• Paul Claes, Lyriek van de lage landen

    De canon in tachtig gedichten

    Zoals een mens niet kan leven zonder herinnering, kan een cultuur niet bestaan zonder traditie. Om de lyrische traditie van Nederland en Vlaanderen levend te houden heeft Paul Claes in dit boek tachtig klassieke gedichten uit onze literatuur verzameld en deskundig toegelicht. Hij geeft verhelderend technisch en thematisch commentaar, portretteert de makers en toont hun nawerking tot in deze tijd.
    De ‘canon van Claes’: een rijk geïlustreerd standaardwerk voor iedere in poëzie geïnteresseerde lezer.

    Verrassend in deze bloemlezing is opname van het gedicht ‘Ne roibaard ip ’n wisse’ ‘Een roodborstje op een twijg’ van de West-Vlaamse dichter Omer Karel de Laey, die in nog niet menog canon-bloemlezing verscheen.

    ISBN: 978 90 234 3288 3
    Omvang: 304 bladzijden
    Uitvoering: Gebonden
    Prijs: € 24.90

  • Martje Brandsma danst een gedicht van Remco Campert

    Voor haar nieuwe poëzieproject verbeeldt Martje Nitsch-Brandsma – samen met een cellist en een professionele spreekster – een stuk van de Russisch-Tartaarse componiste Sofia Gubaidulina en een gedicht van Remco Campert. De presentatie demonstreert bij uitstek de euritmische benadering van moderne muziek en poëzie en is met name gericht op jongeren.

    Met haar driemansformatie treedt Martje Nitsch-Brandsma op verschillende scholen, theaters en festivals in heel Nederland op.

    Euritmie werd aan het begin van de vorige eeuw ontwikkeld te midden van een reeks vernieuwingen binnen de kunsten. Zij kwam in Europa op – samen met de abstracte schilderkunst en de atonale muziek – als een van de moderne dansvormen. Omdat euritmie het hoorbare zichtbaar wil maken en daarom gebruik maakt van muziek en poëzie is zij heel effectief binnen het kader van cross-over projecten.

    De voorstelling is te boeken voor scholen, theaters en festivals. Binnenkort – 15 november – is een dvd van het project beschikbaar.

    www.avantiproductions.nl

  • Kwetsbare poëzie

    Recensie door Wouter

    De nieuwe bundel van dichter en journalist Hilbrand Rozema kent lange zinnen van weinig woorden. En zoals een Groninger betaamt, heeft die aan een half woord genoeg. Hoewel, weinig halve woorden, want Rozema floreert in taligheid. Dit brengt enerzijds prachtige constructies met zich mee, zoals de eenvoudige maar prachtige beginzinnen van de vierdelige cyclus ‘Losgeregende bloesems’: ‘Het licht van de zon / op de losgeregende bloesems.’ Anderzijds wordt Rozema’s beeldspraak soms diffuus door deze constructies: ‘Als grondgeboren slingeraap / op een avond de velden over gelopen.’

    Rozema past in een traditie van christelijke dichters zoals Henk Knol, Lenze L. Bouwers, Koos Geerds en Huub Oosterhuis. Zijn journalistieke baan bij het Nederlands Dagblad (de spreekbuis van gereformeerd Nederland) heeft een duidelijke weerslag op zijn gedichten. Niet alleen zijn religieuze achtergrond, maar ook de journalistieke werkwijze klinkt door in zijn poëzie. Rozema’s gedichten zijn veelal poëtische reportages in een christelijk sausje over onder andere zijn Groningse geboortegrond, zijn voorouders, de reizen die hij maakte naar het buitenland en de kerkklok die uit de toren van Workum was gevallen. Ook al steekt hij zijn levensovertuiging niet onder stoelen of banken, nergens lees je belerende, prekende poëzie die een bredere kijk op het leven in de kiem smoort. Zij is eerder vitaal en helder genoeg om tot nadenken aan te zetten.

    De bundel Slagveldtoerisme is opgedeeld in vier hoofdstukken. Hij begint met een poëtische contactadvertentie. Dit gedicht fungeert als een prima inleiding op het taalspel dat komen gaat. Rozema schuwt in zijn bundel geen enkel onderwerp. We worden meegenomen naar Overschild, Turijn, Antwerpen en Afrika en lezen over religie, kunst, oorlog en ziekte. Het zijn grote onderwerpen, maar juist de gedichten over zaken die zich dichter bij huis afspelen zijn de mooiste.

