• Wie is Anselm Kiefer?

    De Duitse kunstenaar Anselm Kiefer groeide op tussen de rivier en het bos in het Zwarte Woud. Dat vond de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård een fascinerende gedachte en hij koos Het bos en de rivier als titel van zijn boek over Kiefer. Het boek verscheen naar aanleiding van een artikel dat hij over de kunstenaar schreef. Knausgård, wereldberoemd geworden met de zesdelige autobiografische romanserie Mijn strijd, stelde eerder een expositie samen met minder bekend werk van de kunstenaar Edvard Munch, over wie hij het boek Zoveel verlangen op zo’n klein oppervlak schreef.

    Anselm Kiefer was voor Knausgård een naam van een hedendaagse kunstenaar die hem intrigeerde omdat zijn kunstwerken ‘zo monumentaal zijn, zo beladen door de tijd, zo bezwaard door de geschiedenis, en omdat het private, het kleine en persoonlijke, er geheel in ontbreekt.’ Anselm Kiefer, een actieve zeventiger, is allang gecanoniseerd en mag de grootste nog levende kunstenaar ter wereld worden genoemd. ‘Zijn naam is een soort merk geworden, en als kunstenaar vertegenwoordigt hij niet langer het nieuwe en subversieve, maar maakt hij deel uit van het establishment.’ Kiefer heeft de gave om toeschouwers zijn schilderijen in te laten zuigen, zo oordeelt Knausgård. ‘Ik keek niet zomaar naar een schilderij, het was alsof het schilderij me omsloot en me vervulde met zijn stemming, waartegen ik geen verweer had.’

    Mislukkingen

    Naar aanleiding van diverse ontmoetingen wil Knausgård een artikel schrijven over de kunstenaar en zijn werk. Hij ontmoet hem in Kiefers atelier nabij Parijs en in La Ribaute, in het Zuid-Franse Barjac, waar de kunstenaar op een verlaten industrieterrein een enorm atelier heeft. Knausgård is aanwezig tijdens een lezing van Kiefer in Freiburg waar hij ooit studeerde; hij ontmoet hem in Londen bij een grote expositie en samen bezoeken ze zijn geboorteplaats Donaueschingen in het Zwarte Woud, waar ze ook de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg bezoeken.

    Tijdens die ontmoetingen raakt Knausgård steeds meer in Kiefers ban. Hij probeert hem te doorgronden, wat hem eigenlijk nooit echt lukt en waardoor het hem veel moeite kost om het artikel te schrijven. Hij communiceert met Waltraud Forelli, Kiefers persoonlijk assistente, die zeer loyaal en betrokken alles voor de kunstenaar organiseert en regelt. Zij vangt Knausgård op, leidt hem rond in het atelier en is altijd aanwezig bij de gesprekken. Knausgård is getuige van de constructie van de enorme schilderijen die Kiefer maakt met behulp van een paar ambachtslieden en beschrijft het intrigerende proces van het lood afgieten op een paar megagrote kunstwerken. Het lood stolt en wordt er weer afgetrokken. Helaas, Kiefer is niet tevreden, maar er echt mee zitten lijkt hij niet te doen, de mislukkingen zijn deel van het proces.

    Waar was Kiefer in zijn kunst?

    Waar Kiefer in zijn kunst was, is de vraag die Knausgård beantwoord wil hebben. Hij wil de echte Kiefer, de persoon, de mens, ontmoeten in zijn werk, wat niet meevalt omdat het zo veelzijdig en verschillend is. En hoe beter hij hem leert kennen, hoe minder hij hem kan duiden. Kiefer is sociaal, maakt graag grapjes en giechelt erop los, geniet van aandacht, doet hartelijk mee aan smalltalk, zoals het koffietafelgesprek bij de bevriende adellijke familie zu Fürstenberg laat zien, maar hij is ook een loner en een keiharde werker. Zo op het eerste gezicht lijkt Kiefer een doorsnee man, maar schijn bedriegt. Het liefst is hij aan het werk en dat is een volgende vraag die Knausgård stelt. ‘Waar kwamen al die kunstwerken vandaan?’ En ‘Wat was kunst überhaupt?’

    In een aantekenboekje dat Kiefer uitgaf, las Knausgård een zin die hem bijbleef. Wanneer hij die zin, ‘Een manier om iets te verbergen door de innerlijke ruimte uit te breiden’, aan Kiefer voorlegt reageert de kunstenaar verbaasd: ‘”Heb ik dat geschreven? Of hebt u dat geschreven” vroeg Kiefer. “U hebt het geschreven. Ik heb het geciteerd. Het komt uit uw boek.” “Hahahaha!” “Kunt u het nog eens voorlezen?” vroeg Forelli. “Het is een paradox,” zei Kiefer. “Ik hou van paradoxen.” (…) “Soms ben ik verrast door de dingen die ik geschreven heb,” zei hij. “Soms denk ik, o, ben ik dat?”’ Het zijn deze letterlijke transcripties van de gesprekken die het boek zo leesbaar maken en een mooi beeld geven van Kiefers associatieve geest en luchtigheid, waarmee hij tegelijkertijd een haast mystiek waas over zijn persoonlijkheid legt.

    Paus of jurist?

    Hij praat graag over zijn jeugd, waar volgens Knausgård toch de basis van zijn thematiek ligt. Geboren in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog is Kiefer geobsedeerd door de oorlog. Als jongetje wilde hij paus worden, hij ging rechten studeren, maar het bloed kroop waar het niet gaan kon. Hij was een kunstenaar in de dop, zijn leermeesters herkenden zijn talent al vroeg.

    Zijn persoonlijke worsteling met het schrijven van het artikel weeft Knausgård mooi door zijn zoektocht heen, waarmee we in Het bos en de rivier ook de schrijver Karl Ove aanschouwen. Daarom is dit boek zo’n mooi portret van eigenlijk twee kunstenaars die min of meer noodgedwongen met elkaar optrekken: Knausgårds frustratie als Kiefer niet de antwoorden geeft die hij verwachtte, zijn ongemak en bescheiden wegduiken als hij dreigt herkend te worden, of wanneer Kiefer hem en plein public omhelst met twee kussen op beide wangen. Of tijdens de laatste ontmoeting zijn lichte wrevel als Kiefer hem niet lijkt te herkennen, omdat zijn haar wat langer is.

    Nadat het artikel eindelijk in 2020 in The New York Times Magazine is gepubliceerd, schrijft Kiefer hem een briefje: ‘Ik vond uw tekst goed. Wanneer zien we elkaar nog eens terug? Laat uw haar niet knippen, Anselm.’ Waarmee Kiefer aangeeft hem de laatste keer wel herkend te hebben. Of was het toch Forelli die hem had ingefluisterd dat het Knausgård was met wie hij sprak? We zullen het nooit weten.

    Aquarellen

    Naast de zware bos- en landwerken, zijn oorlogsstukken, installaties en constructies, de talloze loodboeken die Kiefer maakte, is hij ook een begenadigd aquarellist die met ijle, transparante zonnige kleuren schildert. De afbeeldingen mocht Knausgård gebruiken in dit prachtig uitgegeven boek, waarin de vraag wie Kiefer nu eigenlijk is en waar hij in zijn werk te vinden is niet echt wordt beantwoord. Maar dat geeft niet als je te maken hebt met zo’n bijzondere persoonlijkheid, die aanleiding geeft tot een aantal uren boeiend leesvertier.

     

  • Van Haren speelt een fijnzinnig spel met taal

    In 1988 debuteerde Elma van Haren (1954) met de bundel De reis naar het welkom geheten, die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. In 1997 ontving ze de Jan Campert-prijs voor haar bundel Grondstewardess. Het gedicht Het schitterende uit de bundel Eskimoteren werd gekozen als een van de drie beste gedichten van 2000. Ze schreef ook een verhalenbundel en een roman en is naast schrijver ook beeldend kunstenaar.

    Haar veertiende bundel, Uit de klatergouden boot gevallen, laat zich lezen als een uitbundig sprookje, een scheppingsverhaal uit een zelfgeschapen mythologie, waarin de realiteit een ondergeschikte functie heeft. Er klinken echo’s door van de Japanse godenverhalen en de Griekse mythologie, met een vleugje van de Noorse.

    In haar ‘Aantekeningen’ vertelt Van Haren dat de bundel ontstond naar aanleiding van een zin die ze maar niet uit haar hoofd kreeg: ‘In de parels rond de ranke hals van meisjes zit de adem van ama’s…’ Vanuit deze zin schreef ze een verhaal dat zich afspeelt in Japan, waar jonge vrouwen, ama’s genoemd, al eeuwenlang parels opduiken uit zee. Het is een gevaarlijk beroep, omdat er geen gebruik wordt gemaakt van apparatuur en de vrouwen vertrouwen op het inhouden van hun adem. 

