• In inkt gewassen,Charles Ducal

    Charles Ducal
    In inkt gewassen

    ‘Er is geen poëzie in een te helder leven’ schrijft Charles Ducal (1952) in het gedicht ‘Poëtica’. ‘Alles wat toonbaar is moet overschreven, / ieder gedicht gewassen in inkt’. Het is die discrepantie tussen wereld en woord, tussen vlees en taal, tussen dier en mens die in Ducals nieuwste bundel In inkt gewassen onhoudbaar blijkt en vrijwel elke pagina beheerst. Na acht jaar dichterlijke afwezigheid, acht jaar na Naar de aarde is er de terugkeer naar het woord; uit noodzaak.

    ‘In inkt gewassen’ is ook de bundel van Charles Ducal. Er is de toestand en de onmogelijkheid om die toestand – hoe rauw die ook wordt geformuleerd – even rauw, even dreunend voor te stellen. Het andere uiterste is eveneens gedoemd om te mislukken. In ‘Op de vlucht’ is het de eeuwige terugblik die de vluchtende mens als het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Met één snok kan de afstand worden vernietigd. IJdele hoop, ijdel streven dus. De enige echte, maar niet-realiseerbare oplossing ligt aan het begin, of beter daarvoor: ‘ik ben er niet / ik ben nog veilig / dood’ (‘In den beginne’). Ducal toont zich in In inkt gewassen geëngageerd, bereid te spreken over de rauwe kant van het leven en de stekelige kant van het schrijven. Dat engagement wordt zowel gevoed als tegengewerkt door het pessimisme dat in Ducals schrijven ontwaarbaar is: de situatie is onontkoombaar, (gedichten) schrijven lost in het geheel niets op, en resulteert, integendeel, vaak in een verbloeming van wat er echt gaande is. Desondanks blijft er toch een kleine revolutionair in de massa overeind. De hoop op verandering, hoe klein ook, is er nog steeds: ‘Het heeft iets wanhopigs, maar toch, // het is een begin.’ (‘Revolutie’)

    Het sprankeltje hoop waarmee de cyclus ‘Anderzijds’ – in het gedicht ‘Revolutie’ – afsluit, staat in een schril contrast met de andere gedichten in de afdeling. Die bevragen op de meest rechtstreekse manier de eigen tijd. Zoals in ‘Que faire’: ‘Wij stonden opzij, wat verlegen, / bang dat hij opnieuw zou gaan preken. / Wij hadden een baan en weinig tijd’; in ‘Bij nader inzien’ dat nadrukkelijk vragen stelt naar de manier waarop God en de geest aanwezig zijn in het mensdom: ‘Daarna schreeuwt het vlees, van hem bezeten, / verschijnen de vuisten en de geweren, // bedenken wij ons’; of in ‘Het getal van de doden’: ‘Het getal van de doden / is een getal zonder kracht. / Het maakt onze angsten niet wakker, / het laat ons lichaam intact’. Ducal schrijft al het schrijnende neer. De enige uitwegen die zich in de gedichten aanbieden lijken op voorhand al verloren gegaan. Een van de krachtigste aanklachten in de reeks is ‘Bij het lezen van Lucas’, als het ware een synthese van wat mensenogen de afgelopen jaren te zien hebben gekregen aan leed:

      Misschien had u het dochtertje

      beter dood kunnen laten

      en de storm op het meer

      zijn gang laten gaan

      en de maanzieke knaap

      aan de duivel gelaten

      en de vijfduizend hongerig

      naar huis laten gaan.

      Misschien waren wij dan

      niet zo lang binnen gebleven,

      zuchtend in onze kerken

      en voor de tv,

      terwijl de storm groter werd

      en de dochtertjes stierven

      als vliegen en de broden

      en vissen niet konden verdeeld.

      Misschien hadden wij dan

      genoeg moed en mankracht

      verzameld om zelf uit te werpen

      de onreine geest

      die deze wereld verscheurt

      en verplettert, schuimend

      van onze onmacht,

      opgezweept door onze vrees.

    God keert wel vaker terug in In inkt gewassen. In de afdeling ‘Zacht van vlees’ wordt de godheid de instantie die de scheiding tussen mens en dier bewerkstelligt: ‘Tot God verscheen / met meetlood en planken / en ons een stal liet bouwen midden het veld // en ons leerde zijn beeld na te apen, / het vlees met het woord aan te raken, / de lust om te zetten in geld.’ Het varken dat zich in het gelijknamige gedicht ‘aan gene zijde / van de liefde’ bevindt en in de cyclus wordt gevolgd op zijn lijdensweg, wordt door Gods ingreep van de ‘medemens’ ontdaan. Verzuchtend vervolgt Ducal: ‘Kon een van ons het hoofd verliezen, / wij zouden huilen, beiden, / van bezetenheid.’

    En zo is er opnieuw de mens, die ernaar verlangt te vliegen maar uit noodzaak op aarde blijft. In de cyclus ‘Zoveel gewicht’ hekelt Ducal ‘De oude dichter’, of zijn het de bezoekers aan het reservaat: ‘Oudere jongens / hadden nog meegemaakt / dat uit zijn mond woorden kwamen, / maar die mechaniek was // al jarenlang stuk.’ In ‘Lolo’ ten slotte, een cyclus van zeven gedichten over de Franse, exuberant rondborstige pornoster Lolo Ferrari, maakt Ducal een mooie tournure van de dichterlijke drang naar woorden – ‘maar toen was ik jong en droomde / ervan iets te schrijven, zo groots // dat het eigenlijk niet kon’ – naar de drang van Eve Valois om idool te worden – ‘Alleen zo kon zij verhandeld / en op de markt aan de man gebracht’. De weg naar dat persoonlijke doel noodzaakt echter al het eigene te te vervangen door plastic. Ducal countert in het zesde gedicht met de namen van 36 andere pornosterren – tussen beletseltekens.

      Eve Valois, zevenendertig, niet langer

      in staat uit zichzelf te verdwijnen.

      En midden die puinhoop, als grap,

      de twee borsten, tijdloos, perfect

      op zichzelf, onmogelijk te torsen,

      drie kilo elk.

    In inkt gewassen, uit noodzaak.
    Bibliografie Charles Ducal:

    Het huwelijk. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1987. (gedichten)

    De hertog en ik. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1989. (gedichten)

    De meesterknecht. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1992. (roman)

    Over de voorrang van rechts (met Kamiel Vanhole). EPO, Berchem, 1993. (brieven)

    Moedertaal. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1994. (gedichten)

    Naar de aarde. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 1998. (gedichten)

    In inkt gewassen. Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2006. (gedichten)

  • De encyclopedie van de grote woorden,Mark Boog

    De eenvoudigste zaken zijn de ingewikkeldste

    Er verschijnt niet zoveel in de zomermaanden, maar voor Literair Nederland is de actualiteit toch al nooit het grootste goed geweest. Geen komkommertijd dus, een bundel die er al even was is altijd beter dan een krantenbericht over Egyptische ratslangen die zijn gesignaleerd in een buurtschap bezuiden het dorp Doodstil. Of zoiets.

    De encyclopedie van de grote woorden van Mark Boog heeft echt niet liggen wachten tot ‘ie opgemerkt werd door een recensent van de website Literair Nederland. De bundel ontving de VSB- poëzieprijs en werd breed besproken in alle dag en weekbladen.  

    Op de voorkant van de bundel staat een foto van een opstelling met miniatuurbootje en kanten tafelkleed dat met de ogen halfdicht ook een felrealistische foto van een heuse boot op volle zee zou kunnen zijn. Een paar vierkante meter dek op de woelige baren, het laatste beetje zekerheid in een allesomvattende wereld. Maar ook duidelijk zichtbaar: de kunstmatigheid ervan, het beeldkarakter, de imitatie. het kan een beeld zijn van het streven dat deze dichtbundel mogelijk weerspiegelt: via een nadrukkelijk kustmatige aanpak toch het idee geven van een werkelijke poging de grote wereld te bedwingen, of er houvast te vinden.