    Deze persoonlijk gedichten lezen we voornamelijk in het eerste en laatste deel, getiteld ‘Begin’ en ‘Gebroken lampen’ en intrigeren. Bijvoorbeeld de beginzinnen van het prachtige gedicht ‘Schoolplein’: “Op het schoolplein, vroeger, wilden de knikkers / naar het middelpunt. Ze tikten elkaar aan / en cirkelden als moleculen van geluk // de potkuiltjes binnen van aangestampte modder.” In het laatste deel staat het  driedelige gedicht over het kerkje in het Groningse dorpje Overschild dat gesloten wordt: “De dichters komen afscheid nemen. We roken wat / en schoppen moe tegen de grond.” Deze poëzie is zintuiglijk, komt soms heel dichtbij en is even meedogenloos als meegaand.

    In de middelste delen, die ‘Reizen’ en ‘Slagveldtoerisme’ zijn getiteld, is de toon afstandelijker. Hier trekt de geschiedenis voorbij en de dichter neemt een meer observerende houding aan. In deze delen worden de slagvelden besproken. De ongebreidelde waarheid komt aan het licht en staat in schril contrast met de werkelijkheid dicht bij huis. Dat deze waarheid omhelsd wordt door de persoonlijke gedichten uit het eerste en laatste gedeelte, maakt het geheel uiterst kwetsbaar. En dat is misschien wel het beste woord voor deze bundel: hij bevat kwetsbare poëzie.

  • Literaire cd met teksten van Astrid H. Roemer

    De Nederlandse muziekformatie Flower to the People maakte tot nu toe enkel Engelstalige cd’s. Sinds Flower to the People werd benaderd door de in Suriname geboren schrijfster Astrid H. Roemer is hier verandering in gekomen. Er is anderhalf jaar gewerkt en het resultaat is de onlangs verschenen cd Omhels Mij, waarop 17 nummers staan met stijlinvloeden uit de Nederpop, jazz, Latin, folk en soul en prachtige eigentijdse poëzie.

    U kunt via deze link alvast 6 tracks van de cd beluisteren:
    http://www.flowertothepeople.nl/muziekbeluisteren.html

    Ook kunt u een stukje van de cd presentatie bekijken via deze link:
    http://televisie.westonline.nl/archief/programma_overzicht?id=08
    Klik op de datum 07-10-2008 en scroll naar 4.40 min waarna het item start.

    Tevens kunt u in het FttP-gastenboek lezen wat de schrijfster Astrid Roemer er zelf van vindt:
    http://www.flowertothepeople.nl/gastenboek.html

    Flower to the People: Fleur Tolman, fttp@planet.nl

  • Poëziecircus van Ted van Lieshout

    Vlak voor de Kinderboekenweek lag Kwam dat zien! Kwam dat zien! in de winkel samengesteld door Ted van Lieshout. Een boekachtig tijdschrift met bijna honderd bladzijden gewijd aan poëzie voor jong en oud. Querido’s poëziespektakel 1 staat eronder, want het is de bedoeling dat dit een jaarlijks terugkerend fenomeen wordt.
    Als je eenmaal begint met bladeren, dan houd je niet meer op. Van Lieshout heeft ervoor gekozen om een vrolijk en aanstekelijk boek te maken en alhoewel er in een enkel gedicht wel wat leed te vinden is, maakt de bundel je vooral vrolijk, ook al omdat de illustraties van de pagina’s afspatten.
    Op sommige pagina’s komen dichters aan het woord over de manier waarop ze hun gedichten maken en hoe ze gedichten lezen. ‘Wat moet je doen als een gedicht niet begrijpt?’ staat er dan. ‘Schrijf het gedicht over,’ is een tip van Koos Meinderts. Leendert Witvliet raadt aan om een gedicht van buiten te leren en Kees Spiering zegt: ‘Zoek een andere dichter. Er zijn er genoeg.’
    En misschien is dat wel de grootste verdienste van Van Lieshout: hij laat zien hoe rijk de poëzie is, hoeveel dichters er zijn, ook voor jongeren. Nu het thema van de Kinderboekenweek juist over poëzie gaat, komt dit tijdschrift als geroepen, want zoveel jeugdpoëzie komt er niet meer uit. Zelfs in kinderboekhandels moet ik er vaak tevergeefs naar zoeken.
    Net als Komrij in zijn bloemlezing van jeugdpoëzie neemt Van Lieshout ook dichters op die doorgaans voor volwassenen schrijven: Tsead Bruinja, Joost Zwagerman en Peter Holvoet-Hanssen bijvoorbeeld. Ook Gerbrand Bakker is in deze bundel terug te vinden met gedichten die hij eerder in het grotemensentijdschrift Tzum publiceerde. De grenzen vervagen dan ook tussen volwassen poëzie, jeugdpoëzie en gedichten voor kinderen en dat lijkt me een goed teken. Ik heb tot slot nog drie wensen:
    1 een bibliografie waarin je kunt zien of het gedicht eerder is gepubliceerd en zo ja, waar dan?
    2 de volgende keer het blad in full-colour.
    3 een hogere verschijningsfrequentie: elk half jaar moet toch ook kunnen?

