• Witte strik in aaibaar kroeshaar

    Op de achtergrond is een zwierige dame in klederdracht te zien, rechts vooraan een blond jochie op klompen dat wat aarzelend hand in hand staat met een wat beteuterd kijkend zwart meisje in een zwart jurkje met wit kanten kraagje en een grote witte strik in het kroeshaar. Alleen al op grond van deze intrigerende foto op het omslag van De dochter – herinneringen aan anders zijn van journalist en columnist Harriët Duurvoort (1969) wil je weten wat het verhaal is bij deze foto. En wat een verhaal is dat, de levensgeschiedenis die de schrijfster over haar moeder heeft opgetekend!

    Eva Nijman werd als baby geadopteerd door Jan en Saar van Dam, die maar niet in verwachting raakten, maar wel een enorme kinderwens hadden. Zo’n adoptie ging indertijd, we spreken over 1928, soms gewoon via een advertentie in de krant. De biologische moeder van Eva was zwanger geraakt van een zwarte man en moest vanwege de schande van een buitenechtelijk kind afstand doen van haar baby. In de Scheveningse gereformeerde kerk waar Jan en Saar bij hoorden, kon de kleine Eva volgens de mannenbroeders van de kerkenraad niet gedoopt worden. Weliswaar vallen alle baby’s onder de ‘erfzonde’, maar de zonde die de moeder van Eva had begaan door zwanger te raken van een zwarte man werd toch wel beschouwd als hors catégorie. Het is het eerste van vele voorbeelden van racisme waar Eva in haar leven mee te maken zal krijgen.

    Enerzijds blijkt Eva daar op een heel mondige manier mee om te gaan. Frans, een notoire pestkop die haar bij voortduring uitscheldt voor ‘vieze vuile poepnikker’, wordt op verzoek van de zevenjarige Eva door de politie aangesproken op zijn gedrag. Haar adoptieouders weten van niets, Eva heeft helemaal zelf bedacht dat Frans voor de politie wel ontzag moet hebben. Haar actie heeft het gewenste effect. Anderzijds groeit Eva op in een wereld waarin zij het enige zwarte meisje is en waarin ze zich vaak eenzaam voelt. De gaper in de apotheek en het negerpoppetje in de kerk (waarin je in de wijdopen mond met dikke lippen munten kon gooien voor de zending) geven haar weliswaar een eigenaardig gevoel van verwantschap, maar waarom dat eigenlijk is kan ze als jong meisje niet onder woorden brengen.

    Roze armen en benen

    Naarmate Eva ouder wordt groeit het besef dat ze ‘anders’ is dan andere mensen. Dat willekeurige voorbijgangers willen voelen aan haar kroeshaar is tot daar aan toe, maar babyzusje Roos, dat tegen iedere verwachting in zeven jaar na de komst van Eva als biologisch kind van Jan en Saar geboren wordt, heeft ‘net zulke roze armen en benen als Vader en Moeder en blonde, steile haartjes’. Het onderwerp is thuis moeilijk bespreekbaar: ‘Toen was het tijd om Vader te vragen hoe dat allemaal in elkaar zat en ze verzamelde al haar moed. Maar hij zei alleen: “Jij bent onze Eva en je bent precies zoals je zijn moet! En wij houden van je!”

    Buitenshuis blijven de vooroordelen echter hardnekkig. Eva’s meester van de lagere school verzucht hardop tegen de ouders van Eva ‘dat dit ras niet kan leren’, terwijl Eva het tot dan toe eigenlijk prima deed op school. Die opmerking lijkt even een self fulfilling prophecy te worden, want het leren gaat Eva plotsklaps een stuk minder goed af, maar ze weet zich te herpakken en mag uiteindelijk zelfs naar de hbs, mede door bemoedigende woorden van de grote hoeveelheid ooms en tantes die ze rijk is. Binnen de familie is Eva geliefd en voelt ze zich gesteund, zolang ze maar geen vragen stelt over haar afkomst. Wanneer Eva tijdens de Tweede Wereldoorlog een persoonsbewijs moet hebben, biechten haar ouders op dat ze door iemand anders ter wereld is gebracht. Ze is dan al vijftien jaar oud. Haar ouders kunnen alleen maar benadrukken dat ze van haar houden.

    Emigreren

    De teleurstelling over de onmacht van haar ouders om over haar afkomst te praten, slaat bij Eva om in boosheid. In de jaren na de oorlog raakt het gezin Van Dam besmet met het emigratievirus. Uiteindelijk vertrekken de ouders en (inmiddels) twee zusjes van Eva na veel omzwervingen naar Canada. Eva besluit om niet mee te gaan, maar zich in plaats daarvan te vestigen in Suriname. Daar komt ze tot de ontdekking dat ze zich ook daar anders voelt (en anders bejegend wordt), omdat ze meer aansluiting heeft bij de witte minderheid.

    Ondanks het gevoel dat ze nergens echt bij hoort, komt Eva in elke fase van haar leeftijd over als een sterke vrouw, die de regie stevig in handen heeft. Nergens wordt gesuggereerd dat je medelijden met haar zou moeten hebben of dat ze bijzonder kwetsbaar zou zijn. Met de kennis van nu over adoptie, is de boosheid van Eva jegens haar zwijgzame ouders zeer begrijpelijk en invoelbaar. Al wordt ook keer op keer door haarzelf benadrukt dat Jan en Saar vanuit liefde kozen voor hun terughoudendheid. Het deel over de naoorlogse jaren voelt wat traag, maar wanneer Eva zich uiteindelijk settelt en zelf moeder wordt, is de aandacht voor het verhaal weer helemaal terug. De cliffhanger waar het boek mee eindigt geeft goede hoop op een vervolg. Vanwege de fijne stijl waarin het boek geschreven is, is het ook te hopen dat Harriët Duurvoort zich ooit aan een roman gaat wagen. Verhalen vertellen gaat haar namelijk bijzonder goed af.

     

     

  • Kees ’t Hart en de essentie van het warenhuis als museum en strijdperk

    Wie wil een boek lezen waarvan de verteller een consultant is, die het liefst honderduit over zijn werk zevert en vindt dat zijn betoog geen roman mag worden? Wij allen, mits het De Rode Olifant heet en is geschreven door Kees ’t Hart. 

    ’t Hart debuteerde in 1988 met de verhalenbundel Vitrines, waarover later. Geen familie van de bestsellerauteur Maarten, schreef een recensent in die tijd. Zevenendertig jaar en zevenentwintig boeken (romans, verhalen, essays, toneel, poëzie) verder zal niemand deze relatie meer leggen. Als er al een verwantschap zou bestaan is dat met collega P.F. Thomése, met wie ’t Hart korte tijd in de redactie van De Revisor zat. Beide auteurs zijn immers zeer bekwaam in het hanteren van zeer uiteenlopende stijlen en genres. Thomése schreef naast zijn ‘serieuze’ werk de drie slapstick-romans met J. Kessels als hoofdpersoon en in 2007 verscheen zijn roman Vladiwostok! met een spindokter in de hoofdrol, over het politieke bedrijf in Den Haag, de bijbehorende media en andere valkuilen.  

    Als ’t Hart een historisch roman schrijft over Aagje Deken en Betje Wolff, doet hij dat via een hedendaagse onderzoeker die met e-mailberichten strooit. En Wederzijds (2017) is een relaas waarin keurige Haagse burgers langzaam maar zeker politiek radicaliseren en uiteindelijk tot hun verbazing bij een gewelddadige groep terechtkomen. In De revue (1999) wekt ’t Hart het Amsterdamse theater Carré uit de jaren zestig tot leven via een licht schurend liefdesverhaal.  

    Een merkwaardig buitenbeentje

    Voordat we naar De Rode Olifant gaan, moeten we het verhaal ‘Warenhuis’ uit zijn debuut Vitrines bekijken. Daarin vertelt een jongen van twintig dolgraag te willen stagelopen in een warenhuis. Zijn opleiding heeft hij niet heeft afgemaakt, maar wel werkervaring in kampwinkels opgedaan.  Bijzonder is zijn motivering: hij hoopt door de aanwezige vitrines en bakken zijn herinneringen te kunnen ordenen tot een samenhangend geheel. Ik stel het nu wat simpel, de verteller houdt vrij gecompliceerde betogen over zijn herinneringen en die van anderen, vervolgens over herinneringen die een hele keten van andere kunnen veroorzaken etc. Hij schrijft sollicitatiebrieven en wordt soms uitgenodigd voor een gesprek. Vergeefs. Door zijn wat criminele vader en zijn broers wordt hij zowel geholpen als tegengewerkt. Ze moeten vooral lachen om het belang dat hij hecht aan een gele corsage.

