• Geef mij een wonder,Alexis De Roode

    Geef mij een wonder is de titel van het debuut van Alexis de Roode (1970). ‘Geef mij een wonder’ is een aanspreking – van de dingen, de ander – die zelden op een even heldere manier kan worden beantwoord. En wellicht even zelden leidt tot heuse wonderen. Het wonder speelt zich veelal af bij de waarnemer, die de ervaring wel kan delen maar het mysterie errond nooit helemaal zal kunnen wegnemen. Dat is ook het perspectief dat Alexis de Roode hanteert in zijn gedichten: het is het verlangen naar het eigen wonder, ‘mijn wonder’.
    Dat wonder speelt zich af op plaatsen die voor de buitenwereld niet altijd even kenbaar zijn. Ook omdat het verlangde zich niet noodzakelijk in die werkelijke wereld bevindt. Alexis de Roode betreedt in Geef mij een wonder regelmatig het domein van droom en fantasie, de schemerzone die zich niet met wezenlijke antwoorden bezighoudt, maar een codetaal spreekt; die zich evenzeer verbergt als het wonder zelf: ‘waar is het wonder? / Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend: / struikjes, koetjes, boerderijen, / er is geen speld tussen te krijgen’ (uit: ‘De lege landen’). En tegelijk kan dat kleine voldoende zijn om te getuigen van wonderlijkheid: ‘Al is het maar die haagbeuk / die op een mistige ochtend / een beetje is verschoven. / Dan weet ik genoeg.’ Of de boodschap die zich tussen de andere typische berichten in ‘Het schrift in de kapel’ heeft genesteld, ‘sinds 1998, om de vier, vijf pagina’s, / steeds in hetzelfde ronde handschrift: // Voor een leuke, lieve vriend’.

    Of het lichaam van de geliefde. Het uitblijven van het wonder wekt ongeduld, kwelt degene die ernaar verlangt. Hetzelfde soort ongeduld dat zich in het hilarische ‘Gedicht gevonden in een aardewerken pot’ bevindt.

    We zijn gekomen op voeten van leem
    en gestegen op vleugels van rook.
    Van oeroude eiken reiken de wortels
    inmiddels tot het middelpunt der aarde.

    Wat nu?
    Nu moet het snel gaan.
    Nu moet het gebeuren.

    Koninkrijken kwamen en gingen,
    de ijstijd is voorbij en ook het Krijt
    kunnen we zo langzamerhand
    als afgesloten beschouwen.

    Ikzelf ben nu al over de dertig
    en mijn zus is twee jaar ouder.
    Wie kan zich nog heugen
    dat vrouwen van ribben en mannen
    van modder werden gemaakt?

    Het begin is dus voorbij.
    Madagaskar ligt op zijn plek
    en de Alpen staan. We moeten door.
    We kunnen niet langer wachten,
    geen seconde.

    Het ene gevonden wonder of vervulde verlangen wakkert het nieuwe aan. En steeds gaat het om de persoonlijke vervulling, de aanwezigheid van het verlangde. Dat persoonlijke karakter heeft als gevolg dat het verlangde voor de een nooit een herhaling kan/mag zijn van wat een ander al heeft ontvangen. In het erg toepasselijk getitelde ‘Het mag niet, maar het moet’ is het het verleden van de geliefde dat zich als een irriterende huidziekte over de verlangende spant. De titel lijkt het gedicht zelf te rechtvaardigen: dit is niet zo fraai, maar een noodzakelijk moment. Of zoals Alexis de Roode zelf schrijft in ‘Openbaring’: ‘Wist je niet dat de essentie van perfectie / altijd een holle ruimte is, / waar het schimmelt en broeit?’ Gelukkig dat ‘Het mooie van de tijd is / dat hij doorgaat’ (uit ‘Dag liefje’).

    Geef mij een wonder is een intelligente, bedachtzame, fantasierijke bundel. De bedachtzaamheid in de constructie levert mooie keerpunten en perspectiefwisselingen op, maar zorgt af en toe voor een teveel aan plotse wendingen, een teveel aan pun. Alexis de Roode schrijft helder maar niet zonder zin voor het eigen grillige, zelfzeker maar met de nodige zelfrelativering. Met het besef dat het wonder vaak vergezeld wordt door de holle ruimte waar het schimmelt en broeit.

    Alexis de Roode, Geef mij een wonder .Uitgeverij Podium, 2005
    ISBN 90 5759 237 1
    46 p. | 12,90 euro

  • Het Liegend Konijn, Hiernamaals,Jozef Deleu (red.)

    Het liegend konijn is een bijzonder dier: vermomd als redacteur Jozef Deleu rooft het al drie jaar lang ijverig de nesten leeg van een groot aantal dichters, om de buit twee keer per jaar -steevast in april en oktober- met Vlaamse en Nederlandse lezers te delen. Naast een vaste tekst van Paul van Ostaijen op de achterflap en meestal een kort inleidend woord van de redacteur tot de lezer biedt het konijn werkelijk niets dan wat het bieden wil: nieuwe, nergens eerder gepubliceerde gedichten.

    Verreweg de meesten die Deleu vraagt aan Het Liegend Konijn bij te dragen, zijn vooraanstaande en bekende dichters, al laat hij bewust elk nummer ook de ruimte aan minstens één debutant. Een solide werkwijze die zijn waarde reeds bewezen heeft door te resulteren in een halfjaarlijkse traktatie voor poëzieliefhebbers. Maar na vijf halve jaren besloot het konijn het eens iets gerichter en grootscheepser aan te pakken: 57 Nederlandstalige dichters (34 Nederlanders en 23 Vlamingen) werd gevraagd om nieuw werk te schrijven over ‘het hiernamaals’. Dit leverde maar liefst 143 gedichten op, alfabetisch gerangschikt op naam van hun makers, een schatkamer waarin men moeiteloos maandenlang kan dwalen. Zelf ben ik nu al ruim twee maanden dwalend tussen de B van Jan Baeke en de Z van Ad Zuiderent, soms aan een paar pagina’s wat sneller voorbij stappend, dan weer langere tijd aan de grond genageld door een gedicht als ‘Daaag’ van K. Michel, dat wat weigerachtig aanvangt met:

    zolang ik er niet geweest ben
    voel ik me niet geroepen
    over het hiernamaals
    iets substantieels te beweren
     

    om zestien regels later, nog altijd het opgelegde thema wat bemokkend, te eindigen met een schitterende vondst:

    ten leste moet me van het hart
    dat het hele begrip me nog het meest
    doet denken aan een verkeersbord
    (op een kruising bij Han-sur-hesse)
    met twee forse bazige pijlen
    onder die naar links
    staat toutes directions
    onder die naar rechts wijst
    autres directions
     
     
    Doordat ik het konijn van voor naar achter las, was ik eerder al stil blijven staan op vele pagina’s, onder meer gevuld met werk van (ja: namen, onontkoombaar als het er zó veel bijeen zijn) H.H. ter Balkt, Anneke Brassinga, Paul Demets, Piet Gerbrandy, Eva Gerlach, Peter Holvoet-Hanssen, Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Joke van Leeuwen, Peter van Lier en Erik Menkveld. En nog stond me het stuiten te wachten op gedichten van bijvoorbeeld Koen Peeters, Martin Reints, Alfred Schaffer, Toon Tellegen, Marjoleine de Vos, Henk van der Waal en Nachoem M. Wijnberg. Een andere lezer zou waarschijnlijk weer andere namen naar voren halen, maar zeker niet minder, en dat maakt precies de weelde uit van dit konijn: voor zeer veel verschillende smaken valt er zeer veel te genieten.
     
