• Hero Hokwerda over Griekse literatuur en Nikos Kazantzakis

    Gesprek met een toegewijd vertaler

    Terwijl bijna iedereen Homeros kent of tenminste van zijn Ilias en Odyssee gehoord heeft, is de moderne Griekse literatuur voor de meeste lezers onontgonnen gebied. De dichter Konstantínos Kaváfis geniet enige bekendheid en vanwege Zorba de Griek doet de naam Nikos Kazantzakis ook nog wel een belletje rinkelen, maar dan houdt het voor velen op.
    Hero Hokwerda probeert daar als vertaler al bijna veertig jaar verandering in te brengen. Sinds 1979 heeft hij meer dan vijftig Griekse schrijvers in Nederland geïntroduceerd. Recent verscheen Kapitein Michalis, zijn derde (her)vertaling van een roman van Nikos Kazantzakis.


    Net als hun collega’s in de meeste West-Europese landen zijn Nederlandse uitgevers nooit uitzonderlijk geïnteresseerd geweest in de moderne Griekse literatuur. Terwijl die literatuur volgens vertaler Hero Hokwerda (1949) het ontdekken meer dan waard is. ‘Zij is mooi en zij heeft iets te zeggen.’

     

     

    Leuren met literatuur

    Hokwerda droeg veel van de titels die hij vertaalde zelf aan bij potentiële uitgevers. ‘Het is niet zo dat uitgevers bij mij op de stoep staan met boeken die ze vertaald willen hebben. Ik moet er zelf achteraan zitten en ermee leuren.’ Niet al zijn keuzes en aanbevelingen bleken bij uitgevers in de smaak te vallen: ‘Dode schrijvers verdwenen van de stapel, verhalenbundels waren niet in trek: er bleef al snel niets meer over.’

    ‘Of een uitgever zelf iets met Griekenland heeft, is vaak doorslaggevend. In de tijd dat Maarten Asscher directeur was bij uitgeverij Meulenhoff kostte het relatief weinig moeite om daar belangstelling te wekken voor een roman of voor verhalen.’ Toen Maarten Asscher vertrok, bleek Meulenhoff zelfs geen belangstelling meer te hebben voor de al voltooide vertaling van de novelle Gioconda van Nikos Kokantzis, waarvoor het contract al getekend was.
    Gioconda werd vervolgens de kern van een bloemlezing – Gioconda. De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Een bloemlezing – die in 2004 verscheen bij Ta Grammata, een uitgever die nadrukkelijk ‘het bevorderen van de kennis van en liefde voor de Griekse literatuur in het Nederlands taalgebied’ tot doel heeft. Hokwerda is als redactiesecretaris en vertaler nauw betrokken bij het fonds.


    Grote Griekse thema’s

    Hoewel Hero Hokwerda klassieke talen studeerde, heeft hij zich altijd gericht op het moderne Griekenland. Hij ziet het hedendaagse Griekenland niet als een uitloper van de klassieke oudheid en moderne schrijvers niet alleen maar als erfgenamen van Homeros, maar hij realiseert zich dat velen dat onderscheid tussen historische tijdperken niet maken en dat de Grieken zelf hoe dan ook een speciale band met de oudheid hebben, alleen al door de taal en doordat zij in hetzelfde gebied wonen.
    Hokwerda is kieskeurig als het gaat om de boeken die hij vertaalt: ‘Ik wil boeken vertalen die iets over Griekenland zeggen. Die inzicht geven in hoe Grieken hun land en hun verleden beleven, én hoe ze omgaan met de uitdagingen van de tegenwoordige tijd.’

    Dat betekent dat hij bijna automatisch uitkomt bij romans en verhalen over onderwerpen die een belangrijke rol spelen in de recente Griekse geschiedenis: de beide wereldoorlogen, de ‘Grote Catastrofe’ in 1922, toen de Turken Izmir veroverden en de Griekse bevolking de stad en Turkije moest verlaten, en de Griekse Burgeroorlog (1946-1949).
    Hoewel er in zijn ogen geen Grote Griekse Roman verschenen is over één van deze onderwerpen – ‘misschien zitten ze daarvoor te vast in hun verleden’ – zou Hokwerda graag Η ζωή εν τάφω (‘Leven in het graf’) van Stratis Myrivilis (1890-1969) vertalen. ‘Je kunt die roman zien als de Griekse equivalent van Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Het gaat over de loopgravenoorlog op de Balkan.’
    Ook Το Κιβώτιο (‘De kist’) van Aris Alexandrou (1922-1978) verdient het om vertaald te worden. ‘In deze roman krijgt tijdens de Burgeroorlog een groep partizanen de opdracht een kist met iets belangrijks van a naar b te verslepen. Aan het eind van hun “overlevingstocht” blijkt de kist leeg. Het is een existentialistische roman. De vrijdenker Alexandrou beperkt zich niet tot een eenzijdig beeld van de burgeroorlog.’
    Of die vertalingen er komen, hangt ook weer af van de bereidheid van een uitgever om een financieel risico te nemen, want ‘eigenlijk kan het publiceren van vertaalde Griekse literatuur niet uit’.
    Dat de Griekse overheid het vertalen van Griekse literatuur niet langer financieel ondersteunt, speelt daarbij een rol. ‘Het wachten is nog steeds op de herstart van wat je het “Grieks letterenfonds” zou kunnen noemen.


    Eerste integrale vertalingen Kazantzakis’ drieluik

    Voor het idee om drie romans van Nikos Kazantzakis (1883-1957) opnieuw te vertalen, vond Hero Hokwerda in Koen van Gulik van Wereldbibliotheek – daar verscheen in het verleden al werk van Kazantzakis – een geïnteresseerd uitgever. Van Gulik kende Kazantzakis uit de boekenkast van zijn ouders.
    Het recent verschenen Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) (1955, vertaling 2018) vormt samen met Leven en wandel van Zorbás de Griek (1946, vertaling 2015) en Christus wordt weer gekruisigd (1952, vertaling 2016) een drieluik. In tegenstelling tot vroeger werk van Kazantzakis gaan deze romans over ‘echte, levende mensen en niet langer in de eerste plaats over abstracte ideeën’.
    De drie romans werden eerder – door verschillende vertalers voor verschillende uitgeverijen – vertaald in het Nederlands, maar Hero Hokwerda is de eerste die Βίος και Πολιτεία του Αλέξη Ζορμπά, Ο Χριστός Ξανασταυρώνεται en Ο Καπετάν Μιχάλης rechtstreeks op basis van de definitieve, integrale tekst uit het Grieks vertaalde.

    Dat het werk van Kazantzakis aanvankelijk via een omweg de Nederlandse lezer bereikte, lag niet alleen aan het feit dat er – ook toen, in de jaren vijftig en zestig – maar weinig Nederlandse vertalers het Nieuwgrieks machtig waren. ‘Zeventig jaar geleden werd er toegewerkt naar de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Nikos Kazantzakis. Kazantzakis werkte daar graag aan mee. Hij vond het eigenlijk niet meer dan terecht dat hij die Nobelprijs zou krijgen.
    Met name Max Tau, een Duits-Noorse literair agent, spande zich in om het werk van Kazantzakis in allerlei West-Europese talen vertaald te krijgen. Daartoe stelde Kazantzakis vaak nog voorlopige versies van zijn romans beschikbaar. Die nog niet definitieve teksten werden in het Duits vertaald, en daaruit weer in het Engels en Zweeds, en via die vertalingen in het Nederlands.’

    Wie die eerste vertalingen van H. Edinga, André Noorbeek, H.C.M. Edelman vergelijkt met die van Hokwerda zal de nodige verschillen opmerken. Die zijn niet alleen maar terug te voeren op het via-via vertalen en de inzichten en gekozen oplossingen van de diverse vertalers – Hokwerda: ‘met name de Zweedse vertaler heeft het nodige toegevoegd en weggelaten’, maar dus ook met de nog onvoltooide staat waarin de romans die vertalers bereikte.

     

    De tale Kazantzakis’

    Nikos Kazantzakis behoort tot de toonaangevende schrijvers van Griekenland, maar de houding van het Griekse (lezers)publiek is ambivalent. ‘Hij wordt veel vereerd, voor sommigen is hij zelfs een goeroe, maar moderne Grieken kunnen ook moeite hebben met de toeristische en folkloristische sporen die het gevolg zijn van het succes van Zorba de Griek, de film van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn als Alexis Zorbas. Al Kazantzakis kan er natuurlijk niets aan doen dat al die taverna’s voor toeristen “Zorbas” heten. En in de roman zit zoveel meer dan in de film.’

    Een vanuit literair oogpunt belangrijker bezwaar dat tegen Nikos Kazantzakis ingebracht wordt, is zijn taal. Kazantzakis gebruikte de Kretenzische variant van de dimotikí, de op de spreektaal geënte versie van het Grieks. ‘In de vertaling is dat makkelijk. Dan hoef je je niet aan zijn Kretenzisch gebonden te voelen. Ik vertaal zijn Kretenzisch in gewoon Nederlands, maar Grieken zitten wel vast aan de taal van Kazantzakis.
    Die taal was in zijn tijd modern, en was ook zeker als modern bedoeld, maar intussen is het voor veel Grieken een heel ouderwets, gedateerd taalgebruik, dat ook niet altijd even goed meer begrepen wordt.’
    Hero Hokwerda heeft geen moment overwogen om te zoeken naar een Nederlandse equivalent van Kazantzakis’ Kretenzisch. Zijn stijl bleef hij vanzelfsprekend wel trouw: ‘Kazantzakis schrijft heel levendig, heel direct, en rauw ook soms. Dat moet natuurlijk wel overgebracht worden.’

     

    Dichter en denker

    Hoewel Nikos Kazantzakis zeker in Nederland vooral bekend is als schrijver van romans, zag hij zichzelf in de eerst plaats als dichter en als denker. ‘De romans heeft hij maar een beetje als bijzaak beschouwd. Door het schrijven van romans bevrijdde hij zich als het ware van zichzelf. Dan was hij op vakantie uit  zijn “hogere bevlogenheid”. Dan hoefde hij niets van zichzelf.’

    ‘Gelukkig maar, want hij heeft een paar heel mooie romans geschreven, denk ik dan’, laat Hero Hokwerda erop volgen. Want het werk dat Kazantzakis zelf als de kern van zijn oeuvre beschouwde – zijn toneelstukken en zijn poëzie, waaronder zijn opus magnum: Οδύσεια (1938), een episch gedicht in 33.333 verzen bedoeld als vervolg op dé Oydysee van Homeros – is aan Hokwerda niet besteed.
    ‘Het ging hem bij de Οδύσεια ook om het werk als poëzie, maar het was vooral een kapstok om zijn ideeën aan op te hangen. Het is me in meerdere opzichten te groot. Het gaat niet alleen om het aantal bladzijden en het aantal regels. Het is mij te hoog bevlogen. Het is te veel. Daar ben ik te nuchter voor, ben ik bang.’

     

    De Kretenzer Kazantzakis

    ‘Nikos Kazantzakis zag zichzelf als Kretenzer én als wereldburger. Hij reisde veel, vestigde zich her en der, maar het Kretenzische heeft hij nooit losgelaten, ook in zijn werk niet. Het historische verhaal van “Zorbas” speelt op de Peloponnesos, maar dat heeft hij getransponeerd naar Kreta. Christus wordt weer gekruisigd speelt in Klein-Azië, maar is toch ook heel Kretenzisch, en in Kapitein Michalis keert hij terug naar het Kreta van zijn jeugd.
    Zelf zei hij dat alles wat hij schreef doortrokken is van de “Kretenzische blik”. Hij gaat daarbij terug naar de Minoërs, naar de stier-springende jongelingen op een muurschildering in Knossos. Zoals die jongens met de stier spelen, wat toch tamelijk gevaarlijk is, zo gaat de Kretenzer met de dood om: die ziet hij met open ogen tegemoet.’
    Het is de houding die Kapitein Michalis kenmerkt, die moet kiezen tussen vrijheid en dood, een houding die ook Alexis Zorbas en sommige personages uit Christus wordt weer gekruisigd niet vreemd is.