    In dit verhaal zien we al de echte Kees ’t Hart opdoemen. De verteller is een merkwaardig buitenbeentje en blijkt ook onbetrouwbaar, want bijvoorbeeld de brieven zijn niet (alle?) verstuurd en die gesprekken hebben niet (alle?) plaatsgevonden.

    Over warenhuizen en winkelcentra

    De Rode Olifant begint met een anonieme consultant voor het winkel- en warenhuismanagement, die door ene dr. H. Fritzen per brief wordt gevraagd om eens te komen praten in de Rode Olifant. Een overbekend gebouw in Den Haag. Er bestaat geen hoge dunk van consultants. Ze verdienen te veel met vaag gebabbel in modieus jargon. Bullshit jobs. Maar net als de kleine minderheid van managers die bij het afscheid met huilende werknemers worden geconfronteerd die hen smeken alsjeblieft toch maar te blijven, zo bestaan er ook bekwame consultants. ’t Hart wekt de geloofwaardig indruk dat zijn verteller zo iemand is.

    Aan de ene kant is daardoor De Rode Olifant een interessant betoog over warenhuizen en winkelcentra, de essentie van retail business, waar over elk detail dient te worden nagedacht. De trekkers zonder welke winkelcentra niet kunnen floreren en het belang van een display. Logistiek als oorlogvoering, de rituelen waarmee het warenhuis lijkt op een museum. Het verrast ons niet dat de verteller was betrokken bij Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam.

    Maar zijn pogingen Fritzen te spreken te krijgen, verlopen moeizaam. Eerst wil de verteller weten wat voor vlees hij in de kuip heeft – ook zijn vriend Pim vindt desgevraagd echter erg weinig daarover. Wel heeft Pim onlangs ene Anna Postvelt ontmoet, die een kantoortje heeft in de Rode Olifant. Een zeer succesvolle standbouwer die alleen nog maar prestigieuze projecten aanneemt als de Arsenale tijdens de Bienale. Behalve in Den Haag heeft haar bedrijf vestigingen in Minneapolis en Parijs. En… zij blijkt ook het jeugdvriendinnetje van de verteller, die haar daarna uit het oog is verloren.

    Honderduit over Zola en Warhol

    We krijgen zijn uitgebreide terugblik die in ieder geval duidelijk maakt dat hij volstrekt geen oudere versie is van de jongen uit het verhaal ‘Warenhuis’. Integendeel. Want enig kind, met een brigadegeneraal als vader en na zijn middelbare school in Nijmegen student aan de KMA en de Erasmus universiteit. Alhoewel, zijn interesse in het warenhuiswezen werd gewekt toen hij als scholier een vakantiebaantje had bij de lokale V&D en met zijn ouders kamperend in Frankrijk bracht hij uren door in de grote supermarkten aldaar. 

    De andere kant van de roman leren we in tussenzinnen kennen, waarmee ’t Hart de spanning prettig opvoert. Een hoofdstuk eindigt bijvoorbeeld met het zinnetje ‘Niet verstandig.’ Waarom? Verder is er af en toe sprake van een ‘advocaat’, een ‘pleidooi’ en een ‘rechtszaak’. ’t Hart schotelt de lezer hierover telkens kleine brokjes informatie voor, net als over een ex die hem ‘emotioneel instabiel’ noemde, zijn ‘woedeaanvallen’, zijn ‘roes’ en ‘pathos’. Brokjes die vragen oproepen, maar ’t Hart leidt de lezer hiervan listig af door de wijdlopigheid van het verslag en de zelfingenomenheid van de verteller als professional. Honderduit vertelt hij over zijn vak en over Émile Zola’s roman Au bonheur des dames (1883) die hij als een bijbel annex handboek beschouwt. Over de dagboeken van Andy Warhol waarin die het over warenhuizen heeft. Over het schilderij Un bar aux Folies Bergère (1882) van Édouard Manet. Dat krijgen we ook te zien, net als de afbeeldingen van de Rode Olifant, waarmee hij zijn geschiedenis van het gebouw illustreert, begonnen als het Petrolea van Esso en eindigend als het bedrijvenverzamelgebouw Traces.

    Man met een opdracht of verovering van een jeugdliefde?

    Als hij de geheimzinnige Fritzen eindelijk ontmoet, blijkt hij een opdracht te krijgen: ontwerp een warenhuismuseum in de Rode Olifant. Dit is geen spoiler, want we zijn pas op drievijfde van de roman en hebben nog allerlei avonturen te goed, onder andere in Parijs en Minneapolis. Op een gegeven moment vraagt de lezer zich af waarover de roman eigenlijk gaat: een man die een moeilijke maar prestigieuze opdracht krijgt of een man die na decennia zijn jeugdliefde probeert terug te veroveren?

    Dan hebben we onze aandacht laten afleiden van de andere kant van de verteller, die van de terloopse zinnetjes die aangeven dat hij even onbetrouwbaar is als de jongen uit 1988. Veel boeken van retail-deskundigen die hij citeert, kunnen we direct op het internet terugvinden, maar andere heeft ‘t Hart verzonnen. Het bedrijvenverzamelgebouw Traces heet in werkelijkheid Spaces. En mag zijn verslag in geen geval een roman worden? Op nog geen vijfde van het boek vraagt hij al, ‘Zou het, na enige omwerking met andere namen, niet ook als roman kunnen worden gepubliceerd? Kent u mensen uit de uitgeverwereld?’

    De afloop – ’t Hart knoopt geloofwaardig diverse verhaallijnen aan elkaar – is vooral te verklaren vanuit de stukjes informatie die drijven in de woordenstroom.

    Een in alle opzichten interessante roman, De Rode Olifant. We hebben Herman Heijermans’ toneelstuk De opgaande zon (1908), waarbij het warenhuis uit de titel verwijst naar de bestaande Bijenkorf, zoals Zola’s warenhuis naar als Le Bon Marché verwijst. Maar het stuk van ’t Hart gaat vooral over de galanteriewinkel die wordt bedreigd door het naburige warenhuis. Het is zowaar spijtig dat de consultant zweeg over het echec V&D. En wat zou hij hebben gevonden van de manier waarop het Rotterdamse warenhuis Ter Meulen is getransformeerd?

     

     

    Lees ook: Victorien ik hou van je
    Theatro Olimpico
    Wim Brands en Kees ’t Hart in wederzijds-interview

     

  • Geen zorgen

    Maak je geen zorgen over ons is een fictieve graphic novel van Koen Aelterman. We maken kennis met Kobe Verhoeve, een 20-jarige illustrator, een sympathieke, zachtaardige en verlegen jongeman, die aankomt in Australië om er een jaar te werken en rond te trekken. Een populaire bestemming onder jongeren voor een tussenjaar, om meer van de wereld te zien en tijd voor jezelf te hebben. Dat is ook de aanleiding voor Kobe, hij heeft behoefte aan ruimte en rust, wil nieuwe dingen zien, nieuwe mensen ontmoeten, heeft tijd nodig om te ontdekken wie hij is en wat hij wil. Ook dat is iets wat veel jongeren bezighoudt. De directe aanleiding voor Kobe’s reis is zijn onlangs verbroken relatie, dat was onverwacht voor hem en heeft hem diep geraakt.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Roman van hoop

    Marieke van der Pol (1953) stu­deerde in 1979 af aan de Amsterdamse Toneel­school en was vijftien jaar werkzaam als actrice. Sinds 1992 schrijft ze scenario’s, onder andere voor De TweelingBride Flight en Zee van tijd. Ze schreef drie romans: Bruidsvlucht, Voetlicht en nu dan Waterland.

    Een ongelukkige, gemankeerde of anderszins niet fijne jeugd is een bron van inspiratie in de literatuur. Denk maar aan ’t Hart, Wolkers, Siebelink en nog vele anderen. Wat moet je dan met een gelukkige jeugd, al die fijne herinneringen aan je (leuke) ouders, vriendjes, omgeving, gebeurtenissen, het weer. Zo’n roman is misschien niet erg spannend, er worden geen diepe zielenroerselen gedeeld, geen verklaringen gegeven waarom de schrijver degene geworden is die zij is. Of zijn wij als lezers zo gehersenspoeld dat we ons graag onderdompelen in de ellende van een ander en dat we daar juist van genieten. Willen we graag negatieve ervaringen lezen om onze eigen gelukkige of ongelukkige jeugd aan te spiegelen. Mag niemand meer een gelukkige jeugd hebben.

