• Klare taal en exotische mystique

    Er zijn van die boeken waar je na het lezen ervan even stil bent. De bundel Plooi van Babeth Fonchie Fotchind is zo’n boek. Poëzie die bij tijd en wijle binnenkomt als een stomp in de maag. Niet alleen vanwege de inhoud, ook vanwege de taal. Het Engelse woord bold is het eerste dat te binnen schiet: stoer, stevig, kordaat. Maar nooit grof of plat. Dat zou in het ergste geval een zekere oppervlakkigheid kunnen maskeren, en oppervlakkig is de poëzie van Fonchie Fotchind allerminst, noch qua inhoud, noch waar het gaat om de wijze waarop zij reflecteert op hetgeen zij te zeggen heeft. Die inhoud liegt er niet om, die gaat om niets minder dan acceptatie, bestaansrecht, voorwaardelijke versus onvoorwaardelijke liefde.

    ‘de man van tante agathe / had zijn renault 5 uitgeleend aan mijn moeder en vader / en ook zijn tijd, hij wachtte al dagen in onze woonkamer / dat is niet normaal bij een dochter / iedereen had hoop dat / ik zou uitblinken in vrijwel alles / zodat de familie erop vooruit zou gaan’

    Meerledige kloof

    Soms is de kloof tussen twee culturen zo groot dat het eerder lijkt te gaan om een andere planeet dan om een ander continent. Weliswaar bereikbaar en bereisbaar, maar evengoed ver en vreemd. In het levensverhaal van Fonchie Fotchind blijkt die kloof ook nog eens meerledig. Niet alleen is dit het verhaal van een Afrikaanse vrouw die op haar vijfde naar Nederland kwam en daar als zwart meisje in een overwegend witte omgeving moest aarden. De kloof wordt vooral gevoeld waar haar geaardheid niet wordt geaccepteerd door haar ouders, want niet verenigbaar met de mores en opvattingen van haar geboorteland Kameroen. Deze kloof, – die na haar coming-out dat zij op vrouwen valt – onoverbrugbaar bleek en die bij elke volgende beweging alleen maar groter wordt, komt in deze bundel veelvuldig ter sprake. Niet als een eentonige dreun, maar even veelkleurig als de gevoelens die erdoor zijn losgemaakt, zodat het ene gedicht leest als een aanklacht, het ander als een afscheidsbrief. De ene keer voeren eenzaamheid en pijn de boventoon, de andere keer woede en onbegrip; een enkele keer als een gelaten ‘ach, laat ook maar’.

    ‘tijdens mijn functioneringsgesprek geeft mijn leidinggevende mij
     terug dat ik niet voldoe aan het ideaal. ik heb dit eerder gehoord, maar
     verloor toen een moeder in plaats van een baan’

    De diepste kloof is wel die tussen zijn wie je mág zijn – van anderen, je familie, je cultuur – en wie je móét zijn, vanuit een innerlijke bepaaldheid waaraan niet valt te tornen: deze mens, deze vrouw, zo, nu, hier, en niet anders, wat de rest van de wereld er ook van meent te moeten vinden. ‘even niet denken / aan uitgaansnachten waarin ik me minder bloot / had moeten kleden om te voorkomen dat een gezwollen geslacht / zich tegen mijn rug aan drukte / in een steegje // proberen te begrijpen dat mijn moeder / alleen kan begrijpen / dat ik op vrouwen val vanwege het voorval / in het steegje’

    Pendelend tussen uitersten

    Misschien is dat ook wat de afbeelding op het omslag wil zeggen. Een ovale vorm, naar alle waarschijnlijkheid een menselijke hoofd, gewikkeld in een soort zijde, of vloeipapier. En voor de persoon in kwestie de hamvraag: blijf je verborgen in je omhulsel – het titelwoord plooi is voor velerlei uitleg vatbaar – of scheur je het open en toon je het gezicht dat waarachtig het jouwe is, maar dat door sommigen misschien niet graag gezien zal worden? ‘een week / de tijd gehad om / zichzelf op te vouwen / tot het meest geschikte formaat / dat uit de lessen van haar vader volgde. / zou hij trots zijn / op hoe ze haar grenzen wegplooit? // iri, nog een keer / maar zelfs in een voor het blote oog / vrijwel onzichtbare gedaante / is ze nog te veel.’

    Niet alleen waar het gaat om de beleving en de bijbehorende emoties wordt er gependeld tussen uitersten. De taal beweegt daarin mee. Taal die af en toe fijn en zacht is, elegant, met een exotische sensualiteit waarbij de lezer de kleurige ‘waist beads’ bijna letterlijk ziet deinen. Op andere momenten een taal die zo hard is als een grove schets in houtskool, tzak-tzak-tzak. Vooral waar de andere realiteit van vrouwzijn wordt getoond, en de afwijzing van een lesbische lichaam in een Afrikaanse cultuur even direct en meedogenloos wordt beschreven als die in werkelijkheid plaatsvindt.

    ‘grootmoeder denkt alles goed te hebben gedaan: mijn moeder
     als zuigeling op de vlisco-doeken gelegd / scheermes in vuur /
     gloeiend scheermes tegen zuigeling / bepaald dat zuigeling
     volmaakt zou zijn als minder gevoelig

    zulke vrouwen gehoorzamen hun husband nu eenmaal beter, leveren
    een grotere bruidsschat op,’

    Klare taal en exotische mystique

    Het is een taal die geen medelijden vraagt. Dat heeft de schrijfster ook met zichzelf niet. Wel compassie. Dat maakt dat deze poëzie geregeld het gangbare, herkenbare ritme van poëzie verlaat om – meer als een dagboek welhaast – de hartslag van het moment te volgen. Omdat datgene wat gezegd moet worden, de urgentie voorgaat op de wijze waarop het wordt gezegd – de vorm, de taal – en al helemaal op de bedenktijd waarin woorden worden gezocht en gewogen, zinnen geproefd, en het papier halen, of niet.

    Toch is de poëzie van Fonchie Fotchind afgewogen en serieus doordacht, ondanks de spontane flow die een zekere impulsiviteit, zelfs een gehaastheid suggereert. Zonder meer met veel talent, intelligentie en integriteit gecomponeerd, maar tegelijk ook heel dicht bij het leven van deze ene specifieke vrouw. Zodanig dat het meer universele uitzicht op de wereld, de tijd, en in dat alles ‘de mens’ in zijn/haar algemeenheid wat in de verdrukking komt.

    ‘wij zijn de ouders van het kind dat in groep vijf
     op de vraag hoe lief haar oma’s zijn
     moet antwoorden dat ze die nooit heeft gekend’

    Individueel en particulier

    Onvermijdelijk rijst de vraag wat de houdbaarheid is van poëzie die zo is geworteld in het individuele levensverhaal – en in een actuele situatie die aandacht vraagt en verdient – maar die precies daarom niet door alle tijden heen dezelfde urgentie zal hebben. Hetzelfde mag gevraagd worden met betrekking tot de vele woorden en begrippen die nu misschien en vogue zijn, maar waarvan je mag aannemen (en zelfs hoopt) dat ze over niet al te lange tijd door iets fraaiers worden vervangen: datingapp, mindfulness, AZC, zelfzorgzondag, stufi, tinder, twitteraccount, captcha-code, lg-lcd-scherm.

    Staande blijft uiteraard de basispremisse dat de mens het recht heeft zichzelf te zijn en zich naar eigen aard moet kunnen ontplooien in vrijheid en veiligheid. De concrete inkleuring kan echter – zoals in deze bundel – zo particulier zijn, en bij vlagen zelfs modieus, dat terecht de vraag gesteld mag worden wat daar van overblijft als met het verstrijken van de tijd de kleur van die persoonlijke aspecten verbleekt. ‘de voicememo / over waarom geaardheid geen keuze is / komt niet binnen op haar frequentie, jullie raken / de verbinding kwijt. zij is niet geprogrammeerd om zonder voorwaarden / te houden van de mens achter het scherm, terwijl zij / zowel jouw genen als de pixels zelf bedacht.’

    Tot slot een tip die niet altijd gegeven kan worden. Niet elke dichter is immers even gecharmeerd van andere media dan het geschreven/gedrukte woord. Sommigen staan niet graag voor een publiek; anderen hebben niet die présence om op een aantrekkelijke wijze hun eigen werk voor te dragen. Babeth Fonchie Fotchind, millennial en kind van haar tijd, duidelijk wel. Zoek haar op en geniet van haar optreden bij bijvoorbeeld, ‘De Nacht van de Poëzie’.

     

     

  • Den Ouden lees je kwispelstaartend

    Het lezen van een bundel van Martijn den Ouden is altijd een avontuur. Je wordt als lezer heen en weer geschud alsof je in een achtbaan zit. Den Ouden experimenteert graag met vorm en inhoud in zijn gedichten, heeft maling aan gevestigde opvattingen over wat poëzie zou moeten zijn en schept een geheel eigen universum naar zijn wil, waar alles mogelijk is en wetmatigheden niet bestaan. Hij zet daarbij de logica naar zijn hand, spreekt zichzelf tegen, schept verwarring en gaat vrolijk zijn eigen gang. De gedichten stralen brutaliteit en lef uit en wekken de indruk dat ze met veel plezier geschreven zijn. Dat gold voor zijn voorlaatste bundel Ruimtedagen, maar zeker ook voor de nieuwe bundel Visioenen.

    Deze bundel is één lang gedicht, dat de lezer het best in één keer uitleest om de draad niet kwijt te raken. Alsof het een scenario van een toneelstuk is, wordt het verhaal verteld door meerdere stemmen, die aangeduid worden door hun naam boven de tekst. Alleen de ik-figuur, de belangrijkste rol, wordt niet speciaal aangegeven. Soms is ‘de dichter’ aan het woord, die een innerlijke monoloog houdt, maar het wordt niet duidelijk of dat dezelfde is als het lyrisch ik. Beurtelings spreken Jimi Hendrix, God, de dichter, een landschap en diverse andere kleine rollen. Er is zelfs een echte rei, een klassiek koor, dat als in een Griekse tragedie interrumpeert, waarschuwt, commentaar levert of alleen maar als echo fungeert.

    Vreselijke dromen

    De dichter wordt bezocht door vreselijke dromen. Jimi Hendrix, die na een ongeluk ‘de spreekbuis van God’ is geworden, komt hem vertellen dat deze dromen waarschuwingen zijn: ‘het wordt tijd dat jij je visioenen serieus neemt/ je bent een profeet/ dat je weet’. De dichter verzet zich hiertegen: ‘wanneer is het een visioen/ wanneer is het een onschuldige droom’. Jimi leert hem dat hij op vlinders moet letten: ‘de verschijning van een vlinder is altijd een visioen’. Er dwarrelen dan ook op verschillende bladzijden voldoende vlinders rond. De dichter moet, zeer tegen zijn zin, een profeet worden die de mensen moet waarschuwen voor een naderende catastrofe. Dit doet denken aan de profeet Jona uit het Oude Testament, die de opdracht krijgt van God om de inwoners van Nineve te waarschuwen wegens hun slechte gedrag. Ze moeten hun levensstijl beteren, anders zal de stad verwoest worden. Jona weigert om God te gehoorzamen en vlucht weg met een schip, de andere kant op. Net als Jona wil de dichter de opdracht niet aanvaarden: in een droom gaat hij naar de haven om weg te varen. Maar het schip dat aanmeert is niet voor hem bestemd:

    op het dek staat een man
    die schittert in een rood gewaad

    in de flanken radslagen
    mannen en vrouwen
    in hysterisch gekleurde kostuums
    met zwartgeschilderde
    gezichten

    koor
    dus het is feest

    Bijbelse citaten

    De bundel wemelt van Bijbelse verwijzingen en letterlijke citaten. De religieuze symboliek is niet zo vreemd als je bedenkt dat Den Ouden de zoon van een predikant is. Zijn taalgebruik is doorspekt met plechtige en archaïsche uitdrukkingen die contrasteren met de gewone spreektaal: zinsneden als ‘mij is groot onrecht aangedaan’ worden gecombineerd met ‘er geen sjoege van hebben’. Er wordt niet alleen geciteerd uit de Bijbel: het gedicht ‘engelen schilderen met oorverdovend gekrijs de lucht in de kleur van bunkers’ is geschreven met deels woorden en regels uit de poëzie van Campert in opdracht voor een bijdrage aan een nummer van De Revisor. Maar ook andere dichters zijn ruimschoots vertegenwoordigd in veel intertekstuele verwijzingen. Er zijn dichtregels opgenomen die doen denken aan het werk van andere dichters, zoals Hugo Claus en Willem Hussem. Ze wekken niet de indruk dat ze noodzakelijk zijn, maar ze komen mooi in het gedicht van pas. Het kan bedoeld zijn als eerbetoon aan de betreffende dichters, maar het zou ook een grap van Den Ouden kunnen zijn om de lezer bij de les te houden.