    Op de motieven van kapitein Michalis is het een en ander af te dingen. ‘Kapitein Michalis wordt meestal gezien als vrijheidsstrijder, maar het is wel een rare vrijheidsstrijder. Kreta lijkt hem niet zoveel te kunnen schelen, het gaat hem eigenlijk meer om zichzelf. Eigenlijk heeft kapitein Michalis de Kretenzische zaak verraden. Er zijn anderen, waaronder Polyxingis, op wie kapitein Michalis neerkeek, die kraniger aan de zaak van Kreta vasthielden.’

    ‘Kazantzakis was zelf ook een vat vol tegenstrijdigheden. Hij wilde eigenlijk dolgraag een man van actie zijn, maar zijn actie was het schrijven. Hij heeft moeite gehad zich daarmee te verzoenen. Eigenlijk is Leven en wandel van Zorbás de Griek zijn verzoening met die tweeslachtigheid. De personages Alexis Zorbas en “de schrijver” vertegenwoordigen de twee kanten van zijn persoonlijkheid.’

     

    Vrijzinnige denkbeelden

    Dat het graf van Nikos Kazantzakis zich in Iraklion op een bastion bevindt dat stamt uit de Venetiaanse tijd en niet op een kerkhof is het gevolg van een controverse met de Grieks-Orthodoxe kerk, die de denkbeelden van de schrijver hekelde. Inmiddels is hij min of meer gerehabiliteerd, en werd hij ter gelegenheid van zijn zestigste sterfdag op verschillende manieren geëerd, ook van kerkelijke kant.
    Kazantzakis had zijn eigen kijk op religie en wereld. ‘Er zijn mensen die geneigd zijn om hem als atheïst te bestempelen, maar dat is mijn ogen onzin. Hij was op een vrijzinnige wijze orthodox. Kazantzakis verwierp het idee van een persoonlijke God en het idee van opstanding uit de dood en een leven in een hiernamaals.
    Op basis van zijn eigen inzichten probeerde hij een godsdienst te ontwerpen, en hij heeft het ideaal gehad om, toen hij in 1914 naar de berg Athos ging, ook daadwerkelijk een nieuwe godsdienst te stichten. Dat zou ongetwijfeld een moderne godsdienst zijn geweest, zonder persoonlijke God en hiernamaals. Het hele leven speelde zich volgens Kazantzakis op aarde af.’

    ‘De vrijzinnige manier waarop Nikos Kazantzakis omgaat met het godsbegrip en het lijden en de dood – onderwerpen waar iedereen mee kan zitten of in elk geval mee te maken kan krijgen – is nog steeds actueel. Zijn worsteling met deze algemeen menselijke onderwerpen zou ook tegenwoordig veel mensen moeten kunnen aanspreken. Bovendien richtte Kazantzakis zich niet alleen op de verlossing van het individu. Hij had ook uitgesproken ideeën over het “verlossen” van de samenleving. Zoals de mens als individu door alle mislukking, nederlaag en dood heen zich telkens weer moet oprichten op de weg naar het hogere doel, dat is de strijd voor de weg omhoog, zo moet ook de samenleving dat; ook daar is elke mislukking tegelijk een nieuw begin op de eindeloze weg omhoog.’

     

    Voor Hero Hokwerda zit het vertalen van het werk van Kazantzakis er na Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) voorlopig op. Zijn volgende vertaling is overigens al zo goed als klaar: Hitlers geheime dagboek van Charis Vlavianós. ‘De roman speelt in 1923, 1924 als de putsch mislukt is, Hitler in de gevangenis zit en zijn proces uitbuit om er weer helemaal bovenop te komen.’
    De roman zal in 2019 verschijnen, hoogstwaarschijnlijk bij Ta Grammata.

     

    Foto Hero Hokwerda: © Eva Overbeeke.

    Recensies van van Nikos Kazantzakis op Literair Nederland:
    Leven en wandel van Zorbás de Griek.
    Christus wordt weer gekruisigd.
    Kapitein Michalis  (Vrijheid of dood).

     

     

  • In memoriam Renate Dorrestein (1954-2018)

    Hoewel Renate Dorrestein in haar werk de indruk wekt speels en spontaan te opereren, wist ze bijna altijd precies waar ze mee bezig was en ging ze weloverwogen te werk. Renate Dorrestein was een vrouw met een missie en een schrijfster met een visie op literatuur.

    Renate Dorrestein stierf op de dag dat de doden herdacht worden. Twee dagen later was haar dood breaking news en de opening van het NOS Journaal. Vandaag – Hemelvaartsdag – wordt zij begraven.

    Missionaris
    Toen het nog harder nodig was dan nu roerde Renate Dorrestein consequent de feministische trom. Dat zij als missionaris wel eens wat drammerig was, gaf ze toen de strijd eenmaal voor een groot deel gestreden was ruiterlijk toe. Maar ondertussen deed ze wat nodig was. En dat deed ze doorgaans geestig en eloquent, én uitermate doeltreffend. Het venijn zat vooral in haar schrijven. Als ze sprak, kon ze heel bedeesd klinken. Maar ook dan gehoorzaamde ze aan haar eigen wetten. De wetten van Dorrestein:

    1. Een aantal kwinkslagen
    2. Een aantal stoten onder de gordel
    3. Minimaal een zin waarin ik iets verstandigs zeg
    4. Een einde waarin ik het voorgaande geheel op zijn kop zet.

    Wetten die klappen hard doen aankomen. Renate Dorrestein kon heel goed de indruk wekken dat ze alleen iets in overweging gaf, maar wat ze wilde was de wereld radicaal veranderen. Dan heeft zoete broodjes bakken geen zin.

    Schrijver
    In haar literaire werk negeerde Renate Dorrestein de boze buitenwereld aanvankelijk. Ze schiep voor haar personages omstandigheden waarin ze konden gedijen. Waar ze naar eigen vermogen aan deel konden nemen en hun idealen konden verwezenlijken. Kwetsbaar en afhankelijk oogden zij. In de ogen van sommigen daardoor onschuldig.

    Op dat vroege werk kun je je verkijken. Vrijblijvend is het nergens en onschuldig ook niet. Zelfs Voorleesboek voor planten – ver voor Buitenstaanders, de roman die voor haar debuut doorgaat, verschenen – is niet zo onschuldig als het lijkt. Het bevat behalve miskende personages – een asparagus vanwege het iele voorkomen; een moederplant vanwege het maar aanjongen; vrouwentongen vanwege de vrouwentongen en papyrus vanwege vermeende dronkenschap – een behoorlijke dosis maatschappijkritiek en veroordeelt vooroordelen.

    Dat er over dat vroege werk ook in literaire zin iets te zeggen valt, drong pas door toen er serieuze studies aan gewijd werden. Voordien zag bijna iedereen over het hoofd dat haar werk perfect in de Angelsaksische traditie van de gothic novel past. Dom eigenlijk, want Renate Dorrestein maakte geen geheim van haar literaire oriëntatie. Nu staat zij te boek als eerste Nederlandse schrijver die met succes dat genre bedreef.

    Na Buitenstaanders, Vreemde streken, Noorderzon, Een nacht om te vliegeren en Het perpetuum mobile van de liefde kwam de kentering. De romans werden werkelijker. De structuur ‘eenvoudiger’. Alsof het schrijven over haar zus en de ziekte die haar uitputte nieuwe inzichten opleverde over hoe zij de literatuur voor haar karretje kon spannen. Alsof ze meer dan daarvoor besefte dat ze de lezer als bondgenoot nodig heeft, wilde ze via de literatuur iets teweegbrengen.
    Wat precies een echte Dorrestein is, laat zich nog niet zo heel eenvoudig omschrijven, maar het valt op dat sinds die kentering een enorme verscheidenheid aan niet-biologisch eigen kinderen in haar romans rondwandelt. Zij hebben langzaam maar zeker de plaats ingenomen van vrouwen die het tegen mannen opnemen. Het ‘zelfgekleide knutselgezin’ bleek een uitermate geschikt biotoop om de strubbelingen en de sores die het failliet van het fatsoen symboliseren te situeren.

    Renate Dorrestein verzon verhalen om de werkelijkheid zo dicht mogelijk te naderen. Keer op keer kroop ze in het hoofd van haar gemankeerde personages en vroeg ze van haar lezers hetzelfde te doen. Dat streven is de kern van haar poëtica.
    Dit is haar credo:

    ‘Fictie laat ons zien wat het betekent om mens te zijn en hoe moeilijk het is een fatsoenlijk mens te blijven als de omstandigheden onfatsoenlijk worden. Literatuur brengt ons iets dat de psychologie niet vermag, de sociologie niet vermag, de journalistiek niet vermag: het vermogen om in het hoofd van de personages te kijken, deelgenoot te worden van hun dilemma’s en al doende in hun schoenen te gaan staan. Literatuur helpt ons, ons met anderen te identificeren en ook onszelf te begrijpen.’

    Mensch
    Renate Dorrestein was uitermate goed in staat om schrijvend op haar leven en werk te reflecteren. Dat liet ze al zien in Heden ik en De blokkade. Ze wilde geen slachtoffer zijn, bleef strijdbaar en werkte zo goed en zo kwaad als dat ging door.
    Toen ze Heden ik en De blokkade schreef, had ze geen haast. Dat was anders toen ze aan Dagelijks werk: een schrijversleven begon. De dood zat haar op de hielen. Die zou ze niet voor blijven, dat wist ze. Wat wel kon, was degene die ooit woorden aan haar leven en werk zou willen wijden – een biograaf dus – de pas afsnijden.

    Dat deed ze dus. Scherper dan wie dan ook dat zou kunnen, voorzag ze wat ze in de loop der jaren schreef – als journalist, als pleitbezorger van de vrouwenzaak en als romancier – aan de hand van verspreid verschenen stukken van context en commentaar. Ze is openhartig waar het om persoonlijke zaken gaat en neemt geen blad voor de mond waar het zakelijke aangelegenheden betreft.

    Met deze staalkaart van haar werk voltooide Renate Dorrestein haar oeuvre. Dagelijks werk: een schrijversleven hoefde niet postuum te verschijnen: Renate Dorrestein haalde haar deadline en maakte de ontvangst mee.

    Ze wist wat haar te wachten stond, en toch schreef ze – het zijn de laatste woorden die ze voor haar lezers in petto had:

    ‘Ook ik hoop natuurlijk gezónd oud te worden. Maar ik hoop vooral dat niemand me de levensfase door de neus boort waarop ik me nu al zo lang verheug: een oud vrouwtje te zijn, en ongestraft excentrieke kleren en rare mutsjes te kunnen dragen, nooit meer naar de sportschool te hoeven, alles te mogen eten wat ik maar wil, te drinken en te roken omdat dat toch niet meer uitmaakt, aan iedereen lak te hebben en de meest boude dingen te kunnen zeggen zonder dat iemand het nog waagt me tegen te spreken.’

    Wie dat durft te schrijven op de laatste bladzijden van wat haar laatste boek werd, is niet alleen ‘a truly courageous writer’, maar vooral een dapper mens(ch).