    Coen Peppelenbos

    Ted van Lieshout (samensteller) – Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido, Amsterdam, 96 blz. €14,95.

  • Bedaarde onrust

    Recensie door Thomas Möhlmann

    ‘Ik geloof (…) dat ik wel een vis had willen zijn,’ vertelde Ilse Starkenburg jaren geleden eens in een interview. In het korte gedicht ‘fantasie’ stelt ze zich deze wens concreet voor:

    ‘als ik mijn oranje vis was
    dan was ik oranje
    dan was ik een vis

    ik woonde in een kleine wereld
    waar ik alle anderen kende
    nooit verdwaalde ik

    ik riep: draai
    en ik draaide
    ik riep: daar
    en daar was ik

    en ik viel nooit als ik’

    Het is een van de zesenveertig gedichten die Starkenburg in haar vierde dichtbundel Gekraakt klooster heeft opgenomen. Zonder opsmuk, met eenvoudige woorden, doet elk van de gedichten secuur verslag van wat er in en buiten het hoofd van de dichteres gebeurt. Een zeer aandachtig hoofd, omringd door een soms aangenaam merkwaardige, maar doorgaans bedreigende en niet geheel begrijpelijke wereld. De vissenkom waarin de dichteres leeft, is niet deze hele wereld, maar haar eigen hoofd. Precies wat in de vis benijd wordt, lijkt dit mensenhoofd te ontberen: overzicht, grip en vertrouwdheid met de omgeving en de anderen daarin. Beklemmende gedachten en gedichten levert het op, die met een bedaarde onrust aan het papier zijn toevertrouwd. Er is een behoefte, een hunkering soms, aan werkelijk contact met wie zich buiten de kom bevindt, af en toe lijkt dat ook wel plaats te vinden, maar steeds doemt de glazen wand op tussen binnen- en buitenwereld: uiteindelijk blijft ‘de ander’ voor de dichteres een in de kern onkenbaar verschijnsel. En vice versa, getuige ‘gesprek op het strand’:

    ‘het moet iemand zijn
    met een ander karakter dan
    ik: een rustig iemand

    maar jij bent zelf toch heel rustig?

    nee, van binnen
    ben ik niet heel rustig.’

     

    Deze recensie werd eerder gepubliceerd in: Poëzietijdschrift Awater, winter 2008, jaargang 7, nummer 1.

     

  • Een olifant op het strand, Gerard B. Berends

    De bekendheid van Gerard B. Berends is de afgelopen maanden toegenomen dankzij het grote aantal gedichten dat Gerrit Komrij selecteerde voor zijn bundeling van kinderpoëzie. Dat is één van de positieve kanten van zo’n bloemlezing: vergeten dichters worden in de schijnwerpers gezet. Van Berends ken ik de verhalenbundel Twee mouwen uit 1996 die ik niet zo heel bijzonder vond en de bundel poëzie voor de jeugd Het sloeg twaalf uur uitgekomen in de Zonnewijzer-reeks van uitgeverij Holland in 1990. Tijd om eens wat nieuws te lezen en dat kan, want in de Windroos-serie is Een olifant op het strand verschenen.

    Het mooiste gedicht vind ik ‘Een gebaar’. Misschien omdat het om iets futiels gaat, namelijk het gebaar dat je maakt om te maskeren dat je eigenlijk iets had willen zeggen, maar er toch liever vanaf ziet. Een gedicht over een wat nietsig gebaar dus, dat waarschijnlijk vrij herkenbaar is.

    een gebaar

    als je ’s morgens de gordijnen
    opent naar buiten kijkt en je hand
    door je haar strijkt

    een gebaar van bijna niks
    als je niet beter wist zou alles blauwer
    mogen zijn of grijzer

    je ziet dat wel eens als je iets wilt
    zeggen en een ander zegt dan net
    even eerder iets

    Het heeft de kracht van een gedicht van Judith Herzberg. Er zit ook een klein irritant zinnetje midden in het gedicht ‘als je niet beter wist zou alles blauwer / mogen zijn of grijzer’ dat je niet direct kunt plaatsen. Is dat wat je denkt als je naar buiten kijkt en ziet hoe het weer is en het besef dat je daar niets aan kunt veranderen.