    De dichter vlucht een bar in en treft daar het gedicht/de vrouw/de god aan, naast wie hij plaats
    neemt. Zij vertelt hem dat er weer een pandemie aankomt. Over een vaccin is zij niet enthousiast, want ‘het is juist de bedoeling dat er mensen doodgaan/ vanwege de overbevolking’. De dichter moet deze boodschap overbrengen en de mensen waarschuwen, maar hij heeft daar geen zin in. Dan laat het gedicht/de vrouw/de god een dreigend staaltje zien van haar goddelijke macht:

    de vrouw
    de god
    dit gedicht

    beweert dat ze de zon
    in haar hond kan laten verdwijnen

    hoewel zij misschien wel
    de mooiste vrouw op aarde is
    maakt ze zich volkomen belachelijk
    met haar uitspraak

    we lachen om wat ze beweert

    de zon in haar hond

    het is een kleine hond
    daar past geen zon in

    om zeven voor vijf
    staat ze op het plein
    en propt
    met grof geweld
    de zon in haar hond

    terstond is het nacht
    de hond gloeit

    straalt licht
    uit de bek
    wanneer hij blaft

    koor

    jullie zijn gewaarschuwd

    Het is de opmaat voor een wereldslachting. De vlinders en de zee, die eerst zo veelvuldig en uitbundig werden bezongen en die symbool stonden voor visioenen en zuiverheid, worden vervangen door bloedige geraamtes, vreemde beesten uit de zee, schroeiend vlees, brandende trommels. ‘nog even een bokje doodslaan/ om de wangen te sieren met / bloed’. De wereld wordt een pandemonium dat zijn weerga niet kent, als op ‘Het laatste oordeel’ van Jeroen Bosch. Er is geen ontkomen aan: het laatste gedicht in de bundel luidt:

    met de fiets naar de Lada
    met de Lada naar de toendra
    van de toendra naar de zee

    koor
    zo zuiver is de zee

    het water ingelopen
    om van het gedonder af te zijn

    en te worden gered
    door een boot vol vluchtelingen

    Wrange humor

    De humor van Den Ouden is vaak wrang, zoals in de laatste strofe van bovenstaand gedicht. Hij houdt ervan om op die manier tegen heilige huisjes aan te trappen. Maar soms lijkt hij alleen maar om zich heen te trappen uit baldadigheid, uit branie, en wordt zijn humor flauw en melig. Zoals wanneer de dichter aan het gedicht/ de vrouw/ de god vraagt of Thierry de profeet niet kan worden. Hij krijgt als antwoord: ‘Thierry is – sorry dat ik het zeg – niet goed bij zijn hoofd/ hij begrijpt de boodschap niet of is mentaal te gemankeerd om/ die goed over te brengen’. Den Ouden wekt de indruk dat het hier om Thierry Baudet gaat, maar zonder diens naam voluit te noemen.

    Sommige gedichten zijn hoogdravend, andere weer in alledaagse taal. Een aantal ervan lijkt buiten de bundel te staan, omdat ze weinig toevoegen aan het geheel, maar net zoals in een toneelstuk als ‘terzijdes’ beschouwd kunnen worden. Ook kunnen ze een intermezzo zijn in de lange tekst, waarna de aandacht weer gericht wordt op de hoofdzaak. Maar er zit vaart in de bundel die boordevol zit met vindingrijke, originele, verrassende beeldspraak, die zijn komisch effect niet mist. Jongehondenpoëzie kortom: enthousiast, meeslepend en plezierig.

     

     

  • Een oeverloos bestaan

    oeverloos (2022) is de geprezen debuutbundel van Nisrine Mbarki (1977). De bundel is zowel voor de C. Buddingh’-prijs (2022) genomineerd als voor de Herman de Coninckprijs (2023). In haar debuut snijdt Mbarki verschillende thema’s aan waaronder identiteit, taal, ouderschap, intergenerationele banden, kolonialisme en de zoektocht naar de (verloren) natuur van de mens.

    De letterlijke betekenis van oeverloos is volgens Van Dale: ‘Onbegrensd, zonder einde’. In de bundel wordt de meervoudigheid en onbegrensdheid van taal in de praktijk toegepast. Zo maakt Mbarki geen gebruik van interpunctie en krijgen alleen namen van landen, personen en titels een hoofdletter. Dit is geen slordigheid, maar een doelgerichte manier van schrijven die overeenkomt met het idee dat taal, en alles in het verlengde daarvan, oeverloos is. De woorden, zinnen en zelfs gedichten vloeien zo grenzeloos in elkaar over.

    Verschillende talen

    Door verschillende talen, waaronder Arabisch, Darija, Frans, Tamazight en Engels te verwerken in haar Nederlandstalige gedichten, illustreert Mbarki hoe centraal deze talen in haar leven staan. De hoeveelheid anderstalige woorden is weliswaar minimaal, maar heeft wel een duidelijke impact op de gedichten. Zo is de betekenis van deze woorden voor sommige lezers onbekend en ontstaan er taalbarrières die het metrum van het gedicht doorbreken en de lezer langer stil laten staan bij de tekst. Het is dan ook jammer dat er geen vertalingen in de voetnoten, achterin de bundel of op een website beschikbaar zijn. Dat is een gemiste kans, want de door mij gevraagde vertalingen die ik van Mbarki ontving blijken de bundel nog meer diepgang en betekenis te geven.

    Aan de andere kant, misschien zet deze “oeverloosheid” van taal sommige lezers wellicht voor het blok, maar het laat wel helder zien hoe krachtig de kennis van taal, of het tekort hieraan, kan zijn. De dichter toont aan de lezer dat haar leven en haar omgeving verbonden zijn met meerdere culturen en dat elke taal een ander gevoel opwekt. Misschien betekent het gebruik van meerdere talen dat de dichter zichzelf pas volledig als persoon kan uiten wanneer zij al die talen gebruikt. De vraag hoe taal, of juist de absentie daarvan, iemands belevingswereld sterk beïnvloedt, wordt in het gedicht ‘tong’ beeldig beschreven:

    mijn moeder ontnam mij haar taal en zichzelf
    mijn kindertong werd overgeleverd aan
    harde kloosterklanken op veengrond
    geprevelde gebeden die altijd alles bezweren
    achtergebleven scheldpartijen van oude krijgsmachten
    oude tekens op getatoeëerde kinnen van moeder moeders moeders
    sindsdien sleep ik het lot aan haar kruin achter me aan
    (…)

    De dichter is in dit gedicht de taal van haar moeder door diezelfde moeder ontnomen. Toch ziet de dichter de fragmenten en herinneringen van deze taal en de achterliggende cultuur overal in terug. Het lot dat de dichter aan haar kruin met zich meetrekt kan gezien worden als de dichter die het lot in eigen handen neemt en zich niet meer haar taal en achtergrond ontnomen laat worden. Verderop vertelt de dichter hoe haar zeggenschap, met betrekking tot welke talen ze leerde, ontnomen was: ‘(…) in mijn luchtpijp waanden jullie je Nimrod in Babel // als ik in het concept van moederschap geloofde, waren jullie allemaal mijn moeders 1) / de syntaxis werden / op strakke bedjes / naast elkaar gezaaid / in mijn strottenhoofd (…)’.

    De overgang van een verwijzing over Babel naar een volgende zin in het Arabisch is tekenend voor hoe Mbarki ook betekenis tussen de regels weet te creëren. Net als in Babel worden er hier verschillende talen door elkaar gesproken (al is er hier niet per definitie sprake van een onoverkoombaar taalverschil zoals in de toren van Babel het geval is). In de versregel over het moederschap staan twee veelvoorkomende onderwerpen die de bundel aankaart, namelijk het moederschap en het overkoepelende moederschap dat ons allemaal als mens aangaat. Dit overkoepelende moederschap verwijst wellicht naar de relatie van de mens tot de natuur waar de dichter vaker over schrijft.

    Zo laat het gedicht oeverloos met mooie beelden, veel alliteraties, assonanties en binnenrijm zien hoe de onbegrensdheid van taal zich uitdrukt in intergenerationele interacties. Daarnaast wordt de moeder als een archetypische gezamenlijke oorsprong en natuurkracht weergeven.

    oeverloos

    mijn moeder treedt regelmatig buiten haar oevers
    zoals jij ook doet
    wanneer de weg van waterloop tussen hart en geest
    wordt verduisterd
    door nevel of kortsluiting
    niet alleen in het regenseizoen
    ook de zomer en lente kennen hun abrupte wolkbreuken
    razende moessons zelfs

    mijn broers graven diepe geulen om haar op te vangen
    apathisch bewerkt mijn zus boomstammen met een scherpe bijl
    en bouwt dammen
    schoonzussen rapen hun kinderen bij elkaar en gillen stilletjes
    daarna tillen zij hun jurken tot kniehoogte op
    haar zussen sussen door de telefoon
    zeven tegelijk in moedertaal
    haar moeder gromt zacht en likt de waanzinnige wonden
    die niemand ziet
    terwijl mijn moeder meerdere vaders tegelijk hoort spreken

    (…)

    In dit gedicht is de moeder de personificatie van de rivier wiens oevers onvermijdelijk zullen overstromen. Zo treedt de rivier, de moeder, buiten haar oevers en sleurt daarmee alles en iedereen om haar heen met zich mee. Het gedicht eindigt met de hoopvolle notie dat wij als mens zelf het water zijn en suggereert dat we onze eigen beperkingen opleggen en daarmee onze eigen vrijheid beteugelen.

    Deze overgave aan of terugkeer naar de natuur komt in meerdere gedichten terug, zoals in de reeks ‘zon’ 2), gedicht nummer 4: ‘in een oude droom lig ik naakt op de bodem van een oerbos / ik kijk omhoog naar de eindeloze reuzen en word licht gedragen (…) we kussen de rode avonden op hun blote schouders / hier worden wij samen rots’. Hier keert de mens in een oude droom terug naar haar oorsprong en vereenzelvigt zij zichzelf aan het einde met een rots, oftewel met de natuur. Om terug te grijpen naar het grenzeloze karakter van de diepere natuur van de mens en daarmee naar zichzelf, moet de dichter ook haar familiegeschiedenis, de bijbehorende taal en cultuur (her)ontdekken en omarmen.