     

    Foto: still uit promotiefilmpje van de CPNB voor Week van het Luisterboek 2014

     

     

  • Piekeren over pijnpunten: biografen aan het werk

    Biografen moeten nieuwsgierig zijn naar de levens van hun biografelingen*. Dat betekent niet dat ze alles dat tijdens hun onderzoek te weten komen zomaar – zonder twijfel en zonder scrupules – aan het papier toevertrouwen. Zeker als het gevoelige informatie betreft is zorgvuldigheid geboden. Soms staat de eigen positie als biograaf ter discussie. Ook dan moet verantwoording worden afgelegd.
    Tijdens ‘Tussen slijk en sterren: de schrijversbiografie in de kijker’, georganiseerd door het Louis Couperus Genootschap, gingen Elisabeth Leijnse, Michèl de Jong, Petra Teunisse en Wim Hazeu in op hun ‘pijnpunten’.

    Foute ideeën en sympathieën
    Elisabeth Leijnse wist min of meer waar ze aan begon toen ze de biograaf werd van de zussen Cécile en Elsa de Jong van Beek en Donk. Cécile had uitgesproken opvattingen over joden. Ze was een overtuigd antisemiet. Geen moment heeft Elisabeth Leijnse gedacht dat ze die kant van Cécile de Jong van Beek met de mantel der liefde moest bedekken.
    In zekere zin was het antisemitisme van Cécile – getrouwd met een jood – zelfs een godsgeschenk. Elisabeth Leijnse liet zich bij de keuze van de constructie van haar biografie leiden door in haar ogen interessante tegenstellingen en paradoxen. Zo was zus Elsa – getrouwd met een antisemiet – bijvoorbeeld een anti-antisemiet.
    Het contrast tussen beide zussen is de basis geworden van Cécile en Elsa: strijdbare freules. Een biografie, waarin de paradox opvoeding c.q. privéleven versus ideologie en de ontstaansgeschiedenis van het antisemitisme en collaboratie in Frankrijk belangrijke elementen zijn.

    In de researchfase raadpleegde Elisabeth Leijnse andere biografieën waarin netelige kwesties aan de orde kwamen. Wat ze over de persoonlijkheidsstoornis van Alma Mahler las, sterkte haar in haar opvatting dat zij de oorzaken van het antisemitisme niet alleen moest zoeken in karakterologische kenmerken van haar biografeling, maar ook in externe factoren.
    Punt van aandacht was hoe binnen het kader van het boek kritiek op het antisemitisme te verwoorden. Elisabeth Leijnse koos er uiteindelijk voor om Elsa degene te laten zijn die commentaar geeft en haar verontwaardiging uit. Volgens de biografe een logische en verantwoorde keuze: het antisemitisme van haar zus had impact op Elsa. Dat blijkt uit de beschikbare  bronnen.

    Een heikel punt was de manier waarop het antisemitische gedachtengoed zelf in de biografie van de freules de Jong van Beek en Donk terecht zou komen: citeren of parafraseren. De biografe vatte vooral veel samen en zag bovendien af van het opnemen van karikaturale tekeningen en cartoons die gebruikt werden om ideeën te verspreiden.

    De objectiviteit van de biograaf
    Hij werkt inmiddels al geruime tijd aan de biografie van Heinz Polzer / Drs. P, maar het boek is nog lang niet klaar. Toch houdt één vraag Michèl de Jong nu al bezig: hoe voer ik mezelf op in het verhaal als ik toe ben aan de laatste tien jaar van zijn leven? Michèl de Jong is namelijk niet alleen de biograaf van Heinz Polzer / Drs. P, hij kende hem ook tamelijk goed en was tien jaar hecht met hem bevriend.
    Dat zou kunnen betekenen dat de objectiviteit van de biograaf in het geding is. Michèl de Jong is zich bewust van het dreigende gevaar, maar verwacht niet dat hij in een valkuil zal trappen. Dat de eerste 85 levensjaren van Heinz Polzer / Drs. P voor hem net zo’n onontgonnen gebied zijn als voor iedere andere biograaf, speelt daarbij een belangrijke rol.
    Bovendien kan bewondering op zich volgens Michèl de Jong geen kwaad – ‘echte vrienden kun je niet kritiekloos bewonderen’ – en is fascinatie niet per se een bezwaar.

    Een pijnpunt is zijn eigen verschijnen in het laatste hoofdstuk van de biografie niet, maar hij worstelt dus nog wel met de manier waarop hij zichzelf op gaat voeren en wat de consequenties daarvan zijn voor het vertelperspectief. Wordt hij een ‘ik’ of stapt er straks een Michèl de Jong de biografie binnen. De biograaf houdt zich aanbevolen voor suggesties.

    Zwaar woog voor Michèl de Jong lang de vraag of de zeer op zijn privacy gestelde Heinz Polzer / Drs. P zijn goedkeuring wel zou hebben gegeven aan het schrijven van een biografie. Is het geen verraad aan de vriendschap? Tweeënhalf jaar na de dood van zijn biografeling vond Michèl de Jong een sonnet dat voor hem bestemd was. Daarin sprak Heinz Polzer / Drs. P zijn goedkeuring uit voor het werk dat De Jong begonnen was. Dat was toch een pak van zijn hart.

    Uit de slaapkamer klappen
    Frans Coenen was niet alleen belangrijk als aanjager van de literaire carrière van Clare Lennart, hij vervulde ook een aantal jaren de rol van minnaar in een relatie die door sadomasochisme gekenmerkt werd. Toen Petra Teunissen, biografe van Clare Lennart, de beschikking kreeg over de achthonderd brieven die haar biografeling en Frans Coenen elkaar schreven, kon ze niet meer om dat gegeven heen. Hoewel ze het liever niet geweten had, kon ze die kennis niet meer ongedaan maken en moest ze beslissen of ze de lezers van haar biografie met de feiten zou confronteren.
    Ze stelde zichzelf drie vragen – de filters van Socrates indachtig: is het waar? Is het nodig? Is het aardig? Waar was het, dat wist ze zeker. De sadomasochistische voorkeuren van Frans Coenen waren al uit andere bronnen bekend. Dat op sm geen taboe meer rust, maakte het prijsgeven minder beladen.
    Was het nodig? Ja, want ook buiten de slaapkamer was de relatie tussen Frans Coenen en Clare Lennart ongelijkwaardig. Het creëren van afhankelijkheid was een strategie van Coenen. Hij hield er een harem van jonge (schrijvende) vriendinnen op na.
    Is het aardig? Nee. De biograaf is hier een voyeur. Een professionele dief. Clare Lennart liep niet met haar privéleven te koop, zij was uitermate gereserveerd.

    Toch koos Petra Teunissen er in Voor ’t gewone leven ongeschikt: een biografie van Clare Lennart uiteindelijk voor om expliciet, maar objectief – dus zonder te oordelen – over de aard van de seksuele relatie van Clare Lennart en Frans Coenen te schrijven, omdat het voor het psychologische portret van Clare Lennart belangrijke informatie is. Frans Coenen was haar mentor, minnaar en meester. Maar hij was ook een vaderfiguur. Bij hem vond ze geborgenheid. Zoals ze ook geborgenheid vond bij Wim van den Boogaard, de man met wie ze al een aanzienlijk deel van haar leven samen was voordat ze uiteindelijk met hem trouwde.

    Rekening houden met nabestaanden
    Het verschijnen van zijn biografie van Lucebert ging gepaard met de nodige commotie. Voordat Bertus Swaanswijk Lucebert werd, liet hij zich enthousiast uit over nazi-ideeën. Wim Hazeu had Lucebert: biografie al zo goed als af toen hem de brieven waaruit dat bleek ter hand werden gesteld. Hij moest de nieuwe informatie inpassen in het verhaal dat hij al geschreven had (hij zocht en vond verklaringen voor de foute sympathieën van Bertus Swaanswijk: hij wilde het huis uit en kunstenaar worden; hij leed aan avontuurzucht; hij was gevoelig voor beïnvloeding; hij was een bewonderaar van Duitse literatuur ). Een verhaal waarin tot dat moment angst en een bijzondere vriendschap als rode draad fungeerden.

    Wim Hazeu overwoog geen moment om de informatie uit de op de valreep ter inzage gekregen brieven achter te houden. Als het om het optekenen van de levens van zijn biografelingen gaat, kent Wim Hazeu geen taboes, maar wel fatsoen. Hij is bereid om rekening te houden met nog levende familieleden. Met de weduwe van Gerrit Achterberg die ervan overtuigd was dat haar man de biografie niet gewild had, maakte hij afspraken. Hij las haar ook ter harer geruststelling passages uit de biografie voor. Passages waarin het niet om haar man draaide, maar om haar. Toen de weduwe Achterberg overleed, voelde Wim Hazeu zich vrij om de censuur die hij had toegepast op te heffen en voegde een appendix aan de biografie toe.

    In het geval van Lucebert hoefde Hazeu geen rekening te houden met de gevoelens en wensen van een weduwe, die waarschijnlijk niet op de hoogte was van de brieven en de inhoud.
    Wat zou de biograaf gedaan hebben als de weduwe van Lucebert nog wel geleefd had? Dan zou hij waarschijnlijk minder kritisch geschreven hebben over de kwestie of de publicatie van het boek uitgesteld hebben tot na haar dood. En voor het geval hij eerder dan zij zou overlijden, zou in zijn testament verwezen zijn naar het manuscript van de biografie, met de vermelding dat het boek pas na de dood van Tony Swaanswijk-Koek gepubliceerd zou mogen worden. Dat de kinderen van Lucebert nog leven, realiseert Wim Hazeu zich. En ook dat de onthullingen over hun vader voor hen meer dan pijnlijk zijn.

    Biograferen is geen kwestie van klakkeloos een leven beschrijven. Biograferen is samenhang aanbrengen op basis van een door de biograaf geformuleerde visie op een leven. Een biograaf wordt verondersteld ethisch te handelen en niet moedwillig schade toe te brengen aan het imago van zijn biografeling. Daarbij moeten biografen regelmatig balanceren op een slap koord. Ze kennen zonder uitzondering de door Elisabeth Leijnse, Michèl de Jong, Petra Teunissen en Wim Hazeu aangestipte ‘pijnpunten’, al zal niet iedere biograaf er in gelijke mate mee geconfronteerd worden.

     

    * In Vierspan: over biografieën en het schrijven ervan introduceert Jan van der Vegt de term ‘biografeling’ voor degene die het onderwerp is van een biografie. Wim Hazeu pleitte tijdens Tussen slijk en sterren: de schrijversbiografie in de kijker voor een breed gebruik van het woord.

     

    Foto Michèl de Jong © Liliane Waanders

  • Hoe een Spaanse schrijver generatie X overleefde en zijn tweede adem kreeg

    Ook literatuur is onderhevig aan trends en modeverschijnselen. Wie de jaren negentig actief meemaakte, herinnert zich misschien nog Generation X, het gehypete literaire subgenre dat werd geïntroduceerd door auteurs als Douglas Coupland en Brett Easton Ellis. Het draaide rond nihilistische jongeren die elke vorm van engagement resoluut afwezen en hun heil zochten in seks, drugs en rock-‘n-roll. De vonk sloeg over naar het Nederlandse taalgebied, waar het fenomeen al gauw Generatie Nix werd genoemd. Dat gebeurde met wisselend succes. De vaak nogal lauwe ontvangst door de literaire kritiek blijkt achteraf gezien niet geheel onterecht: slechts weinig van de boeken die toen verschenen, werden door de tand des tijds gespaard. Toch hadden ze de verdienste dat ze ook een publiek leken te bereiken dat tegenwoordig grotendeels lijkt te hebben afgehaakt en genoeg heeft aan Netflix en sociale media.