    De encyclopedie bestaat uit 64 begrippen, lemma’s die als titel functioneren van een gedicht.  Lemma’s die als woorden  in de meeste poëzie angstvallig vermeden worden omdat het thema’s zijn. De dichter zou op een schrijfschool kunnen leren dat het principe show, don’t tell van elementair belang is – ook in de  in de poëzie. Mocht je de neiging voelen iets over liefde te berde te brengen, dan is het af te raden het woord ook werkelijk te noemen, want dan kan het gedicht niet meer in een bundel, maar kan Jan Veen het voorlezen in Candlelight. Een programma dat nog steeds ergens wordt uitgezonden.

    Maar Boog doet het maar wel:

    Liefde

    De lucht als een blok op het land
    onzichtbaar en massief.

    Je gaat gekleed in de kleur van je haar,
    in je ogen, je passen en je woorden.
    Je bent hier en elders. Ik draag je me na

    en huiver. Je bent te groot misschien,
    of te dichtbij. Je onbereikbaarheid

    is onvergeeflijk. Kon ik een vogel zijn –

    maar de nauwkeurigheid ontbreekt me

    zoals het vertrouwen. Ik kijk naar je

    en huiver. Spreek me aan, want ik zwijg,
    verdraag mijn wurggreep, verdraag
    de onbeholpenheid, verdraag mij, liefde.

    Er zit zowel iets moedigs als iets voorzichtigs in dit idee de grote woorden maar eens uit te diepen. Enerzijds weerspiegelt het een soort rederijkershoogmoed van de makkelijk wegschrijvende auteur. Tjechov die op de vraag: hoe moet je schrijven? antwoordde – een asbak omhoog houdend die toevallig in zijn buurt stond – ‘Morgen schrijf ik een verhaal dat heet ‘De asbak’. 

    Boog toont dat hij het kan, gewoon een lange lijst met woorden die veel dichters trachten te vermijden, en over elk van die afgelikte clichés iets zinnigs zeggen, duidelijk maken dat je ermee om weet te gaan zonder je eraan te stoten, jezelf belachelijk te maken.  Toch is het conceptmatige van deze bundel, en daarbij komend de noodzaak je voorzichtig niet te stoten aan het probleem dat jezelf gekozen hebt in zekere zin een zwakte.

    Als dit gedicht nu eens onder het lemma Liefde had gestaan:

    Zie daar: ik. Voor spiegels te staan
    en zo lang te kijken dat men zichzelf wordt:

    een ander. Een onthutsende, broodnodige ervaring –
    onze gewoonte is stuitend. Wat verbeelden wij ons?


    Wij verbeelden ons dat wij weten wie we zijn.

    Ik ken mij minder dan jou, jij mij meer dan jezelf.
    De eenvoudigste zaken zijn de ingewikkeldste.


    Ik zie liever jou, voor wie in deze spiegel altijd plaats is –

    ik neem mij terug door even over tegengestelde schouders
    te kijken, daarna bijna zichtbaar weer in mij te varen.

    We glimlachen wee naar elkaar, dubbel.


    En het gedicht Liefde onder het lemma Ik? Noch de kwaliteit van het gedicht, noch de losse poging het lemma te definiëren waren daar erg bij ingeschoten denk ik. Integendeel, het verlegt het perspectief net zo dat het interessant wordt. Lees dan bijvoorbeeld het gedicht onder Kwaad, het alsof het onder het lemma Liefde  had moeten staan, en het wordt nog veel beter.  Boog is echter op versniveau als dichter sterk genoeg om soms iets nieuws uit het verstarde lemma los te schudden. Daar staat tegenover dat een licht profetische dictie niet altijd te vermijden blijkt, en die dictie past Boog niet zo. Mark Boog is als dichter het best als hij een lichte ongemakkelijkheid kan laten doordringen in een verder niet al te schokkende wereld. ‘We laten ons veilig raken’ schrijft hij zelf veelzeggend onder het lemma Poëzie.

    De bundel De encyclopedie van de grote woorden levert enige verrassende inzichten op aangaande de grote thema’s van de poëzie, het leven wellicht. Boog is wel de aangewezen dichter om grootse thema’s in het fletse licht van de nieuwbouwwijk te zetten zodat ze in dat karige decor eens iets anders van zichzelf laten zien. In het algemeen in zijn poëzie gebaat bij een wat vrijere ontstaansgrond, conceptgestuurde bundels als deze maken zijn poëzie er niet perse interessanter op.

    Menno Hartman

    Mark Boog, De Encyclopedie van de grote woorden Cossee, 2006

  • T. Vaessens

    Ongerijmd succes

    ‘Zonder kritiek wordt niemand groot’, luidde de kop van het artikel waarmee Thomas Vaessens begin dit jaar de knuppel in het hoenderhok gooide. Hij pleitte daarin voor serieuze aandacht van de traditionele critici voor nieuwe vormen van poëzie, zoals poetry slams, technische experimenten op cd-Roms en het internet. Ook daar moet het kaf van het koren gescheiden worden, betoogde hij, en zolang die nieuwe poëzie genegeerd wordt door de mensen die de dienst uitmaken in het poëziewereldje zal dat niet gebeuren.

    Tussen neus en lippen door pleitte hij ervoor het universitair onderwijs aan te passen aan het kennisniveau van de studenten. Dat heeft hij geweten. Onder de ogen van de geïnteresseerde krantenlezers rolde iedereen die vond dat hij ‘ertoe doet’ in de poeziekritiek over de kersverse hoogleraar heen.

    Het bewuste artikel is opgenomen in Ongerijmd succes, poëzie in een onpoëtische tijd en vormt de afsluiting van een degelijk sociologisch onderzoek naar de rol die literatuur in het algemeen en gedichten in het bijzonder, spelen in onze maatschappij. Thomas Vaessens laat daarin zien dat revoluties in de literatuur nooit door schrijvers worden veroorzaakt, maar door ontwikkelingen van buiten af. De boekdrukkunst maakte het produceren van boeken mogelijk, de komst van de goedkopere pockets maakte literatuur bereikbaar voor een groot publiek, en de bestsellercultuur die we nu kennen verandert de rol van kranten en tijdschriften van trendmakend tot trendvolgend. De meest recente ontwikkeling in dit rijtje, betoogt Vaessens, is de komst van internet en nieuwe media. Om literatuurgeschiedenis te schrijven, kunnen we dus niet om deze nieuwe ontwikkeling heen.

    Wie goed leest naar wat Vaessens te melden heeft, kan niet anders dan verbaasd zijn over de enorme ophef die over zijn standpunten ontstaan is. Nergens pleit hij ervoor om goede dichters te negeren en voortaan alleen nog maar naar het internet te kijken. Hij zegt niet dat studenten de grote boeken niet meer hoeven te lezen, hij constateert dat ze dat op de middelbare school niet meer doen en consequenties daarvan voor het niveau waarop eerstejaars studenten op de universiteit instromen. Het een wil hij niet afschaffen ten gunste van het ander, hij wil het gebied dat we ‘literatuur’ noemen, breder maken dan het nu is.

    Moderne literatuurliefhebbers lezen niet alleen, ze googelen tegelijkertijd, msn-en, kijken tv en sturen een sms. Al die vormen van communicatie beïnvloeden elkaar en een sommige dichters gebruiken dat in hun werk. Mensen als Mark Boog en Maria van Daalen en Tonnus Oosterhof experimenteren met technische foefjes in hun gedichten en eigenen zich daarmee nieuwe manieren van expressie toe.

