• De diepere betekenislaag in Jansma’s gedichten

    De dichter Esther Jansma is op 23 januari van dit jaar overleden. Haar laatste bundel, We moeten ‘misschien’ blijven denken, zal haar allerlaatste blijven. Haar dood zet de gedichten misschien niet in een ander licht, want ze leed al lang aan kanker, wist dat het einde onvermijdelijk naderbij kwam en beschouwde deze bundel als haar afscheid. Maar eens te meer valt op hoe groot haar moed was en hoe afwezig haar zelfbeklag. Nergens maakt ze duidelijk dat de gedichten autobiografisch zijn, het lyrisch ik mag niet automatisch vereenzelvigd worden met de dichter zelf. Toch is het overduidelijk dat zij veel van zichzelf in deze bundel verwerkt heeft.

    Zo haalt ze regelmatig de personages Romanticus, Oud en het hoofd van stal: deze drie protagonisten maken allen deel uit van de dichter zelf en leveren commentaar op de kanker, het aftakelingsproces en het gevoel dat daarbij opgeroepen wordt. Waar de dichter zich terughoudend opstelt en de aspecten van de ziekte niet alleen op zichzelf betrekt, maar algemener maakt, stellen deze drie zich harder op en verbloemen niets. Ze brengen daardoor ook een vreemd soort van humor en troost, omdat ze op een andere manier omgaan met de werkelijkheid. Voor het eerst traden ze op in haar bundel Picknick op de wenteltrap (1997) toen de ouders van de hoofdpersoon gescheiden waren en daarna de vader overleed. Ook nu zijn ze nodig bij verdriet en leed om te zorgen dat er steeds opnieuw een begin gemaakt kan worden, ook al loopt het op niets uit. 

    Elk jaar opnieuw een begin van iets

    Daar wijst ook het mooie gedicht ‘Hoop’ uit de Proloog op, waarin iemand elk jaar opnieuw een bougainville plant, ook al overleeft die de winter niet: ‘[…] en sterft al/ en het jaar daarop weer en het jaar daarop weer./ Iemand denkt: ik handel uit hoop, ik leer het nooit’. Hoop is gekoppeld aan ‘misschien’ denken. 

    Dat doet ook de foto op de omslag: een ei dat kapot gevallen is. Of heeft het kuiken dat erin zat, zich een weg naar buiten gebaand? Gaat het om dood of om leven, als Schrödingers kat? De kwetsbaarheid van dat kapotte ei, dat nog vaker terug zal keren in de gedichten, laat zich zonder voorbehoud verbinden met het menselijk lichaam met al zijn gebreken, de kanker en de hoop. De dichter geeft aan dat alles wat ons overkomt, willekeur en toeval is, maar als mens nemen we daar geen genoegen mee, we blijven zoeken naar oorzaak, reden, schuld. Ieder van ons wil iemand zijn die zich onderscheidt van de anderen:

    Zoek

    Wie van ons is waar, vraagt een eitje en breekt
    vraagt het koppie van het natte grijsverig
    kuiken dat eruit steekt, brutaal vraagt het: wie?

    Ik weet niet waar we zijn, is een antwoord.
    Ik ben hier, zegt het eitje, zie je me niet
    ik vraag wie van ons echt is, wie dan?

    We zijn meervoud, met velen, we zijn massa’s
    geworpen door oneindig toevallig zwart
    op zomaar een erf in zomaar een schuur

    die we nu en aarde en melkweg noemen
    waar we al vallend ons licht in schijnen
    en glimpen van zien, dat noemen we waarheid

    is een antwoord. Maar niet voor Eitje, niet
    voor het koppie van het kuiken. Het piept:
    vreemde weter, antwoordgever, wie ben ik?

    Veelzijdigheid van dichter en meer

    Deze bundel gaat niet alleen over ziekte en dood, zoals de dichter niet alleen maar kankerpatiënt was. Jansma was dichter, dendrochronoloog (een wetenschapper die zich bezighoudt met het dateren van houten voorwerpen of archeologische vondsten aan de hand van in de voorwerpen herkenbare groeiringen) en was feministe. In het nawoord van deze bundel vertelt ze hoe vaak het feit dat iemand vrouw is de overhand heeft bij het beoordelen van haar werk: ‘Ik heb tijdens mijn werkende leven lang geloofd dat de kwaliteiten van literair en wetenschappelijk werk eenvoudig herkenbaar zouden zijn. Maar helaas overschaduwt het vrouw-zijn van makers en denkers nog steeds de wijze waarop hun werk wordt beoordeeld.’ In een aantal gedichten in deze bundel brengt ze dat op humoristische, maar wrange manier naar voren, zoals in het volgende gedicht:

    Start

    In de fabriek voor porseleinen poppen
    maken ze beentjes en hoofdjes en armpjes
    en buikjes die allemaal zo intens wit zijn

    zo frêle dat je bijna de dag erdoorheen
    kunt zien gloeien en die hoofdjes
    en die doorschijnende glooiingen van hun hoofdjes

    och, daarvoor moeten de penselen haarfijn zijn
    hemelsblauw voor de oogjes, rozerode likjes
    op de lipjes, de haartjes een webje van goud –

    dan ijzerdraad om het beschilderde vanbinnen
    onzichtbaar houtje-touwtje finaal te verknopen
    tot: zo, dit is een lief en mooi meisje, dus af.

    Het veelvuldige gebruik van verkleinwoorden werkt eerst vertederend, maar wanneer de laatste versregel spreekt van ‘meisje’, wordt het denigrerend. Het brute ‘ijzerdraad’ staat in schril contrast tot al dat liefelijks. En hoe moeten de laatste woorden ‘dus af’ geïnterpreteerd worden? Als: klaar, niets meer aan doen? Of als: af als in een toneelaanwijzing, wegwezen, je rol is uitgespeeld? 

    Meerduidige beelden

    Bij Jansma krijgt alles in haar gedichten een diepere betekenislaag, alle beelden zijn meerduidig. Begin en einde en opnieuw een begin, daar gaan haar gedichten over, zoals in ‘Weet’: ‘Je beweegt door het leven/ tot je daar weg bent// en het hele leven blijft en begint.’ Veel gedichten hebben een imperatief als titel: ‘Weet’, ‘Herneem’, ‘Wens’, ‘Stop’, alsof de dichter zichzelf bevelen heeft gegeven die betrekking hebben op de manier waarop zij met haar ziekte en haar leven om moest gaan. De hoop die daaruit spreekt, heeft niets te maken met het genezingsproces, want daar was geen sprake meer van, maar met berusting en vrede. In het laatste gedicht, ‘Word’, dat voor de epiloog is opgenomen, lijkt ze die vrede bereikt te hebben: 

    Overal is water en alles zingt, wolken
    bewegen in de diepte van plassen
    op straten die de wolken niet kennen
    en de hemel heeft geen weet van de aarde

    vingertoppen van bomen, die van gevoel
    dat sterft in de herfst en er nu nog is
    zijn klankkastjes voor al die vingers van regen

    overal schuilen mensen en iemand
    loopt door tijd die al bijna verdwenen is
    koud watergetokkel op het gezicht

    en weet: de wolken weten niet van de regen
    het water weet niet van de bladeren
    waaruit het muziek slaat, ritmes, taal

    en de snelle zilveren aanrakingen
    die leven heten en beweging
    kennen de druppels op mijn gezicht niet

    en straks ben ik dit allemaal.

    De gebiedende wijs ‘weet’ is hier niet alleen aan haarzelf gericht, maar zeker ook aan de lezers, de achterblijvers, die zich getroost kunnen voelen door de gedachte die in dit gedicht is uitgedrukt. Opvallend is ook dat er nergens in het gedicht een punt staat, alleen achter de allerlaatste versregel ‘en straks ben ik dit allemaal.’ Pas dan is het afgesloten, het leven zoals we het kennen. En elk einde is een begin, zegt Esther Jansma.



  • Er is een nieuwe taal nodig

    Het Hebreeuws kent de letter Waw die geschreven wordt als een simpel stokje dat lijkt op een spijker en uitgesproken wordt als een V. Hij wordt de omkeerhaak genoemd en kan, geplaatst voor een werkwoord, de tijd doen kantelen. ‘Ik heb gesproken’ wordt met de Waw ervoor ‘Ik zal spreken’. Dit bijzondere element van de Hebreeuwse grammatica valt te lezen in het vierde van tien gesprekken in Overleven na 7 oktober van Delphine Horvilleur. Daarin keren het verband tussen verleden en toekomst en de taal steeds terug binnen het grote centrale thema van Jodenhaat, antisemitisme en racisme.