    Opgroeien in de jaren vijftig en zestig

    In deze hectische tijden van dystopische beelden uit verre en nabije oorlogslanden en zogenaamde democratieën komt allerlei ellende onze kant op. Somberheid, hopeloosheid, wanhoop: wij als verwende Nederlanders worden ermee overspoeld. Dan is het toch wel mooi als een schrijver als Van der Pol gewoon voor de lol jeugdherinneringen ging opschrijven. ‘Ik ben geïnspireerd door mijn kleinzoon van twaalf. Zodat hij later kon lezen wat zijn oma als kind heeft meegemaakt. Ik had helemaal niet het idee om een boek uit te geven. Heb ook geen research gedaan. Ik ben puur vanuit mijn herinneringen gaan schrijven, uit mijn hoofd. Losse verhalen, maar wel chronologisch.’
    En als je dan zo’n zonovergoten jeugd hebt gehad en van die mooie verhalen kunt vertellen, dan krijg je Waterland. We zouden het een een roman van hoop kunnen noemen. Genieten van een leven zonder sociale media, smartphones, internet en zonder van alles te moeten. Inderdaad, vroeger was het beter klinkt wel eens door in het boek, maar wat overheerst is de positieve herinnering. Van der Pol trapt niet in de valkuil van de streekroman waarin het, behalve over sociale verhoudingen in een bepaalde streek, vaak vooral gaat om leuk en aardig, normen en waarden en nostalgie. Ze voegt wat scherpe randjes toe, zoals grensoverschrijdend gedrag, een depressie, een strenge moeder, een puberale dochter. Gelukkig maar.

    Van der Pol is opgegroeid in de jaren vijftig en zestig. Eerst nog in Amsterdam, later, als haar moeder zwanger is van het vierde kind, verhuist het gezin naar een nieuwbouwwijk in een niet met naam genoemd Noord-Hollands dorp. In korte hoofdstukken beschrijft de auteur dat leven van een jong gezin in de opbouwjaren.  De rode draad in deze korte scènes, je mag ze ook verhalen noemen, is vrijheid. De scènes worden verteld vanuit het kindperspectief. Dat geeft Van der Pol de gelegenheid het frisse, onbezorgde, onschuldige en wat naïeve van haar jeugd weer te geven.

    Liefhebbende moeder

    Moeder is thuis voor de kinderen, bakt en naait en houdt de boel draaiend. Vader bemoeit zich veel minder met de gezinszaken, hij werkt en studeert economie. Vader is een tobber, krijgt wat we nu een burn-out zouden noemen, raakt op een gegeven moment in een depressie, komt zijn bed niet meer uit en wordt opgenomen in een inrichting. Het gezin ontziet hem. Moeder vangt alle klappen op en zorgt ervoor dat de kinderen niet al te zeer onder de situatie lijden. Van der Pol beschrijft deze tijd met een zekere afstand; ze lijkt er inderdaad niet al te zeer onder te hebben geleden en herinnert zich vooral dat ze er niet veel van begreep. Het gezin is katholiek: er wordt communie gedaan, slapen doe je met je handen boven de dekens, er wordt gebiecht. De kinderen moeten een eind fietsen om naar katholieke scholen te gaan. In het nieuwbouwdorp is er gelegenheid genoeg om in de in aanbouw zijnde huizen te spelen, in sloten te vallen, van bergen zand te springen en te glijden en hele dagen buiten te zijn. Moeder maakt zich geen zorgen als de kinderen uren wegblijven, heel wat anders dan de curlingouders vandaag de dag.

    De wereld van de kinderen wordt gaandeweg de roman groter. Van het kleine huis in Amsterdam naar de ruimte van het Noord-Hollandse landschap en een groter huis met licht en ruimte. Van de dorpsschool naar de katholieke school in de stad, van het gezin naar de familie. En zeker als vader opgenomen is komt daar de buitenwereld nog eens bij. Er verschijnen familieleden, waar gelogeerd wordt. Vader en moeder krijgen niet alleen verleden, maar ook een kader. Want wat is er nu precies aan de hand met vader? Waarom studeert hij en lijdt hij daar zo onder?

    Tijdsbeeld waarin mensen gelukkig zijn

    Ook de ik-persoon maakt kennis met andere aspecten van de buitenwereld. Ze wordt aangerand door een jongen uit de buurt die enkele weken later zo’n standje van de moeder krijgt dat hij zich nooit meer zal laten zien.
    De roman kun je ook lezen als een portret van een strenge, katholieke, rechtvaardige moeder die de touwtjes strak in handen heeft en niet veel ruimte lijkt te geven. Ze is echter vooral heel erg liefhebbend: naar haar man voor wie ze onvoorwaardelijk kiest en zorgt en ook (en misschien wel vooral) naar haar kinderen. Het lijkt alsof Van der Pol hier een boodschap meegeeft aan de ouders van nu: leef je in in je kinderen, geef ze aandacht, help ze grenzen aan te geven, zorg ervoor dat je er voor ze bent. Dan hoef je ze niet altijd hun zin te geven, te verwennen. Onaangename zaken horen ook bij het leven. Kijk naar de keren dat de ik-persoon naar een tuinder moet om groente halen. Hij stinkt, is traag, heeft rare dochters, lijkt op een heks. Ze weet dat ze er niet onderuit komt en ze weet dat moeder weet dat ze het verschrikkelijk vindt.

    Vader komt weer thuis, gaat zijn scriptie afschrijven en lijkt weer genezen. De kinderen en moeder hebben geld voor hem gespaard om rijlessen te nemen. Als de ik-figuur naar de middelbare school gaat, begint ze zich los te maken van haar ouderlijk huis, letterlijk. De puberteit slaat toe, ze gaat naar een andere school, gaat roken, wordt zelfstandiger en krijgt een eigen mening.

    Van der Pol is er heel goed in geslaagd een tijdsbeeld neer te zetten waarin mensen gelukkig zijn, de wereld nog niet op hol geslagen is, er wel regels en verboden zijn, maar ook veel vrijheid, aandacht, buitenlucht. Vooral is Waterland een portret van de moeder: liefdevol, streng, aanwezig. Je zou willen dat iedereen zo’n moeder had.

     

     

  • Een autobiografisch beeldverhaal

    ‘Een nieuw woord voor liefde, dat is wat ik nodig heb’, dacht Marieke van Ditshuizen toen zij en de vader van haar kinderen uit elkaar gingen. Als illustrator van vooral kinderboeken begon ze haar pijn en ervaringen te verwerken met tekeningen. Een nieuw woord voor liefde, een graphic memoir over vallen en opstaan na een scheiding, is een krachtig en openhartig egodocument. Gescheiden vrouwen en mannen zullen veel herkennen in dit boek, maar eigenlijk geldt dat voor iedereen, omdat het zo’n universeel verhaal is.

    Een nieuw woord voor liefde begint met een groot getekende IK. Marieke stelt zichzelf voor en geeft de lezer inzicht in haar leven aan de hand van korte, met potlood geschreven zinnetjes en losse schetsmatige illustraties, krabbels zonder opsmuk, maar altijd herkenbaar en door het hele boek heen consistent. Soms maakt ze gebruik van roze als steunkleur, wat heftig of verzachtend werkt.

    De roze droom

    Twee jong geliefden beginnen met hoog gespannen verwachtingen aan kinderen. Beiden zijn kunstenaar, Marieke is al doorgebroken als illustratrice, P., zoals ze haar vriend noemt, nog niet. Het leeuwendeel van het inkomen is haar verantwoordelijkheid. Gaandeweg gaat P. meer zijn eigen gang, het wordt moeilijker om afspraken te maken en haast automatisch trekt zij de zorgtaken naar zich toe, terwijl ze toch allebei geëmancipeerd zijn opgevoed, schrijft Marieke. Hoeveel vrouwen herkennen dit patroon niet: naast een volle baan de zorg voor het huishouden en ook ’s nachts is zij degene die opstaat als er een kind jengelt of ziek is. Op dat moment zag ze het niet, er was nauwelijks tijd voor reflectie. Achteraf, terwijl ze haar situatie tekent, ziet ze het feilloos en vraagt ze zich af waarom ze zich onderwierp aan het traditionele rollenpatroon.

    Met de komst van het tweede kind ging de relatie bergafwaarts. Ze zagen het gebeuren, maar konden of wisten niet hoe ze het patroon moesten veranderen. Van Ditshuizen analyseert P.’s. karakter en beseft dat er aan zijn mooie aantrekkelijke kanten een keerzijde zit. De compromisloze kunstenaar waar ze voor viel, heeft nooit geld. Of is zijn volstrekte autonomie ook als egoïsme op te vatten. Kan ze nog met de roze bril naar hem kijken? Hij neemt het steeds makkelijker, gaat vreemd en de eerste barstjes van irritatie ontstaan. Ze besluiten tijdelijk uit elkaar te gaan. Met trefzekere tekeningetjes beschrijft Van Ditshuizen haar situatie: een alleenstaande moeder met twee kleine kinderen.

    Lusten zonder lasten

    P. heeft al snel een nieuwe liefde, met wie hij zelfs trouwt, terwijl hij dat met de moeder van zijn kinderen nooit wilde. Dat doet pijn. Ze moet accepteren dat ze nu met co-ouderschap haar kinderen deels moet afstaan, de vader heeft ook zijn rechten en dat valt haar soms zwaar. Ze vinden het ook leuk bij hem met de kinderen van zijn nieuwe partner.

