• Twintig verhelderende essays

    Piet Gerbrandy is dichter, classicus, docent en essayist. In zijn boek Het woord en de wereld laat hij in ruim twintig essays zien hoe deze vier domeinen van zijn werkterrein samenkomen, sterker nog, noodzakelijk zijn in hun samenhang. De essays zijn geschreven tussen 2018 en 2024 en bestrijken diverse terreinen: van religie tot de klassieke oudheid, van filosofie, Griekse en Latijnse schrijvers tot aan moderne poëzie. Vanuit verschillende invalshoeken en wetenschappen hebben mensen volgens Gerbrandy geprobeerd antwoord te geven op de eeuwige vragen: ‘Wie zijn wij? Hoe staan we in de wereld? Wat is schoonheid? Hoe moeten we handelen?’

    Ook Gerbrandy zelf buigt zich over deze vragen, waarbij zijn dichterschap leidend is in zijn zoektocht naar antwoorden, zoals de ondertitel van dit boek al aangeeft: Duidingen van een dichter. Maar je zou deze ondertitel ook anders kunnen lezen: er staat immers niet: duidingen door een dichter. Je zou je ook kunnen afvragen welke dichter er geduid wordt. Want dit boek gaat over veel dichters, die allen zoeken naar wat zij ‘aan de wereld kunnen toevoegen.’

    Poëzie als middel tot begrijpen

    Alles wat mensen naar elkaar willen overbrengen, geschiedt door middel van taal die ‘zowel verheldert als vertroebelt.’ In den beginne was het woord en dan met name beeldspraak en metafoor, zegt Gerbrandy. ‘Het is het enige gereedschap dat ons […] ten dienste staat om greep te krijgen op het geheel waarvan we zelf deel uitmaken.’ Poëzie zou daarbij het middel bij uitstek zijn om te begrijpen ‘wie, wat en waar we zijn’ omdat zij zich het meeste bedient van beeldspraak. Hij haalt daarom ook Aristoteles aan: ‘Poëzie onderzoekt wat het is te zijn’.

    Verrassend genoeg begint Gerbrandy zijn zoektocht naar samenhang en betekenis niet bij de hem zo vertrouwde klassieke oudheid, maar bij de dichter Lucebert (1924-1994) en het geheim dat hij zijn hele leven bij zich droeg. Namelijk dat hij nazistische en antisemitische opvatting zou hebben gekoesterd terwijl hij zich eerst keerde tegen oorlogsgeweld en onderdrukking. Gerbrandy onderzoekt of er in Luceberts poëzie sporen zijn aan te wijzen die duiden op sympathie voor het gedachtegoed van de nazi’s. Een gedegen analyse waarbij Gerbrandy diep ingaat op enkele gedichten van Lucebert en tot verrassende conclusies komt, maar nergens een oordeel velt.

    Heldere taal

    Andere dichters wier werk zorgvuldig en indringend wordt onderzocht zijn onder anderen Gorter, Sasja Janssen, H.C. ten Berge, Hans Faverey en Annemarie Estor. Het betoog van Gerbrandy over het werk van deze dichters is scherpzinnig en verrassend en biedt verschillende nieuwe inzichten in de analyse van poëzie. Belangrijk is dat hij zich in deze analyses niet verliest in vage bespiegelingen. Dat maakt zijn essays buitengewoon leesbaar, ook al zou je nog nooit iets hebben gelezen over de onderwerpen die Gerbrandy tegen het licht houdt. Niet iedere lezer beheerst de kennis van Grieks of Latijn, maar dat hoeft geen belemmering te zijn om deze essays te lezen; Gerbrandy neemt je mee naar de klassieke oudheid, waar hij je rondleidt en je nieuwsgierig en enthousiast maakt over alles wat hij erbij vertelt.

    Zoals bijvoorbeeld de essays over de Romeinse dichter Ovidius en zijn Metamorfosen, de Griekse Pindarus of de verteller Claudius Claudianus, over wie Hella S. Haasse Een nieuwer testament schreef. Het is Gerbrandy’s grote kracht dat hij het gedachtegoed van deze mensen naar onze tijd kan halen door te laten zien dat hun verhalen en mythen van alle tijden zijn:

    ‘Er is geen definitieve interpretatie, en iedere versie heeft evenveel bestaansrecht. het lichaam van de mythe trekt bij elke herneming een ander kleed aan, een weefsel van woorden die ertoe uitnodigen betekenis toe te kennen aan wat zich mogelijk onder de taal bevindt.’

    Nieuw licht op de bijbel

    Van de Klassieke Oudheid en haar goden is het een kleine stap naar een hoofdstuk over het ontstaan van offeren en dan vooral de overgang van mensenoffers naar het doden van dieren vanuit een religieuze overtuiging. Gerbrandy geeft een verklaring die aannemelijk is: ‘In eerste instantie is het waarschijnlijk een sociaal automatisme geweest: ik neem iets, dus ik moet iets geven. Het omgekeerde geldt eveneens: ik geef iets, dus mag ik verwachten iets te krijgen.’ Later wordt het offer getransformeerd tot een zoenoffer voor eerwraak tussen twee strijdende partijen om verder bloedvergieten te voorkomen.

    Ook het Christendom kent mensenoffers: de kruisiging van Christus, die Gerbrandy een ‘Unschuldskomödie’ noemt, ‘een vorm van ritueel gesjoemel’, omdat ‘zowel offeraar als slachtoffer wist dat de laatste na zijn dood opnieuw zijn comfortabele positie naast zijn vader zou kunnen innemen.’

    Gerbrandy noemt zichzelf een ‘ex-gereformeerde classicus’ en werpt vanuit die positie een geheel nieuw licht op de Bijbel en verschillende verhalen daaruit. Vooral zijn verhandelingen over het Hooglied en het verhaal over Job zijn verrassend en de bevindingen van Gerbrandy zijn goed onderbouwd. Hij komt tot de volgende conclusie: ‘het is in de eerste plaats de literaire kwaliteit van Job die me omverblaast, maar de strekking als zou de mens niets vermogen ten overstaan van hogere krachten, of je die nu God, het Lot, het Toeval of de Natuur noemt, blijft onverminderd actueel.’

    Het belang van kennis vergaren

    De enige manier om je staande te houden in een verwarrende wereld is volgens Gerbrandy in zijn essay De vorstin der dingen, het vergaren van kennis over die wereld. Niet per se via het onderwijs, al kan dat wel een helpende hand reiken, maar vooral door verhalen en door poëzie, omdat de literaire traditie universele waarheden bevat die via symbool en metafoor worden overgeleverd. Waarheid en werkelijkheid worden duidelijk door ze in taal te vatten. Taal en teksten geven inzicht in ons bestaan. Een brede intellectuele ontwikkeling is noodzakelijk om je te kunnen weren in het maatschappelijke leven. ‘Eruditie is niet ouderwets. Eruditie zou de 21st century skill bij uitstek kunnen zijn.’ Gerbrandy pleit voor een samengaan van traditie en experiment bij het verwerven van kennis.

    Een voorbeeld daarvan geeft hij als hij in de Metamorfosen van Ovidius en het Symposium van Plato verbinding legt met de hedendaagse maatschappij: de verkrachting van vele vrouwen door Zeus. de oppergod van het Griekse godendom, de huidige Me too– beweging en de Epstein files hebben te veel overeenkomsten om te negeren als het gaat om man-vrouw-verhoudingen en de moderne opvattingen daarover. De bruggen over de kloof tussen vroeger en nu kunnen alleen geslagen worden door een grondige verdieping in de materie die te vinden is in de literatuur, de dichters en de taal. Lees Gerbrandy en word wijzer.

     

     

     

    Titel

    Titel

    auteur

  • Verhalen over dood, magie en geesten

    De aanslag op Salman Rushdie in 2022 noodzaakte hem eerst helder te krijgen wat die daad voor hem betekende. Hij deed er verslag van in Mes. Dat boek moest er komen voor hij weer ruimte voelde voor nieuwe fictie. Die is er nu in de vorm van vijf verhalen in de bundel De levensavond. Ze gaan over verschillende aspecten rond de dood: het sterven, verlies, de geest van doden en verdwijningen. In enkele gevallen gaan ze zelfs over wraaknemingen door de overledenen.

    Het eerste verhaal waarin dat gebeurt is ‘De muzikante van Kahani’. Het heeft de lengte van een novelle met als hoofdpersonages de Indiase sitar- en pianospeelster Chandni en haar ouders Raheem en Meena Contractor.