    Horvilleur (1974) is de derde vrouwelijke rabbijn die Frankrijk kreeg. Haar tien gesprekken verschenen vorig jaar naar aanleiding van de aanval van Hamas op 7 oktober 2023 op het Israëlisch muziekfestival Supernova Sukkoth Gathering. Daaraan is toegevoegd een preek die Horvilleur twee weken voor die aanslag hield en die voor een belangrijk deel ging over het gevaar van rechts-extremisme in Israël.

    Schuldig

    De tien gesprekken zijn fictief maar staan wel in verband met reële historische personen en ervaringen in het leven van de schrijfster: ze voert ze met haar overleden grootouders en haar kinderen, met een overleden Franse chansonnier van wie een bekend lied Joodse wortels heeft, met antiracisten, maar ook met abstracties als de Joodse paranoia en Bijbelse figuren.
    Wat vooral duidelijk wordt is hoe moeilijk je na 7 oktober als Joodse kunt schrijven over door jezelf ondergane haat zonder te worden beticht van blindheid voor het leed aan Palestijnse zijde. De haat keert in de geschiedenis steeds terug; ze was er, is er en zal er zijn: ‘Met bewonderenswaardige doortraptheid weet de Jood tegelijkertijd schuldig te zijn aan twee dingen die elkaar uitsluiten (…) De Jood kan tegelijkertijd een “kapitalistische uitzuiger” zijn en “bolsjewistisch ongedierte” (…) Hij irriteert wanneer hij rondzwerft en zich nergens vestigt, maar hij wekt nog meer haat op wanneer hij zijn soevereiniteit uitroept en een grondgebied opeist’.

    Oorsprong

    Het antisemitisme (en elke haat tegen een groep) heeft diepe psychologische en theologische wortels. In het boeiende achtste gesprek van de bundel verwijst Horvilleur daarvoor naar de verhouding tot de oorsprong. De christenen hebben eeuwenlang verkondigd dat zij het ware Israël waren door zich voor te houden dat het oudere Jodendom onterfd was omdat het Gods vertrouwen had verspeeld. Moslims betogen dat de Bijbel de verminkte versie van de Koran is. Die inzichten in het oorsprongsverhaal voeden de angst bij iemand in het krijt te staan omdat je niet zelf de oorsprong bent. De Joden staan evenzeer bij voorgangers in het krijt, de Egyptenaren, Chaldeeën, Soemeriërs enzovoort. Het Jodendom is door hen beïnvloed, maar het zijn allemaal verdwenen culturen die het niet meer voor zich hoeft te dulden: ‘In dat opzicht hebben christenen en moslims gewoon pech, want die Joden zijn er nog steeds’. Als een onuitroeibaar onkruid.

    Einde der tijden

    De huidige Gaza-oorlog vermoordt behalve onschuldigen en nuances ook de taal. ‘Gematigde stemmen verstommen en radicale brullen uit volle kracht’. Op elke gematigde opvatting volgt een ‘ja, maar’: “Er zijn Joodse vrouwen verkracht, maar…” “Het lot van de kinderen in Gaza is gruwelijk, maar…”
    Elke keer als je probeert simpelweg te gaan staan aan de kant van iemand die lijdt krijg je het verwijt dat je de context negeert. Op dit punt doet Horvilleur sterk denken aan Natascha van Weezel, die in haar Hoe houd je je hart zacht op een heel persoonlijke manier verslag doet van wat ze in haar dagelijkse leven over zich heen krijgt omdat ze als Joodse vrouw vóór de eigen staat Israël is, maar tegen de huidige politiek van dat land ten aanzien van Gaza en de Palestijnen.
    Het lijkt erop dat religies ieder op hun eigen manier het einde der tijden willen bespoedigen, schrijft Horvilleur. Voor de rechtse christenen kan de Messias niet snel genoeg komen, de Joodse ultranationalisten prikken in naam van God de ene nederzetting na de andere op de kaart en de radicale islam wil wereldwijd haar kalifaat vestigen. Er wordt niet meer geluisterd naar elkaar en niet meer gepraat. En ‘bij gebrek aan gesprek is geen enkele redding mogelijk’. In dit verband is een mooie observatie van de auteur dat de woorden ‘Hebreeuws’ en ‘Arabisch’ in het Hebreeuws perfecte anagrammen zijn van elkaar.

    ‘Niet goed’

    Horvilleur heeft veel contact met Arabische schrijvers. Ze is overtuigd aanhanger van de tweestaten-oplossing. Haar Overleven na 7 oktober heeft een mooie vorm die dat laat zien. De gesprekken openen met een gedicht van de Palestijn Mahmoud Darwich en sluiten af met een fragment van de Israëliër Yehuda Amichai. Beide teksten gaan over oog hebben voor elkaar.
    Horvilleur maakt haar bundel rond door in het laatste gesprek terug te keren naar haar eerste. Daarin beschreef ze dat het antwoord op de Jiddische openingsvraag van een gesprek, ‘Hoe gaat het?’, meestal is: ‘Goed’, meteen gevolgd door ‘Niet goed!’. In het tiende gesprek bepleit ze het zoeken naar een nieuwe taal: we moeten leren om ‘Hoe gaat het niet?’ te durven vragen. Dat is de vertaling van de Franse titel van de bundel gesprekken. Die is Comment ça va pas?. De Nederlandse titel van het boek steekt daar wat prozaïsch bij af.

     

     

  • ‘Waarom toch zo bang voor alles?’

    Het ei-incident van Ziggy Hanaor en Daisy Wynter is een humoristische en fantasierijke graphic novel die zowel jonge als oudere lezers zal aanspreken. Het verhaal draait om het ei Humbert, een jongen met overbezorgde ouders die hem constant waarschuwen voor gevaren. De titel en het verhaal vormen een speelse verwijzing naar het bekende personage Humpty Dumpty, waarmee er een klassieke ondertoon in het moderne verhaal is verwerkt.

    Humberts ouders spreken hem veelvuldig toe, dat hij niet op een hoge muur mag klimmen. De angst die zijn ouders hem meegeven, beperkt zijn vrijheden en belemmert zijn zelfvertrouwen. Op een dag ontmoet hij een avontuurlijke prinses die totaal anders in het leven staat. Waar Humbert risico’s mijdt, omarmt zij het onbekende en moedigt hem aan om zijn angsten onder ogen te zien. Dit leidt tot een reeks komische en spannende gebeurtenissen waarin Humbert langzaam maar zeker leert dat het leven niet alleen uit gevaren bestaat, maar ook uit avontuur. ‘”Er is maar één manier om hier weg te komen Humbert… Wij moeten over die muur klimmen…”’

  • Ontroerende en intelligente roman over euthanasie

    Er is heel wat afgeschreven over euthanasie, maar behalve een obscure dystopie (Tijd om te gaan), een mislukte roman die de De goede dood heet maar daar niet over gaat en een sleutelroman over de vervolgde huisarts uit Tuitjehorn (De jacht op de klaproos), heeft de Nederlandse literatuur zich bij mijn weten niet aan het onderwerp gewaagd. Paradijs van slapen van Joost Oomen is een goede aanvulling op het beperkte aanbod.
    Joost Oomen (1990) debuteerde als dichter: na zijn studie Nederlands was hij een tijd stadsdichter van Groningen en publiceerde hij een aantal dichtbundels. Hoewel hij zich al eerder aan proza had gewaagd (Het perenlied uit 2020), vreesde ik toch een typische dichtersroman: plotloze, gefragmenteerde mooischrijverij, maar dit bleek niet het geval: het plot is evenwichtig, hecht en elegant.

    Paradijs van het slapen bestaat uit twee verhaallijnen. De ene gaat over de alleenstaande, uitgebluste huisarts Theo Engel die zich heeft laten omscholen tot euthanasiearts voor het Expertisecentrum Euthanasie. We volgen hem op zijn tochten door Friesland langs weilanden met vers gemaaid gras en veel schapen, op weg naar de adressen waar hij zijn macabere diensten verleent. Geroutineerd vervult hij zijn taak, terwijl hij tegelijkertijd niet kan wennen aan zijn rol als engel des doods. Hij kan nergens meer van genieten, wat gesymboliseerd wordt door zijn verdwenen reuk die hem belet het geurende gras te ruiken.

    Terugblik op een leven

    De andere verhaallijn wordt geïntroduceerd door de gevonden-manuscript-techniek. Engel krijgt een pakket in de bus dat het levensverhaal bevat van Gerrit Blauw, een voormalig theatermaker die is teruggekeerd naar Friesland. Gerrit groeide op in Sneek en werd na het eindexamen, net als zijn beste vriend Douwe, verliefd op Saartje Schaap (er komen veel schapen in het boek voor), een meisje dat al op kamers woont omdat ze van Terschelling komt en die een paar klassen lager zit. Douwe krijgt haar, maar Saartje zal altijd de belangrijkste persoon in Gerrits leven blijven. Het is de melancholie van de terugblik op een leven, het verlies dat daarbij hoort en de romantiek van de ene ware liefde die we kennen van Plato, Petrarca en Tim Krabbé. 

