• Een zoektocht in oorlogstijd

    Het bombardement in Rotterdam is in Nederland één van de meest verschrikkelijke en belangrijke momenten uit de Tweede Wereldoorlog. Het heeft de stad voorgoed veranderd en heeft een permanente plek in de Nederlandse geschiedenis gekregen. Schrijfster Marte Jongbloed nam voor haar nieuwe jeugdboek het bombardement als uitgangspunt, gezien vanuit de ogen van een Rotterdamse jongen die alles van dichtbij meemaakt.

    […]

    Met 1300 bommen in 13 minuten is Jongbloed er weer in geslaagd om een stukje Nederlandse geschiedenis in een aangrijpend verhaal te vatten. Ze weet met veel empathie en in weinig woorden heel veel te zeggen. Het boek leent zich ook goed als voorleesboek in de klas: een handzaam en indrukwekkend boek om oorlogssituaties bespreekbaar mee te maken.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.
  • De ster die kwam en weer verdween

    Ergens in een van de delen van Mijn strijd herinnert Karl Ove Knausgård zich over het geworstel in het begin van zijn schrijverscarrière: ‘Ik moest en zou groot worden.’ Die ambitie heeft hij aardig verwezenlijkt. Hij werd niet alleen een groot schrijver, hij bleef en blijft het ook. Daar is de trilogie De morgenster het bewijs voor. In de boeken lezen we over delen uit de levens van mensen, steeds vanuit het perspectief van een ander ik-personage. Er liggen talloze verbanden tussen personages en gebeurtenissen en soms zijn die er ook helemaal niet.

    Het derde rijk is deel 3 van deze trilogie. Sommige ik-personages uit deel 1 komen terug maar nu vanuit hun eigen perspectief als echtgeno(o)t(e), dochter, vriend. Eerst antagonist, nu protagonist. Alleen Syvert vormt via De wolven van de eeuwigheid (deel 2) een constante. Waar hij in Wolven naar Rusland ging om zijn halfzus Alevtina voor het eerst te ontmoeten, komt hij in Het derde rijk terug van die reis en constateert dat zijn begrafenisonderneming vrijwel stil ligt omdat er al dagenlang niemand gestorven is. De nieuwe ster en de aanhoudende hitte vormen net als in de eerdere delen het decor en ook dood en religie behoren weer tot Knausgårds ingrediënten.

    We zien Gaute’s blik tegenover echtgenote en predikant Kathrine die in deel 1 na een vliegreis opeens besluit de nacht in een hotel door te brengen en daar tegen Gaute over liegt. Een nieuw personage is de architect Helge die contact zoekt met Syvert om hem iets over diens overleden vader te vertellen. De ster, nu soms de komeet genoemd, wordt door een paar bijfiguren vaag verklaard met wetenschap en religie, het mysterie van het dagenlange gebrek aan sterfgevallen blijft onopgelost.

    Qua doorwrochte essays of essayistische stukken heeft de schrijver zich deze keer beperkt tot enkele pagina’s over neuroloog en onderzoeker Jarle die een boek schrijft over het brein en het bewuste en onbewuste. Ook onderzoekt hij met een collega of er bij een hersendode patiënt toch nog iets van bewustzijn aanwezig is. Van deze patiënt, Ramsvik, beschrijft Knausgård een paar pagina’s over hersenactiviteit, liever gezegd gedachtespinsels die aan een psychose doen denken. In de richting van een psychose gaat ook ik-personage Tove, vrouw van Arne via wiens perspectief hun gezin in De morgenster vakantie heeft, wat we nu door de ogen en gedachten van Tove meemaken.

    Heavy metal

    Enkele andere feiten die in een essay niet zouden misstaan zijn in een dialoog gegoten. Politieman Geir onderzoekt de raadselachtige, rituele moord in een bos op drie leden van een ‘doodgewone blackmetalband’ – die plaatsgevonden heeft in deel 1 – en bekijkt daartoe filmpjes over heavy metal. Hij belt met een kenner om meer over de ‘scene’ te weten te komen. De bands uit de eerste generatie noemden zich satanisten, vertelt de deskundige. Die uit de tweede golf hielden zich bezig met de oud-Scandinavische Odin en Vikingen en de ‘de nieuwe garde gaat in alles een stapje verder. (…) Satan is belangrijk voor ze (…) staat voor het dierlijke, voor bloed, aarde en pijn en dood (…). Ze zijn niet online, ze hebben geen mobieltjes of computers. Ze doen niet aan goedkoop bij de slager gehaalde schapen- of varkenskoppen op staken (…) ze offeren zelf dieren.’ Domen is zo’n band, nergens op het internet te vinden. ‘Ze spelen alleen een doodenkele keer live, en dan alleen voor de incrowd.’

    Line, in deel 1 de introverte dochter van Solveigh, heeft de knappe Valdemar ontmoet. Hij bepaalt of en waar ze elkaar zien, Line is onzeker of hij wel iets voor haar voelt. Omdat ze verliefd is gaat ze in op zijn uitnodiging om hem in Zweden te treffen, terwijl ze hem eigenlijk nauwelijks kent en niet weet waar ze terecht zal komen. Het blijkt ergens in een bos te zijn bij een concert van Domen waarvan Valdemar de gevierde leider is. De bandleden dragen dierenkoppen en scanderen ‘De mens is God’ en ‘Wij zijn Goden.’ Ze hebben nazi-sympathieën en Valdemar staat welwillend tegenover Hitler. Als hij het over het derde rijk had ‘bedoelde hij niet dat van de nazi’s, maar iets wat ze in de middeleeuwen hadden geloofd, dat het eerste rijk de tijd van God was, het tweede rijk de tijd van Jezus en het derde rijk de tijd van de heilige geest.’ Line heeft seks met hem, maar als er een mes tevoorschijn komt keert ze zich van hem af. Weken later blijkt ze zwanger te zijn, een wat triviaal gegeven, en dan nog steeds verliefd en onder de indruk van de ongrijpbare Valdemar denkt ze erover om het kind te houden. Het zal niet verbazen als dit de aanzet voor een volgend boek blijkt te zijn.

    Andere sfeer

    Een van de eerste dingen die opvalt bij het lezen van Het derde rijk is dat de sfeer van het boek anders is dan die in Knausgårds eerdere boeken. Wat blijkt? Waar De morgenster en De wolven van de eeuwigheid zijn vertaald door Marin Mars komt de vertaling van Het derde rijk van Maaike van Rijn. Dat zal de andere sfeer verklaren.
    Het tweede dat opvalt is dat zinnen vaak beginnen met een werkwoord waarbij het persoonlijk voornaamwoord ontbreekt, zoals: ‘Hield het pakje sigaretten voor me op.’ Of ‘”Ja”, zei ik. Knikte.’ Niet een enkele keer, maar het hele boek door ontbreekt regelmatig vooral ‘ik’. Ook lijkt er een zekere verruwing te zijn opgetreden, peuk in plaats van sigaret, kraaien die hun bek houden, en verdomme of godverdomme – waar je gezien Knausgårds eerdere boeken godsamme verwacht – komt regelmatig voor. De woordkeus is soms vreemd: een haardos is ‘ongeschonden’, ‘milieu’ in plaats van het Engelse ‘scene’, waardoor je aanvankelijk op het verkeerde been wordt gezet.* ‘Onder ons’ waar ‘beneden’ logischer was geweest. Knausgård zelf doet met de keuze voor modieuze, wat banale woorden als vape, Tesla, kudo’s, afbreuk aan de doorgaans beschouwende sfeer. Gelukkig is het boek weer zo rijk dat over deze kleine irritaties heen te stappen valt. Het verhaal blijft boeien met de talloze kleine en grote gebeurtenissen, vol zijweggetjes die hun logische vervolg vinden in de gedachten en handelingen van de ik-persoon. Met tussendoor altijd de gewone dagelijkse dingen als het eten, de boodschappen, autorijden, de tobbende relaties en vooral niet te vergeten de machtige Noorse natuur.