    Het is bij zo’n menigte van dichters boven alles de enorme veelstemmigheid, de uitbundig gevierde rijkdom die Deleus Hiernamaals kenmerkt. In een eerder konijn liet hij zijn lezers al weten: ‘bij de keuze van de dichters koester ik het contrast’ en ‘hoe fundamenteel poëzieopvattingen ook mogen zijn, voor Het Liegend Konijn zijn ze ondergeschikt aan de poëzie zelf. Om haar en om haar alleen gaat het in dit tijdschrift.’ Moge dit voor afzonderlijke afleveringen al op gaan, met Hiernamaals heeft Deleu iets buiten-categoriaals weten te creëren: een thematisch gestuurde staalkaart van de hedendaagse poëzie, geen bundel maar een bundeling, geen nummer maar een unicum.
     
    Thomas Möhlmann

    Het Liegend Konijn, Hiernamaals, oktober 2005, jaargang 3, nummer 2.

    Het Liegend Konijn, tijdschrift voor hedendaagse Nederlandstalige poëzie onder redactie van Jozef Deleu. Halewyck, Leuven & Meulenhoff, Amsterdam.

    www.hetliegendkonijn.nl & www.hetliegendkonijn.be

  • Proeven van moord,Elly de Waard

    Poëzie die zichzelf uitlegt

    De dood is alom aanwezig in de nieuwste bundel van Elly de Waard. Het titelgedicht ‘Proeven van moord’ in vijf delen beslaat zelfs een hele afdeling en is duidelijk gemaakt naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn.

    ‘Van de schedel, de tere schaal
    doorschoten
    met zwaar kaliber
    materiaal, zwaar metaal’

    Van dit soort poëzie houd ik niet zo. Het is poëzie die beschrijft, niets toevoegt aan wat er gebeurd is, behalve wat klankrijm dat tekortschiet bij de werkelijkheid. De dichteres is zich hiervan bewust: ‘Hoe kan ik een stof, die ik niet / heb aan kunnen raken beschrijven? / Hoe moet ik een moord, die nog zo / kort geleden gepleegd werd, in zijn // verre strekking begrijpen?’ Het antwoord op deze prozaïsche vraag volgt in de rest van het gedicht. De dichteres kijkt naar het nieuws en kijkt er van weg. De Waard laat het bij de beschrijving.
    Het is dan wonderlijk dat je in de volgende afdeling (‘In memoriam’) weer een gedicht aantreft van drie bladzijden over dezelfde figuur: ‘De ballade van de vermoorde politicus’. En weer erg beschrijvend.

    ‘Een man ligt op het plaveisel
    van het nieuwscentrum van het land
    uit zijn glanzend hoofd, teer en dooraderd
    komen zwarte bloedvlechten, lang’

    En dan volgt ook nog een gedicht over Theo van Gogh (‘De zwijgende slachter, die / Theo van Gogh vermoordde’) waarin De waard de tegenstelling tussen de roemruchte spreker en de zwijgende slachter als uitgangspunt heeft genomen. Deze gedichten hebben niet veel te zeggen. Ze constateren, de lezer begrijpt ze, maar de gedichten schokken niet (daarvoor zijn de gebeurtenissen zelf al schokkend genoeg), deze gedichten missen de poëtische kracht om zelfstandig verder te gaan. Maar misschien vergis ik me en krijgen de gedichten over vijftig jaar, als ze losgezongen zijn van hun context, een grotere zeggingskracht.
    Na Theo van Gogh volgen nog meer doden: Kees Ouwens, Amy Clampitt, een onbekende en natuurlijk Chris van Geel.
    Ook in de rest van de bundel, waarin de gedichten niet direct aan personen zijn opgehangen, heerst het thema van de dood, van de verglijdende tijd: in een ode aan de ruïnekerk van Bergen, in een herinnering aan haar jeugd, in natuurbeschrijvingen. Verrassend is De Waard bijna nooit. Behalve in het gedicht ‘In het ondiepe’.

    Op de bodem van de zee
    ligt het uitgebeende skelet
    van een plastic beker

    Wonderlijk dat zelfs een beker
    een skelet heeft, je zou zeggen
    dat het zelf een skelet is
    voor bijvoorbeeld water

    En ongelooflijk eigenlijk dat
    de zelf geraamteloze zee
    het achteloos verhief
    tot het kwadraat van een skelet
    en ook dat weer verwierp

    Ook hier storen me de prozaïsche zinnen, het gebruik van het woordje zelf, maar er is geprobeerd om met een opvallende observatie iets meer te doen. Wat mij hindert is de dichteres die zelf in het gedicht expliciteert wat wij als lezers moeten vinden (‘Wonderlijk dat zelfs’ ‘En ongelooflijk eigenlijk dat’). Ook in een ander gedicht, ‘Zien II’, doet ze dat. De dichteres denkt eerst een gewonde fladderende vogel te zien, maar na nog een keer goed kijken ziet ze dat het twee parende vogels zijn en dan volgt ‘en ik stond verrast, dat / de verrukking en de pijn // in uitdrukking zozeer / hetzelfde kunnen zijn’.
    Poëzie die zichzelf uitlegt: het is niet mijn soort poëzie.

    Coen Peppelenbos

    ELLY DE WAARD: Proeven van moord. De Harmonie, Amsterdam, 64 blz. €14,90

     

  • Windroosserie,Diverse auteurs

    Onder redactie van Henk van Zuiden en beschermheerschap van Simon Vinkenoog gaf uitgeverij Holland dit jaar in één keer vier debuten uit in de Windroosserie.

    De debutanten zijn Tom Zinger, Robin Block, Sander Koolwijk en Pom Wolff. Een korte introductie van deze  min of meer bekende en minder bekende namen: Zinger kennen we uit Tzum en Dichters in de Prinsentuin. Block publiceerde in Krakatou en Mens en gevoelens. Koolwijk werd dit jaar Nationaal Slamkampioen en Wolff is bestuurslid van De School der Poëzie te Amsterdam en adviseur van het Cornelis Vreeswijk Genootschap.

    Tom Zinger, tja. Zijn bundeltje heet Rauw boy blues en dat is grappig. Wel net zo grappig als het volgende gedicht:

    Rotterdam

    Been there,
    rot dat.
    Niks an,
    kutstad.
     
    De gedichten moeten blues zijn, maar zijn over het algemeen wat weeïg, of flauw. Het rammelt en rijmelt. Nee, dan Robin Block met zijn bundel Bestialen. Vele malen origineler, alhoewel de woorden net zo wild over het papier dansen als bij Van Ostaijen. Desalniettemin is het geen jatwerk; het heeft een unieke sfeer: mysterieus en twijfelachtig. En juist dat maakt de gedichten robuust. Lees maar:
     
    Lolita
     
    alsof ik jou ooit anders kende
    dan onwennig kinderstemmetjes

    Misschien als je vlechtjes groeit
    behaagziek laatste melktand hoont
    in blootgelachen rokje
    mij vermaakt met klunzige pasjes
    hou ik pink aan pink je liefde vast
     
    Het derde bundeltje draagt de titel Onder dak en is van Sander Koolwijk. In deze bundel gedichten overwint de taal, in soms rauwe, soms lieve gedichten, soms treffend, soms net niet.
     
    Angst
     
    Het mes, geslepen,
    schokkend over huid
    laat sporen achter
    die weer drogen,
    als de woede verder kruipt.
     
    Ik stel mij voor dat het bovenstaande gedicht ingrijpend moet zijn, maar het komt eerder wat blasé over terwijl de titel anders doet verwachten. En zo slaat Koolwijk naar mijn idee de plank vaker mis. Ik ontkom er niet aan zo nu en dan mijn schouders op te halen. Dan maar naar de bundel van Pom Wolff. Je bent erg mens heet zijn debuut. En ja, dit is veruit de beste uit deze Windroosserie. Originele weerbarstige, overtuigende indringende poëzie. Wolff is een soort prekende Komrij; geen illusies, alleen de harde werkelijkheid. Een uitstekend voorbeeld is het volgende gedicht:
     
    Kind
     
    likbaar koud verkild een liedje
    totdat het over is voorbij
    een houtje nog om op te bijten
    kun je daarmee leven
    je zal wel moeten
    ik heb het over unterwelt
    waar demonen schatten zijn
     
    waar zij regeert is zij vernederd
    het liefst ontkend
    een onbestaanbaar niets
    zo onbestaanbaar kan het liefste zijn
    de vrouw die je net een hand gaf
    dat was je moeder jongen

    De bundel die geen illusies kent, wint het wat mij betreft van de andere drie bundels die soms hoteldebotel zijn. Zo zie je dat poëzie alles met de werkelijkheid te maken heeft.

