• Metafysische poëzie voor de fijnproever

    Met de bloemlezing Wat ik mogelijk heb gedaan verschijnt voor het eerst in onze taal een poëziebundel van de Franstalige Belg Yves Namur (1952), geboren in Namen (in het Frans Namur). Hoewel Yves Namur al vanaf begin jaren zeventig gedichten publiceert, gaat de inmiddels veel geprezen en bekroonde dichter – die ook huisarts en uitgever is – zelf liever aan zijn vroege werk voorbij. Hij meent dat omstreeks de vroege jaren negentig zijn gedichten meer de toon van ‘denkende poëzie’ zijn gaan ademen, waarmee hij zich schatplichtig rekent aan dichters als Rilke, Celan, Jabès en Juarroz. De door Mysjkin vertaalde gedichten bestrijken dan ook deze rijpere fase van zijn poëzie, vanaf 1992 tot heden. Poëzie die het best als metafysisch valt te karakteriseren, met zinnen die het wezen der dingen bevragen, een drempel willen zijn naar een andere, verborgen staat van ‘zijn’.

    De meeste gedichten drijven op woorden met een sterke symboollading als ‘engel’, ‘roos’, ‘drempel’ en ‘sporen’. Er zitten verwijzingen in naar door Namur bewonderde dichters als het hierboven genoemde kwartet, maar ook naar o.a. Hölderlin, Pessoa en Bonnefoy, en de pre-socratische filosoof Heraclitus alsmede naar huidige tijdgenoten. In zijn denkende poëzie treedt Namur voortdurend in dialoog met die andere poëzie. Voor het overige staan de gedichten meer in verticaal contact met een metafysische wereld ‘waar de dingen zijn wat ze zijn’. En als er al horizontaal wordt overgestoken dan is het ‘Daar / Aan de overkant van de dingen, / Daar, op de overoever, // Waar ik niet was, / Waar ik naar mezelf zocht / En nog altijd zoek naar mezelf.’ Vindt er al een ontmoeting plaats met een ander wezen, dan betreft het bij voorkeur de naamloze ‘Ander’:

    ‘Wanneer het gedicht spreekt,

    Verschijnt de Ander
    Die zich ophoudt in een onbestendig oord
    Waar enkel de uitwissing bestaat.’

    ‘Het gedicht moet inspelen op de wisselwerking tussen het Ene en het Veelvoudige’ heeft Namur ooit toelichtend op zijn werk verklaard. De wederzijdse wisselwerking tussen het ik en de dingen om hem heen is de spil waaromheen zijn zinnen zich bevragen. ‘De onzichtbare draad die ons doorkruist.’ Het gedicht zou te situeren zijn ‘in die veranderlijke ruimte tussen twee uitersten. Alsof het gedicht ontstaat in de tussentijd, de tussenruimte tussen in- en uitademen.’ De vindplaats van Namurs poëzie beweegt mee tussen twee ogenschijnlijk tegengestelde, broze bewegingen in: ‘Tussen de uitwissing / En de adem van de uitwissing.’ Een wisselwerking die ook een uitwissing wil zijn en vice versa, alsof het uitwissen van het ene het spoor van het andere oproept.

    ‘Er was eindelijk licht.

    De uitgesproken naam
    Was naar het onuitspreekbare teruggekeerd.

    Het water was naar de bron teruggekeerd
    En het woord was de naam van de bron ingegaan.

    Enkel

    De leegte kwam
    Iets naderbij.’

    In dit gedicht dat een gezuiverde staat toont, beleeft het woord het nimmer te bereiken ideaal van door te dringen tot de bron. Niet echter een god, maar slechts leegte komt daarmee iets naderbij. Woorden die ‘mogelijk enkel schijngedaanten van woorden zijn’ stellen zich bij Namur voortdurend ten doel de ‘naam van de dingen [te] doorkruisen / Tot de diepere naam van de dingen toe.’ Het eeuwige échec daarvan verleidt deze dichter echter niet tot neologismen. Liever dan zich te buiten gaan aan een antwoord, houden deze zinnen de vragen in ere. De woorden blijven concreet en helder. Het herhalen van bepaalde, betekenisvolle woorden houdt de woordenschat in deze gedichten beperkt. Op het eerste gezicht oogt deze poëzie daardoor misschien wat kunstmatig, ietwat abstract. Typerende strofen zijn bijvoorbeeld:

    ‘Wat kun je verder verlangen van mijn stem
    En de echo van mijn stem.

    Wanneer mijn stem niets anders kan zijn
    Dan de echo van iets van niets?’

    Deze geabstraheerde stoffering gepaard aan afwezigheid van rechtstreekse eigentijdse toespelingen verlenen deze poëzie een tijdloos stempel. Het vergt wel een meer bezonken leeshouding die de zinnen proeft en laat resoneren, zoals men een slok wijn niet meteen doorslikt maar nog even fijnproeft op de tong. De medemens mag in Namurs oeuvre sterk ondervertegenwoordigd zijn, de existentiële vragen die erin gesteld worden, verlenen aan deze gedichten een warme, menselijke toon: ‘Soms vraag ik me af wat te doen, wat te denken / Of gewoon hoe te leven, / Als de schaduw me plotseling zou verlaten / Voor andere talen of andere lichamen dan die van mij. // Wat te doen met die onmetelijke leegte, / En hoe die te vullen?’ Daarbij lijkt Namur zich van zijn eenkennige soort poëzie terdege bewust waar hij schrijft: ‘Maar jij, dichter van het petieterige en het nietige, / Zul je op een dag waarlijk weten wat te leven is, // Eindelijk te leven buiten het gedicht?’ Zich rekenschap gevend van de kwetsbare staat van het dichterschap, biecht hij op: ‘(…) dit gedicht waarin ik waarachtig geen afspraak heb, / Niet met de liefde, noch met het rijm.’

    Moeilijk uit te maken welke waarde Namur uiteindelijk aan het woord toekent: ‘Bestaat het woord waarlijk in de wereld? (…) Heeft het een stoel om op te zitten / En een andere om zich van de grond te verheffen?’ In ieder geval vormen woorden pasmunt om de wereld om ons heen te verkennen. Niet bij machte het wezen der dingen te onthullen, legt het hooguit het Niets, of ‘sporen’ van het Niets bloot. En zo kan een gedicht ons ontvankelijk maken voor de les ‘van het duister en het ondoorgrondelijke’. Dus jazeker, het gedicht kan iets te weeg brengen, al is het maar het in kaart brengen van de ‘leegte’. Een titel van een recente bundel van Namur luidt dan ook veelbetekenend: Een spoor vonkelt in de leegte.

    Deze bloemlezing mag een periode van bijna dertig jaar omvatten, de rustige, gelaten toon verraadt eenzelfde vaste hand van dichten. Welke spanningen Namur hiertoe moet hebben overwonnen, laat zich moeilijk raden. Speelde deze poëzie een type voetbal, dan zou het vooral op balbezit spelen. Er worden weinig risico’s genomen, maar er wordt wel een fraai, uitgebalanceerd samenspel geboden. Deze bundeling, die de vertaler van een verhelderend nawoord voorzag, is een feestmaal voor de fijnproever, de langzame lezer, wiens ‘dorst naar het Duistere’ op een heldere wijze wordt gelest.

     

  • Uitdrukkingen van andere schrijvers als struikelstenen

    In een klein dorp, waar iedereen elkaar kent, arriveert een jongen die er heel anders uitziet dan de meeste dorpsbewoners gewend zijn, tenger en haast vrouwelijk:

    ‘[…] zo’n
     jongen die doet of hij een meisje is, zijn vriendelijke

     glimlach, witte tanden, zijn lippen die speels omhoog
     krullen, die engelachtige lokken die omlaagregenen
     langs zijn jukbeenderen, ik moet er niets van hebben.’

    De man die deze woorden uit, beschrijft daarmee de mening van het hele dorp, dat vijandig staat tegenover vreemdelingen in het algemeen en deze jongen in het bijzonder. Toch wordt juist de dochter van deze man verliefd op de jongen. Als reactie daarop slaat de vader de jongen met een stoel tegen de grond. Later drijft het lijk van de jongen in de rivier. Het meisje probeert zelfmoord te plegen door zich op te knopen, maar haar vader weet dit net op tijd te verhinderen. Ze blijkt zwanger te zijn.

    Liefdesverhaal

    Dat is het verhaal, ‘een liefdesverhaal in gedichten’, zoals de ondertitel luidt. De bundel is samengesteld uit een proloog, drie afdelingen die respectievelijk Liefde, Tijd, en Dood getiteld zijn, gevolgd door een epiloog. De middelste drie afdelingen worden voorafgegaan door een citaat uit een Engelstalig lied.

    De proloog springt in het tweede gedicht Liefde al meteen in het midden van het verhaal: in een café krijgt iemand ineens een stoel in zijn gezicht geslagen. Die ‘hij’ blijkt de jongen te zijn, die slechts één keer in de hele bundel met zijn naam Momo wordt aangeduid. Zes mannen die hierbij aanwezig zijn, stamgasten en waard, geven later commentaar op deze gebeurtenis; tegen wie ze hun verhaal doen, wordt niet duidelijk. Later in de epiloog komen zij in omgekeerde volgorde weer aan het woord. 

    Wim

    ‘Als je het precies wilt weten moet je niet bij
     mij zijn ik was moe  en had al wat gedronken
     ik ben geen makkelijke prater sowieso ik kijk

     als niemand kijkt soms naar de sterren buiten
     boven onze domme koppen en weet dan niets
     te zeggen en weet dan het is niets het is niet erg

     we duren zolang het duurt en strompelen als
     het tijd is naar huis staan binnen in de deuropening
     nog even naar onze kinderen te staren schudden

     al bijna afwezig een loos verlangen van onze schouders
     leggen ons stil naast de moeder  van onze kinderen neer

     het is niets en het is niet erg.’