    Oorlog en kolonialisme

    De figuurlijke muren waar de dichter veelal tegenaan loopt hebben in zekere mate ook te maken met oorlog en kolonialisme. Zo beschrijft zij in het gedicht ‘game over’ hoe de gevolgen van kolonialisme nog steeds te vinden zijn in zowel de stad als bij haarzelf: ‘(…) in mijn straat groeien geen bomen alleen gebouwen / van rode VOC-bloedbakstenen / de halve stad is gebouwd met bloed van mijn voorouders / ik ben verleerd hoe de wind te verstaan (…)’. Later vertelt zij hoe ze de geschiedenis bij het vuil heeft gezet en hoe deze in de sleur van het, soms triviale, dagelijkse bestaan verdwijnt.

    De psychologische impact van oorlog wordt door Mbarki scherp geschreven in het gedicht ‘oorlog’: ‘de oorlog slaapt al jaren naast me in bed houdt me vast in zijn slaap / ik ben minstens vijftienhonderd nachten gestorven / hij zet ’s ochtends vroeg sterke koffie met veel suiker (…)’. Deze zinnen spreken boekdelen. Met weinig woorden laat Mbarki zien hoe oorlog ook na de strijd in een mens blijft doorwerken. Daarnaast laat het gedicht ruimte voor verschillende interpretaties. Slaapt de dichter naast iemand die de oorlog heeft meegemaakt of is de oorlog een denkbeeldig persoon? Het is in ieder geval weer een goed voorbeeld van Mbkari’s kundige omgang met taal en poëzie.

    Diaspora

    In het laatste gedicht van de bundel, ‘diaspora’, volgen we een gesprek tussen drie verschillende generaties, namelijk de dichter, de moeder en de ‘grote moeder’ en komen vrijwel alle eerder genoemde onderwerpen uit de bundel bij elkaar. De ‘grote moeder’ verwijst waarschijnlijk naar de grootmoeder van de dichter, maar kan in sommige verzen ook als een algemener beeld van een conservatiever en behoedzamer gedachtengoed gezien worden. Het is een krachtig gedicht dat de meerstemmigheid van de bundel mooi samenvat.

    Mbarki’s oeverloos is in talloze opzichten een uitstekende bundel. Men kan alleen maar hopen dat deze dichter in de toekomst nog vele nieuwe bundels zal schrijven. Tot dan zal de lezer het moeten doen met het herlezen – en nog een keer herlezen – van oeverloos.

    1) Vertaald uit het Arabisch
    2) Vertaald uit het Tamazight

  • Soms lieflijk en scherpzinnig

    Lilian Zielstra (1991) studeerde Nederlands en was gedurende twee jaar stadsdichter van Groningen. De catalogus van de nationale bibliotheek vermeldt dat ze in 2019 een bundel gedichten publiceerde, en in 2018 de bloemlezing Dichten met oma: de mooiste gedichten voor en over Groningse ouderen. Dit jaar verscheen haar nieuwe poëziebundel, Mijn dochter draagt een steen. In de nationale bibliotheek is deze nog niet te vinden. Zielstra’s debuutbundel uit 2014, Specimen, ontbreekt trouwens ook nog aan de collectie. Haar nieuwe bundel telt dertig gedichten.

    Het eerste gedicht is getiteld ‘Vader’, het laatste gedicht heet ‘De moeder de vrouw’. In de titel van de bundel wordt een ‘dochter’ genoemd. Vader, moeder, dochter … De lezer zou kunnen verwachten dat Zielstra’s poëzie dicht bij huis blijft, betrekking heeft op familie, de nabije omgeving van belangrijke verwanten. In vrijwel alle gedichten valt het woordje ‘ik’ meerdere keren. Tien gedichten beginnen met ‘Ik’: Ik was op vakantie naar de cycladen, Ik mag geen gedicht schrijven over bevallen, Ik werd in november verliefd op een boer, Ik droom elke nacht over een man … Deze poëzie is, kortom, hoogstpersoonlijk, en sluit daarmee aan op het credo van de Tachtigers: kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie. Een voorbeeld:

    Handen

    ‘Ik was altijd rechtshandig, maar ik verzorgde
     mijn pasgeboren kind ineens met links.

     Alles in haar kamer moest worden verplaatst en aangepast.
     De deuren klopten niet meer. Ik was in de war en mijn lief zei:

    Het komt vast omdat je linkerhand dichter bij je hart zit,
     het is een teken van je lijf dat je zoveel van haar houdt. 

    Maar ik dacht dat het kwam doordat iets in mij zich had omgedraaid
     en de andere kant uitkeek, maar achteren, waar ik gebleven was.’   

    Persoonlijke poëzie

    Naast figuren als moeder, dochter en de ik, komen nog andere protagonisten voorbij: een vorig vriendje, maar ook ‘een man die ik niet kende’ of ‘De gothicmeisjes in lunchroom Eventjes’. In het algemeen gesproken is er natuurlijk niets tegen ‘persoonlijke’ poëzie. Zielstra weet ook geregeld haar individuele sensaties en ervaringen poëtisch treffend te verwoorden. Zoals in

    ‘Mijn moeder heelt een wond’ 

    ‘Mijn moeder leerde me namen
     van wat er in de berm leeft:
     meidoorn, braam en hondsroos.

    In haar tuin woekert vrouwenmantel.
     Ze pelt de flinterdunne laag van een blad
     en legt die op mijn geschaafde knie. 

     Zo geeft ze me voor de tweede keer
     een ongeschonden huid.’

    Wat in deze gedichten ontbreekt is juist dat wat poëzie soms zo krachtig en tijdloos maakt: namelijk dat de poëtisch verwoorde impressie of sensatie het individuele ontstijgt, en algemene geldigheid verkrijgt, en daardoor ‘herkenbaar’ is voor velen in plaats van voor de dichter alleen. In het gedicht ‘Bruiloft’ van Gerrit Achterberg gebruikt de dichter de regel ‘Familie duurt een mensenleven lang’. Dit is ijzersterk: herkenbaar voor iedereen en toch tegelijkertijd – juist door de formulering – munt Achterberg een krachtig nieuw inzicht. 

    Allerindividueelste expressie

    Precies op het belang hiervan werd gewezen door de dichter Jean Pierre Rawie in een interview dat hem werd afgenomen tijdens de Nacht van de Poëzie in 2023, beschikbaar als podcast. Als Rawie in een sonnet het overlijden van zijn vader memoreert, weet hij dat zodanig te doen dat het talrijke lezers raakt in het hart, omdat het ook over het heengaan van hún vader gaat. Dus om het credo van de Tachtigers uit te breiden: allerindividueelste expressie van allerindividueelste emotie, en dan zo, dat dit ook de emoties van anderen vertolkt. 

    Of dichteres Lilian Zielstra ooit zodanig gaat dichten over haar gevoelens en belevenissen dat dit voor haar lezers ‘herkenbaar’ wordt, is de vraag. Haar gedichten zijn op zichzelf scherpzinnig en soms lieflijk. Maar echt ‘raken’ doet haar poëzie niet.

     

    Poëziepodcast Camping de Vrijheid: Veertigste Nacht Van De Poëzie • ILFU.

     

  •  Over werkelijkheid en identiteit

    Schrijfster Nina Weijers, tevens schrijfdocente, constateert dat het voor haar studenten moeilijk is om precies op te schrijven wat ze waarnemen. Vrij snel overkomt het hen dat de wereld van binnen zich met de wereld van buiten vermengt. De wederzijdse beïnvloeding is onontkoombaar, maar tegelijk kan het een verrijking opleveren voor het verhaal dat ze willen schrijven. Tot die binnenwereld behoort niet alleen ons bewustzijn, maar ook ons onbewuste met zijn diep verzonken herinneringen en ervaringen. Dat versterkt het beeld dat onze persoonlijke beleving van de werkelijkheid zeer gekleurd, gelaagd en meerduidig kan zijn. 

    Wat deze ervaring van de studenten ons laat zien, is dat hun identiteit ‘dat wat aan zichzelf gelijk is, onafhankelijk van de omstandigheden’ gedurende de waarneming verandert. Een dialogiserende interactie van het individu met zijn omgeving, het spanningsveld tussen identificeren en verzelfstandigen, is noodzakelijk om de identiteit blijvend te ontwikkelen. Ze vindt levenslang plaats en is nooit voltooid. 

    Hoe verhoud ik me tot de werkelijkheid

    Bindervoet is een veelzijdig kunstenaar, meer dan een dichter alleen. Samen met Robert-Jan Henkes is hij onder meer vertaler van werk van Shakespeare, Joyce, Kraus en Tarkovski. Hun grootste bekendheid kregen ze met hun vertaling van Finnegans wake van James Joyce. Samen met de beeldhouwster Saskia Pfaeltzer schreef Bindervoet Aldus sprak Nietzsches zuster (2019) en Wittgensteins wereld (2022). Die filosofische oriëntatie blijkt ook uit zijn nieuwe bundel Over het werkelijkheidsgehalte van de werkelijkheid met deels eerder gepubliceerde gedichten en deels nieuwe teksten. Wat Bindervoet in deze bundel doet, is veelvuldig het proces van spiegelen en separeren zo bewust mogelijk te ondergaan in zijn confrontaties met zijn omgeving, en er taal aan te geven.

    Hij probeert van buitenaf de werkelijkheid te onderzoeken waarvan hij onderdeel uitmaakt en waarin hij zich nadrukkelijk onderdompelt. In het gedicht ‘Bijgedachten’ gaat hij als een betrokken toeschouwer net als Martinus Nijhoff ‘naar Bommel om de brug’ te zien: ‘Ik ging naar Ouderkerk om kalfjes te tekenen.’ Allerlei bijgedachten vallen hem in. De grote vraag die hem blijvend fascineert, is hoe de Schepping nu eigenlijk tot stand is gekomen. Het duizelt hem, zeker nu hij kort tevoren nog zelf ‘vader is geworden’. Hoe zit die schepping nu precies in elkaar? Zijn meest ‘(aannemelijke en logische verklaring over de Schepper is: “Hij schept Zichzelf, dag in dag uit, elke keer opnieuw, / Net als Moeder Natuur / En Vader Tijd)”.’ In die strofen geeft hij eigenlijk al het antwoord op de vraag waarnaar hij in deze bundel op zoek is: ieder mens dient gaandeweg de schepper van zijn eigen werkelijkheid te worden. De hele bundel door blijft hij als een razende op zoek naar het gehalte, het soortelijk gewicht van zijn werkelijkheid.

    Hartstochtelijk spel met taal

    In het motto, voorafgaand aan de bundel, geeft hij een uitgebreid citaat van Arthur Schopenhauer uit diens hoofdwerk Die Welt als Wille und Vorstellung (1818): ‘Denn die selbe Gehirnfunktion, welche, während des Schlafes, eine vollkommen objektive, anschauliche, ja handgreifliche Welt hervorzaubert, musz eben so viel Antheil an der Darstellung der objektiven Welt des Wachens haben!’ Omgeven door een schare blauwgevleugelde engelen verschenen deze woorden aan Bindervoet van de leraar Duits O. den Besten uit het satirisch programma van Kees van Kooten & Wim de Bie die hem aanbeval: ‘Gebruikt U dat maar als motto, meneer Bindervoet!  / Dan zult U nog eens wat beleven!’ 

    Met dit citaat is de droomwereld dominant de werkelijkheid van deze bundel binnengekomen. Bindervoet speelt hartstochtelijk zijn spel met de taal, soms flauw, soms spitsvondig, zoals in de opening van zijn lange gedicht ‘Met het oog op morgen’ waarin hij Woody Allen een kurkentrekker laat vasthouden ‘tegen zijn oog en zegt [dan] lachend: -Ware schoonheid zit vanbinnen. / Kijk maar. / Hij ontkurkt zijn oog – PLOP! – / en dat oog trekt de wijde wereld in.’ Een reeks van exuberante beelden volgt. 

