voor ons.

    Iedereen heeft een moeder, die bij het station een schepper
    en een heel rek folders.

    Iedereen getuige van het lijden, van de onvoorspelbare medemens
    het bestaan van anderen om je heen onveilig vinden.
    Moeder, moeder, maker, maker, kom met regels en de zweep.

    De complexe poëzie van Baeke is op zijn minst intrigerend, op zijn best onontkoombaar. Geen gedichten die als hapklare brokken worden aangeleverd, maar waar de lezer zelf nog moeite voor moet doen.

     

     

  • Wat moeten wij van Edmund vinden?

    In Het Italiaanse meisje laat Iris Murdoch haar hoofdpersoon Edmund, een zoon die zijn familie is ontvlucht, terugkeren naar zijn ouderlijk huis voor de begrafenis van zijn moeder. Edmund is grafeur en zijn broer, Otto, steenhouwer. Deze laatste woont nog altijd thuis, met zijn vrouw en tienerdochter. En dan zijn er nog de broer en zus in het tuinhuisje, David en Elsa Levkin, Russische joden die hun land zijn ontvlucht, en de eerder gestorven vader wiens aanwezigheid nooit helemaal verloren is gegaan. Vijf levende personages, twee dode en… het Italiaanse meisje, de zoveelste in een rij van meisjes: dienstbode, kindermeisje en meer! 

    Een titel die werk verricht

    Misschien het meest fascinerend aan Het Italiaanse meisje is de titel. Het meisje, Maggie, allang geen meisje meer, wordt pas op pagina 22 terloops geïntroduceerd en dan ook nog als de laatste van vele meisjes. Daarna duurt het twintig pagina’s voor ze opnieuw wordt genoemd en ook hier staat niets echt opzienbarends, een patroon dat zich nog meermaals herhaalt. En toch, die titel! Er moet iets met Maggie zijn, maar wat? De spanning die zo ontstaat weet Murdoch vakkundig uit te buiten. Het geeft het verhaal, een familieroman vol psychologische verwikkelingen, een extra dimensie, een dreiging bijna zelfs. Wat houdt Murdoch achter? Wat staat de personages en de lezer te wachten? 

    Zelfverachting

    Het Italiaanse meisje is een boek dat zich leent voor leesclubs. Dit betekent niet dat je iets mist als je het zelf leest, maar met anderen is het wellicht net iets leuker. Want, wat gebeurt er nu eigenlijk tussen het Italiaanse meisje en de hoofdpersoon en hoe verhoudt zich dat tot vroeger? Misschien nog discussiewaardiger is de vraag wat voor iemand Murdoch met haar Edmund heeft willen neerzetten. Is hij bedoeld als een sympathieke invoelende man of toch eerder als een ietwat pedant, omhoog gevallen type dat denkt dat hij een positieve bijdrage kan leveren aan ieders leven maar dat helemaal niet doet?

    Kan het erger?

    Murdochs roman bestaat uit drie delen en volgt daarmee een traditionele drie-akten structuur van een tragedie: expositie, confrontatie, conclusie. Paradoxaal genoeg boeit juist het eerste deel het meest. Murdoch blinkt uit in psychologisch vernuftige beschrijvingen van personages en hun interactie, van een zoon die het lichaam van zijn dode moeder bekijkt.

    ‘Ik keek naar wat daar voor me lag met een afgrijzen dat geen liefde of medelijden of droefheid was, maar meer een soort angst. Natuurlijk was ik nooit wérkelijk aan Lydia ontsnapt. Lydia zat in me, in de diepste diepten van mijn wezen, er was geen afgrond en geen duisternis waar zij niet was. Zij was mijn zelfverachting.’

    De stilte en diepgang die Murdoch inbrengt worden in zekere zin verstoord door de stroomversnelling waarin het verhaal in het tweede deel terecht komt. Was ze bang dat de lezer zich zou vervelen? Het is alsof ze zich elke zoveel bladzijden afvraagt wat ze kan doen om de crises waarin haar personages zich bevinden verder te vergroten. Ook hierdoor doet het boek denken aan een tragedie. Bij momenten heeft het het schreeuwerige dat soms op het toneel te zien is, waarbij gebeurtenissen en emoties alleen maar ‘waar’ kunnen zijn als ze enorm worden uitvergroot. Gelukkig hervindt Murdoch in het derde deel haar meer subtiele en doordachte schrijven. 