    Voor Marieke volgt een periode van verdriet, woede en verwarring. P. heeft de lusten en niet zozeer de lasten van de kinderen als ze in de weekenden bij hem zijn. Van Ditshuizen geeft beelden en woorden aan de omgang met haar ex, de gevoelens die ze heeft jegens zijn nieuwe partner en hoe de kinderen daarop reageren. Ze moet het allemaal leren accepteren. Maar er is een lichtpuntje. Hoewel ze vele avonden alleen is, levert dat ook veel tijd op.

    Fuckingbuddybingo

    Ze gaat weer uit met vrienden en installeert een dating app op haar telefoon. Ze houdt zich voor dat dit niet zozeer is om een nieuwe liefde op te duikelen, maar voor de seks. Echter, steeds weer komt ze van de koude kermis thuis, ze wordt ervaringsdeskundige op het gebied van dating met een heel scala van mannen. Ze tekent een ‘Fuckingbuddybingo’, een juryrapport voor mannen. Voor hen ongetwijfeld confronterend om te zien hoe er over ze gedacht wordt. Naast verdriet komt de aanvaarding, het rouwen om wat was verdwijnt naar de achtergrond. Marieke leert opnieuw te ‘kijken naar wat er wél is’.

    Het knappe van dit boek is dat Marieke van Ditshuizen de clichés van haar situatie dankzij de ijzersterke tekeningen zo goed hanteert. Door haar gevoelens te tekenen kijkt de schrijfster en illustrator vanaf een afstand naar zichzelf en weet daardoor de toon luchtig te houden. Haar relaas wordt nergens sentimenteel gezeur, of larmoyant geklaag. Integendeel. Het is een eerlijk, openhartig en herkenbaar maatschappelijk geëngageerd verhaal.

     

     

  • Een boek om te koesteren

    ‘Wat moet ik dan doen met die mooie topazen oorbellen? Een belachelijke eerste gedachte. Die ik toch heb, ’s nachts in bed, als ik mezelf toesta vlak voor het slapen gaan even te denken aan “als ik nu zou horen dat ik niet zo lang meer te leven zou hebben.’’’

    Het is voorjaar als dichter en schrijver Marjoleine de Vos een bultje ontdekt bij haar kaak, onder haar rechteroor. Ruim een half jaar later is het bultje uitgegroeid tot een speekselkliertumor en de oncoloog besluit tot een operatie. Het zal wel meevallen, zegt hij. Waarop De Vos noteert: ‘Precies wat ik dacht, behalve op de momenten dat ik het niet dacht.’ En deze momenten kwamen vaker voor dan ze zou willen. Ze doet er verslag van in het kleine, fraai uitgegeven boekje Zo hevig in leven, een overpeinzing over sterfelijkheid. De titel is een dichtregel uit een van haar gedichten, ‘Mevrouw Despina leest een psalm’ uit haar bundel Zeehond graag uit 2000. Het gedicht staat ook vooraan in dit boekje, als een motto, en het vat de inhoud ervan prachtig samen: angst en onzekerheid over het leven en het einde daarvan wisselen in haar gedachten van plaats met de betekenis en de vreugde van het hier en nu. De

    Houvast zoeken in de natuur 

    Vos zet haar gedachten om in prachtig proza, onnadrukkelijk, alsof ze in zichzelf praat. Ze vertelt over haar angsten, haar herinneringen, alles wat ze liefheeft en vreest te moeten achterlaten. Ze denkt na over haar eigen afwezigheid, de vergankelijkheid van de mens. Hoe moet je je voorstellen dat je er niet meer bent. Het feit dat de artsen geen definitieve diagnose hebben kunnen stellen, maakt het voor haar nog moeilijker: hoe moet ze zich verhouden ten opzichte van het leven. Houdt het op of gaat het verder. En als het verder gaat, hoe dan. Gedachten over wat er kan gebeuren met haar gezicht: ‘Niet het mijne! – en hou hierover op.’ Houvast vindt ze in relativeringen die ze zoekt in de natuur, haar liefde zonder voorbehoud voor dieren, waaronder haar vogeltjes – die keren steeds terug in de tekst – en voor de literatuur. Om troost en bevestiging en om te weten dat ze niet alleen staat, citeert ze Vestdijk, Vasalis, Szymborska, Proust en Nijhoff (‘die verlichten mijn dagen’), maar vooral Mary Oliver, die net als zijzelf inspiratie vond in de natuur en dichtte over de ‘overgave aan de natuurlijke wereld’: natuur, stilte, dieren. 

    Nadenken over het leven voert haar onvermijdelijk terug naar het verleden: ‘Een heerlijke tijd natuurlijk, oorlog lang voorbij, iedereen werd almaar rijker, we geloofden eindeloos lang in zoiets als vooruitgang’. Ze kan niet anders dan concluderen: ‘Ja, ik heb in allerlei opzichten geboft met mijn tijd van leven. Bof nog steeds.’

    Als ik er niet meer ben

    Van september tot en met februari schrijft De Vos niet alleen over haar gedachten maar vertelt ze ook over het hele medische circuit waarin ze beland is: onderzoeken, uitslagen, uitzichtloosheid en strijdend met hoop, verwijten maken dat de tumor veel te laat ontdekt is en dat het veel te lang heeft geduurd voordat er iets aan gedaan werd. ‘Als ze in september dat bobbeltje hadden weggehaald. Dan was er geen avond geweest waarop ik wanhopig had gedacht: Zelfs een jaar is genoeg, echt waar, laten de goden mij nog een jaar toestaan. Maar niet nu al.’

    Ze denkt na over haar begrafenis en welke muziek er dan gedraaid moet worden. Herkenbaar voor iedereen die hetzelfde meemaakt. Maar het ergste vindt ze het verdriet van anderen, als ze moet vertellen wat er met haar aan de hand is. En de angst dat je degenen van wie je houdt niet goed achterlaat. ‘Dus dan fantaseer is hoe ik hem veel geld kan nalaten, waarmee hij dan iets kan gaan doen. Welk geld. Wat doen. Ik wil hem gewoon vast blijven houden als ik er niet meer ben.’

    Tijdens de operatie, de dag na nieuwjaarsdag, zijn er geen uitzaaiingen gevonden. ‘Zucht van opluchting, alsof die arts zei: gij zult leven, zonder dat er ooit gezegd is dat dat niet het geval zou zijn […]’ Zekerheid wordt niet geboden, als er niets gevonden is betekent dat nog niet dat er ook niets is. Maar: ‘Ik heb geen klachten. Ik leef.’ 

    Overgave aan het leven

    En dat is wat blijft als je haar boek hebt gelezen, haar overgave aan het leven, haar verwachtingen, haar levenslust. Het heeft te maken met, zoals ze schrijft, ‘het loslaten van jezelf.’ Alsof  ‘jezelf’ er niet meer zo veel toe doet, zegt De Vos, ‘kijken naar wat er aan leven is buiten je, en niet denken: wat betekent dat voor mij, niet zoeken naar wat er in je omgaat.’ In de woorden van Elisabeth Eybers, die zij citeert, heet het: ‘Zelfafstotend groeien.’ De Vos voelt dat als zij haar geliefde vogels observeert, mussen, wulpen, sternen, groenlingen en koolmezen. Die spreken tot haar, net als de woorden van Eybers, ‘zomaar wat woorden om mee te nemen in het ijverige alledaagse dwalen, zoeken, leven.’

    Zo hevig in leven is een intiem boek dat de lezer rechtstreeks in het hoofd en hart van de dichter laat meekijken hoe zij deze moeilijke periode beleefd heeft. De Vos doet niet aan zelfbeklag. Ook maakt ze geen grote gebaren of verheft haar stem. Het is een open en eerlijk relaas dat niemand onverschillig zal laten. Wie in dezelfde situatie verkeert of verkeerde als zij, zou dit onsentimentele maar ontroerende boek moeten lezen. En zo troost te vinden in de woorden die zij heeft gegeven aan wat veel mensen moeten doorstaan. Dit is een boek om te koesteren.

     

     

  • Het halfduistere verleden van een dwangarbeider

    Levensverhalen doen het goed in de Nederlandse literatuur. De ‘memoirs’ over het eigen leven of dat van anderen, zoals familieleden, verschijnen met grote regelmaat. Het lijkt wel of de lezer meer en meer interesse heeft in ‘echte levens’ boven gefictionaliseerde literatuur. Dit uit de Engelse literatuur overgewaaide genre maakt furore, misschien wel omdat we steeds meer betekenis toekennen aan herinneringen aan ingrijpende gebeurtenissen. En een memoir is gewoonlijk korter en toegankelijker dan een vaak volumineuzere (auto)biografie.