    Natuurlijk komen de verhaallijnen bij elkaar zodat het perspectief van de arts en van de patiënt allebei aan bod komen. Op het eerste gezicht lijkt Oomen dit te doen om ook twee visies op euthanasie tegenover elkaar te stellen: de huidige praktijk versus een liberaler alternatief, maar bij nadere beschouwing lijkt hij vooral een ander punt te willen maken, over schoonheid.

    Wat euthanasie betekent voor de arts die de euthanasie moet uitvoeren wordt heel overtuigend beschreven in het verhaal van Engel waarvoor Oomen heeft geput uit de ervaringen van zijn vader die ook euthanasiearts was. Met name de opsommingen van geanonimiseerde fragmenten uit het artsendossier, ‘78-jarige man met levercarcinoom. “Ik heb mijn vrouw ontmoet in het spookhuis. Nu ben ik het spook.”’, zijn hartverscheurend, zonder sentimenteel te worden vanwege de droge opsomming en omdat het de bewijsvoering is die de arts tijdens zijn consult heeft verzameld. 

    Scénes die beangstigen

    Een ander procedé dat heel goed werkt om het leven van de arts invoelbaar te maken zijn de tegenstellingen die worden gecreëerd. Oomen laat de zon schijnen en het landschap naar gemaaid gras geuren terwijl hij de euthanasiescènes zakelijk beschrijft: de opeenvolgende handelingen die procedureel zijn voorgeschreven, de aanwezigen, het toestemming geven. Zonder melodrama of sentiment. Maar juist dat zorgt ervoor dat het heel hard binnenkomt. 

    De zomerse omstandigheden, de alledaagse kneuterigheid. ‘“Koffie”, vraagt de zoon terwijl we onze natte jassen over de eettafelstoelen in de hal te drogen hangen’, en de routinematige handelingen van Engel vormen een adembenemend contrast met de enormiteit en onbevattelijkheid van de toegediende dood die daardoor nog meer aan angstaanjagendheid wint. Het zijn scènes die ontroeren en beangstigen tegelijk, zonder dat daaruit een oordeel blijkt of gemakkelijk effectbejag. 

    Zo ziet de lezer wat je anders -gelukkig- nauwelijks meemaakt en doet dat bovendien als buitenstaander, een weekje op pad met de dokter. Wat dat voor die dokter zelf betekent om dat jaar in jaar uit te doen, wordt later uit de doeken gedaan wanneer Theo Engel en Monique -de Officier van Justitie die hem moet beoordelen- samen dronken worden in haar kantoor. In deze prachtige scène vertelt hij voor het eerst wat hem zo dwars zit aan het werk. Dat de intervisie die hij jaarlijks met collega’s doet gevuld wordt met een spervuur aan harde grappen, maar dat niemand in staat is om er echt over praten, om te delen wat er zo erg aan is. Volgens Engel is dat de eenzaamheid van de patiënten, niet omdat niemand hen meer bezoekt, maar omdat hun ervaring van de werkelijkheid zo fundamenteel is veranderd dat die niet meer gedeeld kan worden. Over zijn eigen eenzaamheid die hij -uit solidariteit?- lijkt te hebben overgenomen van zijn patiënten, zwijgt hij echter. Die conclusie, die de onmenselijkheid van zijn werk benadrukt, mag de lezer zelf trekken. Sterk en ontroerend.

    Schoonheid als rode draad

    Schoonheid is het andere thema dat in het boek centraal staat, schoonheid die de arts Engel niet meer kan ervaren maar de rode draad vormt in het levensverhaal van Gerrit, dat doet denken aan een hoofse ridderroman. Gerrit die als een moderne Lancelot Saartje Schaap wil redden van de duistere machten van de bekrompen burgerlijkheid door wie zij ontvoerd is (haar familie in Terschelling), en die het zwaard heeft ingeruild voor de kracht van de verbeelding om haar terug te winnen. Het verhaal is een beetje zoet, maar het clichématige, nogal bedacht aandoende plot weet je toch te raken door de fraai beschreven setting die het verhaal een exotisch-romantisch tintje geeft (Het Friese platteland, Terschelling, jaren 60) en een paar goede vondsten. 

    Wanneer Engel tegen het eind van het boek bij Gerrit op bezoek gaat met als inzet de kloof tussen hen te dichten, vertelt Gerrit in een geraffineerd betoog hoe het verlangen naar schoonheid Saartje, Douwe en hem bij elkaar bracht, hoe schoonheid het belangrijkste doel in zijn leven werd en hoe schoonheid gevonden kan worden. En nu wil Gerrit bewijzen dat een leven ook in schoonheid kan eindigen. Hierin klinkt duidelijk de stem van Joost Oomen door die zich in zijn theatervoorstellingen presenteert als een profeet van de schoonheid.

    Lelijkheid en storende elementen

    Terwijl de lezer door de opgeroepen contrasten op een waarachtige, onsentimentele manier wordt geraakt wanneer hij meerijdt met Engel, geldt dit volgens Oomen kennelijk niet voor de perceptie van de personagers zelf: doordat de arts te veel met ellende wordt geconfronteerd kan hij geen schoonheid meer ervaren. En theatermaker Gerrit toont aan dat schoonheid zichzelf kan tonen zonder lelijkheid nodig te hebben. In het geval van de arts is dit te begrijpen: hij voelt helemaal niks meer, maar Gerrit is duidelijk de spreekbuis van de profeet Oomen die met zijn roman eerder een punt over kunst en schoonheid dan over euthanasie wil maken. Dat schoonheid de wereld kan redden van lelijkheid, mits er offers worden gebracht. Het personage Gerrit is om die reden eerder allegorisch dan overtuigend.

    Het taalgebruik is niet altijd even sterk. Zo slaagt Oomen er niet in om de stem van Gerrit een andere taal te geven dan die van Engel. R0nduit storend zijn de vele vergelijkingen die nergens op slaan. ‘Tiemersma arriveert, een grijze man die een beetje op een boos potlood lijkt.’ Prima als hij op een potlood lijkt, maar een boos potlood zegt mij niets. Of, ‘Ze heeft een beweeglijk soort mond die het ene moment volks chic staat als de mond van de verwende dochter van een gerenommeerd [sic!] pandjesbaas in Manchester, dan weer daadwerkelijk chic maar verarmd, als de mond van een Franse zangeres met hoogtevrees en een drankprobleem.’  Onbegrijpelijk en lelijk bovendien.

    Hopelijk wordt er voor een nieuwe herdruk nog wat eindredactie gedaan op dit soort schoonheidsfoutjes van deze sterke en ontroerende roman die het tegendeel bleek van wat de verwachting was. Geen gefragmenteerde mooischrijverij, maar een hechte roman die zowel ontroerend is als intelligent.

     

     

  • Schitterende beschrijving van de liefde als enige bron van bestaan

    De titel van de onlangs verschenen roman van de Italiaans-Cubaanse schrijfster Alba de Céspedes zegt precies waar het boek over gaat, Zoals zij het ziet. Hoofdpersonage Alessandra vertelt hoe zij haar leven heeft geleefd en ervaren in een tijd waarin mannen domineerden en vrouwen geacht werden te volgen. Het boek is geschreven in 1948, een tijd waarin een betaalde baan voor een vrouw nog geen normale zaak was en het aanrecht haar enige recht. Een tijd waarin de meeste vrouwen zich wijdden aan de verzorging van hun man en kinderen. 

    De roman is het verhaal van vrouwen die hartstochtelijk op zoek zijn naar de grote liefde, naar de volledige aandacht en toewijding van hun partner, niet alleen in de verkeringstijd, maar ook in de jaren daarna. Het boek is in de woorden van de schrijfster, vijftig jaar na verschijning: ‘een protest tegen het idee dat liefde een illusie is.’ De drie generaties vrouwen in deze roman komen tot de naargeestige slotsom dat mannen om verschillende redenen, niet in staat zijn tot het geven van liefde. Alessandra verklaart deze mislukking uit het feit dat mannen en vrouwen totaal verschillend in elkaar zitten en dat mannen dit weigeren in te zien. Ze ‘betuttelen’ hun vrouwen waardoor ze niet tot hun recht komen. Mannen schieten in deze roman in vrijwel alle opzichten te kort.