    Naarmate Generation X zich leek uit te breiden over heel Europa, werden zelfs een aantal Spaanse auteurs opgepikt en in het Nederlands vertaald. Zo verscheen naast Madrileense roulette van José Angel Mañas in 1993 ook Het ergste van alles van Ray Loriga. De kritieken waren niet denderend. Afgezien van de thematiek en de toon (die zelfs ‘narcistisch’ werd genoemd) had dat wellicht te maken met het sterk lokale en spreektalige karakter van die romans. In Spanje was Generation X een bij uitstek Madrileens fenomeen, met veel plaatselijke uitdrukkingen en verwijzingen naar het uitgaansleven van de Spaanse hoofdstad. Voor wie Madrid toen goed kende, was het een feest van herkenning om Mañas en Loriga te lezen. Helaas waren de romans daardoor ook erg moeilijk te vertalen. Vergelijk het met Irvine Welsh’ verfilmde boek Trainspotting, dat in vertaling ook niet echt aansloeg omdat het sappige, vaak fonetisch gespelde Schotse slang in het Nederlands noodgedwongen een soort Randstadtaaltje werd.

    Toen in 1995 een nieuwe roman van Loriga in het Nederlands verscheen, was de hype alweer bijna overgewaaid. De recensies waren bovendien vaak vernietigend: ‘Ray Loriga zet in Helden puberale klaagzang voort’, kopte de Volkskrant. Geen wonder dat er sindsdien niets meer van hem werd gepubliceerd in het Nederlands. De negatieve kritiek was weliswaar deels terecht, maar in de ‘brij van anekdoten, gewauwel over popmuziek en quasi-filosofisch gemijmer over het bestaan in een moderne samenleving’ gaf Loriga toch hier en daar nog de indruk dat hij meer in zijn mars had. En kijk: na nog een aantal weinig opzienbarende romans waarmee de schrijver vooral liet blijken dat hij zijn draai nog niet had kunnen vinden, berichtte de Spaanse krant El País in april dat Loriga de Premio Alfaguara had gewonnen voor Rendición, zijn nieuwste boek.

    Volkomen onverwachts sleepte de auteur dus nog een vrij belangrijke literaire prijs in de wacht. Rendición (wat zoveel betekent als overgave, of zelfs onderwerping) blijkt dan ook een aangename verrassing te zijn: de inmiddels vijftig jaar oude Loriga heeft de puberale weltschmerz van zich afgeschud en schreef een meeslepende, donkere dystopie. Vooral de sterke plot zijn we niet van de Spanjaard gewend. Het boek speelt zich af in een niet nader gespecificeerde plaats en tijd. Er woedt al jaren een burgeroorlog. Een ouder stel, van wie de zonen bij het leger zijn ingelijfd, heeft een mysterieuze jongen opgevangen. Er heerst schaarste, water is duur en moeilijk te krijgen. Als de vijand nadert, wordt het dorp geëvacueerd. Alle huizen worden platgebrand en iedereen vertrekt naar de ‘transparante stad’, waar enkel doorzichtige bouwmaterialen worden gebruikt en geen privacy bestaat.

    De vergelijking met Orwells 1984 is snel gemaakt, maar in Rendición is iets anders aan de hand: er is geen big brother of zichtbare staat. Het volk organiseert en beslist alles zelf, iedereen krijgt wat hij nodig heeft en niemand voelt de behoefte om zich te verzetten. Als de hoofdpersoon zich steeds meer gaat verwonderen over zijn onvermogen om zich ongelukkig te voelen en merkt dat hij vreemd genoeg niet in staat is om zich af te zetten tegen de algemene tevredenheid, gaat hij op onderzoek uit.

    Knap is vooral hoe Loriga de spanningsboog van het boek langzaam opbouwt door met mondjesmaat informatie vrij te geven en niet meer te onthullen dan nodig, zodat de lezer wordt gestimuleerd om na te denken over de ware toedracht van het verhaal. De auteur gebruikt daarvoor een filmische, onopgesmukte stijl. De roman roept vooral nieuwe vragen op en wemelt van de losse eindjes, maar dat is duidelijk de bedoeling.

    Zou Loriga nog een tweede kans krijgen in het Nederlands? Hopelijk wel, maar er zijn niet veel schrijvers die ooit zo’n herkansing kregen.

     

     

  • Het dunne ik

    In A Quiet Passion, een film over de negentiende-eeuwse Amerikaanse dichteres Emily Dickinson – zij van de streepjes – komt een kitscherige scène voor waarin zij zich tot een baby richt met het volgende gedicht:

    I’m Nobody! Who are you?
    Are you – Nobody – too?
    Then there’s a pair of us!
    Don’t tell! They’d banish us – you know!

    How dreary – to be – Somebody!
    How public – like a Frog –
    To tell one’s name – the livelong June –
    To an admiring Bog!

    Peter Verstegen gaat in zijn omvangrijke vertaling van haar gedichten uit van een variant met ‘advertise’ in plaats van ‘banish us’:

    ‘k Ben Niemand! Wie ben jij?
    Ben jij – ook – Niemand? Wel –
    Dan zijn we een stel! Maar hou
    het stil! Of het wordt doorverteld!

    Iemand – te zijn – hoe akelig!
    Een junilang – gekwaak –
    Als openbare Kikvors – met
    De hele Poel als claque!

    Ik las de ondertitels mee en er viel me iets op aan de slotregel, ik ben vergeten wat, waardoor opeens tot me doordrong dat ‘admiring’ het woord ‘mire’ bevat, dat ‘moeras’ kan betekenen en ook ‘wegzinken in de modder’ en ‘besmeuren’. Allemaal zeer ter zake.

    Emily Dickinson was domweg niet in staat ‘iemand’ te zijn. Althans, dat is het gangbare beeld van de dichteres dat ook deze film laat zien. Enerzijds waren er de beperkingen van samenleving, godsdienst en ouderlijk huis, anderzijds was ze nu eenmaal zo gebakken: veel te afwijkend, veel te eigenzinnig, veel te schuw ook. Amper in staat tot compromissen. Ze kon niet anders. Ontmoetingen met vreemden beperkte ze graag tot brieven en briefjes, ook wanneer de ander zich in het belendende vertrek of huis bevond. Tijdens haar leven publiceerde ze vrijwel niets.

    Inmiddels is ze een reuzin in de Amerikaanse literaire canon, een ‘Iemand’ als geen tweede, maar wel op eigen voorwaarden, naar eigen maatstaven. Haar gedichten ogen nog altijd modern, om niet te zeggen vreemd (met al die streepjes en hoofdletters en dat ongebruikelijke vocabulaire) en zijn vaak niet gemakkelijk te doorgronden.

    Zou iemand in onze tijd zich er op willen laten voorstaan ‘Niemand’ te zijn? Let wel, Dickinson noemt zich niet ‘a nobody’; dat is een aanduiding van maatschappelijke onbeduidendheid, van gebrek aan status. Nee, kortweg ‘Niemand’, en onmiskenbaar in gunstige zin.

    Wij leven in het tijdperk van wat filosoof Harry Kunneman in 2005 het ‘dikke ik’ heeft gedoopt: het autonome individu dat zich de kaas niet van het brood laat eten en meer wil, altijd meer, koste wat het kost. In Dickinsons beeldspraak: een kikker die onophoudelijk ‘ikke-ikke-ikke’ roept en zich onsterfelijk waant terwijl zijn leven toch heus slechts een zomer duurt.

    Toevallig (nou ja, ‘toevallig’, een pensionado moet ook z’n tijd maar zien te vullen) zag ik kort daarop een andere film waarin de hoofdpersoon ook al beweert ‘niemand’ te zijn. Het Joods Historisch Museum vertoonde Zelig van Woody Allen, een mengeling van diepzinnigheid, humor en parodie, een meesterlijke mockumentary uit 1983. De hoofdpersoon gaat door het leven als ‘menselijke kameleon’. In gezelschap van mannen verandert hij, zowel geestelijk als lichamelijk, in ieder opzicht in de ander. Hij wordt een Chinees, een rabbi, een psychiater, een Spanjaard, een nazi, een afro-amerikaan – compleet met passende kleding, motoriek, taalgebruik, alles. In het echt – maar wat is ‘echt’  in dit geval? – is hij een joodse man van eenvoudige komaf.

    Hij valt in handen van de massamedia en van de medische stand. Zijn psychiater brengt hem onder hypnose en Zelig biecht op wat hem scheelt: ‘I want to be liked.’ En hij voegt er aan toe: ‘I am nobody. I am nothing.’

    Het verschil met Dickinson kan niet groter zijn. Bij haar gaat het om het afwijzen van een confectie-identiteit teneinde de eigenheid te beschermen; bij Zelig om het zich radeloos conformeren aan zijn omgeving, als een tweede natuur, teneinde geaccepteerd te worden. ‘Innere Emigration’ in de meest radicale vorm; een allegorie van hét Joodse vraagstuk van de diaspora: wel of niet assimileren.

    ‘Niemand zijn’ is een oud motief in de literatuur. Odysseus is de cycloop Polyphemus te slim af door hem wijs te maken dat hij ‘Niemand’ heet. Hij steekt hem zijn enige oog uit en de domme reus roept tegen zijn vrienden dat niemand hem z’n oog heeft uitgestoken. Dat zal destijds, rond 800 voor het begin van onze jaartelling, een lachsucces van jewelste hebben opgeleverd. Of neem My Name is Nobody, de spaghettiwestern van Sergio Leone uit 1973.

    Blijft de vraag of Dickinsons advies aan de boreling verstandig is. ‘Niemand’ zijn is een onmenselijk zwaar lot. Alleen de mystici, die verlangen ernaar. Meester Eckhart, in zijn preek naar aanleiding van ‘Zalig zijn de armen’: ‘wil de mens waarlijk arm zijn, dan moet hij zo leeg van geschapen wil zijn als hij was toen hij er nog niet was.

    Aan de andere kant, het ‘dikke ik’ willen we evenmin. Ik moet er nog eens over nadenken: waar plaats ik mezelf op een schaal van 1 tot 10?

     

     

  • Twee huizen

    We fietsten langs de IJssel en hadden wind mee. Voor we het wisten kwam Zutphen in zicht. ‘Zullen we meteen maar langs Eefde rijden’, stelde mijn metgezel voor. Eefde, daar heeft Ida Gerhardt gewoond. Van geen dichter of dichteres ken ik meer gedichten uit mijn hoofd. Hoogste tijd voor een literaire pelgrimage.
    Thuis hadden we alvast het adres opgezocht in Dwars tegen de keer, Mieke Koenens mooie biografie van de dichteres. In 1967 verhuisde Ida, samen met Marie van der Zeyde, haar levenslange partner, van Bilthoven naar Zutphenseweg 120, Eefde. Ze was 62 en net met pensioen, afgekeurd eigenlijk.
    We zagen het huis en maakten foto’s. In Engeland zou er een gedenkplaat hebben gehangen.

    De vriendinnen hadden in Bilthoven een ruim huis bewoond maar nu moesten ze ‘concessies doen’. Voor 53.000 gulden kochten ze dit huis aan een drukke rijweg met een bushalte vlakbij en als buren ‘een druk gezin, met veel gerij af en aan (…) en veel geroezemoes van de drie jongens.’ Maar het was een vrijstaand huis, met tuin rondom, dicht bij Zutphen en Deventer en vooral dichtbij de IJssel en haar uiterwaarden. Er waren bossen vlakbij om te wandelen en te vogelen. Een ‘burgerhuisje’, aldus Ida, waar veel aan moest worden opgeknapt. Niet dat Ida en Marie veel eisen stelden: het huis ‘werd uiterst sober en spaarzaam gemeubileerd’ en ‘een blind paard kon er absoluut geen kwaad  doen’, aldus de biografe.

    Het huis heeft aardige luiken en in de achtertuin staat een uitbouw die nieuw lijkt. De tuin is erg open, met een laag muurtje langs het trottoir. Ooit lieten Ida en Marie de heg die daar stond ‘enorm uitdijen, waardoor verkeer op de Teenkweg (…) geen goed uitzicht meer had.’ Er kwam een ongeluk van en de heg werd gesnoeid. Er staat een mooi boompje dat er vast al stond in Ida’s tijd. Ik raapte een verkleurd blaadje op om mee naar huis te nemen.