    Business

    Raheem is hoogleraar wiskunde. Hij raakte in een depressie toen hij het bewijs had gevonden voor de Laatste Stelling van Fermat maar net voor hij dat kon publiceren verslagen werd ‘door een Engelse wetenschapper die beroemd werd en overladen met lof en prijzen, terwijl Raheem Contractor anoniem bleef’ (een verwijzing naar Andrew Wiles, die in 1994 het bewijs leverde).
    Zoals ook in ander werk gebruikt Rushdie hier een historisch feit om op basis daarvan over te stappen naar magisch realisme door dat feit in te bedden in een verhaal over andere werkelijkheden of droomwerelden.
    Raheem verlaat in zijn depressie zijn gezin en raakt bevriend met een sekteleider Shankar die er vooral op uit is een vermogen op te bouwen en seksorgies te organiseren (‘Meditatie was big business geworden’). Tot hij na drie invallen door de belastingdienst wordt ontmaskerd en vlucht met één van zijn drieënnegentig Ferrari-wagens.

    Muziek

    Ondertussen viert dochter Chandni triomfen als (concert)musicus. Daarin wordt ze tegengewerkt door de puissant rijke familie Ferdaus waarbinnen ze trouwt met een playboy. Ze wordt totaal door de familie ingepalmd; haar taak is te zorgen voor een stamhouder. Ze bevalt voortijdig van een dood kind en verlaat de familie om terug te keren naar haar ouders. Het Ferdaus-imperium gaat daarna ten onder omdat Chandni haar muziek weer oppakt en door de magie daarvan alle bedrijven van de familie ten gronde richt.

    Overigens zijn de uitweidingen over gedrag en leefwijze van het Ferdaus-imperium en de sekte van Shankar nogal clichématig. Menigeen zal het beeld dat hij er al van had gemakkelijk herkennen. Rushdie voegt daar geen nieuwe inzichten aan toe. Wel lardeert hij de beschrijvingen met erg veel humor.

    Arthur

    In het daaropvolgende verhaal ‘Ontijdig’ verbindt Rushdie opnieuw een historisch feit met een geesteswereld, al wordt dat pas gaandeweg duidelijk. En opnieuw is het een verhaal van wraak. De openingszin stuurt de lezer al meteen die kant op: ‘Toen Eredoctor S.M. Arthur wakker werd in zijn verduisterde slaapkamer in het College was hij dood’. (Later zal blijken dat nog van meer mythes sprake is: de letter M in de voornaam staat voor Merlijn en er volgen diverse verwijzingen naar de Arthursagen).
    Als geest kwelt deze Arthur zijn baas, Lord Emmemm. Hij neemt wraak voor wat deze hem heeft aangedaan door hem te beletten na de publicatie van zijn eerste boek zijn werk verder nog openlijk uit te oefenen. En dan blijkt Rushdie hier een magisch-realistische versie geeft van de lotgevallen van de kraker van de Enigma-code in de Tweede Wereldoorlog, Alan Turing. Die publiceerde, net als Arthur in ‘Ontijdig’, een belangrijk werk (over de Turingtest), maar mocht daarna alleen in het geheim bij het instituut blijven werken; hij werd vanwege zijn homofilie chemisch gecastreerd.

    Veranda’s

    Van de drie andere verhalen in De levensavond is het eerste van amper twintig pagina’s, ‘In het zuiden’, het meest innemende. Ook dit begint omineus met de zin ‘De dag dat Junior viel…’
    Junior is de buurman van een man die dezelfde naam heeft. Om de twee, die in leeftijd maar zeventien dagen verschillen, uit elkaar te houden wordt de andere Senior genoemd. Ze zijn het voortdurend met elkaar oneens, bijvoorbeeld over de vraag of het in het zuiden (vandaar de titel) van India beter wonen is dan elders. Ze kunnen echter ook niet zonder elkaar.
    De val uit de eerste zin is Junior fataal en laat Senior alleen achter: ‘De dood en het leven waren niets anders dan belendende veranda’s. Senior stond op de ene zoals hij altijd had gedaan en op de andere, hun traditie van vele jaren voortzettend, stond Junior, zijn schaduw, hem tegen te spreken’.

    Manuscripten

    De laatste twee verhalen in De levensavond zijn minder toegankelijk. In ‘Oklahoma’ heeft dat te maken met de ingewikkelde structuur en de talloze literaire verwijzingen.
    De verteller introduceert een manuscript van een zekere Mamouli Ajeeb uit India dat de dag voor hij stierf bij de uitgever werd bezorgd. Hij noemde het ‘een narratief dat onwaar is en dus waar, zoals dat gaat met fictie’. Hoofdpersoon in dat manuscript is op zijn beurt weer een personage, oom K, dat geobsedeerd is door verdwijningen en de dood. Er volgen er een aantal waarvan hij een lijst heeft aangelegd. Maar ook oom K. zelf verdwijnt met achterlating van zijn kleren op het strand. Het is onduidelijk of het een verdwijntruc is of dat hij echt is verdronken.
    Daarna wordt bij Ajeeb een pakje bezorgd van oom K met weer twee nieuwe manuscripten, deze keer naar aanleiding van een schilderij van Jeroen Bosch. Om die raadselachtige teksten te kunnen verklaren bezoekt hij tante K. die Ajeeb er echter vervolgens van beschuldigt dat hij het handschrift van oom K heeft vervalst…. Volgt u het nog?

    De titel ‘Oklahoma’ verwijst naar de belangrijkste vraag die oom K zich stelde: waarom voltooide Kafka zijn roman Amerika niet (Kafka brak die af op het punt waarop hoofdpersoon Karl Rossmann onderweg was naar Oklahoma).

    Meningsverschillen

    Ook het laatste stuk, ‘De oude man op de piazza’ laat zich niet gemakkelijk ontsleutelen. De oude man zit elke dag voor zijn café aan de piazza te luisteren naar de discussies op het plein. Aan de andere kant zit een vrouw die de belichaming van de taal is. Het gekibbel op het plein kent tijden waarop alleen ‘ja’ mag worden gezegd en later weer alleen ‘nee’. Het verhaal lijkt een parabel – zo komt het over met de gedachten aan de toenemende polarisering in onze tijd – over de teloorgang van de democratie, die juist gebaat is bij discussies en meningsverschillen waarbij naar elkaar wordt geluisterd.

    De levensavond

    De levensavond

    Salman Rushdie

    Translation by: Karina van Santen en Martine Vosmaer

    Uitgever: Uitgeverij Pluim (2025)

    ISBN 9789493420465

    256 pagina’s

    Prijs: € 24,99

    Buy with Libris
  • De geschiedenis herschrijven

    De korte roman Egelskop van de 37-jarige Teddy Tops uit Utrecht heeft als motto een gedicht van Ester Jansma. Hierin wordt ‘de tijd’ bevraagd en wordt geopperd onszelf voortdurend uit te vinden en in ‘het nu’ te bewaren. Tops heeft dat ter harte genomen in deze debuutroman. Zij beschrijft, bevraagt en herschrijft de tijd waarin wij en onze (groot)moeders leven en geleefd hebben. Wat er zou gebeuren als alles nog mogelijk was is het gedachte-experiment van waaruit ze een knip in de tijd maakt. Van daaruit worden de persoonlijke geschiedenissen van de hoofdpersonages Jo en Levi, die voor de Tweede Wereldoorlog zijn geboren, in het korte tweede hoofdstuk herschreven.

    In het lange eerste hoofdstuk ‘Bovengronds’ beschrijft Tops verschillende geschiedenissen. In de eerste plaats die van een ik-persoon van in de dertig. Als ze vier jaar jong is raakt de auto waarin ze met haar vader en moeder zit te water. Zij overleeft dat ongeluk, haar ouders niet. In zeven intermezzo’s worden de zeven minuten beschreven van het te water raken tot het verdrinken. Schijnbaar krijgen de hersenen vanaf minuut zes te weinig zuurstof en begint dan een fase van hallucinatie. Stel dat we in die hallucinatie blijven, oppert de vertelster, en de kloktijd niet meer geldt… Daarmee is de overgang naar het korte, tweede hoofdstuk ‘Ondergronds’ een feit. Het vervolg van het leven van de personages Jo en Levi krijgt een alternatieve wending. In dit laatste ‘wat als’-hoofdstuk loopt het defecte horloge van de verdronken moeder weer en bevinden we ons in het ‘nu hier’!

    Terug in de tijd

    De levensgeschiedenissen van Jo en Levi spelen zich twee generaties eerder af. Zij zijn de oma’s van de ik-persoon. Deze beide vrouwen hebben genoeg in hun mars, maar zijn helaas als vrouw geboren in de vroege 20e eeuw. ‘Mijn oma’s stierven ongelukkig, omdat ze moesten leven naar wat van hen verwacht werd,’ schrijft de ik-vertelster in het begin van de roman. Jo komt uit een straatarm turfstekersgezin uit het Drentse Erica dat vanwege perspectieven op een beter leven naar Brabant verhuist. Zij is dan nog maar één jaar oud. Daar levert Philips met zijn innovatieve gloeilampenfabriek werkgelegenheid, ook voor jonge vrouwen, de zogenoemde ‘lampenmeisjes’. Jo is geboren in een plaggenhut onder de grond, de Joodse Levi moet als jonge Amsterdamse tiener ondergronds om aan deportatie en een wisse Duitse dood te ontkomen. In 1941, zij is dan tien jaar, ‘verdwijnt’ haar moeder. Ze heeft haar voor het laatst gezien toen ze haar en haar zussen naar school had gebracht, zwaaiend vanaf de brug.