    Beitelen en graveren

    Twee broers, een grafeur en een steenhouwer, en ook Murdoch beitelt. Of grafeert. Woord voor woord, waardoor er een verhaal ontstaat dat zo trefzeker klinkt dat je als lezer nergens de behoefte voelt de tekst stilletjes aan te passen. De beschrijving van het Italiaanse meisje laat lang op zich wachten. Pas op pagina 123 komt Murdoch eraan toe.

    ‘Haar bleke, benige gezicht had een nogal ontmoedigde, lege uitdrukking en haar grote, donkere, strenge ogen waren een beetje bedauwd door de ui. Een sterk geprononceerde arabesk bij het neusgat vond zijn weerklank in de boog van de lange, dunne mond. Het was een fel en intelligent, maar onbeschermd gezicht. Haar overvloedige haar, streng naar achteren getrokken, kwam uit in een lange, rondgedraaide knot, zwart als onyx, glanzend als lak.’

    Murdoch publiceerde Het Italiaanse meisje in 1964, maar vandaag, 61 jaar later voelt niets in het boek gedateerd. Ongezonde familiedynamieken en de gruwelijke manier waarop een mengeling van liefde en slechte gewoontes de familieleden daarin gevangen houden zijn van alle tijden. Juist dat weet Murdoch over te brengen in deze scherp geschreven roman.

     

     

  • Oorlog in gecamoufleerde taalexplosie

    Bij de toekenning van de P.C Hooft-prijs 2024 aan Astrid Lampe schrijft de jury in het juryrapport: ‘Lampe dicht met een diabolische intensiteit over het moderne leven, in zinnelijke en ontembare taal’. Rake woorden die juist van toepassing zijn op de bundel ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’: een verzameling verzen die de lezer op indringende wijze laat voelen hoe de wereld van vandaag in elkaar steekt.

    En die wereld blijkt kwetsbaarder dan ooit. Grenzen worden opgetrokken, prioriteiten gesteld en dreigementen geuit. In de overtreffende trap is er zelfs het allesoverheersende gewapende conflict. Is het een wereld ‘die je wist dat zou komen’ of zijn we overvallen in onze argeloosheid? Lampe zet haar gedachten hierover om in beeldende poëzie en probeert zo de dreiging te benoemen en vast te pakken. En daarmee te neutraliseren.

    in een spleet van het bergmassief
    troepen trollen samen
    onze wapensystemen
    praten met elkaar
    het voorjaar
    is door een storm tegen de grond gewerkt
    d
    e rekenkracht die het kost
    je bloei een jaar uit te stellen
    de gedachte aan veiligheid voedsel
    goede voortplanting die gedachte

    af te maken per strekkende meter mijnenveld
    breng ik het noppenfolie
    gecontroleerd tot ontploffing

    ‘Zachte landing op leeuwenpootjes’ is doordesemd van oorlog en strijd. In vrijwel alle gedichten verwijst de dichter naar het militaire domein door begrippen te plaatsen als commandostructuur, scherfvest, troepensamentrekking, schootsveld, enzovoorts. De verweving van dit jargon met de haast achteloze beschrijving van situaties en momenten maakt dat de impact van het geheel extra wordt benadrukt.

    Dat Lampe een specifieke strijd op het oog heeft, laat ze hier en daar ook door de tekst schemeren. Met kleine druppels injecteert ze de actualiteit in de schijnbare alledaagsheid en opeens stuit het oog van de lezer op ‘de Russische ziel’, ‘het datsjadorp’ of ‘de woede uit Moskou’. Net voldoende om een onbehaaglijk gevoel te introduceren: deze poëzie staat met de voeten in de klei van het hier en nu.

    Samenstellingen

    Ook zonder oorlogsdreiging vormen de verzen een ware ontdekkingstocht door het hoofd van de dichter. Lampe is een liefhebber van samenstellingen die een zweem van vervreemding oproepen: een luchtbed met een diepzeevenster/ drijft op het karma van de opblaasadem/ aan de rand van het privézwembad/ recupereert het meesterbrein. Het veelvuldig gebruik van combinatiewoorden bepaalt zowel het ritme als de richting van het gedicht.