    Een slechte start

    Alessandra’s leven begint al slecht. Ze had eigenlijk een jongetje moeten zijn, als vervanging van haar broertje Alessandro die jong stierf. De roman schetst het burgerlijke leven van Alessandra’s ouders in een flatgebouw in de Romeinse wijk Prati, gelegen tegenover de Villa Borghese, aan de andere kant van de Tiber. Ze groeit op in een van de enorme wooncomplexen, waar veel gezinnen dicht bij elkaar wonen. Haar vader is in de ogen van Alessandra een saaie ambtenaar, die zijn leven in regelmaat heeft gegoten. Op tijd eten, op tijd slapen en af en toe een keer zijn vrouw tot seks dwingen. Haar moeder is huisvrouw en pianolerares. Zij laat de droom in haar leven toe. Als ze lesgeeft in de prachtige villa Pierce op de Gianocoloheuvel – waar de rijken wonen – raakt ze hevig verliefd op een jonge pianist, zoon van de familie. Ze wil haar man verlaten, maar dat blijkt onmogelijk, omdat ze Alessandra niet achter wil laten en haar man staat haar niet toe haar dochter met zich mee te nemen. Dan pleegt ze zelfmoord door zich te verdrinken in de Tiber. Ze kiest ervoor te sterven in plaats van zich te onderwerpen aan compromissen. Alessandra is dan zeventien.

    Alessandra verhuist naar haar grootmoeder en haar ooms en tantes ergens op het platteland van de Abruzzen, ten oosten van Rome. Haar grootmoeder is een sterke vrouw met een fonkeling van natuurlijke trots in haar ogen, die ze nooit bij haar vader had opgemerkt. Ze vat sympathie op voor haar grootmoeder, terwijl die Allessandra’s moeder toch veroordeelt omdat ze een droom heeft nagestreefd ten koste van haar dochter en man. En een droom nastreven is niet wat van vrouwen verwacht wordt. Volgens grootmoeder leven vrouwen een leven dat ingaat tegen hun karakter en aard, tegen hun gevoelens en impulsen, juist daarom moeten ze zo sterk zijn. Als vrouwen niet standvastig zijn en ook hun impulsen gaan volgen loopt het slecht met hen af. 

    De keuze van Alessandra

    Grootmoeder bekijkt de mannen met een cynische blik. Ze maakt algemene opmerkingen waaruit blijkt dat ze mannen niet erg hoog heeft zitten: ‘Mannen die voor het vaderland sterven zijn helden,’ beweert ze, ‘maar hoe vaak moet een vrouw wel niet bewust sterven, in haar miezerige leven van alledag.’ Zij is een sterke vrouw die prachtige wijsheden debiteert: ‘‘Oorlog is geen bewijs van kracht, maar van angst. Alleen angst en zwakheid kunnen mannen zover brengen om andere mannen die niets misdaan hebben te doden.’ 

    Alessandra kiest voor het compromisloze van haar moeder en niet voor de gangbare omgang met mannen. Als ze na verloop van enige tijd naar Rome terugkeert, woont ze weer bij haar vader. Daar raakt ze tot over haar oren verliefd op Francesco, een anti-fascist die werkzaam is aan de universiteit. Alessandra en Francesco maken een schitterende ‘zoete’ tijd door in Rome, ze bezoeken samen de plaatsen waar haar moeder kwam, ze kussen voor het eerst op het Sint Pietersplein en wandelen veel in de Villa Borghese. Het lijkt een complete romantische relatie, waarin ze beiden behoefte hebben alles wat ze beleefd hebben te bespreken om het te herbeleven. Alessandra wordt er zelfs milder van tegenover haar vader.

    De oorlog en ondergronds verzet

    Als de oorlog uitbreekt wordt de prille relatie echter belemmerd door Francesco’s onderdompeling in het verzet tegen de Duitsers. De eindeloze gesprekken met en de tedere belangstelling voor elkaar verdwijnen langzamerhand. Alessandra neemt daar geen genoegen mee. Ze probeert de oorspronkelijke verliefdheid vast te houden, maar slaagt daar niet in. In haar ogen zet deze gevoelige, romantische Francesco op een gegeven moment toch zijn aard als ferme, daadkrachtige man in tegen haar die hij ziet als een te gevoelige, romantisch vrouw. Ze had gehoopt dat hij eenzelfde verlangen zou hebben om het perfecte moment van ontmoeting keer op keer op te zoeken. Alessandra heeft de behoefte om die liefde voortdurend te uiten en te horen uiten door de ander. Maar Francesco raakt voor haar steeds verder buiten bereik in het ondergrondse verzet.

    Om dichter bij Francesco te kunnen komen neemt zij ook deel aan het verzet en doet allerlei heel gevaarlijk verzetsacties. Dichter bij haar man komen lukt echter niet echt en ze moet wachten op zijn nabijheid tot de oorlog voorbij is. Maar dan besteedt Francesco zijn tijd aan de voorbereiding van een nieuwe maatschappij.  Als hij ’s nachts toenadering zoekt noemt hij nooit meer haar naam. En ’s ochtends heeft hij het niet meer over wat er ’s nachts tussen hen heeft plaatsgevonden. Alessandra mist die vertrouwelijke intimiteit, Francesco niet. Of de compromisloosheid van Alessandra slecht voor haar afloopt, laten we hier in het midden.

    Kloof tussen man en vrouw

    Zoals zij het ziet is een prachtig boek, waarin de mannen er niet best af komen. Het geeft een tijdsbeeld en stelt ook actuele vragen over de relatie tussen man en vrouw. De roman is somber over de mogelijkheid om de rolpatronen tussen mannen en vrouwen te doorbreken. Mannen zijn volgens de schrijfster domweg niet in staat om vrouwen te begrijpen, omdat zij niet de behoefte hebben om de verliefdheid te vereeuwigen. Zij verstoppen zich na een korte verliefdheid in hun werk of in hun maatschappelijk ideaal of zoeken nieuwe liefdes in plaats van dat ze hun best doen de grote liefde telkens opnieuw te beleven en te uiten.  

    Is de kloof die de schrijfster in deze roman tussen mannen en vrouwen beschrijft tijdgebonden. Heeft de vrouwenemancipatie deze kloof gedicht of gaat het hier om een essentieel verschil. Vrouwen komen van Venus en mannen van Mars? De lezer geeft zijn eigen antwoord. Wat deze roman zo goed maakt is de schitterende beschrijving van de liefde als enige bron van waarachtig en intens bestaan, het compromisloze verlangen naar de ander die er, voor altijd is, voor zo lang als dat duurt.



  • Een roman vol weemoed en melancholie

    De Franse schrijver Patrick Modiano werd in eigen land al fel gelauwerd met onder meer de prestigieuze Prix Goncourt, voor hij in 2014 internationale erkenning kreeg met de Nobelprijs voor de literatuur. Modiano’s werk draait veelal rond hetzelfde thema: de zoektocht naar zijn eigen verleden en herinneringen van toen. In zijn jeugd werd hij nogal aan zijn lot overgelaten door zijn ouders en zocht hij zijn toevlucht in boeken en verhalen. De ondertoon van zijn werk is steevast melancholisch en het meeste speelt zich af in de straten van Parijs. In zijn nieuwste roman De danseres is dat niet anders.

    In De danseres staat Modiano’s grote thema ‘zoeken’ opnieuw centraal. Het is een samenbrengen van losse beelden en herinneringen uit het verleden om betekenis te geven aan het bestaan. Hij probeert verschillende puzzelstukjes op zijn plaats te laten vallen en zo in het reine te komen met zichzelf. Hoofdpersonage is een jonge man, een schrijver van teksten, die ronddwaalt in Parijs in de late jaren vijftig van de vorige eeuw. Op zoek naar een kamer, komt hij via zijn louche huisbaas Serge Verzini, in contact met een danseres. Deze woont samen met haar zoontje Pierre en huisgenoot Hovine. Al vrij snel ontwikkelt het hoofdpersonage een fascinatie voor de danseres, die met vaste structuren en een strenge discipline grip tracht te krijgen op haar leven. Zo probeert ze ook de demonen uit haar verleden te verjagen. De relatie tussen de ik-persoon en de danseres blijft onduidelijk. Ze maken samen lange en stilzwijgende wandelingen door de straten van Parijs, hij haalt Pierre af van school en speelt oppas als de danseres moet oefenen of zich inlaat met de beau-monde van Parijs als Béjart, Noerejev en anderen. Het verhaal eindigt niet echt, maar is een aaneenschakeling van herinneringen aan die tijd.