    Jo voert in haar jonge jeugd vage collaboratieklusjes uit, gaat na de Philipsschool voor de fabriek aan het werk. Na de oorlog hoort ze via vriendin Nena voor het eerst van het verschijnsel homoseksualiteit. Aard en omvang van de holocaust dringen tot haar door als ze een Vogue bij de tandarts doorbladert, en de politionele acties worden werkelijkheid via haar getraumatiseerd teruggekeerde broer Ger. Ze ‘ontwaakt’ als nieuwsgierige, wakkere, strijdlustige vrouw en bezoekt bijeenkomsten van vrouwenclubs, eerst in Eindhoven, later ook in Amsterdam. Daar is Levi na de oorlog als wees groot geworden, ze wil groots en meeslepend leven, zoekt dat eerst in het circus, wordt later danseres. Ook zij leert – op onorthodoxe wijze – de vrouwenliefde kennen. Tegen de tijd dat ze de oma is die de vierjarige ik-vertelster opvangt heeft ze een alcoholprobleem en staat ze zo nu en dan op een brug met een verdwijnwens.

    Wapenfeiten uit de sociale, politieke, economische, culturele en welvaartsgeschiedenis van met name de 20e eeuw worden tussendoor onder andere in cursief gedrukt droneperspectief aangestipt. Enkele hoaxen passeren daarbij de revue zoals die over ondergronds communicerende bomen en, erger, over ‘Jodenzeep’, naar verluidt geproduceerd uit mensenresten. Voor het overige blijft de vertelster gelukkig bij feiten: van Wim Kan tot een door Duitsland gewonnen WK-voetbal, van de eerste tv tot de eerste vrouw in de Tweede Kamer, van een laat negentiende-eeuwse feministische roman tot Teddy Scholtens winnend songfestivalliedje in 1959 (Een beetje verliefd). Verliefd is, zoals Scholtens in dat liedje zingt, iedereen wel eens en zo ook de personages in deze roman. En hoewel de titel van de roman lijkt te verwijzen naar een waterplant, dringt zich toch ook de associatie op met de benaming die in sommige Utrechtse studentenkringen wordt gebezigd voor (meestal oudere) lesbiennes met een kort, pittig kapsel, namelijk een ‘egel’. Verschillende vrouwen in Egelskop genieten de vrouwenliefde.

    Vrouwenstrijd

    Water, treurwilgen langs de rivier, schrijvertjes, de rietachtige egelskopwaterplant en (op) een brug (staan) zijn belangrijke motieven. Figuurlijk is de brug een brug die verleden, heden en zelfs een potentieel alternatief scenario met elkaar verbindt. Als Jo en Levi aan de man raken en beiden zwanger zijn, grijpt de vertelster in. ‘Hier stopt het verhaal.’ Er komen geen kinderen en deze ‘knip’, zoals de schrijfster dat zelf noemt, refererend aan het doorknippen van de navelstreng, geeft hun ruimte voor een eigen leven. Paradoxaal genoeg zou de verstelster er zelf in haar alternatieve scenario niet zijn geweest: ‘Wanneer [Jo en Levi] niet mijn opa’s maar elkaar hadden ontmoet, zou ik niet geboren zijn, hadden zij misschien een vol leven kunnen leiden.’ Ze brengt daarmee symbolisch een ode aan deze vrouwen, wier leven uitgegumd lijkt, en een persoonlijk offer namelijk het uitgummen van haar eigen bestaan. Het beeld van de noodlottig gezonken gezinsauto is daarbij veelzeggend: de ‘bel’ die de auto achterlaat op het water wordt beschreven als een knoopjesnavel, een litteken.

    Egelskop is toegankelijk geschreven en hoewel uitgebracht als volwassenenroman ook zeer geschikt voor leerlingen uit de bovenbouw van de middelbare school. Soms is er een leuke woordspeling zoals ‘bukkenootjes’ voor beukennootjes, waarvoor je immers moet bukken om ze op te rapen. Een enkele keer gebruikt Tops opvallende beeldspraak, bijvoorbeeld ‘knieën als hopjesvla’ of een Brabants woord zoals ‘een haffeltje’. Teddy Tops heeft haar roman over vrouwengeschiedenis, moederschap en feminisme zorgvuldig ingebed in de grote geschiedenis én verbonden met persoonlijke geschiedenissen. ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met een kleine daad,’ parafraseert ze in het begin van haar roman Remco Camperts gelijknamige gedicht, om er tegen het eind van het eerste hoofdstuk als eerbetoon aan haar grootouders aan toe te voegen dat hun verzet een aaneenschakeling van kleine daden bevatte.

     

     

  • Een documentaire roman

    Guido Snel, docent Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam, typeert zijn nieuwe boek, getiteld Reger, als documentaire roman. Hij baseert zijn verhaal op documenten uit het archief van Reger, op interviews en kan uit de eerste hand over hem vertellen omdat ze bevriend zijn geweest.

    Het verhaal speelt zich voor een groot deel af in een snel veranderend Zuid-Afrika (waar Reger geboren is), in Gstaad, op Bergland, op Alonissos en in Amsterdam, waar Reger aan het hoofd heeft gestaan van het spirituele centrum Kosmos. Hij verwijst met naam en toenaam naar sommige mensen, zoals fenomenologisch psycholoog Jan Hendrik van den Berg of Ramses Shaffy. Soms mystificeert Snel wat: zo heeft hij het over een ‘belachelijke Nederlandse schrijver … die zich enkel om aandacht te trekken in het American Hotel liet opbellen.’  Hij vertelt niet wat de pointe is van deze anekdote: wanneer Mulisch opgebeld werd, werd er luidkeels omgeroepen: ‘Telefoon voor de heer Mulisch.’  Waarna hij – aangestaard door de overige gasten – naar de telefoon kon lopen.

    Bronnen van kennis

    Reger is psycholoog en baseert zijn gedachtegoed onder meer op dat van Steiners antroposofie, de Griekse mythen, Veda’s en de I Tjing. Hij is zijn hele leven gefascineerd door Egypte. Hij reist naar de tempel van Seti in Abydos waar de beroemde koningslijst op de westelijke wand van de gang in de tempel afgebeeld staat. Reger is echter meer geïnteresseerd in de meestal over het hoofd geziene lijst op de oostelijke wand, de godenlijst. Reger zou nog eens een baanbrekend boek over Egypte schrijven, maar dat is nooit verschenen

    Het verhaal doet denken aan de schelmenroman. Reger is biseksueel en heeft vele minnaars en minnaressen, hij rookt, drinkt en gebruikt hallucinerende middelen bij de vleet. Veel mannen hebben begeerlijke benen en één van zijn minnaars beschikt ook over ‘een knappe gat en immer stijve lat’. Reger fladdert van de een naar de ander en reist als een moderne Jan Cremer de wereld rond. Er zijn ook dieptepunten, zoals de periode bij Kosmos, die in een fiasco eindigt.

    Stilistische variatie

    De roman is strak gecomponeerd en kent een grote variatie in stijl. Sommige hoofdstukken springen eruit: het zesde hoofdstuk (‘De kosmonauten van Amsterdam’) bestaat uit de weerslag van een groot aantal interviews met medewerkers van Kosmos. De ene geïnterviewde levert daarbij commentaar op wat een andere geïnterviewde zojuist beweerd heeft. Het zevende hoofdstuk, ‘Het boek Jona’, handelt over de belangrijkste figuur in het leven van Reger. Het is één alinea van 27 pagina’s die de lezers wel even naar adem laat happen.

    Het belevenissen van Reger worden met vaardige pen verteld. Voor lezers die ooit in Kosmos zijn geweest, is het leuk dat een gedeelte van het verhaal zich daar afspeelt. Bij een hybride genre is het echter onduidelijk wat werkelijk heeft plaatsgevonden en wat Snel gefabuleerd heeft. Er is echter één minpuntje: waarom zou je een boek kopen dat Reger getiteld is? Het is een gemiste kans dat de titel van het zesde hoofdstuk niet als titel op het omslag staat.

