• Op zoek naar een schat

    Bosbodemzacht of blijdschapswarmte, zomaar een paar woorden die je kunt vinden in De Woordenschat van Simon Röthlisberger en Rebecca Gugger. Oskar stuit tijdens het graven op een schatkist. Hij is natuurlijk reuze nieuwsgierig wat daarin zit. Als hij de kist eindelijk open heeft gekregen is hij teleurgesteld. Er zitten enkel woorden in, allemaal door elkaar heen. Oskar pakt het woord ‘knalgeel’ uit zijn schat, als hij het in de bosjes gooit rent er plotseling een knalgele egel uit. Zo ontdekt hij dat het toch wel leuk is, zo’n woordenschat. Kwistig strooit hij woorden in het rond tot de kist leeg is. Dan gaat Oskar op zoek naar nieuwe woorden.

    […]

    In en op dit boek staan heel veel woorden, en die heb je niet allemaal nodig om het verhaal te begrijpen. Ze prikkelen de fantasie en nieuwsgierigheid, ze laten je mijmeren over hun betekenis en hoe dat er dan uit zal zien. Bijvoorbeeld: herfsthangerig, springhuppelig, uitelkaargesleuteld en blijdschapswarmte. Het boek nodigt ook uit om zelf woorden te bedenken. En je wordt je er bewust van wat woorden kunnen doen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

  • Luchtige eeuwenoude klassiekers

    Uit de ondertitel van de verhalenbundel Kwaidan – Japanse spookverhalen van de Grieks-Ierse schrijver Lafcadio Hearn (1850-1904) weten we dat het om spookverhalen gaat. Heel erg spookachtig zijn ze niet, eerder zijn het grimmige sprookjes. Japanse sprookjes en legendes die vaak al eeuwenoud zijn en mondeling overgeleverd werden. Het is dankzij Hearn, die ze in het Engels opschreef, dat ze een weg vonden buiten Japan. Na vele omzwervingen over de wereld kwam Hearn op zijn veertigste in Japan terecht, eerst als journalist, later werd hij leraar Engels. Hij voelde zich er thuis. Hij ontmoette zijn Japanse vrouw, een dochter van een vooraanstaande Japanse Samoerai-familie, en werd ineens een insider. Hearn raakte – inmiddels meer dan honderd jaar geleden – gefascineerd door de Japanse mythologie en folklore. Gemengd met zijn herinneringen aan zijn Griekse en Ierse jeugd schreef hij de verhalen in zijn eigen woorden op. Ze werden weer vertaald naar het Japans en worden nog steeds gezien als klassiekers.

    Zingen voor zielen

    Het openingsverhaal Mimi-nashi-Hôichi zet meteen de toon; zevenhonderd jaar geleden werd de laatste zeeslag geleverd tussen twee clans, de Heike en de Minamoto-clan. ‘De Heike kwamen daarbij jammerlijk om het leven, samen met hun vrouwen en kinderen en ook hun kindkeizer. (…) En al zevenhonderd jaar spookt het op die zee en aan die kust.’ Er zijn vreemde krabben te vinden, de zogenaamde Heike krabben, met een mensengezicht op hun rug, het zouden de geesten van de Heikekrijgers zijn. Er is ook een begraafplaats aangelegd op de kust met een gedenkteken van de verdronken keizer en zijn vazallen. Hôichi, een blinde bard, leefde een paar honderd jaar later. Hij was een begenadigd zanger en beroemd omdat hij de geschiedenis van de zeeslag zo voortreffelijk kon voordragen. Op leeftijd gekomen leefde hij in een klooster en werd beschermd door een priester. Op een dag werd hij opgehaald door een vreemdeling die hem meenam naar zijn hooggeplaatste meester. Die wilde Hôichi’s voordracht horen. Hôichi zong en speelde met zijn luit de sterren van de hemel. Om hem heen prevelden stemmen: ‘Wat een kunstenaar.’ ‘Nooit is er in onze provincie zulke geweldige muziek gehoord.’ En Hôichi speelde maar wist niet welke monsters hij voor zich had. Hij zat op de begraafplaats en speelde voor hun dolende geesten. Langzamerhand raakte hij uitgeput, de priester kwam hem redden, maar toen was het eigenlijk al te laat.

    Schuld en trouw

    Oshidori is ook zo’n prachtig betekenisvol verhaal. De jager Sonjô had honger en schoot het mannetje van een mandarijneendenpaartje dood. Volgens de noot, waar de verhalen rijkelijk van zijn voorzien, zijn mandarijneenden in het verre oosten van oudsher een symbool voor huwelijkse liefde. De vrouwtjeseend, verteerd door verdriet, bezocht Sonjô in zijn dromen en huilde zo smartelijk, dat hij het gevoel had dat zijn hart uit zijn lijf werd gerukt. De volgende dag zag hij de vrouwtjeseend weer en met haar doordringende blik op hem gericht deed ze zichzelf iets aan. Sonjô voelde zich zo schuldig dat hij monnik werd.

    Menselijke spookverschijningen

    De verhalen zijn kort en helder geschreven met veel poëtische vertalingen van Japanse gedichtjes en Haiku’s. Ze gaan over trouw en eer, religie en ronddwalende zielen als spookverschijningen, die zich voordoen als een mens, zoals de Heike krab met een mensengezicht op zijn pantser, of een ranke schoonheid die als ze zich omdraait een monster blijkt te zijn. Of een kersenboom die al honderden jaren bloeit op 16 januari. Hearn is gefascineerd door die verpersoonlijking van natuurverschijnselen.

    Zielen van overledenen zwerven graag rond in Hearns vertolkingen, zoals de overleden vrouw die iedere nacht iets kwam zoeken in haar oude huis en daarmee haar kinderen angst aanjoeg. Ook dromen, als uiting van het onderbewustzijn, spelen een rol. Een man beleefde drieëntwintig jaar een heerlijke droom, uiteindelijk bleek deze slechts een paar minuten te hebben geduurd, maar dan vindt hij een bewijs van iets dat in zijn droom plaatsvond. Al is het slechts het dode lichaam van een vrouwtjesmier.

    Een Samoerai met uitzonderlijke lichaamskracht wordt monnik – ‘een wolk en waterreiziger’. Om een gezin te behoeden voor het kwaad, hakt hij het hoofd af van een ‘rokuro-kubi’, een monster met een uitgerekte hals. Bij deze monsters kan het hoofd terugkeren naar het lichaam, zolang dat niet verplaatst wordt. Precies dat doet deze dappere monnik, het lichaam verplaatsen, maar dan bijt het hoofd met de angstaanjagende gelaatsuitdrukking zich aan hem vast en zit hij er voortaan mee opgescheept. Welgemoed neemt hij het hoofd mee op zijn reizen, tot hij er afstand van weet te doen. In die zin zijn de verhalen ook humoristisch.

    Insectenstudies

    De zeventien spookverhalen worden afgesloten met drie insectenstudies. De eerste gaat over vlinders. Veel symboliek over vlinders komt overigens uit China, zegt Hearn. ‘In de Japanse overlevering kan een vlinder echter zowel de ziel van een dood als van een levend iemand zijn. Zielen hebben zelfs de gewoonte een vlindervorm aan te nemen om aan te kondigen dat ze definitief het lichaam hebben verlaten; en daarom moet elke vlinder die een huis binnenkomt altijd vriendelijk tegemoet worden getreden.’
    Opgenomen zijn een prachtige Haiku en het gesprek met een vlinder, beide poëtisch door Hearn verwoord.

    In de tweede insectenstudie gaat Hearn in op ‘Muggen’, een hilarisch verhaal, want de muggen leggen hun eieren in zogenaamde ‘mizutanes’, langwerpige waterbakjes, en bloembakken waarvan er duizenden zijn te vinden op de boeddhistische begraafplaats achter Hearns huis. Met andere woorden, hij wordt geteisterd door de muggen en zint op een manier om van ze af te komen.

