• Een dichter op zoek naar onbekende verten

    Het is een genot een mooi boek, hardcover en voorzien van een leeslint, in je handen te houden. Zo’n boek dwingt tot een een lichte streling, zeker als het de titel draagt, Witheet nadert de ijsberg. Het is geschreven door de dichter Andreas Oosthoek. Al vermeldt de omslag dat het hier gaat om ‘verzamelde gedichten’, blijkt uit het nawoord dat hiervan eigenlijk geen sprake is, aangezien de meeste gedichten nooit eerder zijn gepubliceerd en het eigenlijk gaat om een min of meer thematisch geordende verzameling gedichten. Wel wijst de ordening op de wens een dichterlijke weerslag te geven van zijn leven. Dat roept natuurlijk de vraag op: Wie is Andreas Oosthoek?

    Op zoek naar vergezichten
    Andreas Oosthoek is een van oorsprong Zeeuwse dichter vergroeid met het Zeeuwse land met zijn eindeloze vergezichten, kusten, stranden, dijken en prachtige natuur. Dit alles is niet alleen terug te vinden in veel van zijn gedichten, maar lijkt ook ten grondslag te liggen aan Oosthoeks opvatting over het dichterschap getuige zijn antwoord op de vraag naar het ontstaan van het titelgedicht: “Er stond, hier voor ons huis, een jongen op het duin. Hij tuurde door een groene verrekijker. Het duin is achtenveertig meter hoog: voldoende licht en lucht en ogentroost. Wat zag hij, anders dan een lege zee? Ik zei: het komt niet, het komt nooit. Hij vroeg: wat zou ik moeten zien? Een walvis, de Titanic? Ik zei: een ijsberg, als het kan. Thuis gekomen, met iets minder lucht maar lichtere gedachten, passeerde de ijsberg op weg naar een nog onbekende vorm.”

    Onwillekeurig roept dit een beeld op van het begin van het boekje Het zeilschip De Vrijheid over de avonturen van Kapitein Rob. Als deze vanaf de voorplecht van zijn schip met de hond Skip naar de horizon tuurt met; “de bekende blik, zo eigen aan de zeeman, op zoek naar onbekende verten”.
    Oosthoek heeft zich in zijn leven niet alleen beperkt tot Zeeland en ook niet tot het schrijven van gedichten. Hij lijkt een bohemien, die steeds weer terugkeert naar Zeeland. Slordig en met een wijd vertakt netwerk aan contacten, hoewel hij niet tot een vaste kring van dichters wil behoren. Een ‘explorateur solitaire’ wil hij zijn. Zijn slordigheid blijkt uit het feit dat er onlangs twee romans van hem zijn verschenen, Het relaas van Solle (2015) en Vuurland (2016), boeken die hij al had geschreven in de jaren ’60 en ’70, maar die hij verloren had gewaand.

    Klassiek
    Oosthoek is in zijn gedichten op zoek naar het verbeelden van de grenzen van het voelen en denken van de individuele mens. Het beeld van de ijsberg op weg naar een nog onbekende vorm is te zien als een metafoor voor veel van zijn gedichten, waarin hij streeft naar een zekere eenheid van de in dichtvorm gegoten gedachten zonder specifieke pointe of moraal. In die zin toont hij verwantschap met surrealisten of magisch realisten als Delvaux en Magritte, waarnaar hij ook zelf verwijst. Zelf heeft hij het over “(…) de cirkelgang binnen een Eenheid. (…) Mooi begonnen, mooi teruggegeven. Circulaire economie binnen de rijkdom van een taal”. Net als deze schilders is Oosthoek een veelzijdig vakman, een fijnschilder onder de dichters, die een glas wijn daadwerkelijk kunnen laten glinsteren op het doek, een traan kunnen laten biggelen over een wang. Zijn gedichten zijn nooit hoekig, nooit onaf.

    Hoewel volgens Oosthoek gedichten meer te maken hebben met voelen dan met weten, is voor een goed begrip van veel van zijn gedichten een zekere intellectuele bagage noodzakelijk. Hij laat zich in ruime mate inspireren door de Klassieken, de schilderkunst en door romantische dichters als Byron. Zijn werk doet daardoor soms enigszins ouderwets aan, barok ook. Oosthoek is geen dichter van de stilte waarin een enkel woord zo mooi kan droogvallen. Hij is meer de dichter van het grote verbale en ritmisch vormgegeven gebaar waardoor juist het beoogde vangen van de  intimiteit van de in eenzaamheid lijdende mens in de knel kan komen. Niet dat Oosthoek hier geen gevoel voor heeft, integendeel. Hij denkt echter dit gevoel het best te kunnen pakken door een veelheid aan alliteratie en ritme, door het perfectioneren van de vorm.

    Het meest aangrijpend zijn de gedichten die vallen onder het thema Vuurland, ontsproten aan zijn ervaring in het leger waar hij dienst deed bij de identificatiedienst, waarbij dienstplichtige soldaten de overblijfselen van gesneuvelde soldaten van alle nationaliteiten moesten  identificeren, veiligstellen en herbegraven op een centrale begraafplaats of overdragen aan familieleden. Een uiterst zware taak, waartegen niet iedereen was opgewassen. Een voorbeeld:

    ‘Unbekannter Soldat’

    Zeventien was hij en is hij – doodstil en
    scheef gezakt – gebleven, al jaren op een
    hoopje, steeds brozer, brosser, en wat lichter
    in het leven, nog goed verzorgd: zo fraai
    bewaard de bajonet in blanke olie en alle
    bleke kootjes netjes in de wollen wanten.