     

     

  • De juiste toon

    Robert Haasnoot weet precies de juiste toon aan te slaan in zijn laatste boek, Uitzaaien, dat begint met de lichamelijke aftakeling voordat hij de diagnose longkanker in het vierde stadium krijgt. Vervolgens beschrijft hij het behandelproces, gelardeerd met gevoelens en gedachten over de confrontatie met zijn aanstaande dood. Gevoelens waar hij woorden aan geeft in heldere, onomwonden taal, zonder sentimenteel te worden, maar wel diepgevoeld, nuchter en als verstokt roker niet vrij van zelfspot. Met zijn infuuspaal dwaalt hij door de gangen, op weg naar het rookvrije ziekenhuisterrein. Een goed teken vinden de verpleegkundigen. ‘Ik laat ze geloven dat ik hard aan mijn herstel wil werken en een liefhebber van het buitenleven ben. Een vrijbuiter. De waarheid is dat ik buiten een geheim plekje heb gevonden om te dampen, een paar sigaretten – heets heten die – achter elkaar.’

    Hij is moe, futloos, heeft zichzelf verwaarloosd, en is niet naar de huisarts gegaan. ‘Natuurlijk wist ik dat het goed mis was. Al heel lang. Maar iedere keer dat ik buiten adem raakte, bezwoer ik mijn onrust met een mantra die ik dan steevast in mijn hoofd liet klinken. Een voice-over uit een filmtrailer baste bewonderend: The man who blew up his lungs”, waarmee mijn vertoon van zwakte, het hijgen iets heroïsch kreeg.’

    Dromen

    De diagnose is meedogenloos. Viert hij dit jaar zijn laatste verjaardag, de laatste kerst? De mallemolen aan onderzoeken, ziekenhuisopname, operatie, chemokuur en immunotherapie gaat van start. Mooi is hoe hij het proces van acceptatie aanvangt met lucide dromen, in de hoop overleden dierbaren te ontmoeten. Die dromen zijn een mooie kapstok om herinneringen op te voeren aan zijn geboorteland Amerika, zijn jeugd daar, en zijn latere leven. Het zijn een soort aantekeningen, korte memo’s die de zwaarte van het ziekzijn verluchtigen. Vrienden en familie komen in bescheiden mate langs. Hij toont dankbaarheid jegens zijn broers en zussen die hem voluit ondersteunen, hij benoemt het verdriet van zijn kinderen en zijn zorg om hen als hij er niet meer zal zijn. Die afwisseling tussen anekdotes, herinneringen en reflecties op zijn omgeving geven een completer beeld van de man die Haasnoot is. Schrijver en schrijfdocent, die naam maakte met zijn romans over het vissersdorp Zeewijk, vader en vriend, bang en stoer, hij houdt graag de schijn op, een einzelgänger.

    Hij verbeeldt zich hoe zijn ouders naar hem kijken. Gezeten naast het graf van zijn vader hoefde hij maar ‘een sigaret te rollen en die in de aardse aarde naast het graf te stoppen’ en hij had zijn vaders aandacht. Toen zijn moeder ook was overleden, hadden zijn ouders het ineens druk met elkaar en kreeg hij dat contact niet meer. Dat die doden zich niet echt laten zien, is voor Haasnoot een terugkerende vraag. Behalve zijn hoop op het terugzien van ‘dierbare doden’, zijn er ook reflecties op het hiernamaals. ‘De angst voor het grote onbekende uiteraard.’ (…) ‘Het moeilijke van doodgaan is niet alleen dat je je dierbaren moet achterlaten, je moet ook voorgoed afscheid nemen van jezelf,’ laat hij een personage in zijn nog onvoltooide roman zeggen. ‘Sterven is een natuurlijk proces,’ filosofeert hij en uiteindelijk heeft hij er vertrouwen in dat hem niets kwaads zal overkomen.

    Romeinse drie

    En dan komt het goede nieuws, de kanker heeft zich teruggetrokken dankzij de immunotherapie. Hij mag zijn levensverwachting bijstellen, hij krijgt meer tijd, meer energie en wat doet dat met hem? ‘Veel meer tijd van leven. Extra armen vol. Een paar jaar misschien. Het is overrompelend en ik word een toeschouwer van mijn eigen verwondering, in een spreekkamer in een universitair medisch centrum naast een treinstation.’

    Om het te vieren gaat Haasnoot met zijn twee kinderen naar een tattooshop, zij hebben al een tatoeage laten zetten van een Romeinse drie, hij wilde dat ook, maar in verband met zijn gebrek aan weerstand deed hij dat toen niet. Nu wil hij het ook. Een eenvoudige Romeinse drie onder zijn elleboog. Het is een ontroerende scène, samen met zijn kinderen in de tattoo shop om hun drie-eenheid te bezegelen. En dan wordt ook duidelijk waarom de doden zich nog niet lieten zien. Het was zijn tijd nog niet.

    Terwijl hij doorgaans een moeizame schrijver is, ‘elke alinea is terreinwinst,’ schreef Haasnoot zijn memoir in drie weken, recht vanuit het hart, zonder veel te wijzigen bij de redactie. Zijn formuleringen zijn zorgvuldig, de zinnen resoneren, er staat geen woord te veel. Dit is een boek dat achter elkaar uitgelezen wil worden, omdat zijn verhaal pakkend is. Een boek met urgentie.

     

     

  • De zee is eeuwig doende om af te breken

    Op 10 augustus 1856 werd Last Island (l’Isle Dernière), een zandafzetting in de Golf van Mexico, getroffen door een orkaan die het eiland volledig verwoestte. Het was een populair vakantieoord voor inwoners van het iets noordelijker gelegen New Orleans. Op de dag van het noodweer hadden zo’n vierhonderd mensen bij de opkomende storm hun huisjes verlaten en het enige hotel opgezocht waar ze de dag muziek makend en dansend doorbrachten tot alles voorbij zou zijn. De orkaan bleek zo vernietigend dat het eiland met het hotel compleet werd weggevaagd.

    De Grieks-Ierse schrijver Lafkadio Hearn (1850-1904) was als journalist werkzaam in onder andere New Orleans toen hij bijna dertig jaar later, in 1883, een legende hoorde vertellen dat slechts één meisje van vier de orkaan had overleefd. Het kind was gevonden door een visser op een klein eiland en door hem en zijn vrouw opgevoed. Toen ze later door familie was teruggehaald naar Orleans zou ze niet aan de stad hebben kunnen wennen en was ze, zo wilde het verhaal, teruggekeerd naar haar adoptieouders om weer in de natuur te leven. Hearn was getroffen door het verhaal en bezocht in 1886 en 1887 wat van eiland over was en begon er aan zijn novelle Chita. Herinnering aan Last Island. Hij verscheen aanvankelijk als feuilleton en in 1889 als roman. Vorig jaar verscheen er een Nederlandse vertaling van.

    Natuur

    De titel Chita geeft de kern van Hearns eigen interpretatie van de gebeurtenissen uit 1856 niet goed weer. Natuurlijk is Chita (de naam van het meisje in de novelle) één van de belangrijkste personages, maar de ondertitel komt dichter bij wat de auteur wil doen. Niet voor niets duikt Chita pas op als we op de helft van de novelle zijn. Hearn beschrijft eigenlijk een ander thema: de onmetelijke grootheid van de natuur tegenover de hooghartigheid van de mens.

    Chita bestaat uit drie delen. Vooral in het eerste daarvan (‘De legende van l’Isle Dernière’) blijkt dat contrast in de uitbundige beschrijving van de kracht van de natuur in de uitloop van de Mississippi in de Golf van Mexico tegenover de vakantievierende toeristen op het eiland; die denken de orkaan die zich al enkele dagen aankondigt te kunnen weerstaan door de dag dansend in het hotel door te brengen. Maar: ‘de gele Mississippi is eeuwig bezig om op te bouwen; de zee is eeuwig doende om af te breken’. Het doet denken aan de ondergang van de Titanic terwijl het orkest doorspeelt – de ramp uit 1912 die Hearn dus nog niet kon kennen.

    Geologie

    Ook in ‘Uit de kracht van de zee’, het tweede deel, doet Hearn iets dergelijks. Hij plaatst in een geologische uitweiding het korte leven van de mens tegenover de ouderdom van de aarde. Pas daarna begint het verhaal van het meisje (ze blijkt een Creoolse dochter van een tot slaaf gemaakte) dat, eenmaal opgenomen in het gezin van visser Feliu Viosca en zijn vrouw Carmen, de naam Conchita (Chita) krijgt. Betekenisvol want concha betekent schelp, een verwijzing naar de titel van deel 2 én het feit dat Feliu haar uit de zee opviste.

    De verwikkelingen in het derde deel, ‘De schaduw van het tij’ kunnen hier moeilijk worden samengevat zonder een spoiler te geven. Laat hier volstaan dat blijkt hoe ondoorgrondelijk de lotgevallen van de mens zijn.

    Naadloos

    Chita is de eerste roman van Lafkadio Hearn in een Nederlandse vertaling door Barbara de Lange. Zij vertaalde in 2024 een Japanse verhalenbundel van dezelfde schrijver: Kwaidan. Japanse spookverhalen uit 1904.