    Het begon en hield op

    Het essay van Egil in De morgenster eindigt als de ster net verschenen is met ‘Ik weet wat dat betekent. Dat betekent dat het begonnen is.’ Op het einde van Het derde rijk gaat psychiatrisch patiënte Tove met moordverdachte Jesper naar een raam. Ze kijken samen naar buiten. ‘(…) de fjord, de bergen aan de andere kant, de hemel erboven, waarin de ster stond te stralen. En toen niet meer.’ Het is de laatste zin van het intrigerende drieluik. Het licht is uit, de door Knausgård betoverde lezer blijft peinzend achter.

     

    • Vertaalster Maaike van Rijn heeft naar aanleiding van deze bespreking onder meer laten weten dat het weglaten van het persoonlijk voornaamwoord bij uitstek een stijlkenmerk van Knausgård is; dat de auteur er soms stevig op los vloekt; dat ‘milieu’ hier politiejargon is.

     

     

  • Je moet wel kijken, anders zie je niets

    In december 2009 werd het lijk van de Cypriotische oud-president Papadopoulos, een dag voor de herdenking van zijn overlijden, gestolen uit zijn graf. Pas een paar maanden later werd het teruggevonden. Het zou voor losgeld ontvoerd zijn. Het is geen uniek geval. In 2017 werd hetzelfde geprobeerd met het lijk van de Italiaanse autobouwer Enzo Ferrari (het mislukte voor er losgeld kon worden gevraagd). En in 1978 groeven twee criminelen in Zwitserland het lijk van Charlie Chaplin op, nu wel met een losgeldeis.
    Het voorbeeld van Chaplin wordt genoemd in de nieuwe novelle Erfgenaam van Hans Heesen, maar slechts als een terzijde. De ik-figuur uit die roman wordt tegen zijn zin betrokken bij een plan om een lijk op te graven om losgeld te vragen. Maar gaandeweg wordt duidelijk dat er andere motieven spelen dan winstbejag. Daarmee wordt dit verhaal ver uitgetild boven de sfeer van een gothic novel waarin je aanvankelijk verzeild lijkt te zijn.

    Val

    ‘Een schimmig zaakje’ noemt de verteller in de eerste zin het plan waarin Marcel, een vroegere vriend, hem betrekt. Marcel heeft ooit tienduizend gulden van hem geleend, maar dat bedrag nooit terugbetaald. Hij probeert zijn vroegere vriend over te halen tot het opgraven van een lijk met het doel om via een losgeldeis aan geld te komen. Het blijft lang vaag wat zijn motief is. Probeert Marcel hem te chanteren? Heeft hij een val bedacht waardoor de verteller strafrechtelijk dreigt op te draaien terwijl Marcel de buit opstrijkt? Voldoende ingrediënten voor een verhaal dat steeds spannender wordt, maar dat gaandeweg een minder criminele achtergrond blijkt te hebben dan de lezer denkt. Bijna elke benaderende beschrijving van het vervolg leidt in deze bespreking tot een spoiler. Laten we het daarom vaag houden.

    Trauma

    Niet toevallig is de verteller scenarioschrijver. Gedurende de hele roman bedenkt hij allerlei mogelijke ontwikkelingen, zowel voor de uitvoering van het plan als voor de mogelijke motieven, die de vaart er in Erfgenaam voortdurend in houden. Ze voeren de lezer terug naar eerdere gebeurtenissen in beider levens en dat van vroegere vrienden. Halverwege wordt duidelijk dat Marcel en de verteller een vergelijkbaar trauma delen, elk in hun eigen leven. Vooral de verteller wordt gedwongen zijn (gebrek aan) verwerking van dat trauma onder ogen te zien.

    Dan verandert het ‘schimmige zaakje’ in persoonlijke reflecties over wat vriendschap in wezen is en wat de waarde van een leven is. Is iemand die risico’s vermijdt een beter mens dan iemand die een reeks van mislukkingen, zoals faillissementen in ondernemingen, achter zich aansleept? Wie is een held? Wie een roekeloze?

    Dilemma’s

    Erfgenaam – de titel verwijst naar wat de werkelijke rol van de verteller aan het slot van de roman blijkt te zijn geworden – verandert steeds opnieuw van perspectief en laat de lezer daardoor ook reflecteren op zijn eigen omgang met het verleden.
    Het is een roman over rouw, omgang met de dood, slachtofferschap en morele dilemma’s (een thema dat in verschillende gedaantes voorkomt) zonder loodzwaar te worden. Er zit veel humor en ironie in. En er zijn mooie stiltemomenten, bijvoorbeeld in de spiegeling van een lijst van namen op een begraafplaats met die van allerlei groenten die de verteller na zijn loutering gaat telen. Hij was eerder nauwelijks geïnteresseerd in de natuur wat een vroegere vriendin het advies aan hem uitlokte: ‘Je moet wel kijken, anders zie je niets’. Nu vindt hij er rust en toewijding in. Hij ziet waaraan hij eerder is voorbijgegaan. `

    Erfgenaam is lichtvoetig, filosofisch en poëtisch.

     

  • Van rotting en bederf naar inzicht

    De eerste druk van Vriend van verdienste verscheen in 1985. Veertig jaar later hertaalde Thomas Rosenboom zijn eerste roman. De vijftiende druk komt uit als hardcover in een jubileumeditie.
    Hoofdpersoon van de roman is de zestienjarige Theo Altink. Zijn moeder overleed toen hij zes was. Zijn broer zit in een ‘verbeteringsgesticht’. Theo dreigt ook op het slechte pad te raken; hij heeft al een winkeldiefstal gepleegd. Met zijn vader woont hij op een boerderij, maar veel contact heeft hij niet met hem. Theo maakt het huis schoon. Daarnaast brengt hij veel tijd buiten door. Met zijn getemde kraai Rokko jaagt hij met vergiftigd aas om dieren te vangen om ze op te zetten. In de tuinschuur is hij bezig met het prepareren van een wezel. Hij heeft ook een compostkuil, een ‘broeiberg’, waarin hij bederfelijk afval verzamelt. ‘Het ging hem erom de verrotting zo ver te voeren dat ze zou omslaan in haar tegendeel, een tendens naar zuiverheid en de vorming van een nieuwe ongemengde stof.’ De eigenschappen van al het materiaal in de broeiberg zouden na een omslag zijn ‘samengevat in de nieuwe stof die er in de diepte ontstaan zou… Daar was hij op uit, de stof van alle stoffen, de som van de eigenschappen, een chemisch wit.’ Theo leeft hij in zijn eigen wereld zonder veel sociale contacten. Hij gaat wel om met zijn enige vriend Freddie. Zijn vader is tegen die vriendschap, omdat Freddie een slechte invloed op Theo zou hebben.

    Behoefte aan vriendschap

    Via Freddie wil Theo in contact komen met de twee broers Van Hall, Otto (19) en Pieter (17) die in een villa wonen. Daarvoor is volgens Freddie wel een ‘inbreng’ nodig, iets te eten en iets te drinken meenemen. Zo komt hij op een dansfeestje. Theo wil graag vrienden worden met Otto door zich ‘in zijn dienst’ te stellen, ‘de vriendschap zou vervolgens niet uit kunnen blijven.’ Otto vraagt hem bij de buren een sextant te stelen: ‘Ik had dat aan niemand anders durven vragen, Theo, je bewijst me een geweldige dienst.’ Als Theo later wordt aangehouden met een gestolen bromfiets, vlucht hij voor de politie. Hij duikt onder in de villa. Hij mag een nachtje blijven, en later nog een nachtje. De broers dringen erop aan dat hij zich aangeeft. Maar Theo wil niet weg; hij dreigt Otto aan te geven omdat hij hem heeft aangezet tot het stelen van de sextant.  De broers kunnen hem niet meer laten gaan als hij al zo lang vermist is. Zij hebben hem immers onttrokken aan de ouderlijke en rechterlijke macht. Na zijn dreigementen houden zij de deur van de torenkamer op slot.