    Meerstemmige klanken

    Het geheel doet denken aan Under Milk Wood van Dylan Thomas, waar zes stemmen het verhaal vertellen. Of de verteltechniek van William Faulkner in The sound and the fury of in As I lay dying, waar ook verschillende stemmen van eenzelfde gebeurtenis belichten en die Hugo Claus inspireerde tot zijn roman De MetsiersDe stoel is een belangrijk gegeven: de afdeling Tijd bestaat uit acht gedichten waarin een stoel centraal staat. Zo is er de stoel die de jongen in zijn gezicht krijgt en de stoel waarop het meisje gaat staan om zich op te hangen: ‘[…] hier wacht de stoel, hier hangt het touw.’ 

    Maar ook is er twee keer een gedicht te lezen dat De kinderen is getiteld, in het begin en aan het einde van de bundel. Het zijn twee gedichten die doen denken aan zangerige kinderrijmpjes, aftelversjes, waarbij het meer om het ritme dan de betekenis gaat. Ze lijken identiek, maar verschillen in enkele woorden. Ze fungeren als een intermezzo, als een Grieks koor dat in een reizang afstandelijk commentaar levert op de gebeurtenissen zonder daarbij in te grijpen. 

    Literaire zoekplaat

    In de afdeling Liefde is het naamloze meisje aan het woord. Ze vertelt over haar ontmoeting met de jongen, die op blote voeten uit het niets kwam. In parlando en prozagedichten vertelt ze hoe ze de liefde bedreven, één keer slechts. Er wordt al vooruitgewezen naar hoe de jongen straks als een dode Ophelia in de rivier zal drijven:

    ‘ik ben alleen en drijf traag door de lucht, we zijn fijner in een stapel, staren door tralies, verwijten onze liefste niets, ik ben alleen en zink langzaam tot de bodem, wier voor mijn ogen, honing op mijn wangen, bloesems in mijn haar en de rivier is als jouw schoot, je wiegt me naar beneden, we zijn fijner en staren, ook als we wegzinken in de laatste stuiptrekkingen van het feest, als de band zichzelf in slaap speelt, als alle kaarsen uitgewapperd zijn, het donker en koud wordt, lig ik tussen je benen, met mijn ogen dicht, alsof je mijn broertje  of mijn zusje was.’ 

    Vergeet wat je gelezen hebt

    Binnen deze afdeling is er een cyclus van gedichten samengebracht onder de titel Hooglied. Hier spreken zowel de jongen als het meisje over hun liefde. In de aantekeningen achter in de bundel vertelt Möhlmann dat deze onderafdeling ‘rijkelijk uit de Bijbel put’. Toch is het niet de Bijbel, maar de 27 liefdesliedjes van Judith Herzberg die door de gedichten sterk in het geheugen worden gebracht. En dat is gelijk wat storend werkt, er zitten zoveel verwijzingen en parafrases van andere literaire werken in Dankbaar lichaam, als ook veel citaten die al dan niet letterlijk zijn gebruikt, dat je als lezer argwanend blijft zoeken naar waar die zinsnede of versregel vandaan komt, alsof je bezig bent in de boeken van Waar is Wally?

    Elke keer herken je weer een uitdrukking van een ander, als een struikelsteen in het gedicht. Het gedicht wordt een zoekplaatje, de leeservaring wordt daardoor naar de achtergrond gedrongen en dat is jammer. Zo kwamen Dylan Thomas en Faulkner al voorbij, Judith Herzberg en Vasalis, wier versregels uit De idioot in het bad door Möhlmann zelf al aangegeven worden in de aantekeningen, maar ook Paul Celan met zijn onvergetelijke Todesfuge zien we terug in ‘mijn / melkmeisje, mijn asgrauw, mijn zwart slangen- / kind’ en in ‘asbaklokkige’ verderop in hetzelfde gedicht Waar.

    Jammer is ook dat verhaallijnen die in het begin worden aangegeven, later niet worden uitgewerkt. De komst van de jongen, zijn naam, maar vooral zijn tweeslachtige sekse leken een aanduiding te zijn, maar blijven een belofte die niet wordt vervuld. Het blijft een raadsel waarom de jongen als ‘wijfjoch’ betiteld wordt, tenzij om de ergernis van de dorpsbewoners op te wekken. Daarom blijven de volgende strofen van het gedicht Nog staat de stoel in het luchtledige hangen: 

    ‘[…]
     een dankbaar lichaam neemt genoegen met wat
     het gegeven werd, je bent als man geboren en
     je blijft je geboorte trouw, waar werd een kiem 

     je hoofd ingeduwd dat je geboren werd als vrouw,
     en waar als je nu eenmaal nu een meisje blijkt
     brengt dat bewustzijn je nu verder, nou? […]

    Dankbaar lichaam is zeker een mooie bundel, maar om hem ten volle te kunnen waarderen moet je als lezer alles vergeten wat je ooit gelezen hebt.

     

  • De keuze van gedichten is weer treffend

    Het is haast niet te bevatten dat de 179 nieuwe gedichten in Het liegend konijn 2021/1 een keuze is uit een paar duizend gezochte, ontdekte en ongevraagd ingezonden gedichten staan. Jozef Deleu, enig redactielid van het tijdschrift die de titel ‘ambassadeur van de Nederlandstalige poëzie’ zeker verdient, werkt zich halfjaarlijks door stapels poëzie heen. Dat het resultaat bij elke editie aanslaat, tweejaarlijks al twintig jaar lang, verrast telkens opnieuw, en is tevens een compliment aan de opgenomen dichters. Deleu is een belangrijke factor in het verspreiden van nieuw werk, zijn doel is erkenning voor de dichter en de poëzie vitaal te houden. Dat is hem ook in deze laatstverschenen editie weer gelukt waarin nieuwe gedichten van achtendertig dichters, net voor ze klaar waren uit te vliegen door Deleu werden weggekaapt.

    Duurzaam of verwelkend

    Elke lezer heeft zijn voorkeur, of kiest zijn meest aansprekende gedichten eruit, dat is ook de bedoeling van dit aanbod, gelijk een bos wilde bloemen gemengd met gekweekte bloemen. Waar een gerenommeerd dichter de stevigheid biedt van de lange duur, kan een veldbloem wat sneller verwelken, afhankelijk van doorzettingsvermogen, al dit is te lezen in Het liegend konijn. Een vijftal gedichten van Gerry van der Linden (1952), geen veelschrijver maar wel een blijver. Het laatste titelloze gedicht van de vijf zou ‘de geschiedenis van een gedicht’ genoemd kunnen worden. Waarin een waarneming verbonden wordt met eigen aannames van hoe de dingen gebeurd kunnen zijn, waarop deze aannames teniet worden gedaan door deze in twijfel te trekken.

    ‘Op straat zag ik een meisje op de fiets
     met benen in te wijde kousen, ook
     zag ik een vrouw met blote voeten in een
     vliesdunne jas.

     Waren zij vergeten zich behoorlijk aan te kleden?

     Zomer had hen beduveld en het meisje
     met de dunne benen, in de kluwen
     van de ochtend, had verkeerde kousen uitgezocht
     (moeder niet de goeie maat gekocht)

     Maar wat weet je nu van de geschiedenis
     van een ochtend? Dingen gaan zoals ze lijken.
     De kousen van het meisje kruipen
     om haar kuiten, plooien om haar enkels

     in de geschiedenis van dit gedicht.’

    Mooie vondsten zijn, een ‘vliesdunne jas’, en ‘in de kluwen van de ochtend’, (dat een verdwaald zijn suggereert). En de vraagstelling, ‘wat weet je er nu eigenlijk van, van wat je ziet?, legt een diepere laag aan. 

    Quarantaine gedichten

    Van Hanneke van Eijken (1981) zijn zes quarantaine gerelateerde gedichten opgenomen. Het onderwerp ligt zeer voor de hand, de gedichten zijn verrassend goed, telkens als je ze opnieuw leest blijven ze leven. De door quarantaine gedreven handeling liggen ingekapseld in het gewone leven zoals, ‘je zingt steeds vaker, je handen vouwen /  

     na het wassen / niet in een gebed, maar in kleine vogels / die kwetteren’.

    Of, ‘afstand is een nieuw begrip geworden / iemand trekt strepen op vloeren / met afplaktape // Ik kneed minstens tien minuten op plakkerig deeg // (…) een vochtige theedoek ligt over alle afspraken / die we al hadden gemaakt’. 

    Geboetseerde beelden

    De vijf krachtige, tot beelden boetserende gedichten van Jan Baeke (1956) treffen het sterkst. Ze zijn als een roep tot ambachtelijk en opbouwend werken, maar onmacht ligt op de loer en alles verdringt tot een schaduwleven. Zoals in het, Onze handen zijn thuis in emotie,

    ‘Geef ons een klus en we maken er werk van.
    We verzagen het leven naar ieders geluk, werken
    voor een betere tijd die we diep in ons hart allang kennen.

    (…)

    Iedereen hier durft zijn handen te laten zien, heel anders
    dan die praatjesmakers die tegen ons praten en van praten
    een paradijs willen maken.

    Ook de grote jongens die hun grote auto’s in onze sobere
    straten laten grazen – alsof ze er eerlijk aangekomen zijn –
    zijn van de handen, maar dan anders en van andere handen.

    Wij kunnen gelukkig zijn met het gewone. Dat is onze kracht.
    Als het licht wordt heb ik alle spullen in de bus geladen, brood
    erbij en hamers, zagen, schroeven, boormachine, waterpas.

    Ik wacht voor het raam met het zicht op de bus
    wacht de uren af, wacht dan de uren af, probeer mijn handen
    gerust te stellen, zet tegen zessen de avond terug in de schuur

    In de schuur van deze gewone man.
    Ik loop, voor de nacht valt, nog even naar buiten.
    Het is te donker om mezelf te zien.’

    Sociaalrealistische regenjas

    De jongste debuterende dichter is Pieter Van De Walle (1992), met drie gedichten. Waarvan de strofen: ’twee plus twee is nog steeds vier maar enkel uit beleefdheid / de wereld is weer plat, godzijdank / de zon tutoyeert me, de zon is de laatste Sovjet / ik meander door een utopia van bourgeois kittens / met mijn sociaalrealistische regenjas en kijk omhoog: / zoveel wolken – dit moet wel het tijdperk van de wolken zijn’, veelbelovend zijn, en met een strofe als, ‘pas toen je de camera uitvond, begon je te lachen’ met het kip en het ei principe speelt. 