    Mieren is de derde studie en verreweg het interessantst. Het essay begint met een man die met een crème op zijn oren de gesprekken tussen mieren kan verstaan. Hearn bestudeert de Cambridge Natural History en beschrijft naar aanleiding daarvan de opmerkelijke verschijnselen in het leven van mieren. Mieren verstaan de kunst van het samenleven in maatschappijen in veel opzichten beter dan onze eigen soort en ‘zijn ons ver vooruit in de verwerving van bepaalde kundes en kunsten die sterk bevorderlijk zijn voor het maatschappelijk leven.’ Vervolgens schept hij de sociale maatschappij van een mierenvolk met: ‘Ontzagwekkend fatsoen, de vreselijke moraliteit van de mier. (…) Vergeleken bij de ethiek van de mier schieten onze aantrekkelijke gedragsidealen minstens miljoenen jaren tekort.’

    In het persoonlijke nawoord van kunstenares en schrijfster Jannie Regnerus, die in 2000 een jaar in een artist residence in Japan woonde, vertelt ze hoeveel ze heeft gehad aan Hearns gids, die haar met zijn heldere en poëtische beschrijvingen hielp de Japanse wereld betekenis en reliëf te geven. Dankzij de uitstekend lezende vertaling uit het Engels door Barbara de Lange zijn Hearns Japanse spookverhalen een luchtige leeservaring voor het slapengaan. Ze zijn ook interessant voor de beeldvorming van Japanse, en Chinese, oude cultuur.

     

  • Wie ben jij van mij?

    Op 19 december 2022 bood toenmalig premier Mark Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan voor het slavernijverleden. Hij sprak de veelzeggende woorden: ‘We delen niet alleen een verleden, maar ook een toekomst. Dus zetten we vandaag een komma, geen punt.’ Zo benadrukte hij het belang van erkenning en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om een inclusieve toekomst op te bouwen. Zijn woorden waren een uitnodiging tot reflectie over de doorwerking van het koloniale verleden in het heden, en tot het voortzetten van een maatschappelijke dialoog.

    In haar voorwoord schrijft Shantie Singh dat de uitspraak van Mark Rutte haar inspireerde tot het schrijven van Na de komma. Hindostanen en de erfenis van het kolonialisme. Hierin onderzoekt Singh hoe de erfenis van kolonialisme en slavernij de Hindostaanse gemeenschap heeft gevormd en nog steeds doorwerkt in het heden. Met een combinatie van historische analyses en persoonlijke en collectieve verhalen schetst ze een indringend en genuanceerd beeld van deze complexe geschiedenis. In de inleiding stelt Singh dat haar boek niet alleen een oproep is tot dialoog en begrip, maar ook een hoopvolle visie wil bieden op een toekomst waarin recht wordt gedaan aan het verleden.

    Het overlevingsscript

    Het boek belicht uitgebreid het zogenoemde overlevingsscript van de generaties die Singh zijn voorgegaan: de verhalen die haar familie met zich meedraagt en die diep geworteld zijn in de koloniale tijd en de periode daarna. Deze geschiedenis wordt gekenmerkt door een onverwoestbare wil om te overleven: ‘De voorouders moesten zichzelf opnieuw uitvinden. Er moesten onder grote druk nieuwe verhalen, nieuwe lessen, nieuwe vaardigheden worden ontwikkeld.’

    Naast de koloniale geschiedenis van de Hindostanen onderzoekt Singh in hoeverre deze traumatische erfenis van invloed is op de huidige generatie. Ze vraagt zich af of het overlevingsscript van haar voorouders nog past bij haar eigen leven. Zijn de tradities nog steeds een bron van saamhorigheid en steun, of worden ze nu vooral gevoed door een angst die niet langer strookt met de huidige realiteit? Singh verweeft deze overwegingen met een zoektocht naar balans tussen erfgoed en moderniteit.

    Zonder gruwelijkheden uit de weg te gaan, benadert Singh alles vanuit verschillende perspectieven. Het ronselen van contractarbeiders bracht veel narigheid met zich mee — uitbuiting en ontberingen —, maar bood de mensen ook de kans om zich op hun toekomst te richten. Velen zagen het als een mogelijkheid om hun situatie te verbeteren. Anderen kwamen in verzet. Indrukwekkend zijn de pagina’s waarop ze de namen opsomt van verzetsstrijders die het verzet niet hebben overleefd, dikwijls door executie. Van sommigen is slechts de naam bekend. Dit is des te aangrijpender doordat Singh benadrukt hoe belangrijk een naam en het groepsgevoel waren. Als een grote groep mensen wegvalt, wordt dit verlies extra pijnlijk.

    De zichtbaarheid en strijd van vrouwen

    Bijzonder goed uitgewerkt zijn de hoofdstukken over de rol van vrouwen.‘De verhalen van vrouwen zijn door de geschiedenis heen het vaakst onzichtbaar gemaakt. Dat geldt zeker voor de vrouwen uit de koloniale geschiedenis. Hoe meer mensen haar verhaal horen, hoe meer zij uitgroeit tot een symbool tegen koloniaal onrecht.’ De zware strijd om de Hindostaanse vrouw meer zichtbaarheid te geven, belicht Singh aan de hand van haar eigen familie. Vrouwen die betrokken waren bij het verzet, zich losmaakten van familietradities, en het gemis ervaarden van familie die ver weg was omdat zij naar Nederland emigreerden in de hoop op een betere toekomst.

    Daarnaast legt Singh de link met het belang van taal. De taallessen (Sarnami) van haar moeder kreeg ze in de keuken. Hoewel haar vader Nederlands belangrijker vond, gaf haar moeder niet op, waarmee ze niet alleen de band tussen moeder en dochter bestendigde, maar ook liet zien dat taal veel meer is dan het beheersen van spreek- en schrijftaal: ‘Taal is je gereedschap in de wereld.’ Voor Singh werd taal de brandstof van haar verbeeldingsvermogen, met name om de verhalen van vrouwen in haar familie op te schrijven. Taal maakt verbinding en begrip mogelijk, stelt je in staat om verhalen door te geven en de vraag te stellen: wie ben jij van mij?

    Tussenkopjes onderbreken het gepassioneerde verhaal

    In sommige hoofdstukken past Singh tussenkopjes toe, bedoeld om onderscheid aan te brengen tussen de Hindostaanse geschiedenis en de familieverhalen. Hoewel deze indeling de informatie helder organiseert, kan de afwisseling van informatieve secties en emotioneel geladen passages ervoor zorgen dat de tekst soms fragmentarisch aanvoelt, en je uit de indringende sfeer wordt gehaald.

    Verder slaagt Singh erin om haar verkenning van de Hindostaanse ervaring te verrijken met een heldere boodschap over erfenis, identiteit en veerkracht. De kracht van Na de komma ligt in de emoties en inzichten die doorklinken in de verhalen van haar familie en de gemeenschap. Het roept op tot erkenning van de vaak onzichtbaar gebleven verhalen van vrouwen en biedt een krachtige reflectie op het verleden, die niet alleen het koloniale verleden blootlegt maar ook ruimte biedt voor heling en vooruitgang. Dit is een oproep om de komma te honoreren, de toekomst vorm te geven en de verhalen die ons verbinden tot leven te brengen.

     

     

  • Zoveel meer dan het uitsterven van een diersoort

    De nieuwste roman van de Belgische schrijver Charlotte Van den Broeck is een wervelende en diepgravende zoektocht naar een uitgestorven diersoort: de Tasmaanse tijger. Die tocht begint in de Antwerpse Zoo waar in 1911 een Tasmaanse tijger, ook wel thylacine genoemd, werd tentoongesteld als een exotisch product uit het verre Tasmanië/Lutruwita.

    De thylacine was een gewild dier bij dierentuinen over de hele wereld, onder meer door zijn unieke uiterlijk. Het beest heeft karakteristieke tijgerstrepen maar lijkt eerder op een wolf. De meeste Tasmaanse tijgers haalden de zoo overigens niet, ze overleden onderweg, op zee of na hoogstens enkele jaren in een kooi. De Antwerpse tijger zou een van de laatste zijn. Het beest is vermoedelijk enkele decennia later uitgestorven hoewel enkelen nog geloven dat het beest buiten het zicht van de mens voortleeft. In vijfentwintig hoofdstukken maakt Een vlam Tasmaanse tijgers de mythe van de thylacine plaats voor een verhaal dat zo veel meer is dan het uitsterven van een diersoort.