    Ondergedoken of gevangen

    Pieter brengt hem af en toe eten en een emmer waarop hij zijn behoefte kan doen. In de verduisterde en stinkende torenkamer krijgt hij zo’n dorst dat hij uit die emmer uiteindelijk ook drinkt. In totaal zit hij daar een maand lang gevangen, in een ‘toestand van troebele, woordeloze mijmering, die allengs uitdoofde in volstrekte ledigheid.’  Theo denkt terug aan zijn broeiberg: ‘de hitte, de stank en de rottenis om mij heen, peinsde hij, dat is allemaal precies hetzelfde als in de broeiberg /…/ ik word voos en verslijm /…/, maar als het ten slotte niet erger meer kan worden, dan zal ik witter zijn dan sneeuw! Ik word een nieuwe jongen… de ander!’ Otto komt na lange tijd bij hem langs in de torenkamer om hem te vertellen dat ze een ‘buitenlandse reis’ voor hem aan het regelen zijn. In werkelijkheid hebben zij andere plannen…

    Baarnse moordzaak

    Rosenboom heeft in meerdere interviews verteld dat hij zich voor deze roman heeft laten inspireren door de Baarnse moordzaak. Begin jaren zestig vermoordden twee jongens uit een rijke familie samen met een vriend een veertienjarige jongen en zij dumpten zijn lichaam in een stapelput in de tuin. Met deze zaak als uitgangspunt, maakt Rosenboom van deze geschiedenis een eigen verhaal met een knappe structuur. Hij laat alle verhaallijntjes mooi samen komen, met veel oog voor detail. Een mooi voorbeeld is hoe Theo’s geblokte overhemd uit het eerste hoofdstuk terugkomt in het laatste.

    Bijzonder taalgebruik

    Bij lezing van deze roman vallen vooral het taalgebruik en de bijzondere natuurbeschrijvingen op. Rosenboom heeft eens gezegd dat hij als schrijver de volle breedte van de Nederlandse taal wil benutten. Daarbij gebruikt hij minder gangbare woorden en uitdrukkingen. ‘Sissende geluiden uitstotend, maar nog op brieke benen ging hij omlaag het dijkje af.’ In een natuurbeschrijving verwijst hij naar ‘de heumige geur van de bodem.’
    De natuurbeschrijvingen en de beeldspraak ondersteunen de gemoedstoestand en de eenzaamheid van de zestienjarige hoofdpersoon: ‘hij bevond zich in een benauwde koepel van matglas’. Deze ‘benauwde koepel’ geeft treffend aan hoe Theo in zijn eigen wereld gevangen zit. Zijn hoofd is als een ‘kookpot’ waarin van alles borrelt en gist.

    Het is lovenswaardig dat Querido de debuutroman van Rosenboom opnieuw heeft uitgebracht. Lezen van dit boek is vergelijkbaar met een ritje in een draaimolen. Je komt er duizelig of zelfs misselijk uit, vooral door de expliciete beschrijvingen van rottigheid en viezigheid. Maar bovenal levert (her)lezing van Vriend van verdienste je een bijzondere leeservaring op door de inkijk in Theo’s leefwereld en de verrassende afloop van de roman.

     

     

  • Acht-acht-acht-tien of achttien?

    In deze lichtvoetige bundel, voorzien van illustraties door Coen Hamelink, wordt de lezer op een onbezorgde en speelse manier meegenomen in de wereld van stotteren.

    […]

    Hoewel de titel doet vermoeden dat het boek een en al vrolijkheid is, geeft Het grote vrolijke stotterboek ook ruimte aan moeilijkere emoties rondom het stotteren. Waar de vele grappige tekeningetjes en de humoristische antwoorden op veelgestelde vragen wel eens het gevoel geven dat er iets weggelachen moet worden, boren interviews en het hoofdstuk over het stotterverleden van de auteur een diepere laag aan. Dit is zeker gewenst. Er zullen ongetwijfeld kinderen zijn die juist de luchtige toon van het boek kunnen waarderen, maar het is ook goed mogelijk dat er behoefte is aan erkenning en herkenning van lastigere gevoelens. Daar waar moeilijkere emoties en kwetsbaarheden worden besproken, is dit boek op zijn sterkst en kan het écht van betekenis zijn voor (jonge) mensen die midden in hun ‘stotteracceptatieproces’ zitten. En dat woord, zou Soes kunnen zeggen, is niet alleen voor stotteraars lastig om uit te spreken.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Migratie als iets diep menselijks 

    Oroppa van Safae el Khannoussi begint met de huiveringwekkend doodskreet van kunstenares Salomé Abergel. Het duurt bijna 400 pagina’s voordat Abergel daadwerkelijk overlijdt en in de tussentijd wordt de lezer meegenomen langs allerlei personages uit haar rijke leven. Na de verdwijning van Salomé Abergel uit haar huis aan de Amsterdamse Churchill-laan, zoekt snackbareigenaar en huisbaas Hbib Lebyad iemand om op het huis te passen. Hij vraagt voor die nobele taak een werknemer van hem, de jonge vrouw Hind el Arian. Als Hind niet werkt in de snackbar (die ze van Hbib ‘restaurant’ moet noemen) is ze te vinden in coffeeshop Rainblow City. Ze kan lastig haar draai vinden in het grote huis, zeker als ze in de kelder Abergels huiveringwekkende kunst vindt. Salomé’s zoon Irad, geboren in een Noord-Afrikaanse gevangenis, heeft een kroeg in Parijs waar het uitschot van de stad zich ophoudt. Hij komt naar Amsterdam na zorgwekkende verhalen over zijn moeder, en voor haar nagelaten kunst. Tegelijkertijd doet galeriehouder Hannah Melger er alles aan om Abergels kostbare kunst veilig te stellen. 

    Een geschiedenis van liefde en geweld

    Dit zijn de openingszetten van de ambitieuze debuutroman van Safae el Khannoussi. Een gelaagd verhaal, waar elke bladzijde weer nieuwe personages aan toegevoegd worden, met nieuwe perspectieven die het een boek met een allesbehalve eenvoudige plot maken. Voor de lezer die de puzzelstukken naadloos in elkaar wil laten passen, kan het een frustrerende leeservaring zijn. Maar als je je overgeeft aan het verhaal, is het een zeer indrukwekkend debuut. Net zoals Hinds ontdekking van de kunstkelder van Abergel wil de lezer steeds verder, steeds dieper afdalen in het verhaal van trauma, liefde, kunst en geweld. Want Oroppa is gevuld met geweld.

    De jonge Salomé Abergel belandt in ‘de jaren van lood’ in de Marokkaanse gevangenis onder de meedogenloze koning Hassan II die elke vorm van onschuldig verzet hard strafte. In de gevangenissen, waar ze gedurende jaren verblijft, zijn alle denkbare en ondenkbare vormen van geweld en verkrachting aan de orde van de dag. De angst voor ‘De Pelgrim’, het archetype voor de folteraar, blijft zelfs jaren later in Nederland nog bestaan. Centraal in de roman staat het idee van het 21e arrondissement; een fictieve plaats waar het uitschot van de wereld samenkomt. Het is een vrijplaats, waar de verstotene van de wereld een plek vindt om te schuilen voor het ontoombare trauma. 

    Europa als monster

    De personages in deze roman zijn allen complex en gelaagd, met hun eigen vertelstem en geschiedenis. Veelal zijn het migranten die stuurloos zijn geraakt in Europa. Het is mooi hoe Europa in deze roman verbeeld wordt als een monster; niet als een veilig paradijs. Je verleden neem je immers altijd met je mee. Migratie wordt in deze roman geen verwaterde politiek, maar blijft iets diep menselijks. Juist de verschillende vertelstemmen maken het mogelijk om de nuances en paradoxen van migratie weer te geven die buiten de literatuur zo ver te zoeken zijn. 

    De ambitieuze en zeer geslaagde opzet en de prachtige zinnen maken dit een atypisch debuut. Oroppa heeft meer gemeen met de groots opgezette boeken van Gabriel García Márquez of Salman Rushdie dan met de gemiddelde Nederlandse debutant. Door de caleidoscopische opbouw, de vele personages en ook de uitzichtloosheid waarin personages zich in bevinden is het geen eenvoudig boek. Maar wat deze roman zo geslaagd maakt is dat de lezer gaandeweg, moe gebeukt van alle martelingen en trauma’s, ziet dat kunst en taal uiteindelijk overwint. Het is te zien in de kunst die Abergel maakte, in het schrijven van de ‘Angstcahiers’ en in de troosteloze dichteres die aan het eind van het boek opduikt. Safae el Khannoussi weet de helende, overwinnende en ook grappige effecten van de taal zeer overtuigend over te brengen. De kunst blijkt de plek te zijn waar de terreur niet toeslaat, waar de tiran, ‘De Pelgrim’ of welke agressor dan ook geen vat op heeft.