    Hearn was de zoon van een Ierse vader en een Griekse moeder en werd geboren op het eiland Lefkas; zijn voornaam Lafkadio verwijst ernaar. Zijn ouders bekommerden zich nauwelijks om hem en stalden hem als kind al bij een tante in Ierland. Vandaar zocht hij jong zijn heil in de VS waar hij journalist werd. Toen hij in die functie eens in Japan verzeild raakte werd hij zo verliefd op dat land dat hij er trouwde met de samoeraidochter Koizumi Yakumo en haar familienaam aannam.

    De Nederlandse vertaling van Kwaidan gaat vergezeld van een nawoord door Jannie Regnerus. Zij woonde kort in Japan. Wie nu Chita leest valt op hoezeer Hearn in die novelle en in de spookverhalen van vijftien jaar later dezelfde auteur is. Regnerus heeft het over de antropomorfe benadering van de natuur in Kwaidan. Die is eveneens overtuigend aanwezig in Chita. En de wereld van spoken en geesten in de Japanse verhalen is ook in de novelle te herkennen waarin diverse keren geesten en ouders verschijnen in dromen. Regnerus stelt zelfs over wat Hearn in Japan doet: het ‘sluit naadloos aan op zijn voorgeschiedenis’.

    Dat kun je na lezing van Chita onderschrijven. Het lijkt immers niet gewaagd te veronderstellen dat de geschiedenis van het geredde meisje dat haar ouders verloor en door anderen werd opgevoed Hearn geraakt zal hebben vanwege zijn eigen problematische jeugd met ouders die hem aan zijn lot overlieten.

     

  • Akelig actuele verhalen over mensen in de oorlog

    Onlangs draaide in de filmhuizen de documentaire 2000 meters to Andriivka van de Oekraïense regisseur Mstyslav Chernov. De film gaat over de strijd in 2023 om het door de Russen bezette, inmiddels volledig verwoeste, maar logistiek en psychologisch belangrijke dorp, Andriivka. De route ernaartoe gaat door een smalle bosstrook van twee kilometer. Als kijker zit je midden in de oorlog – de beelden komen van bodycams en filmers ter plekke. Links en rechts liggen lijken van gesneuvelde soldaten. Wie Andreas Latzko’s Mensen in de oorlog leest, beseft dat er in ruim honderd jaar nauwelijks iets is veranderd op het slagveld.

    Niemand kent hem meer, maar de Oostenrijks-Hongaarse schrijver Andreas Latzko werd na de publicatie van Menschen im Krieg (1917) een beroemdheid in Europa. Hij had zich als journalist vrijwillig aangemeld voor het leger, hoewel hij daarvoor was afgekeurd vanwege zijn ‘allesbehalve Herculische lichaamsbouw’, zoals (de voortreffelijke) vertaler Marcel Misset in zijn nawoord uiteenzet. Hij citeert uit Latzko’s autobiografische uitgave Levensreis: ‘Terugkeren naar de dadenloosheid? Als door een bliksemstraal kwam ik tot de ontzettende erkenning dat het ging om veel meer dan alleen om de onvermijdelijke onvrijheid voor de duur van de oorlog. (…) Wanneer ik als onbruikbaar zou worden afgewezen, zou ik tot zwijgen gedoemd zijn; ook wanneer de macht van de oorlogscensuur reeds lang zou zijn gebroken, verloor ik voor mijn hele leven het recht, ooit tegen de oorlog te kunnen getuigen.’

    Eigen ervaringen

    Tegen de oorlog getuigen, dat is wat Latzko primair voor ogen had met het schrijven van Mensen in de oorlog. Hij koos daarvoor de vorm van een aantal literaire verhalen. Het boek is geen ooggetuigenverslag, maar lijkt wel gebaseerd te zijn op Latzko’s eigen ervaringen op het slagveld. Die waren zo aangrijpend en afgrijselijk dat hij veertien maanden na toetreding tot de ‘wapendienst’ verworden was tot een geestelijk wrak. Hij gaat naar Zwitserland om te revalideren. ‘Uit noodweer waarschijnlijk, zonder een ogenblik te geloven dat de gloeiende lava zich tot zinnen zal vormen, neem ik een schrijfblok en een potlood in bed, mij door mijn innerlijke pijn plotseling herinnerend dat het eenmaal mijn zelfgekozen levenstaak was, lezers te werven voor mijn gedachten.’

    Het eerste verhaal dat hij ‘met bevende handen’ opschrijft, is Heldendood. Het gaat over de zwaargewonde eerste luitenant der reserve van het veldartillerieregiment Kadar, die in zijn koortsdromen op het lichaam van zijn manschappen geen hoofd ziet, maar een grammofoonplaat van de nationalistische Rákóczi-mars, die ze net nog in hun schuilplaats hadden gedraaid ‘toen plotseling die verdomde granaat kwam aangefloten en alles in een wolk van rook en aarde verdween’. Na Heldendood werkt Latzko verwoed verder aan zijn anti-oorlogsboek, dat op 3 juli 1917 verschijnt. ‘Hij schrijft’, aldus Marcel Misset in zijn nawoord, ‘om de oorlog een halt toe te roepen’. De verhalen zijn geschreven vanuit het directe perspectief van de hoofdpersonen, haast zoals geregistreerd door de bodycams in 2000 meters to Andriivka.

    Opgejaagde huisvaders

    De afmars speelt zich af in de tuin van een militair hospitaal in een Oostenrijks provincieplaatsje, achter het front, waar gewonden en een paar van hun echtgenoten in alle rust met elkaar converseren en filosoferen over de oorlog en het leven, totdat de hysterische uithaal van een getraumatiseerde luitenant de idylle wreed verstoort. De vuurdoop is het verhaal over de goedhartige, besluiteloze kapitein Marschner en zijn jonge, fanatieke luitenant Weixler. Hun compagnie staat op het punt de collega’s in de loopgraven af te lossen. Weixler (een ‘twintigjarige ijzervreter’) kan niet wachten tot het zover is en blaft zijn manschappen af. Marschner heeft vooral ‘een gloeiend, grenzeloos medelijden met deze arme, opgejaagde huisvaders, die zich zo gelaten zwijgend voorbereidden, die hun levens als het ware in hun handen namen als een kostbaar vat om naar het slagveld te dragen en de vijand voor de voeten te werpen alsof het iets waardeloos was wat daar in scherven zou vallen!’

    In een dorpje achter het front zijn onder leiding van een niet met name genoemde ‘Zijne Excellentie’ enkele honderden stafofficieren ingekwartierd. Hij is de overwinnaar in het gelijknamige verhaal, omdat hij ooit als opperbevelhebber de slag bij ‘***’ had gewonnen. Nu zit hij zich te verbijten in het gezellige plaatsje, waar in de verte de oorlog te horen is. Hij wil het slagveld op. ‘Wat had een veldheer voor goeds van de vrede te verwachten? Begreep zo’n burger [een journalist die hem had gevraagd wanneer er op vrede gehoopt mocht worden [RL] dan niet dat een commanderende generaal alleen in de oorlog echt commandeerde en werkelijk generaal was, en in vredestijd hooguit een of andere strenge onderwijzer met goudgalon op zijn kraag: een leeghoofd die uit verveling zo nu en dan de longen uit zijn lijf brult?’ Dan eindelijk: het trommelvuur. ‘Godzijdank! Het was nog oorlog.’

    De waanzin van de oorlog

    In De Kameraad – Een dagboek is de ik-figuur met shellshock opgenomen in het hospitaal. Hij mijmert over alle verschrikkingen die hij heeft meegemaakt. Hij wordt als krankzinnig beschouwd, terwijl hij de enige is die de waanzin van de oorlog ziet. Zijn observaties zijn verrassend actueel: ‘Ik zie de hele meute! De schreeuwers, die te hol en te traag zijn om hun eigen ik te ontwikkelen, maar zich koesteren in de glanzende lof die niet hun maar hun kudde toekomt. De schurken, die beschermd en gesteund door de massa schijnheilig opkijken naar een door henzelf opgeroepen spookbeeld dat ze er bij miljoenen brave lieden inhameren tot die massa hart noch verstand meer heeft, alleen nog razernij en een blind geloof.’ het was nog oorlog’

    De thuiskomst is het tragische verhaal van Johann Bogdán, wiens toegetakelde gezicht door zeventien operaties alleen maar afstotelijker is geworden. Voor de oorlog had hij, ‘de mooiste man van het dorp’, een vriendin, de aantrekkelijke Marcsa, en een baan met aanzien als koetsier van het slot. Nu wil niemand meer iets met hem te maken hebben. Ook hier schildert Latzko het lot van ‘mensen in de oorlog’, omdat hij weet dat zijn lezers minder geraakt worden door grote getallen, kille statistieken en uitvoerig beschreven veldslagen, dan door verhalen over mensen als zijzelf, over wat er met hen kan gebeuren zodra ze zelf met de oorlog van doen krijgen. Uitgeverij Jurgen Maas verdient alle lof voor het aan de vergetelheid ontrukken van dit indrukwekkende, akelig actuele document humaine.