    Het was een markant koppel waar de buren mee te maken kregen. ‘Ze vielen nogal uit de toon door hun vergeestelijkte levenswijze en raakten snel geïrriteerd door muziekmakende of rondlummelende buurjongens. Zo nu en dan waren ze verwikkeld in ruzietjes (…)’.
    Ze hadden het er niet slecht: veel omwonenden waren behulpzaam en hielden zo nodig een oogje in het zeil, bijvoorbeeld als Ida en Marie de zomer in Ierland doorbrachten. Met Oudjaar brachten buren ‘een royale portie appelbeignets en kinderen kwamen een mandarijntje halen: een dorps en huiselijk geheel’, aldus Ida.

    Hier heeft het paar hopelijk de idylle genoten die Ida beschrijft in ‘Zondagmorgen’ (een gedicht overigens van nog voor de verhuizing):

    Het licht begint te wandelen door het huis
    en raakt de dingen aan. Wij eten
    ons vroege brood gedoopt in zon.

    Tot augustus 1992 – Marie was in 1990 gestorven – bleef Ida hier wonen. De laatste jaren waren buitengewoon zwaar doordat ze lichamelijk en geestelijk aftakelde. Eenzaam en vrijwel blind; wanen en hallucinaties; ‘aanvallen van paranoia en zelfs psychoses’. Ze was altijd al een moeilijke, argwanende en soms agressieve vrouw geweest. Ze verhuisde naar een verpleeghuis. Haar werk was gedaan.

    In de Eefdese periode verschenen onder meer De ravenveer, Vijf vuurstenen,  Het sterreschip, De zomen van het licht en De adelaarsvarens. Haar vroege bundels werden samengebracht in Vroege verzen en haar Verzamelde verzen verschenen. Haar faam groeide en de waardering voor haar werk steeg meer en meer. Ze verdiende de Nobelprijs, aldus Hans Warren.

    Als schutterige bewonderaars stonden we daar op de stoep. Zo’n tweemans-herdenking heeft iets onbeholpens, want je kunt moeilijk bloemen leggen bij een huis waar inmiddels iemand anders woont.

    Vanuit dit huis schonken Ida en Marie, gezamenlijk dit keer (Marie had zelf ook het nodige gepubliceerd, onder meer twee hagiografische studies over haar vriendin) iets heel bijzonders aan de Nederlandse literatuur. In 1972 verscheen, onder auspiciën van zowel het protestantse Nederlands Bijbelgenootschap als de Katholieke Bijbelstichting, hun psalmvertaling. Marie en Ida hadden er sinds 1966 aan gewerkt. Ida had er Hebreeuws voor geleerd. De eerste tien proeven van hun vertaalwerk verschenen in 1967, het jaar van de verhuizing, in het literaire tijdschrift Maatstaf.

    Dat de psalmen Ida Gerhardt dierbaar waren, lijkt me niet alleen een kwestie van vroomheid en dichterlijke bewondering. Veel psalmteksten zijn klachten en verzuchtingen, tirades tegen vijanden, uitingen van wraakzucht aan het adres van ‘bozen’, ‘spotters’, ‘belagers’, ‘schenders’, ‘vervolgers’, ‘haters’, ‘verstoorders’, ‘kwellers’, ‘ontrouw volk’ dan wel ‘slinksen’. Dat is een toon die ze moet hebben herkend als de hare. De psalmen waren haar op het lijf geschreven, arme vrouw.

    De volgende psalmverzen, drie uit ontelbaar vele, sluiten volkomen aan bij Ida Gerhardts geharnaste houding tegenover haar medemens, zoals we die ook in talloze gedichten tegenkomen en waarvan de biografie voorbeelden geeft die bar en boos zijn.

    Heer, mijn belagers – hoè talloos,
    talloos, gekant tegen mij (psalm 3)

    Hoe hébben ze mij van mijn jeugd af bekneld,
    maar ze hielden géén macht over mij (psalm 129)

    Hoe smadelijk verslagen weldra
    mijn vijanden alle tesamen (psalm 6)

    Vanaf het begin waren er bezwaren tegen het archaïsche en ‘statige’ Nederlands. Maar bewondering, lof en blijdschap waren er veel meer. Het werd een komen en gaan van geleerden en  bewonderaars daar aan de Zutphense Weg 120, onder wie theologen, hebraïci en bijbelspecialisten en ook Kees Fens en Huub Oosterhuis, beiden al spoedig pleitbezorger van opname van hun vertaling in de op stapel staande nieuwe Willibrordvertaling. En dat gebeurde ook. (Later werden ze tot Ida’s tomeloze woede vervangen). Ze heeft naderhand nog heel wat truitjes gebreid voor de kleine Trijntje.

    En er gebeurde nog iets. In de jaren na het Tweede Vaticaanse Concilie werd er gewerkt aan een ‘Nederlandstalig getijdengebed’. Een werkgroep van benedictijnen en trappisten had deze taak op zich genomen. Ze wilden de vertalingen van Huub Oosterhuis gebruiken, maar dat waren er slechts 50 en hij kondigde aan de klus niet te zullen afmaken. De monniken benaderden nu Ida en Marie. Die waren verrukt over deze belangstelling. Ze logeerden al sinds jaar en dag regelmatig in kloosters. Natuurlijk was er meteen ook argwaan: ‘Mogen wij u dringend verzoeken om de reeds gekopieerde (…) psalmen in geen geval uit handen te geven (…)? Men weet immers nooit, langs welke wegen een tekst dan kan gaan, en wat er allengs mee kan gebeuren.’

    Alle 150 psalmvertalingen werden uiteindelijk door de componisten van de werkgroep op muziek gezet. Mocht u eens in de gelegenheid zijn een gebedsdienst bij te wonen in een klooster waar deze vertaling in gebruik is, dan zult u getuige zijn van de triomf van deze twee uitzonderlijke vrouwen, Ida en Marie. Dag in dag uit, meerdere malen per dag, worden daar hún psalmen gezongen. Allemaal. Jaar in jaar uit. Inmiddels alweer enkele decennia achtereen.

    We moesten verder. Zutphen lokte. We wilden voor de bui thuis zijn en het werd tijd voor borrels en bitterballen. In gedachten declameerde ik de beginregels van een van haar allermooiste gedichten, Onder de Brandaris:

    Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.
    Hij die er slapen wil hij zal er waken.

    Haar leven lang ervoer Ida Gerhardt het aardse bestaan als een ‘huis van duizend vrezen’. Telkens weer voelde ze zich genoodzaakt de strijd aan te binden met kwaadwilligheid, tegenwerking en miskenning. Ze kon een lastpost en een rare snijboon zijn en ze was de grootste Nederlandse dichter van de vorige eeuw. Dit jaar, op 15 augustus, is het twintig jaar geleden dat ze stierf.

     

     

  • Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken

    Barbara de Lange is fulltime vertaler en geeft les aan de Vertalersvakschool in Amsterdam. Sinds 1985 vertaalde ze onder meer werk van Margaret Atwood, George Steiner, John Irving, Simon Schama, Colin Thubron, Donna Tartt, D.H. Lawrence en Michael Ondaatje. Vorig jaar werkte ze tien maanden aan de vertaling van De jaren. We ontmoetten elkaar voor dit interview Barbara bij Grand café Restaurant 1e klas op Amsterdam Centraal. We praten over het vertalen van het werk van Virginia Woolf, over vertalen in het algemeen. En waarom iedereen – die iets van de wereldliteratuur wil meekrijgen – de kans moet grijpen om Virginia Woolfs De jaren te gaan lezen.

    Deze niet eerder vertaalde roman van Virginia Woolf (1882-1941) verscheen begin januari bij uitgeverij Athenaeum. De jaren is – naast dat het haar omvangrijkste werk is – met Mrs. Dalloway  ook haar toegankelijkste werk. Over De jaren schreef Virginia Woolf in haar dagboek (Schrijversdagboek 2 Privé-domein): ‘Aan niet één boek heb ik ooit zo hard gewerkt.’ Op 30 september 1934 schreef ze het slot van een roman waarvoor ze nog geen juiste titel had gevonden. Twee jaar werkte ze eraan onder de titel The Pargiters. Toen het boek zijn voltooiing naderde, overwoog ze het Here and Now te noemen of Sons and Daughters. Tijdens het herschrijven kwam de titel Ordinary People voorbij tot het boek ineens op 11 januari 1935 The Caravan heette. Door het uittypen van het manuscript en het (herhaaldelijk) herschrijven van hele stukken, constateert ze dat het boek een ‘samengaan is van het uiterlijke en het innerlijke’. Ruim een jaar voor de drukproeven op 31 december 1936 de deur uitgaan, dient zich op 5 september 1935 de titel The Years aan, en de The Years blijft het.


    Waarom liet de vertaling van The Years zo lang op zich wachten?

    ‘Het is vreemd dat dit boek zo lang is blijven liggen. Ik denk dat het door de oorlog kwam. Het boek is in 1938 uitgekomen. Daarna werd het meteen in het Frans vertaald, in het Hongaars en Zweeds. Het werd haar best verkochte boek. In Nederland verscheen in 1948 Mrs. Dalloway bij Van Oorschot en toen tien jaar niets meer van haar.
    Ik ontdekte dat The Years nog niet was vertaald en wilde het heel graag doen. Ik ben ermee naar uitgeverij Athenaeum gegaan omdat zij onlangs ook Mrs. Dalloway hadden uitgegeven in een nieuwe vertaling. Ze waren direct bereid het uit te geven. De jaren is een van de toegankelijkste boeken van haar. Wie bang is voor het werk van Virginia Woolf kan heel goed met De jaren beginnen. In Het Parool stond dit weekend een lovende recensie van Arie Storm die onder andere ook zei dat het zo’n toegankelijk boek is. Ik vond het heel leuk om te doen, het was een vertaling om me in vast te bijten. Virginia Woolf is een modernist en schrijvers uit die overgangsperiode hebben mijn voorkeur.’


    Was het ooit een keuze te gaan vertalen?

    ‘Het was meer iets wat ik gewoon ging doen. Ik was klaar met  mijn studie filosofie en samen met een vriendin zeiden we, we gaan vertalen. Ik heb geen Engels gestudeerd. Na enkele jaren non fictie te hebben vertaald, kwam pas de literaire kant. Omdat ik de opleiding niet had, vond ik het spannend. Heel lang heb ik gezegd als mensen vroegen wat ik doe: ik vertaal. Pas later werd dit: ik ben vertaler.’

    Alsof – als je iets uit passie doet, het leuk vindt – het een dingetje is wat geen naam mag hebben. Haar eerste literaire vertaling was een roman van Margaret Atwood en werd haar aangeboden. Ze deed het met veel plezier en, nadat ze de eerste tijd nog parttime bij een bibliotheek werkte, kon ze al gauw als fulltime vertaler aan het werk.


    Kun je, als vertaler, ervan meegenieten als een boek een succes wordt?

    ‘Ik kreeg het aanbod het eerste boek van Donna Tartt De verborgen geschiedenis te vertalen. Er was in die tijd (jaren negentig) waarschijnlijk meer geld bij de uitgevers want de schrijfster werd voor een week naar Nederland gehaald. Na de etentjes en de presentaties zat de schrijfster maar in haar hotel in Amsterdam. Ze was heel jong nog. Toen ben ik ook een avond met haar op stap geweest. Dat zijn hele leuke dingen om te doen. Soms denken mensen nog dat het boek er zo maar ‘is’, alsof de auteur op een of andere magische wijze het boek in het Nederlands geschreven heeft. Zelfs sommige recensenten negeren het feit dat het om een vertaling gaat.’