    Parijs

    Ook in De danseres drijft het handelsmerk van Modiano boven: hij schetst het Parijs van toen in een rustige, gedempte, bedroefde sfeer, vol weemoed en melancholie. Tegelijkertijd wordt het boek nooit zwaar en zorgt hij voor een soort ongrijpbare lichtheid. De danseres telt honderd pagina’s, is ingedeeld in korte hoofdstukken en kent veel witruimtes. Sfeerschepping staat duidelijk centraal. Het personage van Pierre, het zoontje van de danseres, toont duidelijke verwijzingen naar Modiano’s eigen jeugd: een afwezige moeder en een onkenbare vader die zich bezighield met louche praktijken. Hetzelfde kan gezegd worden van de danseres zelf: net zoals Modiano wordt ze belaagd door spoken uit het verleden. Het dansen trekt haar uit het moeras, geeft zin en structuur aan haar leven. Misschien is dat wat de hoofdfiguur zo bewondert in haar.

    De ik-figuur graaft diep in het geheugen en tracht verstopte herinneringen naar boven te halen. Vaak is het niet duidelijk of het wel herinneringen zijn, dan wel verzinsels of dromen. Er hangt een soort van nevel rond het geheel. Wel duidelijk is dat de oerbron van alles het mistige Parijs is. Met alle vage en halve herinneringen lijkt het wel of er een zwart-witfilm wordt afgespeeld in de straten van de wereldstad, bevolkt met bijzondere, weemoedige personages.  De ik-figuur blijft de hele tijd een soort van mysterieuze schim, die via zijn herinneringen op zoek gaat naar meetpunten in zijn leven. Hij tracht zin te geven aan zijn verleden en na te gaan wie hij werkelijk is.

    Dat hij zijn flarden van herinneringen ook vaak zelf in twijfelt trekt, is onderdeel van zijn bestaan. Alles is in de vergetelheid geraakt , maar onderhuids blijft een weemoedig verlangen aanwezig naar vroeger. In de openingsbladzijden noemt hij Parijs onherkenbaar door de vele toeristen die met hun koffertjes door de straten lopen en zorgen voor onrust. Typisch voor Modiano is ook dat het bij die sfeerbeelden en halve herinneringen blijft. De zoektocht lijkt eeuwig verder te gaan.  De danseres mag gerust de exponent genoemd worden van zijn werk. Vintage Modiano, een mix van lichtheid en melancholie en het mysterieuze zoeken naar betekenis in het verleden en Parijs.

     

     

  • Het begeren is alles. Het bezitten is niets

    In 1949 was Godfried Bomans in Nice te gast op een cocktailparty van in de stad wonende Nederlanders. Volgens Simon Carmiggelt, die ook deel uitmaakte van het gezelschap, vertelde Bomans ‘een reeks van dames die hij individueel benaderde zijn levensverhaal, maar telkens in een andere versie. Toen de vrouwen na afloop met elkaar napraatten, groeide de verwarring’.
    Bomans hield van dergelijke practical jokes. Maar het voorval zegt ook alles over hoe hij zich gedurende zijn leven liet kennen: als een moeilijk te peilen man die zijn eigen fantasieën als werkelijkheid presenteerde. ‘Al die feiten beklemmen mij, ik verzin ze liever zelf’, citeert Gé Vaartjes deze complexe man.
    De titel van dit levensverhaal, Vleugelman, is een verwijzing naar het gelijknamige sprookje dat Bomans in de jaren 60 van de vorige eeuw schreef en dat diepe wortels heeft in een wens die hij als kind al koesterde: ‘vleugels krijgen (…) om anders te zijn dan de anderen en uit de dagelijkse tredmolen te stappen’. Het verhaal staat voor een heimwee naar zijn eigen verloren paradijs: de omheinde tuin van zijn jeugd waarin hij zich in zijn eentje kon terugtrekken. Minder paradijselijk was zijn opvoeding. Zijn vader was een streng katholieke man die zijn kinderen het liefst allemaal in een klooster terecht had zien komen, en zo niet, dan toch in een aanzienlijke maatschappelijke functie: Godfried moest maar advocaat worden. Naast deze normerende man stond een veelal afwezige moeder die later verklaard zou hebben dat ze eigenlijk geen kinderen had gewild (ze had er zeven waarvan één vroeg overleed).

    Pietsie

    De strenge katholieke opvoeding, de prestatiedwang en het gebrek aan moederliefde zouden Godfrieds verdere leven tekenen. Dat kwam tot uiting in zijn de moeizame studiecarrière (hij loog lang tegen zijn vader over behaalde rechtententamens en switchte later weer naar psychologie, naar filosofie en zelfs even geschiedenis – allemaal zonder die studies af ronden), zijn moeizame omgang met kritiek en verplichtingen en – last but not least – zijn relaties met vrouwen en zijn worsteling met het katholicisme.
    Wat die laatste twee betreft is zijn huwelijk illustratief. In 1940 leerde hij tijdens zijn studie in Nijmegen de Limburgse Gertrude Verscheure (‘Pietsie’) kennen met wie hij een jaar later in ondertrouw ging. De huwelijksplannen ontmoetten nogal wat tegenstand van Pietsies moeder die niets zag in zo’n sloddervos als Bomans, maar toen ze eenmaal bakzeil haalde werd Godfried bang. Tot twee keer toe liet hij verstek gaan toen de inzegening van het (kerkelijke) huwelijk al was geregeld (en de bezoekers zelfs al in de kerk zaten) tot het uiteindelijk bij een derde afspraak, in augustus 1945, dan wel bezegeld werd.

    Volgens Vaartjes had het allemaal te maken met zijn negatieve zelfbeeld en de angst om je dicht bij een ander te voelen, maar ook met de kerkelijke moraal dat het huwelijk een heilig verbond was: je daaruit terugtrekken was een grote zonde waarop eeuwige doem stond.

    Troost

    Het was niet alleen een negatief zelfbeeld maar ook een neerbuigende kijk op vrouwen. Godfried zou al snel na het huwelijk verliefd raken op meer dan een dozijn andere vrouwen, relaties die hij bijna tot het eind van zijn leven voor Pietsie geheim wist te houden. Die minnaressen vervulden voor hem een moederrol. Zoals hij één van hen eens schreef: ‘Als je bij mij bent, zie ik alles in je, ook een grote zachte moeder, die haar kind in haar lichaam opneemt en hem daaruit opnieuw geboren laat worden’. Al die geliefden waren een vluchtoord en een troost. Vaartjes kon voor getuigenissen terugvallen op vele honderden brieven, waaruit ook nog eens blijkt dat zij voor hem onderling inwisselbaar waren: ze kregen van hem soms vrijwel gelijkluidende epistels. Je vraagt je als lezer soms af hoe die vrouwen het zo lang vol hielden, want aandacht voor hen was bepaald niet Godfrieds sterkste kant. Hij was altijd zelf het middelpunt.

    Dat was Bomans ook in datgene waaruit de meesten hem zullen kennen, zijn boeken en columns: Pieter Bas, Erik of het klein insectenboek, Pa Pinkelman, zijn Parlevink-stukjes enzovoort. Nog meer in de herinnering gegrift van degenen die hem hebben gekend zullen zijn radio- en TV-optredens zijn in programma’s als Cursief en Hou je aan je woord en in serieuzere interviews met zijn broer en zus, beiden kloosterlingen.

    Taalvirtuoos

    Bomans voelde zich in de literaire wereld miskend. En hoe langer hij op TV was hoe meer kritiek hij kreeg: hij zou alleen maar de paljas uithangen en zichzelf vooropstellen. Zijn vrijpostigheid, ontregeling en gespeelde gestuntel gingen steeds meer mensen tegenstaan. ‘Gezelschap gaf hij graag de status van publiek, waarvoor hij een voorstelling creëerde – en een ander degradeerde tot rekwisiet’. Kritiek kwam er ook uit katholieke hoek toen Bomans geleidelijk de kerk ging kritiseren. Volgens hem was godsdienst een bedenksel van de mens die niet kan accepteren dat het leven geen zin heeft. Daar is niets tegen tot dit geloof verstart tot een instituut, de katholieke kerk: ‘Tussen Hem en ons heeft zich zoveel geschoven, dat we Hem nauwelijks meer zien’.

    Bomans was naast dit alles een taalvirtuoos. Dat is nog steeds in zijn stukken terug te zien al zijn veel thema’s nu oubollig of – zoals de ruzies met de trouw katholieke Volkskrant – niet meer zo goed voor te stellen. In zijn optredens kon hij dan wel irritant zijn, maar hij voelde feilloos aan hoe hij zijn publiek kon bespelen. Bomans schreef tal van observaties die veel zeggen over hemzelf, zoals ‘Het begeren is alles. Het bezitten is niets’ en ‘Een belofte is altijd meer dan een vervulling ervan’. En er zijn blijvertjes in zijn denken over humor waarover hij verschillende aforismen ten beste gaf waarvan de bekendste: ‘Humor is overwonnen droefheid’.