     

     

  • Dagerman schrijft ver voorbij clichés

    Stig Dagerman staat niet bekend als een schrijver die in zijn werk luchtige onderwerpen onder de loep nam: dood, angst, schaamte, eenzaamheid en armoede behoren tot de vaakst terugkerende thema’s. In veel van de verhalen in Natte sneeuw plaatst Dagerman zijn personages in benepen omstandigheden, en toont hij aan de hand van een reeks treffend gekozen scènes, de complexiteit en intensiteit van hun emoties. Zo draait Open de deur, Richard om een vrouw die lijdt onder de continue dronkenschap en losbandigheid van haar echtgenoot en hem haar smarten voor het voetlicht wil brengen, maar niet weet hoe ze dat moet aanpakken.

    In De verrassing verkneukelen een moeder en haar zoon zich om een opname die zij samen maakten voor de verjaardag van de opa van het kind. Opa neemt de verrassing met grote ondankbaarheid in ontvangst: de teleurstelling van de moeder en het kind zijn schrijnend. Ook in Een kind doden – de titel behoeft weinig toelichting – en in De hond en het lot, gaat over een man die op een tragische manier zijn dood tegemoet treedt en de hond die hij achterlaat, confronteert Dagerman de lezer met de rauwe, onversneden ellende van zijn personages. Die manier van schrijven maakt de emotionele ervaringen van de personages invoelbaar en onontkoombaar.

    Thematisch uniform, stilistisch divers

    Dagerman was geen schrijver die zijn lezers een hart onder de riem stak: hij had weinig bemoedigende boodschappen te delen. Maar het zou verkeerd zijn om de bundel Natte sneeuw op grond van de thematische overeenkomsten tussen de verhalen te beschrijven als een eenvormig product. Hoe vergelijkbaar de thematiek in de verhalen is, zo verschillend zijn de teksten immers in hun stijl. Dagerman deinsde er niet voor terug om met verschillende verteltranten en genres te experimenteren. Sommige verhalen zijn wat lichtvoetiger en voorzien van een goede dosis humor, zoals Een kleine tragedie, Mijn zoon rookt meerschuimpijpenWaar is mijn Noorse trui?. Soms zijn ze duister (De rode wagons), soms horrorachtig (De vreemde man, Zaterdagsreis), en soms absurdistisch (Het proces), surrealistisch (De lord die ik roeide) of satirisch (De man die niet wilde huilen).

    De souplesse en de vanzelfsprekendheid waarmee Dagerman van het een op het andere verhaal tussen verschillende genres schakelde, vestigen Dagerman ten enenmale als zeer veelzijdig auteur. Dit maakt hem als schrijver uniek en voorziet zijn verhalen bovendien van een positieve dimensie die zich op een interessante manier tot de neerslachtige thematiek verhoudt. De expertise die Dagerman in het bedrijven van al die verschillende genres aan de dag legde, maakt immers duidelijk dat hij de volledige controle had over zijn teksten. Te midden van alle ellende, van alle willekeur en tragiek moet het schrijven een troost, een rots in de branding voor Dagerman zijn geweest. Geen ruimte geven aan die dimensie van Dagermans schrijverschap zou een miskenning van zijn oeuvre inhouden.

    Voorbij de ‘alledaagse’ creativiteit

    Dagermans thematische stokpaardjes – dood, angst en eenzaamheid – zijn stevig verankerd en vertegenwoordigd in de wereldliteratuur in het algemeen. Bij het behandelen van dergelijke weinig opzienbarende, en vanuit literair oogpunt gezien wellicht zelfs wat banale, thema’s ligt het gevaar in clichés te vervallen daarom voortdurend op de loer. Maar Stig Dagerman behoort tot een select groepje van schrijvers – Clarice Lispector en Juan Carlos Onetti behoren ook tot dat groepje – die, waar zij ook over schrijven, nooit op een cliché te betrappen zijn. Deze schrijvers naderen de essentie van het mens-zijn nog net iets dichter dan andere schrijvers. Alsof zij toegang hebben tot een voor anderen ontoegankelijke bron van kennis. De materie in die bron, die zich nog een stukje dichter bij de kern van de menselijke conditie lijkt te bevinden dan de ‘gewone’ fantasie of creativiteit, is tamelijk abstract van aard en is dus moeilijk in woorden te vatten. Maar Stig Dagerman vindt die woorden toch.

    Vanuit een kunstzinnig en literair perspectief is dat bewonderenswaardig, maar zorgt het er ook voor dat zijn teksten bij tijd en wijle willekeurig en onnavolgbaar aanvoelen. De ontoegankelijkheid die in Dagermans verhalen regelmatig de kop opsteekt, maakt dat Natte sneeuw bepaald geen lichte kost is. De teksten vergen concentratie en een bereidwilligheid om diep te graven in de eigen, menselijke ervaring, en in de relaties tussen tekst, auteur en lezer. Dat zal de lezer niet gemakkelijk vallen, maar voor wie die uitdaging aangaat zal het lezen van Natte sneeuw een bijzonder bevredigende ervaring zijn.

     

     

  • Vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur

    Er zitten veel magische momenten in de nieuwe roman van Yu Hua (1960), de meest gelezen Chinese auteur van het moment. Dat magische begint al met de titel: Wencheng. In het Chinees kan het een plaatsnaam zijn, maar je kunt de Chinese karakters ook lezen als ‘fictie-stad’. En inderdaad gaat het in dit boek om een stad waarover je als lezer gerede twijfel mag hebben of ze wel bestaat.
    Lin Xiangfu verliest op jonge leeftijd zijn beide ouders. Hij gaat in de leer bij een meester-timmerman en met zijn timmerwerk en het geld dat zijn ouders hebben nagelaten, kan hij tamelijk zorgeloos leven. Toch heeft hij een grote zorg: hoe aan een geschikte vrouw te komen. Hij verpest zijn kans op de knappe dochter van een rijke familie en lijkt in zijn somberheid weg te zinken. Maar dan klopt er een curieus koppel bij hem aan de deur. Ze zeggen dat ze broer en zus zijn. Zij zijn op doorreis, het is niet zo duidelijk waarheen. De broer vertrekt al gauw weer, maar de zus die Xiaomei blijkt te heten, blijft bij Lin Xiangfu in huis.

    De twee komen nader tot elkaar, langzaam en voorzichtig. Op een avond stapt Li Xiangfu ‘door een waterstraal van maanlicht’ en kijkt naar Xiaomei die in bed ligt, ‘haar ineengekrulde lichaam bewegingloos. Na één moment van aarzeling ging hij voorzichtig naast haar liggen. Terwijl hij luisterde naar haar zachte, regelmatige ademhaling, tilde hij een stukje van haar deken van haar af en legde dat over zichzelf heen. Op dat moment draaide Xiaomei zich om en als een vis zwom ze zijn lichaam op.’

    Verdwenen

    Ze trouwen en krijgen een dochter. En dan verdwijnt Xiaomei, zomaar. Li Xiaofu neemt zijn dochtertje in een draagzak op de borst en trekt erop uit om Xiaomei te vinden. Maar wat weet hij weinig van haar. Hij heeft begrepen dat ze uit Wencheng komt, maar waar ligt dat? In de ijskoude winter gaat Lin Xiangfu de deuren langs om een vrouw te vinden die zijn baby borstvoeding kan geven. Overal vraagt hij naar de stad die zijn doel is, maar niemand weet iets.

    Als hij na honderden kilometers aankomt in de stad Xizhen besluit hij daar te blijven. Het plaatselijk accent lijkt op dat van zijn verdwenen Xiaomei en de vrouwen dragen er net als zij een hoofddoek en houten klompen. Hij verdient er de kost als boer en timmerman. Hij voelt zich schuldig: ‘Ik ben tekortgeschoten, tegenover jullie, mijn ouders, tegenover mijn voorouders. Maar jullie kleindochter heeft moedermelk nodig. Op jullie graf beloof ik dat ik terug zal komen.’

    Briefje

    Deze geschiedenis speelt zich af in de hoogst onzekere omstandigheden van China begin twintigste eeuw, vol oorlogsgeweld en banditisme. Na jaren, als Lin Xiangfu’s dochter al een jonge vrouw is, komen de bandieten ook voor haar. Bang toont het meisje zich niet. Ze geeft de bandieten thee en als ze die hebben opgedronken, zegt ze: ‘Laten we gaan.’ Bij de deur roept ze nog: ‘Ga snel aan mijn vader vertellen dat hij voor vijfhonderd zilveren dollar losgeld moet zorgen om me weer vrij te kopen.’ En vraagt de bandieten: ‘Waar moeten ze het losgeld heen brengen?’ ‘We sturen een briefje,’ zeggen ze.