    Toch is er tegenwoordig meer aandacht voor vertalers, al blijven de betalingen achter op de prestatie die geleverd wordt en is vertalen zonder een bijdrage van het Nederlands Letterenfonds niet mogelijk. De erkenning is er steeds meer en vertalen wint aan status want; zonder vertalers geen toegang tot de wereldliteratuur.


    Hoe los je problemen tijdens het vertalen op. Neem je contact op met de auteur en is elke auteur ook bereid mee te denken.

    ‘Ik spaar de lastige, de problematische dingen altijd op en als ik er op geen enkele manier achter kan komen wat het is, neem ik contact op met de auteur. Bijvoorbeeld over een bepaald woord en hoe het gebruikt wordt. In het laatste boek van Anne Tyler dat ik vertaalde, lag er iets onder de struiken in de tuin, iets dat op ‘a diploma’ leek, een diploma dus. Het stuk ging over een waterpomp die in een kelder stond en  uitkwam op de tuin en dan opeens ligt daar een diploma onder een struik. Ik begreep er niets van. Vreemd was dat, en ik vroeg me af of dat erbij hoorde want binnen de context van het verhaal paste het niet echt. Maar haar reactie was, ‘Ja, hoor, daar leek het op, een diploma met een lintje erom, gewoon. Vaak kunnen auteurs zich niet helemaal voorstellen waar het probleem zit. Vroeger maakte ik bij woordgrappen wel eens een provisorische oplossing maar dan is het lastig om daar los van te komen en een betere oplossing te vinden. Tegenwoordig laat ik het open en houd het in mijn achterhoofd om er later nog eens rustig naar te kijken.’


    Hoe werkt dat bij een overleden auteur, zoals van De jaren.

    ‘Ik leg wel eens een fragment voor aan een collega om te zien hoe deze het interpreteert. En verder is het ook een kwestie van zoeken. Virginia Woolf gebruikte vaak woorden in een oude betekenis, die niet meer zo bekend is, ook niet in haar eigen tijd. 
Als een woord in meerdere betekenissen voorkomt of in het Engels andere associaties heeft, moet je kiezen en kun je het alleen maar benaderen. Wat ik ook doe is veel lezen over de auteur, haar achtergrond. Ze las Frans maar heeft jarenlang Proust niet durven lezen hoewel haar hele omgeving er weg van was. Ze was er een beetje bang voor, en toen ze hem uiteindelijk las vroeg ze zich ook af wat er voor haar nog te doen viel: hij had voor haar gevoel precies gedaan wat zij ook wilde. In De jaren zie je ook de invloed van Proust, of misschien beter: dezelfde affiniteit met herinnering en tijd als Proust had. Een andere invloed of affiniteit zie je bij Tolstoj. Woolf had Russisch geleerd en meegewerkt aan vertalingen van Tolstoj en Dostojevski. Het oorspronkelijke idee voor dit boek – met essays  tussen de hoofdstukken door – komt van Tolstoj’s Oorlog en vrede. Dat vind ik dan erg interessant maar ik heb er verder niet zo veel aan. Ik kan er niets van gebruiken, wel draagt het bij aan een algemeen inzicht, het werkt als een soort bedding voor het vertalen. Ik heb ook altijd iemand die meeleest. Die dingen ziet die ik over het hoofd zie. En ik begin elke dag met de tekst terug te lezen van de vorig dag.’


    Is vertalen het opnieuw vertellen van het verhaal en hoe vrij ben je in het vertalen.

    ‘Opnieuw vertellen wordt algauw parafraseren. Maar dat verschilt per taal waaruit vertaald wordt. Als je een taal hebt waarbij de zinsbouw totaal anders is dan wordt het meer een hervertellen. De Engelse taal  staat veel dichter bij het Nederlands dan bijvoorbeeld Chinees. Het zou heel interessant zijn te weten wat de fundamentele verschillen zijn tussen het vertalen uit verschillende talen. Ook bij het Italiaans, (wat ze in het begin ook  heeft gedaan Iv/dG), is het noodzakelijk de zinsopbouw los te laten. Bij het Engels ook wel, maar minder. En bij Woolf moet je altijd weer goed kijken naar de originele woordschikking binnen de zinnen, omdat ze daar een bedoeling mee heeft, het is een aspect van haar stijl, net als de vele herhalingen en alliteraties in haar werk, daar wil ik dan wel aan vasthouden. In een drukproef zie ik meestal pas waar het teveel of te geforceerd is en waar het er uit kan.’ 
Hoewel een vertaler niet het verhaal opnieuw hoeft te vertellen, blijven er dingen in het hoofd van de vertaler spelen gelijk als bij een auteur. Het zoeken naar de vertaling van een uitdrukking kan blijven doorspelen tot er zich de best vorm aandient, dat kan zijn als bij ingeving, zoals ook een auteur zijn tekst wikt en weegt.


    Het schijnbaar hoogste wat je kunt bereiken als vertaler (schreef een recensent over de vertaling door Erwin Mortier van Between the Acts van Virginia Woolf) is als de Nederlandse lezer vrijwel hetzelfde leest als de Engelse lezer.

    ‘Eigenlijk is dit onmogelijk, zegt De Lange. De beleving van een woord is in iedere taal verschillend. Het effect op een lezer in de jaren dertig is sowieso anders dan op die van nu, ook bij Engelse lezers. Ik begrijp dat die recensent de vertaler een compliment wilde maken maar het klopt niet. Natuurlijk streef je er wel naar om een boek in vertaling dezelfde waarde mee te geven, en de zinnen moeten natuurlijk lezen alsof ze in het Nederlands zijn geschreven. Maar als het boek exact hetzelfde effect op de Nederlandse lezer moet hebben als op de Engelse dan zou je wat ze noemen een Hema-vertaling moeten maken en alles vernederlandsen. De plaats- en straatnamen krijgen dan Nederlandse namen en een muffin wordt een bitterkoekje.
    Een voorbeeld: onlangs was er tijdens de Swchob-Leesclub van De jaren onder leiding van Elsbeth Etty een jongeman die bepaalde dingen miste in het boek. Hij had in het laatste hoofdstuk (dat in de jaren dertig speelt) wel meer willen weten over de oorlogsdreiging. Maar ik denk dat die er voor de lezers destijds, die er middenin zaten, duidelijk in aanwezig was, terwijl die dreiging voor de jonge lezer van nu (ook de Engelse) minder duidelijk is.’


    Als het boek vertaald is hoe dicht ben je dan het verhaal en de schrijver genaderd?

    Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken. Dan is het consistent. Het voelt heel eigen en bij een boek als dit, waarin de auteur echt het hele boek lang met één stem spreekt, in een heel bewust gekozen stijl, zou ik ook niet met iemand kunnen samenwerken.’
    Na het afronden van een vertaling volgt het afstand nemen en komt er weer ruimte voor nieuwe projecten. Barbara de Lange kan zich erop verheugen in de toekomst nog meer modernisten te vertalen, en noemt Henry Green. Ook het her(ver)talen van Jacob’s Room en To the Lighthouse van Virginia Woolf staan op haar lijstje.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Literaire boulimia

    Books are a load of crap. De man die dit schreef was schrijver en bibliothecaris maar soms kwamen de boeken hem kennelijk de keel uit. U kent het gevoel. Heeft u ook dit jaar weer veel te veel gelezen – en daardoor te snel, oppervlakkig en met te weinig vrucht en plezier? De verveling. De weerzin. Tijd voor goede voornemens, de jaarwisseling komt eraan.

    Waarom kwellen wij, lezers van belletrie, onszelf zo? Omdat we niets beters te doen hebben. Omdat we snakken naar wijsheid en kennis. Om mee te kunnen praten. Om te voldoen aan een antiek beschavingsideaal. Of domweg omdat we nu eenmaal die gewoonte hebben ontwikkeld en Holle Bolle Gijs het voorgoed heeft gewonnen van de fijnproever. Achter al deze zinnen mag u een vraagteken zetten; geef dan wel eerlijk antwoord.

    Aan hoeveel boeken heeft een mens eigenlijk genoeg? Onmogelijke vraag. Vergelijk het met eten en drinken. Hele volksstammen zuchten onder de strijd tegen overgewicht. Met aanzienlijk minder calorieën zouden ze beter af zijn. Ze? We! Zou dat niet ook gelden voor geestelijk voedsel?

    Als we nou eens minder snacken en grazen en slechts degelijke voeding tot ons nemen, met ampele tijd voor het verteren van zo’n ‘eenvoudige doch voedzame maaltijd’, wat zou dat met ons doen?

    Want dat willen we toch: dat lezen iets met ons doet, dat we niet onberoerd blijven. Maar lezen & schrijven is zo langzamerhand ingebakerd in een cocon van publiciteit en amusement en dus van mode. ‘Wat, heb je de nieuwe Wieringa niet gelezen?’ Antwoord daarop maar eens dat je zelfs nog nooit van die naam hebt gehoord.

    Ja, als je niet uitkijkt bepaalt de mode het menu. Wat een tijdverspilling! Straks ga ik dood en moet ik bekennen dat ik m’n maag heb bedorven met de pillen van Van der Heijden en niet ben toegekomen aan Multatuli. Of omgekeerd. Wie zei ook alweer: ‘We lezen heel ons leven fout’?

    Elke boekenwurm zou zijn hoogst eigenzinnige spoor door het boekenaanbod van pakweg de afgelopen drieduizend jaar moeten vreten, in plaats van telkens opnieuw naar de gaarkeuken te gaan. Want het gaat per slot van rekening niet om de boeken op zichzelf, het gaat om de wisselwerking tussen het boek en u.

    Luister, lezen is een gesprek. Twee stemmen klinken en een daarvan is de jouwe, ook al besef je dat niet meteen. Je bent in goed of slecht gezelschap en die ander voert ‘de strijd om het oor’, zoals Milan Kundera dat ooit noemde. De chemie tussen een sensibel, intelligent mens en De Smurfin, ik noem maar een dwarsstraat, is vele malen groter dan die tussen de plichtmatige lezer en zijn bestsellerskost of zijn keuze uit de canon. Je reinste alchemie! De goede lezer is als Repelsteeltje en maakt goud uit vlas.

    Wie durft vol te houden dat een goed boek in één lezing begrepen en genoten kan worden? Maar waarom herlezen we onze toppers dan niet telkens opnieuw? In de kloosters spreekt men wel van lectio divina: lezen met maximale aandacht totdat je ergens door gegrepen wordt, en dan: herkauwen. Ruminatio. Een passage, een regel, een woord. Een denkbeeld. Kauwen tot je de laatste druppels tot je hebt genomen. Lezen als voeding. ‘De dichter is een koe’, zei Achterberg, en de ware lezer is dat ook.

    Klinkt dit u als een rare middeleeuwse praktijk in de oren, luister dan naar de hoofdpersoon van Zen en de kunst van het motoronderhoud. Het boek is uit 1974 en maakte destijds veel furore. Over het gezamenlijk lezen met zijn zoon zegt de vader: Ik lees een paar zinnen voor, wacht op de stortvloed van vragen waar hij doorgaans mee komt aanzetten, geef antwoord en lees opnieuw een paar zinnen. Klassiekers laten zich op deze manier goed lezen. Zo zullen ze ook geschreven zijn. Soms lezen en praten we een avond lang en blijken we niet meer dan twee of drie bladzijden te hebben gelezen. Zo lazen ze honderd jaar geleden. (…) Als je dit nog nooit hebt gedaan weet je niet hoe plezierig het is.’

    Nog een stap verder brengt ons bij het memoriseren van een tekst. Geen betere manier om een tekst door en door te leren kennen dan hem voorgoed in je hersenpan op te slaan. In Natuurlijk bestaat God, het bijzonder leuke boek van Herman Hissink, lezen we hoe hij regelmatig zijn schat aan uit het hoofd geleerde gedichten doorneemt en opfrist. Uit eigen ervaring weet ik wat een bevredigende activiteit dat is.