    Parelduiksters en pareldraagsters

    Van Haren verdeelt de wereld in parelduiksters en pareldraagsters, ‘heldinnen en slechteriken’, twee groepen die erg ver van elkaar afstaan. Degenen die de parels opduiken met gevaar voor eigen leven, zijn immers nooit degenen die de parels dragen. Een van de ama’s, die later Shinju genoemd wordt, ontvoert een van de pareldraagsters, Madelief, die later Meri genoemd wordt. Meri – met gouden krullen en blauwe ogen- is het tegenbeeld van Shinju, maar toch ontwikkelt zich tijdens hun vlucht een liefdesrelatie tussen beide vrouwen, die later weer dreigt te verzanden als te veel ruzies de liefde afzwakken.

    ‘Twee boeken opengeslagen op elkaar. Copulatie.
     Stijlen vervloeien, verdrinken, zinken. Hier en daar
     sterke trampolinewoorden.
     Het beste zuigt zich gretig in elkaar, weefseltaal, stijlvampier,
     op de tenen wordt om het meest herkenbare heengelopen
     en met een handgebaar,
     verdwenen!
     De tweesprong: één snelweg naar de einder. Perfectie.
     Alice met de appelwangen en Cleopatra met haar slangen.
     Een plaatje paradijsgewijs. Klassiek.
     Wij, liefdespaar.
     Uiteindelijk.’

    Spinnenkoningin regeert de wereld

    Het verhaal wordt bezongen door acht verschillende stemmen, waarvan de verteller het vaakst aan het woord is, maar ondanks dat is hij/zij niet de belangrijkste. Dat is namelijk de stem van de Spinnenkoningin die alle touwtjes in handen heeft. Zij regeert de wereld en weeft het noodlot voor iedereen: ‘Tussen de planeten heb ik ieders naam in het sterrenstof geschreven.’
    Ook is er een koor als in Griekse tragedies dat commentaar levert op de gebeurtenissen, maar er zelf niet bij betrokken is. Alle stemmen hebben een eigen teken meegekregen dat naast de titel van elk gedicht geplaatst is waardoor meteen duidelijk wordt wie er aan het woord is. Het teken voor de Spinnenkoningin lijkt op een web. 

    Een belangrijke rol is weggelegd voor de Dood/Man met de zeis, maar hij wordt in de tweede afdeling van de bundel vervangen door een vrouwelijke dood, Hella genaamd, of ‘Hare Heftigheid’: ‘Dat mijn baas bazin is, Spinnenkoningin, gaf me goede hoop/ toen de [positie van Magere Hein voor het grijpen lag./ Deze tijd is rijp voor vrouwelijk beleid.’ Hoe het verhaal afloopt, wordt door de dichter in het midden gelaten. Dat kan de lezer zelf bedenken. 

    In sprookjes kan de werkelijkheid ondersteboven worden gezet, evenals de volgorde van de gebeurtenissen en de wetten van de logica gelden hier niet. Belangrijker dan het verhaal is de wijze waarop Van Haren het vertelt. Haar poëzie kenmerkt zich door een bonte schakering van fragmenten, losse hersenspinsels die door middel van associaties aan elkaar geregen worden. Deze bundel is een overweldigend geheel van verschillende stijlen, lettertypes, typografieën, dialogen, haiku’s, zelfs van talen, omdat er ook Japanse gedichten in afgedrukt staan. 

    Ingewikkeld web met vaste patronen

    De versvormen zijn heel divers, voornamelijk vrije gedichten die uitwaaieren over de pagina en lange gedichten die uit één zin kunnen bestaan. Alleen de Spinnenkoningin heeft een eigen versvorm gekregen, alleen voor haar, een sonnet van een octaaf en een sextet met een strak gehouden schema voor het eindrijm. Dat is ook passend voor een spin die zelf een ingewikkeld web weeft met vaste patronen. 

    ‘Ingesponnen

     Mijn acht spinnenogen haken zich aan alle kanten vast,
     Soms gevangen door kleinigheden van grote onbelangrijkheid
     En hoe ik ook mijn best doe, ik raak het maar niet kwijt,
     Het drukt op de doorluchtigheid van mijn weefsel, een grote last,

     Waardoor het patroon verwart als ik niet oppas, dus tot mijn diepe spijt
     Eist dit soort onbenulligheid dat het al mijn aandacht
     Krijgt, het klemt zich als een weerhaak aan mijn kantkloskracht
     Tot de juiste oplossing met eindelijk van deze marteling bevrijdt.

     Dit! Ik zie een lieve en een agressieve, toevallig samengesmeed,
     Behept met machteloze mensgevoelens, vluchtend voor het onvermijdelijke lot.
     Vechten, rennen, vrijen. Doden? Als het zo uitkomt, zullen ze het zeker doen.

     Een raadsel waarom deze twee beklijven, maar mijn professioneel fatsoen
     Dwingt me het serieus te nemen ook al voel ik mij beknot tot op het bot.
     Weet dat ook een Spinnenkoningin  heftig lijdt onder menselijk leed.

    De gedichten in deze bundel lijken ongeordend, maar wie goed leest merkt dat schijn bedriegt. Van Haren speelt een fijnzinnig spel met de taal, dat levert knappe vondsten op waarbij een soort droge humor eruit springt. Heel bewust haakt ze aan bij dramatische clichés, om daarna zelf een loopje te nemen met wat ze geschreven heeft. Een bundel als een achtbaan: heftige emoties vliegen van hoog naar laag en omgekeerd, het geschreeuw kan oorverdovend zijn en regelmatig gaan de gedichten ‘over the top’, zowel wat inhoud als uiterlijk vorm betreft. Het is aan het verhaal om te bepalen wat het wordt, schrijft de dichter in de ‘Aantekeningen’. Geen bundel om te analyseren of te ontleden, dit is een bundel om je te laten overrompelen door het taalplezier dat van de pagina’s afspat en dat nog lang in je hoofd blijft nadenderen.



  • Trachten te zien wat niet wordt getoond

    In mei van dit jaar kon je in stedelijke boekhandels tot forten opgestapelde exemplaren zien van Wisselwachter van Geert Mak. Daarin valt te lezen dat het onder druk van toenemend antisemitisme in de VS in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog voor Europese vluchtelingen steeds moeilijker werd dat land binnen te komen: ‘In 1939 was 83 procent van de Amerikanen tegen de verruiming van de immigratiequota voor Joodse vluchtelingen’. Het grotere verhaal over de geschiedenis van de transatlantische emigratie valt te lezen en te bekijken in Ellis Island van Georges Perec en Robert Bober dat ook in mei in heel wat bescheidener oplage in de winkels kwam liggen.

    De toegangspoort tot Amerika verloopt sinds 1924 via Amerikaanse consulaten in het buitenland, maar van 1892 tot 1924 fungeerde een kleine uitstulping van de aarde in de haven van New York als zodanig: Ellis Island. Daar speelden zich vaak mensonwaardige taferelen af.
    Van 1978 tot 1980 maakten Perec en Bober er een documentaire over in twee delen onder de titel Ellis Island. Histoires d’errance et d’espoir (Verhalen over ontheemding en hoop). Beide delen zijn te zien op YouTube. Het boek met dezelfde titel bestaat uit vijf delen. Dat zijn naast de teksten van Perec uit de film en de interviews beschrijvingen van het maakproces en foto’s.

    Joods

    De motieven van Bober en Perec om de geschiedenis van Ellis Island vast te leggen waren verschillend. Bobers Joodse familie had eeuwenlang vervolging en vernietigingskampen overleefd, onder andere door naar Amerika over te steken. Hij wilde die geschiedenis van zijn voorouders vastleggen. Voor Perec lag het anders. Hij was in Frankrijk geboren uit Poolse ouders; zijn vader stierf op het slagveld in 1940 en zijn moeder, haar zus en zijn beide grootvaders werden in 1943 in Auschwitz vermoord. Hij had niet het verleden van Bober en voelde zich nauwelijks Joods. Wat hem overhaalde om mee te werken was de mogelijkheid te achterhalen wat van zijn ouders geworden had kúnnen zijn als zij destijds niet vanuit Polen naar Frankrijk, maar naar de VS waren gevlucht. Bovendien hoopte hij er te vinden wat zijn Joodse afkomst voor hem betekende.