    Onderzoeksinstellingen en natuurgebieden

    De lezer gaat met Van den Broeck mee door de archieven, natuurgebieden, musea en onderzoeksinstellingen van Europa tot Australië, op zoek naar de resten van het uitgestorven dier. Met een verfijnde schrijfstijl, waarbij elk woord de juiste plaats heeft gevonden, beschrijft ze de archieven en musea; de lugubere potten met losse lichaamsdelen op sterk water en schimmige documenten over de handel in alle lichaamsdelen van het beest. Ze ontmoet bijzondere figuren die de Tasmaanse tijger omringen. Onderzoekers die het beest willen klonen, zelfbenoemde experts die het zouden hebben gezien en wetenschappers die hun hele leven hebben gewijd aan het onderzoeken van de laatste resten van de thylacine

    Het (vermoedelijk) uitgestorven dier heeft in het heden en verleden een bijzondere groep mensen rond zich verzameld. Zoals Morton Allport, die meer dan honderd jaar geleden zo vrijgevig was om het museum van natuurwetenschappen in Brussel skeletten en een schedel op te sturen. In het museum werd hij uitgebreid geroemd als ‘uitstekend bioloog’, maar recent onderzoek liet zien dat hij de dieren verhandelde voor invloed in wetenschappelijke kringen. In het heden komt Van den Broeck in aanraking met onderzoekers zoals Dr. Sleigtholme, die van de Tasmaanse tijger zijn levensproject heeft gemaakt. In zekere zin lijkt hij alleen nog te leven voor het in kaart brengen van het inmiddels uitgestorven dier. Een nobele maar soms ook manische daad, zo laat Van den Broeck zien.

    Constructie van een troostvol verhaal

    Tussen al die bijzondere verhalen schetst Van den Broeck een verhaal dat in diepste zin over verlies en de constructie van een troostvol verhaal gaat. Dat de Tasmaanse tijger (waarschijnlijk) is uitgestorven, is te wijten aan de manier waarop de mens met het dier is omgegaan. Het verlies heeft een diep gat geslagen bij lokale bewoners en wetenschappelijke onderzoekers, die allemaal op hun eigen manier die leegte proberen te vullen. Met mythische verhalen, zeer gedetailleerd onderzoek of het onderzoeksinstituut dat de thylacine probeert te klonen. Maar het gaat ook om verlies van ‘agency’. De beesten die tegen hun wil verscheept, mishandeld en gedood werden. De brute wijze waarop dat gebeurde, wordt op indringende wijze beschreven.

    Maar ook de ‘agency’ van Aboriginals op Tasmanië / Lutruwita, die helaas niet beter werden behandeld. De oorspronkelijke bewoners werden op systematische wijze uitgemoord. Of de behandeling van vrouwen zoals Alison Reid, de vrouwelijke directeur van de dierentuin van Hobart, de hoofdstad van Tasmanië. Reid werd begin twintigste eeuw niet erkend of betaald voor haar werk in de zoo van haar vader. Haar vader was directeur, maar zij deed ‘de facto’ al het werk. Na zijn dood werd haar de dierentuin ontnomen omdat een betaalde post voor een vrouw ondenkbaar was. Niet veel later stierf in diezelfde dierentuin de laatste Tasmaanse tijger in gevangenschap. 

    Beeldend geschreven en boeiende dialogen

    Van den Broeck traceert steeds een nieuw puzzelstukje dat verbonden is aan de Tasmaanse tijger en legt het op de juiste plaats. Elk hoofdstuk is een geheel en haakt weer feilloos aan in het volgende hoofdstuk. Het is een zeer beeldend geschreven geheel en de dialogen blijven paginaslang boeien. Van den Broeck weet heel goed de lichtvoetigheid te behouden, zonder ooit de ernst van het onderwerp uit het oog te verliezen. De secundaire literatuur, het meta commentaar, lijkt wat losjes aan het hele verhaal verbonden. Bijvoorbeeld de stukken over Donna Haraway doen de lezer verlangen naar meer. 

    Een van de Tasmaanse-tijger-fanaten, Neil Waters, heeft zich na de dood van zijn dochter vol overgave gestort op de theorie dat het beest nog in leven zou zijn. Alles moest bij hem wijken voor het bewijzen dat het dier nog leefde. Hij zag het zelf wel drie keer en gelooft dat het ook op het Australische vasteland nog leeft en zich kundig weet te verbergen voor de mens. Na het lezen van dit boek begrijp je dit geloof helemaal. Het verlies van de dochter en het collectieve verlies van de diersoort zijn verbonden, ergens is het dezelfde emotie en dezelfde wens: koste wat kost terughalen wat je nooit had willen verliezen.

    Een vlam Tasmaanse tijgers is een boek dat alles in zich heeft. Een schijnbaar kleine gebeurtenis, het uitsterven van de Tasmaanse tijger, krijgt een persoonlijke en urgente lading. De Tasmaanse tijger staat voor alles wat we hadden, maar uit het oog verloren zijn en wanhopig proberen terug te krijgen. En dat alles feilloos opgeschreven, lichtvoetig en toch gedragen en literair. 

     

  • Prozagedichten en de sfeer van Zen-verhalen

    Dichter, vertaler, schrijver en muzikant Scott Rollins (New York, 1952) woont sinds 1972 in Nederland. In 2001 bracht hij een spoken word-cd met tekstboekje uit,  After the Beep getiteld. Na drie dichtbundels in zijn moedertaal was Grenstekens (2020) zijn Nederlandstalige debuut als dichter, in 2023 gevolgd door zijn de bundel Spiegelschriften.

    Op het omslag staat de titel met daartegenover de spiegeling van het woord gescheiden door een reeks voetstappen in het zand. Twee sporen waarvan het ene gaat en het andere terugkomt. De wijde hemel erboven en de horizon in de verte roepen een sfeer van meditatie en bezinning op. Ook de inhoud van deze bundel doet denken aan Zen-verhalen, die hun inspiratie uit het dagelijkse leven halen en als allegorieën dienen ter ondersteuning van levenslessen. De vergelijking gaat misschien niet helemaal op, maar de korte prozagedichten die hier in vier afdelingen bijeen zijn gebracht, lijken te zijn bedoeld als bespiegelingen, als reflecties die tot nadenken dwingen. De titel brengt tot uitdrukking dat de een zich gespiegeld ziet in de ander, evenals dat ervaringen en gedachten van anderen ons een spiegel kunnen voorhouden.

    Op reis door verschillende landen

    De gedichten zijn als korte verhalen van meerdere alinea’s van slechts enkele lange zinnen, die doen denken aan de zkv’s van A.L. Snijders. Ze bevatten een schets van een gebeurtenis, een dialoog, een beschouwing. De uiterlijke vorm heeft geen herkenbare kenmerken van een gedicht, maar de inhoud met zijn poëtische metaforen en ingeklonken taalgebruik wijzen erop dat deze filosofische schetsen tot de poëzie gerekend mogen worden.

    In de eerste afdeling, Spiegelschriften, neemt de dichter de lezer mee op een reis door verschillende landen: Servië, Klein-Azië, het Amazonegebied. Overal zijn er mensen die iets te vertellen hebben, het verhaal van hun voorouders, van hun huwelijk, de instorting van hun financiële zekerheid, een brand die een onverzekerd huis verteert: ‘Nu pas realiseert hij zich dat hij niet verzekerd is terwijl de / sneeuw onverschillig verder valt. Nu pas beseft hij wat er bijna / gebeurd is terwijl hij de verschroeide restjes van boeken in / zwarte polyethyleen zakken propt. Nu pas begrijpt hij dat de / bijtende nasmaak die hij met klodders slijmvliezen uit zijn keel / blijft ophoesten hem tot andere inzichten brengt. Nu pas ziet / hij werkelijk hoe dun de lijn is tussen warmte en kou, erbinnen / of erbuiten zijn, middenin de sneeuw die nu naar binnen stuift, / tot in de verkoolde hoeken van de kamer. // Hij kijkt naar de meeuwen die ogenschijnlijk in het niets naar / een voor ons onzichtbare bestemming vliegen. Thuis denkt hij, / zit in je hoofd, het is een denkbeeld, een flinterdun bouwsel dat / we maken om in vrede te wonen, terwijl meeuwen thuis zijn in / het zweven.’