    Elke dichter verdient het hier besproken te worden, maar dat is alsof er achtendertig bundels besproken moeten worden. Al kan het gedicht van Hagar Peeters’ (1972) Berichten van bijstand van disfunctionele gezinnen in coronatijd niet onvermeld blijven. Een gedicht van drieënhalve pagina’s dat vanuit de lockdown geschreven is en de rafelige achterkant van het coronabeleid toont. ‘Hoe meer je vlucht en weigert mee te doen, hoe meer / ze gooien met pek, rotte aardappels, hun eigen vuile drek / en je laat het van je afglijden, denk je, / je denkt: / dit hoort bij hen, niet bij mij, /dit raakt mij niet / dat is mijn keuze / en je neemt de die je zelf bent in je armen en vlucht // waarheen te vluchten in coronatijd en nu de huizenprijzen stijgen en // Hoe te vluchten met jezelf terwijl je binnen moet blijven en de pijn // Hoe de betekenis te vinden wanneer je tijd van leven lijkt te zijn veranderd in het uitzitten van straftijd?’

    Twee rollen

    Ook twee nieuwe gedichten van Dichter des Vaderlands, Lieke Marsman, waarvan het gedicht Gedaantes getuigt van de verschillende rollen die een dichter heeft, of krijgt opgelegd: ‘wie ik ben als dichter / heeft weinig te maken  / met wie er op mijn kussen slaapt / zij wil het liefst luisteren / naar jullie gesprek vanmiddag / en het niet onderbreken / met een observatie / of een dichtregel die ze eergisteren schreef / en nu omvormt tot spontane opmerking / die niet het ontzag zal oogsten waar ze op hoopte / (…)’.

    Het lezen en selecteren van het enorme aanbod aan gedichten vergt een halftijdse baan liet Deleu eens in een interview weten. Dank aan de eenmansredactie die zichzelf steeds weer opnieuw deze taak stelt. En wetende dat de tweede editie in oktober verschijnt, betekent dat het lezen en beoordelen van al die prille gedichten al een aanvang heeft genomen.

     

  • Dit boek moet iedereen lezen

    Dit gaat niet over grasmaaien. Hoe lees je poëzie van Ellen Deckwitz is een vervolg op Olijven moet je leren lezen. Een cursus genieten van poëzie uit 2016. Van deze laatstgenoemde uitgave verschenen in korte tijd zeven drukken. En Dit gaat niet over grasmaaien uit najaar 2020 is ook al binnen een half jaar drie keer herdrukt: alle reden tot vreugde dus. Deze ‘opvolger’ maakte Ellen Deckwitz omdat ze merkte dat poëzie dynamisch is en onder invloed van veranderende omstandigheden telkens opnieuw vragen kan oproepen en nieuwe inspiratie teweeg kan brengen. Wat in de cursus uit 2016 niet aan de orde kwam krijgt nu een herkansing. 

    Opvallend is dat ‘genieten van poëzie’ blijkbaar is versoberd tot ‘het lezen van poëzie’. Wie goed oplet ziet dat in dit boek ook meer nuchtere aspecten van de dichtkunst aan de orde komen. Waarom er gedichten worden geschreven na een ramp, bijvoorbeeld. Of waarom poëzie helpt om te praten. Of waarom je door poëzie kunt ontdekken dat je niet gek bent. In 21 hoofdstukken van gemiddeld zes pagina’s gaat Ellen Deckwitz in op deze en andere vragen. De hoofdstukken zijn lichtvoetig geïllustreerd en van een duidelijke structuur voorzien. Elk hoofdstuk prijkt bovendien met een typografisch uitgelichte quote die – behalve door de vormgeving – de aandacht trekt door prikkelende woordkeus of stelligheid. Bijvoorbeeld:

    Wat je in teksten vindt en waardeert, is altijd afhankelijk van wie je op dat moment bent, wat je leeservaring is, wat je nodig hebt.’

    Of:

    ‘Er is een enorme ontroering wanneer je poëzie leest waarvan je het gevoel krijgt dat ze speciaal voor jou is geschreven.’

    Goeroe met zelfspot

    En dan de literatuur zelf die voorbij komt. Als ik goed heb geteld wordt in kort of ruim bestek verwezen naar het werk van een zeventigtal auteurs, van Rodaan Al Galidi tot Joost Zwagerman en van de Bijbel tot Delphine Lecompte. Ook enkele buitenlandse dichters en schrijvers zijn vertegenwoordigd, met namen als Simone de Beauvoir, Philip Larkin, Sylvia Plath en Warsan Shire, die haar poëzie ook via Instagram verspreidt. Een mooi podium: Deckwitz signaleert dat velen op Insta voor het eerst een gedicht lezen dat hun niet meteen het gevoel gaf dom te zijn. Tenslotte geeft Ellen Deckwitz aan het eind van veel hoofdstukken in een cursief gedrukte paragraaf heel concrete suggesties voor verder lezen.      

    De zelfbenoemde gedichtenevangelist Ellen Deckwitz is voor het antwoord op de vraag ‘hoe lees je poëzie’ een heerlijke ambassadeur: ze schrijft origineel, persoonlijk, met humor, begrijpelijk en toch nergens ooit zouteloos of truttig. Ze kiest haar voorbeelden goed en overtuigend … en met zelfspot, wat altijd goed is, zeker voor een goeroe. Voor het hoofdstuk ‘Hoe weet ik of een gedicht slecht is’ neemt Deckwitz een ongepubliceerd gedicht van zichzelf als uitgangspunt. 

    Vlinders

    ‘De vlinders fladderen verloren rondjes,
     ze hebben dit ongeliefd lichaam verlaten,
     degene die ze wegzond, houdt opeens terstond
     de mond, van verdriet kan ze niet meer praten.
     Het vuur in haar hoofd is wreed gedoofd.
     Wapperende wezens waaiden het uit,
     Dit is de laatste kans weet ze nochtans
     De zorg om de vliesdunne vleugels verbruid.’ 

    Aanstekelijke werkwijze

    In een destructieve analyse van dit gedicht, werkt Deckwitz vervolgens toe naar de stelling dat dit vers alleen maar dóét of het een gedicht is. Wat op zich wel weer mooi gezegd is. 

    Het woord dat Deckwitz’ werkwijze karakteriseert is: ‘aanstekelijk’. Zo gauw je een hoofdstuk uithebt van Dit gaat niet over grasmaaien wil je een gedicht gaan lezen of naar een bundel of bloemlezing grijpen. Beter kan niet, toch? Eigenlijk zou iedereen in Nederland met enig gevoel voor taal en literatuur dit boek moeten kopen en alle anderen zouden het dan van de overheid cadeau moeten krijgen, zomaar.’ Omdat het goed voor je humeur is, omdat het je aanzet tot nadenken, tot een keertje extra kijken en tot je gedachten en associaties de vrije loop laten en met aandacht volgen welke kant die opgaan.

     

  • Een tomeloos feest in schuimende en bruisende taal

    De nieuwste bundel van Frans Kuipers (1942), de Lach van de Sfinx, is een feest om te lezen. De virtuoze manier waarop Kuipers met de taal speelt en zijn woorden rangschikt, lijkt nog het meest op het componeren van een symfonie. De gedichten vloeien over van woorden vol klank. Een bundel om over je heen te laten komen alsof je naar muziek luistert en af en toe bijna kopje-onder te gaan in de aanzwellende stroom. De betekenis van de woorden komt daarom niet op de eerste plaats, ook al zijn de woorden door de dichter verzonnen. De eerste afdeling is getiteld ‘Stupor is de Sterre van de Zeggezee’. ‘Stupore’ betekent verwondering en bij ‘Zeggezee’ komt het beeld van een spraakwaterval naar voren, een overvloed van taal. Of ‘Sterre’ de naam van een vrouw is? De enige keer dat de dichter een vrouw rechtstreeks toespreekt, is dat met de naam ‘Verrelief’. ‘Sterre’ moet hier misschien letterlijk als een ster worden gezien: verwondering is de leidraad in de gedichten van deze dichter. 

    De dichter begint met zich voor te stellen: ‘Mens is een menigte, ik is iks en wie ben jij?’ en geeft daarmee aan dat de ander net zo onbekend voor hem is als hijzelf: de x, de onbekende.

    Het leven en de liefde

    De gedichten zijn genummerd van a tot en met z, de inhoud begint ook bij het begin: de geboorte van het lyrisch ik, in wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de dichter mogen herkennen. Kuipers parodieert in gedicht b de kreupelrijmpjes die je op geboortekaartjes aantreft om te vertellen dat hij geboren is in oorlogstijd, vlakbij concentratiekamp Vught: ‘Dodenakker, geboortegrond, / aan mijn wiegje oorlog stond. // Een uurtje lopen van mijn bed / bevond zich  Huize Beulenpret.’ Het verloop van zijn jeugd laat hij aan de verbeelding van de lezer over: ‘Verrelief, helemaal pluis was het niet thuis / en ook op dat internaat niet en later in heel / de wijde, wilde wereld niet, verre verrelief.’ Maar van de dichter hoef je geen treurzang te verwachten: hij zwerft als vagebond over de hele wereld en beleeft avonturen als uit een jongensboek. Zijn leven wordt opgetekend in hoogtepunten, hij leert het leven en de liefde kennen als een feest van uitbundigheid. 

    ‘Pleiadeer me, pacific me,
     spiel mir noch einmal de liefde op het eerste gezicht
     en W. Whitman mag weten
     alle gezichten zijn het eerste gezicht,
     hartspapaver me, laat mijn telraam niet stoffig worden.’

    Kuipers refereert hier misschien aan de eerste regels waarmee Whitmans Song of myself in Leaves of grass begint:

    ‘I celebrate myself, and sing myself
     And what I assume you shall assume,
     For every atom belonging to me as good belongs to you’

    Misschien, want hoewel er achter in de bundel enkele verklaringen zijn opgenomen van de verwijzingen, citaten en voorbeelden die Kuipers geïnspireerd hebben, is daar over Whitman niets terug te vinden.
    Oud geworden kijkt het lyrische ik op zijn leven terug en constateert dat verwondering de drijvende kracht is geweest. Het gedicht O uit de derde afdeling klinkt als een credo:

    ‘En dat het gezegd is vanonder de appelboom
     recht in het blauwe gezicht van juli
     dat bij Doodgewoon inwoont Wonder
     geloof ik tot ik er dood bij neervallen zal.’