    Wouter de Vries

  • Ritmische gedichten

    In 2003 debuteerde de Vlaamse dichter Eric Vandenwyngaerden (1955) met de bundel Onder de roos. Verzen van zijn hand werden o.a. opgenomen in Dighter, Opspraak en andere bladen. Vandenwyngaerden is geen veelschrijver, maar een gedegen, haast ambachtelijke verzenmaker.
    Voor ons ligt nu deze –fraai uitgegeven- bundel Het licht stelt de wet. (lux sed lex)
    De titel is een verwijzing naar de aanraking van het licht. Een gebeurtenis, ontmoeting kan even in een ander daglicht staan als we ons er in ‘verdiepen’.  Vandenwyngaerden stelt ons in zijn titelgedicht ‘Het licht stelt de wet’(ondertiteld –Aubade-) voor om het raadsel van de dageraad eens nader te bekijken.

    Wie slaapt er nog
    met al dat gedoe daar van vogels?
    Hoe kwebbelend snijden zij ochtendtaart aan.

    Jij hebt ons niet bedrogen,
    jouw vingers beroeren nog immer de aarde,
    jouw ochtend staat zich telkens weer te vergapen
    aan de spinnen die zorgvuldig hun draden trekken
    -aan de kant waar de dag wakker wordt-
    zo glinsterend en broos.

    Ik heb het wel gezien
    (zoals je had beloofd, zo is het ook geschied):
    je bent met je warmte
    door nevels van heuvels gekomen.
    Wij eren jouw naam en dragen met brons
    van jouw hand met ons mee;
    aanbidden jou, zon.

    Maar wie slaapt er nu nog,
    nu ’t gekwebbel verstomt
    en verdrinkt in de drang van de dagen.

    Het is een aubade aan de zon, die de nevels verdrijft, de spinnenwebben uitlicht, ons warmte schenkt en ons weer achterlaat om te rusten in het donker.
    Eenzelfde observatie laat de dichter ons meebeleven in het mooie vers ‘Rood’, een gedicht over de woestijnstorm, die het innerlijk van de dichter weerspiegelt in de kleur rood, die van rood naar zwart gaat, zwart als de dood. Het onvermijdelijke. De woede na 11 september in ‘De wonden van het worden’ (blz.11) zijn van een intentie, die we zelden kunnen proeven.

    Wat kunnen we anders doen
    dan schreeuwen-hard
    verscheurend ademen(..)

    Maar er is veel meer in deze mooie bundel. De dichter is vaak opvallend ritmisch in zijn gedichten. Een ritme echter dat vrij laat en bijna zingt:

    Schemering

    Wat eerst nog twijfelt
    boven akkers
    akkers getroffen in voren
    diep in hun schaduwen liggend
    lang en uitgesponnen(..)

    Ook is Vandenwyngaerden de man van de verstilde trefzekere observatie.

    Rustoord
    zoals beloofd
    hij legt ze recht, de dingen
    uit zijn hoofd: zijn tafelmatje en zijn mes,
    zijn, lepel en zijn vork; want hij regeert
    hier als een vorst zonder genade.

    De gedichten zijn rond vier thema’s gegroepeerd Vita, Natura, Res, Amor oftewel Leven, Natuur, Zaak, Liefde. Is de natuur een zaak om van te houden? Volgens de dichter zeker. Is het leven om te leven? Opnieuw volmondig ‘ja’. Het zijn niet de minste thema’s die de dichter durft te omcirkelen, maar hij glijdt niet uit.
    En bijna aan het eind van de bundel gekomen worden we – sotto voce – getrakteerd op stille tedere gedichten zoals het vers:

    Kijk
    Kijk, ik minder vaart
    trek mijn schip op het droge.
    Diep in het ruim leg ik mijn ogen te slaap.

    Want dit land heb ik gekozen
    haar rust en stilte ademend
    zo desolaat.

    Zoals de zee wist mijn spoor
    dooft mijn haven de haard
    tikt de tijd alsmaar voort
    neemt mijn rijm
    wikt en weegt mijn woord.

    Eric Vandenwyngaerden is een dichter zonder bombast, zonder effectbejag, maar mét een heldere overtuigende toon, die ons terugwerpt op onszelf. En zijn beelden zijn consequent zoals het een groot dichter betaamt. Of om met Goethe te spreken hij bedient zich van exacte fantasie. De beelden komen als vanzelf tot stand en staan in nauw verband met elkaar, vormen een ring van samenhang die weldadig aandoet. Bij herlezing van zijn bundel, ten slotte, winnen de gedichten nog meer aan kracht en geven ze zich langzaam aan de oplettende lezer. Als een offerande, een geschenk!
    Waar vinden we nog zo’n dichter?
    Men leze!

    Karel Wasch

    Het licht stelt de wet. Eric Vandenwyngaerde. Uitgeverij Kramat, 63 pagina’s. ISBN 90 752 1261 5.

  • Formosa,Lloyd Haft

    Bloei op de leegte overbrengen

    Formosa is de oude naam voor Taiwan. De Portugese zeevaarders vonden het eiland zo mooi dat ze het ‘ilha formosa’ noemde, formosa: mooi, ‘zoals een vrouwengestalte mooi kan zijn’. Ook de VOC die er een kleine veertig jaar de dienst uitmaakte noemde het zo. De sinoloog Lloyd Haft, die in Leiden doceerde en wiens negende dichtbundel deze titel draagt trouwde er met een Taiwanese vrouw en vond er volgens de flap een derde vaderland.
    In zijn nawoord schrijft Haft dat hij Taoïstische teksten leest, ‘niet meer om de de meditatie-procedures van de ‘innerlijke alchemie’ die moesten uitmonden in het opkomen van een onsterfelijke ‘innerlijke foetus’. Ditmaal werd ik in ontroering gebracht door de eeuwenoude elementaire woorden zelf –water, vuur, aarde, licht. De taal die de mogelijkheden van mijn onsterfelijkheid moest aangeven, ervoer ik niet meer als een particuliere zaak, die op een binnenspel tussen mij en mijn eigen gedachten sloeg. De omhelzing van water en vuur, het warmen van de aarde door licht waren niet zomaar kloppingen van mijn geest, die ik zou moeten leren onderscheiden van een nog ‘innerlijker’ geest die ‘echter’ zou zijn en de waarnemingen overleven zou. Ik zag ze nu in de berglandschappen van Hunag Junbi, in de huizen en rivieren van Joseph Yen. In Formosa zag ik ze.
    Begon ik al te voelen, niet door meditatie maar door levend onder de levenden te zijn, wat de oude tekst noemde ‘lichaam buiten het eigen lichaam’?’
    Als illustratie van deze vraag, waarmee Haft zijn nawoord afsluit het gedicht:

    Tijdens je afwezigheid las ik een taoïstisch boek over ‘de alchemistische kunst van het door de schedel uitdrijven van de gerijpte Foetus’

    Mijn ‘nieuwe, onsterfelijke
    Zelf’ – moet ik zoiets
    van binnen bedenken, ‘de adem
    samenballen dan

    uitdrijven’ tot het geluk
    eindelijk in klein-eigen gestalte
    me boven het hoofd uit
    kruipt en blijft hangen?

    Nee, geluk
    drijft mij binnen,
    krijg ik in je adem
    over – warm,

    warm dat ik niet meer
    afdrijf, ik die nu
    hier blijf waar ik je
    adem en ontvang.