    In een interview met het Financieele Dagblad, waarvoor hij zelf jarenlang poeziecriticus was, zegt Thomas Vaessens: “Wie op zaterdag een rondje langs de voetbalvelden maakt ziet dat er beroerd wordt gespeeld. Alleen heel af en toe stuit je op een enkeling die het tot het eerste van Ajax zou kunnen schoppen. Zo gaat het ook met de dichters op internet. Het gros is niet verheffend en toch zit er wel degelijk talent tussen. Je moet alleen iets beter zoeken dan wanneer je de boekhandel in loopt, want daar heeft al een selectie plaatsgevonden.”

    Ook dichters die zich buiten de gebaande paden begeven verdienen een eerlijke kritiek en een onbevooroordeelde blik. En geen haantjes die verontwaardigd beginnen te kraaien als iemand het waagt onuitgenodigd hun hok binnen te stappen.

    Thomas Vaessens  Ongerijmd succes. Poëzie in een onpoëtische tijd. Uitgeverij Van Tilt, Nijmegen, 269 pag. ISBN: 90 77503161 

    Linda Huijsmans

  • Onder het asfalt moeten de ruïnes van het paleis van Hadrianus liggen

    Ik ga op reis en ik neem mee. Het schijnt het allerleukst te zijn boeken te lezen op vakantie die met de omgeving van doen hebben. Pieter Steinz heeft er veel handzame suggesties voor gegeven in onder meer Lezen op locatie. Atlas van de wereldliteratuur. Je zoekt er in op wat je moet lezen als je naar het buitenland gaat. En ik dacht altijd maar dat het het aardigst was om The Grapes of Wrath op de Fillipijnen te lezen, en Anna Karenina in Kenia, Konstantin Paustovski in Midden Amerika. Misschien legt het meteen een heel andere leesdoel bloot; je leert de cultuur beter kennen als je een boek leest dat ergens wortelt. Maar je maakt meer mee als je vanuit een scène in de sneeuw opkijkt naar een gifheet strand. Informatie versus amusement. Of inzicht versus escapisme.

    Vooral dat laatste deed me besluiten dat het maar eens uit moest wezen met die wonderlijke cocktails. Geen escapisme meer: cultuurinzicht. Had ik dan ook maar werkelijk even opgezocht wat ik moest lezen in Griekenland. Dan had ik Konstantinos Kaváfis ’ Verzamelde gedichten bewaard voor een bezoek aan Egypte in plaats van ermee op een Grieks eiland te gaan zitten. Steinz had me kunnen leren dat Kavavis’ werk is samen te vatten met:  ‘Griekse nostalgie en homo-erotiek in de kosmopolitische havenstad Alexandrië’

    Een misschien zinniger werkwijze is een stad bezoeken omdat er een auteur woonde die je aanspreekt. Rudy Kousbroek schrijft in Een zuivere schim in een vervuilde schepping. Over het werk van Konstantinos Kaváfis  hoe hij het woonhuis van Kaváfis  in Al-Iskandariya–zoas Alexandrië nu heet– zoekt. In het onderschrift bij een foto van een woonhuis in een straat op bladzijde 12: ‘ Sharia Sharm al-Sheich, van Sharia Zankarola naar Ash Shahid Salah Mostafa gezien. In het grote gebouw links bewoonde Kaváfis  de tweede verdieping. Het huis moet vrijwel nieuw geweest zijn toen hij het betrok: op kaarten van 1900 en eerder is dit stadsdeel nog niet bebouwd. Ergens onder het asfalt moeten de ruïnes liggen van het paleis van Hadrianus (134 na Chr.)’

    In veel boeiender bewoordingen komt de pelgrimage van Kousbroek toch neer op de conclusie dat er nauwelijks iets terug te vinden is van de grote Griekse dichter in de nu Egyptische stad.

    Kaváfis werd bekend met een corpus van 154 gedichten die postuum werden gepubliceerd. Tijdens zijn leven (1863-1933) verspreidde hij zo heel nu en dan een aantal van deze gedichten, op losse vellen gedrukt, onder vrienden. Een van de belangrijkste thema’s van zijn werk verklaart misschien die schroom: het hoofdwerk bevat een redelijk aantal gedichten met een homo-erotische lading. In Nederland verschenen twee belangrijke vertalingen van zijn werk, een van Mario Molengraaf en Hans Warren en een van G.H. Blanken.

    Een ander belangrijk thema – en ik blijf Steinz gedurende dit stukje gewoon voortdurend gelijk geven –  betreft een hang naar de grote tijd van Alexandrië, de eerste eeuwen van de jaartelling, toen het een cultuurstad bij uitnemendheid was. Kaváfis  gebruikt in de gedichten die hierop betrekking hebben vaak minder bekende, soms niet bestaande historische figuren. Een aantal gedichten combineert beide thema’s.

    De indruk die de lezing van dit hoofdwerk nalaat is heel sterk die van een verleden wereld die wordt opgeroepen – bijna met kracht uit de vergetelheid ontrokken – van schoonheid en lust die helaas vergaan is… verleden tijd. De dichter zit op een kamer in een stad waar je verder maar beter niet hard kunt roepen dat je van mooie jongens houdt en ziet een kaars branden:

    Opdat ze komen —

    ‘Eén kaars is voldoende       Zijn zwakke licht
    zal beter passen,       geeft mooier harmonie,
    als schaduwbeelden komen,       de schimmen van de Liefde.

    Eén kaars is voldoende.       De kamer moet vanavond
    nauwelijks verlicht zijn.       Helemaal in sfeer van droom
    en van verbeelding,       en met zo weinig licht –
    zo, in die sfeer van dromen       zal ik mij daaraan overgeven
    opdat ze kunnen komen,       de schimmen van de liefde.’

    De ultieme mijmering, het staren in een kaars, maar niet de mijmering zelf, maar het hoopvol verwachten van de beelden die dat oplevert. Dit is een vlucht uit de kamer in de straat die toen nog niet Sharia Sharm al-Sheich heette, maar in Kaváfis ’ tijd Rue Rosette en in de oudheid Weg van Canopus.
    Kaváfis  is afgesneden van alles waarvan hij houdt: het grootse Griekenland en het Alexandrië van de oudheid, de liefdes van zijn jeugd, en heel letterlijk van het vasteland van Griekenland: Alexandrië was tijdens zijn leven een Griekse enclave waar toch vooral Arabisch klonk, een taal die hij maar zeer beperkt beheerste. Hij wilde alleen maar op vakantie naar ‘vroeger’, en wat neem je dan mee?

    Portret van een drieentwintigjarige jongeman, geschilderd door een vriend van dezelfde leeftijd, een amateur

    ‘Hij heeft het portret voltooid       gisteren op het middaguur.
    Nu bekijkt hij de details.       Hij gaf hem weer in grijze
    kleding, het jasje open       hangend, donker grijs, en
    zonder vest en das.       Met een roze overhemd,
    dat openstaat, opdat       ook iets te zien is van
    de schoonheid van zijn borst,       de schoonheid van zijn hals.
    Zijn voorhoofd aan de rechterkant       is bijna helemaal
    door zijn haren overdekt,       door zijn mooie haren
    (zo gekamd als hij       het dit jaar verkiest).
    Volmaakt getroffen is       de toon van hedonisme,
    die hij heeft willen geven,       toen hij de ogen schilderde,
    toen hij de lippen schilderde…       Zijn mond, zijn lippen,
    geschapen voor vervulling       van verfijnde erotiek.’

    Dit gedicht is doordrongen van iets dat je ‘toenadering in afstand’ zou kunnen noemen. Een schilder die een portret heeft gemaakt van een ander, in het verleden (gisteren voltooid) en het nu bekijkt. In de eerste twee regels vind je al aanschouwing van iets dat in het verleden tot stand is gekomen, een portret. Het jasje  staat open, net als het gedicht zelf, als of de dichter door de cesuur in de regels binnen wil kijken naar de schoonheid van zijn borst.