    Ellis Island was nadat de functie als immigratiebureau in 1924 was weggevallen een detentiecentrum geworden voor illegale immigranten en in WO II een gevangenis. In 1954 werd het geheel ontruimd. Nu is het een museum waar gidsen aan toeristen té luchtige verhalen vertellen. Zo troffen Bober en Perec het aan.
    Wat ervoer Perec er? Die vraag was voor hem vooral wat er schuil ging

    onder de gortdroge officiële statistieken
    onder het geruststellende gegons van anekdotes
    (…)
    onder de officiële opstelling van alledaagse voorwerpen die museale voorwerpen zijn geworden.

    ‘Hoe krijgen we vat op wat niet wordt getoond?’, schrijft Perec.
    Wat hij vooral voelt heeft te maken met ontheemding en diaspora die spreekt uit zijn bekende formulering dat Ellis Island voor hem is: ‘de plaats van afwezigheid van plaats, de niet-plaats, het nergens’.

    Gedaante van een alfabet

    In zijn tekst gebruikt Perec – karakteristiek voor hem – veel lijsten en opsommingen. Die werken in hun soberheid en poëtische opbouw sterk en beeldend: lijsten van aantallen immigranten met hun herkomst, van schepen waarmee ze aankwamen, van voorwerpen die zijn achtergebleven en restanten van bebouwing enzovoort. Bijzonder indrukwekkend is de bijna klinische beschrijving die Perec geeft van de selectieprocedure waar (een verwijzing naar de Joodse legende van de Golem) ‘het lot de gedaante van een alfabet’ aannam: de aangekomenen werden in veel te kleine hokken bij elkaar gestopt voor een medisch onderzoek dat resulteerde in wel of niet een letterstempel op de kleding: een c voor tuberculose, een e voor oogziekte, een k voor hernia enzovoort. Wie zo’n stempel kreeg werd apart genomen voor een diepgaander onderzoek. Had je werkelijk een van de ziektes of vormde je een risico dat je ten laste zou komen van de staat, dan werd je op de boot teruggezet. Dat overkwam bijvoorbeeld een betovergrootvader van Bober. Dat soort beslissingen leverden Ellis Island de bijnaam ‘Traneneiland’ op.

    Actueel

    Op Ellis Island passeerden niet alleen Joden die hun veiligheid zochten in Amerika. Rond 1900 waren het ook Grieken, Russen, Turken en Italianen, gedreven door uitbuiting, honger of epidemieën in eigen land. Voor veel van die immigranten was Amerika het land met nieuwe mogelijkheden. Daarom bevat de ondertitel van dit boek naast ‘ontheemding’ ook het woord ‘hoop’. Die werd lang niet altijd vervuld, zo blijkt uit de interviews in film en boek met migranten die tussen 1907 en 1928 de sprong waagden. Ze hadden het in Amerika soms nog slechter dan in het land dat ze verlaten hadden.

    Ellis Island functioneert sinds 1954 niet meer als selectiepoort voor nieuwkomers, maar wat daar gebeurde is niet voorbij. Perec zelf verwijst naar de Vietnamese Boat People – actueel toen Bober en hij hun documentaire maakten. In 1939 was de Amerikaanse houding niet anders zoals Mak vermeldt; de vergaande restricties onder Trump maken Ellis Island nog steeds actueel. En de blikken op de fotoportretten in de fraai uitgevoerde Nederlandse editie zijn die van Gazaanse vluchtelingen nu.

  • Tijdreis naar een vader

    Lezen is soms voor je gevoel een tijdreis maken. In Wonderkind, het debuut van Willemijn Tillmans (1976) word je bijna voelbaar meegenomen naar de jaren tachtig, de tijd dus waarin zijzelf opgroeide. Madonna, Countdown en de Hitkrant, de overgang van elpees naar cd’s, Top Gun, Limara Romantic Fantasy (de deodorant), Treets, Tjolk en Domovla, het zijn voorbeelden van de sfeer uit die tijd die door het hele boek heen terloops genoemd worden zonder verder al te veel af te leiden. Het viewmasterschijfje op de cover zal bij menig lezer jeugdherinneringen oproepen, maar wellicht bij jongere lezers voor wat hoofdbrekens zorgen.

    Hoofdpersonage Mia Compré (‘Weet je dat mijn naam mikpunt betekent als je hem omdraait?’) kijkt rond haar achtenveertigste in de proloog van het boek terug op haar jeugd. Ze kijkt naar een foto die gemaakt is op haar twaalfde verjaardag: ‘Iedere keer wanneer ik naar die foto kijk, zijn er drie Mia’s jarig: het meisje van twaalf naast haar fiets, de jonge vrouw van zestien die hanenpoterig cijfers in het fotopapier kerfde… en ik.’ Mia keert als volwassene jaarlijks terug naar Geldrop, de plaats waar haar vader ooit uit haar leven verdween. Die terugkeer heeft iets onvermijdelijks; niet voor niets begint het boek met het volgende motto van A.F.Th. van der Heijden: ‘Wie er zijn jeugd heeft doorgebracht, zit voor de rest van zijn leven in de armen van de octopus verstrikt. Je kunt er een loswrikken en dan nemen er onmiddellijk twee andere je in de accolade. Wat je voelt is de liefde van Geldrop voor jou: een dodelijke omhelzing.’

    Mijn kleine treinstationnetje

    Feit is dat Mia een verre van onbezorgde jeugd heeft gehad. Dat geldt eveneens voor haar oudere broers Thomas en Max, maar omdat het boek vanuit een ik-perspectief verteld wordt, krijg je daar minder van mee. Alle koosnaampjes die haar vader gebruikt voor Mia ten spijt (Mienemups, mijn kleine treinstationnetje), snakt Mia overduidelijk naar de onverdeelde aandacht van haar vader. Haar goudvissen noemt ze Papa en Mia. De moeder van Mia, Marjan, probeert vooral de boel bij elkaar te houden en dingen glad te strijken, zowel voor haar kinderen als voor haar echtgenoot en voor zichzelf. Zij blijft als personage helaas wat vlak.

    Wim, de vader van Mia komt ziek thuis te zitten wanneer de subsidie voor de Ward-methode (een methode voor zangonderwijs die vooral werd gebruikt op katholieke basisscholen) niet wordt verlengd, omdat de beloofde resultaten uitblijven. Tot dan toe was zijn gedrag al op zijn minst bijzonder te noemen, maar het verlies van zijn werk leidt ertoe dat hij zich eigenlijk alleen maar verder terugtrekt uit het gezinsleven en steeds meer onaangepast gedrag gaat vertonen. Mia reageert daarop door bijvoorbeeld niet meer in haar bed te slapen maar op de vloer in een kast. Ook krijgt ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor de seksuele ontwikkeling van haar eigen lichaam, later ook in relatie tot het andere geslacht. Ze wil ‘net zoveel varianten van mezelf kunnen zijn als Madonna in het clipje van ‘Who’s That Girl’.’ Haar vader wordt ondertussen steeds gewelddadiger. De hond heeft bijvoorbeeld plotseling een hersenschudding, en op de een of andere manier ziet Mia niet helder wat het aandeel van haar vader daarin is geweest. Daarnaast krijgt hij last van een bepaalde grootheidswaan en doet hij onverantwoord grote uitgaven voor zichzelf met het zorgvuldig door haar moeder bij elkaar gespaarde vakantiegeld. Ronduit onsmakelijk is de scène waarin Wim zichzelf met Mia opsluit in het toilet van een slaaptrein en vervolgens betrapt wordt door zijn vrouw, Mia’s moeder. Als lezer vraag je je steeds meer af wat er eigenlijk precies met deze man aan de hand is.

    Achterflap

    Op een gegeven moment verdwijnt Wim. Al eerder was hij een paar dagen spoorloos en kwam toch weer terug, maar op een gegeven moment is zijn verdwijning definitief. Ergens is het jammer dat op de achterflap al vermeld wordt dat dit het gegeven is waarom de roman draait en ook in de proloog wordt er al kort naar de verdwijning verwezen. Het boek zou echter krachtiger geweest zijn als de verdwijning meer als een verrassing gekomen was, omdat je nu best lang moet ‘wachten’ tot het zover is. Daarentegen is de druk waaronder het gezin gebukt gaat vanwege de psychische gesteldheid van de vader bijzonder goed weergegeven. De houding van Mia ten aanzien van haar vader wordt naarmate ze ouder wordt steeds kritischer, maar ze blijft ook loyaal.