    Hier wordt bijna ironisch afstand gedaan van de alchemistische procedure, waarvan de omschrijvingen tussen aanhalingstekens worden gezet. Maar aan de andere kant lijkt het alsof er alleen afstand wordt genomen van de schoolse Tao, omdat een nieuwe fase is aangebroken. De woorden warmte, vuur, schaduw, bodem, water, alles wat maar verwand is aan de elemeneten die Haft noemt in zijn nawoord spelen een grote rol in deze bundel.
    De gedichten stralen een wonderlijk soort elementaire rust uit, een serene vreugde over een nieuw tijdperk. Dat is een omschrijving die mij anders misschien met een apert wantrouwen zou vervullen, maar niet hier. Waarom eigenlijk niet? Misschien omdat oosterse mystiek lichter verteerbaar is dan westerse mystiek. Misschien ook omdat het aandachtig kijken en het aandachtig beschrijven van wat gezien wordt teveel helderheid garandeert. Er is geen sprake van een zweverige bundel. Het is de zweverigheid voorbij.

    In de bundel staan vijf afdelingen waarvan de tweede en de vierde ‘Naar schilderijen’ zijn, van Huang Junbi en van Joseph Yen.

    Het laatste gedicht van de serie naar schilderijen van Junbi:

    Restant

    Licht is er over –
    iets blijvends
    boven een rots
    water en oever voorbij

    niet van een kleur
    maar alle kleur houdend
    hoog in de mist waar de regenboog
    de pauwstaart schitterend stijgt,

    iedere druppel een parel
    aan een van de vindende vingers
    die de dag als blinde tastend
    als een blinde spreidt.

    Ieder een spiegel
    met mij gekomen,
    een van de stromen,
    een van de wegen naar mij.

    De Weg blijft blijkbaar een belangrijk gegeven, getuige ook de aansluiting op de volgende afdeling die ‘Alle reis is naar zich toe’ heet.

    Deze bundel is op een ongebruikelijke manier tweetalig. Weliswaar links Engels en rechts Nederlands, maar van een eigenlijke vertaling is vaak geen sprake, het gaat meer om twee nauw verwante gedichten met in elke taal eigen nuances en eigen keuzes. De laatste twee strofen van het gedicht hierboven luiden in het Engels bijvoorbeeld:

    showing each drop
    as a round of the many,
    one of the manying reaches
    of light’s ever-widening hand.

    Each is a mirror,
    Each is a member of me,
    Showing a way that I came,
    Gleam of the river I am.

    Het maakt deze gedichten minder definitief, het feit dat je in de andere taal net een ander schikking aantreft, een andere balans in wat er staat; het beeld verschiet. Het sluit ook haarfijn aan op de intensitit van de waarneming die aan de meeste gedichten ten grondslag ligt; als je een stap naar rechts zet ziet alles aller er net anders uit. En kijk dan opnieuw. De bundel Formosa is een hecht kunstwerk dat zowel persoonlijk als onpersoonlijk is, zowel dogmatisch als vrijgevochten, zowel de weg bewandeld als erop stilstaat. Haft definieert een eigen alchemie die alleen door de weg die hij gegaan is tot stand kon komen. Deze alchemie heeft de tweetaligheid nodig, heeft een bewustzijn nodig van zowel oost als west. Er zijn gedichten in Formosa die een schilderij als van Huang Junbi in taal vatten, het beeld larderen met veel persoonliker elementen (wat Haft misschien noemt: levende onder de levenden zijn’.

    Kersenbloesem, pruimenbloesem
    Voor Fou Wei-sin

    Zoals de daken der mensenhuizen
    een vorm aan de hemel verlenen
    brengen de bomen plots
    bloei op de leegte over.

    Pruim uit het oosten,
    kers van over de zee –
    hoe weten zij bij ons
    uit te komen?

    Hoe in de winterse dag
    handvormig bloeien, licht
    vingervormig leggen?
    Je wijst, wil dat ik ook

    zie hoe zij groeien: kers
    recht pruim dwars, twee wijzen
    van reiken. Nee:
    reiken doen wij alleen. Zo

    meteen breng je me naar het
    station, reik ik je
    een hand en ben weg:
    weg als de kou uit de bomen.

    Dit gedicht dat evenals het openingsgedicht oktober lijkt te onderzoeken wat het kijken naar een boom het heden van de mens te bieden heeft, vertakt steeds verder naarmate je het vaker leest, het Engels ernaast leest, de vier gedichten achtereen leest.

    Alleen al deze gedichten hebben een lange weg in de Nederlandse poëzie te gaan.

    Menno Hartman

    Lloyd Haft Formosa Querido 200

  • Ironisch en toch aardig

    Recensie door Coen Peppelenbos

    Er zijn dichters die het moeten hebben van grote woorden en brede gebaren, regels vol klankassociaties en dreunende ritmes. Niets van dat al is terug te vinden bij Wim Brands, die met Ruimtevaart zijn eerste bundel heeft gemaakt bij zijn nieuwe uitgeverij, Nieuw Amsterdam. Brands is vooral bekend als radiomaker en sinds kort ook als de enige maker van een boekenprogramma op tv (na Buitenhof op de zondagmiddag). Als je Wim Brands als dichter zou moeten indelen dan zou je zeggen dat hij Barbarberachtige poëzie schrijft. Verzen zonder al teveel opsmuk, de zaken concreet benoemend, met gewone woorden de lezer toch in verwarring achterlatend.

    Giraffe

    ‘De giraffe komt van Neptunus.
    Hij daalde af op een lange,
    snelle roltrap.

    De giraffe kan goed dansen.
    Vraag alleen nooit

    naar de naam van een dans,
    dan wordt hij boos.

    De giraffe is overigens
    ook verantwoordelijk

    voor negentig procent van
    wat we in spiegels
    zien.’

    Het lijkt op een moderne variant van wat we bij Jacob van Maerlant lezen wanneer hij de afkomst en de bijzondere eigenschappen van dieren beschrijft. En alhoewel de woorden volkomen duidelijk zijn, is de betekenis vrij absurd. Het mooie is dat Brands daarbij geen ironie gebruikt; door stellige beweringen te doen werkt het gedicht wel ironisch. Door quasi gewichtig witregels te gebruiken wordt ook de versvorm geïroniseerd.

    Terugkerend thema in de bundel is de vergankelijkheid. Maar ook dit zware thema wordt licht beschreven: ‘Ze hangt als een boodschappentas / aan mijn arm en ik bedenk / wat er met haar // uit mijn leven verdwijnt: Buisman / een stoof, de theemuts.’ En zo vangt de dichter wel vaker anekdotes uit zijn dagelijkse leven in een gedicht die je ook weer door de eenvoud kunnen raken, zoals een moederfiguur die thuis al stickers zit te typen waarop staat de het goed met haar gaat en die ze op vakantie kan posten naar huis.

    Dat gedicht is licht humoristisch, maar heeft wel een melancholische ondertoon. De moeder wordt niet te kijk gezet met haar ietwat rare actie, maar wekt mededogen op omdat in de eerste strofes staat dat zij pas is gaan reizen sinds de dood van haar man. ‘Alles O.K. hier. Ma.’ Geschreven aan de keukentafel, maar gepost in het buitenland werkt dan haast als een bezwering. Er staan meer van dat soort gedichten die direct aansluiten bij de werkelijkheid en ondanks een grappige ondertoon toch gewoon een aardig portret geven van de beschreven mensen. In het titelgedicht komen de grootouders van de dichter aan het woord die niet geloofden in de landing op de maan, maar wel in de landing van een engel op aarde. De bundel Ruimtevaart is een welkome verademing in het poëtische landschap.