    Zo’n ingrijpende gebeurtenis is het tewerk worden gesteld in Duitsland van de 18-jarige Fons van Stolwijk, vader van de auteur van dit boek, Elly Stolwijk. Zij is inmiddels iets over de 70, en beschrijft minutieus en invoelend het leven van haar vader, een dwangarbeider in Duitse dienst, zowel in de oorlog als, maar dan veel korter, erna. De eerste zin van het boek spreekt boekdelen: ’Fons is nog geen eenentwintig jaar jong als hij in de zomer na de bevrijding, de precieze datum is onbekend, terugkeert uit nazi-Duitsland waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog dwangarbeid had verricht in metaalfabrieken in Berlijn en Lauchertal, een ervaring waarover hij tijdens zijn leven nauwelijks kan spreken (…).’ De bladzijden beslaan steeds een hele lange zin, een stilistische keuze die Stolwijk vaker maakt en waarvan je je kunt afvragen wat de meerwaarde ervan is. Maar die keuze doet niet af aan het belang van dit boek over een minder bekende, maar toch omvangrijke groep Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Hun lot is vaak vergeten of op zijn minst veronachtzaamd, vermoedelijk omdat de schaal en omvang van slachtoffers “meeviel”: op de 500.000 dwangarbeiders zijn er 30.000 omgekomen. Nog een flink aantal, maar in geen verhouding tot slachtoffers onder de Joodse bevolking en andere categorieën slachtoffers. Bovendien hangt er om het fenomeen dwangarbeider toch altijd wel een sfeer van waarom zijn die mannen niet gaan onderduiken?

    Een klein stukje gewoon leven

    De eerste zin van het tweede hoofdstuk – de hoofdstukken zijn ultra kort – opent het verhaal: ’In de vroege zomer van 1943 reist Fons, ruim een maand voor zijn negentiende verjaardag, onvrijwillig met de trein naar Berlijn, het is zijn eerste buitenlandse reis, hij kan zich niet voorstellen wat hem te wachten staat en hoewel de levendige jongeman nieuwsgierig is naar de grote wereld, had hij deze beker liever aan zich voorbij laten gaan, immers, hij is door toedoen van zijn werkgever, de Rijksbelastingdienst, opgeroepen werk te verrichten in nazi-Duitsland, onderduiken is geen optie want dan zullen ze zijn pa meenemen, dus hij aanvaardt dit lot.’

    Deze zin staat voor de teneur van dit boek. Uiteraard worden belevenissen zo levendig mogelijk beschreven aan de hand van zowel opgespoorde bronnen als een geloofwaardige fantasie, maar nergens is er sprake van groot drama of superspannende avonturen. Het zijn kleine belevenissen, klein leed, zeker in verhouding tot het zo veel grotere leed in de concentratiekampen, van de hongerwinter, de vervolging, de misdaden tegen de menselijkheid enzovoort. Toch waren het schrale bestaan in slaapzalen bij fabrieken en de ontberingen een realiteit voor honderdduizenden Nederlanders (en andere nationaliteiten) die in Duitsland tewerk waren gesteld. Er is sprake van enige vrijheid, bijvoorbeeld om op zondagmiddag in Berlijn een biertje te gaan drinken. Mits je je maar op tijd meldt bij de fabriekspoort kun je een klein stukje ‘gewoon’ leven leiden. Maar het is ook een leven in permanente onvrijheid en met behoorlijk wat ontberingen. ‘Het is eind januari 1945 en de tijd lijkt stil te staan, de werkweken zijn tergend lang, de dagen grijs en koud, het sneeuwt vaak en er staat een schrale oostenwind, met gebogen hoofden lopen de arbeiders in de vroege ochtend naar de fabriek, met gebogen hoofden komen ze aan het eind van de dag terug, soms hoort hij zijn moeders stem, of die van pa, ineens lijkt het alsof hij moedert hoort huilen, hij schrikt van het wanhopige snikken en kijkt op, ziet de grote hal om zich heen draaien en moet, misselijk van de zure lucht van ijzervijlsel, steun zoeken van de draaibank, hij braakt gal (…)’. Met respect voor de lotgevallen van Fons, dit proza gaat eindeloos door met kleine variaties over meestal onvriendelijke bewakers, de ziekenboeg en de kameraden die elkaar erdoorheen helpen.

    De grotere gebeurtenissen zoals de overplaatsing van Berlijn naar een kleinere stad en natuurlijk vooral de bevrijding krijgen wel wat meer reliëf, maar het proza is helaas nogal monotoon en cliché. ‘Fons ervaart in een intens moment de aanwezigheid van de lente, die verwachtingsvolle, groenige geur, ijl (…). Er is ook nog een parallelle geschiedenis van Fons met een vrouw, er zijn interessante observaties over de productieprocessen in de voor de wapenindustrie werkende fabrieken, er zijn boeiende notities over het verschil in behandeling van de ‘laagste’ categorieën, Oekraïners, Polen en Russen versus de Nederlanders en Fransen.

    Zoeken om ervaringen te delen

    Stolwijk wil haar vader een stem geven en ‘ingeslikte, onverteerde woorden naar buiten brengen’. Op zichzelf een nobel streven. De auteur legt daarbij uitvoerig uit hoe ze haar onderzoek heeft uitgevoerd. Een reis op haar 23e naar het toen nog in Oost en West gescheiden Berlijn, een vakantie in 2012, twaalf jaar na de dood van haar vader in 2000, een vakantie in de Eiffel waar zij en haar partner een oude waterkrachtcentrale bezoeken. ’s Middags tijdens het bezoek krijgt ze opeens weke knieën, ‘iets logs dringt mijn borstkas binnen en neemt me over, terwijl tranen mijn blik vertroebelen’. ’s Avonds: ‘Ik probeer de gebeurtenis van die middag te begrijpen. In welk krachtenveld was ik terechtgekomen? De vlammen laaiden op en in een helder moment weet ik dat het onzichtbare veld toebehoorde aan mijn vader.’

    Tsja, en daarna begint een jarenlange zoektocht naar de vader. Na elk hoofdstuk documenteert Elly Stolwijk de met volharding uitgevoerde tocht naar het verleden van haar vader. Het eindresultaat is een kruising tussen historisch onderzoek en met enig pathos opgeschreven fictie. Honorabel en bij vlagen interessant, maar daarmee nog niet een meeslepend en pakkend boek. Wel een integere verantwoording van een zoektocht naar het halfduistere verleden van haar vader als dwangarbeider. Zijn leven daarna is gemengd: hij stichtte een gezin, ging weer werken bij de Belastingdienst maar werd nooit echt gelukkig. Hij verzweeg en verdrong het verleden, maar kreeg er ook last van: hoofdpijn, problemen op het werk, en zoeken naar een platform om ervaringen met andere dwangarbeiders te delen. Vervroegd pensioen, vergeefse pogingen om bij de Duitse bedrijven herstelbetalingen te krijgen, en overleden op 76 jarige leeftijd in 2000. ‘Het is vlak na middernacht, vrijdag 14 juli 2000, een revolutionaire datum. Fons is alleen met de duisternis en stikt,’ schrijft Stolwijk zonder nadere toelichting.

    Het boek is in essentie een treurig, helaas wat lang en saai verhaal met een hele goede bedoeling. Stolwijk wil haar vader 80 jaar na dato een stem geven over zijn leven van toen. Een integere poging om de Nederlandse dwangarbeiders in Duitse dienst in de Tweede Wereldoorlog kleur te geven, een weinig belichte groep, sommigen daarvan tussen slachtoffers en daders in. Het siert uitgeverij In de Knipscheer dat zij dit boek hebben uitgegeven. Een bestseller zal het niet worden, maar Fons Stolwijks verhaal is niet ongezien gebleven.

     

     

  • Ondersteboven en achterstevoren

    De ondertitel van Wat ik allemaal zou kunnen zeggen is Verhalen om jezelf mee ondersteboven en achterstevoren te filosoferen. Daartoe geven de makers van dit boek zeker de aanzet.

    […]

    Bij de filosofische beschrijvingen van Fisscher verzint Katrin Laureyssens telkens een aantal vragen enerzijds, een dilemma of een creatief denken-opdracht anderzijds en vervolgens nog een echte doe-opdracht. Bij het onderwerp ‘de vraag’ lezen we bijvoorbeeld: ‘Moet er op elke vraag een antwoord zijn?’; legt ze ons als dilemma voor ‘Wat kies je: nooit meer vragen mogen stellen of nooit antwoorden mogen geven?’ en is de doe-opdracht ‘Maak een vragenketting.’

    Dit boek is al in 2024 verschenen. In het kader van de Maand van de Filosofie verwijzen wij hier naar de recensie van dit boek op Op Jong Literair Nederland. Lees die hele recensie daar!