    Loflied op de schepping

    De tweede afdeling, ‘Zonnesteen’, is een lange ode aan de zon in een reeks van schijnbaar losse aantekeningen waarin Kuipers gebruik maakt van typografische elementen: inspringende marges, cursief gedrukte versregels, vetgemaakte woorden, om in een krans van korte gedichten een ‘geëxplodeerd’ gebed te richten tot het leven waarvan de zon de bron is. Hij vlecht hierbij geraffineerd verwijzingen en citaten in zijn gedichten, evenals kinderrijmpjes en aftelversjes. Een vergelijking met het Zonnelied van Franciscus van Assisi is onvermijdelijk, maar waar dit laatste een loflied van alle schepselen op God is, is Zonnesteen een loflied op de schepping zelf. Het leven moet gevierd worden, de versregel ‘ik wil je vieren’ komt regelmatig terug in deze bundel. Kuipers doet dat in gedichten als een ‘toverformule’, ‘die, al was het maar / een fractie van één seconde / iemand haarwortels / verlichten kan, // dat moest me toch lukken / zo nu en dan.’

    De derde en laatste afdeling Ik wil van stromend water een kloosterkleed, eindelijk weten hoe ik heet is ook onderverdeeld in gedichten van A tot en met Z. De ‘iks’ van het begin is oud geworden en na het leven geleefd te hebben, is het tijd om zichzelf onder de loep te nemen en te kijken wie er schuilgaat achter de verwondering en uitbundigheid: ‘de getuige die niet kan verklaren.’ Ziekte en dood komen op het pad van de dichter, maar ze brengen de dichter niet van zijn levensvisie af:

    ‘Ik strompel in laarzen van lood. Ik wens een eerlijk gevecht
     van mens tegen kwaal. Ik schrijf mij voor: duinpaden in ochtendmist,
     kermende meeuwen boven een lege zee. Gisteren: ga weg en verre weg
     van mij en blijf daar wonen, dadenloze donkerdagen, kopzeer,
     kou en kul. Vandaag: oud en gelukkig getrouwd met mijzelf geweest.’

    Volstrekt origineel

    Het lyrische ik laat zich kennen als een man die ondanks alles ten diepste in het leven gelooft en net als de avontuurlijke Odysseus geleerd heeft dat zijn levensvervulling niet alleen in de wijde verte, maar ook dichterbij te vinden is. Ook doet de bundel denken aan Pallieter, van Felix Timmermans, ‘de vrije man, de ongebondene (…) die alle levensmanifestaties ondergaat in ‘n roes van verrukking of in vertederende ontroering (…)’ (T. Rutten, Felix Timmermans, 1928).  Maar Kuipers is volstrekt origineel, hij heeft van deze lyrische bundel een tomeloos feest gemaakt en in schuimende, bruisende taal op elke bladzijde iets moois gezet. Hoewel hij leed en dood niet uit de weg gaat, vervalt hij nergens in zelfbeklag of pessimisme en blijven zijn gedichten getuigen van  een ‘lebensbejahende’ intentie. Een bundel om met volle teugen van te genieten. 

     

  • Het verlangen naar oneerbiedigheid

    Van de Amerikaanse dichter Charles Simic is door Wiljan van den Akker een flink aantal gedichten en enige korte prozafragmenten geselecteerd en in het Nederlands vertaald. Al vanaf zijn  poëziedebuut What the grass says uit 1967 combineert Charles Simic in heldere, verstaanbare gedichten de verheven verwondering met de prozaïsche werkelijkheid. Niet eerder werd in Nederlandse vertaling het dichterschap van deze dichter, die al vele internationale prijzen in de wacht sleepte, met zo’n ruime bloemlezing geëerd.

    Charles Simic werd in 1938 in Belgrado geboren en maakte als kind de naziterreur van de Tweede Wereldoorlog mee, een periode die zijn hele oeuvre kleurt.  Het zal weinig verbazen dat zijn poëzie geen geflatteerd portret van de menselijke soort laat zien. In zijn door verwondering geprikkelde verbeelding pendelt Simic op en neer tussen de van dreiging zwangere wereld uit zijn Balkankinderjaren en de volwassen wereld van nu. Wellicht dat de Engelse taal als kogelwerendvest diende om ongeschonden in zijn herinneringen af te dalen om zo de beelden als buitenstaander te kunnen becommentariëren. Alsof men luistert naar de voice-over van een balling, ‘iemand die in twee werelden leeft / waarvan er een onzegbaar is.’

    Een soort non-genre

    Aan de bloemlezing gaat een citaat van Simic zelf vooraf: ‘Ik streef naar het scheppen van een soort non-genre, gemaakt van fictie, autobiografie, essay, poëzie en, natuurlijk, humor!’ Het associatieve van jazz, waarmee zijn nieuwe vaderland hem als 16 jarige liet kennismaken, kenmerkt zijn poëzie. En die poëzie is steevast geworteld in zijn levenservaring en de getrainde blik het essentiële detail te ontwaren in de blinde vlek van onze grootste gemene delers. Een filmische, verhalende stem, kort gehouden door woorden die alleen het noodzakelijke verbeelden, op een laconieke, maar niet van de menselijke maat gespeende toon. Een wijze toon ook. 

    In zijn rede Defence of Poetry uit 1997 liet hij zijn licht schijnen over nut en noodzaak van gedichten: ‘Lyrische poëzie is niets anders dan een eeuwenoude poging om onze onsterfelijke zielen met onze genitaliën te verzoenen’. En: ‘De ontdekking dat het tragische en het komische altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, deed me over de vloer rollen van geluk’. Hier en daar weet Simic á la Breugel een petite histoire de existentiële dimensie van het ware leven mee te geven, waarvan hij de gruwelijkheden naar de uiteinden van het gedicht verbant. Daar waar ze in eerste instantie niet, maar uiteindelijk des te onoverkomelijker tevoorschijn treden. Zoals in het gedicht ‘Bijbelles’, waarin een groepje sherry nippende ‘gezegenden’ zich zelfgenoegzaam warmt aan het geloof in een ‘andere, betere wereld / vol hemelse liefde en goedheid’. Maar ‘over het nieuws dat lange vrachttreinen / vrouwen en mannen dieper/ en dieper deze duistere eeuw insleuren’ geeft ieder van hen slechts ‘tactvol zijn mening’, zoals Simic in het bittere slot fijntjes opmerkt. Prettige bijkomstigheid in het werk van deze dichter is dat hij nergens dingen al te zeer bij naam noemt, maar uitwisselbare ervaringen oproept die iedereen met zijn eigen verbeelding kan inkleuren.

    Om helder te denken 

     Ik heb een varken en een engel nodig.
    Het varken om zijn snuit in een slobberbak te steken,
    de engel om zijn rug te krabben
    en lieve woordjes in zijn oor te fluisteren.

    Het varken weet wat hem te wachten staat.
    Geef hem hoop, engelenkind,
    met dat eeuwigheidsspul.
    Ga jezelf niet bewonderen
    in het slagersmes
    alsof het een hoerenspiegel is
    of hem pesten door een bloedbevlekt
    schort tot boven je knieën te tillen.

    Het varken is getopt met eten
    en staat peinzend tussen ons in.
    De kam van de haan vlamt al
    in de ochtendduisternis.
    Hij kraait nog niet maar zijn ogen staan woest
    wanneer hij over het erf paradeert. 

    Soepel lezende vertaling

    De door Wiljan van den Akker gekozen en vertaalde selectie gedichten worden in deze royale uitgave chronologisch gepresenteerd en gelardeerd met korte, titelloze prozafragmenten uit The monster loves his labyrinth; Notebooks van 2008. Deze laatste variëren van een ontnuchterende anekdote, soms ronduit waarschuwend van toon, tot pure belijdenis van de alles overstijgende kracht van poëzie. Naar het einde van deze bloemlezing oogt Simics werk zo mogelijk nog iets ongedwongener dan in het begin, alsof hij met het klimmen der jaren nog iets geraffineerder werd in het uitspelen van zijn troeven. 

    De Reddingboot

    Keek de koe die vannacht
    alleen in de wei werd achtergelaten
    naar de sterren?
    Hoe zit het met de krekel
    die zojuist is gaan zwijgen?
    Was hij verbijsterd over wat hij zag?

    De nachthemel is dol op mensen
    de bergen willen verzetten om dan
    iets vertrouwelijks omhoog te fluisteren.
    Ach, wat ik hem allemaal zou vertellen
    als ik in mijn eentje op zee
    in een reddingsboot zou zitten.

    Simics licht filosofische toon, die nergens routinematig wordt, komt voorbeeldig tot zijn recht in deze soepel lezende vertaling. Een eenmaal begonnen lezing breekt men niet makkelijk af.

    ‘Meerdanietsandersstaathetverlangennaaroneerbiedigheid aan de wieg van mijn poëzie. De behoefte om elke autoriteit voor schut te zetten. (…) in één adem door beweren dat je engelen hebt gezien en dat er geen god bestaat.’ Met zo’n credo is het goed voor de dag komen, maar je moet ermee uit de voeten kunnen om er aanstekelijke poëzie van te maken. En dat doet Simic!

     

     

  • Het konijn is niet onzichtbaar maar wel verborgen

    Wie zich door de titel Hop over de sofa, de jongste bundel van Remco Ekkers laat verleiden tot de gedachte dat het hier om vrolijke en luchtige zaken gaat, komt bedrogen uit. Want het openingsgedicht Pop, waaruit de titel van de bundel genomen is, doet al direct iets heel anders vermoeden.

    ‘Zij geeft zich niet
     nooit als een lappenpop
     hop over de sofa.

     Krijgt, maakt of neemt ze
     een kind?

     Krijgen lijkt het beste
     van het omstandigheden
     het toeval, noodlot
     zin misschien.

     Hoe dan als het stikt
     dood blijft in de wieg
     of al groter van het balkon
     hop over de rand.