    Hun gedeelte van de realiteit

    In de afdeling Hoofdstad zijn de bewoners van Amsterdam aan het woord die vertellen wat hen bezighoudt. Of het in een torenflat is, of bij een haven aan het IJ, overal zijn mensen eenzaam, ondanks hun pogingen in gesprek te raken met elkaar. Een visser, toeristen, een zakenman, een junk Raveman geheten, zij geven allen een ander aspect van de hoofdstad weer. Hun verhalen zijn universeel en stijgen boven het persoonlijke element uit door de blik waarmee de dichter hen beziet. 

    Het perspectief van waaruit verteld wordt, kan per gedicht verschillen: nu eens is een ik-figuur aan het woord van wie niet altijd duidelijk is of dat het lyrisch ik van de dichter is of dat een willekeurige passant zijn levensverhaal doet. Dan weer gaat het over iemand die zelf niet betrokken wordt als spreker. Verschillende stemmen klinken op om hun gedeelte van de realiteit weer te geven. Als lezer is het zaak om aan de hand van wat er staat, die realiteit vorm te geven en in een samenhangend geheel onder te brengen. Pas dan wordt het wereldbeeld dat Rollins aanschouwelijk maakt compleet en krijgt een diepere betekenis.

    De moderne, steeds veranderende maatschappij en de invloed daarvan op de mens – en vice versa – staan centraal in de afdeling Screenshots, waarbij oorzaak en gevolg steeds opnieuw kritisch onder de loep  worden genomen door de dichter om vast te stellen wat aanleiding en wat resultaat was. Of het nu om de coronacrisis gaat, het maken van selfies of de strijd voor een betere wereld, Rollins legt niets op, schrijft niets voor. Hij suggereert door zijn manier van beschrijven dat het de bedoeling is dat die op verschillende manieren bekeken dient te worden. Want er is niet één algemeen geldende waarheid, iedereen heeft zijn eigen visie op authenticiteit. Rollins spoort lezers aan om daarover na te denken en de visie van anderen te respecteren. Hoe verschillend we ook denken, uiteindelijk streven we allemaal naar geluk. 

    Uitbundig en intiem spel met taal 

    ‘Je groeide snel op en ging de wereld in. Televisie had veel fami- / liegeschiedenis overschaduwd. Een generatie geleden luisterde / men gezamenlijk naar de radio en daarvoor zat men rond het / vuur om verhalen te delen. Maar de buis had je grootgebracht, / je aan de waslijn gehangen, je verbeelding bijna weggespoeld / met allerlei soaps. Dus om jou te vinden, opa, moet ik vechten / om je te herscheppen uit de verhalen van mensen die nog net / leven, die je toentertijd hebben gekend. Luisteren naar hun her-
     / inneringen waarvan de ene nog vager was dan de andere, als / harten die je hoort kloppen ergens in een woestijn.’

    De laatste afdeling, Tijdcapsules, is de meest persoonlijke van de bundel. Het lyrisch ik lijkt samen lijkt te vallen met de dichter. Hij bezingt een oude vriend in een requiem, hij dicht lyrisch over het insect beekschaatsenrijder, zoals Guido Gezelle zijn ‘schrijverke’ bezong, hij observeert een muis die op zijn tenen loopt, ‘[…] uitzonderlijke gevallen/ waarin wij stervelingen even stil blijken te staan bij een kos-/ misch moment’. Kleine persoonlijke voorvallen groeien uit tot iets van universele omvang, wat ook de bedoeling is van een tijdcapsule, die evenals deze gedichten gevuld is met voorwerpen en informatie, bedoeld om mensen in de toekomst te helpen een beeld te krijgen van een bepaalde tijdsperiode.

    Vooral in deze laatste gedichten speelt hij een uitbundig en toch intiem spel met de taal, dat deze bundel bijzonder maakt, om te herlezen en opnieuw je gedachten erover te laten dwalen.

     

     

  • Verhulstiaanse sociologie

    De vijfentwintigste roman van Dimitri Verhulst baadt een beetje in de sfeer van de Franse film Les Bronzés uit 1979, het filmdebuut van de Parijse cafétheater-groep Le Splendid. Dat verhaal is een sketch-achtige collage in een Club Med-achtig resort, lang voor Temptation Island. Het kaart het massatoerisme en de consumptiemaatschappij al aan.
    Bechamel Mucho is actueler en dichterbij. De vliegtuigritten zijn goedkoper: ‘Voor de prijs van vier dweilen vlieg je naar Mallorca.’ De Mediterranée vormt het decor.

    Het verhaal draait rond Alex die over de kop ging met zijn winkeltje met kaas van ‘moedermelk’ gemaakt. Huis, handeltje en vrouw zijn foetsie. Hij zoekt zijn oude stamkroeg op en constateert dat alles hetzelfde is gebleven, tot en met de klanten. Hij ziet dezelfde zieligheid als waarvan hij zich ooit wilde losmaken. Grootse toogideeën waarvan niks kwam. ‘De onverwachte en sedert jaren onverlangde terugkeer van Alex bevestigde voor velen het belang van de lamlendigheid. Wat je in werkelijkheid ondernam door de ondernemingszin, was het graven van je eigen put.’ Alex wordt er gezien als een ijdeltuit die het had geprobeerd en hen dan had verraden maar haha, daar stond hij weer, terug naar af. ‘Hij was een dommekloot geweest te denken dat hij zijn bestaan in eigen handen kon nemen.’ Dit is een staaltje Verhulstiaanse sociologie van de armoede. Verhulst getuigt dat wie probeert te ontsnappen uit de miserie argwanend wordt bekeken door de achterblijvers. Houden zij de miserie zelf in stand? Tegelijkertijd relativeert Verhulst ook het liberale middenstandsidee dat je alles zelf in handen hebt. Op zo’n moment wordt het filosofisch.

    Rommelbaantjes bestaan

    Even kan Alex terecht bij Peggy Pils, het meisje dat vergelijkende cultuurwetenschappen had gestudeerd en nog poseerde voor het blaadje van Lidl. Haar appartement straalt haar rommelbaantjes bestaan uit. Elk personage in het boek heeft een schaduwkant en meestal winnen miserie en de afgrond. De cultuur lijkt steeds in verval. Alex probeert te ontsnappen uit zijn eigen verval. ‘Neuken naast een kattenbak vond hij het lastigste.’ Er is werk in het onderwijs, in de zorg. Verhulst maakt van zulke gelegenheden gebruik om de mentaliteitswijziging in het onderwijs aan te kaarten: procederende ouders, ontlezing… Met grappige hyperbolen laat hij zien hoe de zorgsector verwaarloosd wordt. Uiteindelijk solliciteert de protagonist naar een baantje als animator, omwille van de gratis kost en inwoon.

    In een louche kroeg vindt het sollicitatiegesprek plaats. Er hangen een poster van een schlagerfestival en de geur van wc-verfrisser, en de personeelsverantwoordelijke heeft pupillen in de kleur van Pisang Ambon. Verhulst weet armzaligheid rijk en poëtisch te beschrijven.

    Met een trucker reist Alex richting Spanje. Het verhaal volgt ook enkele toeristen, zoals de weduwe Elma, die zich lijkt te verantwoorden voor haar keuze van een banaal resort en bij de animator in bed beland. Er is de recent door haar echtgenoot bedrogen Gerda. Ze zoekt troostvoer en wordt dik als een walvis. ‘Vroeger was ze slank.’ Er is Ilona de stewardess die ‘de dagelijkse drek aan dagcrème in haar poriën diende te pompen’.
    Sommigen zullen dit boek niet bepaald vrouwvriendelijk vinden door de denigrerende taal en vrouwen die als kluchtige typetjes worden opgevoerd. Maar kaart Verhulst niet net het vrouwonvriendelijke van het kapitalisme aan? Vrouwen die slaaf zijn van strenge standaardnormen, producten gecreëerd in een patriarchale maatschappij? ‘Stewardessen zijn courtisanes, ze horen de vrouwelijkheid te belichamen zoals die leeft in de fantasieën van mannelijke oprichters van vliegtuigmaatschappijen.’ En: ‘Eigenlijk was ze de kassierster van een vliegende superette.’