     

  • Hoe vertrouwde plekken een nieuw gezicht krijgen

    Schrijver zijn én stedenbouwkundige: het klinkt misschien als een ongewone combinatie, maar voor Hester van Gent is het de ideale manier om de werelden van woorden en stenen met elkaar te verbinden. Met haar technische achtergrond in architectuur en stedenbouw schrijft ze essays, recensies en journalistieke stukken die niet alleen de fysieke ruimte verkennen, maar ook de emoties en verhalen die eronder schuilgaan. Ze was een van de vijfenzestig kunstenaars die reageerden op Paul van Ostaijens iconische werk Bezette stad, in een bloemlezing samengesteld door Matthijs de Ridder en Willem Bongers-Dek, uitgegeven door Pelckmans in 2021. In haar verhaal ‘De miniatuur’ deelt ze haar persoonlijke blik op de stad en de manier waarop mensen zich verhouden tot hun omgeving.

    Haar debuutboek, Het passeren van onmeetbare ruimten (2024), is een essaybundel over de invloed van ruimtes op wie we zijn. Van Gent kijkt niet alleen naar hoe wij ons als individuen verhouden tot verschillende omgevingen – van hectische stadsstraten tot rustige, intieme plekken – maar ze verdiept zich ook in de psychologische en culturele lagen die deze ruimtes vormgeven. Het boek laat zien hoe ruimtes, of ze nu meetbaar zijn of niet, van onmiskenbare invloed zijn op onze identiteit, emoties en ervaringen. Van Gent zoekt naar de menselijke maat in uiteenlopende situaties: de scheidslijnen tussen landen, de voordeur die je blik vangt, de overgang tussen water en land, of de lijn op de vloer in een ziekenhuis die je de weg wijst.

    Sterke en doordachte argumentatie

    Van Gent bouwt haar betoog op door bestaande werken te citeren en toont zo aan dat haar gedachten niet alleen persoonlijk zijn, maar ook aansluiten bij een bredere (literaire) context. Zo onderbouwt ze overtuigend haar standpunt dat mens en ruimte niet altijd met elkaar te rijmen zijn. Ze illustreert dit met Kafka’s ‘Het hol’, waarin de hoofdpersoon overmand wordt door angst en zich het liefst terugtrekt in een kleine, afgesloten ruimte. Maar deze schuilplek biedt geen veiligheid. Hoe meer hij schaaft aan de muren, de versperringen rond de opening en het opgebouwde doolhof, hoe vaker hij de vijand denkt te horen kruipen, ritselen, graven.’ De angst van de ‘holbewoner’ groeit en hij verschuilt zich steeds dieper. Van Gent laat hiermee zien hoe angst en benauwde ruimtes onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: je zoekt een veilige plek om jezelf te vinden, maar tegelijkertijd sluit je jezelf af van de wereld.

    Deze spanning tussen ruimte en beleving maakt Van Gent niet alleen inzichtelijk door middel van voorbeelden uit de literatuur en kunst, maar ook door het delen van haar eigen ervaringen. Dit maakt haar werk niet alleen theoretisch, maar ook concreet en invoelbaar. In een hoofdstuk over ‘fysische momenten’, bijvoorbeeld, beschrijft ze hoe een vertrouwde route langs een singel opeens een andere betekenis krijgt. Dit gebeurt omdat je ervaring van de ruimte onbewust wordt gevormd door je overtuigingen en verwachtingen, waardoor je van de ene op de andere dag details opmerkt die je eerder niet zag. Misschien is het water een stukje hoger, of valt het zonlicht op een nieuwe manier: ‘Op een fysisch moment is een mens zich precies daarvan bewust: het in een ruimte zijn.’

    Uitdagen van denkpatronen

    Van Gent daagt je uit om na te denken over je eigen relatie met de ruimtes waarin je je bevindt en die je bezoekt. In het laatste essay van haar boek betoogt ze overtuigend hoe wij ons op een paradoxale manier verbonden voelen met wereldsteden zoals Parijs. Ze illustreert dit door te wijzen op de paradox van het beklimmen van de Eiffeltoren, die je een gevoel van directe verbondenheid met de stad geeft: ‘Toch is het een paradoxale gedachte om jezelf als onderdeel van een stad te zien, terwijl je bovenin een bouwwerk staat dat in wezen contextloos is, een constructie die nauwelijks met de grond is verbonden. Dat is geen werkelijke situatie, maar een waan – een droombeeld. Het symbool is immers niet de stad zelf, maar een sterk vereenvoudigde uitdrukking daarvan.’

    Door deze paradox te belichten, laat Van Gent zien hoe we ons vaak identificeren met iconen en symbolen van een stad, terwijl we tegelijkertijd het gevoel van verbondenheid verliezen met de alledaagse realiteit van diezelfde ruimte. Dit staat in schril contrast met de diepere betekenis van een stad, die veel gelaagder is dan wat we vanaf een afstand of via een symbool kunnen ervaren

    Van Gents essays bieden een interessante kijk op de complexe relatie tussen mens en ruimte. Ze maakt ons bewust van de subtiele, maar krachtige invloed die de omgevingen waarin we ons bevinden op ons uitoefenen – of ze nu concreet en meetbaar zijn, of abstract en ongrijpbaar. Ook legt ze overtuigend uit dat onze omgeving veel meer is dan een fysieke plek; het is een ruimte die niet alleen onze identiteit vormt, maar ook ons gevoel van zelf bepaalt en ons dagelijks leven beïnvloedt. Het passeren van onmeetbare ruimten is dan ook een uitnodiging om stil te staan bij de kracht van de ruimtes die belangrijk voor ons zijn – en een herinnering dat het begrijpen van deze omgevingen ons misschien wel dichter bij een beter begrip van onszelf kan brengen.

     

     

  • Niemand werd ter verantwoording geroepen

    De Amerikaanse journalist en schrijver Nathan Thrall werkte jaren aan Een dag uit het leven van Abed Salama, over een noodlottig busongeluk in 2012 met Palestijnse kinderen tijdens een schoolreisje in bezet gebied bij Jeruzalem. Thrall deed onderzoek naar alle feiten en vertelt het verhaal van Abed Salama, vader van een van de kinderen. Maar ook vertelt hij het verhaal van omstanders zoals de buschauffeur, de arts die als eerste ter plaatse was en andere betrokkenen. Hij won met dit indrukwekkende en hartverscheurende boek de Pulitzer prijs voor non-fictie in 2024.

    Nathan Thrall (1979) werd in een joods gezin geboren, zijn moeder emigreerde vanuit de Sovjet Unie  naar de VS. Thrall schrijft onder meer voor de New York Review of Books en de New York Times en was docent aan het Bard College in New York. Met zijn echtgenote en drie dochters woont hij in Jeruzalem. Voor het schrijven van Een dag uit het leven van Abed Salama heeft hij zich drie jaar verdiept in de wereld van alle personen die betrokken waren bij het ongeluk en de slachtoffers. 

    Achterin het boek is een lijst van de ruim zestig (!) betrokkenen, de meesten met hun eigen naam, opgenomen. De eerste zinnen van zijn boek zijn dezelfde als van zijn  artikel dat hij in 2021 over het ongeluk schreef voor de New York Review of Books: ‘De avond voor het ongeluk was Milad Salama haast door het dolle heen vanwege het schoolreisje. Hij stond opgewonden aan de arm van zijn vader Abed te trekken. ‘Baba, ik wil iets te eten kopen voor de picknick morgen.’ Na dit artikel werd Thrall aangemoedigd een boek over dit tragische ongeval te schrijven.

    Iets schrijven dat mensen in tranen brengt 

    Het boek werd kort voor de aanslagen op 7 oktober 2023 gepubliceerd. Thrall zegt in een interview: ‘De wereld wordt steeds onverschilliger, steeds ongevoeliger voor de situatie van deze mensen. De enige manier waarop we indruk kunnen maken is als we iets schrijven dat mensen in tranen brengt.’  

    In de proloog helpt Haifa haar vijfjarige zoontje met aankleden. Milad ontbijt snel en rent dan naar de bus voor zijn schoolreisje. Zijn vader Abed slaapt nog en wordt als hij wakker is gebeld door een vriend waarmee hij afgesproken heeft. Hij zegt in een file te staan door een ongeluk. Daarna belt een familielid en vertelt dat het een ongeluk met een schoolbus is. ‘Abeds maag draaide zich om’ terwijl hij op weg gaat naar de plek van het ongeluk. De door een vrachtwagen aangereden en uitgebrande bus ligt op zijn kant en de inzittenden zijn al vervoerd naar verschillende ziekenhuizen. Abed gaat naar het ziekenhuis in Ramallah waar het een chaos is. Ambulances, verpleegkundigen met brancards, huilende ouders en tv-ploegen die artsen interviewen. ‘Abed kreeg een beklemmend gevoel op zijn borst en zijn ademhaling ging snel. Hij baande zich een weg door het gekkenhuis en probeerde zijn groeiende angst de kop in te drukken.’