     In je armen
     met rimpels
     net zo toevallig
     als een vogel.’

    Goed en kwaad naast elkaar

    In dit eerste gedicht liggen de elementen besloten waaruit de gehele bundel is opgebouwd, de tegenstelling tussen het goede en het kwade die alleen maar naast elkaar kunnen bestaan, de willekeurigheid van het toeval en het onvermogen om te kiezen tussen diverse interpretaties van eenzelfde gebeurtenis. Maar ook wordt hier de deernis en het mededogen zichtbaar waarmee Ekkers dicht, de tederheid en de berusting in iets wat niet te veranderen is. En dat is ook nodig, want pakweg de volgende tien gedichten gaan uitsluitend over wraak, moord, bloed. Over een aanslag, met een verwijzing naar Achterberg: ‘Van een meisje van zestien jaar / zijn dit de bommen, kijk er naar / zegt ze, voor ik ze laat ontploffen’. Over de verlossing uit een bitter leven. Over de gruweldaden van terroristen, die ‘denken dat ze heilig zijn.’ Over dodelijke ongelukken. Over een mislukte ontsnappingspoging uit de voormalige DDR. Maar ook over leed dat dichter bij huis ligt: mensen die al bij leven vergeten zijn, een gescheiden vader die zijn dochter zoekt. 

    Ekkers laat de gedachten achter die gedichten samenkomen in het gedicht Schuld, waarin hij een aantal voorbeelden geeft van klein en groot onrecht, begaan door verschillende mensen uit heden en verleden, in subtiele strofen van twee versregels: ‘Zij stopt glasscherven in de zak / van de jas van haar pianojuf.’ Hij wijst echter niet met de vinger naar de schuldige, maar eindigt met de ambigue strofe: ‘Geef ons heden, vergeef ons / zoals ook wij vader, moeder, kind.’ Wie vergeeft hier wie? Wie is dader, wie is slachtoffer?

    Verschillende thema’s

    Hoewel de bundel niet verdeeld is in afdelingen, zijn die wel te onderscheiden door de groepering van een aantal gedichten rond een thema. Er zijn zes gedichten over de Inuit opgenomen, die eerder verschenen in de bundel Arctische gedichten. Ze vallen op omdat ze niet in deze bundel lijken te horen, het contrast met de andere gedichten is groot waardoor ze uit de toon vallen. Maar juist de verscheidenheid van de gedichten laat zien hoe veelzijdig Ekkers’ poëzie is en hoe gemakkelijk hij zich op allerlei gebieden begeeft. Zonder deze variatie van onderwerpen zou de bundel te zwaar aangezet zijn. 

    Zo is er ook een korte cyclus, Vier Orakels, van vier gedichten die alle een vrouwennaam dragen en lijken te zijn geschreven voor deze dames persoonlijk. In het gedicht worden ze rechtstreeks aangesproken en van goede raad voorzien, wat tenslotte ook de belangrijkste taak van een orakel is. En evenals in de oudheid heeft de dichter als orakelspreker zijn boodschap ook in raadselen gehuld en die voor de lezer moeilijk op te lossen zijn zonder meer informatie. Toch valt er ook dan genoeg te genieten van het ritme, de speelsheid van Ekkers’ taalgebruik en sommige adviezen die een algemeen karakter hebben: ‘[…] zak niet weg in gemak / laat jaloezie je niet wegblazen van je plek.’

    Een aantal gedichten is aan de kunst gewijd, de beeldende kunst van Anish Kapoor, een stilleven en aan de werkwijze van een schilder in zijn atelier. Ekkers laat de hoofdpersoon in Jonge schilder in Garnwerd besluiten: ‘ik ga pas schilderen  als ik het landschap / uit mijn hart heb geleerd.’ Ook muziek komt aan bod met onderwerpen als pianospel en optredens en er is een drietal gedichten over Vivaldi, waarbij de dichter in de aantekeningen achterin de bundel filosofeert over de gedwongen kinderloosheid van de componist die immers priester was. 

    Onzichtbaar konijn

    Net als de inhoud van de gedichten is ook de vorm ervan gevarieerd. Ekkers speelt met strofen en versregels: hij schrijft prozagedichten, gebruikt opsommingen als strofe en wisselt het aantal versregels af. Niets staat vast, alles kan steeds anders. Heel bijzonder is het gedicht Kritiek:

    ‘Waarom schrijft iemand droge
     emotieloze gedichten zonder drama?’
     vroeg hij zich af en noemde me
     een soort goochelaar, een illusionist
     met een vreemde act, een onzichtbaar konijn.

     Geen drama Rogi, jij die zo veel drama
     moest ondergaan, dat het te veel werd.
     Ik zou wat geluk voor je willen goochelen
     en beter: ik zou het zwarte toverdraad
     weg willen blazen als vreemde vlokken sneeuw.

     Misschien is er geen drama, alleen maar
     raadsel, stil, wit, met oneindige vormen
     ontvouwend bewustzijn, nog in het begin
     langzaam groeiend, mythes overwinnend
     tot een totale leegte waar we elkaar weer ontmoeten.’

    Dit schreef Ekkers voor Rogi Wieg als reactie op een bespreking van Wieg bij Ekkers’ bundel Een faun bij de grens. Misschien gold de kritiek van Wieg op die bundel als juist, maar voor deze nieuwe bundel gaat dat niet op: die zit barstensvol ingeklonken drama, dat door de dichter heel gedoseerd uit de diepte naar boven wordt gehaald, met liefde en verwondering voor het leven. En droog zijn de gedichten allerminst, maar juist teder en begripvol voor elke situatie die erin geschetst wordt, of het nu om alledaagse dingen gaat of om grote gebeurtenissen. Zoals de slotstrofe in het gedicht Leven: ‘Als iemand belt en zegt dat ik moet / komen, hoe ver, het maakt niet uit.’

    Wieg had overigens wel gelijk wat het konijn betreft, al is het niet onzichtbaar, maar eerder verborgen. Want elk gedicht van Ekkers draait om een geheim, een raadsel dat niet per se opgelost hoeft te worden, maar dat het gedicht wel een extra dimensie meegeeft. Als een stil, wit konijn, dat niet uit de hoge hoed gehaald hoeft te worden om te weten dat het er is.

     

  • Grote thema’s op luchtige wijze verwoord

    Rob Schouten is behalve literair criticus, columnist en schrijver ook zijn hele leven al dichter. Zijn nieuwste bundel Dit moet dus de werkelijkheid zijn, draagt de titel waaruit twijfel, bevreemding en ongeloof spreekt. In deze bundel staat de afstand centraal die de ‘ik’ ervaart tot de werkelijkheid. Op zich niet zo bijzonder, zou je zeggen. Belangrijk is evenwel het perspectief vanwaaruit deze gedichten zijn geschreven, namelijk van iemand op oudere leeftijd. Hoewel je het lyrische ik en de dichter volgens de boekjes dient te scheiden, zou dat in dit geval flauw zijn. In toegankelijke, ritmische regels betrekt Schouten de lezer bij alles wat hem zoal bezighoudt. 

    In de eerste van vijf afdelingen,‘Uit het leven’, gaat het om gevoelens van nietigheid en vergankelijkheid die de dichter in deze fase van zijn leven ervaart. Openingsgedicht ‘Innocent’ beschrijft het verlangen naar jeugdige onschuld. Hoe graag zou de dichter zich weer in deze toestand bevinden: ‘mij lijkt het grandioos, / het nieuws nietszeggend springliedje, / links rechts en van je brexit trump’. Het was tijd van de ‘extase van het ik’. ‘Nu heb ik gevoel voor proporties’, schrijft hij in de laatste strofe. Maar wat heeft hij daaraan? ‘Geen idee waarom dit alles, / o rijke geest, o zoete dood, o niets!’ In een volgend gedicht vraagt hij zich af of niet onze ‘beschaving’, maar de ‘wit uitgeslagen wereld’ van de Noordpool de echte werkelijkheid is. Gelukkig heb je ook nog de intieme, beheersbare wereld van de literatuur. Het lezen wordt in ‘Lust’ op een erotische manier beschreven.

    ‘Maar het grootste genot vind ik
     uitstekende titels
     en toeschietelijke teksten;
     met mijn vingers duw ik pagina’s van elkaar
     en dring de zinnen binnen,
     roodgloeiend van de endorfine.’

    Vergankelijkheid en eeuwigheid

    Schoutens gedichten zijn zeer bespiegelend. Je leest over beide kanten van de thematische medaille. Zo denkt Schouten in het sonnet ‘Porties’ terug aan zijn overleden vader, om hier vervolgens zijn eigen sterfelijkheid aan te verbinden: ’tot op een dag ook ik oplos voordat / ze weer besmet raken en torens vallen’. De geschiedenis – corona, 9/11 – zal zich in enigerlei vorm herhalen. Zodra je denkt dat de dichter met het cyclische karakter van de geschiedenis vrede heeft, lees je na het octaaf – de klassieke wende – dat hij het onverteerbaar vindt dat een nieuwe generatie, ‘al dat nieuwbakken en frisse spul’, straks met zijn intellectuele erfenis aan de haal zal gaan.   

    Vergankelijkheid staat nadrukkelijk tegenover eeuwigheid. Dat de wereld buiten vergaat heeft de ‘ik’ te verdragen, maar wat als er ook geen eeuwigheid bestaat: ‘is de kosmos bij nader inzien misschien overdekt?’ De ‘ik’ laat zich regelmatig door onlustgevoelens meeslepen. In het gedicht ‘In het verkeer’ wil de ‘ik’ er zelfs de brui aan geven, om vervolgens te ervaren dat hem hiervoor de moed ontbreekt. Bovendien duiken meteen schuldgevoelens op.

    ‘Ben ik het spoor bijster of niet
     als ik denk: laat het over zijn?
     die twintig, dertig jaar schenk ik
     de miljardair die kosmos heet.

     dan toetert er een van opzij
     die vindt dat ik te krap bemeet.
     en haastig schuif ik in de rij,
     oneeuwig als een schuldig kind.’