    Verhalend over de overweldigende natuur, de kwetsbaarheid van het leven of simpelweg de verbintenis tussen mensen, iedere situatie wordt geschetst in een ‘ontembare’ taal die de lezer meeneemt en vooral de ruimte geeft om tot een eigen interpretatie te komen.

    de geliefde
    gered door de kleine salamanderkachel
    fysiek en nabij nu de markt zo nerveus

    de mok zonder oor over zeven levens heen getild
    een van de knoppen waaraan je kan draaien

    macht

    geprojecteerd op het kasjmier vloerkleed

    stug tegen de vleug in vegen
    wekt de slapende cel

    het bloemmotief
    als kleinste terreureenheid in onze natuur ingeweven
    glanst tot op de draad

    Geen interpunctie

    Lampe weet als geen ander in een salvo van korte zinnetjes zowel een gevoelige als een dreigende ondertoon over te brengen. Zonder beginkapitalen en geheel zonder interpunctie blijven de regels stromen. Het gebruik van enjambement verrast en zet meestal aan tot opnieuw lezen, omdat de verschillende overgangen ook een nieuwe betekenis kunnen opwerpen. Hier en daar een fraaie alliteratie, zowel in vorm als in klank, maken deze bundel tot een verzameling wonderlijke, intense en tegelijk innemende gedichten.

    In het slotgedicht keert de dichter terug in zichzelf, als een ‘zachte landing op leeuwenpootjes’:

    je vouwt me uit als een zeldzame-grondstoffenkaart
    tot de abc-moertjes uit het woord oorlog lostrillen
    in de flat zonder ramen
    staat het graan nu kniehoog

    een geharnast lichaam

    de volle korenaar
    die langs een rug opkruipt
    voorkookt of ik wel of niet geboren ga worden

     

  • Lezen, nadenken en beleven

    Erwin Hurenkamp (1993) debuteerde in 2023 als dichter met de bundel Nu we er toch zijn, poëzie over de natuur, met veel invloed van en geïnspireerd door onder andere Ierse mythen en sagen. Pogingen is zijn romandebuut. Ook hier besteedt hij veel aandacht aan de natuur, bomen, bossen, het Ierse landschap.

    Pogingen is een raamvertelling, bestaat uit twee delen en vertelt vooral het verhaal van Ella en in tweede instantie dat van haar zoon Johannes, met rollen voor haar man en haar moeder (omajuud). Als Johannes zeven jaar is besluit Ella weg te gaan zonder het idee te hebben waar naartoe en hoe en wat. Via Frankrijk komt ze uiteindelijk aan de zuidwestkust van Ierland terecht in een klein dorpje. Ze boekt een kamer in een klein en oud hotel, gerund door de eenzame uitbaatster Lina. Ella is de enige gast. Ze voelt zich thuis in de overweldigende natuur van Ierland.

    Waarom ging ze weg? Was het vluchten, maar waarvoor? In haar huwelijk ‘werkten veiligheid en routines als een verdovend middel. Er volgden jaren van vergetelheid. Nu doe ik een poging daaruit te ontwaken. Het is niet de man voor wie ik ben weggelopen, maar waar die voor staat – de betekenis die zijn lichaam heeft gekregen.’

    Ontsnappingskunstenaar

    Ella voelt zich ongemakkelijk in het hotel en in het dorp, maar gaandeweg wordt ze geaccepteerd en accepteert ze zelf ook dat ze daar is. Ze ontmoet Conall, met wie ze een verhouding begint en die haar uiteindelijk in het huisje van zijn oma onderbrengt. Ze settelt zich steeds meer, is vaak tevreden, maar soms kriebelt het. De boeken die ze in het huisje vindt inspireren haar om zelf te gaan schrijven.

    Ze schrijft het verhaal van de Selkies dat ze ooit aan haar zoon heeft verteld. Een Selkie is een wezen, een soort zeehond in zee, dat nieuwsgierig is naar het leven op het land. Op zeker moment bedwingt ze haar nieuwsgierigheid niet langer, komt uit zee, stroopt haar huid af en verbergt die. De Selkie wordt verliefd op de man die de huid vindt en leeft haar leven met hem. Als ze de huid weer vindt, trekt ze hem aan en verdwijnt weer in zee.
    Wat Ella ook doet is nadenken over haar moeder: ’Mijn moeder is, net als ik, een bekwame ontsnappingskunstenaar: alles waarvan we in het dagelijks leven niet durven dromen vertrouwen we toe aan de verbeelding, de fantasie.’ Ella blijft schrijven: ‘Schrijven is vertrekken, weggaan, iets achter je laten.