    Er staan nog een paar andere gedichten in deze bundel die ik denk te kunnen begrijpen, maar over het algemeen snap ik de meeste gedichten niet. Dat ligt niet aan Berends, maar aan deze lezer die niet elke associatieve gedachte van de dichter kan navolgen. Ik weet dat hij vaak gebruik maakt van absurde invallen en graag speelt met taal. Het gevaar dreigt echter dat er een paar zinnen achter elkaar staan die ik wel intrigerend vind, niet door rijm, ritme of andere ouderwetse poëtische middelen, maar juist door de aparte opeenvolging van mededelingen en die ik toch niet ten volle begrijp.

    zondagochtend

    een buurman rolt zonder te groeten van het dak
    en blijft zo stil liggen dat hij bijna slaapt

    eefde ijssel wint van grave beneden de sluis
    een rode krokodil kruipt uit een brievenbus

    aan het eind van de ochtend is het avond
    toe kleed je aan voor je vel krimpt

    Is dit een jeugdherinnering aan lange vervelende zondagen thuis? Is dit wat je meemaakt op een doorsnee zondagochtend? Heeft die regel over Eefde IJssel te maken met een voetbalwedstrijd of met de waterstanden? Is die rode krokodil speelgoed? En is die buurman dood, in de zin van nooit meer slapen? Ik kan minutenlang staren naar zo’n gedicht alsof er een cryptische omschrijving staat en ik de enige ben die niet doorheeft waarover het gaat, terwijl ik ‘kleed je aan voor je vel krimpt’ wel een mooie zin vind.

    Stiekem haal ik de jeugdbundel er weer bij. Dat zal ik toch wel snappen? Ook daar vind ik een zondagsgedicht.

    het is zondag
    een man groet een paard
    een vrouw kamt oude dromen
    een tafel smelt of maakt een krul

    het is zondag
    alle huizen hebben hoge poten
    en verdwalen
    gelukkig hebben ze een das om

    Eigenlij tref je precies hetzelfde procedé aan bij dit gedicht. Prachtige regels zoals ‘een vrouw kamt oude dromen’ die direct gekoppeld worden aan andere regels met een totaal andere inhoud, de lezer licht verbijsterd achterlatend.

    Coen Peppelenbos

    P.S.: voor een voordracht van Gerard B. Berends zie dit filmpje.

    GERARD B. BERENDS: Een olifant op het strand. Uitgeverij Holland, Haarlem. 32 blz. €5,95

  • Gedichten voor gelukkige mensen, Bart Moeyaert

    Is dichter Moeyaert net zo goed als de prozaschrijver?