  • Vreugde is niet gemaakt om een kruimel te zijn

    Geluk. Een woord, of misschien beter gezegd een idee of concept waarbij iedereen direct een beeld zal hebben. Ga je echter kijken hoe dat concreet moet worden ingevuld, dan zullen velen het antwoord schuldig blijven. De ware betekenis van ‘geluk’ is voor de meesten even duidelijk als vluchtig en ongrijpbaar. Het is daarom een uitdagende taak een verzamelbundel poëzie samen te stellen met geluk als leidraad. In Het komt goed; de mooiste gedichten over geluk heeft Elisabeth Lockhorn zich over deze taak gebogen, met zeer bevredigend resultaat. Hier is duidelijk veel zoekwerk aan voorafgegaan: veel lezen, veel afwegen.

    Een van de belangrijkste functies van poëzie is dat het je leert opnieuw, en vooral met een andere blik, naar vaak alledaagse dingen te kijken. Met die notie in gedachte is ‘Grassen van H.H. ter Balkt een treffende keuze. ‘De grassen in boomgaarden onder groen hout, / de grassen op boerenerven, door honden bewaakt’. En welk een geluk er uitgaat van de rust van een stapel hout toont Rolf Jacobsen: ‘Het is goed, dat er in de wereld nog hout is / En dat er nog / Stapelplaatsen genoeg zijn. / Want in hout is een grote rust / En een sterk licht, / Dat ’s zomers ver  /De avond in schijnt.’

    Er is het geluk dat kinderen geven, het geluk van mooie woorden, het geluk van een schilderij, het geluk je in je auto af te sluiten met Mozart. Anderen vinden het geluk in God en via hem in de natuur (Gerald Manley Hopinks). J.C. van Schagen laat zien dat ook in regen geluk kan schuilen: ‘en over de huiverende slootjes danst de regen / hij ritselt stilletjes tussen het helm in het duin’.

    Sta er voor open

    Maar je moet geluk wel durven ervaren, zoals het motto van Anna Kamieńska zo treffend zegt: ‘Joy – it’s not just a gift. / In a sense it is also a duty, / a task to fulfil. Courage.’ En dat is het precies. Het is onze plicht open te staan voor geluk. ‘Aarzel niet, zo zegt Mary Oliver in het gelijknamige gedicht. ‘Hoe dan ook, wat het ook is, wees niet bang voor / de overvloedigheid ervan. Vreugde is niet gemaakt / om een kruimel te zijn.’ Dit gedicht is vertaald door Marjoleine de Vos, die zelf ook met enkele gedichten is vertegenwoordigd, waaronder het erg mooie, Het leven in juni’, met de slotstrofe ‘Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld / en om mij heen ademt alles en in huis / zit een man. Dit is het leven, schrijft hij, / deze ochtend in juni, de zwartkop zingt / en in de tuin zit zij.’ Niet geheel toevallig staat naast haar het al even fraaie Dit moment’ van haar ex-man Tom van Deel (1945-2019), met als eerst vijf regels, ‘Er is niets voor te stellen mooier dan / een vrouw die in het strijkend avondlicht / een tuin inloopt, het waait, het blad van / de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar / bloemen, snoeiend, alles als weleer’.

    ‘Om / Onrechtvaardigheid als enige / in het centrum van onze aandacht te zetten is het prijzen / van de Duivel’, aldus Jack Gilbert (wat een ontdekking!) in ‘Een instructie van de pleiter’. Van Jack Gilbert kan een directe lijn getrokken worden naar de Poolse Zbigniew Herbert ‘- vergeef me dat ik alleen aan mezelf dacht terwijl het / leven van anderen wreed onherroepelijk om me draaide / als de grote sterrenklok van Sint-Pieter in Beauvais.’ Misschien moeten we ook de natuur hier als voorbeeld nemen: ‘Dan komt de rust over me van wezens in het wild / die niet hun leven lastig maken met piekeren / over verlies.’, (Wendell Berry).

    Pure kwaliteit

    We komen veel grote nationale en internationale namen tegen zoals de Zweedse Nobelprijswinnaar Tomas Transtrőmer, uiteraard in vertaling van Bernlef. De voor Transtrőmer zo veelzeggende titel De halfklare hemelis misschien wel de perfecte geluksstaat, op weg naar het ultieme, met nog veel moois op komst. ‘Alles begint om zich heen te kijken / Met honderden tegelijk lopen wij de zon in. // Ieder mens een halfopen deur / Leidend naar een kamer voor allen.’

    Van Kavafis zijn vier gedichten opgenomen (vertaling door Blanken), waarvan ‘Ithaka’ en ‘Antonius door zijn god verlaten’ tot de absolute hoogtepunten van de moderne wereldliteratuur mogen worden gerekend. ‘Houd altijd Ithaka in gedachten. / Daar aan te komen is je bestemming. / Maar overhaast de reis volstrekt niet. / beter dat die vele jaren duren zal, / en dat je, oud al, landen zult op het eiland, / rijk met alles wat je onderweg hebt gewonnen, / niet verwachtend dat Ithaka je rijkdom geven zal. / Ithaka gaf je de mooie reis. / Zonder dat eiland was je niet op weg gegaan. / Verder heeft het je niets meer te geven.’ Het geluk zit in de reis, wat hier staat voor het leven zelf.

    Nog een Nobelprijswinnaar, de Pool Czesław Miłosz is vertegenwoordigd met vijf gedichten, evenals Zbigniew Herbert in de vertaling van Gerard Rasch, een van de grote namen op literair vertaalgebied. De bundel begint direct goed metMiłosz’ zeer fraaie ‘Een Geschenk’, waarvan de kernregels, ‘Er was geen ding op aarde dat ik zou willen hebben. / Ik kende niemand die het benijden waard was. / Wat aan kwaad was geschied, had ik vergeten.’  Ziedaar geluk in een notendop.
    Van Dylan Thomas is een van zijn mooiste gedichten gekozen, ‘Varenheuvel (‘Fern Hill’, vertaald door Bert Voeten). Met die bekende en prachtige openingsregels: ‘Toen ik nu jong en onbezwaard was in de appelgaard / Nabij het jubelend huis en blij om het groen van het gras’. Daar is het groene gras weer.

    ‘Een draagbaar paradijs’ van Roger Robinson is ook een van de parels uit deze bundel. Hier wordt poëzie bijna mindfulness. ‘En als het leven je onder druk zet, / moet je de richels ervan aftasten in je zak, / zijn dennenachtige geur opsnuiven / zijn hymne neuriën onder je adem.’ Verder vinden we onder andere Rutger Kopland, Philip Larkin, Ida Gerhardt, Vasalis en Fernando Pessoa, tussen de vele andere grote namen – en de vaak minder bekende verrassingen.

    Elisabeth Lockhorn ontwijkt vakkundig alle clichés die zo’n bekend referentiekader bieden bij het thema ‘geluk’. Juist door aan de ene kant dichtbij dit kader te blijven, maar het tevens door de kracht van de keuzes vakkundig te omzeilen en overstijgen krijgt deze bundel extra waarde en stijgt daarmee verre uit boven de gemiddelde thematische verzamelbundel. Een heerlijke bloemlezing voor alle poëzieliefhebbers, maar zeker ook voor iedereen die niet zoveel in aanraking is geweest met poëzie maar er wel benieuwd naar is.

     

     

  • Literaire vertolking van het triviale

    De roman Poel van de Ierse Claire-Louise Bennett, is geen verhaal met een kop, middenstuk en staart. Toch sleurt de auteur de lezer haar gedachtewereld binnen en houdt hem vast dankzij onder andere haar oog voor detail. Pond, Bennetts debuut, verscheen in 2015 en kwam op de shortlist van de Dylan Thomas Prize terecht. Acht jaar later is Poel verschenen bij Koppernik in een uitstekend lezende vertaling van Karina van Santen en Martine Vosmaer.

    Bennett beschrijft een zelfverkozen periode, een soort niemandsland, tussen twee liefdes in. De ene liaison is verbroken, want stond in een slecht gesternte, de volgende dient zich aan met een pril aftasten. In deze periode onderzoekt ze haar eenzaamheid, ze woont alleen in een cottage in the middle of nowhere en beschrijft haar allenigheid. Tragiek loert om de hoek, maar haar zelfspot is komisch en hilarisch, waardoor het nooit zwaar wordt.