    Elke zin een kunstwerkje

    Dit verhaal gaat over de mens die alles consumeert. Consumeren de mensen ook elkaar? Het verhaal wemelt van halftalenten die wel willen maar niet kunnen en berusten in het middelmatige en platvloerse. Het resort verschilt niet eens zoveel van de groezelige stamkroeg.

    Er is ook een vergeten Ierse zangeres die het optreden mag verzorgen. Het levert een hilarische maar evengoed droevige scène op over het animatieaanbod van de clubhotels. Afkooksels van Paco de Lucia, te mollige barbiepoppen, een travestieshow. Ook hier zijn de beschrijvingen van miserie rijk, hier en daar ook overmatig. Elke zin is een kunstwerkje, Verhulst studeert al schrijvend en beschrijft vaak elk detail. De verbeeldingskracht is ijzersterk, maar soms snak je ook naar soberheid en rust. In een paar pennenstreken lijkt de zangeres op Sinead O’Connor, met haar rotjeugd, jongenskopje en kritiek op de kerk. Even later wordt ze dood teruggevonden tussen lege flessen en pillendozen.

    Er is nog een zieltogend echtpaar. Mireille, wier man meer van voetbal houdt, schrijft zich in voor elke banale activiteit onder begeleiding van Alex. In de hotelboetiek koopt ze een corrigerend badpak. Ook een Oekraïense vluchtelinge met een man aan het front, kon niet ontbreken. ‘Iedereen lijkt hier op de vlucht van een bepaald soort oorlog,’ lees je op het einde, wat ook het einde van het hoogseizoen is, misschien het einde van een beschaving. Maar dan staat Alex ex-vrouw er plots…
    Verhulst maakte ook in deze roman een operette van de falende mens.

     

     

  • Een mysterieuze verdwijning in Vlaanderen

    Met Zoethout heeft de Vlaamse Marita de Sterck weeral een nieuwe young adultroman geschreven die spannend en aangrijpend is en goed geschreven in een Nederlands dat fraai doorspekt is met Vlaamse woorden en uitdrukkingen. De 69-jarige De Sterck heeft een indrukwekkend oeuvre van een kleine zestig titels op haar naam staan en ze heeft voor haar jeugdboeken die sinds 1985 zijn verschenen al meer dan tien nominaties en prijzen in de wacht gesleept. In haar nieuwste roman wordt vanuit meerdere perspectieven het verhaal verteld van een verdwenen meisje uit een kansarme buurt, een nieuwsgierige jonge nieuwkomer en onvermoede geheimen.

     

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

     

  • De wereld is haar eigen karikatuur

    ‘Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker, 1820-1887) neemt in dit handboek een cruciale positie in, getuige “Het Pak van Sjaalman”, de verzameling fictieve manuscripten die hem tot het schrijven van de Max Havelaar (1860) zou hebben gezet’. Verzamelingen van verzonnen documenten of boeken waren er ook al voor Multatuli. De beroemdste is de catalogus van de Middeleeuwse abdij Saint-Victor. Hij staat vol niet-bestaande titels en werd bedacht door François Rabelais in zijn Pantagruel uit 1532. En er zijn nog meer voorbeelden van dergelijke fakes.
    Het citaat over Multatuli komt uit Het Carnaval van het Zijn. Handboek ‘Patafysica van Matthijs van Boxsel. Maar het Sjaalmanpak is niet de enige reden waarom Multatuli volgens hem een goed voorbeeld van een ‘Patafysicus is. Er is ook zijn Idee 158 dat door Van Boxsel uitvoerig wordt geciteerd en kernachtig kan worden samengevat in de stelling dat de wereld haar eigen karikatuur is. Dat is één manier om duidelijk te maken wat ‘Patafysica is.

    Eerst maar eens de verklaring van de naam ‘Patafysica. Van Boxsel geeft er omschrijvingen van in allerlei varianten, waarvan deze misschien de helderste is: ‘De ‘Patafysica omhelst alle theorieën, wetenschappelijk of niet, als evenzovele min of meer mislukte pogingen in het reine te komen met de idiotie van het bestaan’. Het is een mengeling van wetenschap, kunst, geloof en humor, maar het is daarnaast een houding: ‘De wereld is feitelijk de ware Academie voor ‘Patafysica. Alles en iedereen is patafysisch’. Dat beseft echter niet iedereen en daar heeft de ‘Patafysica zijn apostrof voor de P aan te danken. Die staat voor mensen die dat door hebben.

    Jarry

    Door een stel geleerden werd in 1948 in een Parijse boekwinkel het Collège de ‘Patahysique opgericht; de naam was ontleed aan de schepper van deze levensbeschouwing, Alfred Jarry (1873-1907) die in zijn Roemruchte daden en opvattingen van Doctor Faustroll, patafysicus de naam muntte. Hij is ook degene die het leven omschreef als ‘Het Carnaval van het Zijn’.
    In de jaren na de stichting van het Collège werd dit geleidelijk geformaliseerd. Er kwamen statuten, een embleem bestaande uit een spiraal met de tekst eadem mutata resurgo (hetzelfde keert altijd weer, maar dan anders), een eigen jaartelling, een eigen kalender (waarin elke dertiende van de maand op een vrijdag valt) en een lijst met rangen (regenten en satrapen – Maurits Escher is de enige Nederlandse satraap) en ordes als die van Smeerolie, de Blaasmachine en de Vuurgangvlampijpketel, elk met een eigen kleur kwast.

    Fumisme

    De ‘Patafysica breidde zich uit met een nieuwe tak, het Fumisme, een systeem van mystificaties ‘bedoeld om de hypocrisie aan de kaak te stellen en de bluf door te prikken’ (fumisme is misschien te vertalen als het opwerpen van rookgordijnen). Het leidde volgens Van Boxsel enerzijds tot de emancipatie van de humor en was anderzijds een ‘vorm van methodische domheid’. Onder deze stroming vallen klankgedichten zoals we die in Nederland kennen van Jan Hanlo (Oote oote oote / Boe) en van fantasiewoorden zoals van Cees Buddingh’ (de Blauwbilgorgel). Maar het Fumisme uit zich ook in karikaturen, schertsbladen, relativering van de kunst (Marcel Duchamp onder andere) en cabarets zoals dat van de petomaan Joseph Pujol, die zijn publiek onderhield met het laten van scheten in allerlei toonaarden en lengtes. Alles ter illustratie van de bewering dat cultuur is: ‘het product van een reeks min of meer geslaagde pogingen de schijn op te houden’.

    Circonflex

    De ‘Patafysica sloeg ook in Nederland aan. Hier werden vanaf 1972 het NIP (Nederlands Intstituut voor ‘Patafysica) en het NAP (de Nederlandse Academie voor ‘Patafysica) opgericht. Er kwam een eigen naam, de Bâtafysica waarin het Bataafse doorklinkt. De apostrof voor de beginletter is vervangen door een circonflex op de eerste a. Prominente leden waren en zijn Van Boxsel zelf, Atte Jongstra, Maxim Februari, Rudy Kousbroek en Wim T. Schippers. De ware bâtafysicus is volgens de auteur, een antropoloog in eigen land die in staat is het inheemse als exotisch te zien. Dat gezelschap is in Nederland bijzonder groot. Van Boxsel rijgt de voorbeelden aaneen en dan nog blijft hij in zekere zin beknopt. Het Simplisties Verbond bijvoorbeeld moet het louter met een vermelding doen.
    Wat ook opvalt is dat de indruk wordt gewekt dat ‘Patafysica zich voornamelijk in Frankrijk en Nederland manifesteert. Slechts zijdelings vallen Angelsaksische namen en uit landen ten oosten van Duitsland verschijnt niemand ten tonele. Geen Monty Python dus en geen Hrabal, die toch niet misstaan zouden hebben. Andere continenten passeren evenmin.