    Er is iets geks aan de hand met de poëzie van Bart Moeyaert. Nee, dat moet ik beter formuleren: er is iets geks aan de hand met de lezer van de gedichten van Bart Moeyaert. Of, om nog preciezer te zijn: ik heb moeite met die gedichten. Dat komt omdat ik het proza van Bart Moeyaert mateloos bewonder. Ik koop het meteen als het uit is, ik raad het iedereen aan, ik geef het zelfs cadeau. En daarom wil ik zijn poëzie ook heel erg graag heel erg goed vinden.
    Bij de herdruk van de vorige bundel van Moeyaert, Verzamel de liefde, schreef ik al dat de dichter een paar keer langs de afgrond van de clichés scheerde, maar bij de bundel Gedichten voor gelukkige mensen valt niet te negeren dat sommige gedichten het Candlelightniveau niet ontstijgen. Zie het volgende fragment uit ‘Zo heel jij mij’.
    ‘Je veegt de aarde
    uit ons bed,
    zoekt mij
    onder het laken,
    ziet wie ik ben.
    Voorspelt geluk,
    baadt mij in rust.
    Zo heel jij mij
    al jaren,
    geneest mij
    door te zijn.
    Jij spreekt de taal
    die ik versta,
    hoort de seizoenen
    in mijn stem,
    aan mijn adem,
    wat ik denk.
    Jij kent de kunst
    van nu en hier.
    Vandaar dat ik je
    leen, nee spaar
    of beter nog: bewaar.’
    Maar misschien vindt het grote publiek dit juist mooi. Uitgeverij Querido heeft er in ieder geval weer een mooi gebonden boekje van gemaakt, met leeslint, want je zou de weg maar kwijt raken in deze 52 bladzijden. Net als de herdruk van Verzamel de liefde is het ook weer vlak voor Valentijnsdag uitgegeven. De verliefde dichterlijke man of vrouw die het bundeltje deze keer cadeau wil doen, moet echter wel weten dat er deze keer veel gedichten in staan die Moeyaert heeft gemaakt toen hij stadsdichter van Antwerpen was. Niet altijd is direct duidelijk wat de link is met stad. Zo heeft hij voor alle 52 kaarten van een kaartspel tekstjes (vooral distichons) geschreven van het type ‘Schoolslag is slecht. / Blijf recht.’ ‘Is de boot lek, roei dan aan dek. / Help hozen.’ Vast heel mooi op de kaartspelen die, zo lezen we achter in het boek zijn verspreid in jeugdhuizen en bejaardenzorgcentra. Maar of je er nu zes bladzijden mee moet vullen in een dichtbundel? Zo zijn er wel meer gedichten die beter tot hun recht komen op de muur of op de toren waar ze voor bedoeld waren. Op de website van Bart Moeyaert zie je hoe een gedicht soms letterlijk op zijn plek valt.
    Toch zie je aan bepaalde gedichten dat Moeyaert het wel kan. In het gedicht ‘Zwaan’ gebruikt hij ook geen enkel moeilijk woord, maar de eenzame zwaan die hij beschrijft, is een mooi beeld voor de verlaten geliefde of de geliefde die zelf is weggegaan. En dan staat hij wat mij betreft weer aan de goede kant van de afgrond.
    Zwaan

    Ik zag een zwaan
    boven het Galgenweel.
    Ze was niet onderweg
    naar nog een zwaan.
    Dat kon ik zien aan
    hoe ze met haar vleugels
    trok: daar was omzeggens
    niets reikhalzends aan.
    Je kunt een afscheid meten
    Het gaat om kleinigheden.
    Een licht geheven kop,
    De grijze lucht rondom,
    De richting van de wind.
    Soms voelt een zwaan
    geen verte en geen
    reden om terug te keren.

    Volgens mij heeft Moeyaert een wat strengere redacteur nodig. Juist in zijn proza is deze schrijver een meester in het weglaten; juist in zijn proza brengt deze schrijver meer lagen aan; juist in zijn proza zet hij de lezer vaak op het verkeerde been. Het is te hopen dat hij als dichter net zo goed wordt.

    Coen Peppelenbos

    Bart Moeyaert: Gedichten voor gelukkige mensen. Querido, Amsterdam. 52 blz. €15,-

  • Dagkalender van de poëzie 2008, Menno Wigman

    Ongelezen goed

    Dit is de eerste recensie die ik schrijf over een werk dat ik niet gelezen heb. Sterker nog ik ben niet van plan om dit werk in de nabije toekomst uit te lezen. Het is namelijk de Dagkalender van de poëzie 2008 samengesteld door Menno Wigman en Alfred Schaffer.
    Het is heerlijk: ik hoef niets te vinden, ik hoef niets te analyseren, ik ga alleen maar bladeren. Ik had natuurlijk ook de Geert Mak-kalender kunnen nemen (ja, die bestaat echt) of de Peter van Straaten-zeurkalender, maar de rechtgeaarde poëzieliefhebber koopt gewoon de poëziekalender.
    Deze kalender heeft al een lange historie. Ooit begonnen in een tijd waarin ook nog de Literaire agenda werd uitgegeven is de poëziekalender de ware overlever gebleken. Eerst gemaakt door Hans Warren en Mario Molengraaf (die volgens de dagboeken het meeste werk eraan besteedde) en sinds enkele jaren door Menno Wigman.
    Ik denk dat de meeste mensen bij een kalender het eerst gaan kijken naar het vers op hun verjaardag. In mijn geval heeft Wouter Godijn dan een plek op de kalender. Het thema dierendag is gelukkig niet te dik aangezet in het gedicht ‘Familieportret’ dat begint met de intrigerende regel ‘Het konijn moet nog gedrild en de vaat begraven.’
    Ik controleer ook even of mijn familie en vrienden met een aardig gedicht bedeeld zijn en check even vlug de feestdagen. Ja mooi, Vasalis op Moederdag, Leonard Nolens op Eerste Kerstdag, nou ja helaas Martin Bril met het platvloerse liefdeslied ‘De tieten van mijn vrouw’ op Valentijnsdag, maar voor de rest is het vol verwachting uitzien naar al die gedichten het hele jaar door.
    Grote dichters als Eva Gerlach en Esther Jansma staan in deze bundel naast Femke Halsema en Jan Marijnissen. Diverse vertaalde en mij tot nu toe nog onbekende dichters wachten hun dag af: wie is Y. Th. Vafopoulus en wat schrijft Cahit Sitki Taranci? Meer vertaalde dichters dan ooit schrijven de samenstellers in hun voorwoord. En dat is misschien ook de grootste waarde van zo’n kalender: je ontdekt nieuwe dichters, je herleest oude meesters en je hernieuwt de kennismaking met hedendaagse poëten.
    De bundel heeft dit jaar het wat zware thema ‘oorlog en vrede’ meegekregen, zonder daar al te rigide in te zijn, want dat vonden Wigman en Schaffer ‘al te vermoeiend’. ‘Toch zult u heel wat gedichten ontdekken die op leven en dood geschreven lijken,’ schrijven ze, het thema zo breed trekkend dat iedereen de kalender met een onbezwaard gemoed kan kopen en vol verwachting uitziet naar de eerste dag van het nieuwe jaar. Ik kan bijna niet wachten met scheuren.