    De titel verwijst naar een poel op het terrein bij de cottage. Ze ergert zich aan het lullige stukje vochtig triplex er vlak naast waar het woord poel op staat gekrabbeld, om vervolgens in te gaan op de vraag of het wel of niet erg is als kinderen erin vallen.

    Oog voor detail

    De naamloze vertelster leren we kennen via haar eindeloze gedachtestroom die associatief ingaat op de triviale details uit haar dagelijks leven. – ‘Soms is een banaan bij de koffie lekker. (…) Haverkoeken erbij kunnen ook lekker zijn, het grove soort. (…) Peren mengen niet goed.’

    Ze schrijft over de post van de buren, die vochtig wordt in de brievenbus. ‘(…) ze lijken geen van allen even vaak in de brievenbus te kijken als ik wat nogal ongebruikelijk is als je in aanmerking neemt dat ze allemaal vrij geregeld best interessante dingen lijken te krijgen.’ Soms haalt ze de brieven van de buren uit de bus, droogt ze op de radiator, waar ze rustig een week kunnen blijven liggen, of ze vergeet ze helemaal.

    De knoppen van haar oude fornuis zijn gespleten en gebroken. Bennett wijdt er een heel hoofdstuk aan, wat prachtig proza oplevert. ‘Ik ben al een hele tijd bij de laatste knop aangeland, een paar maanden denk ik zo en pas de laatste tijd ben ik gaan inzien dat dit bedrieglijk triviale defect in feite niet iets kleins is.’ Ze denkt aan de laatste vrouw op aarde, die nog duizend lucifers heeft die staan voor de duizend dagen dat ze nog leeft. En ze schrijft de fabrikant in Zuid-Afrika een aandoenlijke brief, alsof hij god is. Uiteindelijk kan ze met een tang de knoppen van haar fornuis toch nog gebruiken.
    Haar vulpennen en de kleur inkt waarmee ze schrijft zijn voer voor overpeinzing. Ze schrijft met verschillende vulpennen, die allemaal een andere kleur inkt hebben, iedere kleur heeft een eigen functie. Groen stond voor haar geheimen, tot ze begreep dat daar een stigma aankleefde. Maar het was geen reden om niet meer met groen te schrijven, juist als het stigma ongeluk betekende, tartte ze liever het lot.

    Diepgang in de lichtheid

    Maar ze meandert evenzogoed langs diepgevoelde gevoelens om tot zelfinzicht te komen. ‘Inderdaad hoe verheffend het vanbinnen ook voelt, alcohol versterkt niet bepaald het charmantste aspect van je publieke arsenaal – dus, ter verheldering tijdens deze levendige en gewiekste drinkgelagen worden niet louter zelfvertrouwen en vrolijkheid nagestreefd, maar ook het stimuleren van een verfijndere techniek.’

    Of ze houdt zich bezig met natuurverschijnselen, zoals de maan. Als ze uit de supermarkt komt, staat deze recht voor haar ‘wanneer de automatische deuren wegschuiven. De hemel is nog niet zwart dus de maan heeft een soevereiniteit die ze niet vaak bezit.’ Ze praat tegen de maan, vindt dat hij een babyface heeft, waarop de maan zijn ogen devoot neerslaat. Althans, dat gevoel heeft ze. Het is een manier om te personifiëren, wat Bennett graag doet, dingen tot leven brengen.

    Er zijn vrienden en mannen, maar vanuit haar beschrijvende denkwereld lijkt ze nauwelijks met ze in contact te zijn, behalve in beschonken toestand. Ze heeft het gevoel ‘dat de omgang met de man in kwestie over het geheel genomen beduidend beter verliep wanneer ik wat alcohol had ingenomen.’

    De rake observaties vanuit een licht lethargische staat maken het boek zo goed, en haar associatieve geest is boeiend en nooit saai, daarbij is haar taalgebruik in lange heldere zinnen weergaloos. Dat ze zich richt op de details van het kleine leven om zich heen door de dingen vaak treffend te personifiëren, schept herkenning. Het kan niet anders dan dat triviale zaken beschreven met de pen van Claire-Louise Bennett ineens literatuur worden.

     

  • Een humoristische maar ook cynische verademing

    Het zilveren bot is het eerste deel van de serie ‘Kyiv Mysteries’ van de Oekraïense schrijver Andrej Koerkov en verscheen nog voor de Russische inval. Het verhaal speelt zich af tijdens de Oekraïne-Sovjet Oorlog (1917-1921) in Kiev en het Rode Leger de stad heeft bezet. Samson Koletsjko is de hoofdpersoon, die door noodlottige omstandigheden bij de politie in dienst komt als rechercheur. Het is een door historische bronnen van de bolsjevistische geheime politie in Kiev geïnspireerde serie, met humor geschreven, maar toch doet denken aan de huidige gevechten met het Russische leger. 

    De eerste alinea van het boek is meteen al gruwelijk, maar zet – gelukkig – niet de toon voor de hele roman. Bovendien is het fictie, en dat is even wennen. Met een sabel splijt een ruiter van het Rode Leger het hoofd van Samson’s vader in tweeën en met een volgende houw slaat hij het rechteroor van Samson zelf eraf, hij kan het nog net uit een sloot vissen. Met een boer uit de omgeving brengt Samson het lijk van zijn vader naar een begrafenisonderneming: ‘Op dinsdag 11 maart 1919 werd er een streep gezet onder zijn oude leven.’ Het afgehakte oor zal in het boek terugkomen in veelal hilarische scènes. Samson bergt het oor op in een doosje, en de wond geneest langzaam. Het afgehakte oor zal hem uit benarde situaties redden door gesprekken te kunnen beluisteren die hij anders niet kon horen, tot en met de epiloog: ‘Toen besefte hij pas dat hij dit allemaal hoorde met zijn tweede, afgehakte oor.’

    Dubbele moord in het huis van de kleermaker

    De oorspronkelijke titel van het boek is Samson en Nadežda. Vertaald als Het zilveren bot, naar een voorwerp dat tegen het einde van het boek opduikt en een belangrijke rol speelt bij de ontknoping van het mysterie. Het tweede deel heet Samson en het gestolen hart, net als de oorspronkelijke Oekraïense versieDe vertaling van deze ‘Kyiv Mysteries’ is van de Vlaamse Melanie Zonderman. Af en toe duiken er een paar Vlaamse uitdrukkingen en woorden, ‘smoutebollen’, ‘als ze komaf zouden maken’, en ‘mijn nonkel’ op. Maar allez, dat is zeker geen probleem. Op het omslag van het boek staan twee vergelijkingen met bekende schrijvers als aanprijzing. Uit The Guardian: ‘De Oekraïense Murakami’, uit The Daily Telegraph: ‘Een post-sovjet Kafka’. De vergelijking met Murakami is begrijpelijk door het magisch realisme van het afgehakte oor, maar die met Kafka niet. Er is een mysterie, maar niet typisch kafkaësk.

    Dit Kyiv mysterie is een dubbele moord die halverwege het boek voor de ogen van Samson Koletjko plaats vindt in het huis van een kleermaker. In zijn ouderlijk huis worden twee soldaten uit Zuid-Oekraïne ingekwartierd, die hij bovendien te eten moet geven. Hij leert via de weduwe van de huismeester Nadezjda kennen, die bij haar ouders woont en bij een gemeentelijke instelling werkt. Ze maken een wandeling en Samson beklaagt de soldaten die bij hem zijn ingekwartierd: ‘die missen hun dorp, hun grond! Het is niet goed om zoveel mensen van hun grond weg te halen…’. Nadezjda begrijpt dat want ‘honger naar de overwinning zou ons moeten helpen!’ Ze kijken dromerig naar de stad bij zonsondergang en zij heeft voor Samson een broodje uit de Rode Bakkerij(!) meegenomen.