     

     

  • Hier is de tijd : gedichten

    De flarden van iets mateloos naar het heden zingen
    over Alles is nieuw van Esther Jansma (maar niet de titelkeuze, want Coen schreef er ook al over)

    Er is een gedicht van Leopold dat op middelbare scholen geldt als het voorbeeld van het symbolisme bij uitstek: ‘ Regen’ . Een regendruppel hangt aan het raam en de dichter ziet er de wereld in vergroot, de gehele schepping er in samengevat: ‘wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal.’ Het toont heel scherp hoe iets in zichzelf heel nauwkeurig een weergave geeft van iets wat zich erbuiten bevindt. De etymologie maakt het eenvoudiger: sym bolon (Gr) betekent samen-gooien, een steen of een bot werd gebroken en de breukranden pasten alleen op die ene andere helft. Een Klassieke variant van het romantisch doorgescheurde tientje dat in films dan na twintig jaar beduimeld uit een portemonee wordt gevist.

    Esther Jansma doet iets als Leopold deed in haar laatste bundel in het gedicht

    Het begin

    Opeens zag zij hoe groot de wereld was.
    Niets was zoals zij het verwacht had
    de dingen waren voller dan zij dacht

    en kleurrijker, al kijkend door het glas
    dat haar gevonden had zag zij de binnenkant
    van schelpen, wat daar doorheen bewoog

    was vorm en puur zichzelf en tegelijk
    een regenboog van mogelijkheden
    tot leven geblazen, verloren, hervonden

    nadat de eeuwen er hun parelmoer
    overeen penseelden, zo breekbaar als wat
    lag het daar, zomaar in haar hand.

    Die ‘regenboog van mogelijkheden tot leven geblazen, nadat de eeuwen er hun parelmoer overheen penseelden’ is een sensatie die vaak terugkeert in deze bundel. Esther Jansma, archeologe, combineert de professionele en dichterlijke fascinatie om het verleden te ‘lezen’ in deze bundel nog weer wat gestroomlijnder dan in de vorige twee bundels Hier is de tijd(1998) en Dakruiters(2000).

    ‘Alles is nieuw’ en de afleiding van deze bewering, ‘ Voortdurend nu’ , de naam van de eerste van de vijf afdelingen van de bundel, is het destillaat van de gedachte dat in de vondst van een snipper verleden door de goede intermediair, de dichter, de archeoloog, dat verleden levend, tegenwoordig te maken is. De archeoloog leest in de vondst, in het bodemonderzoek, hoe het geweest is, de dichter maakt aannemelijk dat het niet anders geworden is. Een huis is een huis, een muur is een muur. Een dak is een dak, een deur blijft een deur. Voor Jansma zijn dit levende symbolen die in hun tijdloosheid op zichzelf de afstand slechten tussen de mens die daar vandaag doorheen loopt, en de mens die hem in 100 na Christus dichtmetselt.
    Hoewel het gebruik van een ‘format’ op de loer ligt omzeilt Jansma dit meestal. De archeologe biedt een beeldenarsenaal waar je lang in mee wilt gaan. Wel is de bundel in zijn geheel wat minder verontrustend dan de laatste bundels, er is een zekere genoeglijkheid ingeslopen.

    (…)
    Iemand moest ernaar kijken en zeggen: wat is het
    dit is het, en waar was het, een huis met een haard-
    plaats mensen die daar zoals altijd en altijd
    voor het eerst in het nu zichzelf zijn

    (…)

    Een lichte ‘ verkoplanding’ zou je kunnen zeggen, is waarneembaar. In het bovenstaande fragment in het typische enjambement ‘ wat is het/dit is het’, een stijlvorm die heel direct de vraag afdekt met een toch geruststellend antwoord. De filosofie van het geluk. De weg naar de berusting. Iets wat je van een psychiater dan weer beter hebben kunt. Bij Kopland merkte je het even, in de laatste twee bundels wordt weer wat meer geproblematideerd, een zeker rustgevend ‘ niet antwoorden’. De vraag die gesteld werd, maar de vraag laten. Wat is het, dit is het. In de laatste afdeling van Alles is nieuw zie je dit scherp in een kleine cyclus met de naam:

    Wat het is

    Het is altijd vandaag, het is altijd het huis
    dat al oud is, het is altijd de man of de vrouw
    die op de klok kijkt, de deur sluit en weggaat
    de slaap in, de stad in, de trein neemt

    het is altijd dezelfde die blijft in het lichaam
    met spijt om de tijd die gemist wordt terwijl
    het einde er zachtjes in neerdaalt, altijd
    het besneeuw raken van het bekende (…)

    Je voelt bijna de appelboom opduiken. Dit is een betrekkelijk confortabele poezie die een licht melancholische toon heeft. Dat vind ik niet de sterkste kant van de bundel. Misschien is het juister te zeggen: dat is niet waarom je Jansma zou moeten lezen. Ik lees liever de wat hoekiger Jansma, je hoort verschil ook goed als je hardop gaat lezen. Nogal muzikale poezie blijkt dan. Dit is bijvoorbeeld veel sneller, vitaler:

    128 na Christus

    Ik kom uit de modder, ik heb met cohorten
    tot mijn nek in de drek van dit ondermaanse
    bossen geslecht, wegen verlegd en hersteld
    de rijksgrens herbouwd. Plekken gezien

    man, de grond daar, papzacht, men verrekt er
    van blubber, vreet smurrie, woont in gehuchten

    (…)

    Jansma heeft het beeldenmateriaal van de archeologie, het fenomeen van de vondst, het lezen van het verleden, uitgewerkt tot een kleine filosofie van de tijd. Zo kun je de bundel rustig lezen. Het werkt ook de andere kant op. In het gedicht ‘Te lezen bij sneeuw’ , kijk je naar kinderen die ooit speelden in de sneew, waarvan dan later beweerd wordt dat het nu is, vandaag. Dat is de stap van verleden naar heden. Maar dan volgt: ‘ De kinderen spelen zoals ze spelen, omringd door tijd waar jij niet bent. Jij kijkt naar hun herinneringen.’ Wat het tijdsbeeld nog weer verder uitrekt naar de toekomst, je bent waarnemer van een heden van kinderen, dat zij zich ooit zullen herinneren, zonder jouw aanwezigheid. En waarom ‘ Te lezen bij sneeuw’ ? Omdat de dimensie zich dan nog verdiept, weer een tijdlaag, weer spelende kinden en hun aanstaande herinneringen. (Het gedicht is overigens ook heel goed te lezen bij “Een sneeuw” van Leopold).

    Esther Jansma is een van de beste dichters van nu, de gedichten kan je om blijven keren en vervelen doen ze niet, haar taal heeft een eigen souplesse die niet snel tegen staat, ze heeft thema’s waar ze grip op heeft. Nu hopen dat ze uit de behaaglijke warmte van het haardvuur blijft.

    Esther Jansma Alles is nieuw Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

    Menno Hartman

  • Recitatief

    Toen dichters hun zinnen nog begonnen met O

    Nu Nederland meer dichters dan poëzielezers kent, is het wel eens prettig om het verleden in te duiken. Gewoon omdat je wel eens af wilt van de hijgerigheid van het actuele en omdat je nog veel bundels ongelezen in de kast hebt staan. Ab Visser is voor mij niet helemaal onbekend. In mijn voorliefde voor A. Marja kwam ik hem regelmatig tegen, meestal als slachtoffer van deze Groningse practical joker. Zo links en rechts had ik al eens een roman van Visser gekocht op een rommelmarkt en in mijn boekenkast staan twee bundels van deze auteur. Recitatief, een bundel uit 1956, verscheen in de prachtige reeks de Boekvink. Voordat het boekje vijftig jaar oud is, werd het eens tijd om het te lezen.
    Dat viel niet echt mee. Vissers verzen zijn zeer toegankelijk, maar dan ook zo toegankelijk dat je nergens langer dan drie minuten over hoeft na te denken. Hij is zo expliciet dat het niet mooi meer is. Zie bijvoorbeeld de eerste strofe van het eerste gedicht ‘Ik was zo eindeloos…’

    'Ik was zo eindeloos
    droevig vandaag
    dat ik alleen door
    het regendorp liep
    en de boomkruinen
    zeven hemelen diep
    zag weerkaatst in
    pokdalige plassen.'