    Het laatste deel van het boek, Het kind en ik, is verreweg het sterkste en meest indrukwekkend, omdat Mia daar als volwassene terugkijkt op wat ze als kind heeft meegemaakt. De aanloop naar dat laatste deel is best lang, je volgt op dat moment al zo’n ruim driehonderd bladzijden het weinige wel en het vele wee van de familie Compré, dat vlot, met humor en soms enige ironie wordt beschreven. Willemijn Tillmans is zonder twijfel in staat om de aandacht vast te houden, maar vraagt met de omvang van haar debuut zeker wat van de lezer. Al met al is Wonderkind toch een plezierige leeservaring.

     

  • Een luchtspiegeling, een onhoorbare roep

    Meteen in de eerste paar zinnen en op de eerste pagina’s van de debuutroman van de Amerikaanse interdisciplinair kunstenaar en schrijver Anne de Marcken wordt veel maar tegelijk ook weinig informatie gegeven. We lezen dat de ik-persoon de linkerarm is kwijtgeraakt. En dat ene Janice 2 hem heeft opgeraapt en meegenomen naar het hotel. De ik leeft in een nieuw bestaan, dat van een ‘ondode’ in een postapocalyptische wereld.

    Ene Mitchem, die zijn penis afbrak, zegt dat de ik-figuur rouwt. Om de arm én het leven. Mitchem blijkt een prediker te zijn, die vertelt dat ‘alleen de ondoden werkelijk de betekenis van het leven kunnen begrijpen’. Geen enkele hotelgast herinnert zich zijn/haar naam. De naam wordt ook, in tegenstelling tot de arm, niet gemist. De ik – die gaandeweg het verhaal een vrouw blijkt te zijn – vindt een overhemd dat zich makkelijk laat dichtknopen. Het is rood, van het bloed (?) van een man die de ik doodde en waarvan ze een been opat. Misschien om dichter bij diens of haar eigen pijn te komen, die te internaliseren?

    Dode kraai

    De ik vindt vervolgens een dode kraai en heeft daar in haar lichaam, onder de ribben, ruimte voor uitgesneden. Gewikkeld in het rode overhemd zit hij daar. Of is het slechts het gevoel daarvan, in de borst, dat kan worden omschreven als een kraai? De kraai zou dan kunnen staan voor de stem van de natuur in ons, als geweten. Natuur op de manier zoals de 18de-eeuwse Duitse filosoof Herder het verwoordde: als innerlijke kracht. De ik voelt hoe de kraai ‘daarbinnen een besluit neemt’, dingen voorziet. Zo heeft hij het over een hoed en even later gáát het ook over een hoed. Of over een taart, en even later worden er bessen geplukt.
    De ik stelt zich voor hoe de kraai naar beneden zou kijken en ziet wat zij ziet: ‘een ongeregelde groep guerilla-activisten’ die haar omsingelt en insluit in een net. Als was ze zelf een vogel. Ze gaan richting een open plek waar ze op de grond wordt neergelegd, een menigte haar omsingelt en op een gegeven moment ruimte maakt voor iemand in een overall. Ze wordt los gemaakt uit het net en ziet enkele hoge kruisen rondom de open plek staan. Aan de meeste hangt een onthoofd lichaam. De ik wordt ook onthoofd. Ze wordt ondersteboven opgehangen, zoals de apostel Paulus.
    Dan verschijnt een oude vrouw uit het bos die haar naar beneden haalt. Maar wat is ze nog, met één arm, geen hoofd en een holte onder het hart waarin de kraai zit? Ze verdwijnt in het water. Symbool voor zowel leven als dood.

    Verdriet

    Het gaat in dit boek niet om leven of dood, niet om iets of niets, echt of onecht, wel of geen arm. Het draait allemaal om verdriet. Dat honger eigenlijk verdriet is, of vraatzuchtige hoop. ‘Een luchtspiegeling. Die altijd wijkt. De zwarte zwerm achter mijn tanden.’ Verdriet is een tijdmachine, zoals een andere hotelgast, Marguerite, er een op het dak bouwt. Wanneer die in brand wordt gestoken ‘huilt ze alsof huilen zingen is’. Op het dak ‘duurt het eeuwig en dan is het voorbij’.

    Het boek wordt regelmatig vergeleken met Max Porters Verdriet is een ding met veren (2016). De kraaien in beide boeken verschillen echter wezenlijk van elkaar. Om te beginnen omhelst hij bij Porter ter kennismaking de ik-figuur, overal veren achterlatend. ‘IN JE REET, IN JE EIKEL, IN JE BEK.’ Maar niet in de hartstreek. Bij Porter is de kraai omgekeerd ‘een mythe om je in te hullen. Om je in te verhullen’. De kraai kijkt ook niet naar beneden, niet vooruit maar achteruit en zegt: ‘ACUUT TRAUMA-GEÏNDUCEERD COMA.’ De kraai fungeert hier als een psychiater en een huisvriend, wat wezenlijk anders is dan bij De Marcken die bovendien dieper reikt.

    Nouveau roman 2.0

    De formele overeenkomst is dat beide boeken uit veel witte tussenruimtes en korte, soms uiterst korte passages bestaan. Inhoudelijk is Porter minder hermetisch. Je zou het boek van De Marcken een nouveau roman 2.0 kunnen noemen, à la Janice 2. In zo’n roman is gebroken met tradities qua taal en vorm en wordt daarmee geëxperimenteerd. Er is geen verhaal of intrige, laat staan een plot, maar wel is er sprake van veel vervreemdingseffecten. Het gegeven van de kraai, waar De Marcken kortom een mooi en diepgaand spel mee speelt, is ook door andere schrijvers opgepakt. Soms al even metafysisch en minder experimenteel in het verhaal Zwartwaterkoorts in de gelijknamige verhalenbundel van Rascha Peper (2009).

    Als de roman van De Marcken dan toch ergens mee kan worden vergeleken, dan is het met een film als The Tree of Life van Terrence Malick. Vooral een begrip als ‘genade’ dat beiden bezigen als het postapocalyptische slot van deze film, doet denken aan de beschrijvingen van De Marcken. Je ziet er mensen als zombies, zoals de ik-figuur in het boek zichzelf ook beschrijft: ‘als de zombies uit een B-film – schijnbaar gedachteloos, toegevend aan een onhoorbare roep’, hoewel Malick zeker niet onder B-filmers kan worden geschaard.

    Dit kleine boek is een grootse debuutroman, mooi vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer, die al eerder gezamenlijk Gezelschap van Samuel Beckett vertaalden. Nog zo’n naam die dit boek oproept.

  • Zelfsabotage van de eeuwige flaneur

    De auteur van het kleine maar fijne ironisch genaamde Mes Amis en het daaropvolgende Armand was zijn hele leven bestemd om de ultieme einzelgänger te zijn. Zich niet thuis voelend in zijn eigen land noch bij andere mensen, kon niemand beter dan Emmanuel Bove (1898-1924) zo treffend de hunkering naar en het verloren gaan van vriendschap beschrijven. Zich uitputtend in kleine, bijna pietluttige details verwijdt hij onze blik tot we alles in ons opnemen. De eenzame man op het bankje, de overbezorgde moeder en de buurman die vandaag net iets later dan normaal de hond uitlaat. Achter het kleinste gebaar gaat een wereld van betekenis schuil in het marginale bestaan.

    De personages van Bove zijn geen makkelijke mensen, ze zijn behept met allerhande nukken en grillen die ze zelf soms nauwelijks begrijpen. Victor Bâton, de hoofdpersoon uit Mijn vrienden leeft van een kleine uitkering voor oorlogsveteranen en is een beetje mensenschuw geworden. De armoede maakt hem overgevoelig voor sociale verhoudingen waardoor hij zeer op zijn hoede is naar anderen toe. Dit wantrouwen komt tot uiting in verschillende tragikomische scènes waarin hij telkens weer een flater slaat of ten onder gaat aan misverstanden. Als eeuwige flaneur zwerft hij door de straten van een minutieus in kaart gebracht Parijs, waar hij zwelgt in spleen en zelfmedelijden. Het tedere en tegelijk wrange van menselijke interacties wordt door Bove meesterlijk uit elke situatie gepeuterd. Bâton zoekt zijn medemens maar vindt eeuwig en alleen zichzelf wanneer het weer spaak loopt.