    Koprollen

    Die Frans-Nederlandse inkleuring is sterk zichtbaar in de drie delen van Het Carnaval van het Zijn. Het eerste gaat over het ontstaan van de ‘Patafysica en de organisatie ervan in beide landen en het tweede over het Fumisme. Het derde deel is getiteld Protobâtafysica en laat met tal van voorbeelden zien dat er ver voor Jarry de naam bedacht in de Nederlanden al heel wat ‘patafisici avant la lettre waren. Denk aan de rederijkers in de late Middeleeuwen en dada in het begin van de 20ste eeuw. Van Boxsel serveert de meest bizarre voorbeelden zoals de Amsterdammer Karel Pieters die in 1920 naar Parijs liep met een blok hout aan zijn been of zijn stadgenoot Charles Takkenberg die in 1923 al koprollend de tocht naar Marseille begon (en aankwam).

    Matthijs van Boxsel heeft met Het Carnaval van het Zijn een Handboek ‘Patafysica geschreven dat onmogelijk in een korte bespreking recht is te doen. Want naast alle voorgaande voorbeelden hebben we het hier niet eens gehad over leven en werk van Alfred Jarry (Ubu roi vooral) en allerlei organisaties als OuLiPo (en in Nederland het Opperlans), ‘Openbaar Kunstgebit’, ‘Barbarber’ enzovoort. Het vijfhonderd pagina’s dikke Handboek is een heerlijke stortvloed van voorbeelden in tekst en illustraties waarin de idiotie van ons bestaan aan de kaak wordt gesteld. Het had nog uitgebreider gekund (zie hiervoor) en jammer is ook dat er wel een personenregister maar geen zakenregister is opgenomen, maar ach, waarom zouden we dat Van Boxsel aanrekenen bij alles waaraan we ons dankzij hem wel kunnen laven. Pak dat boek ter hand en treedt toe: ‘De Nederlandse Academie voor ‘Patafysica is geen vrijmetselarij, geen liefdadigheidsinstelling of Rotary. Iedereen kan lid worden zonder drieslag, besnijdenis of piercing. De enige inspanning die men moet verrichten is ruimhartig geld storten’. Dan is € 39,99 voor deze ‘Patafysicabijbel alvast een goed begin.

     

     

  • Structuur van een tragedie

    In de ouverture van de derde bundel van Max Greyson, Dramaturgie van het loslaten word je direct meegenomen in het meeslepende liefdesspel dat het ik met zichzelf en de ander opvoert. Je voelt direct de behoefte om te weten hoe dit drama afloopt. Greyson heeft voor deze bundel als dichter en theatermaker de klassieke vorm van de tragedie gekozen met een opbouw van vijf bedrijven, een ouverture, een epiloog en een interlude na het derde bedrijf. De drive die hij zijn verzen meegeeft, laat zich goed begrijpen vanuit zijn ervaring als spoken word performer. In verschillende verzen maakt hij gebruikt van parallellie en opsomming. Met het motto van Maya Angelou: ‘One paints the beginning/ of a certain end// The other, the end of a sure beginning’ illustreert Greyson hoezeer de personages in dit levensdrama staan, al cirkelend rond zichzelf en elkaar. Gedurende de opvoering van dit drama koesteren ze voortdurend een oprecht en intens verlangen naar elkaar. 

    In de ouverture ‘Chanson’ bespeurt het ik ‘het milde gebaar’ om afgewezen te worden. Er is op dat moment al tussen de geliefden een spatie zichtbaar ‘tussen geest en drift’.  De betovering van de ander zit voor het ik in haar manier van bewegen. In zijn nadering betrapt hij zichzelf op vluchtgedrag. Greyson is er een meester in om met aansprekende personificaties en metaforen je een voorstelling te geven van het proces waarin het ik en de jij zich begeven. Daarbij zet hij wat het ik wel en niet bekoort tegenover elkaar. Zo kan de schoonheid van ‘de gouddooraderde ogen’ niet de bekoring van het ik voor de jij doen verminderen, maar wel haar ‘trage sier’ van schouders. 

    Opbouw van het drama

    Het eerste bedrijf ‘jij’ is als een Genesismoment. Daarin ontspint zich de intrige van het spel van aantrekken en loslaten. Een woord als ‘bindingsangst’ valt, maar ook de uitspraak ‘we maken ons op om te spelen’. In ‘Fiat lux’ bevinden het ik en de jij zich op het toneel en voeren elke avond hun dialoog in de spotlights op. Er is plankenkoorts, schroom om zich aan zichzelf, elkaar en het publiek te tonen. Het ik heeft er moeite mee ‘dezelfde vanzelfsprekendheden schuldig te blijven’ en heeft behoefte aan ongrijpbaarheid. Ze zoeken naar de juiste houding tijdens hun repetities. Zodra ze op het toneel staan, bevriezen ze in de stilte.  Ze zoeken naar dekmantels voor hun ware gevoelens door middel van beeldspraak: ‘De zin van dit rekken is vrijlaten/ zonder los te raken, in het rafelen/ niets van mezelf verliezen’. 

    In het tweede bedrijf ‘zij’ lezen we het verhaal van de pleegdochter. Zij vertelt aan het ik hoe in haar ogen de wereld draait. Met de ‘tedertalige vorm van medeleven’ van het ik heeft ze moeite. Het gebruik van deze nieuwvorming illustreert dat nog eens. Haar werkelijkheid is te pijnlijk voor woorden. Gevlucht uit haar dorp in Afghanistan vertelt ze van haar ‘spooktocht’ naar een veilige haven. Ze merkt hoezeer ze is getekend door haar cultuur en voorgeschiedenis, waar ze moeilijk van kan loskomen, zoals ‘de man aan wie ze was uitgehuwelijkt’. Haar lichaam vergeet niet wat ze heeft doorgemaakt. Ze ervaart haar dingelijkheid en weet dat de werkelijkheid niet deugt. In het laatste gedicht ‘Oost West’ gebruikt Greyson de typografie om de twee werelden waarin de pleegdochter leeft uit te drukken door links, rechts en door het midden tekstfragmenten af te drukken die haar innerlijke gespletenheid tonen. Het loslaten van de Afghaanse en het ingroeien in een Vlaamse cultuur strijden om de voorrang.  Uiteindelijk is haar wens vrij te zijn en niemand toe te behoren. Wereldproblematiek van de vluchteling spiegelt zich hier aan de persoonlijke tragedie tussen het ik en de jij. 

    Koor van tussentijds commentaar

    Het derde bedrijf ‘wij’ staat in het teken van de intensieve verkenning van elkaars werelden. De ontaarding in de liefde lag op de loer. Nu het ik en de jij bij elkaar zijn is bij haar de vrees voor de Blauwbaard in de ander. Er is afstand tussen de geliefden. Athene en Parijs. Sms-contact als teken van af- en aanwezigheid. Er schuilt iets van de Persephone in de jij bij de halfjaarlijkse afwezigheid van het ik. De jij is bang voor die afstand en vreest dat het ik een ander zal zijn als hij terugkomt. Ze weten zich omringd door de grote boze buitenwereld. Het ik probeert echter deze ‘ontwijkende wijs’ te omzeilen. Toch is er dan nog het ‘zwijgen’ van de ander als was zij ‘De stomme van Portici’. Tot slot dromen ze samen ‘terug de kamer in’ en wegen hun geheugen, laten zich wiegen ‘als een lied’. En dan is er de constatering dat ‘een lichaam […] beter [weet] dan een hoofd/ wat het moet onthouden en vergeten’. Telkens speelt bij de jij de gedachte aan het rollenspel, dat leven heet, te willen ontsnappen. 