    In 17 van de 154 gedichten laat Kaváfis  dit wit door de regels lopen. Die 17 gedichten vormen een soort ‘ Kaváfis  for dummies’ een  staalkaart van zijn thema’s vanuit 1 aspect bezien. Zes of zeven spaties voor Kaváfis ’ thema van de eenzaamheid. Zes of zeven spaties voor zijn thema van het kunstenaarschap. Zes of zeven spaties om te bedenken wat je mee had wíllen nemen.

     

    K.P. Kaváfis / Verzamelde gedichten / Athenaeum, Polak & Van Gennep / 2004 / Vertaling G.H. Blanken

    Rudy Kousbroek / Een zuivere schim in een vervuilde schepping. Over het werk van Konstantinos Kaváfis / Uitgeverij Vriendenlust / Nijmegen 1988

    Foto: Wikipedia

    Bekijk ook:
    manuscripten

    foto’s

     

     

  • Verzamelde gedichten,Ed. Hoornik

    Wegens de grote Literair Nederland picknick morgen in het Vondelpark een schaamteloos abeidsextensieve 'Dichtbundel van de week' , maar wel iets heel bijzonders.
    Een printing-on-demand heruitgave van de Verzamelde gedichten van Ed. Hoornik.
    Lees meer over het project en de titels die al in deze unieke reeks verschenen op deze website

    De achterflap:
    Ed. Hoornik is door Martinus Nijhoff wel ‘de eerste twintigste-eeuwer’ in de Nederlandse poëzie genoemd, omdat hij door ‘zijn nieuwe kijk op mensen en dingen’ en door zijn ‘gebondenheid aan de tragiek’ van de tijd waarin hij leefde een ander uitgangspunt hanteerde dan de dichters uit de voorafgaande generatie. Ook J.C. Bloem maakte zich sterk voor Hoorniks poëzie en roemde onder meer de ‘verbluffende veelzijdigheid’ ervan. Van de vroegste, sociaal-geëngageerde verzen uit de jaren dertig, via langere gedichtencycli als Mattheus, Geboorte en Requiem, ontwikkelde Hoornik in zijn naoorlogse werk een even fatale als zachtmoedige stem, die hem tot een van de modern-klassieke dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur heeft gemaakt. In deze verzameluitgave staat de beste poëzie van Hoornik bijeen.
    Ed. Hoornik (1910-1970) debuteerde als dichter in 1936. Nadien raakte hij als redacteur betrokken bij invloedrijke literaire tijdschriften als Criterium, Werk en Helikon. Tijdens de bezetting zat hij achtereenvolgens in de kampen Vught en Dachau gevangen. Na de oorlog werkte hij voor de Sticusa (Stichting voor culturele samenwerking met Indonesië, Suriname en de Nederlandse Antillen), was hij lange tijd redacteur van De Gids en schreef hij naast gedichten ook enkele romans en toneelstukken. Voor zijn poëzie ontving hij de Van der Hoogt-prijs en de Jan Campert-prijs.
    Over het boek:
    ‘Ik heb Marsman, die met hartstocht bewonderen kon, nooit zo opgetogen gezien als na de eerste publikatie van Hoorniks gedicht Mattheus.’ – Martinus Nijhoff
    344 pagina's. ISBN 9053568980. € 39,50.

  • Toendra,W. Thies

    Ik wil dood

    Dat Willem Thies de belangrijkste debutantenprijs voor poëzie zou winnen, de C. Buddingh’-prijs, had niemand van tevoren gedacht. Van het rijtje: Thomas Möhlmann, De vloeibare jongen, Prometheus, Els Moors, er hangt een hoge lucht boven ons, Nieuw Amsterdam,  Alexis de Roode, Geef mij een wonder, Podium en Willem Thies, Toendra, Uitgeverij 521, was de laatste de echte outsider. Ik had mijn geld op Thomas Möhlmann gezet, die in mijn ogen (net als Jan-Willem Anker) een van de meest intrigerende debuten van het afgelopen jaar geschreven had. Ik ben geen groot gokker.
    Toendra (mooi uitgegeven in de Sandwich-reeks, voor de overigens schandalige prijs van €16,90) kende ik nog niet. Je gaat lezen en je hoopt overvallen te worden door een talent dat Möhlmann en Anker kan overtreffen. Helaas gebeurde dat niet: de poëzie vind ik inhoudelijk romantische verhaaltjes van een adolescent met teveel doodsverlangen. Als je er eenmaal op gaat letten wordt het terugkerende motief van de dood haast komisch. Het eerste gedicht ‘Sparagmos’ gaat over een ik die in een slachthuis werkt en dat gedicht eindigt met ‘Ik knik, en ga door met mijn werk, hersenen / verwijderen, de grote en de kleine.’ Het derde gedicht begint aldus ‘Men pekelde mijn lichaam en legde het te drogen’. Gedicht vijf, de ik kent weinig triviantvragen, maar weet wel hoeveel joden zijn vermoord ‘in Auschwitz-Birkenau, Bergen-Belsen, Treblinka, / Sobibor.’ Gedicht zes: ‘een doodgedrukte baby, een engel in schreven.’ Zeven ‘kapot te maken / gewoon omdat het je anders / misschien zou kunnen overleven?’ Acht, gedicht Autobiografie: ‘dit zou het einde moeten zijn.’ Laatste regel van gedicht Kerkhof: ‘ook al zijn ze dood’, van gedicht Ruïnetekens: ‘sterft’, van gedicht Insecticide: ‘terwijl god ergens sterft van verveling’, van gedicht Vermaak!: ‘gaat hij eraan’, van gedicht Blauw: ‘we boren ademgaten in een doodskist en noemen het vrijheid’, van De stenen wachter: ‘blauw: hij was dood’, van Elegie: ‘ik wil van glas zijn en breken’. Etcetera. Kortom: Willem Thies is geen lachebekje.
    Dat hoeft hij ook niet te zijn, maar ik vind dit teveel koketteren met een thema. Het doet me teveel denken aan te jonge dichters die dwepen met hun doodsdrift. En juist omdat ze zelf vaak nog niet echt iets mee hebben gemaakt, wordt de inhoud vals.
    Naast de doodsgedichten staan er ook nog enkele gedichten in deze bundel met een ander thema, waarin Thies af en toe iets probeert met de vorm. Zo wordt Ilja Leonard Pfeijffer weer eens op de hak genomen (Esther Jansma ging Thies voor) in De vuurvogelvanger: ‘mijn meccanowoordenbouwwerken zijn wankel / noch vergankelijk’. Ik denk niet dat Pfeijffer er wakker van ligt.
    Dieptepunt vind ik het gedicht Kat uit de boom.

    niet verliefd worden
    tenzij jij ook op mij
    dan nog wachten
    tot de ander
    het als eerste zegt.

    Ik gun iedereen zijn prijzen, maar ik denk dat er dit jaar wel betere debutanten waren.

    Coen Peppelenbos

    Willem Thies: Toendra. Uitgeverij 521, Amsterdam, 47 blz. €16,90

  • De bronmeester van Veskimõisa,Jaan Kaplinski

    ‘Soms denk ik dat ik eigenlijk geen schrijver ben, ik heb ook nooit de rol van schrijver en dichter geaccepteerd. Ik dicht, zonder dichter te zijn; ik schrijf, zonder schrijver te zijn. Het verschil tussen mij en de schrijver is ongeveer hetzelfde als het verschil tussen de sjamaan en de trommelaar van een orkest. Beiden slaan de trommel, maar voor de ene is dit meer een middel, voor de ander meer doel. Gemeen hebben ze dat ze beiden moeilijk kunnen leven zonder op de trommel te slaan.’