    Sympathie voor de buitenstaander

    Wie hoopt op begrip van de schrijver voor de hoofdpersoon en bedrogen uitkomt is aan het juiste adres bij Bove. De smaak van mislukking loopt als een aperitief door zowel Mijn vrienden als Armand en het korte verhaal Een andere vriend. Uitgeverij Tzara heeft deze drie verhalen gebundeld als introductie tot het werk van Bove, de vertaling is van Wim Ver Elst. De ongelukkig uitgevallen aanvaringen van de hoofdpersonen van Bove vinden hun literaire echo in Knut Hamsun’s Honger en in de naamloze hoofdpersoon van Dostojewski’s Notities uit het ondergrondse. Om aan zijn kleurloze en trieste bestaan te ontkomen probeert Victor Bâton troost te vinden bij anderen, terwijl hij tegelijkertijd gebukt gaat onder het contact met zowel arme als rijke mensen. De alledaagsheid waarmee anderen hun dagelijkse boeltje regelen is hem vreemd, hun geluk wekt afgunst in hem en de misère van anderen veroorzaakt weer superioriteitsgevoelens. Deze tegenstrijdigheid en tegengestelde behoeften aan nabijheid en eenzaamheid zijn typisch voor hen die aan sociale isolatie lijden.

    Wat vaak zo aangrijpend is in het werk van Bove is de geruisloze sympathie met allen die lijden aan de verborgen kwalen van het leven. Hij heeft een fijnzinnige aandacht voor gebogen mondhoeken, trillende handen en laagjes stof op servies. Bij gebrek aan gemeenschapsgevoel worden zijn personages gevoelig voor de geringste vriendelijkheden, elke uitgestoken hand is een uitnodiging. Bove was als geen ander vertrouwd met dit leven, toen hij zelf als 17-jarige jarenlang in hotels uit zijn koffer leefde. Dat was voor hij op zijn 21e ontdekt werd door Colette en een gevierde schrijver werd.

    Bekende eenzaamheid

    Het is niets minder dan onversneden wanhoop die Victor Bâton doet verzuchten: ‘Ik wil zo graag een vriend, een echte vriend hebben, of een vriendin, bij wie ik mijn hart kan luchten.’ De lange stiltes wegen zwaar op hem, de onvermijdelijke verveling van lange dagen zonder iets om naar uit te kijken werken afstompend op zijn gemoed. Zijn eenzaamheid slaat ook regelmatig om in het verlangen om er niet meer te zijn. Als hij zich bijvoorbeeld bijna wil verdrinken in het tweede verhaal van Mijn vrienden. Vlak voor de huisbaas hem uitzet mijmert Victor: ‘Het is vreemd hoe alles verandert zonder jou.’ Het zijn die kleine terloopse zinnetjes die de ware inventaris vormen van de vereenzaming. Van woorden die zich jarenlang opgehoopt hebben, stellingen gebouwd van luchtkastelen, doorgeslikte tranen en teleurstellingen. Van toch weer aan je eigen lot overgeleverd worden als een onbewoond eiland. Is het vergeefse moeite om toch altijd weer het contact met anderen te zoeken? Dat lijkt de centrale vraag in Mijn vrienden en de vraag stellen is hem beantwoorden voor Bove.

    Armand vormt als het ware de spiegel van Mijn vrienden. In Armand treffen we een min of meer gesettelde familieman die terugkijkt op zijn jaren van armoede als hij zijn oude vriend Lucien bij toeval op straat treft. Armand is getrouwd met een vermogende vrouw en alles aan Lucien doet hem denken aan wie hij vroeger was, aan zijn onbehouwen manieren, zenuwtrekjes en hoe hij moest schrapen om de dag door te komen. Armands huwelijk lijkt minder stabiel dan hij dacht als een oude wrok weer oplaait en hij het gevoel heeft dat hij zich tegenover Lucien moet verantwoorden. De verhoudingen hier zijn subtiel anders dan in Mijn vrienden, maar de dynamiek is grotendeels hetzelfde. Het geluk van Armand voelt als toeval, zijn vroegere leven lijkt hem waarachtiger en als de zeepbel van het geluk doorgeprikt wordt resteert alleen de herinnering eraan.

    De stenen waar Bove’s hoofdpersonen over struikelen zijn voor anderen steentjes in de schoen. De verhalen in deze bundel zijn kostbare kleinoden gezien door het oog van de voorbijganger, indachtig de wandelaar van Rousseau een oude traditie. Zijn stem is even wezenlijk als die van een oude vriend, misschien is de titel dus minder ironisch dan hij lijkt. De lezers kunnen zich voor even Bove’s vrienden wanen. Gedeelde smart zou halve smart kunnen zijn, maar voor Bove leek het geluk niet weggelegd. Ondanks zijn redelijke succes en erkenning leek hij tijdens zijn leven de voorkeur te geven aan in de marges werken, ver van het spotlicht. Hij gaf weinig tot geen interviews en was zeer bescheiden over zijn metier. Op het eind van zijn leven glipte hij na een korte ziekte geruisloos de stilte in, alsof hij uit de coulissen kwam. De stilte waarin hij zichzelf terugvond of herkende. Die hem als een vriend verwelkomde. ‘Het leven was doorgegaan.’

     

     

  • Muziek als uitweg tegen armoede en onderdrukking?

    Met Kinderen van de straat is er een nieuw boek verschenen van Zilveren Griffel-winnaar Xavier-Laurent Petit. Deze Franse auteur schreef dit boek eerder dan het bekroonde boek De zoon van de berentemmer. In 2005 verscheen het in Frankrijk onder de titel Maestro! Nu ligt de Nederlandse vertaling van Maestro! ook in de winkel. En dat is een aanwinst. Dat Xavier-Laurent Petit kan schrijven wisten we al. Ook in Frankrijk won hij talloze prijzen. In Kinderen van de straat bewijst hij dat nog maar eens. Deze nieuwe uitgave leest als een trein. Het boek staat vol prettige, pretentieloze zinnen, die ook nog eens bijzonder lekker zijn vertaald (door Leny van Grootel). Begin erin te lezen en je laat het niet meer liggen. Het is een aangrijpend verhaal over dakloze en ouderloze, jonge kinderen die trachten te overleven in een dictatoriaal regime, waar de genadeloze macaco’s, de militaire politie, je zomaar kunnen oppakken.

    Leeftijd: 9+

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

     

  • Beperkingen en mogelijkheden van onze taal

    In De duistere winkel beschrijft Georges Perec hoe hij in oktober 1971 droomde dat zijn roman La Disparition, waarin de vijfde letter van het alfabet niet voorkomt, toch vol E’s stond die hij over het hoofd had gezien. Iets dergelijks overkwam Walter Abish na de publicatie van zijn Alphabetical Africa, de roman die eveneens rond een contrainte (een dwingende regel die de schrijver zichzelf oplegt) is opgebouwd, toen iemand hem op een feestje had verteld dat hij diverse keren de fout was ingegaan. ‘Dat meen je niet!’, schijnt Abish te hebben gezegd: ‘Mijn uitgever en ik hebben het boek keer op keer gecontroleerd op fouten!’ De contrainte van Abish is dat zijn roman van 52 hoofdstukken zodanig is opgebouwd dat het eerste alleen bestaat uit woorden die met een A beginnen, het tweede uit woorden met als eerste letter A of B en zo door tot hoofdstuk 26, waarna het omgekeerde gebeurt: er gaat nu in elk hoofdstuk weer een beginletter af in omgekeerde volgorde tot in het 52e hoofdstuk alleen weer de A overblijft.

    Vertaalbaarheid

    Bijzonder aan deze twee romans van Perec (uit 1969) en Abish (uit 1974) is dat ze allebei hun lettertoer uithaalden zonder dat ze elkaar(s werk) kenden – dat kwam later pas. Het ontzag voor ieders prestatie wordt nog groter als je bedenkt dat ze niet, zoals wij, digitale zoek- en controlemogelijkheden hadden, maar slechts pen en typemachine.
    La Disparition werd later in meer dan tien talen vertaald (in het Nederlands als ’t Manco), maar Alphabetical Africa tot nu toe slechts in het Duits. Daar is nu een Nederlandse editie bij gekomen: Alfabetisch Afrika. Vertaler is Guido van de Wiel die eerder ook voor ’t Manco tekende. Je moet ook wel een beetje gek zijn om die uitdaging aan te gaan. Toen Van de Wiel in een essay over vertalen las dat met de roman van Abish ‘de grenzen van de vertaalbaarheid’ waren bereikt wist hij meteen wat hem te doen stond.

    Alfabetisch Afrika gaat in het kort over een roofmoord op een juwelier in Antibes, waarvan in eerste instantie twee mannen, Alex en Allen, en een vrouw Alva, als verdachten worden gepresenteerd. Gaandeweg blijken er meer betrokkenen te zijn, waaronder Koning(in) – ze wordt zowel vrouwelijk als mannelijk voorgesteld – Quat en de verteller van de roman. De zoektocht leidt naar Afrika, niet alleen omdat de geroofde juwelen daar terecht zijn gekomen, maar ook omdat Alex en Allen de daar verblijvende Alva willen veroveren. Deze Alva lijkt uiteindelijk te trouwen met de verteller, die bovendien de auteur van het boek blijkt te zijn dat we zojuist hebben gelezen.