    Nu zijn gedichten doorgaans kort, maar aan het slot van de film Fahrenheit 45, naar het boek van Ray Bradbury over een wereld waarin boeken streng verboden zijn, ontmoeten we de helden die hun leven wijden aan het redden van één enkele roman door hem uit het hoofd te leren: ‘Hello, I’m David Copperfield’. ‘Pleased to meet you, I’m Crime and Punishment.’ Dit is een verzinsel maar geen onmogelijkheid. In islamitische landen worden wedstrijden gehouden in het memoriseren van de Koran. Niemand doet mee die minder dan de ganse schrift kent.

    Nog zo iets geks. We willen literatuur begrijpen in plaats van ons er aan over te geven. Lezen en herlezen maken dat we een boek leren kennen maar niet noodzakelijkerwijs dat we het snappen, en dat hoeft ook helemaal niet. Beter is het een roman te benaderen als een mens, als een schepsel met wie we een innige omgang hebben maar dat we nooit van z’n levensdagen zullen begrijpen. We begrijpen onszelf ook niet.

    Bij gedichten wordt deze leeshouding geaccepteerd, bij proza zelden. En toch: begrip is saai en vaak stereotiep, een reductie tot clichés. Daar gáát je leesplezier.

    Maar ja, we willen er over praten, liefst een beetje deftig, want belezenheid speelt een rol in het sociale verkeer (althans, in bepaalde kringen en op voorwaarde dat je de ‘juiste’ titels weet te noemen). Het speelt een rol in de groepsvorming en in het uitdragen van een zelfbeeld. En hup!, daar rollen de gemeenplaatsen, de sjablonen en het jargon ons al van de lippen.

    Philip Larkin, de dichter van de regel waarmee dit stukje begint, had nog wel meer over boeken te zeggen. In een gelegenheidsgedichtje bezong hij de de universiteitsbibliotheek in Hull, waar hij werkte. Let vooral op de slotregel:

    New eyes each year

    Find old books here,

    And new books, too,

    Old eyes renew;

    So youth and age

    Like ink and page

    In this house join,

    Minting new coin.

    Uw boek mag oud zijn of nieuw en in de mode of obscuur en hoge kunst of triviaal leesvoer, u leest het voor het eerst of voor de zoveelste keer, verplicht of uit vrije keuze – dondert allemaal niet: slechts wanneer de alchemie tot stand komt waarin klinkende munt wordt geslagen, d.w.z. waarde wordt gecreëerd, hebben we recht op een verblijfsvergunning voor de republiek der letteren.

     

     

     

     

  • De lezer aan de ketting

    Momenteel lees ik Winter in Gloster House van Vonne van der Meer. Het lag op me te wachten in de bieb bij de teruggebrachte boeken, een fijne manier om boeken te ontdekken die ik anders zou zijn misgelopen. Het plezier van toevallige ontmoetingen!

    Ja, je kunt lezen alsof je bezig bent aan Eliza’s vlucht uit De hut van Oom Tom: springend van schots naar schots, zonder te weten waar je je volgende stap zult zetten. Door Van der Meers boek – dat in bijna sprookjesachtige vorm stelling neemt tegen het euthanasiasme, bijzonder boeiend – zou ik bijvoorbeeld weer eens iets van haar echtgenoot Willem Jan Otten kunnen gaan lezen, want ze gebruikt beeldspraak die ik herken uit diens Gerichte Gedichten: de pluizenbol van de paardenbloem, ketsende steentjes over het water. De titel stuurt me naar Shakespeare’s King Lear. Achterin noemt Van der Meer verschillende boeken van zichzelf, zoals je vroeger in een Suske en Wiske wel eens een voetnoot tegenkwam waarin werd verwezen naar een eerder avontuur.

    Zo hoeft een mens nooit lang na te denken over zijn volgende boek. Grappig, deze keten van toevalstreffers geeft me paradoxaal genoeg een gevoel van vrijheid, doordat hij me bevrijdt van mode en conformisme in de keuze van mijn lectuur.

    Zo heb ik het afgelopen half jaar mijn tanden stuk gebeten op Mijn heldere afgrond van Christian Wiman. Ik had erover gelezen bij Otten, die het vertaald heeft, en bij Stevo Akkerman. Het gaat over God en poëzie, lijden en dood. In taal, stijl – zoekend, hardop denkend – en sowieso qua onderwerp is het op en top een boek van Otten.

    Zijn vertaalwerk is niet alleen opvallend doordat je Ottens eigen stem lijkt te horen maar ook doordat hij neologismen verzint. ‘Pointless’ vertaalt hij met ‘puntloos’ en ergens staat ‘uitpieteren’ waar in het origineel naar ik aanneem ‘peter out’ staat. Op internet las ik trouwens dat hij de tekst enigszins gekuist heeft. Geen schuttingtaal zoals in het origineel.

    Doordat het boek zo op en top ‘een echte Otten’ is, twijfelde ik aanvankelijk aan de herkomst. Had hij misschien een nieuw boek gepubliceerd onder het mom van een vertaling? Die naam, Christian Wiman, had die niet veel weg van een pseudoniem? De ‘Christelijke Waarom-mens’? Maar nee, het internet leerde me dat Wiman bestaat. Boekbesprekingen, interviews, filmpjes op YouTube.

    Ik klikte een filmpje aan waarop hij een lezing houdt en toen gebeurde het: ik ontdekte een schrijver. Maar niet Wiman.

    Die begint zijn voordracht met een gedicht, en dat doet hij bijzonder goed: met grote ernst, indringend, langzaam en duidelijk articulerend. Hij richt zich tot zijn toehoorders als iemand die iets van groot belang wil overbrengen. Ik was meteen verkocht.

    Wiman voltooide zijn voordracht en ik bleek te hebben geluisterd naar het gedicht ‘The City Limits’ van A.R. Ammons. Nooit van gehoord.

    When you consider the radiance, that it does not withhold
    itself but pours its abundance without selection into every
    nook and cranny not overhung or hidden; when you consider
    that birds’ bones make no awful noise against the light but
    lie low in the light as in a high testimony; when you consider
    the radiance, that it will look into the guiltiest
    swervings of the weaving heart and bear itself upon them, (…)

    Zo begint het. De hele voordracht vindt u hier.

    Een indrukwekkend gedicht van een onbekende dichter: de gedachte dat er misschien een heel boek, wat zeg ik: een compleet oeuvre op me ligt te wachten, maakt me niet alleen nieuwsgierig maar ook hebzuchtig. Dat pakt soms faliekant verkeerd uit. Ooit heb ik het Verzameld Werk van P. N. van Eyck gekocht, onder de indruk als ik was van zijn gedicht ‘Gij zijt mij overal nabij’. Het gedicht ken ik nog altijd uit mijn hoofd; de zeven dundrukdeeltjes fungeren sinds jaren als boekensteun.

    En nu bezit ik dan Selected Poems van Ammons. Ik moet me de gedichten eigen gaan maken, een heel werk en altijd een ambivalente onderneming, want voor een verborgen schat moet je moeite doen. Je moet je niet door duisterheden uit het veld laten slaan of door alle woorden die je moet opzoeken. Je moet wennen aan stem en idioom. Proeven en keuren. Dat vraagt tijd en herhaalde aandacht. Ik moet, net als de straling uit het gedicht, m’n licht laten schijnen over alles wat zich aandient.

    Wie weet vind ik goud. Dankzij YouTube. Dankzij Wiman. Dankzij Akkerman. Dankzij Otten. Want een schrijver mag volgens Adriaan van Dis uit vele lezers bestaan, een lezer bestaat uit vele schrijvers. Zoals er een keten bestaat van boeken die op je pad komen, zo is er ook een keten van estafettelopers die je die boeken bezorgen.

     

  • Kansen en onmogelijkheden

    Vallende kastanjes en overal eikels en beukenootjes, op de grond en aan de bomen. Voor het vierde jaar in successie beleven de Nederlandse beuken en eiken een ‘mastjaar’: overvloedige productie van zaad. Normaal schijnt dat om het jaar te gebeuren. Goed nieuws voor de Vlaamse Gaaien in mijn tuin en voor de wilde zwijnen.
    Herfst in Thijsse’s Hof, de ‘Planten- en vogeltuin in het Bloemendaalsche Bosch’, zoals het parkje zichzelf noemt. Aandoenlijke groepjes kleine kinderen gaan rond, om opdrachten te doen. Er is een heel parcours voor hen uitgezet. Ze krijgen ‘biologieles in de geest van Thijsse’, de geluksvogels.

    Vroeger was ik vooral van de vogels, maar ik richt me de laatste tijd op de plantenwereld. Of hebben de vogels míj verlaten en raak ik verstrikt in de opdringende vegetatie? Ja, hoe ontspruiten je voorkeuren, waarin vinden je interesses hun grond?
    Ik kan nog geen esdoorn van een iep onderscheiden, geen boerenwormkruid van kamille. In Thijsse’s Hof zetten ze naambordjes bij de planten en dat scheelt me een hoop geblader in de flora.
    Ergens staat een grote loep opgesteld. Ik werp er een blik door en zie zaadjes als spinnetjes, als pissebedden, als exotisch fruit. De oneindige variëteit van de vormen van de natuur! Ernst Haeckel schreef er Kunstformen der Natur over, dat zijn sporen naliet in de decoratieve kunsten van rond 1900, zoals onder meer te zien is in het Scheepvaarthuis in Amsterdam.

    Zaden. Net als met stuifmeelkorrels maakt iedere plantensoort er zijn eigen kunstwerkjes van, en die bevatten dan ook nog eens een wonder aan levenskracht en software. Zaden van enkele duizenden jaren oud zijn tot ontkieming gebracht en een korreltje kleiner dan zand, soms zo fijn als stof, draagt van een glorieuze plant de blauwdruk in zich. Sta daar eens bij stil, de volgende keer dat u in een maanzaadbroodje hapt.

    In het gedicht ‘Snow’ zegt Louis Macneice:

    World is crazier and more of it than we think,
    Incorrigibly plural. I peel and portion
    A tangerine and spit the pips and feel
    The drunkenness of things being various.

    Zo’n uitgespuugde pit draagt in beginsel een boom in zich. Elke soort uniek, elk exemplaar eveneens: ‘incorrigibly plural’.

    Bij J. C. van Schagen vinden we die pitten ook:

    ik sta pitten van een bordje te schrapen
    boven het vuilnisvat
    het is nog heel vroeg
    een zuivere morgen
    en dan komen er tranen
    van een volkomen geluk

    Het nietige tegenover het kosmische, en dan het besef dat het kosmische in het nietige besloten ligt – wie zou er níet tranen van in de ogen krijgen? Vreemd, hoe het raadselachtige en wonderbaarlijke vaak tot ons komen in de vorm van schoonheid.

    Ook van Leopold bestaat een gedicht over zaad en vrucht, in dit geval de appel en de pit:

    Gerimpelde reinette, pippeling,
    geprezen roem der voorraadschuren (…)

    Met deze klaroenstoot begint het, en aan het eind komen de pitten, die de toekomst in zich dragen, een toekomst die, geheel in overeenstemming met de evolutieleer, zowel gedetermineerd is als vrijheid biedt:

    met de kastanjehouten pitten
    opvolgend lot en nieuwe kansen.

    Eigenlijk zijn die kinderen in Thijsse’s Hof ook een soort zaailingen, nog maar pas ontsproten aan het zaad (nee, heren, wat u zaad noemt is sperma en dat is heel wat anders). Ook zij zijn dragers van ‘opvolgend lot en nieuwe kansen’. Hoe zullen ze zich ontwikkelen, wat zal er uit hen groeien? Zal de liefde voor de natuur die nu op hen wordt geënt, aanslaan? Zal het natuuronderricht vrucht dragen?
    Opvoeding en onderwijs hebben zich vanouds gespiegeld aan de tuinbouw. Onze taal, denk ook aan woorden als seminarium en kweekschool, getuigt daarvan. De mens als gewas, onderhevig aan de seizoenen en niet in staat vrucht te dragen voordat de tijd rijp is en dan nog uitsluitend de eígen vrucht. Niet voor niets gaf Multatuli zijn Ideeën als motto mee ‘Een zaaier ging uit om te zaaien’, wat hij trouwens weer had uit de parabel in Mattheüs 13.