    Loutering

    Vaartjes laat in zijn boek al die aspecten van de getormenteerde Bomans zien. Dat doet hij op een prettige manier die de lezer alle ruimte laat voor een eigen oordeel. Hij dringt zijn kijk op Bomans niet op, maar voert vooral getuigenissen op van anderen die Bomans hebben gekend of stelt vragen als: zou Bomans in de gaten hebben gehad dat hij, als hij schreef over zijn grote helden Dickens en Andersen, in feite ook een kijkje in zijn eigen ziel gaf? Vaartjes schrijft bovendien zelf ook mooie zinnen zoals: ‘Humor was de saus op alle ellende’ en ‘Bomans kauwde op de dagen als op ongegaard vlees’.

    In 1971 verbleef Bomans, net als Jan Wolkers na hem, in zijn eentje een week op Rottumerplaat voor een VARA-programma. Het waren zeven dagen waarin hij het moest doen zonder applaus, zonder een gezelschap dat hij kon bespelen en zonder troost van minnaressen. Het werkte louterend. Hij hield er een dagboek bij waarin hij op de vierde dag van zijn verblijf schreef: ‘Ik zie nu beter dan eerst en nú eigenlijk pas goed, dat ik ben wie ik ben en dat het zo heeft moeten zijn. Ik heb geen wrevel, geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden. Zo is het allemaal gelopen en ik genees van mijn wonden’.

     

     

  • Een stand-up-archeoloog

    Wie denkt dat De goddelijke comedyclub van Christiaan Weijts wel over humor zal gaan, wordt het op de eerste pagina ervan al duidelijk dat het ik-personage, Felix Kajuit, klaar is ‘met alle komedie’. En wie denkt dat het iets met De Goddelijke komedie van Dante heeft te maken, komt ook bedrogen uit. Waarover gaat het dan wel? Over de voorstelling Wachten op de Bataven die door de covid-19 pandemie niet door kon gaan. En alles daaromheen. Dát het niet door kon gaan, lucht Kajuit op, omdat de daaraan voorafgaande voorstellingen alleen maar een slechte pers hadden gekregen. Al was hij finalist geweest bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs, de cabaretprijs van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties (VSCD) die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend. In het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst.

    De kleine en grote wereld

    Felix was trouwens op school, in 1981, ook al niet de lolligste. Hij had een bruine juf, Joyce, voor ‘Zwarte Piet’ uitgemaakt en lachte met een vriendje mee om zijn eigen moeder, die krom liep van de pijn. Of met zijn broer als zijn vader grauw zag van duizeligheid. Dat is de kleine wereld, dicht bij huis, maar ook in de grote wereld mislukken veel dingen. Een treinongeluk in de Leidse Merenwijk, de Challenger die ontploft, de kernramp in Tsjernobyl om maar wat te noemen.

    Bovendien gaat Felix’ verhaal niet alleen de breedte in, van Leiden naar Amerika en Oekraïne, maar ook letterlijk de diepte in, naar herinneringen. Tijdens een voorstelling wil hij ‘allerlei voorwerpen opgraven die met [zijn] kindertijd in de jaren tachtig te maken hadden’. Als een stand-up-archeoloog, een beeld dat Weijts verder uitwerkt: ‘Uit scherven en fragmenten moesten we een samenhangend verhaal maken.’ Zoals zijn vader op zijn werk, een laboratorium, niet aan complete projecten mag werken ‘maar aan opgeknipte delen ervan’.

    Zo zit ook deze roman in elkaar. Afwisselend over de jeugd van Felix en zijn tijd als al dan niet werkloos cabaretier tijdens covid-19. Fantasie heeft hij altijd gehad. Zoals op school, toen hij een verhaal schreef ‘over een jongen die ’s avonds naar de overkant van de straat keek, naar een meisje. Op een dag werden ze – door tussenkomst van een Romeinse godheid – verwisseld en leefde hij in haar kamer’. Fantasie én mooie zinnen, zoals ‘Ze leefden overal tussendoor’, dat herkennen we van Weijts.

    De meeste karakters worden raak neergezet, zeker dat van Felix’ vader, die de genegenheid voor zijn zoon niet anders kan uiten dan door in zijn vrije tijd dingen voor hem in elkaar te zetten, zoals een sirene voor op zijn fietsstuur, waarover Felix uitweidt. Want dat had hij al jong van de oudejaarsconferences van Freek de Jonge geleerd: ‘De uitweiding als vormgevend principe.’ Een verhaal in de breedte, de diepte en vol uitweidingen dus. En details over de tijd waarin alles speelt: zowel de jeugd van Felix als de covid-19 tijd.

    De comedyclub en de tijdgeest

    Toch is het niet Felix die in coronatijd een illegale Comedyclub begint, maar zijn rivaal Tom, een iets minder goed uitgewerkt karakter. Tom heeft Felix’ naam nodig om in zijn subsidieaanvraag te vermelden. Hij was immers finalist bij het Leids Cabaretfestival en twee keer genomineerd voor de Neerlands Hoop Prijs. In ruil mag Felix rustig in een van Toms cabinewoningen bij zijn club werken aan voorbereidingen voor comedylessen en schrijfworkshops die hij geeft in Toms comedyclub.

    Felix verzint net als in zijn jeugd verre van leuke grappen (‘Incest, ach ja, zolang het binnen de familie blijft, vind ik het allemaal best’). Maar ja, ‘the first draft of anything is shit’ citeert hij Ernest Hemingway. Daarna zou hij een uitblinker worden als cabaretier. Maar is dat zo?
    Nee en hij geeft de tijdgeest de schuld dat dit niet lukt. Een tijdgeest die in dit boek ruimschoots, en soms een beetje te veel in de vorm van opsommingen, aan bod komt. Bovendien wijt hij de mislukking ook aan zijn verknipte jeugd.
    Comedy maken in een tijd van corona is niet alles. Een goddelijke comedy nog wel. Dat wil zeggen ‘alles betekenis geven, alles wat in [de] omgeving gebeurde rangschikken tot een coherent verhaal’, zoals zijn steeds depressiever wordende vader.

    Het ontglipt Felix allemaal. Hij verwaarloost zijn cabinewoning en zichzelf, raakt zijn humor kwijt en wordt een wappie genoemd. Dat laatste geldt ook voor Tom, die ‘het virus’ oploopt bovenop onderliggend lijden. Maar dat is lang niet alles. De wereld zelf wordt een verhaal zonder samenhang. Hiermee wordt een interessante laag onder de roman blootgelegd die misschien teveel bedolven is geraakt onder de vele uitweidingen en details over de tijdgeest.

    Wat niet wegneemt dat de klassieke opbouw van het geheel, met de twee aan elkaar gerelateerde verhalen over vroeger en nu, knap is gedaan. Je moet er als lezer even inkomen om dit scherp te krijgen, maar Weijts heeft zich sinds zijn debuut Art. 285b weten te vernieuwen met deze tragische komedie. Zonder humor. Dat wel.

     

     

  • De laatste blauwe fles

    Tonke Dragt: een klinkende naam. Vele bekroningen staan op de naam van deze grande dame van de jeugdliteratuur, zoals ze onlangs beschreven werd in een interview in dagblad Trouw. Haar werk staat voor velen gelijk aan urenlang leesplezier over mysteries, intriges en dappere personages. Over ridders in verre landen, gevaarlijke vensters en planeetonderzoekers. Dragt is op 12 juli 2024 overleden. Nog vóórdat haar laatste verhaal zijn weg vond naar het grote publiek. De schat van de blauwe boekanier is voor het eerst in 1964 verschenen als Kinderboekenweekgeschenk, toen nog onder de naam De blauwe boekanier. In samenwerking met auteur Rindert Kromhout en illustrator Anna Grunske is het verhaal van Dragt naar de tijd van nu gebracht.

    […]

    De schat van de blauwe boekanier bevat alle ingrediënten voor een spannend zeeroversverhaal. Er is een jongen, Joris Jas, met een onvervuld verlangen naar de zee. Er is een nietsontziende boekanier die de wereldzeeën afstruint op zoek naar manieren om zichzelf te verrijken én er spoelen mysterieuze verzen aan in blauwe flessen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.nl

     

  • Getekend door de littekens van het verleden

    De Antwerpse auteur Paul Verrept heeft zo ondertussen een patent op zeer gestileerde verhalen. Dat heeft vermoedelijk ook te maken met zijn achtergrond als illustrator en grafisch ontwerper. Zijn verhalen zijn strak, weinig uitbundig, niets teveel of tekort, maar vaak over nostalgische en diepe thema’s. Hij houdt ervan om te spelen met de tijd en de grenzen tussen heden en verleden, zoals in zijn prentenboek Mist (2006) of zijn jeugdboek De bank (2014). In zijn nieuwste boek Het jaagpad is dat niet anders.