    Coen Peppelenbos

    Menno Wigman en Alfred Schaffer (samenstellers): Dagkalender van de poëzie 2008. Meulenhoff, Amsterdam. 

  • Koffiedik zingen, Daniël Dee

    Alle persoontjes zijn paspoppen

    Een nieuwe herfst, een nieuwe Dee. Koffiedik zingen is de derde officiële bundel van deze Rotterdamse dichter. Wie Daniël Dee de afgelopen jaren gevolgd heeft, weet dat hij een geheel eigen stijl heeft ontwikkeld. Hij maakt lange, uitvoerige gedichten waar niet op een woord meer of minder gekeken wordt. Soberheid zul je bij hem tevergeefs zoeken: de gedichten lopen vaak over de pagina’s en het boekje is extra breed om de uitdijende zinnen de ruimte te geven. En ook in het woordgebruik is Dee herkenbaar: harde, rauwe en realistische woorden. veel verder dan kleine dingetjes kom ik niet
    zoals expres over de rand van het toilet pissen
    Daar is geen woord Spaans bij. Voeg daarbij de lichte fascinatie van Dee voor de zelfkant van de samenleving en wat ongelukkige liefdes en de verzen lijken zichzelf te schrijven. Nog één ingrediënt moet genoemd worden: de vaak humoristische oneliners die midden in de gedichten opdoemen (zinnen met dezelfde directheid vind je terug in romans van Douglas Coupland): ‘ik woon nu in een anonieme stad met alle nationaliteiten’, ‘een kankercel blijft nooit lang alleen’, ‘alle persoontjes zijn paspoppen in deze openluchtetalage’.
    Ik heb Daniël Dee vaak horen optreden en weet dat mensen vaak moeten lachen om de directe taal in zijn poëzie en hij is daar ook goed in, maar de vraag is of er niet ook een gevaar schuilt in het maken van dit soort poëzie, namelijk dat het de dichter te makkelijk afgaat. Dat hij van tevoren weet dat hij met een bepaalde woordkeuze, met een bepaald thema automatisch succes zal hebben.
    Koffiedik zingen is een bundel die volgens mij laat zien dat Dee dit gevaar inziet. Ik was verrast door het gedicht voor zijn naar Nederland gevluchte collega Mowaffk Al-Sawad, omdat hij opeens een totaal ander taalregister hanteert. De heftigheid zit niet meer in de woorden, maar in de mededelingen. Prozaïsch haast: ‘Ik had meer angst voor de klappen van mijn vader dan voor de oorlog / over het neergeslagen verzet zwijgt hij // na de derde reeks bombardementen ben ik gevlucht / zonder om te kijken zonder afscheid zonder woorden’.
    Maar nog meer dan dit gedicht beviel me de derde afdeling in de bundel met een aantal cycli. Met de eerste cyclus, ‘Koninginnen van de nacht’ (het lijkt erop alsof die wat verkeerd in de bundel is gezet, de cijfers kloppen niet of dit is een grap die ik niet snap) zitten we wel aan de zelfkant, want de hoofdpersonen zijn hoeren, en Dee laat de verloedering, maar ook de haat van die vrouwen zien in kille bewoordingen waar elke grap is uitgefilterd. Met een zinnetje als ‘de behoefte me af te drogen met een ruwe handdoek’ toont hij in één keer de walging van de hoeren over hun eigen leven. De inhoud van dit gedicht is geëngageerd. Dee neemt positie in. En ook dat is nieuw in deze bundel. Dee experimenteert in deze afdeling ook meer met de vorm van de gedichten. Het lijken me allemaal uitstekende pogingen van Dee om zichzelf niet vast te leggen aan een bepaalde vorm. Ik hoop dat hij verder gaat met het exploreren van zijn mogelijkheden. Het maakt hem als dichter nog boeiender.