    Conall leidt zijn eigen leven, is veel weg maar als hij thuis is claimt hij Ella. Een oude vriend van hem komt in beeld; de twee mannen en Ella hebben seks, Conall lijkt verliefd op zijn vriend. Ella blijft zoeken en schrijven, praat er met Lina over die haar vraagt waarom ze blijft en haar vergelijkt met ‘een vastgegroeide oester aan een rots die blijft wachten tot al haar vragen zijn uitgedoofd, tot het voorbij is’. Ella besluit terug te gaan naar huis, waar ze haar moeder van alles verwijt. Haar zoon Johannes vlucht van haar weg, klimt uit het raam en valt.

    Nog een oester op een rots

    In het tweede deel maakt Johannes als hij drieëndertig is dezelfde reis als zijn moeder, nadat hij het tijdschrift heeft gevonden dat zijn moeder uit het Ierse hotel heeft meegenomen en dat haar in die tijd inspireerde om haar leven te leiden zoals ze dat toen wilde, dat haar aan het denken zette over haar jeugd, haar verlangens. Johannes is geïntrigeerd door het avontuur van zijn moeder. Hij wil uitzoeken wat haar bezielde en uiteraard ook waarom ze weer terugkwam. Toen Ella wegging, heeft Johannes zich ‘vastgezet aan zijn oma, als een oester op de rotsen’.

    Johannes schrijft columns en kookboeken, voelt zich op zijn gemak in een fantasiewereld met bomen en bossen. Hij stelt zich zijn huis voor als de jungle waarin hij zich thuis voelt. Als kind wilde hij een prinses zijn. Zijn relatie met zijn vriend Sem heeft hij uitgemaakt.

    In Ierland boekt hij hetzelfde hotel als zijn moeder. Hij begint een verhouding met barkeeper David en heeft later ook seks met anderen. Het Ierse landschap en de sprookjes van het land zetten zijn fantasie aan het werk. Ook hij begint fictie te schrijven: een sprookje over een boom die een mens wordt. Ook hij voert een strijd tussen vrijheid en gebondenheid. Op aanraden van David gaat hij langs bij Lina die hem vertelt dat ze nog nooit iemand heeft meegemaakt als Ella die zo blij was naar huis te gaan.

    Oervorm was poëzie

    Hurenkamp toont veel inlevingsvermogen in vrouwen en kinderen. Daardoor is het tweedelige verhaal dat in de roman wordt verteld helder en zijn de personages levensecht. Wat ze meemaken, denken en voelen is meer dan geloofwaardig. Zijn taal is erg poëtisch. Uit zijn poëziebundel zijn veel thema’s en onderwerpen te herkennen die in de roman terugkomen: het verhaal van de Selkies, de bomen, de natuur, de metamorfoses, Ierland. Je zou kunnen zeggen dat Pogingen een uitwerking is van wat Hurenkamp in Nu we er toch zijn in oervorm in poëzie weergaf.

    Het lezen van Pogingen is niet alleen het lezen van een roman, het is ook lezen, nadenken en beleven van allerlei haast filosofische beschouwingen over queer-zijn, over de natuur, over de verhouding tussen mannen en vrouwen, over waar het leven voor is bedoeld, over metamorfoses. Hurenkamp is zachtmoedig tegenover allerlei personages, behalve tegenover Ella en Johannes. Hij laat ze streng oordelen over zichzelf.

    De roman nodigt uit tot herlezen: de taal sleept je mee, het uitgangspunt intrigeert, de gedachten zijn diep. Zo’n roman waarvan je het jammer vindt dat je ‘m uit hebt. Een van de mooiste zinnen in het boek is: ‘Maak van mens een werkwoord en vervoeg dat.’ We hebben er een uitstekende auteur bij die nieuwsgierig maakt naar zijn volgende boek.

     

  • Slachtoffers van een discriminerend rechtssysteem

    Een familiekwestie van Claire Lynch is een indringende roman over liefde, moederschap en de blijvende gevolgen van maatschappelijke uitsluiting. Claire Lynch is een Britse schrijfster en literatuurdocente en maakte eerder naam met haar non-fictiewerk Small: On Motherhoods. Daarin verkent ze persoonlijke en maatschappelijke perspectieven op queer ouderschap. Dit thema zet ze ook in haar romandebuut overtuigend voort. Het boek is een van de vier boeken op de shortlist voor de Debut Fiction Award van de Nero awards,  een van de belangrijkste prijzen binnen de Engelstalige literatuur, die op 4 maart 2026 wordt uitgereikt. Lynch putte voor dit boek niet alleen uit persoonlijke gesprekken met oudere generaties lesbische moeders, maar ook uit haar uitvoerig juridisch en historisch onderzoek naar de positie van LGBTQ+-ouders in het Verenigd Koninkrijk in de jaren tachtig. In de auteursnoot aan het einde van de roman benadrukt ze expliciet hoe structurele discriminatie in die periode levens en families blijvend heeft getekend, en hoe weinig van die verhalen collectief bewaard zijn gebleven.