    Met deze woorden sluit de Estse dichter Jaan Kaplinski (1941) zijn zelfbeschrijving en plaatsbepaling ‘Aan de lezer van de schrijver’ af, die hij vooraf laat gaan aan twintig gedichten in Nederlandse vertaling, in 1993 bijeengebracht onder de titel De bronmeester van Veskimõisa. Het is een kleinood, een 32 pagina’s dunne oase van rust waarin zich contemplatief ingestelde, vormvrije verzen ophouden. Deze gedichten dringen zich niet opzichtig aan de lezer op, maar nodigen hem uit om even rustig te komen zitten en nestelen zich vervolgens glinsterend en kalm in zijn hoofd, om daar als kleine, lucide gedachte te worden voltooid. Of om als ogenschijnlijk bescheiden beschrijving te beginnen en uit te groeien tot een beeld van universele proporties, zoals bij het titelgedicht:

    De bronmeester van Veskimõisa

    van weleer

    leeft

    anders dan anderen voort

    in water
    in bronaderen
    van onder

    het opzijgeschoven deksel

    uit een duistere ruit

    kijkt zijn hemel

    elke dag

    naar jou

    Uit: Jaan Kaplinski, De bronmeester van Veskimõisa. Met een voorwoord van de auteur. Keuze en vertaling uit het Ests van Külli Prosa. Uitgeverij Plantage, Leiden 1993. Cahiers van de Lantaarn, nummer 60. ISBN 90 73023 35 1

    Kaplinski was dit jaar te gast op het Poetry International Festival. Meer informatie over de dichter is te vinden op: http://www.poetry.nl/read/53/dichter/id/41628.

    In het nieuwe, vorige week verschenen, zomernummer van poëzietijdschrift Awater zijn drie vertalingen en een inleiding op Kaplinski’s werk te vinden van de hand van zijn huidige Nederlandse vertaler Cornelius Hasselblatt. Vorig jaar brachten Hasselblatt en vertaalster Marianne Vogel meerdere dichters uit Estland bijeen in Woorden in de wind van de Oostzee. Estische poëzie uit de twintigste eeuw. Uitgeverij P, Leuven 2005.
  • Deze deur is geen uitgang,S. Mehmedinovic

    Semezdin Mehmedinovic
    Deze deur is geen uitgang

    De gedichten verzameld in Deze deur is geen uitgang komen uit twee verschillende bundels van de Bosnische schrijver Semezdin Mehmedinovic: Sarajevo Blues (1992) en Negen Alexandria’s (2002), waarin ook de reeks ‘Deze deur is geen uitgang’ is opgenomen. Mehmedinovic (1960) maakte de Bosnische oorlog van dichtbij mee in Sarajevo en vertrok meteen na het einde van de belegering in 1996 naar Washington DC. Zijn poëzie, gaande van het nog tijdens de oorlog gepubliceerde Sarajevo Blues tot de in de Verenigde Staten geschreven bundel Negen Alexandria’s, wordt gekenmerkt door een eigenzinnige, soms chaotische, maar consistente beeldspraak en een ambigue gevoelswereld die echter nooit (ongeloofwaardige) pathetiek predikt.

    Al in ‘Verlies’, de opener van de bundel, legt Mehmedinovic de tweespalt bloot die hij ervaart, of misschien beter: die hij zelf construeert, om zijn eigen leed, verleden en heden de baas te kunnen. ‘Met een scherpe schaar snoeit vader op een warme aprilmiddag de dorre takken van de fruitbomen en zingt O, ik beet in een kleurige appel…’ In één beeld van zijn vader, in één zin verwoordt en verbeeldt hij de nood die hij voelt om ‘beelden van gewone vrolijkheid’ op te roepen. Uit angst voor een vernietigende melancholie, voor de herinnering (aan zijn overleden vader) die het heden kan overwoekeren, creëert de dichter een galerie aan beelden die in staat zijn een tegengif te bieden voor die altijd aanwezige ‘dreiging’. De dorheid van de oorlog wordt geconfronteerd met een blik in een verleden dat heuglijker was. Opvallend is dat de aprilmaand (de lente) niet uitnodigt tot een projectie in de toekomst maar eerder tot een terugblik: vanaf dat moment werd alles anders.

        ik was jong, wist toen nog niet
        dat de dood gewoner is dan hij schijnt
        zo gewoon
        dat woorden erover wel leugenachtig moeten klinken

    Dat die vlucht in beelden een vorm van zelfbedrog inhoudt, beseft Mehmedinovic. In het bovenstaande fragment uit het gedicht ‘De wereld van gisteren’ wordt de eerbied voor de dood, het uitschakelen van dat onderwerp in een dagdagelijks, bijna banaal verband op een zeker moment omgebogen tot het besef dat de dood net gewoon is, dagdagelijks en banaal. Zoals hij het in het gedicht ‘Het lijk’ verwoordt:

        en ik voelde een wild verlangen om te lachen
        om jou

        omdat je deze plek de hel noemt
        en hiervandaan vlucht, overtuigd
        dat de dood buiten Sarajevo niet bestaat

    Deze regels worden oorverdovend voorafgegaan door: ‘niets in mij is veranderd’. Een uitspraak die getuigt van het verlies van een heel referentiekader. Niets in mij is veranderd, alsof alles altijd al zo is geweest, alsof de herinnering zelf dood is. Ook een vorm van zelfbedrog, en niet steeds houdbaar. Of, opnieuw in de woorden van Mehmedinovic zelf: ‘ik een vreemdeling’.

    In ‘Negen Alexandria’s’, het titelgedicht uit de gelijknamige bundel, onderneemt de dichter een reis door Noord-Amerika.

        Volgens mijn schatting, die mogelijk niet volledig is,
        Zijn er in Amerika negen steden met de naam Alexandria.
     
        […]

        Mijn reis over het continent
        Is alleen zo voorstelbaar:
        Terwijl ik van het ene Alexandria naar het andere ga
        Kom ik voortdurend aan in dezelfde stad

    Steeds naar een andere stad, met steeds dezelfde aankomst. In die zin is alles bekend; ‘Dat wil zeggen: niets is nog onbekend.’ (uit ‘Mythe en tekst’) Die tweespalt tussen bekend en onbekend reflecteert de positie van Mehmedinovic zelf in zijn nieuwe land. Als een continentale nomade, een reiziger nergens en overal thuis, is hij een buitenstaander. Hij moet de geobserveerde verschillen (met zijn verleden) erkennen, zien dat hij ‘scheef op de wereld’ staat (uit ‘Voor het verdriet van het continent’) en tegelijk zichzelf thuis doen voelen, verhuizen.

    In de afdeling ‘Deze deur is geen uitgang’ speelt de herinnering aan het verleden op; die ligt hier meer aan de oppervlakte van de gedichten, maar komt daar niet minder problematisch uit. Af en toe vervalt de dichter in een algeheel pessimisme, zoals in Een desolate februari-ochtend, in de kamer:

        Ik ben de wereld in gegaan om
        Mijn lichaam, verward door de angst om te verdwijnen, tot rust te
                 brengen

        Maar de moed zonk me in de schoenen
                                                    bij het eerste donker –
        Nu ben ik in het midden of aan het einde
                                                                     dat maakt niet uit

        van een leven dat niet eens onmisbaar was

    Ook de ‘beelden van gewone vrolijkheid’ keren letterlijk terug, als tegengif voor de dreigende, alles verterende melancholie. Misschien zelfs eerder het vrolijke gewone in plaats van de gewone vrolijkheid, een soort grijsheid zonder bagage, een leven dat – op het eerste gezicht – gewoon is. Niet de natuurlijkheid die voor Mehmedinovic een synoniem is voor bekendheid en herinnering, maar het onaangeroerde, niet door de herinnering (verdrietig of vrolijk) belemmerde leven.