    Het eigenlijke mysterie

    Het verhaal is voor een Westerse lezer met beperkte kennis van de Oekraïense geschiedenis al humoristisch, maar waarschijnlijk nog meer voor Oekraïeners en anderen die de historische  verwijzingen zullen begrijpen. Het eigenlijke mysterie begint als de ingekwartierde soldaten  stiekem zilveren voorwerpen meenemen uit het ouderlijk huis van Samson. Daarna wordt zijn vaders schrijftafel in beslag genomen en met paard en wagen naar het politiebureau gebracht. Samson rent achter de wagen aan omdat zijn vaders spullen nog in de laden van de schrijftafel zitten. De in het bureau aanwezige commissaris Najdjon, ‘in een oud groen uniformjasje en een  blauwe uniformbroek’, geeft hem de opdracht een rapport te schrijven over de in beslag genomen bezittingen. Van dat rapport is Najdjon zo onder de indruk dat hij hem het voorstel doet in dienst te komen met als taak ’diefstallen te bestrijden en de orde te bewaken’. Hij krijgt dan ook bonnen voor de Sovjetkantine. Waarop Samson vraagt: ‘Krijg ik dan ook een wapen?’ ‘Natuurlijk’, antwoordt Najdjon. Vanaf dat moment beginnen de avonturen van rechercheur Samson.

    Samson moet onderzoek doen naar de gestolen zilveren voorwerpen en ook moet hij op zoek naar de dader van de moord op de kleermaker die Samson bezocht. Daarbij ontkwam hij zelf ternauwernood aan de dood door een reddende actie van een meegekomen soldaat die wel werd doodgeschoten. Tijdens de begrafenis van de kleermaker en de soldaat houdt commissaris Najdjon een toespraak vanaf een ‘uit houten planken in elkaar geflanst podium’, waarbij hij zegt dat we ‘onze gevallen helden niet vergeten’ en dat we ‘jullie verheffen tot de rang van Rode martelaren.’ Alsof het hier gaat om een heldendood in plaats van een criminele daad. De toespraak lijkt letterlijk geplukt uit de archieven van de geheime dienst die Koerkov kon inzien. In Kiev breekt dan een opstand tegen het Rode Leger uit van groepen onder leiding van een ‘hetman’ (historische naam voor een kozakkenhoofdman). Commisaris Najdjon moet het gebouw van de veiligheidsdienst Tjeka verdedigen en roept ‘Vecht tot de dood’ als hij het politiebureau verlaat. Een oproep die doet denken aan Stalin’s opdracht voor hij zijn soldaten de Tweede Wereldoorlog instuurde. 

    Eigenaar zilveren bot

    Een andere verhaallijn is de relatie tussen Samson en Nadezjda, die in het ouderlijk huis is komen wonen in een kamer van de overleden ouders van Samson. ‘Nadezjda’s ouders brengen de koffer en een kist met haar spullen op een kar.’  Nadezjda helpt hem met liefdevol advies als Samson aan zichzelf begint te twijfelen en als hij denkt dat hij ‘iets belangrijks en voor de hand liggends’ niet ziet, neemt zij hem bij zich in bed en troost hem. 

    In de kelder van de vermoorde kleermaker gaat Samson op zoek naar sporen van de moordenaar en ontdekt daar het in varkenshuid gewikkeld zilveren bot. Dit bot zal hem via een chirurg naar de eigenaar leiden en uiteindelijk naar de oplossing van de moord. Die eigenaar van het bot heet Jacobs en blijkt in het voorlaatste hoofdstuk van Vlaamse komaf te zijn. De ontknoping moet de lezer zelf ontdekken in dit eerste van Kurkovs mysterie- verhalen, dat eindigt met Samson die in bed ligt met de slapende Nadezjda. ‘Einde. Maar wordt vervolgd.’ Het derde deel is intussen verschenen. Een humoristische maar ook cynische verademing tussen alle realistische oorlogsverhalen in deze niet alleen voor Oekraïne zo gruwelijke tijd.



  • Een dystopie die schrikbarend dichtbij komt

    In De Alpenfederatie voert Gregor Verwijmeren ons naar een toekomst die verontrustend en tegelijk pijnlijk actueel is. De wereld zoals we die kenden is ingestort: het fictieve Newholland is verzwolgen door de zee, sociale structuren zijn weggevallen, en de overgebleven samenleving draait slechts om overleven. Otto, voormalig stadsbotanicus, woont met zijn vrouw Tilly en dochter Sophia in een grauwe flat in het zuiden van het land. De leegte thuis is niet alleen het gevolg van armoede, maar ook van het vertrek van hun zoon Iwan. Hij heeft zich van zijn familie afgekeerd en strijdt samen met andere jongeren tegen de elite, onder het motto ‘Eat the Rich’.

    Wanneer Otto de kans krijgt om te werken in de luxueuze orchideeënkas van een welgesteld echtpaar in de Alpen, ziet hij dit als een ontsnapping uit hun uitzichtloze bestaan. Wat hij echter niet weet, is dat zijn keuze hem en zijn gezin juist in het hart van het conflict plaatst: in hetzelfde gebied bereiden Iwan en zijn medestrijders een aanval voor op de rijke elite die zich daar heeft verschanst.

    Breed scala aan thema’s

    Aanvankelijk lijkt de roman een breed spectrum aan actuele thema’s te behandelen — van klimaatverandering en ecologische rampen tot terrorisme en sociale ongelijkheid. Toch voelt het verhaal nergens fragmentarisch. Verwijmeren opent met de ondergang van Newholland door de stijgende zeespiegel, waarmee de ecologische én humanitaire crisis direct als achtergrond voor de vertelling wordt neergezet. Tegelijk komt de extreme sociale ongelijkheid direct aan de orde, met een kloof tussen rijk en arm die niet meer te overbruggen is. Naarmate de roman vordert, verschuift de focus naar de vraag hoe ver mensen bereid zijn te gaan voor hun idealen, met morele dilemma’s rondom verzet als kernmotief. Door deze thema’s geleidelijk en met precisie te introduceren, schept Verwijmeren een gelaagd verhaal, stilistisch verfijnd en inhoudelijk diepgravend.

    De morele conflicten als kern van het verhaal

    Al is De Alpenfederatie rijk aan thematische lagen, één vraag staat centraal: welke morele keuzes maken we als individu in een wereld die wordt gekenmerkt door groeiende ongelijkheid, ideologische verdeeldheid en ecologische ontwrichting? Zowel in de dialogen als in de innerlijke conflicten van de personages speelt deze ethische worsteling een bepalende rol.

    Uit liefde voor zijn gezin kiest Otto voor een baan bij de elite en belichaamt daarmee de morele compromissen die velen sluiten in een onrechtvaardig systeem. Zijn keuze is geen lafheid, maar het resultaat van een innerlijke strijd tussen verantwoordelijkheid en druk van buitenaf. Verwijmeren laat deze spanning genuanceerd zien en daagt de lezer uit na te denken over diens eigen morele grenzen.

    Sophia vertegenwoordigt de jonge generatie die zich verzet tegen de status quo, maar worstelt met de vraag waar verzet omslaat in destructie. Haar dilemma draait om trouw blijven aan haar morele kompas of zich aansluiten bij een beweging waar ze ook twijfels bij heeft. Haar broer Iwan is geen held, maar een ambigue leider van de opstand. Zijn strijd met de ethiek van geweld en leiderschap onderstreept het centrale thema: dit is geen verhaal over goed of kwaad, maar over hoe systemen mensen dwingen tot onduidelijke keuzes.

    Verwijmeren dwingt je niet om partij te kiezen, maar roept op tot reflectie: hoe verhouden wij ons tot een wereld waarin de spelregels scheefgegroeid zijn — en wat betekent dat voor onze eigen verantwoordelijkheid?

    Satire waar je niet omheen kunt

    Wat op het eerste gezicht welhaast over het hoofd wordt gezien, is de subtiele satire in de roman. Verwijmerens heldere taal is doordrenkt van droge ironie – een stijl die niet luid is, maar onderhuids wringt. Door serieuze beschrijvingen te combineren met eigenaardige details en technocratische nieuwspraak ontstaat een vervreemdend effect dat de absurditeit van de geschetste wereld des te indringender maakt.