    Op een maniakale manier probeert hij de wereld naar zijn taal te zetten als een ‘manische transvormer: ‘wij bouwen zinnen / wij bouwen zinnen op / zinnen bouwen de wereld / in alles wat het geval is / wat ik ben wat wij zijn / van alles en nog wat / is het geval / trillingsvrije en trillingsarme paalsystemen / mijn zwakke schaduw de vermolmde tijd / die is als was in mijn handen’. Hier is een taalspuwer aan het woord die niet van ophouden weet, vooral om maar greep te krijgen op zijn werkelijkheid. In de verte hoor ik vanuit mijn herinnering de magische donderstem van de dichter Johnny van Doorn opklinken. 

    Taalvirtuositeit en flardenbewustzijn

    In zijn ‘Charmante verwikkelingen in het politieke en medische spectrum’, sprekend over identiteit, drukt Bindervoet zich beeldrijk uit: ‘Op het hoofdkussen lag een mond / en die fluisterde in mijn oor / dat ernaast lag: – Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde./ Kijk maar. / Zelfs exact dezelfde zin / is niet exact hetzelfde. Er komt altijd wat voor / of na. / En als je opschiet / kun je de bus van half tien nog halen!’ Voor mij wordt duidelijk dat het Bindervoet niet lukt de werkelijkheid in de taal te vangen. De vloeiende tijd en ons beweeglijk flardenbewustzijn zijn nauwelijks tot stilstand te brengen.

    Die beweeglijkheid, die onrust als het ware, maar ook de onbevangenheid van deze dichter, trilt door de hele bundel heen. Aanvankelijk wekte de hoeveelheid aan de uiteenlopende woordenvloed ergernis en verontrusting op, maar gaandeweg groeide de waardering voor de moed van Bindervoet om taal te blijven aanslepen. Niet alleen in kleine verfijnde, maar ook in omvangrijke verzen met eindeloze opsommingen. Zo probeert hij het werkelijkheidsgehalte te peilen. Daarvoor heeft hij lange cycli en korte gedichten nodig die alle door opsomming, repetitio, assonerende en allitererende woorden worden bijeengehouden, waarbinnen de (schijnbare) tegenstellingen zijn werkelijkheidsvoorstelling schragen. Hij kiest voor rake beelden en bedient zich van uiteenlopende taalregisters. Hij schuwt de straattaal niet die hij vanuit de Kadoelen, ten noorden van Amsterdam, heeft meegekregen, zo was al te lezen in zijn eerste bundel Tijdelijk zelfportret met hoofd en plaatsbepaling, oranje (1995).

    Twijfel aan de taal

    Hoezeer hij twijfelt aan zijn eigen voorlopige vaststellingen van het werkelijkheidsgehalte in taal blijkt uit het titelgedicht:

    ‘Door de vreemde olijvengeur die in de stad hing
     wist ik dat het geen droom was
     want als je droomt ruik je niet
     behalve af en toe rook, of stront.
     Er waren meer voortekenen die erop wezen
     dat de werkelijkheid werkelijk werkelijker is
     dan je soms denkt’, bijvoorbeeld
     het gefladder van de reuzenmot
     met zijn hoestbonbonrode vleugels in de badcel
     en dat Rinus en ik tegen elkaar zeiden,
     toen we hem, […]
     […], hadden bevrijd, door het raampje open te doen
     en het dier naar buiten te dirigeren
     […]
     -Wat een dierenvrienden zijn we toch!
     Toen we onze ogen weer opendeden
     gevolgd door een berustend:
     -O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’

    Deze ‘dierenvrienden’ doen op een gegeven moment de ogen weer open, ontwaken uit hun droom, nadat ze de mot z’n vrijheid hebben teruggegeven: ‘O, het was allemaal maar een werkelijkheid!’ Hoe werkelijk kan die werkelijkheid zijn!? De dynamische poëzie van Bindervoet doet de perceptie van de werkelijkheid even vertragen, doordat hij haar als vervreemdend vanuit een rijk dagdroomleven aan ons voorstelt.  In het laatste gedicht ‘De laatste droom’ is de ik zijn mobiele telefoon kwijt. Hij keert in zijn dagdroom terug naar de oude buitenwijk waar zijn ouders woonden. Het lezen van een flyer van de zangvereniging uit zijn jeugd brengt hem in een stemming van ‘onverklaarbare vreugde’. In een dergelijk irrationeel moment van identiteit schuilt de kracht van deze virtuoze taalmeester.



    ,
  • De dichter als beeldhouwer

    De poëzie van Nachoem Wijnberg in zijn 21ste bundel Hoe het werkt is niet lyrisch, maar wetenschappelijk van aard. Hij onderzoekt hoe poëzie werkt en probeert dat door te trekken naar andere vormen van kunst, zoals schilderkunst, muziek, beeldhouwkunst, textiele werkvormen, maar ook de vertaalkunst. De techniek van het maken van poëzie staat voorop: als je weet hoe je kunst moet maken, kun je die dan ook verbeteren? De dichter gaat hierbij te werk als een ambachtsman die een product wil neerzetten: alle mogelijkheden van aanpak worden beoordeeld, er wordt aan geknutseld, geschaafd, verbeterd. Alsof de dichter om zijn gedicht heen kan lopen als een driedimensionaal object.

    Het maken van poëzie is arbeid. Door na te denken over hoe poëzie werkt, probeert de dichter ook inzicht te krijgen in zijn eigen werkwijze en dus in zijn eigen geest. Ook de dichter Rutger Kopland probeerde inzage te geven in het vervaardigen van een gedicht in zijn proza-aantekeningen ‘Over het maken van een gedicht’ in de bundel Al die mooie beloften uit 1978. Maar waar het bij Kopland meer om de aanleiding en de inspiratie ging, belicht Wijnberg vooral de technische kant van het plaatsen van woorden, het maken van keuzes, het procedé.

    Poëzie interpreteren laat Wijnberg aan de lezer over. Hij biedt daarvoor keuzes te over, omdat hij zo veel mogelijk interpretaties plausibel wil maken. Elk geschreven woord is een bewuste keuze van de dichter en moet dus voor de lezer verschillende richtingen uit kunnen gaan. Hij maakt hierbij gebruik van de kracht van de herhaling van woorden en zinsneden. Veel gedichten dragen daarom dezelfde titel, alsof een enkel gedicht op verschillende manieren geschreven kan worden. Opvallend zijn ook de vele vergelijkingen, vooraf gegaan door het woord ‘zoals’, dat vaak voorkomt, evenals ‘alsof’, omdat alles met alles vergeleken kan worden in de kunst, want: ‘Alles kan met alles een vorm gegeven worden, in elke kunst/ en, als alle tijd, ook daarbuiten’. (Uit: ‘Zo ver als het gaat’)

    Interpreteren wat er is ingelegd

    Voor Wijnberg gaat poëzie van de lezer terug naar de dichter: de lezer dient te interpreteren wat de dichter er misschien wel, misschien niet in gelegd heeft. Zo is de titel van de bundel op twee manieren op te vatten: enerzijds hoe de dichter te werk gaat bij het maken van poëzie, anderzijds hoe die poëzie inwerkt op de lezer ervan. Voor de lezer is het lezen van deze gedichten als dwalen door een bos, waar Wijnberg én de lezer beiden niet van weten waar het ophoudt of waar het bos op uitkomt: ‘Nog een aanwijzing/ die mij laat raden hoe het verder gaat, […]’.

    In de richting van tijd

    In de richting van tijd
    kan ik niet zeggen dat wat voor een deel verborgen is
    door iets anders daarom verder weg is
    en in welke andere richtingen is diep niet altijd ver?

    Als de achtergrond het verst weg is
    in de richting van tijd is wat op de achtergrond gebeurt
    als een stipje licht waar ik jarenlang
    een afbeelding van mijn afbeelden op kan richten,
    zoals wie de lens een hele nacht open laat staan
    voor één onheldere ster en de maan
    wordt een kromme veeg daaronder. Elke kunst laat tijd langzamer gaan,

    wat druk naar buiten geeft,
    zoals tegen de onderkant van een vleugel
    en meer druk in de richting van waar de kunst opbolt
    in de wind van de tijd.

    Poëzie als ambacht

    Dit is poëzie als ambacht, lastig en ontoegankelijk, al vindt Wijnberg zelf zijn poëzie niet moeilijk: ‘Ik schrijf een zo helder mogelijke tekst als ik kan’. Hij is oprecht en daadwerkelijk geïnteresseerd in hoe poëzie tot stand komt. Deels uit persoonlijke overwegingen, maar ook om te zien hoe het proces van het maken van poëzie doorgetrokken kan worden naar andere dichters en kunstenaars. Deze bundel kent geen afdelingen, omdat de gedichten allemaal gelezen kunnen worden als een aaneengesloten gedachtegang, het denkproces van de dichter. Het ene gedicht leidt naar het andere. Wijnberg maakt gebruik van een visueel hulpmiddel door in te springen in de marge bij bepaalde regels. Alsof de gedichten een kern van belangrijkste regels bevatten, of zoals bij een sonnet een volta, waar het oog onmiddellijk naartoe geleid moet worden.

    Een ander opvallend aspect in de gedichten is de ingewikkelde syntaxis van de zinnen, waarbij zorgvuldig lezen en herlezen noodzakelijk is. Op het eerste gezicht lijken de zinnen niet te kloppen, maar dat is slechts schijn. Het enige persoonlijk voornaamwoord dat de dichter gebruikt is ‘ik’. Waar het over gaat, wordt niet direct aangeduid, maar omschreven, zoals in de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Wat een begin blijft’:

    Wat het begin kan zijn
    omdat ik niets anders weet
    waarvan meer wegen gaan naar wat het meest als dit is,
    waar het eerste zeggen hoe verder is
    dat ik het begin kan herhalen in plaats van wat ik nog niet weet.

    Maar ook deze omschrijving is zo complex, dat de verwarring bij de lezer toeneemt. De zin lijkt grammaticaal te ontsporen, alsof poëzie in zichzelf een ontregelende werking heeft op de taal of door de gecreëerde chaos juist orde schept.

    Taalvaardigheid van de dichter

    Een kunstvorm die Wijnberg het meeste bespreekt, naast de poëzie, is de muziek. De dichter is gefascineerd door muziek, omdat de werking ervan een raadsel voor hem blijft: “Ik kan hoogstens zeggen/ hoe muziek op mij werkt, niet hoe die werkt’. Soms zijn poëzie en muziek elkaars concurrenten, soms samenzweerders in de strijd om niet vergeten te worden. In het gedicht ‘Techniek’ schrijft Wijnberg: ‘Alle andere technieken/ van poëzie om wat dan ook langzamer/ te vergeten en muziek/ om poëzie langzamer te vergeten.’

    Interessant is ook de vergelijking van poëzie met toneel en dan met name waar het gaat om het spelen van rollen en het dragen van maskers, wisseling van personages. Wijnberg zegt daarover in het gedicht ‘Schrijven, lezen’: ‘Ik lees langzamer, schrijf sneller/ wanneer het om mij heen sneller groter wordt dan ik verder ga,/ het tegenovergestelde van dat ik steeds meer wil overslaan,/ het omgekeerde van dat ik binnen nog steeds als buiten ben.’

    Mag je dit cerebrale poëzie noemen? Hermetische poëzie? Intellectuele poëzie? Het is een intrigerende bundel, die bewondering afdwingt voor de taalvaardigheid van de dichter. Maar als lezer blijf je achter met de indruk dat Wijnberg de ambachtelijke kant van het gedichten schrijven te veel heeft benadrukt. Het geheel brengt onwillekeurig ‘Idee nummer 80’ uit Ideën I van Multatuli in gedachte, waarin een moeder de schoonheid van haar kind graag wil laten zien, maar iedereen alleen maar oog heeft voor het jurkje dat het draagt. Ook Wijnberg heeft alle aandacht voor het jurkje, maar als lezer zou je toch graag ook het kind willen zien dat daaronder schuilgaat.