    In de roman gaat het uitgebreid over de wreedheden die de bandieten jegens hun gevangenen begaan. Ze martelen en verkrachten, ze snijden oren af. Als ze moeten vluchten voor het leger, zegt een bandietenleider: ‘Verdeel de oren!’ Hij gooit een andere bandiet het oor van een belangrijkere gevangene toe. ‘Jij krijgt deze dure. Jij kunt goed schieten, blijf hier met je mannen om terug te vechten.’

    Op tweederde van de roman, nadat verscheidene personages hun tragisch lot hebben gevonden, verspringt de vertelling tientallen jaren terug onder de titel ‘Gaten vullen’. We krijgen nu veel meer te horen over het levensverhaal van Xiaomei. Aan het slot wil de roman de lezer ervan overtuigen dat de magie het uiteindelijk wint van de verschrikkingen. ‘De lucht was helderblauw, de zon scheen, en in de westelijke heuvels was het heerlijk. Welige bomen bedekten de glooiende heuvels, een ordeloze weelde aan gebladerte voerde langs de hellingen naar beneden. Plukjes bamboe staken hun smaragdgroene toppen tussen het uitgestrekte groen van de bomen door. Sappig gras groeide tussen de dijkjes en de sloten langs de akkers.’

     Yu Hua

    De onzichtbare stad volgt op de vijf boeken van Yu Hua die al in het Nederlands zijn verschenen. Dat was over een periode van ruim dertig jaar, allemaal bij uitgeverij De Geus, met verschillende vertalers. Leven! was in 1993 het boek waarmee Yu Hua doorbrak, in China en elders. Die roman schetst chronologisch de wederwaardigheden van een gewone familie in de twintigste eeuw, onder de republiek en het communisme. De verfilming ervan werd eveneens een internationaal succes. Daarna belichtte Yu Hua steeds de zelfkant van het leven in China, vaak met ironie. In zijn op een na laatste roman, De zevende dag, zwerft een overledene doelloos rond als geest omdat er geen geld was voor een graf. In zijn postume verhaal figureren corruptie, prostitutie en politiegeweld, en komen actuele Chinese praktijken aan bod zoals orgaanverkoop, het weggooien van dode baby’s en het gelieg van de autoriteiten over de aantallen slachtoffers van rampen.

    Annelous Stiggelbout, die al tekende voor een dozijn boeken uit het Chinees,  leverde opnieuw een prachtige vertaling af. Ze gebruikt karige taal waar dat past bij de wreedheden en bloemrijk idioom in lyrische passages. De roman is vijfhonderd pagina’s krachtige literatuur. Met die kracht probeert de Yu Hua lang niet altijd de lezer te behagen. Sommige gruwelen zijn eigenlijk te erg voor woorden. De auteur toont weinig sentimentele band met zijn personages, van wie sommigen uit de roman verdwijnen voor je er erg in hebt. Zijn stijl houdt de lezer alert: nu eens grimmig en felrealistisch, dan weer avontuurlijk of sprookjesachtig. De hedendaagse Chinese literaire fictie heeft wat andere conventies dan de westerse  – kort gezegd: minder plot en meer wisseling van perspectief. Yu Hua is een meester in dat genre.

     

     

  • Dit was anders dan liegen

    Op het omslag van Jij blijft van Gerard van Emmerik staat een touw afgebeeld zonder begin en eind dat nog slechts met een paar draadjes aan elkaar hangt. Je weet dan al dat je een zeer kwetsbaar verhaal gaat lezen.
    Sam en Luc zijn al veertig jaar ongetrouwd samen als de eerste te horen krijgt dat hij nog hooguit een jaar te leven heeft. Hij is alleen in de spreekkamer met de arts die het hem vertelt. Als hij naar buiten loopt waar Luc in de auto op hem wacht: ‘Ik rechtte mijn rug en als vanzelf ging mijn duim omhoog’. Niets aan de hand.

    Sam (de ‘kippenjongen’ omdat hij geboren is op een kippenboerderij, waarover hij een boek met die titel heeft geschreven) kreeg het vonnis te horen op 10 juni, in de zomer dus. Luc en hij verbleven in hun vakantiehuisje ‘Waldfreude’ op de Veluwe. Hun relatie lijkt in het slop te zitten: ‘In de weken ervoor dacht ik wel eens: dit wordt onze laatste keer’.
    Maar dat ‘laatste’ krijgt ineens een heel andere lading als de arts Sam op het beeldscherm een ‘sterrenhemel’ met oplichtende vlekjes laat zien. Hij schetst de overlevingskansen in een onbegrijpelijke codering : ‘Bij 5-5 was het te laat, 5-4 was ook slecht, met 4-5 bestond er een kans, een kleine weliswaar, dat bestraling iets kon doen’.

    Thai Tanic

    Luc en Sam hebben nooit gemakkelijk over hun gevoelens gepraat. Dat is nu niet anders. Sam verzwijgt voor Luc wat hij te horen heeft gekregen. Hij praat zichzelf redenen aan om te doen alsof er niets aan de hand is: misschien valt het allemaal mee en dan heeft hij Luc voor niets ongerust gemaakt. Die merkt wel degelijk iets aan zijn gedrag, maar vraagt evenmin door.
    Van Emmerik schrijft dit allemaal onderkoeld op, met af en toe een wrange humor. Zoals wanneer de twee een restaurant bezoeken met de naam ‘Thai Tanic’. Of in dialogen waarin misverstanden opduiken, zoals wanneer Luc – doelend op de hitte – zegt dat ze een kutzomer meemaken en Sam meteen schrikt: ‘Hoezo?’

    Herinneringen

    Voortdurend hangt er de spanning in de roman tussen verzwijgen, misverstaan, doen alsof. Onrust ook omdat ineens de vraag klemmend is wat je met het vooruitzicht van een aanstaande dood nog wilt. Sam oppert plannen die hij voordien nooit had voor reizen, bezoek aan plaatsen waar oude herinneringen liggen en eindelijk trouwen. Luc merkt dat Sam niet de oude is, maar zoekt dat ook deels in de verwijdering die al een tijd tussen hen aan het ontstaan is.

    ‘Maak je je zorgen?
    ‘Zorgen? Nee, waarom zou ik?’
    Dit was anders dan liegen. Maar niet minder erg misschien.
    (…)
    ‘En jij?’ zei ik na een poosje. ‘Ben jij ongerust dan?’
    ‘Zoiets als jij, denk ik.’

    Louterend

    De bijzondere situaties waarin Sam terecht komt in een spreekkamer met een lotgenoot of in een supermarkt geven een filmische inkijk in zijn worstelende omgang met zijn naderende dood. Toch wordt de toon nergens pathetisch. Van Emmerik houdt het licht en af en toe bekruipt je zelfs een glimlach. Dat draagt er aan bij dat je je als lezer ongemakkelijk voelt omdat je de vraag niet kunt ontlopen wat je zelf zou doen als je leven van de ene dag op de andere verandert van argeloos naar onzeker.
    Aan het slot van het boek blijkt hoe louterend zo’n proces kan zijn.

     

  • Pats, boem, Shakespeare

    Tamelijk onopgemerkt verscheen in mei 2025 een nieuwe vertaling van de 154 sonnetten van William Shakespeare (1564-1616). De eerste Engelse uitgave van deze gedichten dateert uit 1609. In de 19de eeuw verscheen voor het eerst een volledige vertaling, door L.A.J. Burgersdijk (die trouwens ook alle toneelstukken van Shakespeare in het Nederlands vertaalde). Deze nieuwe integrale vertaling van deze wereldberoemde sonnetten is de zestiende.

    Het is verleidelijk om al die zestien verschillende vertalingen eens bij elkaar te zetten en te gaan vergelijken, integraal of gedicht voor gedicht. Maar aan die verleiding is vooralsnog weerstand te bieden. Laten we het hebben over déze uitgave. Want alles eraan is prettig. Het formaat, het papier, de in katernen genaaide en gebonden uitvoering, de mooie tweekleurendruk en de lichtvoetigheid waarmee de tekst wordt gepresenteerd. Of beter gezegd: niet wordt gepresenteerd.

    Want de uitgave bevat geen inleiding, geen verantwoording of bronvermelding, en ook geen Engelse tekst naast de Nederlandse vertalingen, gewoon pats, boem: gedichten om te lezen. Laat één voorbeeld iedereen ervan overtuigen dat vertaler Frans van Deursen het Engels van Shakespeare van meer dan vierhonderd jaar geleden soepel overzette in hedendaags Nederlands.