    De satire schuilt vooral in het taalgebruik: Verwijmeren ontmaskert met bijtende precisie hoe taal wordt ingezet om controle te verkopen als vooruitgang. Technocratische termen, zogenaamd ambachtelijke producttaal en modewoorden als bodyshaming, zero waste, of het mystificerende colXBri dienen niet om helderheid te bieden, maar om morele en beleidsmatige ideeën aantrekkelijk te verpakken. In werkelijkheid bevorderen ze uitsluiting en gedragsdwang.

    In deze hybride mengtaal — tegelijk commercieel, beleidsmatig en ideologisch — is de auteur zo bedreven dat de roman op momenten hilarisch wordt. Juist doordat de personages haar zelden ter discussie stellen, valt eens te meer op hoe absurd de werkelijkheid is geworden. Verwijmeren overdrijft niet zomaar, maar spiegelt op scherpe wijze het soort taal dat ook in onze wereld steeds normaler wordt gevonden.

    De setting versterkt dit effect. Newholland is de groteske afspiegeling van Nederland: een kunstmatig geconstrueerde natiestaat waarin bureaucratie, identiteitsdenken en nationale symboliek tot in het absurde zijn doorgevoerd. Alles lijkt gecalculeerd, ontworpen, gecontroleerd — een samenleving als maakbaar project. De naam ‘Newholland’ is daarbij een spottende verwijzing; naar de koloniale erfenis, en naar het technocratisch streven naar een vernieuwde, beheersbare nationale identiteit. Verwijmeren toont hoe deze façade hol en gevaarlijk wordt.

    Elk personage een eigen stijl

    ​​Wat De Alpenfederatie in stilistische zin bovendien bijzonder maakt, is de afwisseling in stijl: per hoofdstuk komt de stem en innerlijke wereld van een personage aan bod. Otto’s hoofdstukken ademen een melancholische, poëtische sfeer. Iwans passages zijn rauw en energiek, doorspekt met Engels en activistisch jargon. Sophia’s hoofdstukken zijn introspectiever en filosofischer, met droomachtige beschrijvingen die haar existentiële twijfels voelbaar maken.

    Wanneer de rijke elite aan de beurt is, verandert de toon: afstandelijk, zelfverzekerd, met een abstracte, verheven stijl die de wereld van privileges weerspiegelt. Deze stilistische schakelingen versterken de thematische gelaagdheid van de roman. Ze maken de kloof tussen de verschillende klassen niet alleen zichtbaar in de plot, maar ook voelbaar in de taal zelf. Daardoor slaagt Verwijmeren erin om de psychologische en morele complexiteit van zijn personages verder te verdiepen, en de sociale ongelijkheid in de roman tastbaar te maken.

    De Alpenfederatie is geen roman die geruststelt. Hij biedt geen oplossingen, geen houvast, en zeker geen sluitende moraal. Verwijmeren stelt vragen, niet om ze netjes te beantwoorden, maar om ons eraan te herinneren dat wij ze vaak niet eens meer durven te stellen. Deze roman spoort niet aan tot actie omdat dat ‘moet’, maar houdt ons een spiegel voor. De ware kracht ligt in de confrontatie: durven we te kijken naar wat we zien, en kunnen we nog leven met de keuzes die we maken? In een wereld die zijn eigen ondergang met logica en beleid rechtvaardigt, is dat misschien wel de meest urgente boodschap van allemaal.

     

     

  • Te weinig sporen om naar iets concreets te leiden

    Is dit een dichtbundel, waarbij de tekeningen de illustraties vormen, of is dit een boek met tekeningen, waarbij dichtregels zijn gezet? Dat is nauwelijks te onderscheiden, want de samenwerking tussen Tom Marien als dichter en Pascale Petterson als illustrator verleent hun bijdrage hetzelfde gewicht. De dichtbundel oogt, mede door het folioformaat, als een prentenboek. Marien schreef al eerder prentenboeken, maar die waren bedoeld voor kinderen van 6 tot 8 jaar terwijl deze bundel voor volwassenen geschreven is. De gedichten werden vrijwel allemaal eerder gepubliceerd in literaire tijdschriften en de bundel zelf stond op de shortlist voor de Granateprijs voor de mooiste en best passende titel in 2024. 

    Hoe zwart ruikt, is ook na lezing van deze geïllustreerde bundel niet duidelijk, maar dat de inhoud inktzwart is, blijkt al snel. Er zijn tekeningen van verdrietige kinderen, foto’s waarin gezichten weggekrast zijn, met zwart en grijs als hoofdkleur met af en toe een onheilspellende vlek rood zoals naakte vrouwen met bloedende vagina’s. Het lijkt een duister en macaber sprookje voor volwassenen te zijn, met moeders als boze heksen en betoverde kinderen. Het boek bevat slechts enkele gedichten, waarvan de versregels over de pagina’s verspreid zijn. De tekeningen zijn niet bedoeld als illustraties bij de gedichten, maar zorgen eerder voor sfeer en context.

    Overvleugelde gedichten

    Petterson heeft haar eigen gedachten bij de gedichten in beelden omgezet. De gedichten worden af en toe overvleugeld door de tekeningen, die weliswaar suggestief zijn, maar toch de angst en dreiging weten weer te geven die deze bundel kenmerkt. Dichter en illustrator zijn voor deze bundel een perfecte samenwerking aangegaan, ze completeren en versterken elkaar.

    De bundel is verdeeld in een proloog, bestaande uit een gedicht, vervolgens twee afdelingen: ‘Happy family’ met zes gedichten, en ‘de jongen/de heer’ met twee gedichten, en een epiloog die ook door een kort gedicht van twee versregels gevormd wordt: ‘ wij willen overwoekerd worden/ zoals tuinmuur door klimop’. Het doet sterk denken aan het gedicht Een ongelovige van Adriaan Roland Holst: ‘Heen en weer geslingerd/ zonder rust of duur:/ was ik maar een wingerd,/ had ik maar een muur.’

    Kinderen en vrouwen vormen voor het merendeel de onderwerpen van de gedichten. Zij lijken bedreigd te worden door moeders, mannen, badmeesters, eenzaamheid:

    ‘Niks in de handen

     zo staat er een taartje

     en zing ik een lied
     je moeder blaast een kaarsje uit

     peter en meter zijn niet uitgenodigd
     hun cadeaus worden geleverd door postnl

     ik prijs het vochtgehalte van de cake
     je moeders ogen blinken

     je kirt niet je peutert niet in je gebak
     je zwijgt zoals je nu een jaar lang doet

     bij alles wat gebeurt
     is zoveel dat niet’

    Dreigende beelden

    De lezer moet zelf vaststellen wat er aan de hand is. Een tekening laat met streperige zwarte lijnen een kind zien, een meisje met een vuurrode strik in het haar, dat moedeloos in de verte staart. Achter haar is de schim van een kind, een geest haast, met een vuurrode feestmuts op. Je denkt aan dode broertjes (‘tandeloos voert ze gesprekken/ met de broer die ze nooit had’), aan incest, mishandeling, inteelt, maar het blijft gissen. Ook de gedichten over vrouwen en badmeesters hebben iets dreigends over zich. De vrouwen die de kinderen een klap geven als ze naar hun vaders vragen, de badmeesters die de angst voor het water bij de kinderen alleen maar versterken. 

    ‘bolle ogen hebben zij
     vol spiegelwater zonder chloor
     omdat ze telkens denken:

     dit is het ergste
     wat een jongen
     overkomen kan

     Maar wat is dat dan? 

    Diep in eigen ziel kijken

    De dichter wordt nergens expliciet in de beschrijving van wat er gebeurt in de gedichten, maar houdt het bij vaagheden. Dat is weliswaar intrigerend, maar vraagt veel van de lezer. Die moet diep in de eigen ziel kijken voordat hij de gedichten en tekeningen aan een ervaring kan koppelen om een interpretatie of duiding aan het geheel te geven. 

    Marien schrijft op zijn website dat hij ‘wilde weten hoe ongeluk ruikt’, dat hij getracht heeft ‘verschillende lagen van misère te verkennen.’ Misschien is de dichter daar voor zichzelf in geslaagd, maar voor de lezer heeft ook na lezing van deze bundel het onheil nog steeds geen geur. Als lezer blijf je met veel vragen zitten die onmogelijk te beantwoorden zijn omdat er te weinig aanknopingspunten zijn. Alle poëzie vraagt om inzet en inlevingsvermogen, maar de sporen die door Marien zijn uitgezet zijn te vaag om naar iets concreets te leiden. Dat zal ook niet de bedoeling van de dichter zijn geweest. Maar wat er aan beeld en poëzie in de geur van zwart wordt aangereikt, is niet genoeg om blijvend de aandacht te vragen.