    Zoals in tragedie gebruikelijk is, geeft het koor tussentijds commentaar op de gebeurtenissen. In de interlude kijken anderen naar het ik en de jij. We hebben elkaar in de wereld mandaat gegeven om te praten, maar dat leidt helaas tot de conclusie, dat het leven ‘een dialoog van doven’ is. ’Eerst aan zee’ is zo’n gedicht waarin Greyson met de repeterende versregel ‘Er is een feest aan zee’ de huiver, vrees en angst die bij de ‘toneelspelers’ leeft, kracht bijzet. Zo doet het ik in ‘Onenightstand met Amsterdam’ een (zelf)verkenning bij een hoer, om tot de conclusie te komen: ‘hoe graag ze gebonden wordt, maar [ze] zich niet bindt’. Hij ervaart in haar onervarenheid van het vertragen, opnieuw zijn eigen moeite in het loslaten. In het gedicht ‘Woke’ toont Greyson zich waakzaam en kritisch om ‘de westerse geschiedenis van haar opsmuk’ te ontdoen. Hij spreekt in ‘Generatiepact’ een mild oordeel uit over de voorgaande generatie, wetend dat de volgende het niet veel beter zal doen, kortom, laat je oordeel los. 

    Zo steekt loslaten in elkaar

    In het vierde bedrijf ‘Zij’ (de moeder) komt een bewustwording tot stand. Telkens komt ’s nachts in haar dromen de overleden moeder van de jij haar opzoeken. Ooit is ze zoekgeraakt. Hoewel het ik en de jij een vorm van zwijgen hebben gevonden omtrent haar, trilt nog altijd: ‘je moeders stem […]/ in het gips van de muren’. Weemoed heeft de jij bevangen: de ik ‘hoorde tussen het fluiten van je adem door/ hoe herinneringen visioenen werden’, als het gaat om de moeder. Dat verleden, heden en toekomst ononderbroken doorlopen geeft Greyson aan door de ontbrekende leestekens. Steeds duidelijker wordt dat de dingen nooit de dingen blijven onder invloed van het ‘flirten met de dood’. Het kost de jij moeite om de moeder los te laten. 

    Telkens blijft in het ik de verleiding bestaan de jij ‘liever te vergeten, dan naar […][haar] te moeten kijken’. In elke ervaring speelt de relativiteit een rol. Het zelfinzicht neemt toe. De mentale omslag nadert, zoals te lezen in het gedicht ‘Na de komma’:

    ‘De toegift, de complimenten, de buiging
     krommend knikken
     uit beeld verdwijnen en weer terugkomen
     de buiging nog net iets dieper,  iets langer aangehouden

     Wie elkaar kwijtraakt, komt elkaar pas weer tegen
     wanneer de een niet zoekt en de ander niet wacht’ 

    Pas wanneer de ontspannenheid over het opgaan in elkaar er is, kan het loslaten leiden tot meer vrijheid: ‘maar dichter, je zal zingen op papier of je zal zwijgen/ hou op, ze slaapt in een andere kamer/ ze is verwijderd, ze heeft je losgelaten/ je bent vrij’. Zo steekt voor Greyson de dramaturgie van het loslaten in elkaar.

     

     

  • Geestgeworden vrouwenhaat

    Wie, of misschien zelfs wat, is er aan het woord in Susan Taubes’ Treurzang voor Julia? Een ‘grijze, onbeduidende geest’ noemt de verteller zichzelf, ergens halverwege het boek. Alleen kun je tegen die tijd, na bladzijdes vol tegenstrijdigheden, al lang niet meer op zijn woorden vertrouwen. Weet de verteller zelf wel wie of wat hij (of zij?) is? Een ‘zwarte prins’? Een ‘jaloerse echtgenoot’? De verteller verbaast zich over Julia’s lichaam — ‘Waar was het banier van haar geslacht?’ —  en toch, een paar bladzijden later stelt hij (of zij?) zich zichzelf voor als een ‘ontzagwekkende matriarch, een bijenkoningin’. Zeker is dat er iemand in Julia leeft. Een tweede bewustzijn, naast het bewustzijn dat Julia wordt genoemd. Waarom dat tweede bewustzijn daar is, kan het ons niet vertellen. 

    Julia is een levenslustig kind, nieuwsgierig en impulsief, een dartelend jong meisje. Ja, ze loopt in zeven sloten tegelijk, maar eenmaal doorweekt, met moddervlekken in haar jurk en haar vol kroos, maakt ze er het beste van. Helaas is dit niet hoe de verteller haar beschrijft. Zodra hij haar leert kennen, in haar gaat wonen, bezit van haar neemt, beseft hij dat hij haar niet mag. ‘Ze paste helemaal niet bij me, deze ongedurige, sproetige, duimzuigende, bedplassende Julia. Ze was me te mollig en te snollig; als peuter al dwaalde ze rond door de bediendenvertrekken op zoek naar vrijers van de dienstmeid. En zo wulps als ze begon te kronkelen in het bijzijn van iedere man! Ik schaamde me voor Julia.’ 

    Gevangen veroveraar

    Julia verandert van een jong kind in een tiener. De vraag wie of wat de verteller is wordt steeds prangender. Het zit hem in de niet-verholen vrouwenhaat, de manier waarop Julia’s ontwakende seksualiteit veroordeeld en verafschuwd wordt, een vrouwenhaat die benauwt en schokt. Fantaseert Julia over verkrachting of is het de verteller die de puurheid waar hij zo aan hecht bezoedeld wil zien worden? Als Julia, vijftien jaar oud, op een feest een officier van de in de dertig ontmoet die haar meeneemt naar een herberg laat de verteller hem zijn gang gaan. Geen pogingen om Julia te behoeden voor wat er komt, ook niet als ze geen woord meer kan uitbrengen ‘uit angst om in tranen uit te barsten’. Ze moet de gevolgen van haar, nog kinderlijke, seksuele spel zelf dragen, terwijl de lezer met afschuw toekijkt. ‘Opeens was haar positie van veroveraarster in gevangene veranderd’.

    Ja, wie is toch die verteller? Pas als Julia trouwt, met Peter Brody, de man die haar ‘de goede Julia’ maakt, treedt hij een aantal jaar terug. In eerste instantie lijkt het zelfs even of hij ophoudt te bestaan. Hier rijst de vraag of de verteller, de geest, voor meer staat dan alleen voor zichzelf. Is hij de geestgeworden vrouwenhaat die in een patriarchale samenleving in iedereen, ook in vrouwen, huist? Dat zou verklaren waarom de verteller zich koest houdt tijdens de jaren dat Julia doet waarvoor ze in zijn ogen gemaakt is: baren, zogen, beschikbaar zijn voor haar man.

    Pas als het Julia niet meer lukt deze rol te vervullen — haar arts legt haar een wachttijd van enkele jaren op voor ze opnieuw zwanger mag worden terwijl ze nog geen zoon heeft gebaard — roert de verteller zich opnieuw. Julia voelt zich verbitterd en verdrietig, ze drinkt stiekem gin in de schuur. De verteller jaagt haar voort, van de ene naar de andere huishoudelijke taak. ‘Er viel duidelijk maar één koers te varen wilden we een schipbreuk voorkomen: ze moest een nieuwe schoonheid verkrijgen door te berusten, te gedogen, te verdragen; ze moest zich opgewassen tonen tegen de ernst van haar positie. Dit was de ware toetssteen van Julia’s vrouwelijkheid.’ Deze Julia, in een nieuw gareel gedwongen, is voor de verteller nauwelijks meer herkenbaar. Ze lijkt verdwenen, stelt hij vertwijfeld vast, het meisje, de jonge vrouw, de jonge moeder. Wie is het die een affaire aangaat met Paul Holle, wie baart er een zoontje?