     

     

  • Wortels en bewustwording

    Op de voorkant van deze omvangrijke bundel, Handleiding voor ontheemden van Robin Block staat een waringinboom afgebeeld die een warrig net van dikke wortels over de grond heeft uitgespreid. In dat vlechtwerk van wortels onderscheidt zich één bloedrode tak. Een goedgekozen symbool van de inhoud van de bundel, waarin hij op zoek is naar zijn wortels in het Nederlands-Indië van weleer als afstammeling van een Nederlandse voorvader en een Indonesische oermoeder. Block debuteerde in 2005 met de bundel Bestialen bij uitgeverij Holland. Zijn tweede bundel bevat dertien afdelingen, een epiloog en een verklarende woordenlijst van woorden uit het Indonesisch. Meteen in het eerste gedicht al legt de dichter het thema van de hele bundel, de zoektocht naar zijn afkomst.

    Mijn bloed

    ik draag de stank van tabak, mijn aderen
    vertakken zich langs oude plantages, mijn spieren
    mengen kalmte met geweld – de stem
    van een voorvader buldert door mijn keel

    ik heb zoveel te bewijzen

    in mijn mond strijden verschillende tongen,
    de ruggengraat van een nyai draag ik,
    de kinderen die zij baarde zijn kinderen
    die haar niet meer toebehoren

    haar handen, mijn polsen, zoveel kwijtgeraakt

    in mijn bloed galmt het gezang van gevangenen,
    de dreun van een geweerkolf – een rode stip
    spat op wit katoen, grootmoeder hurkend
    in de kokendhete middagzon
    door mijn hoofd loopt een verbogen rails,
    een dwaalspoor ingehamerd
    bij de volgende generaties:

    aanpassen! aanpassen!

    herinner je de winter, de eerste
    die ons allemaal bevroor

    jouw voeten, mijn voeten
    bloot en koud op vreemde grond

    opa verstopt zijn oorlog
    in elk oog een dolk
    in zijn glimlach een verloren jongetje

    en ik heb vlaggen
    te verhangen,

    kransen waarvan ik niet meer weet waar ik ze leggen moet

    Toerist en verloren zoon

    Zoals dichters en schrijvers als Eddy du Perron en Dewi de Nijs Bik zoekt Block naar het land van herkomst. Letterlijk, als hij als toerist naar Indonesië gaat en probeert zich een weg te banen naar het verleden als kind van twee culturen. Maar ook als hij in diverse gedichten de stemmen laat klinken van zijn voorvader Tabak en zijn oermoeder, die zonder naam in de herinnering bleef, al baarde zij de kinderen van de plantagehouder. Ze staan vaak lijnrecht tegenover elkaar in hun uitspraken: de nuchtere Hollander, die wars is van emoties en de inheemse vrouw. Ze verhalen van gebeurtenissen van lang geleden en waken vanuit de geestenwereld over de dichter, die hun afstammeling is. Ze proberen contact met hem te leggen om hem te helpen in zijn zoektocht naar zijn wortels, als hij als toerist naar Indonesië gaat en zijn familie aldaar opzoekt.

    Heden en verleden staan naast elkaar in zijn gedichten. Het leven in het moderne Indonesië wordt afgewisseld met het koloniale tijdperk van de plantagehouders. De natuur wordt bezongen, de gebruiken en gewoontes in ere gehouden. Personen van vroeger en nu worden opgevoerd om een indruk te geven van Indonesië vandaag en uit het verleden. Block schildert een betoverend, sprookjesachtig Indië, dat doet denken aan de Stille kracht van Couperus en De scheepsjongens van Bontekoe van Johan Fabricius, maar daarnaast eert hij het Indonesië van vandaag, dat van de clichématige opvattingen over het land af wil.

    Block beschrijft ook de andere kant van het verhaal, de repatriëring van de Indische Nederlanders naar Nederland en de aanpassingen die er van hen verlangd werden. Ook al trachtten zij aan te sluiten bij de Nederlanders, zij bleven een aparte groep vormen. Block citeert het boekje met richtlijnen dat de repatrianten meekregen om de overgang zonder al te veel problemen te laten verlopen: Uitgave van de Afdeeling Pers en Publiciteit van den Dienst der Repatrieering uit 1946. Het is nu beschamend om te lezen hoe dit boekje, Djangan Loepah getiteld (wat ‘Niet vergeten’ betekent), voorschrijft hoe mensen zich dienden te gedragen als zij in Nederland waren aangekomen. Zo mochten koffers niet in de woonkamer staan: ‘wij hebben dan altijd het gevoel/ dat wij bezig zijn op reis te gaan en dat bevordert de huiselijkheid niet’. Het betuttelende toontje met het minzame ‘wij’ in de aanspraak voelt nog steeds kwetsend aan.

    Ontknoping

    Block wisselt zijn onderwerpen af in de gedichten. Af en toe is het moeilijk de rode draad vast te houden, vooral omdat ook de versvormen gevarieerd zijn. Van prozagedichten naar dialogen, van gedichten met toneelachtige aanwijzingen en terzijdes naar citaten van Indonesische dichters: het vergt aandacht van de lezer om te weten waar het over gaat, in welk tijdperk we ons bevinden en wie er aan het woord is in het gedicht. Misschien kenmerkt die veelzijdigheid de versplinterde identiteit van de dichter zelf: een wirwar van gevoelens, een chaos van gebeurtenissen die hem overviel bij het zoeken naar zijn eigen identiteit. Nogmaals komt het beeld van de wortels van de waringinboom in gedachten, nauwelijks te ontwarren. Maar Block weet de verwarring te weerstaan met humor, zelfspot en hier en daar een vleugje sarcasme:

    Wisselkind

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik zing de dankjewels
    met mijn kopstem. Kijk niemand in de ogen als ik groet. Ik heb een batikshirt
    dat schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie Insta-mascotte, twee koppen groter. Ik eet
    op straat met de locals mee. Lepel voldoende sambal op mijn bord en spoel

    mijn reet af met het flesje. De witte rijst kleur ik bij
    met kecap. Mijn genen bakken mee met de zon. Ik ben best stoer
    op die scooter. Ik ben hier lang genoeg.

    Zie mij eens mijn best doen om hier thuis te zijn. Ik spreek de hoezo’s
    ritmisch uit. Kijk je strak in de ogen als ik groet. Grinnik met mijn mond dicht.
    Ik heb een wintertrui die schouderklopjes krijgt. Ik ben jullie voetbalvriendje,
    twee koppen kleiner. Eet andijvie met de buren. Schep voldoende
    jus in het kuiltje. Mijn genen bleken mee in de sneeuw. Ik prak aardappels
    door de groente heen, veeg zittend mijn reet af. Eenlaags schuurpapier.
    Ik ben best stoer op die racefiets. Ik ben hier lang genoeg.

    Wat uit dit gedicht blijkt, komt ook naar voren in het slotgedicht van de bundel: de dichter lijkt vrede te hebben gevonden met zijn gemengde afkomst, ondanks het feit dat hij niet duidelijk een keuze heeft weten te maken tussen Nederland en Indonesië. Dat was ook niet nodig: beide landen en culturen zijn in hem vertegenwoordigd en daar zal hij het mee moeten doen.

    Zijn zoektocht heeft een bundel opgeleverd die betoverend en nuchter tegelijk is, de uitkomst van de erfenis van twee culturen. Block oordeelt niet over het koloniale verleden, maar aanvaardt zowel de Nederlandse als de Indonesische kant van zijn afstamming. Hij heeft met deze bundel een monument geschreven voor zijn voorvaderen, maar minstens zo belangrijk is het feit dat hij zijn verre, anonieme oermoeder haar naam heeft weten terug te geven.

     

     

  • Nagenoeg perfect

    Flapteksten zijn nuttig, zo lang ze zich beperken tot feitelijke informatie over de schrijver en het onderhavige boek. Zo valt er op de achterkant van Nagenoeg van Filip Rogiers te lezen dat dit een debuutbundel is, samengesteld uit gedichten waarvan sommige er meer dan dertig jaar over deden om tot stand te komen. Het merendeel van de gedichten verscheen eerder in Het Liegend Konijn en Poeziëkrant. Ook wordt vermeld dat Rogiers journalist is en een verhalenbundel en een roman geschreven heeft. Maar nadat er ook nog even iets over de inhoud van de bundel wordt verteld, wordt de lezer vervolgens de mogelijkheid ontnomen om zelf een mening te vormen: ‘[…] de vaak gitzwarte en meedogenloos harde inhoud van nagenoeg elk gedicht in deze bundel. Soms lijken Rogiers’ gedichten op in taal gestolde depressies.’ Dit is niet echt een aanbeveling – wie wil er gestolde depressies lezen? – maar het is bovendien niet waar. Nagenoeg elk gedicht? Ja, er staan gedichten in deze bundel die weliswaar somber van teneur zijn, maar er zijn er ook minstens even veel die teder, mijmerend of hoopvol zijn. Wat te denken van het gedicht ‘Vrouw’:

    ‘Soms als sikkel aan mijn hemel staat zij,
    een dwaallicht, een stuk van haar voor mij.

    Toch blijft zij driekwart achter, houdt zij
    van mij, blijft zij vol. En ik in al haar wanen.

    Zij keert altijd weer
    weg naar haar volle staat,
    zij kan niet anders dan kantelen.

    Volta, wassen naar haarzelf,
    naar de vrouw in haar holte.’

    Een gitzwarte, in taal gestolde depressie? Een eerbetoon voor de geliefde is het, liefdevol uitgedrukt in zorgvuldig overwogen klanken die herhaald worden in de diverse strofen. De vergelijking van de vrouw met de schijngestalten van de maan om mysterie en verandering uit te drukken is al eeuwenoud, maar Rogiers heeft ook zichzelf als minnaar het gedicht binnengesmokkeld. Het gedicht staat in de eerste afdeling, Passages getiteld, waarin beschreven wordt hoe alles voorbijgaat: tijd, mensen, relaties. Door middel van foto’s en herinnering probeert de dichter de tijd te laten stollen en te bestendigen.

    In de afdeling Nagenoeg reikt de dichter naar idealen en probeert hij te vervolmaken wat onaf is. Dat hij daar niet helemaal in slaagt, wordt al aangekondigd door de titel van deze afdeling, eveneens de naam van de gehele bundel.

    Bruno volente

    De bundel bestaat uit acht korte afdelingen van nooit meer dan zeven gedichten, vaker hooguit twee of drie. De onderwerpen zijn zeer divers, omdat Rogiers zich laat inspireren door mensen uit de geschiedenis of de huidige media: een uit drie gedichten bestaande afdeling behandelt een televisiedocumentaire over een man die lijdt aan het syndroom van Asperger. In een andere afdeling, Campo de’ Fiori, spreekt Giordano Bruno. In 1600 veroordeelde de Kerk hem tot de brandstapel, omdat hij beweerde dat het heelal oneindig was en de aarde slechts een stip daarin. Dit was volgens het Vaticaan ketters, omdat het bedreigend was voor de gevestigde orde. Rogiers citeert een citaat van Bruno, dat veronderstelt dat zijn rechters meer angst hadden om het vonnis uit te spreken dan Bruno had om het te ondergaan.