    Litanie

    Het is een dun en af en toe verwarrend verhaal. Maar daar is het Abish ook niet om te doen. Het belangrijkste aan Alfabetisch Afrika is hoe dat verhaal verteld wordt. Abish wil vooral laten zien hoe ons belangrijkste communicatiemiddel, de taal, ons bespeelt. Hij doet dat door de verteller en daarmee de lezer stap voor stap een letter beschikbaar te stellen en hen er in het tweede deel van het boek steeds weer van een te beroven. Dat is niet de enige contrainte die Abish zich oplegde. Hij laat ook elk hoofdstuk beginnen met de letter die beschikbaar komt of weer verdwijnt. Dat doet iets met onze perceptie van de informatie die we krijgen.
    Bovendien bouwt hij nog kleinere opgelegde spelletjes in: we treffen in Alfabetisch Afrika (vaak alfabetische) opsommingen: in het hoofdstuk waarin de S voor het laatst mag worden gebruikt lezen we hoe de koningin twee pagina’s lang weeklaagt in woorden die allemaal beginnen met een S voorafgegaan door ‘same’ of in vertaling door ‘saai’; een bijna hallucinerende litanie van klachten over het aankomende verdwijnen van die letter. Verder zijn er de talloze alliteraties en intertekstuele verwijzingen, zoals naar Heart of Darkness van Joseph Conrad dat eveneens gaat over een indringing in Afrika.

    Geheugenverlies

    Tot slot laat Abish op een soms komische manier zien hoe slecht wij Afrika echt kennen. Die wetenschap is gebaseerd op het beeld dat we ons hebben gevormd van het continent; van het echte Afrika weten we bar weinig. Daarom wemelt het in de roman van kaarten en plattegronden, maar ‘de kaart is niet het gebied’, schrijft vertaler Van de Wiel in zijn zeer informatieve Nawoord.

    Het verhaal van de moord op de juwelier en de jacht van Alex en Allen op Alva in Afrika staat geheel in dienst van de contrainte in de roman. In het eerste deel komen er met de groei van het aantal beschikbare letters steeds meer Afrikaanse landen bij en groeit de informatie. In de tweede helft gebeurt het omgekeerde. Dat loopt uiteindelijk uit op steeds meer destructie: delen van Afrika, en uiteindelijk steden en gebouwen worden vernietigd terwijl op metaniveau de beschikbare taal steeds meer wordt ontmanteld. Naast die inkrimping van het continent Afrika krijgen de protagonisten steeds meer te maken met geheugenverlies. Dat wordt bovendien verbeeld door de grote rol die agressieve mieren spelen. In het Duits heten die Ameisen, het woord dat Abish ook gebruikt. Met opzet, want het is een anagram van amnesie.

    Moet het schrijven van Alphabetical Africa al een halsbrekende onderneming zijn geweest voor Abish, dat geldt nog meer voor een vertaling. Guido van de Wiel heeft zich soms met ware Houdini-acts moeten redden. Dat heeft hij bewonderenswaardig gedaan. Om een idee van de problemen te geven: Abish heeft al in hoofdstuk A het lidwoord ‘an’ beschikbaar, maar de vertaler kan ‘een’ pas gebruiken in hoofdstuk E. Daar staat weer tegenover dat hij ‘de’ al kan inzetten in hoofdstuk D waar Abisch dat pas in hoofdstuk T (‘the’) kan. Toch blijft dat voor de vertaler een beperking want als dit lidwoord in het oorspronkelijke werk niet voorkomt heeft de vertaler die ruimte alsnog niet.

    Tweetalig

    De beperkte beschikbaarheid van de letters bepaalt daarnaast hoe het verhaal verteld kan worden. In de hoofdstukken A tot en met H is steeds sprake van ‘auteur’. Dan is nog niet duidelijk dat hij dezelfde is als de verteller. Dat blijkt pas in hoofdstuk I, waar zowel Abish als Van de Wiel verder kunnen gaan in de eerste persoon: ‘I’ in het Engels en ‘ik’ in het Nederlands. Nog verder in het verhaal kan zijn aandeel in de moord op de juwelier worden verteld.

    Guido van de Wiel ging bij zijn vertaling acribisch te werk. In twee uitgebreide logboeken gaat hij uitvoerig in op thema’s en achtergronden van Abish en zijn werk en verantwoordt hij zijn vertaalkeuzes zeer precies, compleet met alternatieven en argumenten om die wel of niet te gebruiken. Een voortreffelijke keuze is dat Alfabetisch Afrika tweetalig is uitgegeven zodat alle vertaalvondsten direct controleerbaar zijn. Van de Wiel noemt in die logboeken onder andere 101 plaatsen waar Abish per ongeluk tegen zijn eigen contrainte in is gegaan: hij gebruikt bijvoorbeeld het voorzetsel ‘in’ al vóór hoofdstuk I in de eerste helft en na hoofdstuk I in de helft waarin letters verdwijnen.
    Deze logboeken zijn op internet gratis te downloaden.

    Liefhebbers van werken van OuLiPo-ers (de werkplaats voor potentiële literatuur) waarvan Perec lid was maar Abish niet, hebben met Alphabetical AfricaI een vergaand voorbeeld van wat deze literatuur vermag. Van de Wiel noemt het zelfs ‘het meest oulipiaanse werk dat er bestaat zonder te zijn vervaardigd door een OuLiPo-auteur’.

     

  • Stoeptegels en de mossen daartussen

    Een kelder, tochtig, vochtig, de geur van grond. Veronika, de hoofdpersoon van Emy Koopmans De vrouw in de kelder heeft zich er teruggetrokken. Stiekem ook nog. Tegen familie, vrienden en bekenden heeft ze gezegd dat ze bergen gaat beklimmen in de Schotse Hooglanden. Met een vriendin (‘Nee, je kent haar niet’). ‘Isolatie verandert van verstikkend in bevrijdend als je zelf degene bent die de deur dichttrekt, maar krijgt dat maar eens uitgelegd,’ vertrouwt ze de spraaksoftware toe. Haar rechterhand en -arm, die ze nodig heeft om dat te doen waar ze goed in is — tekenen — hebben het laten afweten: tintelingen, pijn, verkramping.

    Terwijl de software Veronika beter leert kennen, haar woordkeuze, de constructie van haar zinnen, en steeds minder fouten maakt, wordt langzaam duidelijk wat ze in die kelder doet. In ogenschijnlijk associatieve maar uiterst gecontroleerde kringetjes vertelt ze over haar haar misgelopen relaties, ze van alle kanten bekijkend. Het gaat niet alleen om de relatie met haar nogal intimiderende vader en haar (voormalige) vriend, maar ook om die met haar lichaam, dat ziek werd, en haar kunst, het tekenen dat haar lichaam niet langer kan opbrengen. En dat alles aldoor in de kelder, waar ze door de piepkleine raampjes de stoeptegels zou kunnen zien, en de mossen daartussen, als ze de gordijnen niet angstvallig gesloten hield.

    Terugblikken om vooruit te kunnen

    De eerste zestig bladzijden vertelt Veronika in de tegenwoordige tijd, op een toon alsof de lezer zelf de spraaksoftware is. Wat volgt, voelt als één lange terugblik ondanks de korte onderbrekingen waarin we ons realiseren dat Veronika nog altijd in haar kelder zit. Dat is meteen waar het wringt: vrijwel alle gebeurtenissen zitten in de terugblik, een verhaal van kindertijd tot nu. Niet alleen blijft lang onduidelijk waarom Veronika in de kelder is afgedaald, eenmaal daar beneden gebeurt er zo weinig dat je je kunt afvragen of er voor haar genoeg aanleiding is om aan het einde van het boek weer bovengronds te komen. Dat neemt niet weg dat de terugblik zelf vol prachtige maar ook schurende beschrijvingen zit, zoals die van de schaamte van een kind voor haar vader.

    ‘Ik had een vader voor wie ik me, tot mijn eigen schaamte, schaamde. Ik schaamde me, als iemand anders het zag, hoe nors en lomp hij kon zijn. Ik schaamde me, als hij mij in de aanwezigheid van een vriendinnetje trutje noemde. Als hij mij hard in mijn bovenarm kneep, bij wijze van liefkozing. En al helemaal als hij een van mijn vriendinnetjes hard in hún bovenarm kneep.’