    Dodelijke kritiek

    Gaat het bij een roman om de bedoeling van de schrijver of om wat de lezer erin ziet? Veel mensen hebben er behoefte aan een schrijver over zijn werk te horen vertellen, waarom anders al die interviews en boekpresentaties? Hoewel Treurzang voor Julia pas na Taubes’ dood is gepubliceerd staan we toch niet met lege handen. We kunnen haar zelfs uit het werk horen voorlezen, in deze opname van 25 januari 1966. Taubes werd in 1928 geboren als kind van Hongaarse ouders in een Joods gezin. In 1939 emigreerde ze met haar vader naar de Verenigde Staten, waar ze aan het Bryn Mawr College studeerde en een doctoraat behaalde aan Harvard. Ze publiceerde één roman, in 1969, Scheiden. Die roman gaat, volgens Deborah Levy in The Guardian (27 februari 2021), over veel meer dan het uiteenvallen van een huwelijk. ‘Misschien vooral over misogynie en hoe deze een slimme vrouw kan ontmoedigen en verdoven.’

    Het is diezelfde vrouwenhaat die Taubes ertoe leidt zichzelf te doden. Vier dagen nadat literair criticus Hugh Kenner haar werk in The New York Times afdoet als het werk van een ‘lady novelist’ en ‘a quick-change artist with the clothes of other writers’ verdrinkt Taubes zichzelf aan de kust bij Long Island in East Hampton. De herwaardering van haar werk die erop volgt, waar de publicatie van Treurzang voor Julia onderdeel van is, heeft ze dus niet mee mogen maken. Hoe schrijnend dat Atlantic Magazine haar roman Scheiden in 2024 zelfs opnam in zijn lijst van ‘The Great American Novels’ en het een herontdekt meesterwerk noemde.

    Precies zo schrijnend is Treurzang voor Julia. De verteller praat meer dan tweehonderd bladzijden lang over niets anders dan zijn ‘protegé’ en toch is het onmogelijk een beeld van haar te krijgen. Julia blijft onzichtbaar achter sluiers van vrouwenhaat. De vraag is niet alleen wie de verteller is, maar ook wie Julia is als we haar niet noodgedwongen door zijn ogen zouden bezien. Het maakt van het lezen een pijnlijke ervaring, een die het vrouwbeeld van de samenleving blootlegt. Hoeveel mensen lukt het zich daar werkelijk aan te onttrekken? Het boek voelt, vijfenvijftig jaar na dato, actueel, alsof er aan vrouwenhaat in al die decennia niets is veranderd. Geen opwekkende leeservaring maar misschien wel een geruststellende. Wie last heeft van vrouwenhaat verbeeldt zich dat niet. 

     

     

  • Carnavalesk en absurd

    Liefhebbers van James Joyce zullen zich in de handen wrijven met Het Dalkey-archief van Flann O’Brien, dat nu, zestig jaar na zijn verschijningsdatum, voor het eerst in het Nederlands vertaald is. Flann O’Brien (pseudoniem van Brian O’Nolan, 1911-1966), is naast James Joyce en Samuel Beckett, de derde grote naam van het twintigste-eeuwse Ierse schrijversfirmament, al mogen we Oscar Wilde en Brendan Beehan ook niet vergeten. De grote Joyce zelf was lovend over O’Brien en noemde hem ‘een echte schrijver, met de ware humoristische geest’. Niets is minder waar: naast zijn columns in de Irish Times viel O’Brien vooral op met zijn hilarische absurdistische romans, waarvan At Swim-Two-Birds (1939) ongetwijfeld zijn meesterwerk is.

    O’Brien schreef slechts vijf romans en overleed vrij vroeg, geplaagd door alcoholisme en kanker. Bij ons is het werk van O’Brien minder bekend, ook al omdat het net als Joyce’s werk minder toegankelijk is of minder begrepen werd. De vertaling van Het Dalkey-archief door Robbert-Jan Henkes mag dan ook als een krachttoer gezien worden, al had deze natuurlijk al wat ervaring door zijn vertalingen van Joyce. Uitgeverij Kopernik nam een risico door dit werk nu uit te geven, maar het zal de voor velen onbekende en vergeten topauteur misschien opnieuw in de belangstelling brengen.

    Kroegvrienden

    Plaats van handeling, zoals de titel al aangeeft, is het kleine kustplaatsje Dalkey, ongeveer twintig kilometer ten zuiden van Dublin. Twee kroegvrienden Mick en Hackett bezoeken regelmatig de bar van hotel Colza, waar ze bediend worden door mevrouw Lavetry, die ze vaak smalend ‘Lavatory’ of toiletpot noemen. Na een zwempartijtje ontmoeten de twee vrienden de excentrieke De Selby en worden ze uitgenodigd in zijn verborgen stulpje. Bij zelfgestookte whiskey doet deze theoloog en uitvinder hen uit de doeken hoe hij de tijd kan doen stilstaan en de wereld kan vernietigen met een zelfuitgevonden substantie. Daarenboven is hij ook in staat terug te gaan in de tijd en voert hij diepfilosofische en theologische gesprekken met heiligen en kerkvaders. De volgende dag zijn Mick en Hackett daar ook zelf getuige van in een onderwatergrot.

    Mick wil De Selby weerhouden van het vernietigen van de wereld en doet een beroep op brigadier Fottrell, een man die steeds met de fiets aan de hand loopt omdat hij bang is dat hij anders met zijn fiets zal vergroeien door metaalmoleculenuitwisselingen. Om anderen hiervoor te behoeden prikt hij ook constant banden van fietsen stuk. Om afleiding te vinden voor De Selby wil hij hem in contact brengen met James Joyce. Mick is namelijk te weten gekomen dat de grote James Joyce nog zou leven in Skerries, een dorpje even ten noorden van Dublin. Hij gaat op zoek en ontmoet de schrijver, die nu barman is. Hij probeert hem te confronteren met zijn grote werk Ulysses, maar daar schijnt Joyce geen oren naar te hebben. Hij veracht het werk zelfs. Uiteindelijk vraagt hij Micks hulp om in te treden bij de jezuïeten.

    Absurdisme

    Het
    Dalkey-archief lijkt niet alleen één en al chaos, maar is het ook. Structuur en een lijn hoeft de lezer er niet in te zoeken. Dat was ook niet de bedoeling van Flann O’Brien, voor wie de wereld ook één en al chaos was, al dan niet gelinkt aan zijn overmatig drankgebruik. Er wordt overigens nogal wat afgedronken in Het Dalkey-archief: elk gesprek gaat gepaard met talloze rondjes alcohol, waardoor de gesprekken vaak ontaarden in krachttermen en absurde uitspraken. Het boek moet het vooral hebben van de flamboyante en aparte stijl die O’Brien eigen was. Zijn cynische uitlatingen over wetenschap, intellectuele hoogmoed en religie zijn zijn handelsmerk. Hij spot met alles waarmee gespot kan worden en schuwt blasfemische uitspraken niet. Zijn personages zijn carnavalesk en absurd, maar daardoor juist zo aanstekelijk.

    O’Brien tracht de grenzen van de werkelijkheid steeds uit te rekken en laat zijn fantasie de vrije loop. Wie daarin meegaat, kan ontzettend genieten van zijn boeken. In het boek zitten ook verwijzingen naar The Third Policeman, geschreven in 1940, maar postuum uitgegeven in 1967. De grandioze vertaling van Het Dalkey-archief kan meteen ook een uitnodiging zijn om dit werk en andere van O’Brien opnieuw te lezen. Hoewel Het Dalkey-archief niet zijn beste boek is, kan het gerust ook een hoogtepunt van surrealisme en absurdisme genoemd worden. Wie vermakelijkheid en het absurde hoog in het vaandel voert, zal genieten van begin tot eind.

     

     

  • Een verhaal over het leven, vasthouden en loslaten

    Misschien roept de naam van de auteur niet meteen herkenning op, maar de titel Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft vast wel.

    […]

    Wat doe je als je merkt dat je beste vriend gaat sterven? Je wilt hem toe-eigenen, hem nog even bij je houden door hem onmisbaar te maken, grappiger en heldhaftiger, want loslaten is moeilijk.

    […]

    Het prentenboek Mijn Jimmy gaat over sterven, nee, over het leven, en vertelt in heldere taal, met grapjes en wijze woorden het verhaal over een naderend afscheid. Of dit boek de klassieker over de mol evenaart, is de vraag, want daarvoor is het thema vrij specifiek, maar een aanrader is dit boek absoluut.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.