    Het jaagpad is een zeer conceptueel boek. Zelf gebruikte Verrept het beeld van op elkaar liggende filmprojecties om zijn boek te omschrijven. Hij vertelt twee verhalen tegelijkertijd, alsof je twee films over elkaar projecteert en dan zelf verbanden ziet of legt. De lezer volgt het hoofdpersonage Lucas, een vereenzaamde zestiger die in de grote stad woont. Hij neemt de trein naar zijn geboortedorp om nostalgisch te mijmeren over zijn geboortehuis. Hij observeert zijn huis vanachter het raam van het dorpscafé dat ertegenover ligt. Verrept maakt een sprong in de tijd en de achttienjarige Claus verlaat zijn ouderlijk huis in het kleine dorp, neemt afscheid van zijn ouders en trekt naar de grote stad om op kamers te gaan en te studeren. Lucas raakt geobsedeerd door deze jonge student en blijft hem achtervolgen. Als Claus om zich heen kijkt, ziet hij niemand. Op zijn beurt raakt Claus geobsedeerd door een zekere Maria, een meisje op de trein, en blijft haar achtervolgen tot haar huis.

    ‘Alles is overal en altijd’

    Hoewel het verhaal van Lucas zich afspeelt in 2024 en dat van Claus in 1981, blijken de twee elkaar toch te kunnen achtervolgen. Dit magisch realistisch tintje is bedoeld en ook het feit dat de namen anagrammen zijn, is geen toeval. Verrept diept de personages niet ten gronde uit, maar met een paar rake schetsen kan de lezer zich toch een beeld vormen van de twee mannen, die misschien wel een en dezelfde zijn. De donkere en beklemmende sfeer tijdens de achtervolgingen dragen ook bij aan de emoties die de auteur wil losmaken bij de lezer. De twee hoofdfiguren bestaan eerder, dan dat ze zich bewust zijn van zichzelf. Verrept wil de noodlottigheid en onvrijheid waarin mensen hun spoor volgen door het leven weergeven, de voorbestemdheid van het leven. Zo lijken de twee echt door elkaar geweven. Hij beschrijft het zelf kort en krachtig als ‘Alles is overal en altijd’. Eenzaamheid en isolement voeren de boventoon. Lucas en Claus zijn daar de exponenten van. Ze hunkeren naar aanraking. Hun dromen en verlangens worden uitvergroot, maar blijven onbeantwoord, evenals hun niet aflatende seksuele begeerte. Het elkaar begluren, het niet vertrouwen van elkaar, alles heeft zijn diepere wortels.

    En daar raakt Verrept de kern van zijn verhaal. De mens is kwetsbaar en het verleden kan een diepe invloed hebben op het heden. In de laatste bladzijden toont hij de oorsprong van de extreme eenzaamheid en het isolement, verklaart hij waarom de mannen zo moeilijk contact kunnen leggen. Pas aan het eind laat hij zien hoe de littekens van het verleden zich vasthechten aan de persoonlijkheid en de mannen tot levenslang veroordelen. De zeer gestileerde taal, met weinig versieringen, het bijna zakelijke, het sec vermelden van wat hij ziet, nauwgezette observaties van het gebeuren, zorgen voor een klinische weergave die daardoor een ietwat ongemakkelijk gevoel heeft. Ook de lezer zit gewrongen en voelt de eenzaamheid en kwetsbaarheid, en tegelijkertijd de ongrijpbaarheid der dingen. Een zwaar thema dat Paul Verrept op bijzondere wijze naar boven weet te brengen en nog even doet nazinderen in het hoofd van de lezer.

     

     

  • Vergeten interessante politieke opportunist

    Na drie romans, waarvan Een verhaal uit de Zonnestad (2017) bekroond werd met de Bronzen Uil debuutprijs en vermeld werd op de longlist van de Libris Literatuur Prijs, promoveerde de historicus John-Alexander Janssen in 2023 op een proefschrift over de republikeinse politieke kritiek tijdens de jaren 1887-1893 in de Franse Derde Republiek. Een interessante tijd, alleen al door de bekende Dreyfusaffaire die kort daarna in 1894 ontstond en culmineerde in een controversieel vonnis en een ernstige crisis in de Franse politiek. Uit zijn proefschrift lichtte Janssen een andere, veel minder bekende, historische figuur die in de huidige tijd als hoogst actueel kan worden beschouwd. Het gaat om de populistische politicus en oud militair George Boulanger. Nog wel bekend in Frankrijk, daarbuiten vrijwel niet.

    Had Janssen bij het afronden van zijn dissertatie een vooruitziende blik? Het contract over het boek dat Boulanger! is geworden was al gesloten tijdens het werk aan het proefschrift. Het boek, zo schrijft hij in zijn verantwoording, zou een heel ander werk worden dan dat proefschrift: geen noten, geen wetenschappelijke verhandeling. Uiteindelijk nam Janssen ‘eindnoten’ zonder Franse citaten op en beperkte zich tot de essentiële stof.

    Die keuze is een goed besluit geweest want Boulanger! is heel toegankelijk geworden, ook voor de Nederlandse, niet in de Franse geschiedenis ingevoerde lezer en met een zeer actuele betekenis van het populisme. Het boek is mooi opgebouwd. Een proloog beschrijft de bezichtiging door de auteur van een begraafplaats in Elsene, Brussel (spoiler alert!) waar Boulanger op een ‘petit Père-Lachaise’ begraven ligt.

    ‘Ik stort me terug in het niets’

    Na het einde van een even wisselvallige als succesvolle korte politieke carrière in Parijs in 1889 verlaat de dan 52-jarige Boulanger de stad. Zijn parlementszetel heeft hij behouden, maar de Boulangistische beweging heeft bij de verkiezingen dat jaar flink verloren. Hij wijkt uit, met zijn jongere vriendin Marguerite naar het eiland Jersey waar hij wikt en weegt over een terugkeer in de Franse politiek. Maar de steun van zijn beweging kalfde af, zijn vriendin – hij was nog steeds gehuwd – werd zwaar ziek en samen belandden zij in 1891 in Brussel waar een arts haar – vergeefs – behandelde. Op 35-jarige leeftijd stierf ze, en niet lang daarna schoot Boulanger zich met een pistool dood op Marguerite’s graf. De begrafenis trok 150.000 mensen uit België en Frankrijk. De Belgische overheid had toespraken verboden uit angst voor oproer, Boulangers wettige vrouw en hun twee dochters ontbraken, een aanhanger gooide een schepje Franse aarde op het graf. Zijn persoonlijk testament dat hij had opgesteld voor de zelfmoord was even sober als veelbetekenend ‘ik stort me terug in het niets waar het lijden afwezig is’. Het politieke testament was gevuld met aansporingen en goede raad aan de beweging, maar had nul effect: de beweging viel verder in ruzies uiteen en verkruimelde.

    Zo eindigde een uiterst turbulent leven van een goed militair en een politieke opportunist. Zijn politieke opvattingen en keuzes voor partners liepen uiteen van rechts tot links en op de consistentie van zijn opvattingen was geen peil te trekken. Het boek eindigt met een epiloog waarin wordt nabeschouwd op een stukje what if history. Conclusie: Boulanger had nooit de macht kunnen krijgen met een meerderheidscoalitie, hoogstens als dictator. En dan was succes verre van verzekerd.

    Wat eraan vooraf ging

    Wat ging er allemaal aan Boulangers dood vooraf? Janssen omschrijft hem als een handige politicus die bekwaam meegolfde op allerlei vaak uiteenlopende sentimenten in de Franse samenleving na de harde nederlaag tegen Duitsland in 1870. Dat was een turbulente periode in Frankrijk, het einde van het bewind van Keizer Napoleon III, de linkse commune van Parijs van 1871, de Republiek erna en diverse elkaar bestrijdende politieke stromingen. Zoals republikeinen, legitimisten, orangisten, conservatieven, orleanisten, plebiscitairen en reactionairen. Een, zacht gezegd, heterogeen gezelschap.

    Wat was nu de drijvende politieke ambitie van Boulanger, afgezien van zijn persoonlijke ambitie om in elke functie snel vooruit te komen, zijn ongeduld, zijn vermogen om snelle daden te stellen en zijn onvermogen om behaalde winst ook vast te houden? Zijn kernboodschap is in feite dat politici, in het bijzonder parlementsleden, falen in hun taak. De verleiding is groot om Boulanger een 19e eeuwse Franse voorloper van het populisme te noemen. Dat is wat makkelijk maar er zijn zeker hier en daar interessante historische parallellen te trekken. Zo geloofde Boulanger in de macht van het volk, ongefilterd door een parlement. Minder helder was hij over de manier om die macht door te vertalen naar beleid en kiesstelsel. Sterk leiderschap was een derde belangrijke opvatting van Boulanger.