    Het laatste, vijfde deel, van het boek bestaat uit tien pagina’s. Het is zomer, Veronika werkt met Renée, de ene helft van het vrouwelijke stel dat in het huis boven de kelder woont, in de tuin. Ze plukken blaadjes van de bosaardbei en de kleine veldkers om er pesto van te maken. Tien ‘groene’ bladzijden na de vochtige duisternis van de kelder. Een hoopvol, bijna traditioneel, einde dat misschien wat verontrust. De vraag rijst welk verhaal Koopman ons eigenlijk heeft verteld. Veronika’s leven is een aaneenschakeling van gebeurtenissen die haar zijn overkomen en mensen die haar, op zijn zachtst gezegd, niet altijd met even veel mededogen behandelden, wat ze simpelweg ondergaat. Dat eenzame opsluiting daar een reactie op is valt nog te verteren. Als transformatieve handeling overtuigt het helaas niet. 

     

  • Geuren uit zijn parfumcollectie

    Met Vissertjes voegt Pjeroo Roobjee (1945) op tachtigjarige leeftijd een nieuw hoofdstuk toe aan een oeuvre dat zich nooit in hokjes liet dwingen. De lancering van de roman vond plaats in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde en was meer dan een gewone boekpresentatie; ze onderstreepte een kunstenaarschap dat zich consequent heeft verzet tegen vormdwang en verwachtingspatronen. Roobjee is zowel beeldend kunstenaar als schrijver en blijft zich onttrekken aan literaire conventies. Hij volgt geen traditie en flirt niet met vorm. Hij slaat het bord kapot en laat de scherven voor zich spreken.

    De roman begint niet met een vertrouwd of klassiek uitgangspunt, maar met een ontregelende scène. Op Paaszondag 1992 staat er plotseling een zwarte tiener voor de deur van Joël Troch, die hem zonder aarzelen aanspreekt als haar vader. Of dat inderdaad waar is, blijft in het ongewisse. In plaats van een zoektocht naar de waarheid, ontvouwt zich een grillige stroom van zijpaden en absurde dialogen tussen Joël en andere personages, waarin de schaarse houvast telkens weer verdwijnt. 

    De roman als structuurloze ervaring

    Joël Troch is een mislukte schrijver en noemt zichzelf een ‘filosoof van het chique nietsdoen’. Hij laat zich meevoeren door de tijd, maar we leren weinig van hem zelf. Zijn verleden komt in fragmenten, vaak getriggerd door geuren uit zijn parfumcollectie, maar blijft vluchtig en onvolledig. Deze zintuiglijke flarden – melancholisch, woedend of absurd – vormen geen klassieke vertelscènes, maar vage indrukken die geen dieper inzicht in zijn karakter geven. Wat rest is een man die zich liever verliest in de tijd dan zich te verhouden tot zijn eigen bestaan.

    Tijd, ruimte en perspectief verschuiven voortdurend. Personages verschijnen, spreken en verdwijnen. Wat belangrijk is, is niet wie ze zijn, maar wat ze zeggen. De roman bevat scherpe zinnen, poëtische erupties en conversaties die soms op het randje van het onbegrijpelijke balanceren. Het resultaat is een ervaring in plaats van een traditioneel verhaal. Deze ervaring kan verwarrend, veeleisend en soms frustrerend zijn. Joël zegt het zelf duidelijk: ‘Er zal in mijn geschrijf geen actie vindbaar zijn, geen dramatische situaties of psychologische conflicten. Ik zal mijn personages, die geen duidelijk omlijnde individualiteit zullen hebben en vaak zelfs niet over een naam zullen beschikken, aan het woord laten of, hinkend op twee gedachten dub ik daar wreed over, snoer hen knakaf de mond.’ Dit sluit perfect aan bij de roman die je leest.

    Satire met scheermesranden

    Temidden van deze stilistische ontregeling klinkt scherpe maatschappijkritiek. Roobjee spaart niets en niemand. Het holle jargon van de zelfhulpcultuur, het opgeblazen media-intellectualisme en de oppervlakkige schijn van maatschappelijke betrokkenheid worden genadeloos gefileerd. De ironie is niet luchtig maar duister, bijtend en confronterend. De wereld die Roobjee schetst is kil en op drift: ‘in deze tijd die vanzelfsprekende moordlust en bloedvergietende eigenliefde als de meest vertrouwde emoties promoot en de dwingelandij van de opengetrapte deuren der staathuishoudkundige opiniefabriek.’ 

    Toch wringt er iets in de manier waarop Roobjee zijn personages neerzet. De groteske overdrijving roept vragen op over de bedoeling en de impact ervan. Bijvoorbeeld de oversekste nicht, wiens seksualiteit op een overdreven en karikaturale manier wordt gepresenteerd, of de verstandelijk beperkte man die als lustobject wordt afgeschilderd. Daarnaast is er het zwarte pubermeisje, dat meer fungeert als een symbolische projectie dan als een volwaardig personage met eigen diepte en autonomie. Deze figuren lijken vooral bestaande stereotypen te bevestigen in plaats van ze te ondermijnen of kritisch te bevragen. Daardoor dreigt de betekenis van de satire te verdampen, omdat het onduidelijk wordt waar de spot precies op gericht is en wat er wordt bekritiseerd.

    Een treffend voorbeeld hiervan is de reactie van Joëls moeder op het bezoek van de zwarte tiener. Ze zegt: ‘Wat gaan de mensen daar weer van zeggen?!’ gevolgd door: ‘En de familie?! Om nog maar van de kennissen en variabele relaties te zwijgen?! Eerst die averechtse doeningen met jongens en mannen en nu dat geval met die vuile dweil van een zwart schandaal!’ Met deze woorden legt Roobjee iets bloot over de sociale hypocrisie en de bekrompenheid binnen de gemeenschap. Tegelijkertijd blijft het echter onduidelijk wie precies het mikpunt van de spot is: is het de moeder zelf, de gemeenschap, de zwarte tiener, of de vooroordelen die allemaal onder de oppervlakte spelen? Deze ambiguïteit maakt het lastig om de satire eenduidig te interpreteren.

    Een zeldzaam moment van stilte

    Juist om die reden vallen de contemplatieve hoofdstukken op. Wanneer Joël zich herinnert hoe hij met zijn vader ging vissen of met zijn grootvader de markt bezocht, daalt het tempo. Ironie maakt plaats voor verwondering, zinnen ademen, beelden resoneren. De geur van paling, het klotsen van water – het zijn sobere details die zonder effectbejag ontroeren.

    In die passages verkiest Roobjee precisie boven overdaad. Hij laat zien dat zijn stijl, hoe explosief die ook is, ruimte kan maken voor tederheid. Joëls verlangen om opnieuw ‘vissertje’ te zijn – klein, verbonden, onschuldig – raakt aan een dieper verlies. Hier is de roman geen daad van opstand, maar een poging tot verzoening met het verleden.

    Vissertjes is geen roman die de lezer uitnodigt, maar eerder uitdaagt. Het roept op tot herlezing en weerstand, met een ongrijpbaarheid die zowel intrigeert als verwart. Roobjee lijkt meer geïnteresseerd in de botsing dan in betekenis, schrijft om te verstoren en gelooft dat literatuur een ruimte moet zijn waar conflict en spanning kunnen ontstaan. Of deze spanning iets opent of juist muren opwerpt, blijft onduidelijk. Wat echter onmiskenbaar is, is de compromisloze aard van het werk. Wie zich er niet in kan vinden, valt niets te verwijten, maar wie zich eraan overgeeft, ontdekt een eigenzinnige stem die de lezer niet gemakkelijk loslaat.

     

  • Lastige dilemma’s voor jonge mensen

    Kenners weten dat Wilma Geldof een patent heeft op aangrijpende verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Voor Elke dag een druppel gif kreeg ze de Thea Beckmanprijs en ook Het meisje met de vlechtjes won internationale prijzen. Ze schrijft daarnaast nog vele andere jeugdboeken, maar ook dit keer gooit ze weer hoge ogen met een young adultroman die een apart thema belicht van de Tweede Wereldoorlog. Het meisje dat er niet mocht zijn wordt nu al verplichte literatuur voor het voortgezet onderwijs genoemd.

    […]

    Het meisje dat er niet mocht zijn is zowel inhoudelijk als stilistisch een pareltje. Geldof heeft hiermee een docuroman geschreven die een duidelijk licht werpt op de soms moeilijke keuzes die mensen tijdens de oorlog (moeten) maken. Ook de vorm waarin ze haar verhaal brengt, is grandioos. Afwisselend brengt ze het verhaal van Ditte en Nora, en merken we het verschil tussen mensen die hun verleden willen ontdekken en zij die het willen verbergen.