    In boeken uit reeds lang vervlogen tijd
    zie ik de knapste lieden uitvergroot;
    hoe schoonheid wonderschone verzen wijdt
    aan jonkvrouwen en ridders, mooi maar dood.
    Met zwier doet de antieke pen verslag
    van hand, van voet, van voorhoofd, oog en mond.
    Breedvoerig rijmend maakten ze gewag
    van schoonheid die vóór jou niet eens bestond.
    Dus al hun odes zijn slechts profetie,
    een toekomstbeeld waarin jij wordt voorzegd.
    Toch wordt het nergens grote poëzie:
    geen van die zieners zag jou immers echt.
    En ik, die hier en nu de muze dien,
    ben sprakeloos terwijl ik je kan zien.

    Hedendaags – en niet alledaags, verre van. In heel veel andere sonnetten weet de vertaler met zijn rake woordkeus en ‘een gezonde dosis overmoed’ de poëzie van Shakespeare te vertolken. Keurig conform de impliciet vereiste regels, met behoud van regellengte en metrum, en dat zonder enige kramp of nadrukkelijkheid. Eeuwige ontroering, gevangen in een ogenblik, telkens veertien regels. Heel warm aanbevolen.

     

  • Dystopische fantasie met een angstaanjagend vooruitziende blik

    Andrea Victrix, de derde roman van de Catalaan Llorenç Villalonga (1897- 1980), speelt zich af in onze nabije toekomst, 2050. Villalonga publiceerde de roman in 1974, hij keek ruim 75 jaar vooruit en die vooruitziende blik is even fascinerend als beangstigend, maar ook hilarisch. Het verhaal is een satire op de opkomst van het massatoerisme en de consumentenindustrie in de jaren zestig van de vorige eeuw op het eiland Mallorca, dat zich afspeelt in de hoofdstad Toerclub (afkorting van toeristenclub in de Middellandse Zee).

    Villalonga, geboren en getogen op Mallorca, zag de opkomst van massatoerisme, kapitalisme en hyperconsumptie met lede ogen aan. Hij schreef er talloze artikelen en columns over die uiteindelijk resulteerden in deze roman. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij grotendeels geïnspireerd werd door Brave New World van Aldous Huxley. De fictieve kunstmatige drug Soma, wordt ook in Andrea Victrix veelvuldig gebruikt om vergetelheid te vinden tot de dood erop volgt. En net als in Brave New World bestaat in dit boek gender niet meer, de meeste mensen worden in laboratoria gecreëerd; uit liefde geboren kinderen zijn een schande, seks en genot hebben niets te maken met liefde. De Verenigde Staten van Europa met Parijs als hoofdstad zijn heer en meester van de wereld geworden. ‘Ze genoten een economische welstand die nooit eerder in de geschiedenis was geboekstaafd.’ De twee atoommachten Amerika en Rusland hadden elkaar uitgeroeid en waren van de aardbodem weggevaagd. ‘Toen een van de twee presidenten – men heeft niet kunnen achterhalen welke – een mug wilde doodslaan, schampte hij die knop, waardoor op slag zeven bommen op een van de twee rijken viel en bijna op hetzelfde moment zeven op het andere, en aldus werden de twee machten vernietigd.’

    Leven in een wereld van propaganda

    De naamloze verteller werd in 1965 ingevroren en ontwaakt vijfentachtig jaar later in 2050 in een totaal nieuwe wereld. Hij is dertig jaar jonger, een knappe man van eind twintig. Zijn eerste indruk is die van totale verwarring en frustratie, alles om hem heen is akelig en koud. Het verkeer raast om hem heen, overal zijn billboards met bewegende en schreeuwende reclames van stofzuigers en andere elektrische apparaten, die het leven zouden versimpelen, en dus verplicht aangeschaft moeten worden om de economie draaiende te houden. Om de haverklap is er een bord met de tekst: ‘De vooruitgang kan niet worden gestopt.’ De mierzoete genotsdrank Hola-Hola (‘subtiele’ verwijzing naar Coca-Cola) is de nationale drank en wordt in grote hoeveelheden gedronken. Robots en televisieschermen staan de mens bij in het dagelijks leven, een mens die al ernstig gedegradeerd is door kunstmatige, chemische voeding en vitamines. Alles ruikt naar chemie, constateert de verteller. In het belachelijk drukke verkeer vallen om de haverklap doden, waar niemand een traan om laat. Het is een wereld waarin decadentie en hedonisme zegevieren. Door de ogen van de verteller wordt de lezer slim meegenomen in deze nieuwe realiteit, die gek genoeg niet eens zo onrealistisch is.

    Op de eerste bladzijde wordt Andrea Victrix geïntroduceerd. Een goddelijke androgyn ogende schoonheid, rijdend in een rode Rolls Royce. De verteller stapt in, ze rijden op topsnelheid door de stad, veroorzaken bijna een dodelijk ongeluk, waar lacherig over gedaan wordt, maar de verteller raakt wel in de ban van hem, of is het toch een zij? ‘Ik schonk voor de eerste keer aandacht aan zijn lichamelijke schoonheid, die nog niet seksueel gedifferentieerd was. Een meisje, een verwijfde jongeman?’

    Genderneutraal

    Een van de belangrijkste thema’s in het verhaal is dat het grootste deel van de bevolking genderneutraal lijkt. Iedereen gaat gekleed in Romeinse kostuums, lange broeken of geklede japonnen zijn uit den boze. Uitspreken dat iemand man of vrouw is, is strafbaar en staat gelijk aan blasfemie. De verteller wordt heimelijk verliefd op de negentien jaar oude, mysterieuze Andrea Victrix, lief, maar ondoorgrondelijk.

    Andrea is Directeur van Plezier en zeer toegewijd aan het welzijn van de gemeenschap. Bij de verteller ontstaat naast verliefdheid ook frustratie. Hij probeert wanhopig Andrea’s geslacht te achterhalen. Vruchteloze pogingen, waardoor de ik worstelt met het idee dat hij daadwerkelijk verliefd zou kunnen zijn op een man. Ondertussen ontstaat er wel een band tussen hem en Andrea en probeert hij Andrea ervan te overtuigen dat de levenswijze van ‘vroeger’ zoveel beter was, waarmee hij Andrea in het verzet probeert te trekken.

    Verzet

    Want de verteller werpt zich op als criticus van de “beschaving” van 2050. Hilarisch beschrijft Villalonga hoe men zich verkleedt tijdens clandestiene speeches, om vooral niet te laten zien wie zich bezighoudt met het verzet tegen het regiem. Terwijl een van de sprekers ‘deze woorden sprak, keek hij naar de oude vrouwtjes, die geen spier vertrokken. Hier en daar werd gefloten en hij zocht de zaal af, maar het was gevaarlijk halverwege te blijven steken. Ik had het idee dat hij van zijn stuk raakte onder de schmink van femme fatale uit 1920; hij beet op zijn lippen, schikte zijn decolleté alsof het de revers waren van een ouderwets colbert en stak van wal.’

    Deze speeches worden breed uitgemeten en halen de vaart uit het verhaal. Villalonga heeft de behoefte om veel denkers uit de vorige eeuw te citeren en aan te halen om zijn kritiek te onderbouwen. De voornaamste is Pierre Teilhard de Chardin, de Franse pater jezuïet, natuurwetenschapper en theoloog, die trachtte het christelijk geloof in overeenstemming te brengen met de evolutietheorie. ‘In het materialistische tijdperk van jouw jeugd hadden jullie het over de Biosfeer (het dierlijke leven op de aardsfeer); in het geestelijke tijdperk waarin we nu leven, kunnen we spreken van de Noösfeer (leven van de geest). Je moet niet één enkele persoon vergoddelijken, maar de hele Mensheid, zoals de christenen zeiden. Daarom bepleiten wij het genot, la débauche, zonder te denken aan een bepaald wezen en zonder onderscheid van sekse; een genot waarin iedereen deelt…’ laat Villalonga Andrea Victrix betogen.

    De roman is een grote aanklacht tegen socialisme, industrialisatie en consumentisme, maar vooral tegen genderneutraliteit. Via talloze gesprekken tussen Andrea en de verteller en via de clandestiene speeches uit Villalonga zijn kritiek en zijn gewaarwording dat ‘de vooruitgang niet kan worden gestopt, ook niet wanneer duidelijk wordt dat de voordelen van nieuwe ontwikkelingen niet opwegen tegen de nadelen.’ Aldus vertaler Frans Oosterholt in het nawoord. Hij noemt Villalonga ‘een erudiete conservatief, een soort artistieke Bolkestein, bij wijze van spreken.’

    Hij heeft gezorgd voor een uitstekende vertaling uit het Catalaans, geen gemakkelijke opgave met name betreffende de genderkwestie, maar ook tussen de lichtvoetige humor en inktzwarte toekomstvisie houdt hij een goede balans. Helaas zijn er heel veel typfouten in de tekst blijven staan, wat de leeservaring regelmatig stoort. Maar dat deze roman stof tot discussie oproept, staat buiten kijf.