    Een Palestijnse James Dean

    In het eerste en langste deel van het boek beschrijft Nathan Thrall de familiegeschiedenis en persoonlijke ontwikkeling van Abed Salama.  Abed ging op school in het Palestijnse  dorp Anata waar iedereen elkaar kende. De helft van de inwoners bestaat uit drie grote families en allen stammen af van één voorvader. Het open landschap van Anata stond vol olijf- en vijgenbomen tussen de korenvelden en linzenplanten. Anata veranderde snel na de oorlog van 1967. Ieder jaar werden de Palestijnen meer en meer geabsorbeerd door de fabrieken van het uitbreidende Jeruzalem.   

    Abed was een lange en slanke jongeman met donker haar. Met zijn opengeknoopte shirt leek hij op een Palestijnse James Dean. Hij was seculier en tegen het gebruik van de hijab. In die tijd bedekten de helft van de meisjes in Anata hun haar, ook zijn – geheime – geliefde Ghazl. Anderhalf jaar nadat Abed zijn middelbare school heeft afgemaakt, breekt in december 1987 de eerste Intifada uit. Hij hoopte in Moskou te kunnen studeren, maar zijn vader weigert hem te helpen. Via een familielid wordt hij lid van het Bevrijdingsfront van Palestina, een marxistisch-leninistische afdeling van het PLO.

    Als Abed hoort dat Ghazls vader haar verbiedt met een Salama te trouwen, verbreekt hij de relatie met haar. Waarna zijn zuster voor hem een huwelijk met een nicht arrangeert. In zijn grote verdriet accepteert Abed het aanbod en trouwt met Asmahan. Het is geen gelukkig huwelijk. Abed ontmoet tijdens de tweede Intifada, Haifa, zij wordt zijn tweede vrouw. Een jaar na hun huwelijk krijgt Haifa een zoon en drie jaar later wordt hun tweede zoon, Milad geboren.

    Het ongeluk en het ontstaan van de muur

    Thrall beschrijft eerst het ongeluk met de bus op de Jaba Road – door de vele ongelukken ook wel de ‘weg des doods’ genoemd – vanuit het perspectief van Huda, een Palestijnse arts en alleenstaande moeder. Zij is onderweg op Jaba Road als een grote vrachtwagen de bus heeft aangereden. De bus is omgevallen en de voorkant staat in brand. Huda springt uit de auto en helpt de kinderen uit de bus te halen. Het ongeluk doet haar denken aan de ergste dag uit haar leven. Die was na een Israelische bomaanval op het PLO hoofdkwartier in Tunesië in 1985 – ‘een hel van puin, as en lichamen’.

    Vervolgens laat Thrall het ongeluk zien door de ogen van de chauffeur van de bus, de verpleegkundigen ter plekke, een Israelische militair, een leerkracht, de chauffeur van de vrachtwagen en via een video-opname door een van de omstanders. De eerste Palestijnse ambulance arriveerde na tien minuten en kon de dode slachtoffers meenemen, de eerste Israelische ambulance ariveerde pas na 24 minuten, toen alle slachtoffers al waren afgevoerd. 

    Dan beschrijft Thrall hoe de bouw van de muur is ontstaan. Hij noemt de Palestijnse zelfmoordaanslagen die begonnen zijn nadat in 1994 een religieuze kolonist negenentwintig biddende Palestijnsen vermoordde. Door die aanslagen vond de Israelische politie het nodig een muur te bouwen. Daarna werden de vrijheden van de Palestijnen ingeperkt, maar niet die van de kolonisten. Door de muur werden dichtbevolkte Palestijnse wijken afgezonderd van Jeruzalem, er kwam een avondklok, huiszoekingen en nieuwe checkpoints. Tienduizenden bevonden zich aan de verkeerde kant van de muur en de hulpdiensten mochten niet naar de andere kant van de muur zonder begeleiding van militairen. Daardoor kwam hulp vaak te laat. In 2006 werd een ambulance zolang opgehouden dat hulp te laat kwam voor een slachtoffer met een hartaanval.

    Bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken

    In het laatste deel is Abed op zoek naar zijn zoontje. Hij kan niet naar het ziekenhuis in Jeruzalem waar sommige kinderen zijn terechtgekomen omdat hij niet over de geschikte ID beschikt. In Ramallah gaat hij naar een ziekenhuis, maar vindt Milad niet. Wel zes andere slachtoffers, een lerares en vijf kinderen van wie drie onherkenbaar door de brandwonden. Een arts vraagt Abed om een DNA test van hem en zijn vrouw en hun andere zoontje. Na het wachten op de uitslag van de test, gaat Abed ‘s middags  met zijn jongere broer Bashir naar het ziekenhuis. Daar krijgen ze te horen dat Milad een van de kinderen in het lijkenhuis is. Bashir wil niet dat Abed zijn zoon ziet. Milad was te ernstig verbrand om begrafenisrituelen uit te kunnen voeren. Ze rijden achter de ambulance naar de begraafplaats. Milad’s lichaam, in een lijkwade gewikkeld, wordt door een van zijn broers het familiegraf ingedragen.

    Een dag later wordt Abed gevraagd te praten met een boze groep ouders en familieleden die de school het ongeluk kwalijk nemen en in brand willen steken. Hij weet het te voorkomen.   

    Een maand na het ongeluk wordt Abed voor een Israelisch televisieprogramma geïnterviewd, samen met een stel Israëlische jongeren en een paar kolonisten. De jongeren maken zich vrolijk over de omgekomen kinderen, de kolonisten zeggen dat ook hun kinderen in een bus hadden kunnen zitten. Abed zegt: ‘We hebben extremisten in onze maatschappij, en jullie ook.’ Als er een filmpje van Milad met Abed wordt vertoond, bedekt hij zijn gezicht en begint te huilen.   

    Thrall vertelt nauwgezet het verhaal van de betrokkenen en onthoudt zich van commentaar. Tot de laatste alinea’s, die over een ministeriële  commissie van de Palestijnse Autoriteit gaan en die in hun verslag ‘de ware oorzaken van de calamiteit’ niet noemen. Hij stelt dan vast dat er  geen voorstel werd gedaan om de ouders van de kinderen te compenseren door het Israëlisch fonds voor verkeersslachtoffers. En dat voor de bizarre omstandigheden en werkelijke oorzaken van het ongeluk niemand ter verantwoording werd geroepen. 



  • Heruitgave mist extra hoofdstuk

    In een essay in De Groene van 27 maart jl. analyseert Daan Heerma van Voss hoezeer de haat tegen vrouwen in de politiek is toegenomen. Ook mannelijke politici krijgen bakken met haat over zich heen, maar ze worden nooit veracht om hun gender: ‘Dat voorrecht gaat over het algemeen aan vrouwelijke politici voorbij: zij worden expliciet gepakt op hun vrouw-zijn’.
    Het is vervreemdend om met dat verhaal in het achterhoofd Het persoonlijke is politiek van Hedy d’Ancona te lezen. Dit jaar verscheen van haar boek uit 2003 de tweede druk. ‘Onverminderd actueel’ roept de achterflap. Het boek is nog even lezenswaard als in 2003, maar dan toch vooral als een geschiedenis van het feminisme in Nederland in de periode van de jaren zestig tot de verschijning van het boek in 2003, vervat in een autobiografie van de auteur.

    Framing

    Het vervreemdende is dat je je realiseert hoezeer de resultaten van hard werken aan een betere maatschappelijke positie van vrouwen tot begin 2000 weer lijken te zijn teruggedraaid nu femicide, tradwives, verboden op abortus, enzovoort zeer regelmatig de kranten halen en gelijke beloning voor vrouwen nog steeds ter discussie staat. Nieuw aan de tweede druk van Het persoonlijke is politiek is alleen een uiterst kort woord vooraf. Daarin noemt d’Ancona de recente ontwikkelingen waarin politici opstappen vanwege racistische bejegeningen en de framing van Amsterdam als antisemitisch na de rellen rond Ajax-Maccabi Tel Aviv. ‘Mijn beide klompen braken’, schrijft ze, de ene om de beledigingen en de andere ‘omdat de mensensoort vrouwen en ook meisjes’ in dit hele verhaal niet lijken te bestaan’. Ze hadden geen tijd om te rellen, maar ‘ze zaten braaf te blokken voor hun profielwerkstuk’.

    Het is een wat magere reflectie op haar boek uit 2003. Interessanter zou een nieuw hoofdstuk zijn geweest over hoe zij terugkijkt op haar carrière in het licht van deze nieuwe ontwikkelingen: voelt ze haar werk ongedaan gemaakt? Wat is de staat van het feminisme nu? Is er hoop?