    Zijn stijl was het beklemtonen van de grote lijnen en het negeren van details. Ook was hij een meester in het wenden en draaien en het zich aanpassen aan de heersende winden voor zover die hem een kans gaven op politiek succes.

    Het tragische van Boulanger was dat veel volgers hem gebruikten, misbruikten, om zelf naar machtsposities te komen. Dat deden ze door hem de opening te laten maken, het ‘breekijzer voor verandering’ in de woorden van Janssen. Daarna slaagde Boulanger er niet in de eenheid te bewaren en viel zijn beweging dikwijls uiteen in meerdere flanken. Janssen vat het goed samen: ‘Boulangers kracht – de vereniging van groepen aan alle kanten van het politieke spectrum rondom zijn eigen persoon – was tegelijkertijd zijn zwakte. Juist door de grote politieke verschillen moest het wel om hem draaien. De magie werkte zolang hij niet definitief kleur bekende.’ En toch wel een beetje met huidige politici in gedachten een treffende stelling: ‘Winnaars zijn geen verantwoording schuldig, en zolang hij iedereen tevreden kon houden, vooral doordat hij de hoop op politieke verandering levend hield, werkte het.’

    Het fenomeen Boulanger is vandaag de dag razend interessant ondanks alle verschillen met de situatie 135 jaar geleden. Voornaamste parallel is wel de vluchtigheid van het electoraat en het sterke appel van opvallende persoonlijkheden in de politiek. Als er in de 19e eeuw een Tik Tok had bestaan, zou Boulanger een veelgebruiker zijn geweest. Voornaamste verschil is dat Boulanger een politiek jongleur was zonder een volwassen partij en programma. Dat zijn overigens fenomenen die pas in de late 19e eeuw zijn ontstaan. Tekenend voor de politieke windvaan met sterke aantrekkingskracht die Boulanger was, zijn de labels die later op hem zijn geplakt: een niet-marxistische vorm van socialisme, kraamkamer van Frans fascisme, voorloper van rechts nationalisme.

    Inkijk in verziekt politiek klimaat

    Janssens boek is bescheiden van opzet. Het is geen nieuwe beoordeling van Boulanger ten opzichte van de al rijke Franse literatuur, wel een (her?)ontdekking voor een Nederlands publiek dat interesse heeft in geschiedenis. Bovendien geeft Janssen een goede, degelijke inkijk in twee tot drie decennia van politieke onrust, economische crisis en het zoeken naar een werkelijk Franse identiteit, een eeuw na de Franse revolutie. Het was geen sterke, stabiele periode in Frankrijk, maar een ‘verziekt politiek klimaat’, zegt Janssen. Daarin kon een charismatisch man, succesvol militair, patriot, volkstribuun, bedreven in publiek effect van zijn optreden – hij verscheen vaak op een zwart paard gezeten – een wisselende rol van outsider tot minister vervullen, waarna zijn geloofwaardigheid als outsider snel teloor ging.

    Het boek leest lekker makkelijk ondanks de duizelingwekkende hoeveelheid gebeurtenissen, feiten, plaatsen en incidenten die de revue passeert. En dat terwijl Janssen in zijn nawoord uitlegt dat hij zich heeft moeten beperken tot de essentiële feiten en een representatief beeld. Dat lijkt goed te zijn gelukt. De lezer krijgt ook nog een behulpzame chronologie aangereikt.

    Kortom: een aanwinst voor iedereen met historische interesse over een bijzonder hoofdstuk in de Franse geschiedenis met interessante inzichten om het huidige populisme beter te begrijpen en te duiden. Een Netflix-serie waard.

     

     

  • Wie is er bang voor de waarheid

    ‘Hoe weet je dat ik niet lieg?’ Wytske Versteeg heeft een verontrustende eerste zin gekozen voor haar essaybundel, Waar — Over de kunst van het (niet) weten. Het boek bevat vijf essays met titels als ‘Het onschuldige oog: waarom mijn waarheid niet de jouwe is’ en ‘Waarheidssprekers, illusionisten: als onwaarheden de wereld overwoekeren’. Dat deze niet door ‘zomaar iemand’ zijn geschreven blijkt al op de tweede bladzijde, waar Versteeg vermeldt dat ze eerder haar proefschrift heeft geschreven over ‘de manier waarop we onderhandelen over wat waar is, wat telt als echte kennis en wat als onzin terzijde kan worden geschoven’. Niet dat ze zelf zou beweren dat dat een reden is om haar op haar woord te geloven.

    In het eerste essay zet Versteeg op knappe wijze de toon. Met scherp gekozen resultaten van wetenschappelijk onderzoek zet ze veel gehoorde aannames, zoals het idee dat wetenschap voor veel mensen tegenwoordig ook maar een mening is en waarheid er niet meer toe doet, op losse schroeven. De coronapandemie, bijvoorbeeld, heeft voor de meeste mensen juist geleid tot een stijging van het vertrouwen in de wetenschap, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken als je kijkt naar coronagerelateerde complottheorieën. Sceptici kunnen deze uitspraak uitpluizen, de onderzoeken waar die op is gebaseerd staan keurig vermeld in de noten. Waar is geen boek van vlotte of simpele antwoorden. Versteeg spoort je aan om kritisch te lezen en kritisch te denken.

    Zelftwijfel en draaglijkheid

    Versteegs essays zijn het spannends op de momenten waarop ze bestaande ideeën weerlegt. Ze leiden dan ook eerder tot (zelf)twijfel dan tot vaste overtuigingen. Dat zijzelf zich kwetsbaar opstelt maakt het makkelijker om die twijfel aan te gaan. Het zoeken naar waarheid, de nooit aflatende urgentie ervan, Versteeg kan erover meepraten. In de eerste pagina’s van het eerste essay zegt ze: ‘Mijn eigen obsessie met waarheid begon lang voor mijn proefschrift, is persoonlijker en ingewikkelder. Mijn werkelijkheid is nooit erg constant geweest, mijn waarneming wankelt voortdurend.’ Waar Versteeg precies op doelt, is niet duidelijk. Helemaal aan het einde van het essay lijkt ze erop terug te komen met een alinea over trauma. Hoe dat met waarheid te maken heeft? ‘Een gebeurtenis die als traumatisch of verwondend ervaren wordt, is dat vaak juist omdat de werkelijkheid die je doorgaans ervaart als normaal en vanzelfsprekend, plotseling ruw wordt doorbroken.’ Is dat waar? Een interessante gedachte is het zeker.

    Hoe je een tekst uit het persoonlijke trekt laat Versteeg onder andere zien in haar essay over waarnemen en de onzekerheid die daarbij komt kijken. Ze doet dit door aandacht te besteden aan de gevolgen van selectieve waarneming op het niveau van instituties. Haar beschrijving van haar ervaringen aan de universiteit is pijnlijk herkenbaar voor iedereen die zich in een gemarginaliseerde positie bevindt: ‘Mijn eigen stem klonk veel zachter dan die van de gepensioneerde Shell-man voor wie deze studie een nieuwe hobby was en het duurde niet lang voor ik, opgebrand, moest stoppen.’ Ook met haar pleidooi voor het belang van minderheidsperspectieven weet ze te raken: ‘Zodra het perspectief vanuit kwetsbaardere posities verloren gaat, raken aspecten van de werkelijkheid buiten beeld, worden hele werelden plotseling onvoorstelbaar.’ Het gaat hier niet alleen om het effect op individuen die achtergesteld worden, maar ook om de destructieve uitwerking op een samenleving als geheel.   

    Ongrijpbaar

    Essays hebben iets ongrijpbaars. De inhoud ervan wordt bepaald door de gedachtengang van de schrijver en vaak is die niet rechttoe rechtaan. Tegenstrijdigheden, beweringen met mitsen en maren, omtrekkende bewegingen en onverwachte conclusies: het kan allemaal. Hoe weten we dat Versteeg niet liegt? Het is een vraag waar ze in een aantal van de essays op terugkomt, steeds in een net iets andere vorm. Het antwoord laat zich raden. Waarschijnlijk beseft Versteeg zelf ook dat essays geen simpele kost zijn. Aan het begin van ieder essay, net onder de titel, staat in schuingedrukte letters een opsomming van wat er in de tekst eronder aan bod zal komen. Houvast voor de zoekende lezer. Versteeg slaagt erin van het begin tot het eind te boeien, al zijn de wat meer filosofische stukken trager en minder risicovol van aard. Gelukkig volgt er telkens weer een stuk waarin Versteeg haar lezers met scherpe onderzoeksresultaten uitdaagt bestaande zekerheden los te laten. Waar is een boek voor wie niet bang is af en toe even zijn evenwicht te verliezen.