    In vijf gedichten van vijf distichons laat Rogiers Bruno het woord voeren tegen de kopstukken van de Katholieke Kerk. Omdat Bruno een wetenschapper is, heeft Rogiers de gedichten een ordelijke en regelmatige indeling gegeven: die beginnen met een gebiedende wijs (‘Wen er maar aan, u daar in het paars’) om aan te tonen dat Bruno zich niets gelegen laat liggen aan de kritiek van de kerk. Vervolgens stort Bruno zijn toorn uit over zijn rechters, die geen wetenschappelijke bewijzen willen aanvaarden. Liever blijven zij halsstarrig geloven in iets wat niet bestaat. Elk gedicht eindigt met een distichon die begint met de woorden ‘Uw Christus’, waarna Bruno ongezouten zijn mening geeft: ‘Uw Christus kus ik liever niet,/ uw klem lik ik eerder dan uw hiel.’ (Het spreken werd Bruno voor straf belet door een ijzeren klem in zijn mond.)

    Rogiers maakt alleen in deze gedichten gebruik van eindrijm en binnenrijm (‘en staak het gemekker over uw verwekker.’), misschien omdat er geen vrije verzen geschreven werden in de 16de en 17de eeuw en hij zo dicht mogelijk bij Bruno zelf probeert te blijven. Het is een mooie cyclus van felle, doordringende gedichten:

    V

    ‘Lik dan, vlam, onheilig vuur, dit
    is niet mijn maar uw laatste uur.

    Liever ben ik vijand dan laffe buur.
    Mijn graf uw straf, uw boek

    een voetnoot bij mijn woorden.
    Feller dan uw toorts zijn de zonnen

    die u sterren waant. Mij wacht
    een verlichte dood, u het duister.

    Uw Christus draag geen kroon,
    in uw hemelrijk staat geen troon.’

    Buitenbeentjes als inspiratiebron

    Een andere afdeling die geïnspireerd is door een historisch persoon – zij het fictief – heet Meid. Hierin staan slechts twee gedichten, geschreven bij de textiele werken van de kunstenares Louise Bourgeois. Hiermee bracht ze een ode aan Eugenie Grandet, de heldin van Honoré de Balzacs gelijknamige roman. In het eerste van de twee gedichten probeert Eugenie een spaarzame, kuise en onderworpen dienstmeid te zijn, zoals haar gierige vader van haar verlangt. In het laatste gedicht heeft de ontluikende liefde voor haar neef haar echter getransformeerd tot het begin van de vrouw die ze zou willen zijn. Haar neef probeert haar te verleiden ‘en verbloemt mij/ van meid tot meisje/ zoals het raam/ het ijs.’

    Ook de reeks De onfatsoenlijken haalt zijn inspiratie elders. Ditmaal resoneert het gelijknamige boek van de journalist Jan Antonissen op de achtergrond. Hij schreef over zijn ontmoetingen in Europa met mensen die “met de nek worden aangekeken, […] het racistisch stemvee van de populisten.” In zes gedichten schetst Rogiers een beeld van deze vaak eenzame, want verfoeide buitenbeentjes die niet passen in de samenleving en die hardnekkig blijven vasthouden aan hun eigen gedachtespinsels.

    III

    ‘Hij heeft het niet begrepen hoe
    de tijden zijn gekeerd. Hij stemt
    op de verkeerden, smaak en rede
    zijn hem vreemd. Hij is te klein,

    te laaggeschoold, de wereld
    draait te snel en is te groot.

    Dat zeggen zij die deugen.
    Wat hij zegt, blijft ongehoord.’

    Flaptekst voor in het closet

    De voorlaatste afdeling is getiteld Closing time. Zo genoemd met het album van Tom Waits in gedachten? Het zou kunnen, want een van de gedichten in deze afdeling draagt als motto ook een paar zinnen uit het lied ‘Jesus alone’ van Nick Cave. De inspiratiebronnen van Rogiers komen van heinde en verre. Ze brachten hem tot het schrijven van intieme en weloverwogen gedichten, die af en toe somber zijn – welke dichter is dat nooit? – maar die toch voornamelijk tederheid laten zien, deernis en een besef dat de wereld groter is dan de eigen gezichtskring. Deze bundel is verrassend veel gevarieerder dan de tekst op de achterkant aankondigt. Lees die daarom niet. Laat de gedichten voor zichzelf spreken.

     

     

  • Niet langer onverschillig

    In haar debuutbundel Indolente neemt Dewi de Nijs Bik de lezer mee op een reis door de tijd en door diverse landen heen. Ze vertelt een verhaal dat, hoewel het zeer persoonlijk is, niettemin voor een breed publiek bestemd is. Ze heeft Indische voorouders en geeft vanuit die achtergrond haar ervaringen en observaties weer. Niet alleen om persoonlijke herinneringen vast te leggen, maar zeker ook om een gedeelde en gemeenschappelijke koloniale geschiedenis en een culturele identiteit te onderzoeken. De zoektocht naar deze collectieve herinneringen wordt al duidelijk gemaakt in de motto’s die ze gekozen heeft: ‘Persoonlijke dingen moeten groter worden verstaan’ van Juliana Spahr en ‘Omdat we geleefd hebben en nog steeds bestaan’ van Tjalie Robinson.

    Om tot uitdrukking te brengen hoe ver die zoektocht haar gebracht heeft en hoe divers haar vindplaatsen van de verhalen zijn, maakt ze gebruik van een aantal gevarieerde en moderne versvormen: prozagedichten, collages, inventarisatielijsten, handleidingen en visuele poëzie met verspringende versregels en cursief gedrukte woorden. Die veelzijdigheid van deze bundel wordt ook verwacht van de lezer. Maar omdat het geheel wat rommelig oogt, is het voor de lezer een puzzel om uit te vinden waar het over gaat. In deze bundel spelen oesters en parels een belangrijke rol. De leeservaring is als het openen van oesters; na veel moeite tref je af en toe een parel aan.

    Co-starring: the readers

    De eerste afdeling Two Suitcases, 60 Dollars and a Three-Month-Old Baby brengt de lezer in Californië. Het lyrisch ik wordt opgepikt door Rodney in zijn Buick. Samen gaan ze naar een pasar malam, die Rodney’s moeder organiseert op een parkeerplaats. Het zijn de herinneringen van Rodney’s moeder die volgen, hoe ze als vluchteling naar Amerika kwam, over het proces van integreren en aanpassen, van nooit helemaal geaccepteerd worden in het nieuwe land, maar ook nooit helemaal jezelf toestaan dat je daar deel van uitmaakt. De Nijs Bik positioneert haar versregels als een interview, met afbrekingen en aarzelingen, zoals een gesprek verloopt. Het vergt wel wat van de lezer, die zelf moet bepalen wat er verteld wordt en in welke context de woorden staan.

    ‘wat zegt het nou de inhoud
    van deze sinkholes:
    literpakken, autobanden
    een pijp, wasmand –
    how the hell did you just call us?

    Op deze manier maakt de dichter de lezer een metgezel tijdens de zoektocht, maar dan vanuit een ander vertrekpunt: de lezer is objectief en kijkt anders naar de verhalen dan de dichter die beladen is met een collectief cultureel verleden en van daaruit haar blik richt. Niet voor niets noemt de dichter in haar dankwoord de lezer een ‘coproducent [die] mijn gedichten bestaansrecht geeft.’

    Toko in Mokum

    Ze brengt de lezer naar Amsterdam in de tweede afdeling: Herfst in Amsterdam. Hierin drukken drie maaltijdrecepten in de vorm van een blokgedicht de geschiedenis uit van de mensen die uit Nederlands-Indië kwamen. Ook in de derde afdeling, Panty’s voor Daisy, speelt voedsel een belangrijke rol. Zo is er een gedeelde herinnering aan de kookkunst van oma’s en tantes, die met vijzel en stamper de heimwee wekkende geur van de Indische kruidige keuken voortbrachten. In het nieuwe land wordt de vijzel echter verbannen naar de bodem van de kast ‘omdat hij naar knoflook stonk’:

    ‘een stuk steen op een stuk steen, tik, tik, was wat ik hoorde wanneer ik de keuken binnen-
    kwam, jouw oma die voor het aanrecht stond: knoflook, djeroek poeroet, trassi, ui, in de komvormige stamp je en in die platte is het meer wrijven; mijn tante had ze op de schoor-
    steenmantel want ze zijn toch van onze moeders geweest – deze schending van de ver-
    wachting, waarmee ze zichzelf herhaalt, 50 cent voor een blokje asem maar niemand hield
    bij hoe haar naam werd geschreven (2 gulden, panty’s voor daisy)’

    La insolente, de indolente

    In de volgende afdeling, Indolente, draait het om identiteit die zich niet verbergt of onderdrukken laat. De afdeling bestaat uit drie delen die alle vertellen over de parelvangst. Het eerste deel Parelkoorts opent met een gedicht dat is geschreven naar aanleiding van een schilderij van Jacopo Zucchi (1585), La Pesca del Corallo, (= het vissen op koraal). Het verbeeldt een allegorie op de ‘ontdekking’ van de Nieuwe Wereld. We zien zeenimfen, oesters, koraal, paarlemoeren schelpen. ‘[…] Natuur en duiker / zijn in harmonie. Smetteloos de juwelen / en verhalen.’ Een idyllisch tafereel, dat in schrille tegenstelling staat tot de andere gedichten in Indolente. Want na een brief van een koopman aan ‘Hunne Majesteiten’ uit 1509, waarin hij verzoekt om drie extra schepen met elk driehonderd zwarte parelduikers uit West-Afrika voor een gunstige vraagprijs, volgt er een ‘Duikersdossier’ dat nog beschamender is dan de brief. De Nijs Bik heeft een lijst aangelegd waarin de zwarte parelduikers beoordeeld werden op hun beschavingsniveau (gemeten langs de meetlat van de witte slavenhandelaars uiteraard), hun uithoudingsvermogen en hun capaciteiten om pareloesters van de zeebodem op de duiken. Het onderdeel ‘Hutplicht’ is vreselijk om te lezen: hierin worden de bevindingen vastgelegd omtrent de gewilligheid en de lichamelijke hygiëne van een parelduikster die als seksslavin gehouden werd en die de bijnaam La Insolente kreeg vanwege haar opstandige gedrag (‘Advies: Gehoorzaamheid afdwingen met mes (tegen keel / of geslacht)’.

    De Nijs Bik schetst in een ‘doxografie’ (een tekst waarin de auteur meningen van anderen heeft verzameld) puntsgewijs een biografie van deze opmerkelijke vrouw, van wie je meteen aanneemt dat ze echt bestaan heeft. Opmerkelijk is haar bijnaam vergeleken met de titel van de bundel: insolent tegenover indolent, brutaal tegenover onverschillig, maar ook: ongevoelig voor pijn. En misschien heeft ook het woord ‘Indo’ dat opklinkt in de titel, een rol gespeeld bij de keuze van de dichter voor de titel van haar bundel. Er is een spreekwoord dat zegt dat een parel nooit haar glans verliest, door hoeveel handen ze ook gaat. Zo laat De Nijs Bik zien dat de vele generaties van Indische Nederlanders weliswaar opgegaan zijn in de Nederlandse samenleving, maar nooit hun afkomst en geschiedenis hebben ontkend. Het is juist iets dat hen verbindt en waar ze trots op zijn.

    Dichten over dichte oesters

    In Veldgids voor oesterrapers, het tweede deel van hoofdstuk vier, staat de oester zelf centraal. Met én zonder parel. ‘De parel is onze biografie, de oester is onze biograaf’, zo vertaalt De Nijs Bik de woorden van Federico Fellini.

    ‘En zo wordt ze uitgerust met haar schelp: eeuwige vuist
    waaruit haar kreet slechts ontsnappen kan
    als glansrijk bezit: de parel
    die niets meer is dan dat zij met haar speeksel omfloerst
    dat wat niet langer draaglijk is:
    raak mij niet aan.’