    Coen Peppelenbos

    Daniël Dee: Koffiedik zingen. Passage, Groningen, 88 blz. 

  • Motorman, Nyk De Vries

    ‘Er was ook niemand die lachte’

    Op dichtavonden is hij altijd een opvallende verschijning: Nyk de Vries. Meestal neuzelen dichters hun poëzie van papier, maar als Nyk de Vries het podium betreedt, gebeurt er iets magisch. Hij staart in het publiek, maar lijkt niets te zien. Het publiek wordt wat onrustig en giechelig en dan begint De Vries zijn gedicht uit het hoofd voor te dragen, hoekig, gespannen en overgeconcentreerd zo op het oog. Ik heb wel eens meegemaakt dat hij die concentratie verloor omdat hij twee zinnen omgedraaid had. Dat mocht niet. Opnieuw beginnen. Het geeft het belang aan dat hij aan zijn eigen woorden hecht.
    Motorman en 39 andere prozagedichten is de debuutbundel van Nyk de Vries die al eerder romans schreef en bekend is geworden als gitarist bij Meindert Talma & the Negroes. Ik zal nu niet stilstaan bij het fenomeen prozagedicht. Ik vind het altijd een wat lastig genre om te beoordelen. Bij De Vries zijn de prozagedichten nooit langer dan een bladzijde (zo’n honderd woorden), de tekst staat uitgelijnd ? als een blok dus ? op de pagina, de titels zijn kort (de langste titel luidt ‘Hard, eenzaam, naakt’).
    In de kritieken die tot nu toe zijn verschenen is vooral het grappige van de prozagedichten benadrukt. En ja, soms schiet je in de lach door de onverwachte wendingen die je absurd zou kunnen noemen. De vergelijking met Daniil Charms is dan snel gemaakt. Ik moest vooral denken aan de ultrakorte verhalen van Armando die situaties uit het gewone leven plukt en er met een of twee zinnetjes een grondeloze tragiek aan kan koppelen. Bij De Vries overheerst het tragikomische. ‘Werkoverleg’ begint met de zin ‘We hadden werkoverleg en zoals gewoonlijk was het een hilarische toestand.’ Maar het prozagedicht eindigt met een huilende vrouw ‘Ze rilde en zei: “Ik ben gewoon helemaal verkeerd gepresenteerd.”’ Om zo’n eindzin kun je lachen alsof het de pointe is van een grap, maar tegelijkertijd is dit einde erg triest. Die dubbelheid kom je continu tegen. Mensen die hier alleen grappen in zien, lezen slecht. Op deze bladzijde staan vier voorbeelden uit de bundel. Het laatste gedicht ‘Familiehotel’ vind ik prachtig. Bij de laatste regel moet ik hardop lachen, maar dat komt vooral door het grote ongemak dat ik voel als ik de zinnen ervoor lees. De zin ‘Er was ook niemand die lachte, net als eerder in het golfslagbad’ is van een ongehoorde schoonheid en treurigheid.
    Het lukt De Vries telkens om in honderd woorden een compleet verhaal te vertellen: de ik-figuur is ergens, wordt geconfronteerd met iets of iemand (vaak een intrigerende vrouw) en wordt gedwongen om iets te vinden of te denken. En elke keer voel je weer dat ongemak: moet ik lachen of juist niet. Poëzie die je dwingt tot ongemakkelijkheid: waar lees je zoiets nog?