    Persoonlijk

    Dat wil allemaal niet zeggen dat herlezing van d’Ancona’s boek 22 jaar later niet interessant is. De stelling van de auteur dat het persoonlijke politiek is blijft geldig. Vrouwen kunnen nog zoveel meer in staat zijn persoonlijke keuzes te maken, er verandert pas werkelijk iets als de politiek dat in wetgeving en beleid vertaalt.
    Het was de reden dat Hedy d’Ancona van haar feministische acties, zoals de oprichting van Man-Vrouw-Maatschappij (MVM), overstapte naar de Partij van de Arbeid om vervolgens Kamerlid, staatssecretaris, Europees parlementariër en daarna Minister te worden. Haar boek getuigt ervan hoe moeizaam die weg was. Het onbegrip kwam niet alleen van mannen, maar ook van vrouwen. D’Ancona beschrijft bovendien levendig hoe ze zelf meerdere keren voor valkuilen stond in relaties en in de verhouding tussen werk en opvoeding. Ze doet dat in een heel eerlijk persoonlijk relaas doordat ze veel aandacht geeft aan de verhouding tussen haar moeder en haar en die van haarzelf tot haar kinderen, vooral haar dochter Hadassah.
    Aangrijpend zijn de passages waarin ze beschrijft hoe ze langzaamaan ontdekt wat er met haar vader, waarvan ze aanvankelijk alleen weet dat hij is gestorven in februari 1945, werkelijk is gebeurd.

    Hoop

    Het persoonlijke is politiek is opgebouwd uit min of meer losse stukken die op verschillende momenten zijn geschreven. Daardoor kom je nogal eens herhalingen tegen. Dat het boek een (op het Voorwoord na) ongewijzigde uitgave is van dat uit 2003, werkt af en toe bovendien verwarrend, vooral als in een zin het woordje ‘nu’ wordt gebruikt. Geldt dat voor 2003 of voor 2025?
    Anderzijds zet zoiets je ook aan het denken, zoals wanneer d’Ancona een lang citaat van Joke Smit uit 1971 (ze verliet toen teleurgesteld de politiek die volgens haar steeds weer terugvalt in oude patronen) laat volgen door haar eigen opmerking: ‘Die laatste regels van Joke blijken na al die jaren, nog niet veel aan actualiteitswaarde te hebben ingeboet’. Dat gold in 2003. Maar dat het ook in 2025 geldt, kun je als lezer wel bedenken. Het is zelfs nog erger geworden.
    Is er toch nog hoop?

     

     

  • Pijn en lach

    Vader en zoonromans bestaan al lang, van Toergenjev en Borderwijk tot Weijts, maar het lijkt wel of het thema in het algemeen nu sterker leeft dan ooit. Gijs Scholten van Aschat speelt bijvoorbeeld samen met zijn zoon Reinout in een film (Alpha), Jacob en Roman Derwig treden samen op in Shakespeares Hamlet, het werk van de beeldend kunstenaars Jozef en Isaak Israëls wordt in Domburg nadrukkelijk als dat van vader en zoon tentoongesteld. En nu is er dan een herdruk van de roman Kopzorg (1987) van Edgar Cairo (Paramaribo 1948 – Amsterdam 2000). De eerste uitgave dateert uit 1969 (Temekoe), de tweede verschijnt als Temekoe/Kopzorg in 1979 en in 1988 verschijnt het met de ondertitel Het verhaal van vader en zoon.

    Het boek werd bij eerste verschijning niet onverdeeld positief ontvangen, al waren er uitzonderingen. Zoals bijvoorbeeld van Frank Martinus Arion die het als een ‘juweel’ bestempelde, maar Michiel van Kempen had zijn bedenkingen. Hij vond dat Cairo zijn doel voorbij was geschoten. De vraag is dan: hoe lezen we nu de heruitgave, voorzien van een nawoord door Thalia Ostendorf, die bij eerste lezing was overvallen door ‘een gefascineerd soort verbijstering’? ‘Het was,’ schrijft ze, ‘als een storm waar ik in meegezogen werd’.

    God en demon

    Meteen al aan het begin wordt duidelijk dat de 50-jarige vader, Nelis, kopzorg heeft. Is hij behekst? Dan moet hij door de pastoor een duivelse demon uit laten drijven. Hij is dus rooms-katholiek, en – staat er – ‘neger’. Voor de zoon, de ik-figuur, is hij ‘in het geheim een god en tegelijk de demon der verschrikking’. De zoon is een stadskind, geboren in Paramaribo. Zijn vader was geboren in het oerwoud van het Para-district. Dit district kent ook twee kanten, net als de inborst van de vader: die van de ‘paradijselijkheid en het hellevuur (…). Pijn en de lach’. En armoede. Toen Nelis’ ouders waren overleden, kwam hij bij een tante in huis die hem beschouwde als ‘onkind van ’n satanskring’. Hij loopt weg en gaat naar Paramaribo, waar hij zijn ogen uitkijkt: auto’s, gaslantaarns …

    Cairo beschrijft de overgang van het leven in Para naar Paramaribo als ‘het oerouderwetse negerleven’, waaronder magie- en andere praktijken zoals winti, voodoo met jorka’s (geesten van overlevenden) en bakroes (kwelgeesten). Daarna gaat hij over op een stukje geschiedenis, zoals de crisistijd rond de jaren dertig en het feit dat Nelis zonder werk kwam te zitten. Zo glijdt het grote verhaal in een particulier verhaal dat trekken van een sprookje heeft. ‘Daar ging Nelis, met het krieken van de dag z’n erfhuisje uit. Snel het krotje achter zich latend verliet hij het vervallen woonerf en ging de straat op, waar het nog aardedonker was.’ Hij liet zijn zogeheten sekswijf Selina achter, ‘met grote, bobbelende borsten en zoetzalige vleesheupen, naast grote, draaiende, haast uit zichzelf sambadansende billemoten’. Dit volkse taalgebruik wisselt af met woorden in het Sranantongo en ouderwetse uitdrukkingen als ‘aan den lijve welgesteld van lust & vleze’.

    Kantelingen

    Ondertussen vindt Nelis een vaste baan bij de overheid, maar alsnog slaat het noodlot toe: de baby die Selina krijgt overlijdt, Nelis raakt aan de drank, ze krijgen slaande ruzie (koenoe, een vloek) en hij verliest zijn baan. Het wordt allemaal heel gecondenseerd verteld. Net als de kanteling in het verhaal waarin de liefde tussen Nelis en Selina groeit en ze nog een kind krijgen: de ik-figuur. Hetzelfde geldt voor de kanteling in de verhouding tussen vader en zoon. Eerst wordt de zoon door zijn vader stierlijk verwend en vertroeteld, hoewel hij hem ervoor uitmaakt dat hij ‘zo vuil was als ’n stuk zwartteer’. Eerder had de ik-figuur al gesteld dat hij zo’n opvoeding niet neer wilde halen, maar wél kritiek wil leveren op het leven zelf. Ook hier wordt het particuliere met het algemene vermengd. De ogen van het ik-personage worden ‘verlost (…) van de nevelen der onwetendheid’. Misschien had hij die meegekregen door zijn moeder, die vond dat de wereld zijn leerschool was.

    Het is in dezelfde tijd dat vader en zoon uit elkaar groeien. Nelis raakt verouderd, nukkig, nors en eenzaam. Uiteindelijk gaat het boek meer over de vader dan over de zoon, zoals het voorafgaande gedicht het ook heeft over:

    ‘Zo schep ik u, vader, naar ’t woord:
    uw schrijfzaam erebeeld.
    En even vluchtig spiegel ik mij aan u
    tot ’n gelijkenis, uw spiegelbeeld.’

    Misschien wist het boek door de vermenging van taalregisters en stijlen destijds niet iedereen geheel te overtuigen. Dat is nu anders. We zijn gewend geraakt aan al dan niet postmodernistische combinaties van elementen uit verschillende genres, technieken en stijlen en zijn die gaan waarderen. Cairo’s boek is in die zin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het werk van een land- en tijdgenoot, musicus en schrijver Ronald Snijders. Diens muziek staat nu opeens weer midden in de belangstelling – waarschijnlijk juist door zulke combinaties van stijlen (jazz, funk, Surinaamse en Braziliaanse invloeden) en eveneens door een heruitgave van zijn muziek (Penta in 2024 heruitgebracht op het Britse label Night Dreamer).

    Het is al met al een goed idee dat uitgeverij Cossee Cairo’s boek juist nu weer opnieuw onder de aandacht heeft gebracht. Mede in een tijd waarin vaders en zoons en de vermenging van stijlen in de belangstelling staan. Het boek verdient het.