  • Dienstplichtigen van toen

    De achtste roman van Philip Snijder, De verbindingen, heeft een onverwacht actueel thema, dat van de dienstplicht. Er is weer discussie over herinvoering daarvan in verband met de herbewapening en Europese oorlogsvoorbereiding.

    Dat het boek aanhaakt op de actualiteit is begrijpelijk, maar de parallellen zijn ver te zoeken. Het boek gaat namelijk wel over dienstplichtige soldaten (en een enkele officier) maar dan in het historisch perspectief van kazernering in Duitsland eind jaren zeventig. De anonieme hoofdpersoon/verteller moet als soldaat in dienst en maakt daar een periode vol verveling, eenzaamheid, vernedering, gekmakende routine en oppervlakkige camaraderie mee. Voor een gevoelige jongen met een laag zelfbeeld en vol angsten geen geringe uitdaging.

    Nieuwe kameraad

    Het sleutelwoord in het boek is dat van de titel: verbindingen. Dat moet zowel letterlijk als figuurlijk genomen worden. Letterlijk omdat hij in dienst de functie van radiotelegrafist vervult, wat hem consequent de bijnaam ‘de Stekker’ oplevert. Een goed voorbeeld van de depersonalisering die de diensttijd – zeker toen – met iemand deed. Figuurlijk omdat de hoofdpersoon daar wanhopig naar op zoek is, verbinding. Daar slaagt hij eigenlijk niet in. Niet op school met slechts een schuchtere toenadering tot een onbereikbaar meisje, geen enkel contact met een afwezige en zieke vader, weinig liefde tussen hem en zijn moeder, nauwelijks banden met familie, later geen vrienden in zijn studiestad Amsterdam en een zich voortslepende relatie met vriendin Ingrid. En dan gebeurt er eindelijk toch wat.

    Bij de keuring voor de militaire dienst ontmoet hij door toeval, ze staan achter elkaar in de rij, een wat mysterieuze jongen, Ronald, die er hippie-achtig uitziet. Ze gaan in gesprek – al heel wat voor de verteller – en ze trekken een paar uren met elkaar op. Maar op het einde slaagt hij er niet in met zijn mogelijk nieuwe kameraad iets af te spreken. Weer te lamlendig en te sloom. Maar dan volgt de tweede ontmoeting: de hippie duikt plotseling op als vaandrig (officier in opleiding) en pelotonscommandant op de Navo-basis Rugenstein in het Duitse Süssland. Hij lijkt onherkenbaar veranderd, heeft kort haar, is autoritair en kortaf en een verre schim van de goedmoedige hippie van een half jaar eerder. ‘Die Nazi’ noemen de soldaten hem achter zijn rug.

    Ook dan durft de verteller de confrontatie niet aan. Hij wil natuurlijk in gesprek met Ronald maar slaagt daar steeds niet in. Opnieuw schuchter – zelfs bang dat de wetenschap bij de andere soldaten dat Ronald en hij elkaar kennen zijn toch al precaire positie als jongen zonder grote mond en durf verder in gevaar zal brengen. Na toch nog een nachtelijk gesprek met Ronald blijkt deze een bedoeling te hebben met zijn barse, autoritaire optreden. Als gevolg van het gesprek draait vaandrig Ronald als een blad aan de boom om en wordt vriendelijk, amicaal en extreem socialiserend met de manschappen waar hiërarchische afstand de absolute norm is. Deze gedaanteverwisseling moet onafwendbaar een keer mis gaan en zie, de weinig drinkende Ronald drinkt zich op de wekelijkse zuipavond in de manschappenkantine, waar hij eigenlijk niks te zoeken heeft, stomdronken. De gevolgen zijn radicaal: een maand militaire detentie en overplaatsing naar een onbetekenende functie.

    De enige vreemde

    De derde en laatste ontmoeting van de verteller met Ronald is zo mogelijk nog confronterender. De ik werkt na zijn diensttijd, het is dan 1980, als nachtreceptionist en schoonmaker in het verlopen toeristenhotel Bombay nabij het Damrak in Amsterdam. Tegen het einde van zijn dienst ziet hij dat de vrouwen-wc al heel lang bezet is. Ondanks veel roepen en kloppen komt er geen reactie. Hij breekt in en ziet tot zijn ontzetting een bewusteloze junk onder het bloed en kots op de tegels liggen. Deze slaat lodderig een oog open en de verteller herkent de eerdere hippie en vaandrig.

    De verteller neemt zijn vroegere ‘kameraad’ na een wasbeurt mee naar een haveloze horecagelegenheid waarbij Ronald met veel Marsrepen een beetje tot leven komt en een relaas houdt over zijn jaren tussen de militaire detentie en zijn huidige status als heroïnejunk. De ik gaat terug naar het hotel om zijn dienst over te dragen en constateert daar dat met enig sloopgeweld de hele kassa inclusief de 250 gulden wisselgeld is ontvreemd.

    De hoofdpersoon is – in huidig taalgebruik – nogal een loser. Zijn studie pedagogiek aan de UvA staakt hij, maar waarom en hoe is niet duidelijk. Vinden zijn ouders en vriendin Ingrid daar wat van? Hij neemt een baantje bij een papierwinkel waar niet bepaald de arbeidssatisfactie vanaf spat. Daaraan voorafgaand brengt hij zijn tijd door met ‘solitair pornobioscoopbezoek’ en ‘solitaire bessenjenever’. ’Door de onthechting die over me kwam in die pornozaaltjes steeg ik op uit dat leven, verhief ik me eruit als een leviterende Tibetaanse monnik. En vanuit de troebele wolken waarin mijn hoofd dan terechtkwam, kon ik dat leven daar onder me gelukkig nauwelijks zien’. Met ‘dat leven’ bedoelt de ik het studentenleven maar eigenlijk zijn hele leven. Daarin was hij ‘de enige vreemde’. Iedereen leek elkaar lang te kennen. ‘En daardoor vond ik mezelf dan weer een weke aansteller en een verachtelijke zeikerd.’

    De relatie met Ingrid is flets. Bovendien leven ze in zijn tijd als nachtreceptionist letterlijk langs elkaar heen. Hij komt thuis als zij naar haar werk vertrekt. Als zij om tien uur naar bed gaat vertrekt hij naar het hotel. Bij de keuring voor de militaire dienst geeft hij ‘in een impuls’ aan dat hij niet kiest voor de officiersopleiding, waar hij als academicus in spe recht op heeft, maar ‘gewoon soldaat’ wil worden.

    Feest der herkenning

    De verbindingen bevat geestig beschreven scènes in militaire dienst en daarbuiten. Er valt veel te lachen. Snijder schrijft vlot en pakkend en als lezer is het genieten van de meestal niet al te fijnzinnige anekdotes over het dienstplichtigenleven van toen. Die gaan veelal over drank, grappen, pesten, sterke verhalen, seks en wonderlijke, voor buitenstaanders niet te doorgronden rituelen. Zeker voor lezers met eigen ervaringen in vooral de rol van de eenvoudige manschappen (‘zandhazen’) zal het boek een feest der herkenning zijn. Vrolijke treurigheid troef tegen de achtergrond van het Amsterdam van 1980, de tijd van krakers, drugs en verval. Voor lezers die daar wat minder mee hebben is het boek vermakelijk maar op afstand. De karakters en hun ontwikkeling zijn wat afstandelijk beschreven.

    Interessant en intrigerend is het snel wisselende gedrag van de vaandrig-hippie-kunstenaar (want dat laatste is hij in het diepst van zijn gedachten) en junk Ronald. De verbindingen is een vlotte roman over een reeks belevenissen in het toenmalige systeem van militaire dienstplicht en het verlies van identiteit wanneer iemand een uniform draagt. De hoofdpersonen zijn bijzondere types: een slome aanpasser met een laag zelfbeeld die altijd het gesprek en zeker de confrontatie vermijdt, en een creatieveling die als beginnend kunstenaar de weg kwijt raakt. Je vraagt je af wat er van hen geworden is.