    Daarom staan er twee gedichten in dit deel over hoe een oester te openen: niet alleen het mes moet scherp zijn, maar ook je vingertoppen en je geheugen: ‘hoe diep kun je gaan/ zonder snijden?’ Dit gaat niet alleen over de oester, maar over geschiedenis en een verleden waarin pijn en schoonheid, het mes en de parel, samenkomen.

    Het laatste deel De emmer: inventarisaties gaat over de verschillende soorten oesters en hun kenmerkende eigenschappen. Even divers als de oesters zijn alle mensen in Yerseke, die de oesters komen rapen, ieder met zijn eigen nationaliteit en geschiedenis.

    Indolente is geen gemakkelijke bundel. De samenhang tussen de afdelingen is niet altijd duidelijk en de combinatie van verschillende elementen lijkt soms willekeurig te zijn. De overeenkomst met een oester die opengewrikt moet worden, ligt voor de hand. Maar dan vind je ook af en toe een parel.

     

     

  • Hoe korter hoe beter, is de leus

    Onlangs werd het twintigjarige bestaan van het literaire tijdschrift Het Liegend Konijn gevierd: al twintig jaar krijgen dichters van hedendaagse Nederlandse poëzie hierin een podium om hun werk te laten zien. De oprichter en redacteur van het tijdschrift, Jozef Deleu (1937), hanteert bij het kiezen van de gedichten kwaliteit als enig criterium. Dat hij zelf ook dichter is, maakt zijn taak misschien gemakkelijker. Hij debuteerde in 1963 met de bundel Schaduwlopen. Sindsdien heeft hij zeven bundels geschreven, die in 2019 samen met zijn lyrisch proza bijeengebracht werden in het verzamelde werk Ondoorgrond. Ook stelde hij bloemlezingen samen uit het werk van andere dichters, zoals Het Groot Verzenboek. Hij ontving diverse prijzen en officiële onderscheidingen voor alles wat hij verricht heeft op het gebied van taal, literatuur en cultuur in Nederland en Vlaanderen. In 2021 verscheen zijn bundel Geluiden voor de laatste dag waarin hij een nieuwe dichtvorm introduceerde: miniaturen. In zijn nieuwste werk, het paard van mijn vader, zet hij deze manier van dichten voort.

    Het is een zeer verzorgd bundeltje, uitgegeven door PoeziëCentrum, met harde bruine kaft met witte belettering. De gedichten zelf zijn in bruine letters in het midden van witte bladzijdes geplaatst. Bruin, omdat de kleur slaat op het paard uit de titel? Veel boeren noemden vroeger hun trekpaard Bruin. Het geheel maakt de indruk van een brevier, een getijdenboek in sobere uitvoering. De soberheid is ook terug te vinden in de drieëndertig gedichten zelf: elke pagina krijgt één gedicht, waarvan de titel één woord beslaat en daarbij gealfabetiseerd is. Een echt abecedarium is het echter niet, omdat sommige letters ontbreken en andere juist meerdere gedichten toebedeeld krijgen. De gedichten bevatten zeven regels, die uit een of twee, hooguit drie woorden bestaan; de laatste twee regels staan als een strofe apart.

    Meesterlijk, op zijn minst

    In eerste instantie doen de gedichten denken aan haiku’s, zowel wat de strakke vorm als de inhoud betreft. Deleu heeft alles weggelaten wat overbodig is om tot de kern van zijn gedichten te komen. Deleu was al nooit een dichter van grote woorden, maar in deze bundel verheft hij het minimalisme tot kunst.

    In deze gedichten kijkt hij beschouwend terug op een lang leven vol herinneringen, zonder spijt. Zijn leven perst hij door een filter, waarna een geconcentreerde essentie overblijft. Deze essentie bestaat niet uit berusting, zoals je misschien zou verwachten, maar eerder uit woede, opstand en verontwaardiging over overheid, de toekomst en de onmacht van de mens om verandering aan te brengen. Deze maatschappelijke betrokkenheid is in vele gedichten aan te wijzen met titels als ‘Brandhaard’, ‘Woede’ en ‘Schrikdraad’. Deleu is nog steeds een bevlogen dichter die zich het wel en wee van de wereld aantrekt. Tegelijk sluimeren de onrust en onzekerheid over het einde van het leven. Voor de oude Deleu wordt dit immers steeds tastbaarder:

    REDDING

    de toekomst
    is veilig
    heilloos
    smeult
    redding

    het einde
    nabij

    Weinig woorden, ontelbare ontdekkingen

    Dergelijke gecomprimeerde gedichten, waarin alles is teruggeschroefd tot het hoogstnodige, verdienen een alerte lezer, bedacht op alles wat ze zouden kunnen bevatten. Om met zo weinig woorden zo veel te kunnen zeggen, getuigt van meesterschap in de dichtkunst. De enjambementen zorgen voor meerdere en verrassende interpretaties. Deze gelaagdheid in zijn taalgebruik heeft Deleu keer op keer weten aan te brengen in deze ultrakorte gedichten, die op veel verschillende manieren gelezen kunnen worden, wat elke keer weer een ander perspectief oplevert. Een sterk voorbeeld is het openingsgedicht:

    ADVIES

    fluister het
    de bomen
    zeg het
    de paarden
    blijf

    overeind in
    allenigheid

    Het gedicht doet meteen denken aan ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus, die ons aanspoort wezenlijke dingen zoals het besef van liefde, niet aan mensen door te geven, maar aan dieren, omdat zij de enige zijn die het zouden kunnen begrijpen. Voor de boerenzoon Deleu is de verbondenheid met de natuur vanzelfsprekend. De mens maakt daar deel van uit en staat er niet boven. ‘blijf/ overeind in/ allenigheid’ kan een trotse bewering zijn om op jezelf te kunnen vertrouwen, maar evengoed een troost om stand te blijven houden, al ben je alleen. Mooi hoe ook hier de regelafbreking tot overpeinzen aanzet en vragen oproept die op verschillende manieren beantwoord kunnen worden.

    Melancholie, zij het beheerste

    Een ander thema in de bundel is de melancholie, waar ook een stoïcijns dichter als Deleu niet aan ontkomt. Het gaat dan steeds om de zin van het leven, de natuur, de dieren, die met aandacht voor details beschreven worden, want in observeren is de dichter een meester. Waar hij in eerder werk slechts nuchter constateerde en zijn emoties met straffe hand in bedwang hield, wordt in deze bundel een nostalgie naar het verleden merkbaar en een ontroering bij herinneringen. Ook de liefde voor zijn vrouw Anne-Marie komt tot uiting in drie gedichten die de titel ‘Vrouw’ dragen. Hierin eert hij haar, verzekert haar van zijn nooit aflatende liefde na al die jaren van samenzijn.

    Maar ook de dood en de gedachte daaraan zijn prominent aanwezig, wat onvermijdelijk is op de leeftijd van 86 jaar. De dichter is niet sentimenteel, nuchter stelt hij de naderende dood vast, een voldongen feit. Ook al heeft Deleu niet speciaal een gedicht aan de dood gewijd in deze alfabetische reeks, toch lonkt de dood tussen de regels door. De dichter geeft zichzelf advies met een imperatief in het gedicht:

    WOLKEN

    wankelt
    de taal
    op de tong
    beklim dan
    de trap

    naar
    de wolken

    De plaatsing van het gedicht helemaal op het einde van de bundel zal niet toevallig gekozen zijn. Dit gedicht kan tot iedereen spreken. Taal is hier letterlijk levensbepalend en maakt het verschil tussen leven en dood. En wat er met ‘naar / de wolken’ bedoeld wordt, mag iedereen voor zichzelf invullen.

    Zo bevat deze bundel alle thema’s die het oeuvre van Deleu kenmerken: leven, liefde, taal, natuur en dood; een magnum opus van de dichter. In dit kleine boekje fonkelen de miniaturen als juwelen in kaarslicht, als kleinoden die gekoesterd dienen te worden.

     

     

  • Had je deze al?

    Misschien is Arjen Duinker wel de meest eigenzinnige dichter van Nederland. Sinds zijn eerste gepubliceerde gedichten in 1988 wekt hij de indruk volstrekt voor zijn eigen plezier te schrijven. Hij heeft maling aan stromingen of poëtische conventies, voert personages ten tonele die niemand kan plaatsen behalve hijzelf, en bekommert zich niet om duiding of nagelaten indrukken. Dat toch vele lezers zich heel goed in de gedichten kunnen vinden, bewijzen de vertalingen van zijn bundels in meer dan twintig talen. De reden daarvoor ligt waarschijnlijk in de vrolijkheid die de gedichten oproepen, zonder dat ze komisch of kolderiek zijn. Zijn zinnen, die steevast met een hoofdletter beginnen, zijn kort en krachtig, zijn taalgebruik is net zo duidelijk als de gebeurtenissen die hij beschrijft. In gewone bewoordingen beschrijft Duinker alledaagse dingen, die hij niet mooier maakt dan ze zijn. Ook legt hij geen diepere betekenis in de weergave van zijn observaties; de wereld is wat ze is en daarmee moeten we het doen.

    Hij toont een nuchtere instelling die een optimisme oproept bij de lezer, waarbij zelfs de meest onmogelijke dingen blijmoedig geaccepteerd worden. Dat wil niet zeggen dat Duinkers poëzie eenvoudig is. Ze weerspiegelt de absurditeit van het dagelijkse bestaan, waarbij hij het alledaagse bijzonder weet te verwoorden. De interpretatie is een taak van de lezer, want de dichter lijkt er onverschillig voor te zijn en biedt geen handreikingen om verbanden te leggen. De lezer moet er zelf achter zien te komen wat het voorstelt, als het al iets voorstelt:

    Gelukkig

    Het opperwezen is een meervoud.
    De vaders dood, de moeders dood.
    Gelukkig voor het opperwezen bestaat het niet.
    Ik zwaai naar je, opperwezen, ik zwaai naar je.

    De vrouw die we vergaten, leeft nog.
    Ze kust haar kinderen en de hond.
    Gelukkig voor de vrouw rijdt er een bus.
    Ik zwaai naar je, levende vrouw, ik zwaai.

    De man kijkt uit over de zee.
    Vogels roepen waarschuwingen naar de golven.
    Gelukkig voor de man is de nevel stil.
    Ik zwaai naar je, nevelman, ik zwaai.

    Kijk, kijk, kijk!

    Duinker is bovendien de meester van de herhaling, waarbij hij vaak in de laatste versregels een kleine wijziging aanbrengt die al het voorafgaande in een ander licht zet. Dit effect bereikt hij ook door gebruik te maken van tegenstellingen, paradoxen, omkeringen. Als lezer vraag je je af wat het doel is van de triviale, dagelijkse bezigheden die de dichter beschrijft, maar tegelijk dwingt hij je om na te denken of het leven soms ook anders had kunnen gaan. De gebeurtenissen lijken willekeurig te zijn, in een parallelle wereld zou de afloop helemaal anders kunnen zijn, zoals in een kinderboek waarin je keuzemogelijkheden krijgt voor verschillende verhaallijnen. De keuze is aan de lezer, de dichter geeft slechts opties. Nog eens kijken naar de wereld om je heen, dat is wat Duinker voorschrijft aan de lezer.

    Dat komt het duidelijkst naar voren in vijf gedichten, verspreid over de bundel – een index ontbreekt – die alle de titel ‘Eventueel’ dragen met een oplopend Romeins cijfer, maar ook in het gedicht ‘Vlieg op, man!’:

    Pak de kool,
    Leg hem op de kast,
    Kijk er nog eens naar.
    Jij verandert, de kool verandert.
    Toch noemen we jou jou en de kool de kool.
    Waarom word je zo kwaad?
    Blijf met je handen van me af!
    Zeg ik soms iets ergs?
    Vlieg op, man!
    Ga je vrienden lastig vallen!
    Neem de eerste trein naar het strand,
    Kalmeer en huur een kamer!
    Maak je koffer open,
    Pak de kool,
    Leg hem op de kast
    En kijk er nog eens naar.