        […], ze was zo gewoon dat ze

        Op deze plek een wonder vertegenwoordigde
        Nooit zal ik vergeten: niet de vrouw

        Maar de manier waarop ze zich presenteerde

    Deze deur is geen uitgang is een bundel die de lezer soms overvalt: de stijl van Mehmedinovic is niet altijd even herkenbaar of even welwillend voor de lezer. Maar onder de eerste schijnbare chaos ligt een symboliek die door Mehmedinovic secuur wordt aangebracht. De bundel zit vol verwijzingen naar ruimtes en tijden. De dichter tracht zijn plaats (voor, achter, oost, west…) te bepalen, maar merkt dat de herinnering die letterlijke bepaling in de weg staat. Alsof hij zowel de kleine ruimte schuwt en de oneindigheid niet kan verteren. Alsof hij een wereld is in gegaan, maar de daar aanwezige deur geen uitgang biedt.

    Semezdin Mehmedinovic, Deze deur is geen uitgang. Vertaald door Reina Dokter; voorzien van een nawoord door Guido Snel. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2005. ISBN 90-450-1452-1.

  • Met de huid geschreven,Aleksander Wat

    Brengt Meulenhoff ons een Verzamelde Wat?

    Aleksander Wat was zo oud als de eeuw toen hij in 1967 een einde aan zijn leven maakte. En de eeuw moet zijn sporen in hem hebben achtergelaten. Gedebuteerd als 19-jarige werd hij in Polen vooral bekend al representant van de futuristen die in Warschau in het interbellum een belangrijke stroming uitmaakten. Na een vroege flirt met het communisme werd hij – al ziek – in 1950 door vrienden in het 1 mei defilé meegesleurd, daar kon je maar beter niet wegblijven. Erg geliefd was Wat toch al niet meer vanwege zijn kracht en moed om nog regelmatig heel onwelvoegelijke dingen te zeggen, naar de smaak van het communistisch bewind. Kort voor de oorlog vluchtte Wat met vrouw en zoon oostwaarts om aan de nazi’s te ontkomen, hij werd gevangen genomen en apart van vrouw en zoon gevangengezet, pas in de oorlogsjaren hervonden zij elkaar weer. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in Zuid Europa, een warm klimaat verlichtte de helse pijnen waaraan hij sinds een beroerte leed. Pijnen die hem in 1967 uiteindelijk tot zijn zelfgekozen dood aanzetten.

    De verzameling gedichten die Gerard Rasch in 2001 maakte hoeft geen weerslag te geven van dit leven. Wat gaf die zelf al in een voorbeeldige literaire autobiografie Mijn twintigste eeuw (ook Meulenhoff). Het boek werd in gesprek met Ceslaw Milosz op band opgenomen in de Verenigde Staten in 1965. In dat zelfde jaar schrijft Wat:

    Wat heb ik hier te zoeken in de spookstad San Francisco?
    Ik was een kleine leverancier van heilbot voor de soldatendis,
    maar mijn droom was landsknecht te zijn! Branden aan te wakkeren
    in veroverde steden!
                                                   Onderwijl zit ik hier
    naar de in het water weerspiegelende vlammen te kijken.
    Staat de stad in brand? Is het de zon, een tel voor het donker?
    Haar licht teruggekaatst door de rotsen. De rotsen zijn geel als het bot
    dat schaamteloos schijnt door de gesprongen huid van de rug
    van mijn hand, roemloos gevallen, op het essenhouten blad
    van het café in Fisherman’s Warf.

    De hand van de dichter die roemloos kan vallen als een soldaat, maar dan wel op een cafétafel. Wat heeft de dichtershand gedaan in het gewoel van zijn twintigste eeuw, dat vraagt Wat zich af. Hij is er de dichter naar, want in deze bundel is te zien dat Wat wars is van mooischrijverij, van de steriele kunst, en verstilde plaatjes. Zijn geschiedenis als dadaïstisch dichter blijft zichtbaar in deze poëzie, ook als hij zelf die begintijd al heeft afgedaan. Wat esthetiseert niet maar is zo’n dichter met een stem die je bijna hoort. 

    Ode 

    We hadden indië nodig omdat het kleed uit Madras de vlekken
    van onze vette gerechten en kruiden, van onze gebonden sauzen,
    van ons vlees nog dampend van het bloed, onzichtbaar moest
    maken, want we bezaten geen wasmaschine en waren te zwak om het
    in de teil te wassen, en chemisch reinigen was verdomde duur;
    We hadden indië nodig zodat we aan tafel hymnen uit de Rigveda
    konden zingen, we bezaten nog geen grammofoon en uit de
    Japanse transistor bulderde een woeste beat die onze tere cortex
    verwondde en de wankele spiralen van het na meunier pas terug-
    gewonnen evenwicht ontwrichtte;
    We hadden indië nodig: tegen een bedelares te zeggen ‘ta twam asi’ – ik
    ben jij, en niet: rot op mens, en om de zusters van onze broeders
    aan onze god Shiwa te offeren;
    we hadden indië nodig, opdat de pest, de pokken, de cholera, drie
    vrolijke zusters, en de melaatsheid, hun broeder, met hangende
    hoofden, de armen op de borst gekruist, eerbiedig op de drempel
    van onze heilige haardstee bleven staan, beschermd door het koper
    van de mezoeza’s – medaillons – van verschillende gezindte, ddt-
    poeder en gri-gri’s;
    We hadden indië nodig, om ons met smaak, met smaak, zeg ik, ik
    herhaal: met smaak, tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te
    kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien;
    zodat de goden-monsters, goden-maskers, goden-dieren
    onze mooie en beschaafde dromen niet verpestten.

    En wat kan dat indië nou geweest zijn voor Wat? Het is een gedicht geschreven aan het eind van zijn leven, in de verleden tijd. Iéts hadden ze nodig in het leven dat ze leidden. Indië staat misschien in zijn geheel wel voor het elders in het gedicht gebezigde ta twam asi, dat ben jij, ontleend aan de upanishaden, het mystieke deel van de veda, de hindoeistische geloofsleer, in Nederland effectief gebruikt en bekend gemaakt door Dèr Mouw. De gedachte dat het ‘ik’ drager is van alles, van de kosmos. Dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Het is een begrip dat vaker in Wat’s poezie voorkomt, en misschien in zekere zin ook wel de essentie van poëzie uitmaakt, de metafoor in beginsel: dat wat in het klein iets uitbeeldt en in zich draagt dat groter is, meer betekent. Dat zou Wat’s indië kunnen zijn, een beginselverklaring achteraf, een keuze voor de poezië zodat de goden-monsters, -maskers en -dieren zijn mooie beschaafde dromen niet zouden kunnen verpesten, en, dat is wel belangrijk, je  tot barstens vol te kunnen vreten, in ons nest te kunnen meuren zolang we wilden, en tot onze klotedood te naaien. Het samengaan van de Apollo-zijde en de Marsyas-zijde van deze dichter: dromen en naaien.

    Deze bundel brengt een aantal gedichten uit drie bundels bijeen. Je verlangt al lezend naar het hele werk, een verzamelde Wat, zoals Rasch ons een verzamelde Zbigniew Herbert heeft kunnen bezorgen. Dat mag niet meer zijn helaas. Misschie
    n kan Meulenhof een andere goede vertaler uit het Pools zo ver krijgen. Het zou passen in het machtige vertaalfonds van Meulenhoff, en aan die klassieke erfenis een mooie nieuwe zwaai geven. 