    Lees de hele recensie op Jong Literair Nederland.

    Leeftijd: 15+

  • Dolend in de eindtijd

    Libris Literatuurprijswinnaar (2020, Uit het leven van een hond) Sander Kollaard schreef de kloeke roman Einde Verhaal, die veel dikker en groter qua thema is dan zijn vorige boeken. Van de lezer wordt veel gevraagd. Hij moet zijn aangeboren of ingebouwde ‘reality check’ thuis laten, zoals vaker tegenwoordig want in steeds meer boeken wordt met speculatieve fictie de wereld van nu geduid. Niet per se via een afschrikwekkende dystopie, maar met een beschrijving van een ‘onmogelijke wereld’. Een goed voorbeeld daarvan is het succesvolle Gebied 19 van Esther Gerritsen over een nieuwe, onbekende planeet waarnaar een deel van de mensheid wordt getransporteerd.

    Einde verhaal heeft als hoofdpersoon aartsengel Astoreth die naar de aarde is afgedaald met een missie. Die missie is de strijd aanbinden met God en de Bijbel, hier de Schrijver en zijn Boek genoemd. Astoreth transformeert daarbij geleidelijk tot mens. Het uiteindelijke doel van zijn strijd is het weerleggen van de notie dat dat Verhaal van het Boek de uiteindelijke waarheid en het ultieme verhaal zou zijn. Astoreth noemt dat een ‘narratieve guerilla’. Hij gelooft niet in één, vaststaand Einde Verhaal. Daar moet de wereld voor worden behoed en daarom is de gevallen aartsengel begonnen met het schrijven van zijn eigen verhaal. Hij begint daarmee ‘in de duisternis van een supermarktmagazijn in Eslöv, op die betonnen vloer, tijdens de uren of dagen of weken die ik daar lag’. De kernzin van het boek is: ’Het groeide uit het simpele besef dat geloof een poging is om elk ander verhaal te overstemmen.’ Tegelijk is Astoreth bescheiden over zijn eigen pretenties: ’Ik ben een lezer, geen schrijver, dus het kan zijn dat mijn verhaal klinkt als een valse kraai, maar dat is het punt niet: als het maar klinkt.’

    Prozaïsche tocht

    Kollaard situeert zijn roman in de Eindtijd die net is begonnen en overal in de wereld tot onzekerheid en chaos leidt. Astoreth valt op aarde neer, verliest daarbij zijn vriend Areopatigica, maar wordt min of meer liefdevol opgevangen door een bont gezelschap dat voor de eindtijd op de vlucht is. Van een onder water lopend en verdrinkend Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, vlucht het gezelschap naar het Zweedse platteland, waar Kollaard zelf woont.

    Van die vlucht maakt Astoreth een eigen verhaal over de apocalyps, wat niet dat van het Bijbelboek Openbaringen is, met zijn apocalyptische ruiters en het hemelse Jerusalem met straten van goud. Integendeel, Astoreths verhaal is een nogal prozaïsche tocht vol ontberingen van Nederland naar Zweden, vol spannende avonturen. Vol onwaarschijnlijkheden ook, maar ja wat zijn hier onwaarschijnlijkheden?

    Dus schrik niet van mensen die opstaan uit de dood, van een nogal aparte hond met menselijke eigenschappen en een sprekende zeug. Verwonder je niet over de wonderbaarlijke belevenissen onderweg in het gammele busje dat van Nederland miraculeus in Zweden belandt. Waarom Zweden? Omdat het bonte gezelschap waarin Astoreth terechtkomt bestaat uit een gepensioneerde Zweedse politie-inspecteur, diens zuster en een opstandige dochter: Otto, Greet en Erin. De chauffeur van het busje is een jonge schilder, Gustav, die op zoek is naar zijn in Nederland vermoorde zus, lange afstandszwemster Jonna. Ze wordt gevonden en haar as gaat mee om op het Zweedse platteland te worden verstrooid.

    Rolmodel

    Astoreth zelf muteert onderweg van engel naar mens. Zijn vleugels verdorren, zijn lichaam krijgt vorm, tot en met zijn onderlijf, wat de interesse van dochter Erin opwekt. Alle hoofdpersonen in het verhaal zijn een afzonderlijke combinatie van lichaam en geest. Er zijn enerzijds denkers en tobbers en anderzijds mensen die hun lusten en instincten volgen. Otto is de ratio. ‘Otto’s zucht naar orde had veel van een geloofsartikel, een essentieel principe dat zijn bestaan zin en substantie gaf. Orde betekende leven: een orde van spul dat zichzelf aan de gang houdt, van verandering die behoud betekent, zo lang het duurt natuurlijk.’ En zo heeft iedereen in het groepje mensen (en dieren) dat door de Eindtijd trekt een eigensoortig, soms heel eigenaardig karakter. Astoreth plooit zich daar makkelijk in en vormt voor de groep een interessant rolmodel om zich aan te spiegelen, zeker in de barre tijden van de apocalyps. Tegelijk leert Astoreth veel van de mensen op aarde bij zijn eerste ontmoeting met een voor hem nieuwe soort. De enige die de relatieve vrede in de dolende groep midden in de Eindtijd verstoort is de orthodoxe en ‘true believer’ aartsengel Gabriël. Hij probeert met alle middelen, waaronder opsluiting, Astoreth op het rechte pad van het geloof te houden.

    Het boek draait behalve om de Eindtijd en het al dan niet ene Verhaal om de omgang van de groep zwervende mensen met Astoreth, die zelf ook op zoek is naar wie hij is. Die omgang was niet vanzelfsprekend. ‘Het had me veel moeite gekost om Otto, Greet en Erin ervan te overtuigen wie en wat ik was. Nadat ik ze mijn vleugels had laten zien, meteen al, tijdens de maaltijd met de linzensoep, waren ze weliswaar bereid om te luisteren naar mijn onwaarschijnlijke verhaal, maar niet om het te geloven. Ik kon het ze moeilijk kwalijk nemen: ik beweerde een uit de hemel gevallen engel te zijn, als onderdeel van een grotesk verhaal, en inmiddels in de greep van een proces van menswording dat ook voor mijzelf een raadsel was.’ En dan volgt een cruciale dialoog met de rationele Otto. ‘”Ik wil je best geloven” had Otto gezegd, “maar ik zou geholpen zijn met wat feiten.” Ik deed mijn best. Ik vertelde over de hemel en mijn taken (…) maar hij werd met elk feit onrustiger, logisch natuurlijk want de feiten die ik hem gaf waren meer dan onbegrijpelijk – ze waren onmogelijk.’

    Af van somber doemdenken

    De bijzondere tocht van dit samengeraapte groepje mensen, de ‘extended family’, eindigt in een nog vredig, bijna idyllisch Zweeds dorpje, vredig vergeleken met de desolate gebieden waardoor de reis zich voltrekt, met hier en daar een dode. ‘De zon schijnt. De vensterbanken in de salon staan vol met zaailingen: sla, tomaat, prei, pompoen. De tuindeuren staan open. Ik hoor vogels, het geblaf van Schele en het geluid van de schop waarmee Otto het voor hem bestemde graf dichtgooit – in een hoog tempo als demonstratie van herwonnen vitaliteit.’ En net als wat tijdens de tocht gebeurde voelt Astoreth een aards verlangen naar liefde.

    Zijn verhaal is ten einde en de lezer beseft dat het einde der tijden misschien wel dichtbij is. Gelukkig zijn er losse eindjes. Dit is de eindtijd, maar misschien ook niet. Het eind van het verhaal is niet eenduidig, maar meerduidig. Einde Verhaal is een bijzonder boek, waarvoor je je bril van de ratio en geloof in de waarheid af moet zetten. Misschien is het wat te gecomponeerd, maar het is ook meeslepend geschreven, met bizarre avonturen van menslievende mensen met ruwe kanten. Toch blijven ze een gemeenschap vormen en de aartsengel Astoreth wordt geïnspireerd door die gemeenschap, maar helpt hen ook af van het sombere doemdenken dat bij een bepaalde manier van geloven hoort. Misschien schetst Kollaard wel het paradijs op aarde, daar op het hem bekende Zweedse platteland en wil hij ons de kans geven daarvan mee te genieten. Er is hoop, bedoelt Kollaard, ondanks alle sombere voorspellingen over het einde van de planeet, en hoop doet leven.