    Erg veel poëtische spanning zit daar niet in. De laatste strofe begint met ‘O de hoge bruine / lentebomen’. Daar houdt Visser van, dat lyrische O aan het begin van de zin. ‘O laat mij niet’ ‘O zie, mijn vingers tasten week’ ‘O geef mij opnieuw de bomen’ ‘O tijger pijn, ik ken je’ ‘o paard van Troje’ ‘Dan, o dood, zal doen verwaaien’ ‘O het kortzichtig / dwepend misverstaan’ ‘En o vergeet dan nooit de / snelle eindeloze nachten’ ‘O gun mij die zegenvierende, troostende lafhartigheid’. Ook het eindrijm dat Visser gebruikt laat soms te wensen over. Tussenpozen rijmt misschien op klaprozen, maar dan moet je wel met de klemtonen goochelen.
    De laatste rijmelarij komt uit het gedicht ‘Epitaaf’ waarin hij nogal duidelijk verwijst naar zijn eigen ziekte: Bechterew.

    ‘Ik was een distelveld vol pijn,
    een braakland, met bij tussenpozen
    de al te snel verwaaide bloei
    van koolzaadbloemen en klaprozen.’

    Op de een of andere manier ontroert die strofe me ook. Naast alle kritiek die je terecht kunt hebben op deze regels geven ze wel een volstrekt eerlijk beeld van de eigen toestand, met misschien ook een verwijzing naar zijn eigen literaire carrière.
    Voor het gedicht dat er op volgt geldt hetzelfde:

    Tijger pijn

    O tijger pijn, gevangen
    en gekooid voortaan
    in mijn ziek lichaam,
    tijger pijn,
    met ingehouden adem
    let ik op het scherpen
    van je nagels die met
    schrammen van venijn
    ’t mene tekel kerven
    aan de dunne wand
    van mijn bestaan.

    O tijger pijn, ik ken je
    grillen van je hees
    gegrom en zachte spinnen,
    tijger pijn,
    als een dompteur ben ik
    gedoemd om jou in toom
    te houden en te winnen.

    Tijger pijn,
    jij blijft gereed
    voor een onverhoedse
    aanval en een laatste
    dodelijke beet.

    Ab Visser heeft literair nooit veel succes gehad en dat is te begrijpen als je deze bundel leest. Het gaat veel over de dood, zonder dat je er ooit een interessante gedachte over leest. De gedichten zijn geschreven in een tijd waarin er volop geëxperimenteerd werd met de vorm en deze gedichten zijn anekdotisch van aard. En toch, en toch toont de dichter zich naakt aan zijn publiek: met zijn pijn, met zijn vertwijfeling en met een pijnlijk inzicht in het eigen onvermogen tot een groots en meeslepend leven, zoals blijkt uit het laatste gedicht uit de bundel.

    Avondliedje

    In de stilte van de kamer,
    die als gaslicht om ons suist
    groeit een ademloze teerheid,
    als jouw blik de mijne kruist.

    In de straten wordt het rustig;
    die nog langs gaan, weten niet,
    dat er hier geluk mocht bloeien
    aan de springbron van ’t verdriet.

    Kon het avond zijn en blijven,
    nu de dag voorgoed verglijdt.
    O gun mij die zegenende,
    troostende lafhartigheid!

    Dat is geen grote poëzie. De tweede strofe is zelfs hemeltergende kitsch, maar de twee laatste regels zijn dan weer ontwapenend eerlijk. O arme Ab Visser, wie leest je nog, wie heeft je ooit gelezen?

    Coen Peppelenbos

    Ab Visser: Recitatief. De Arbeiderspers 1956. 30 blz. (alleen antiquarisch verkrijgbaar)

  • Op de hoge

    Leer het zwijgen

    Om nou te zeggen dat het goed gaat met het christelijke thema in de Nederlandstalige literatuur, is wellicht wat overdreven. Maar getuige de laatst gelauwerde schrijvers en uitgegeven boeken, leeft het thema zondermeer.

    Vorig jaar nog won Willem Jan Otten de Libris Literatuurprijs met de roman Specht en zoon, waarin het paasverhaal op kunstige wijze is verweven. Een week geleden mocht Jan Siebelink de AKO Literatuurprijs in ontvangst nemen voor zijn indrukwekkende roman Knielen op een bed violen. In dit boek beschrijft hij het aangrijpende verhaal van een door godsdienst bevangen vader. Onlangs kwam het dagboek Barsten uit, van Désanne van Brederode. In dit boek behandelt ze niet alleen actuele thema’s zoals het integratiebeleid, maar ook haar beleving van het geloof.

    Hierboven zijn misschien maar drie voorbeelden genoemd (weliswaar in kort tijdsbestek uitgegeven), de discussies over deze boeken zijn in de media niet te omzeilen. Op televisie is Siebelink een graag geziene gast, Otten was wekenlang in discussie met sceptici als Kousbroek en zijn keuze voor het katholicisme is uit en te na besproken. Brederode zien we terug als controversiële gelovige in tekst en uitleg. In de kranten wordt breed uitgemeten over het christelijke thema in de literatuur.

    Siebelink beschreef het in het NCRV-programma Schepper & Co. als een vlucht uit de snelle en als maar op macht beluste maatschappij. Zijn boek is dreigend traag geschreven. Al het materiële wordt aan de kant gezet; de vader is alleen nog op zoek naar zichzelf. Deze tendens zien we ook terug in de poëzie van Willem Jan Otten. Zinnen als: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken’ stralen een rust uit die haaks staat op de competitieve samenleving.

    In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen lijkt het mij goed om op deze plek een bundel te bespreken waarin geloof een belangrijke factor is. In 2003 gaf Willem Jan Otten de zoekende bundel Op de hoge uit. Ik bespreek voornamelijk het eerste deel van de bundel en dan met name het titelgedicht. Wij lezen:

    OP DE HOGE 

    Liep augustus op zijn einde,
    sloot de badmeester de hokjes af,
    fietste neuriënd september in.

    Niemand was er dan ook bij
    dat ik de plank betrad. Ik was
    geblinddoekt als een deserteur.

    Dit zijn de stappen bang bang bang.
    In het Bosbad op de hoge
    zweet men het peentje bangverlang.

    De zon stond even laag als ik en stond
    op punt van zakken in de grond.
    Wie mij naar boven had gebracht?

    Ach mijn lief. En ik wist: morgen
    word ik wakker maar ontkomen
    kan ik niet. Uit de schoonspringdroom

    ontwaakt men met de schoonspringdroom.
    Ik wist: ik maak ze nu dan dus.
    De aanstalten. Ik sta precies

    zo hoog als nodig om bevreesd te zijn.
    Dit is de toegedachte afstand tot
    het lussenwevend water doopselzacht.

    Het heeft me altijd opgewacht ?
    maar waarom vrees ik dan ineens het bad
    alsof het heel snel leeggelopen is?

    Dat zo ik sprong ? ik wil, ik wil ?
    ik vallen zou en niets mij ving?

    Uit: Willem Jan Otten, Op de hoge, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2003

    In dit gedicht staat de ik-figuur op de hoge duikplank. De badmeester heeft het zwembad verlaten en ‘fietste neuriënd september in’. Hij staat alleen, op zichzelf aangewezen, want ‘niemand was er dan ook bij / dat ik de plank betrad.’ Er is iets buiten hemzelf: het wordt hem onzichtbaar gemaakt en hij loopt weg van zijn eigen wil: 'Ik was / geblinddoekt als een deserteur.' De keuze om op de hoge te staan, heeft hij niet zelf gemaakt. Maar hij weet ook niet wie hem naar boven heeft gebracht. De ik-figuur is overgeleverd aan de ‘schoonspringdroom’ en kan alleen nog ontwaken mét de ‘schoonspringdroom’. Die sprong in het diepe krijgt hoegenaamd een religieus karakter in de zevende strofe, waar staat: ‘Dit is de toegedachte afstand tot / het lussenwevend water doopselzacht.’