    Menno Hartman

    Aleksander Wat Met de huid geschreven, Vertaling Gerard Rasch, Meulenhoff, 2001

  • Uit zoveel duisternis,Hans Tentije

    omdat er uit de plengoffers en het grondsop
    van angst en pijn nog volop schoonheid valt te puren

    en ochtendgloren uit zoveel duisternis

    Het zijn de laatste regels van het gedicht ‘Philomela’s vlucht’ dat het laatste gedicht is van de eerste afdeling van de nieuwe bundel van Hans Tentije Uit zoveel duisternis.
    De vruchtbare basis van al dit grondsop van angst en pijn is het boek Metamorphosen van Ovidius. De afdeling bestaat uit negen gedichten die gebaseerd zijn op een verhaal uit deze bijbel van de gedaanteverwisseling. Ik zou niet met een gerust hart tien goede Nederlandstalige dichters kunnen opnoemen die nooit een gedicht baseerden op deze bijna oneindige reeks mythologische figuren die in de Metamorphosen langsgevoerd worden. De mededeling dat er ‘nog volop schoonheid valt te puren’ lijkt dan ook te wijzen op het heldere bewustzijn van de dichter van die enorme berg poëzie die deze reeks bewerkingen vooraf ging. Een aantal van de negen betreffen wellicht om die reden wel minder bekende figuren. Over Erysichthon en Aesulapius had ik nog nooit eerder gedichten gelezen. Noch over Philomela, hoewel dat toch wel een zeer meeslepend verhaal is. Te verfilmen zou ik zeggen. Philomela wordt door Tereus bruut verkracht en haar tong wordt afgesneden zodat ze het niet zeggen kan. Ze weeft een witte draad in haar purperrode weefsel dat het verhaal vertelt en dat wordt naar haar zus Procne gebracht, de vrouw van Tereus. Procne zint dan alleen nog maar op wraak, ze dood haar en Tereus’ zoon Itys en dient de vader een fijn stoofpotje van Itys vlees op. Enthousiast over de maaltijd roept Tereus om zijn zoon, Philomela komt binnen en werpt hem het hooft van zijn zoon in het gezicht. Bij Tentije

    ‘wierp je hem het hoofdje naar zijn smoel

    als vanzelf zochten zijn vingers
    het vertrouwd aanvoelende haar, begroeven
    zich daarin en langzaamaan drong het
    tot hem door dat hij, de verwekker, nu het graf
    van zijn eigen kind geworden was –

    Bij Ovidius:

    …en slingert Itys’ bloedend hoofd
    recht in zijn vaders aangezicht. Wat had zij graag gesproken,
    nu meer dan ooit, en met verdiende vloek triomf gekraaid!
    De Thraciër stoot met luide kreet de tafel weg en
    roept om de Wraakgodinnen, slangenrijke zusters uit
    de Styxvallei; dan tracht hij eerst die monsterlijke maaltijd,
    dat halfverteerde vlees weer uit te spuwen door zijn keel,
    schreeuwt huilend dat hij zelf het droeve graf is van zijn zoon
    en gaat met getrokken zwaard de zusters achterna…

    Mooi in Tentije’s weergave is de onwaarachtige verstilling nadat Tereus het hoofdje in handen heeft gekregen. Hij dramatiseert het nog eens ernstig door de vader in herinnering te laten kroelen in het haar van zijn zoontje, waarna maar langzaam het besef doordringt dat aan dit kinderkopje lijf en lendenen ontbreekt. Een wel heel typerende vertraging, deze. Bij Tentije moet men in herinnering terug kunnen zien, hoe akelig ook, dat is nu juist nadrukkelijk dat grondsop van angst en pijn waaruit nog zoveel schoonheid is te puren. En Trentije werkt dan vaak met ooggetuigen. Dit gedicht spreekt Philomela aan, herinnert haar er eigenlijk aan. 

    In de volgende afdeling loopt de dichter mee met Joseph Sudek door Praag, vergezeld zo heel letterlijk, een -ook zeer letterlijk- ooggetuige van zijn tijd. Tentije loopt in de laatste afdeling nog 7 gedichten mee met Cesare Pavese. De duisternis van de geschiedenis wordt steeds opgeroepen door de verslaggevers van die tijd.
    Maar het mooist gebeurt dit misschien nog wel in ‘Schaduwmanoeuvres’ waarin in 207 regels het beeld wordt geschetst van een aardige jongen die SS-soldaat wordt, hoeren voor het front ronselt en zijn einde vindt in de intense koude van het oostfront. De dichter probeert zich gaande weg het gedicht een aantal keren los te maken van deze persoon, hij wil het niet meemaken.

    Tentije is in een reeks bundels die in een toenemende frequentie verschijnen bezeten zijn verhouding tot de verslaggevers van de voorbije tijd aan het uiteenzetten. Daarin is voor zorgvernieuwing niet zoveel plaats, en soms detoneert een gelegenheidgedicht dat toch wel achterwege had kunnen blijven. Daar staat tegenover dat Tentije de poëzie een importantie lijkt te kunnen geven, een lange adem van uitgesponnen gedachten ondersteund door niet aflatend beeldmateriaal die je scherp bezighoudt met zowel het gedicht als waarnaar het wil verwijzen.

    Achter op de verzamelde poëzie van J.C. Bloem staat een citaat van een beschouwer die zegt dat hij zeker naar Bloem zal grijpen in het uur van zijn sterven. Als je de film
    terugdraait, en je nog vol leven tussen het derde en vierde perron op de trein staat te wachten, je komt ergens vandaan, en je moet ergens naar toe, lees dan maar liever Tentije.

    Hans Tentije Uit zoveel duisternis De Harmonie, 2006

    menno hartman

    Meer over Tentije op Literair Nederland: klik hier

     

  • Tijdloosheid – of het verlangen ernaar

    Door Wouter de Vries

    Nog geen jaar geleden verraste Henk van der Ent mij met een bij Uitgeverij kleine Uil uitgegeven boekje waarin het indrukwekkende boekenweekgeschenk van Jacques Presser een vervolg krijgt. Het sluit aan bij de vraag uit De nacht der Girondijnen: mogen wij oordelen over de helse daden die door anderen worden verricht? Het was destijds ook het eerste boek dat ik van hem las. Sterker nog: ik had nog nooit van Henk van der Ent gehoord en overigens ook niet van Anton Ent (zijn dichtersnaam) of van Marieke Jonkman (zijn vrouwelijke afsplitsing). Ent was nieuw voor mij maar sinds kort ben ik toch zeer content met de kennismaking, want Henk kan dichten als Anton.

    Tijdloosheid – of het verlangen ernaar. Wellicht is dit het belangrijkste thema in de laatste bundel Coolsingenwind van Anton Ent. De Noordzeekust duikt op, de IJssel met daarachter “lichtgroene oneindigheid / Waarnaar we verlangden wisten we niet”. De anemonen in Normandië die daar “al eeuwen groeien en bloeien” en op de Coolsingel die niet meer bestaat blijft Erasmus integendeel wél onsterfelijk. Het contrast tussen het niets en de eeuwigheid. Er spreekt een verlangen uit Ents gedichten en misschien is dat wel een religieus verlangen. In het verleden richtte hij al aandacht op religie en dat resulteerde in een essay waarin hij onder zijn eigen naam zijn positie tegenover het christendom verhulde. Hij wilde een agnosticus zijn, iemand die God niet verwoordt maar beleeft en waarneemt. Niet raar dus dat er veel natuurbeelden in zijn gedichten voorkomen, dat er een sterk contrast is tussen zwart en wit; tussen dood en leven. Misschien zijn de laatste zinnen uit het gedicht ‘Namiddaghitte’ wel het meest veelzeggend: “In het dorp pinkelt geen enkel lichtpunt / Haveloos bereiken we het kerkplein”.

    Bij nader inzien wordt er nog meer duidelijk. De bundel bestaat uit zeven afdelingen. Zeven is symbolisch een goddelijk getal. Met vindt het terug in alle religies, in de geschiedenis, medische wereld, natuur, en zo voort. Het duidt op een oneindige volmaaktheid en dus op tijdloosheid.