    Een nieuwe liefde

    De roman speelt zich af op twee tijdsniveaus. In de vroege jaren tachtig volgen we Dawn, een jonge moeder die samen met haar man Heron en hun dochter Maggie een ogenschijnlijk conventioneel leven leidt in een Engelse provinciestad. Wanneer Dawn nieuwkomer Hazel ontmoet, ontstaat er een intense liefdesrelatie die haar dwingt haar huwelijk en haar rol als moeder te heroverwegen. Deze persoonlijke ontdekking staat haaks op de juridische en sociale realiteit van die tijd: lesbische moeders liepen een reëel risico hun kinderen te verliezen. In de hedendaagse verhaallijn is Heron inmiddels een oudere man die te horen krijgt dat hij terminaal ziek is. Hij worstelt met de vraag hoe hij zijn dochter Maggie moet inlichten over zijn ziekte, maar ook over het verzwegen verleden dat hun familiegeschiedenis heeft bepaald. De spanning tussen wat verteld is en wat verzwegen werd, vormt het morele hart van de roman.

    Dawn is het meest uitgewerkte en complexe personage. Haar innerlijke strijd wordt zeer genuanceerd en empathisch beschreven: ze is geen heldin die moedig breekt met alle conventies, maar een vrouw die laveert tussen liefde, angst en verantwoordelijkheid. Haar keuze voor Hazel is geen simpele bevrijding, maar een keuze met aanzienlijke gevolgen, waaronder het verlies van de voogdij over Maggie. Lynch toont heel duidelijk hoe Dawn niet alleen door individuen, maar vooral door een vijandig juridisch systeem wordt veroordeeld. Hazel fungeert in dat opzicht vooral als katalysator: zij staat voor een alternatieve levensmogelijkheid, maar blijft als personage minder diep uitgewerkt, wat haar rol soms enkel functioneel maakt.

    Heron is een complexer figuur. Hij vertegenwoordigt de normen en zekerheden van zijn tijd en handelt altijd vanuit wat hij als bescherming en verantwoordelijkheid ziet. Hij is een man die tekortschiet in emotionele openheid en verbeeldingskracht. Toch blijft zijn innerlijk leven relatief beperkt uitgewerkt. Maggie belichaamt de latere generatie die moet leren omgaan met de morele complexiteit van het verleden. Haar perspectief onderstreept hoe keuzes van ouders blijven doorwerken, zelfs decennia later.

    Onherstelbare effecten

    Qua stijl kiest Lynch voor een sobere, heldere taal die heel dicht bij de personages blijft. De eenvoudige stijl maakt het boek zeer toegankelijk. De afwisseling tussen verleden en heden is zorgvuldig opgebouwd en zorgt voor een heel geleidelijke onthulling van feiten en emoties. Deze structuur versterkt het gevoel dat het verleden nooit afgesloten is, maar voortdurend doorwerkt in het heden.

    De grote kracht van Een familiekwestie ligt in de maatschappelijke relevantie. Lynch toont hoe wetgeving en sociale normen concrete levens ontwrichten, zonder het verhaal te reduceren tot een pamflet. De emotionele impact van de roman zit vooral in het alledaagse: gemiste momenten, verzwegen gesprekken en onherstelbare breuken. Ook wat niet gezegd of getoond wordt is belangrijk

    In haar auteursnoot plaatst Lynch het verhaal expliciet in de context van de Britse LGBTQ+-geschiedenis. Ze wijst erop dat pas recent erkenning groeit voor het onrecht dat lesbische moeders in de jaren tachtig werd aangedaan, en dat Een familiekwestie bedoeld is als literaire herinnering aan die vergeten realiteit. Die reflectie geeft de roman extra gewicht en maakt duidelijk dat dit verhaal niet louter fictie is, maar wortelt in structureel onrecht.

    Een familiekwestie een ontroerende en betekenisvolle roman die overtuigt door zijn morele ernst en emotionele eerlijkheid. Het boek biedt een genuanceerd en noodzakelijk perspectief op familie, liefde en verlies. Het is vooral een roman die blijft nazinderen door wat niet meer ongedaan gemaakt kan worden — en precies daarin schuilt zijn kracht.