    De vogels heb ik niet helemaal achter me gelaten. Laatst zag ik een foto van een kolibrienest met twee jongen erin. Naast het nest hield iemand een dollarmunt omhoog: nest en geldstuk waren even groot. De eitjes van deze vogels waren, zo luidde het bijschrift, ‘niet groter dan een tic-tac’. Je zou ervan uit je dak gaan, zoals Felix Timmermans’ held Pallieter telkens opnieuw overkomt als hij de natuur in trekt. De ‘drunkenness’ van Macneice.

    Hier past een tegenstem. De pitten van Van Schagen belanden in de vuilnisbak en Leopold spreekt over een mogelijkheid, niet over wat er feitelijk gebeurt nadat zijn hospita de tafel heeft afgeruimd. En de eikels en beukenootjes in Thijsse’s Hof kraakte ik met wellust plat onder mijn schoenen. Niks ‘nieuwe kansen’, moeder natuur is spilziek gelijk Onan. Wat zal er van die kinderen worden?

    De Amerikaanse dichter A. R.  Ammons schrijft in ‘Garbage’:

    what are we to think of the waste, though: the
    sugarmaple seeds on the blacktop are so dense,
    the seedheads crushed by tires, the wings stuck
    wet, they hold the rains, so there’s no walkway
    dry: so many seeds, and not one will make a
    tree, excuse the expression: what of so much
    possibility, all impossibility (…)

     

  • Het verlangen van Nescio

    Een enkel woord betekent soms meer dan je denkt. Je moet het kraken als een noot om te ontdekken wat erin schuil gaat.
    Waarom bijvoorbeeld heet Nescio’s derde verhaal, dat over de ongelukkige Eduard, eigenlijk Dichtertje? De hoofdpersoon heeft weliswaar een bundel gepubliceerd en de kritiek noemde hem veelbelovend, maar hij is in de eerste plaats echtgenoot, vader, kostwinner, kantoorman. Die kwaliteiten domineren zijn bestaan. Hij is een burgerman. Dichten is vooral wat hij níet doet.

    ‘Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht, om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan al ’t onverschillige levende en doode, dat maar deed of hij er niet was en zich wederom zat wilde vreten tot ’t alles opgevreten had en alleen over was met ’t niet.’

    Twee zielen huizen in de borst van deze burgerman. De ene ziel hunkert naar erotiek, en dat overheerst ogenschijnlijk in dit verhaal. Hij valt voor Dora, nota bene zijn schoonzusje, en Dora valt voor hem. De duivel kijkt op zijn horloge: ‘Kwart over achten. Consummatum est’.
    Het loopt niet goed af, ook al is het waar hij van had gedroomd: ‘Een groot dichter te zijn en dan te vallen. (…) De wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een dichteres’.
    Dora ís helemaal geen dichteres. Toch noemt Eduard haar in gedachten zo. Waarom? Ze is een aantrekkelijk, hooggestemd meisje dat van zichzelf zegt: ‘Ik leef altijd op den top’, nadat Eduard haar heeft voorgehouden: ‘God brengt ons op een hoogte, om ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet’.
    Dit is ziel nummer twee die spreekt, en die is het die van Eduard een ‘dichter’ maakt.

    Maar ‘dichter’ betekent bij Nescio iets anders dan ‘schrijver van gedichten’, en ook ‘dichterlijk’ moeten we niet in de geijkte betekenis opvatten.
    Zo lezen we in ‘Najaar’, een verhaal uit 1922: ‘Hij zei dat i een dichter was. Dat zeidi zoo thuis en onder vrienden. In zaken paste-n-i wel op. Gedicht hatti nog nooit iets. Thuis zeiden ze: ‘Juist pa, U is een dichter. Uw das zit scheef. Pa, past u op met oversteken, dat U niet onder de tram raakt?’
    Hier hebben we een dichter die niet dicht.

    In de inleiding bij Boven het dal, uit 1942, noemt hij het stukje ‘Eerste ontroering’ zijn oudste ‘dichterlijke herinnering’. Hierin beleeft de jonge Nescio, in korte broek, in Artis een soort epifanie: hij ziet hoe de avond niet valt maar opstijgt uit de aarde, een blaadje dwarrelt neer en hij ondergaat én tijd én tijdeloosheid en wordt overvallen door het besef dat ‘alles goed’ is.
    Niets over rijm of metrum. Geen versvoet te bekennen onder die korte broek. Het ‘dichterlijke’ moet hier wel in het mystieke van de belevenis zitten.

    Een vergelijkbare ervaring beschrijft hij in ‘Pleziertrein’, en hij verbindt dat verhaaltje met ‘Eerste ontroering’ door het te beginnen met de woorden ‘Ik heb nog een oudere herinnering’. Het speelt in 1896, ‘Eerste ontroering’ een jaar later. Nescio was van 1882.
    Ook hier gelijktijdig de weemoed om het tijdelijke en ‘een vreemd gevoel van onvergankelijkheid’. Hij ziet hoge bomen en hoort ”t zachte koeren van die duif in de eeuwigheid, dat steeds weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoogopgaand weelderig geboomte zie’.

    Terloopse indrukken die hem wonderlijk raken. De herinneringen vergezellen hem de rest van zijn leven. Nog in 1944 schrijft hij: ‘En toen herleefde in eens de 30ste Juli 1896, die eigenlijk nooit helemaal dood was geweest, maar altijd zoo een beetje nog in me had geleefd door die duif.’
    Ook het dwarrelende blaadje uit ‘Eerste ontroering’ zou hem bijblijven. De hoofdpersoon van ‘Najaar’, Janus, kijkt uit het raam van z’n stille kantoor, ziet een blad vallen en mijmert: ‘Zes November 1922 (…), zoo viel een blad den 6den November 1898, toen ik een jongen was’.
    In Brieven uit Veere komen we een derde ‘ontroering’ tegen, uit 1908. Nog in 1951 komt hij erop terug. Hij ondergaat iets wat hij, bij gebrek aan beter, ‘Nirwana’ noemt, en ervaart net als indertijd in Artis: ‘Alles is goed en d’r kan niets dan goeds komen’.

    Ooit schreef de Engelse, veertiende-eeuwse mystica Julian of Norwich vrijwel hetzelfde: ‘All shall be well, and all matter of thing shall be well’, woorden die T.S. Eliot gebruikte in Four Quartets en die Pete Townsend op muziek heeft gezet. Maar ik dwaal af.
    Een blad, een boom, een duif, het zijn niet zomaar natuurverschijnselen, het zijn tekenen. Ze getuigen van iets. Nescio leefde in een bezielde wereld. Ook zijn Natuurdagboek getuigt daarvan. Daarover schreef Kees Fens indertijd dat hij zich niet aan de indruk kon onttrekken dat er een mysticus aan het woord was. Dát is het ‘dichterlijke’ van Nescio.
    Zou hij de beschouwing ‘Het verlangen’ van de dichter J.C. Bloem hebben gekend? Deze verscheen in 1915 in het tijdschrift De Beweging. Daarin schrijft Bloem over het verschil tussen ‘den dichterlijken mensch (in de ruimsten zin des woords)’ en ‘den ondichterlijken’. Die twee worden gescheiden door ‘het verlangen’: ‘niet de ontevredenheid om een gemis, die een leven, dat overigens zo kalm als een sloot zou zijn, vertroebelt met haar slijmerig kroos; het is de goddelijke onvervuldheid, die, wel verre van ons het leven tot een last te maken, ons juist den anders onduldbaren last des levens doet dragen niet alleen, maar zelfs boven al beminnen’.
    Ook hier verwijst ‘dichterlijk’ niet naar het poëtische maar naar het religieuze. De ‘goddelijke onvervuldheid’ is het licht waarin Dichtertje en Nescio leefden, ook al woonden ze allebei in het dal der plichten.

    Is hiermee de noot gekraakt? Bedenkt u zelf waarom de schrijver, net als bij Titaantjes, in de titel geen lidwoord gebruikt en wel een verkleinvorm.

     

     

  • Het stille geweld van dromen

    Op 19 januari jongstleden pleegde K. Sello Duiker  (30) zelfmoord. Duiker – een veelbelovend Zuid-Afrikaans auteur – verwerkte veel autobiografische elementen in zijn werk. Drugs, geweld, homoseksualiteit en de zoektocht naar identiteit spelen een grote rol in zijn romans. 

    In Het stille geweld van dromen de tweede roman van Duiker  zien we het hedendaagse Kaapstad door de ogen van verschillende personages, onder andere een jonge, zwarte vrouw die door veel zelfreflectie haar relaties met mannen probeert te doorgronden; een aantal blanke en mannelijke prostituees, die voornamelijk bezig zijn met zichzelf, het dragen van de juiste kleding en het ontlopen van alle risico’s die hun vak met zich meebrengt; en enkele psychiatrisch patiënten, die het hoofd boven water proberen te houden.

    Hoofdpersoon in Het stille geweld van dromen is echter Tshepo, een intelligente, zwarte jongen die – op zijn zachts gezegd – al een hele geschiedenis heeft: zijn vader heeft zich omhooggewerkt in de maffia en liet zijn moeder, voor de ogen van de jonge Tshepo, verkrachten en vermoorden.

    Tshepo is – net als het Afrika dat Duiker schetst – voornamelijk op zoek naar zijn eigen identiteit. Net afgestudeerd aan de universiteit vindt hij – nadat hij een tijdje opgenomen is in een psychiatrische inrichting – werk in een restaurant in Kaapstad. Terwijl hij bezig is een eigen leven op te bouwen, wordt hij afgeperst door zijn huisgenoot, die er voor zorgt dat hij zijn baan verliest. Wanhopig in geldnood, besluit hij bij een luxe massagesalon te gaan werken en onder de naam Angelo begint hij als ‘zwarte dekhengst’ te werken. Hij verdient goed, besteedt veel geld aan zijn uiterlijk en het lijkt hem voor de wind te gaan.

    Hoe beter het op materieel gebied met Tshepo/Angelo gaat, des te slechter gaat het mentaal met hem. Hij wordt zich meer en meer bewust van zijn seksuele geaardheid en de maatschappelijke gevolgen van zijn huidskleur.

    In een directe stijl met korte zinnen en korte hoofdstukken lukte het Duiker een overtuigend beeld neer te zetten van zijn verschillende personages en hun maatschappelijke ideeën. De moderne stadscultuur wordt – met al haar onzekerheden, rellen en geweld –  blootgelegd. Duiker verwerkte flarden van talen als het Sesotho, het Xhosa en het Afrikaans in zijn verhaal, wat het verhaal extra sterk maakt.

    K. Sello Duiker (Zuid-Afrika, 1974 – 2005) debuteerde in 2000 met Thirteen Cents, waarvoor hij de Commonwealth Prize,  African Region ontving. Het stille geweld van dromen werd bekroond met de Herman Charles Bosman Prize 2001 en werd genomineerd voor de Impact Dublin Literary Award 2002.
     
    Het stille geweld van dromen
    K. Sello Duiker
    Oorspronkelijke titel: The Quiet Violence of Dreams
    Vertaald uit het Engels door Robert Dorsman
    De Geus/Novib 2003
    ISBN 9044503324

    AMvdP

    Foto: overgenomen van http://www.nb.co.za/Kwela/kAuthorCV.asp?iAuthor_id=5246