    Een opvallende afdeling is de laatste die ‘Marieke Jonkman’ is getiteld. Marieke Jonkman blijkt een vrouwelijke afsplitsing van Henk van de Ent te zijn. Onder dit pseudoniem publiceerde hij gedichten die zich van Anton Ent onderscheidden door een meer cynische en sceptische kijk op de dingen. Ondertussen kwam wel dezelfde vragen naar voren. In de laatste afdeling bestaat uit tien zogenaamde moedergedichten waarin een strijd wordt gevoerd met haar kinderen. Het zou volgens mij niet raar zijn om hier het verband tussen moeder en kind en dichter en gedicht te leggen. Jonkman zou dan de moeder over Ents gedichten zijn, ziet hij de cynische, sceptische Jonkman als zijn kritische alter ego? Of is de feminiene Henk van der Ent een zelf gecreëerde moeder en heeft het alles met een verlies te maken?

    Want verlies is een thema dat in zijn eerdere bundel Ode aan de ooivaar een bijzonder plaats inneemt. Hierin beschrijft het verlies van hechte bekenden mythisch; het krijgt dezelfde religie over zich als de natuurbeelden in Coolsingelwind. Maar dan blijkt het ten slotte allemaal om tijdloosheid te gaan. En was dat ook niet al het stadium waarin Alberto Pareira in Per Saldo na zijn zelfmoord verkeerde? Wellicht is er niet veel verschil tussen Henk, Anton en Marieke. Alleen hun stijl verschilt.

    De mystiek van Ent, de religieuze ondertoon, geeft de gedichten een puur karakter, misschien is ‘schoon’ wel een beter woord. We zouden het religieuze verlangen nog kunnen uitbreiden met erotisch of poëticaal verlangen, maar dit verlangen wordt uiteindelijk weer opgeslokt door dat ene grote verlangen. Tijdloosheid. En daar is Ent wonderbaarlijk goed in geslaagd. Laat ik daarom afsluiten met een gedicht dat daar volgens mij een goed voorbeeld van is:

    Strandwandeling

    Twee aalscholvers? Zodra ik nader
    twee zeevissers in lieslaars en groen
    regenpak, twaalf meter van elkaar

    Ik passeer en kijk na tien minuten om
    De vissers staan als broeders pal naast elkaar

    Een half uur later zijn ze in elkaar geschoven
    tot een zwart vermoeden. Man? Paal?

     

     

  • Inzinkingen,Jan-Willem Anker

    Zonder kinderziekten

    Uitgeverij De Bezige Bij is vooral een uitgeefhuis van oude mastodonten, maar zo af en toe verschijnt er een nieuw talent in het poëziefonds. Jan-Willem Anker (1978) is volgens mij de jongste poëet bij de Bij. Zijn debuut Inzinkingen verscheen vorig jaar.

    Ondanks zijn leeftijd heeft Anker zich gelukkig niet laten verleiden tot het schrijven van poëzie die typerend is voor zijn leeftijd. Geen grote woorden, geen idiote vergelijkingen, geen verbindingen godzijdank met hip-hop, rap of wat dan ook. Het modernste wat je tegenkomt is een televisie en die wordt ook nog gebruikt om zelfmoord mee te plegen (in het gedicht ‘Een brug af’). Als ze gezegd hadden dat Anker 53 was, dan had ik het ook geloofd. Dat bedoel ik als compliment, want Inzinkingen lijkt me een bundel zonder kinderziekten.

       Ars poetica (onvolledig)

       Ook wil ik een kinderlijk soort verwarring –
       eens stond ik voor mijn grootvaders landkaart
       louter oog aanraking zachter dan wolken parfum
       trachtte voorbij mijn blik zonder de schellen te zien
       maar ik herkende de continenten en schiereilanden niet
       omdat ik dacht vanuit de vorm van de omsluitende oceaan.

    In het bovenstaande gedicht geeft Anker een programmatisch en ironisch beeld van zijn dichterschap. De dichter zou graag terug willen komen bij die kinderlijke verwarring van twee keer ‘verkeerd’ zien. Hij wil zien ‘voorbij zijn blik’, wat ik interpreteer als meer dan het waarneembare, maar hij bemerkt dat hij geen houvast heeft omdat vanuit de verkeerde vorm denkt. Die verwarring wil hij blijkbaar oproepen, alhoewel het slechts een voorlopige, want onvolledige ars poetica is.

    In de afdeling ‘Wanen naar het wit’ waar Anker de verschillende varianten van de kleur wit onderzoekt en de afdeling ‘Het gat in de liefde heet grauw’ waarin een vertrokken (?) geliefde voorkomt is hij ook op zoek naar dat wat je niet precies benoemen kunt, naar datgene wat buiten de waarneming valt.

    Daartegenover staat een vrij concreet gedicht dat geheel voorstelbaar is en precies beschrijft wat je kunt meemaken op zo’n grijzige winternamiddag, half slapend, half wakend in je stoel.

       Feierabend

       Zijn hoofd schommelt
       in slaapstand

       een pauzehoofd
       vol denkbeeldige bries

       louter donkere omtrek.

       De stoel is een zuignap
       maar het lijf kleeft terug.

       Het been stuiptrekt
       om iets weg te schoppen

       iets koppigs op de voet
       een octopus misschien.

       De tv brandt het testbeeld
       de panopticumstille kamer in

       maar wat zwart is blijft
       ook beschenen zwart.

       Scheert autolicht vleermuizig
       over de wanden

       hij schrikt niet op, nee gaat
       in zichzelf ten onder.

    Een sinister gedicht met mooie taal (‘een pauzehoofd / vol denkbeeldige bries’) waarbij je de beklemming direct meevoelt. Hetzelfde gebeurt in de cyclus ‘Tumor’ waarin Anker het stervensproces van iemand met kanker beschrijft. Hij kiest daarin voor het perspectief van een ‘je’ en beschrijft, haast van binnenuit, hoe het ziekteproces verloopt. 

       De scheurkalenders dunnen uit
       je verfrommelt tal van spreuken

       in je trommelvliezen ritselt het
       dikt de bloemige vleespastei in
       veulenmilt vers uit de bek of zult

       komkommerverhalen stollen
       tot een reliëf van geroezemoes

    Inzinkingen is een ijzersterk debuut: leeftijd doet er niet toe voor wie mooie gedichten maakt.

    COEN PEPPELENBOS

    JAN-WILLEM ANKER – Inzinkingen. De Bezige Bij, Amsterdam, 2005, 64 blz. €16,50.

    N.B. Inzinkingen is genomineerd voor de Jo Peters Poezieprijs. De prijs is vernoemd naar de in 2001 overleden uitgever van de kleine maar gezaghebbende uitgeverij Herik. Het is een tweejaarlijkse prijs voor dichters die niet meer dan twee bundels hebben gepubliceerd. Dit jaar zal hij voor de derde maal uitgereikt worden. 

    De andere genomineerden de Jo Peters Poëzieprijs van 2006 zijn Koenraad Goudeseune met Zen uit eigen werk (uitg. Atlas), Erik Jan Harmens met Underperformer (uitg. Nijgh & Van Ditmar) en Peggy Verzett met Prijken die buik (uitg. Van Oorschot)

    De jury bestaat uit Remco Ekkers, Erik Menkveld en Marjoleine de Vos. Deze maakte een keuze uit zo’n zeventig dichtbundels die in de afgelopen twee jaar verschenen.
    Aan de prijs is de opdracht tot het schrijven van een bibliofiel uit te geven nieuwe bundel van ongeveer vijftien gedichten verbonden, en een geldbedrag van € 4000,–. De winnaar zal 22 april aanstaande bekend gemaakt worden op de Avond van Nieuwe Poëzie te Landgraaf.

    Eerdere winnaars waren Alfred Schaffer (2002) voor zijn bundel Zijn opkomst in voorstad en Hagar Peeters (2004) voor haar bundel Koffers zeelucht.