    De twijfel, de overgave, de twijfel, de overgave; het is een herhaling van angst, wellicht van angst voor bevrijding: ‘waarom vrees ik dan ineens het bad / alsof het heel snel leeggelopen is?’ Toch heeft hij geen keuze om te springen; de ik-figuur móet wel. Iets heeft hem bevangen, aangegrepen en dat het zo ingrijpend is, bewijzen de volgende woorden: ‘Ach mijn lief. En ik wist: morgen / word ik wakker maar ontkomen / kan ik niet.'

    Op de hoge is niet het eerste gedicht waarin Otten zijn keuze voor het christelijke geloof verwoordt. Al eerder, in de bundel Eindaugustuswind (1998), is het ook het titelgedicht dat een bijna angstige overgave weergeeft en tegelijkertijd een ingrijpend bewustzijn, dat hem geen keuze laat. Echter, in Op de hoge zien we de oorzaak en het gevolg; de periode vóór en ná de bekering. Dat maakt het gedicht ‘Op de hoge’ tegelijkertijd tot een sleutelgedicht.

    In een interview met Vrij Nederland vertelde Otten een anekdote over het wegdoen van zijn boot. In het vooronder had hij, in een aartsdonker gedeelte, een opdracht gekrast. Deze opdracht was alleen te lezen als je met een zaklamp in de boeg dook. De gedachte dat ooit iemand deze opdracht zou lezen vond hij spannend; deze boot zou altijd iets van hem meedragen en alleen per toeval zou iemand daar achterkomen. In het gedicht ‘Bij de verkoop van mijn boot de vrijheid’ schrijft Otten: ‘Ik heb haar van de hand gedaan …’ en later:

    ‘…Ga scheep, mijn schip,
    ga scheep in mij, er is nog maar
    één meer om op te gaan, hier, hier,
    en heel dat meer gaat, integraal,
    nu met mij scheep op jou’

    Deze veelbetekenende woorden zijn een herinnering. In ‘Op de loopplank’ zet Otten een vooruitzicht in. En wel die van een bekeerde: ‘Eén leven moest en zou voldoende zijn voor het bestaan.’

    Otten schrijft persoonlijke gedichten. Hij gaat diep, onderzoekt zijn eigen denken; hij dúrft te denken. Iets wat we al van hem kennen uit de eerlijke betogen over pornografie. Hij is niet bang voor de confrontatie, dat merk je in zijn hele oeuvre. Het is een constante zoektocht naar zichzelf, naar het behoudende in hem en de bevrijding buiten hem. Maar er is meer, want we lezen ook beschouwende gedichten: over de vuurwerkramp in Enschede, het huwelijk van prins Willem Alexander met prinses Máxima of over de schietpartij in Gorinchem. Ondanks deze onderwerpen blijft de poëzie van Otten een vaak ingewikkelde constructie van aards en hemels denken, of beter: bidden. Het is een opeenstapeling van ordinaire beelden en zweverige metaforen, maar dat maakt de poëzie bijzonder:

    ‘Er bestonden neuriënde mensen. Ze waren niet te kennen
    anders dan van zwaaien fietsend naar de Albert Heijn.

    Ze weefden zwaaiende een kyrie dwars door de nieuwbouw
    heen. Alleen wanneer ik neurie, wist ik, weef ik mee.’

    Het tweede deel van de bundel handelt over Alexander de Grote, een onderwerp waarover we volgend jaar ook een toneelstuk van Ottens hand mogen verwachten. Gedichten over een veroveraar, die overwonnen wordt door ziekte: als het stil is. En ook hierin zien we weer de woorden uit het gedicht ‘Eindaugustuswind’, die ik in eerder al aanhaalde: ‘Ik heb mij nu zo luid tot u gericht / dat uw zwijgen is gaan klinken&
    rsquo;. 'En,' voegt Otten daar in de inleiding op zijn toneelstuk Braambos aan toe: 'als je stil bent, hoor je alles.'

    Het lijkt een oproep aan allen, die in elke tekst met een christelijk thema doorklinkt: staakt het roepen, leer het zwijgen. En daar zal overwinning zijn.

  • Absurd Athlete

    Vorige maand werd in Londen de Popescu Prize for European Poetry Translation uitgereikt. Eens per twee jaar gaat deze prijs naar een poëzievertaler die een bundel uit een niet-Engelstalig land in Europa naar het Engels heeft vertaald. Mooi natuurlijk al dat een vertaler gelauwerd wordt voor zijn of haar nobele, doorgaans niet erg goedbetaalde werk, maar tegelijk ook een prima gelegenheid om buitenlandse poëzie te leren kennen die in Nederland nog niet of nauwelijks vertaald is.

    In sommige gevallen kun je je afvragen: waarom in godsnaam (nog) niet?

    Voor de aardige bundel waarmee vertaler Christopher Pilling de Popescu Prize in de wacht sleepte (Love at the Full van de Franse dichter Lucien Becker), geldt dit naar mijn indruk niet meteen, noch voor de genomineerde bundels uit Rusland, Hongarije en Roemenië. Maar de bundel van de Griekse dichter Yannis Kondos, door David Connolly vertaald als Absurd Athlete, daar zou een oplettende, zich ook wel eens aan vertaalde poëzie wagende  Nederlandse uitgever diréct werk van moeten maken. Als ik me, het Grieks niet machtig, tenminste mag verlaten op Connolly’s vertalingen, zoals:

    The forgotten raincoat

    In the summer I remembered
    my old raincoat.
    Black linen fabric, now the sun
    mercilessly fades it in the mind.
    It had feelings, I suppose. Rinsed
    by the twists of time, it thinks
    it’s constantly raining. Car
    headlights shine on it.
    Like a ghost it returns: to theatres
    cinemas and restaurants. It looks
    for taxis in the night.
    It continually returns to the back
    of the closet and smokes
    edgily. The hours, seasons
    pass slowly, but it hopes
    that fashion will change, that it’ll be worn again.
    Ready for any surprise, it keeps
    its shape, smells strongly,
    and on its collar has dandruff
    and a few white hairs.

    Eenvoudige woorden, overzichtelijke syntaxis, dagelijkse onderwerpen: Kondos is geen dichter van het grote spektakel. Maar op onnadrukkelijke, elegante wijze weet hij zijn onderwerpen en personages op te laden, verdraait hij een schijnbaar voor de hand liggende observatie, maakt hij de dreiging vlak om de hoek of onder de oppervlakte zichtbaar. Zijn universum is opgetrokken uit stadse werkelijkheid, bevolkt door de dingen en mensen die daarin rondhangen, stilliggen of wegrennen. Alle betrokkenen in het werk van Kondos -de personages, de objecten, de dichter zelf en uiteindelijk ook de lezer- dwalen enigszins verwonderd rond, als voorbijgangers, zonder al te veel haast maar met het vage vermoeden continu bespied te worden. Of hij zich nu als wijze oude heer, als visagiste, als klok of als dichter vermomd, altijd bevindt zich tussen de voorbijgangers in de stad van Kondos, nauwelijks aanwijsbaar, de schaduw, de huurmoordenaar, de fiscus: 

    The taxman

    I lead a quiet life,
    watch my diet,
    take my pills, sleep early.
    Lacklustre, I move between work
    and home. All this and such like,
    and the days race past. But, for the monthly accounts
    I become strict, mean:
    with words, the lighting.
    I chase shadows, create characters,
    stretch them to the edge of their endurance,
    and mine too. I set them all
    to music. The most incongruous kind.
    I bring storms to an untroubled sky.
    No one owes me anything.
    Though, obedient to some
    unknown chief accoutant, I hourly submit
    the accounts clearly written
    and always in deficit. Somewhere it seems
    I owe something and with a steady hand
    I record the fluctuations
    in my soul.