    Coen Peppelenbos

    NYK DE VRIES: Motorman en 39 andere prozagedichten. Friese Pers Boekerij, Leeuwarden. 64 blz. €15,- (er is ook een Friese versie)

  • Hoe je geliefde te herkennen, Tomas Lieske

    In de huid van een ander

    Een ‘zeer praktische handleiding’ heet op de achterflap de nieuwe bundel van romancier, essayist en dichter Tomas Lieske. En nog wel een die ‘laat zien hoe het ultieme ook voor u binnen handbereik komt’. Enigszins dubieuze aanprijzing op het eerste gezicht, maar op het tweede toch ook weer niet zo erg ver af van de waarheid. De lezer die zoekt naar therapeutische verlichting of duidelijke antwoorden die het leven er eenvoudiger op maken, komt goddank bedrogen uit. Dit boek toont niet hoe men een beter mens kan worden. Dit boek laat zien hoe het mogelijk is een ander mens te worden. Of een ander dier, waarom ook niet. Want Lieske wendt zijn woorden aan om zich te verplaatsen, in de meest letterlijke zin die taal toestaat, en probeert onderweg enig zicht te geven op het procédé dat dit mogelijk maakt. Het duidelijkst lijkt het gedicht ‘Hoe in de huid van een ander te kruipen’ de formule aan de lezer te willen overdragen. Hierin worden ‘de’ drie manieren beschreven: de gewelddadige manier, de goddelijke manier en de derde manier. Om te beginnen:

    De eerste manier is iemand omzichtig benaderen.
    Zijn geest bezetten. Onwennig
    en stram in het begin, maar snel
    voel je de kwaliteit van de spieren, je went
    aan de wijze waarop de gewrichten buigen.
    Je probeert de inwendige kraantjes.
    Maar het blijft geweld. De geest van de gastheer
    dient verdoofd en knock-out geslagen te worden.

    Deze methode doet denken aan ‘Invasion of the Body Snatchers’, en is eigenlijk wat te rigoureus, omdat er van de ander op deze manier te weinig overblijft. Het heeft meer weg van een vijandige overname dan van een geslaagde poging zich in een ander te verplaatsen. Er is een subtielere manier, die helaas niet voor menselijke wezens is weggelegd:

    De tweede manier, die van de goddelijke wezens,
    berust op het vermogen elke gedaante aan te nemen
    die denkbaar is. Dat is het hoge
    goochelen, dat is mimesis pur sang.
    Je imiteert van de ander zijn verende passen,
    de onverwachte grijns, de Haagse glijders in de stem,
    het nerveuze schrappen van nagels, het ijdele deuken
    van de haren, het quasi-onverschillige restau-gedrag.
    De ander weet niets van jouw kunstwerk, draaft
    zijn eigen leven, terwijl jij zijn vrouw opdraagt
    een voor een, tot trillens toe, en als voor het eerst ?

    Met deze methode kan een god zich wel in Lieske verplaatsten, zoals dat overigens een gedicht eerder, in ‘Ontdekken dat je te laat bent’, ook gebeurt, maar Lieske noch zijn lezer zal op deze manier in de huid van een ander belanden. Maar, ten slotte:

    Er is nog een derde manier, een waarbij je daverend
    al zijn doen en denken beschrijft, woord voor woord verovert.

    Lieske opteert in Hoe je geliefde te herkennen voor deze derde weg: de weg van de dichter. En zo lukt het hem met menselijke precisie te schrijven over zichzelf en alle anderen. Over de schoonheid van het vrouwelijke, de broosheid van geluk, de breekbare eierschaal van familie en de verantwoordelijkheid van wie deze schaal moet dragen. Over de wrangtedere moedergevoelens van een merrie, de wanhoop van een horlogemaker, de wereldwijze ethiek van kardinaal Simonis. Met woorden die tintelen omdat ze precies op de goede plek terecht zijn gekomen, in regels die zich om en om en om laten keren zonder te gaan vervelen. In alle toonaarden vult Lieske wat hij aanraakt met leven, en het leven met Lieske. Zo verovert hij woord voor woord, daverend.

    Tomas Lieske
    Hoe je geliefde te herkennen
    Querido, 2006
    50 pagina’s, € 16,95

    Thomas Möhlmann, eerder gepubliceerd in: poëzietijdschrift Awater, winter 2007, jaargang 6, nummer 1. Enkele maanden later nam Tomas Lieske voor Hoe je geliefde te herkennen de VSB Poëzieprijs 2007 in ontvangst. Afgelopen maand bevatte Vrij Nederland een profielbijlage van de Republiek der Letteren, geheel gewijd aan de poëzie en het proza van Lieske zie: http://www.vn.nl/Opinie/DiscussiesEnFora/ArtikelDiscussieforum/WatVindtUVanDeProfielbijlageOverTomasLieske.htm