    De zee omhelst je!

    Een echt collector’s item

    De postzegelverzamelaar, die voor de titel van de bundel heeft gezorgd, duikt op verschillende plaatsen op in de gedichten. In het gedicht ‘Pracht’ worden tien eigenschappen van een verzameling genoemd, waaronder: ‘Een postzegelverzameling/ Reinigt je ziel, sust je geweten,/ Bereidt je voor op de dood,’. En uit het gedicht ‘Drie brieven’ wordt duidelijk dat een verzamelaar uniek denkt te zijn, de mooiste verzameling ter wereld wil hebben en nooit rust zal kennen, omdat er nog steeds jacht gemaakt moet worden op dat ene ontbrekende exemplaar. Hij is een eenzame figuur: ‘Een verzamelaar vindt het leuk/ Om te praten met andere verzamelaars./ Maar hij verafschuwt ze.’ Hij is een Meester Prikkebeen die tevergeefs achter de steeds ontsnappende vlinder aanjaagt. Zijn verzamelwoede wordt niet gemotiveerd door zijn liefde voor mooie objecten, maar voor het vervolmaken van zijn verzameling. Het streven naar volledigheid lijkt de enige drijfveer.

    De ik-figuur probeert een ‘jeugdige postzegelverzamelaar’, die klaagt over ‘De moeite die ze zich moest getroosten voor iets zeldzaams,/ De onzekerheid’, gerust te stellen met de woorden:

    Ik zei haar dat dingen die niets waard zijn,
    Dikwijls veel geld kosten, en dat onzekerheid
    Fundamenteel is voor onze verzamelingen.

    Voor een dichter die de indruk wekt dat geen enkel woord een bedoeling heeft en geen enkel ding nut of doel, is dit een opmerkelijke uitspraak die een filosofisch inzicht biedt in zijn eigen aard en dichterschap. Want wat is een bundel anders dan een verzameling gedichten, en een gedicht anders dan een verzameling woorden? ‘Het is goed om te blijven zoeken/ Naar het mooiste exemplaar van iets.’

    Duinker ten voeten uit

    In het gedicht ‘Iemand spreekt een zin uit’ zijn vrijwel alle typische motieven van Duinker terug te vinden: de herhaling, de opsomming, de onzekerheid en de mogelijkheid van een parallelle wereld:

    De uitgestrektheid van het heelal,
    Het onzekere van de berekeningen,

    Het zwart van de zwarte gaten,
    De kleine kans dat ik je tegenkom,
    De stilte van de magnetische velden,
    Het lot van de rusteloze deeltjes,
    De kleuren van de theorie,
    De hoogte van de warmtestraling,
    De kritische waarde van de dichtheid,
    De verleden tijd die ons nog rest,
    De vectoren, de vectoren,

    De kans dat ik je tegenkom,
    De kans dat ik je tegenkom.

    Als laatste biedt de bundel een cyclus van dertien Romeins genummerde gedichten, getiteld: ‘Dertien zelfportretten van Philip Akkerman’. Duinker geeft geen uitleg, maar Akkerman blijkt een schilder te zijn die sinds 1981 uitsluitend zelfportretten heeft geschilderd. Het moeten er inmiddels meer dan tienduizend zijn. Duinker voegt er nog dertien aan de verzameling toe. Hij beeldt de schilder af als een voetballer, die in hoge mate twijfelt aan zijn talent op het voetbalveld, maar daar uiteindelijk vrede mee heeft. Voor lezers die helemaal geen verstand hebben van voetbal en er ook absoluut niet in geïnteresseerd zijn, zijn dit gedichten om snel even doorheen te bladeren, omdat er weinig tot niets in staat dat aanspreekt. Metaforen in voetbaljargon zijn aan hen niet besteed. Toch is dat jammer, omdat Akkerman duidelijk zelf een verzamelaar is en zijn aanwezigheid in deze bundel van daaruit verklaard zou kunnen worden. Had Duinker de gedichten geschreven vanuit Akkermans kunstenaarschap of vanuit diens verzamelwoede waar het zelfportretten betreft, dan hadden de gedichten beter aangesloten bij de bundel als geheel. Nu voegt deze cyclus niets toe aan een voor de rest prachtige en evenwichtige bundel. Dat Duinker ervoor gekozen heeft om vanuit het oogpunt van een voetballer te schrijven, zal ongetwijfeld een reden hebben, maar die wordt niet aan de lezer meegedeeld.

    Hieruit blijkt opnieuw de eigenzinnigheid van de dichter, die weigert om ook maar iets uit te leggen. Het enige wat in de buurt komt van een verklaring is een uitspraak van Akkerman op de site van Hollandse meesters in de 21e eeuw waarin hij zegt: ‘Zelfportretten: O.K. Het is cliché, het is te bedacht, het is niet nieuw, het is academisch, het is nageaapt. Maar: IK WIL HET DOEN!” De laatste zin had Duinker zomaar over zijn eigen poëzie hebben kunnen zeggen.

     

     

  • Net niet

    De Vlaamse dichteres Ruth Lasters (1979) werd bij het grote publiek, ook in Nederland, bekend door haar pamfletachtige, ritmische en retorisch sterke gedicht Losgeld. Ze schreef het, samen met enkele studenten van de Spectrumschool in Deurne, als stadsdichter van Antwerpen. Het werd echter (om formele redenen? om inhoudelijke redenen?) door het stadsbestuur geweigerd. Nu is het opgenomen in haar bundel Tijgerbrood, zodat we het nog eens kunnen nalezen of – als de lezer de commotie heeft gemist – er kennis mee kunnen maken. Inclusief een toelichting achterin (zie ook http://ruthlasters.com). Eigenlijk is die toelichting niet eens nodig. In de eerste plaats omdat we de discussie over hoog- en laagopgeleiden (of liever: praktisch en theoretisch geschoolden) ook in Nederland kennen. In de tweede plaats omdat het gedicht sterk genoeg is om op zichzelf te staan.

    Het gedicht maakt deel uit van de afdeling Omerta die – zoals meer van de zeven afdelingen – wordt voorafgegaan door een motto. In dit geval van Iris Murdoch, over taal: ‘Really a machine for making falsehoods’. Want als je écht de waarheid wilt spreken, dan zijn woorden ontoereikend. Óf je moet nieuwe woorden verzinnen, zoals ‘navendel’ voor de geur die lavendel achterlaat. Óf je moet gewoon je mond houden.
    Het is een thema dat we ook uit de debuutroman, Poolijs, van Lasters kennen, de eerste van de inmiddels vier romans die zij schreef. Daarin is het Yves, een van de hoofdpersonen, die veelvuldig over zijn adamsappel strijkt. Daarin is het het zwijgen van mensen dat letterlijk en figuurlijk rust geeft. Ze zwijgen omdat ze willen zwijgen of omdat ze om wat voor reden dan ook niet kunnen spreken.

    Kunstgedichten en kerngedachte

    Er is nog een ander thema uit Poolijs dat ook in Tijgerbrood terugkomt: kunst. Het woord ‘navendel’ komen we tegen in een gedicht over het schilderij Le déjeuner sur l’herbe van Édouard Manet. Hierin spreekt de dichteres over ‘pre-picknick’. De titel van het schilderij is volgens haar een toonbeeld van ‘verbale vaagheid’. Het gaat ofwel om vóór ofwel ná de lunch op het gras.
    Eigenlijk is dit idee van voor of na een kerngedachte in Lasters’ gedichten. Het is altijd net iets voor of net iets na iets, al dan niet in combinatie met kunst en taal:

    ‘Vlak voor ik nies wordt alles even pointillistisch in mijn hoofd.
    Als het acuut gaat kriebelen in mijn sinussen, lijkt taal bereid
    om haar totale nederlaag toe te geven’

    schrijft ze in het gedicht Appelboom.

    Geluid, beeld en associaties

    Geluiden, of het ontbreken daarvan gaan ook in andere gedichten in mooi gekozen beelden samen: lachritmes van de lichtsignalen van vuurtorens, die een back-up hebben in misthoorntonen. Maar dat niet alleen. Lasters is ook de dichteres van associaties. Bij ‘appel’ denkt ze bijvoorbeeld aan de Bijbelse Eva en Wilhelm Tell, bij een kromme lepel uit de oorlog aan een

    ‘… gruwel die niet zonder breken terug te buigen valt
    niet omringd dient door bestek’

    Bij kaasprikkers denkt ze ook aan tandenstokers, bij de plastic holtes van een strip pillen (dé pil in dit geval) aan de kralen van een rozenkrans. Bij meel dat rijst voor een volkoren-, spelt- of het tijgerbrood uit de titel van de dichtbundel gaan haar gedachten naar een kind dat niet in de buik groeit van de ik-persoon uit het gedicht. Het is een grote stap, maar als je er een klein beetje moeite voor doet zijn deze en ook andere grote stappen meestal te volgen.

    Filosofisch

    Op deze manier zit er een filosofische laag in veel gedichten. Gedichten die in eerdere versies zijn verschenen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant, De Revisor, Terras en Apache.
    In het gedicht Venter vraagt Lasters zich bijvoorbeeld af wanneer een bril nog voldoet aan het zelf. Met krassen? Zonder schroefjes, neussteuntjes of een poot (been, zegt Lasters antropomorf)? Het doet denken aan Jean-Paul Sartre, die stelde dat een mens ook zonder armen of benen nog steeds een mens is. Alleen een torso en een hoofd maken dat je altijd nog kunt reflecteren over dit gegeven en kiezen hoe je ermee om zult gaan. Een mens is niet zo bedoeld, maar het is zoals het is. Net zoals ‘ballenrapers, die weergaloze vangers van / het onbedoelde’ een mooi beeld is voor tennisballen die er niet voor bedoeld zijn om op de grond te vallen en opgeraapt te worden, maar om terug te worden geslagen richting tegenstander.

    In andere gedichten gaat het over ander onheil, zoals een scheepsramp, raketinslag of tsunami die ons niet troffen, net niet troffen, net zomin als een metastase en foltering vanwege huidskleur of geaardheid. Of neem een route die je ‘door een gruwelaanslag niet kreeg afgelegd’, zoals de jongeren op het Noorse eiland Utøya.
    En dan, als iets er bijna is, gaat de tijd niet vooruit maar terug, zoals 1945-1940. Dit doet denken aan een essay van de dichteres Maria de Groot: eerst Bevrijdingsdag vieren, dan herdenken.

    Filosoferen is verwonderd in het leven staan. Je erover verwonderen, zoals Lasters doet, dat je uit papieren bekers kunt drinken, terwijl die afkomstig zijn uit pulp van een boom die ook eens water dronk. Het is zoeken naar een geëngageerd verband tussen al dan niet antropomorf aangeduide dingen, tussen mensen en met de natuur. Naar

    ‘heelheid, naar iets
    uit één stuk ondeelbaar, een überverzoening
    van wonder en toeval.’

    De kracht van Lasters’ poëzie zit in haar woordgebruik met een neologisme als ‘navendel’, haar beeldend woordgebruik met beelden als lachtritmes voor de lichtsignalen van vuurtorens, in de associaties bij een enkel woord (appel, lepel) en in de extra, filosofische en geëngageerde lagen die er vaak mee gepaard gaan. Kortom: een mooie, derde bundel na Vouwplannen en Lichtmeters.