    Zelfironie en de liefde

    Schouten schrijft over zichzelf met veel zelfironie. In ‘Het dure schrijverschap’ neemt hij zijn eigen betekenis als dichter op de korrel: Ik ben die oorlog misgelopen / opdat ik ongestoord kon puberen / richting gesubsidieerd dichterschap, / en nu, ondanks de verkoopcijfers, / legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’ Het maakt allemaal niet meer uit als de dichter er niet meer is: ‘Wie zegt iets zwaars als straks Bach klinkt / en ik het zorgeloze middelpunt ben…’ 

    Na het persoonlijke eerste deel gaat het volgende deel, ‘Aarde’, om de mens in het algemeen, waarbij Schouten vaak een kritische toon aanslaat. Bijvoorbeeld hoe ‘leugenaars en mythomanen’ de natuur in natuurseries menselijk maken, ‘er hun buiksprekerspraktijk op stillen’. In een ander gedicht beschrijft hij hoe de mens zichzelf overgeeft aan dierlijke instincten: ‘Auto’s in bermen tot voorbij mijn huis, / achter de beukjes wordt gebarbecued, / volvette lucht van hecatomben, / boven de baritons giert een sopraan het uit, / kinderen springen op iets, glijden er weer af.’ Maar: ‘Iets moet dit toch gewild, samengespannen om het voor elkaar te krijgen.’ 

    Als een vlucht uit de werkelijkheid is er, behalve muziek en literatuur, ook nog de liefde. De derde afdeling bestaat geheel uit liefdesgedichten (‘Minneliederen’). In de liefde laat de vergankelijkheid zich minder gelden, want ondanks zijn gevorderde leeftijd is de dichter nog goed tot liefde in staat. Wel heeft hij meer haast om er iets goeds van te maken. 

    ‘Ik maak er werk van tegenwoordig,
     korven vol hartjes, kussende lippen
     en liedjes die ik vroeger links liet liggen;
     ze ruist en gretig kom ik aangesneld.’

    De tijdgeest

    De vierde afdeling ‘Tijd’, beschrijft Schouten beurtelings ironisch en cynisch de tijdgeest. Het zijn gedichten waarin de columnist doorklinkt. Over moderne fenomenen als tattoos en viagra, maar ook over de zoönose die ons getroffen heeft, zoals in ‘De kroon op de schepping’:

    ‘Ik kijk corona want er is niks anders.
     Maken wij ook wat mee; ik dacht al zonder
     gebeurtenis te moeten sterven maar
     gelukkig zie ik artsen en agenten.’

    Schouten is een dichter van rake observaties, zijn gedichten zijn realistisch en eerlijk. Zoals in ‘Agnitio’ waarin Schouten zijn ambivalente gevoelens over zijn scheiding verwerkt: ‘Hoe simpel daalt ze af in mijn onderbewuste, / of het haar eigen ziel betreft: / je kunt je eigen ex niet echt afschudden / omdat je nog van haar aandacht geniet.’ 

    Het losstaande gedicht ‘Pompejisch’, waarin hij zijn bestaan tot enkele kale feiten reduceert, vormt een passend en ironisch slot. In Dit moet dus de werkelijkheid zijn snijdt Rob Schouten op originele wijze grote thema’s aan zonder zwaar op de hand te worden. De werkelijkheid is zorgelijk en dramatisch, maar je hebt het ermee te doen.

     

  • Een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries

    In dromen kan alles, de wetten van de logica gelden niet en de realiteit wordt op z’n kop gezet. Beelden en gebeurtenissen lopen in elkaar over en naar een verklaring hoeft niet te worden gezocht, want die is er niet. Net als in de gedichten in deze bundel waar Bindervoet de wetten van zijn eigen wereld maakt en met woord en beeld speelt. Dat begint al op de voorkant van de bundel, waar in de vreemde titel De droom van eb inkt diervoer de letters van de laatste drie woorden losraken en langzaam door elkaar naar beneden dwarrelen, tot ze weer samenkomen in de naam van de auteur. Ook de drie motto’s die de dichter voor deze bundel koos, gaan over dromen, waarvan de reclameslogan Turning reality into dreams is now in your hands! wel de meest toepasselijke lijkt. 

    In het lange gedicht Theorema – een vreemde titel in een dromenbundel, want een theorema is juist iets dat wel bewezen is – wordt de komst van de dichter aangekondigd, die de realiteit tot een droom zal maken. Hij belooft de wereld te veranderen in een luilekkerland. ‘Luister, kindertjes, / want de dichter komt.’ Via associaties van klanken en citaten wordt de dichter voorgesteld als een magiër, die iedereen een wereld voortovert die hij wenst. Maar het klinkt ook wat dreigend, als het sprookje van de Rattenvanger van Hamelen, die de kinderen meelokt, de berg in, vanwaar ze nooit terugkeren. De ironie die Bindervoet hanteert, maakt het gedicht dubieus, alsof de magiër in werkelijkheid een louche goochelaar is. 

    Spelen met taal

    Hiermee is de toon van de bundel gezet. De dichter speelt met de taal, met de lezer, de typografie, in een uitbundige stoet van dromen, visioenen en nachtmerries. Een fragment uit het gedicht Recept voor een droom laat zien dat dromen en gedichten op dezelfde manier kunnen ontstaan en dat niets is wat het lijkt.

    ‘Dat je een afgehouwen oor tegenkomt
     als bladwijzer
     in een bijbel uit 1747.
     De rest volgt vanzelf –
     je komt ergens waar je
     oorspronkelijk
     niet heen wilde.
     Je vindt niet wat je zocht,
     iets waar je niet naar op zoek was.
     Een geheim.
     Een ander verhaal.
     Iets anders, wat eronder ligt,
     onder het object van verlangen.
     Vrijheid.
     Een proces.
     Een vloeiende situatie
     die je blindelings aanvaardt,
     zonder morren,
     zonder vragen te stellen,
     probleemloos.’

    Dronken feestgangers

    Terwijl dit gedicht nog tamelijk eenvoudig en ingetogen is, zijn de meeste gedichten uitbundig en luidruchtig als dronken feestgangers. Van alle kanten spat het plezier van de gedichten af. Dat begint al met de titels: Icarus achter de kinderwagen, Krentenbollen en kadavers en Yankee phone home. Ook zitten er talloze verwijzingen in naar bestaande en fictieve personen en kunstwerken. Franz Kafka, Paul van Ostaijen, Salvador Dali: ze hebben allemaal op de een of andere manier een bijdrage geleverd aan de dromen die beschreven worden. Bindervoet beweegt zich in de taal als een kind in een speeltuin: vrolijk, speels en volstrekt eigenzinnig. Het procedé dat hij gebruikt, is ook te vinden in Finnegan’s Wake van James Joyce, dat door Bindervoet samen met Robbert-Jan Henkes vertaald werd: een bewustzijnsstroom van chaotische, op het oog ongestructureerde en verwarrende ellenlange zinnen, met woordgrapjes, opsommingen, herhalingen en absurde voorstellingen. Het heeft geen zin om te proberen overal een betekenis aan te hechten; beter is het om je te laten meedrijven met de stroom van woorden en beelden die Bindervoet over je uitstort.

    Zoals niet alle dromen betekenisvol zijn, heeft de dichter ook kolderieke gedichten opgenomen die niet meer lijken te zijn dan een spel met klanken. Het gedicht Slaapliedjes is niet meer dan dat, een kinderrijmpje louter om het plezier van de nonsens, zoals Lewis Carroll ze schreef. Een van de strofen luidt, ‘Hypnos en Thanatos / Dat waren kannibalen / De ene vrat rinoceros, /De ander stoomgemalen’

    Oneindige variatie

    Hypnos en Thanatos zijn in de Griekse mythologie tweelingbroers en de personificatie van Slaap en Dood, maar behalve de titel van het gedicht is er weinig dat daarnaar verwijst. In het lange gedicht De bal, een odyssee over een voetbalwedstrijd zijn delen van woorden, letters en cijfers dan weer vet gedrukt, dan weer cursief, worden hoofdletters te pas en te onpas gebruikt en klinken woorden als POK, DOEF, TSJAK in navolging van Homerus:

    ‘zoals een oude bard het ooit verwoordde,
     zelf van het kijken met blindheid geslagen,
     zodat hij van klanken woorden maken moest,
     de tekeningen van de branding op het
     strand verbeeldend: siesoe, strss, rtsieurutss, oos!’

    Bindervoet heeft een oneindige variatie aangebracht, niet alleen binnen de gedichten, maar ook in de keuze van de gedichten, waarbij steeds het droomthema terugkeert. Soms is dat geforceerd, zoals in het gedicht terugkerende droom, waarvan alle acht de strofen hetzelfde zijn: ‘ik zat in het café / waar ik altijd kom / en er was iets normaals aan de hand:’
    Dit gedicht keert in een enigszins gewijzigde vorm terug in de bundel onder de titel terugkerende droom (2), ditmaal met acht keer de strofe: ‘ik zat in een café / waar ik nooit kom / en er was iets vreemds aan de hand’

    Een aparte afdeling vormen de twaalf haiku’s die in het Engels geschreven zijn onder de titel Dublin Dreamorama. In haiku IV (Ely Place) ziet Bindervoet kans om zowel aan de Beatles als de Rolling Stones te refereren: Soft morning city / chill, after a hard day’s night: / A red door, ajar.’ De droom van eb inkt diervoer is een bundel om met eenzelfde plezier te lezen als waarmee hij geschreven is.