    Yannis Kondos (1943) is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een generatie dichters die begonnen te publiceren in het begin van de jaren zeventig. Hij debuteerde in 1970 en publiceerde sindsdien nog tien bundels, twee bloemlezingen uit eigen werk, een essaybundel en een kinderboek. In 1998 werd hem de Griekse Staatsprijs voor Poëzie overhandigd. Bij mijn weten zijn slechts een paar van zijn gedichten tot nu toe in het Nederlands te lezen geweest, in vertaling door Kees Klok en Stella Timonidou: in de tijdschriften Maatstaf (1999), De Tweede Ronde (1999) en Ballustrada (2001). Tijd voor méér, lijkt me, tijd eigenlijk voor een volwaardige bundel.

    Yannis Kondos, Absurd Athlete
    Arc Publications, Todmorden 2003. Visible Poets Series, no. 11.
    Tweetalige uitgave, met Engelse vertaling door David Connolly en inleiding door David Constantine. Paperback, 112 pagina’s, ISBN 1-900072-76-9.

    Via de website van Arc Publications kan Absurd Athlete eenvoudig worden besteld, momenteel zelfs met korting (6,95 GBP in plaats van 8,95 GBP):
    www.arcpublications.co.uk/catalogue/view_product.php?product=241

    Op Stanza, het internationale onderdeel van de Contrabas, zijn twee gedichten van Kondos in Nederlandse vertaling door Kees Klok en Stella Timonidou te vinden:
    www.decontrabas.com/stanza/

    Over de Popescu Prize for European Poetry Translation is meer te lezen op de website van de Poetry Society:
    www.poetrysociety.org.uk/comp/popesc05.htm

    Thomas Möhlmann

  • Erlangen 7

    Sven Cooremans
    Erlangen 7

    Sven Cooremans (1970) debuteerde twee jaar geleden met de bundel Myeline en bracht onlangs zijn tweede, Erlangen 7, uit. Met een ondertitel: ‘of hoe ik denk dat ik mezelf in verhalen kan vertellen’. Sven Cooremans brengt in Erlangen 7 niet dat ene eigen verhaal, maar haakt verscheidene verhalen, verscheidene figuren ook, vast aan een zekere, niet meteen heldere structuur.

    In welke mate het tere
    in elkaar vloeien van vormen
    werd versterkt door de toestand
    waarin de man uiteindelijk bewaard
    bleef, viel die dag ? voortgaande op
    het rijkelijke gebladerte komt enkel
    een dag in de zomer van [onleesbaar]
    in aanmerking ? moeilijk te bepalen.

    Maar laat dat nu net de opening zijn.

    Dit gedicht sluit zowel de eerste afdeling, ‘Een’, als de gehele bundel af. ‘Maar laat dat nu net de opening zijn’ wil dus meer dan alleen maar binnen dat ene gedicht te worden geduid. De opening ? die de dichter lijkt aan te reiken als een ‘moeilijk te bepalen’ samenspel ? impliceert een constructie, een vastgelegde structuur. Erlangen 7 kan zeker op die manier worden gelezen: vier afdelingen ? ‘Een’, ‘Een ander’, ‘Een derde’ en ‘En tenslotte een’ ? met telkens zeven gedichten vullen vier inleidende, bijna samenvattende of richtinggevende gedichten aan (die dezelfde titels krijgen als de vier afdelingen). Het eerste gedicht:

    Een

    Over een man
    en zijn grote geluk
    valt het doek.

    Mij zal hij
    niets horen zeggen
    tenzij zacht

    dat het niets is,
    dat het maar een woord is,
    of het is er geweest.

    Aan de laatste strofe wordt een ambigu beeld opgehangen: ‘dat het maar een woord is, / of het is er geweest.’ Is het het woord dat ervoor zorgt dat wat gebeurde voorbij is ? er geweest is ?, of is het het woord dat schept, is het woord dat wat tot leven wekt ? het is maar een woord en het is er? Of zoals in ‘Een derde’: ‘Wat ontbreekt wordt gezegd en verzwegen’. In dezelfde zin komt ook Erlangen, een stad bij Nürnberg, de gedichten binnen. Als link met Albrecht Dürer, Duits schilder, etser en wiskundige, en als eindpunt van een zoektocht, een ‘verlangde’ droomplek voor de personages in de gedichten.

    ‘Een ander’ lijkt zich op dezelfde manier te profileren. Feiten, dromen, slaap, verlangen, logica, vroeger, tijd, woorden, herinneringen… komen allemaal naast elkaar voor in de gedichten van Sven Cooremans. Nergens is wat de lezer te zien krijgt, eenduidig of makkelijk herkenbaar als feit of droom, werkelijkheid of verbeelding. Dat onderscheid lijkt ook niet meteen de kern van Erlangen 7 uit te maken. Feit en droom verhouden zich schijnbaar niet tot elkaar als tegenpolen, maar ? noodzakelijkerwijs ? als elkaar aanvullende geestestoestanden:

    Het wordt een heldere nacht
    met in het midden van het land
    een mens, die badend in woorden,
    de slaap zal ontvallen en reiken
    naar waar het water heeft gestaan.
    Temperaturen zullen schommelen
    en de mens zal zich herinneren
    waar. En de mens zal zich begeven.

    Alleen de tijd lokt vijandigheid uit: ‘Als ik de tijd nu eens de nek omdraai’, ‘de ruwe handen die doen dromen van voorgoed / het noorden verliezen en blijven’. Een voortdurend komen en gaan, vertrekken en blijven, afstand, aan- en afwezigheid doordrenkt de gedichten. Het verlangen maakt het begeerde het mooiste op een afstand, het is de zweem van afwezigheid die het verlangen versterkt. Dat verlangen wordt in ‘Een ander’ voorgesteld als: ‘Soms laat een dichter zich kennen, / weegt verlangen een steen’. In ‘En tenslotte een’ wordt dat: ‘zo volmaakt / monddood geslepen ligt / de steen op de bodem / van een plas tussen de rotsen, / waar na de vloed wat water is // achtergebleven, na te glanzen.’

    Die elementen die zich over de grenzen van de afdelingen heen bewegen, laten een indruk van een bewust gesponnen weefsel na. Zo is er ook Albrecht Dürer (1471-1528), beschouwd als de meester van de Duitse Renaissance, die spreekt in enkele citaten en gedichten. Hij is steeds verbonden met het vertelde, steeds inspirerend of toepasselijk, maar neemt nooit helemaal (of helemaal alleen) de rol van inhoudelijke kern op zich. Dürers sporen lopen door de hele bundel, maar treden nooit volkomen in het voetlicht.

    Erlangen 7 is in de eerste plaats een bundel over verlangen en de aan- of afwezigheid van geluk (wat niet altijd ook de aan- of afwezigheid van het begeerde veronderstelt). De afdelingen ‘Een derde’ en vooral ‘En tenslotte een’ bevatten gedichten van mijmering, van verbeelding en herinnering, en gaan niet zelden over lichamelijke relaties. Toch lijkt Sven Cooremans veel meer te willen dan alleen maar die gevoelens en die constructies aan te reiken. Erlangen 7 wil een gooi doen naar iets groters. Enkele van Cooremans’ gedichten doen daarvoor te traditioneel aan, verdrinken in de (in andere gedichten meestal wel beheerste) melancholie of bezitten niet echt de kracht om op eigen benen te staan; daarvoor is het bedachte plan te zeer aanwezig. Uit andere gedichten daarentegen komt een dichter naar voren met een mooi taalbewustzijn, een creatief gebruik van metaforen en een gevoel voor niet te overdadige of overduidelijke gelaagdheid.

    van sommige honden het hart
    van de buitenkans: een dode hoek
    en de afstand bewaard en omgekeerd
    evenredig geweten met het vuur
    dat zingt in grote ogen,
    dat groeit tot zelfverlies.

    Sven Cooremans:
    Myeline. Leuven, Uitgeverij P, 2003.
    Erlangen 7. Leuven, Uitgeverij P, 2005.

    Ook in:
    Maarten de Pourcq en Xavier Roelens (samenstellers), Op het oog. Leuven, Uitgeverij P, 2005.