     

     

  • Tijdloze gedichten met steeds een ander perspectief

    De nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Roland Jooris (1936), Vertakkingen roept niet alleen vanwege de titel, die aan bomen doet denken, het gedicht Naamloos van Jan Arends in herinnering, althans de eerste strofen daarvan: ‘Ik / schrijf gedichten / als dunne bomen. // Wie / kan zo mager / praten / met de taal als ik?’ Ook Jooris praat ‘zo mager met de taal’ en schrijft ‘gedichten als dunne bomen’; zijn werk wordt vaak in verband gebracht met de sculpturen van Giacometti, de Lopende Mannen of de Wandelaars, die broodmager en lang uitgerekt voorovergebogen lopen, op weg naar nergens, in ‘een opeenvolging van momenten van stilstand’, zoals Giacometti ze zelf zag. Jooris heeft in zijn bundel een gedicht opgenomen dat aan Giacometti gewijd is:

    Giacometti

    Ooit
    nooit volkomen

    uit het ongewisse
    vandaan

    strak
    in geharrewar
    voorover
    een gevoel dat bewogen
    met eenzaamheid
    instemt

    als naar nergens
    een stap naar graatmager
    vergaan

    Graatmagere sculpturen

    De poëzie van Jooris loopt zoals de sculpturen: graatmager en eenzaam, op weg naar een onbekend doel. Ook de titels van de afdelingen, zoals Benaderen en Terloops hebben een verwantschap met de beelden, ze houden iets behoedzaams in en scheppen afstand. Zo zijn ook in de gedichten de mensen ‘afzijdig betrokken’ zoals Jooris het uitdrukt in het gedicht Venster. De gedichten zelf zijn vluchtig en ongrijpbaar als de muziek waaraan Jooris de afdeling Impromptu heeft gewijd. Zoals bijvoorbeeld het gedicht Sfumato (dit is een techniek waarmee schilders de omtrekken in een schilderij wazig maken en laten vervloeien):

    Sfumato

    In je dromerige aandacht
    een toon als uit een andere
    kamer

    iets wat zich niet
    laat vatten

    iets heel even

    een veeg
    die je vluchtig
    nog hoort op papier

    Sinds zijn debuut in 1956 heeft Jooris in diverse bundels blijk gegeven van een diepgaande interesse in de beeldende- en schilderkunst. Diverse bundels zijn verbonden aan werken van moderne kunstenaars en ook de cycli Naderhand en Ginds zijn eerder geschreven voor een editie met afbeeldingen van werk van kunstschilders. Ook muziek speelt een belangrijke rol in zijn gedichten. Onwillekeurig komt daarbij de vergelijking op met het werk van de componist Philip Glass, die tot de minimalisten gerekend wordt, een term die ook van toepassing is op Jooris.

    Beiden proberen met zo weinig mogelijk middelen een zo groot mogelijke impact te bereiken en door te dringen tot wat zij als het wezenlijke zien van respectievelijk de muziek en de dichtkunst. Jooris gebruikt daarvoor korte gedichten met eveneens korte regels, veel verspringingen en witregels, om de nadruk te leggen op zijn observaties en de interpretatie daarvan. Woorden als ‘suggestie’ en ‘illusie’ komen meerdere malen terug in de gedichten, evenals ‘mist’ en ‘vluchtigheid’, om het ongrijpbare dat zijn gedichten kenmerkt, nog te benadrukken.

    Teruggesnoeid tot het hoogstnodige

    Omdat Jooris zijn woorden minimaliseert en zijn gedichten terugsnoeit tot alleen het hoogstnodige, is het niet altijd even gemakkelijk voor de lezer hem te volgen. Met name de gedichten uit de eerste afdeling ‘Stapvoets’ zijn raadselachtig en houden verborgen over wie of wat het eigenlijk gaat. Het zijn abstracties van gevoelens en geven weinig houvast. Als lezer moet je van regel naar regel de wendingen proberen te volgen en de verschuivingen van de kantlijn, alsof je over stapstenen in een beek loopt, of in een boom van tak tot tak klimt om hoger te komen. Of dat bedoeld werd met de titel? In de plantkunde is vertakking de wijze waarop de stengel of de wortelstok zijtakken vormt en nieuwe groeipunten vormt, iets dat heel goed past bij de manier waarop deze gedichten zich laten lezen. 

    De andere afdelingen zijn toegankelijker, al worden ze nooit echt gemakkelijk. Door het zoeken naar al wat weggelaten kan worden, maakt Jooris door middel van taal algemene abstracties die ver afstaan van de concrete werkelijkheid waaruit ze geschapen zijn. Dat verklaart misschien waarom er in de gedichten van deze bundel zo weinig mensen aanwezig zijn: sommige gedichten spreken van een ‘hij’, zonder dat daarbij aangeduid wordt wie daarmee bedoeld is; het hoeft zelfs niet eens op een persoon te slaan. Andere gedichten richten zich tot een generiek voornaamwoord ‘jij’, waar zich meestal ongenoemd toch de eerste persoon enkelvoud ‘ik’ achter verschuilt. Er is slechts één gedicht in de bundel waarin een lyrisch ik aan het woord is:

    Vaak tracht ik te zoeken
    wat ik niet kan duiden, een
    betekenis die zich niet
    prijsgeeft, een nabijheid
    zo vrijblijvend als een
    omschrijving in de verte
    verloren de mist in

    Het is verleidelijk aan te nemen dat Roland Jooris hier in eigen persoon spreekt om de lezer deelgenoot te maken van zijn poëtisch credo. Het klinkt in ieder geval aannemelijk en oprecht. Zijn gedichten in aanmerking nemend, lijkt dat ook te kloppen. De gedichten van Jooris zijn zo abstract dat ze tijdloos worden en steeds een ander perspectief laten zien, dat afhangt van wat de lezer er op dat moment in wil zien.

     

     

  • Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt

    De titel van de nieuwe bundel van K. Michel, ‘& rol door’ roept vragen op. Er wordt een verband gesuggereerd, maar je weet niet welk. De dichter lijkt een advies te geven. Maar wat bedoelt hij met dat ‘rol door’? De opmerkelijke typografie is typisch K. Michel, die vanaf zijn debuut in 1989 als een speels en onconventioneel dichter bekendstaat. Binnen de beperkte omvang van & rol door, de gedichten beslaan vijftig bladzijden, valt opnieuw een hoop te beleven.

    Het  openingsgedicht ‘Smalle brief’ zet meteen de toon, er is onmiddellijk verwondering. In de eerste strofe is deze nog banaal, de ‘ik’ schrikt wakker uit een droom, ‘de kluts totaal kwijt’. Terwijl je in een droom bent overgeleverd aan je onderbewustzijn is er in de twee strofen daarna sprake van bewuste verwondering, ontsproten aan de fantasie van de dichter. Het woord ‘ruimend’ in een prozaïsche regel uit een weerbericht (’De wind ruimend naar het westen’) roept groteske beelden op: ‘hele graanvelden komen in beweging/fietsers, loofbomen, jurken en de plastic/fruitzakken van onze straatmarkt die opbollend/ voorbijzweven als Thaise gelukslampionnen.’ Het kan zelfs nog absurder, wanneer hij het woord ‘maanlanding’ letterlijk opvat: ‘wat een spektakel zou dat zijn als de maan landde, stuiterde en doorrolde’. Daar heb je meteen voor de eerste keer het woord ‘doorrollen’. 

    Taal speelt in de verwondering een nadrukkelijke rol. Michel probeert deze los te maken van vaste betekenissen, zoals in het fantastische gedicht ‘Taalnood’. Hierin beschrijft hij hoe voor het bouwen van een zandkasteel water, bij ontstentenis van een emmer, getransporteerd wordt in een plastic zak:

    ‘[…] en tijdens
     het teruglopen voelen hoe het bollende
     plastic onder spanning staat en beseffen
     dat het mogelijk niet lang meer duren zal
     tot de handvatten los worden getrokken
     of de bodem openscheurt,
     voor deze hachelijke vorm van dragen
                geen goed woord weten
     – iets tussen vallen en groeien –
     haastiger gaan lopen, ho ho niet schudden,
     om bij het kasteel te komen voor het water breekt
     – nee wacht, die uitdrukking is al vergeven,
     zoek maar iets anders.’

    In dit gedicht is alles vloeibaar: zowel het water als de taal. Bovendien is de existentie van het zandkasteel ook maar betrekkelijk, want tijdelijk. Taal kan ook het uitgangspunt zijn van actie.

    Taal als actie

    ‘Duwen deur klemt’ dankt zijn titel aan het gelijknamig tekstbordje dat de ‘ik’ als een uitnodiging opvat om er eens flink zijn schouder tegen te zetten, waardoor hij in een onbekende situatie terechtkomt. De werkelijkheid stelt je voortdurend voor keuzes en dat valt niet altijd mee: ‘Soms is het moeilijk om te kiezen welke/knopen door te hakken, waar de rotonde/te verlaten, wie uit de luchtballon te gooien/welke hand te bijten, welk signaal te negeren.’ Je kunt zomaar de verkeerde keuze maken, mijmert de dichter in ‘Alles was heel anders gelopen’: ‘was de vrije wil/maar nooit uitgevonden, de horizon/de kutsmoes, het tweede wiel/lieten voetstappen zich maar oprapen.’ 

    Dit inzicht zorgt voor melancholie, maar er wordt in de poëzie van Michel nooit lang getreurd. In ‘Smalle brief’ heeft de ‘ik’ met ‘oude vriend Hans’ een museum bezocht, ‘dat hij doodziek is is geen onderwerp we praten/over wat we kunnen zien.’ Een andere vriend, ‘Lange Jan’, wordt gememoreerd aan de hand van een streek die hij uithaalde: ‘hoe je met een bamboestok de schakelaar/in de gevel van een bankgebouw kon bedienen/zodat het gele logo machtig stralend op het dak/boven het stadsplein uitfloepte, weer aan weer uit/en de kantoorkolos de hik scheen te hebben.’ In de laatste strofe schrijft Michel dan: ‘Het blijft belangrijk, vrienden, om muren blauw/te verven, je hoofd te stoten en al je meningen/te veranderen in aria’s van een degenslikker’. Door de briefvorm word je ook als lezer direct aangesproken. In ‘Goeie fouten’ roept Michel herinneringen op aan de kindertijd waarin je voortdurend leert van je fouten: ‘Zelfexpressie begint met op je duim te slaan, toch’ en ‘Soms moet je de weerstand van de wereld testen/door een vaas om te duwen’. De bundel lijkt één lange oproep de werkelijkheid te bevragen en beproeven, dus ook ver na je kindertijd.

    Kwetsbare schoonheid

    Een vaas die omvalt geeft scherven. Met poëzie kun je de scherven proberen te lijmen en de werkelijkheid herstellen. Toch zul je altijd de sporen blijven zien. Michel gebruikt als metafoor hiervoor de Kintsugi, een Japanse kunst van lijmen waarbij je de breuk blijft zien, wat bijdraagt aan de schoonheid van het object. De kwetsbaarheid blijft echter:

    ‘Aaneengelijmd vormen de scherven
     zo’n grillige vaas
     waarin geen snijbloem overeind blijft
     geen bamboe of plu
     waar geen ruzie mee te winnen valt.’

    Michel experimenteert volop met de vorm. Bij andere dichters kan zoiets algauw gekunsteld lijken, maar bij hem is het altijd raak en origineel. Het titelgedicht is een verbale koprol. Een aantal gedichten vormt samen een mini-toneelspel. In de cyclus ‘Rode draden’ is een van de gedichten samengesteld uit noten bij de eerdere gedichten uit de reeks. Bij deze rode draden bestaat het verhaal nog niet, het laatste gedicht luidt: ‘sprenkel nu een handje regenwater/over deze regels/om ze op te kweken tot fabel.’ En zo werken gedichten natuurlijk: ze vertellen niet, maar suggereren. Ze zijn onvolledig. Michel maakt dit hier door middel van de vorm aanschouwelijk. Tegelijk is er de absurde humor, die de ernst relativeert:

    ‘de veerboot heeft een ei gelegd
     dezelfde nacht nog heeft de vuurtoren het bevrucht
     het ei is ovaal, meet 2 meter in doorsnee
     en heeft groene spikkels

     over het uitbroeden – wie hoe – spoedoverleg
     achter de ramen van het juttershuis bewegen schimmen.’

    Originele beelden

    Sommige gedichten in & rol door staan op zichzelf, zoals een vrije bewerking van ‘Bounded Duty’, een gedicht van de Amerikaanse dichter James Tate waarbij het loont op internet het origineel erbij te zoeken. Of een anekdotisch gedicht over een bezoek aan een tentoonstelling van beeldend kunstenaar Carl Fredrik Hill. De dichter laat zich soms ook meeslepen door een beeld, bijvoorbeeld een scène op Corsica of in Berlijn. Of er is opeens maatschappijkritiek en krijgen bankiers een sneer. Net zo actueel is de spanning tussen tussen feiten en ‘alt feiten’, waar een dichter natuurlijk wel raad mee weet:

    ‘Roept de veerman alleen mensen
     die de waarheid spreken zet ik over
     wie liegt vliegt de plomp in
     Bliksems zeg ik hoofdbreker
     Als ik het goed begrijp beste man
     als ik mij niet vergis, ja
     dan gaat u mij nu in het water gooien.’ 

    Al die taalvondsten, mooie regels, originele beelden en bizarre humor maken & rol door tot een enorme belevenis. Alles aan deze poëzie vonkt en sprankelt. Door het accent te leggen op het kunstmatige en betrekkelijke karakter van taal en werkelijkheid schept de dichter een prettige afstand, waardoor je als lezer alle ruimte hebt om je eigen verbeelding aan het werk te zetten. Wat wil je nog meer?

     

     

  • Met branie en manie breekt ze de taal los

    Met Het jaagpad op en af levert Saskia de Jong (1973) haar vierde dichtbundel af in zestien jaar tijd. Ook ditmaal een opvallende vormgeving en een eigenzinnige omgang met interpunctie en kapitalen. De site van haar uitgeverij omschrijft de bundel als een ‘uitkijkpunt waarin de viering van het perspectief’ wordt beleden. Deze typering zal ongetwijfeld uit de koker van De Jong zelf afkomstig zijn. De talige vrijheid om naar eigen believen over woorden, zinsverbanden en begrips(ver)vorming te beschikken viert hoogtij. De taal is bij De Jong het beschrijvende ver voorbij. Met branie en manie breekt en braakt ze de taal los. Het motto van de eerste afdeling  Wij gaan over in wij  en over in wij en in wij draait er niet omheen: ‘Zeker, als 2 x 2 geen 4 was,  zouden ook  3 x 3 zich tevergeefs inspannen om 9 te zijn.’ Dit bevrijdende perspectief – omdat vierkant o zo rond is heet dan ook zelfverzekerd een gedicht – lijkt leidend voor het hele oeuvre van De Jong en doet in deze gedichten niet minder opgeld. Bestemd is deze poëzie ‘voor ons’, zo staat voorin. Een duivels pact met de lezer die zich niet van het jaagpad laat verjagen?

    Jongelerend

    Eigenzinnig en met élan jonglerend trekt de dichteres meteen al in het titelloze openingsgedicht schijnbaar moeiteloos door de veertien strofen van elk drie regels heen: ‘we vermeerderen het begeerde/ we begeren het vermeerderde’ (..) we schuilen zo goed dat geen stilstand ons vindt /(..) we hebben de impact van een impasse’. Met een fraaie afsluiting: ‘we zitten als mensen die op willen staan.’ 

    De Jong stuurt het verloop van haar zinnen niet over de met gemak geplaveide weg van de grootste gemene deler. Maar haar woorden wekken wel de indruk met overtuiging en met plezier over de zinnen te zijn uitgerold. En dat mist zijn uitwerking op de lezer niet. In deze bundel eisen de woorden een voor zichzelf sprekende status op. En wie geeft ze weerstand? Soms swingen de woorden gewoonweg over je heen zoals in het gedicht aan de in ellende liggende liefhebbers

    zo jongens de kop is eraf jullie dachten toch niet werkelijk
    dat het om de tulpen ging? dat was maar jok en kinderspel
    het ging om de manie! mea culpa, tulipa alsjeblieft
    geen rechte wegen geen ballast geen bagage, daarentegen
    blind als mollen dieper graven naar nieuwere bollen, we waren
    toch blij? waren we niet blij? we waren blij! het gemiddeld aantal
    dit, het gemiddeld dat? wie kijkt er op een gemiddelde? er is karigheid
    in hen die niet dwaas zijn, van kinderen worden we kinderen
    met borsten en baarden, met gouden kalven, op houten paarden
    goed en mooi en recht is enkel voor bedaarden, het gaat om gokjes
    wagen nukken plukken welluidend bedwelmen
    om het toppen van de toppen, het merkwaardig
    hartstochtelijke zomaar, niet de prijs maar het prijzen, niet het loof
    maar het loven, niet kostbaar maar kostelijk manie makes the world
    go round (…)

    Hier kiezen de ‘welluidend bedwelmende’ woorden niet voor binnen de lijntjes (‘nut is nietig’), maar omarmen zoveel royaler het onmetelijke.  Toeval is een toverbal  luidt de titel van een gedicht en met het zuigen erop wordt de lezer gewiekst een vervreemdende staat in gewiegd: ‘ingezwachteld mijn volksmond / eet een zoutje, wat weerhoudt je / van de vertering van de violente vragen’.

    Rijk aan motto’s

    De bundel is rijk aan motto’s van o.a. Calvino, Beckett en Herakleitos en achterin de bundel wordt de lezer nog eens gewezen op verwijzingen naar o.a de Bijbel en Lucebert. Laatstgenoemde lijkt een rijke inspiratiebron te zijn geweest voor de wijze waarop haar woorden zich met ogenschijnlijk gemak vermenigvuldigen in gelijk- dan wel tegengestemde vervolgen. De Jong mag dan stemmen lenen van andere schrijvers, dichters, liedjes, spreektaal – zinnen als ‘onderbreek me nou niet schatje’ of anderszins opgevangen frases als ‘happen naar de baas’ worden probleemloos ingelast– boven alles uit weerklinkt de eigen stem van de dichter vrijmoedig met soms een behoorlijke dosis pessimisme: ‘we waren gemaakt om te sterven’. 

    Zeker, de lezer zal niet overal aanspraak kunnen maken op begrip. En niet altijd wordt de lezer daarvoor gecompenseerd. Passages waarin vermetele taalbotsingen niet echt verdienstelijk uitpakken, maken het Het jaagpad niet overal even prettig begaanbaar:
    ‘dit is een blijspel zonder klokken, zonder gister, zonder morgen.
    houzee.
                  dubbeloverslag? minstens tweevoudig! molendraaien?
    minstens tweevoudig! axiaaldraai? minstens tweevoudig! een
    combinatie van minstens overslag, schroef, axiaal! h.h. jauchzend.’

    Maar veel valt te vergeven wanneer men wordt getrakteerd op een passage als:
    ‘wat is de voorsprong, waar is nou die oorsprong? volg je
    roepstem, icarus, waer bestu bleven? sommigen vallen omhoog.
    van zenit naar zenit. dit is tenslotte een dimensionale ruimte. als het
    ware is dit het ware. een vleugje paradijs misschien? de eeuwige
    rekbaarheid, roekeloos roekoe roekoe.’

    De poëtische kortsluiting die vaak genoeg ontstaat zal de lezer niet kunnen ontgaan: ‘na de stilte verlangen we/ naar de verlenging van de stilte’. Met het ontregelen van de voor de hand liggende zekerheden, smeedt De Jong haar eigen poëtische bouwsels:
    ‘zonder hese schreeuwers wacht een klaagmuur
    zo gesloten als een steen die afleidt van de steen’. 

    Grens opzoeken

    De Jong zoekt de grens alleen op om eroverheen te gaan. Het speelse is vaak op het dreigende af. Ook zit er hier en daar een stevig portie maatschappijkritiek doorheen gemengd, zoals in het lange gedicht ‘in nederland’. Een vileine maar ook grappige afrekening in de vorm van meerkeuzevragen dat in zijn slot niet onder doet voor Hans Verhagen:

    liggend aan de voet van het paradijs
    sussen jullie voor het eerst de

    a: zonnen
    b: witte dwergen
    c: zwarte gaten   

    Het jaagpad op en af  is een caleidoscopische bundel waarin taal vibreert, vliegt en omhoog valt en maar zelden zinvol oogt in de vertrouwde zin des woords. Telkens zal de lezer aan andere passages, aan andere zinnen blijven haken, andere verbanden opmerken, of juist eroverheen lezen. Maar één ding is zeker: het wemelt van potentie van een steeds herleven. De ontsporing in de ene lezing kan de opstapplaats zijn voor een volgende, om hetzelfde jaagpad toch weer anders te vervolgen, of beter nog, de gebaande weg te verlaten: ‘laten we dwalen! van klaproos tot klaproos, van troostprijs tot troostprijs’.