    Te laat had hij geleerd dat zeeën grijs en
    groen en al te zelden blauw zijn, de bomen
    rood en wolken niet van rulle sneeuw, te
    laat geleerd dat vroeger alles beter was,
    vooral de toekomst: Gott mit uns en met
    de lamme leden, de krampen in het kruis.

    Zijn troep zwaaide waanzinnig met een
    witte vlag die viel waar hij gevallen was.

    Dit gedicht is kenmerkend voor het werk van Oosthoek. Inhoudelijk betrokken, ritmisch vormgegeven met veel allitererende woorden. En toch lijdt de emotionele lading van het gedicht onder deze ritmiek, onder deze voortdurende alliteratie. Het schuurt  te weinig waardoor vorm en inhoud elkaar niet versterken.

     

     

  • Soepele gedichten die niet alles prijsgeven

    Victor Vroomkoning… een zo rijke naam roept vele associaties op: overwinning in Victor, Vroom is de ingetogen, toegewijde devotie, wonderlijk in combinatie met de soevereine en trotse status van de koning… het is bijna te mooi om waar te zijn dat een dichter zo heet – en zo heet hij dan ook niet. Victor Vroomkoning is het pseudoniem van Walter van de Laar, geboren in het Brabantse Boxtel in 1938; dit jaar wordt hij dus tachtig. Deze dichter debuteerde relatief laat, rond zijn 45ste in 1983. Vanaf die tijd publiceerde hij een twintigtal bundels die verschenen bij een tiental verschillende – ook ‘regionale’ uitgevers. Sinds 1999 lijkt De Arbeiderspers de huisuitgever van Vroomkoning te zijn.

    Tachtig jaar zou een moment kunnen zijn waarop een dichter zijn leven en oeuvre overziet en de balans opmaakt. Vroomkoning heeft dat tien jaar geleden al gedaan: toen verscheen een boek van meer dan 500 pagina’s met werk uit de jaren 1983-2008. Toch maakt de bundel Gebroken wit af en toe wel degelijk de indruk van een balans, een overzicht, een conclusie. Neem bij voorbeeld het gedicht ‘Aan de rand’:

    Een paar passen nog voor het is gedaan.
    Ik heb een afspraak met de dood.      
    De laatste zet is uitbesteed aan mij
    we zijn dit overeengekomen.

    Wat houdt me op, wat is er tegen om
    dit loze lichaam af te scheiden? Hoe
    hard is een woord, vader, hoe zacht
    een zelfgewilde

    De gedichten van Vroomkoning zijn zacht, soepel en licht: ze vertellen verhaaltjes, over vrouwen, kinderen, vrienden. Als je denkt dat je ze begrijpt onthoudt de dichter je – zo lijkt het – een woord, een regel, een nuance. Dat beteugelt juist het verhalende en soms ook anekdotische element dat in diverse gedichten doorklinkt. Het maakt deze poëzie soms raadselachtiger –  vaker interessanter.

    ‘De ander’

    Zij zei, dat het voorbij was
    dat zij niet meer met mij was
    dat er een ander was, nee
    die ik niet kende hoewel
    ik er dagelijks mee had
    verkeerd. Ik keek in de spiegel
    die zij in de hand hield en zag
    wie zij bedoelde.  

    Vormeloos zijn deze gedichten niet zozeer, wel vrij. De gedichten rijmen niet, hebben geen vertrouwde schema’s, verschillen vrijwel allemaal in dit opzicht van elkaar. De boventoon in Vroomkonings gedichten is voor het sentiment en de liefde. De liefde voor vrouwen, een enkele vriend, voor ouders, voor kinderen.  Pikant en ongewoon in dit verband is de regelmaat waarmee Vroomkoning zijn liefdesgedichten expliciet erotisch kruidt:

    ‘Kom dan maar’

    Bovendeks in de schemer
    van de grijze dag glijden
    mijn halfopen ogen over
    haar verschoten hoofd.
    Mijn hand vindt haar ruim,
    de ring vingert haar wakker,
    vertrouwd gebaar.
    Kom, fluistert zij, kom dan maar.
    Ik hijs mijn vlag halfstok.

    Wat men vergeefs zoekt bij Vroomkoning is het beschouwen en bespiegelen. De wereld is er wel, maar op afstand, op de achtergrond, als decor voor dichters belevenissen en impressies. Aan het slot van de bundel: toch nog vier opvallend gelijkvormige gedichten, die samen de kleine cyclus ‘Opties’ vormen. De opties zijn staan, zitten, hangen en liggen. De opties zijn alle uitgewerkt als opties voor de dood. De laatste, ‘Liggen’, luidt aldus:

    maten opnemen, eikenhouten
    kist laten bouwen, wanden
    capitonneren, naar kapper
    gaan, vaders streepjespak
    aantrekken, diens zwarte
    schoenen, in kist plaats
    nemen, deze sluiten
    mantra oproepen
    die herhalen tot
    je volkomen
    stil bent

    Op dit gedicht volgt dan nog uitsluitend een ‘Epiloog’. Waarmee ‘Gebroken wit’ toch een bundel lijkt te zijn waarmee de dichter een afscheid wil aankondigen. Zonder op de zaken vooruit te willen lopen, maar mocht het ‘afscheid’ van Vroomkoming aanstaande zijn, dan is er nog een uitgebreide en verzorgde website waarop citaten, recensies en verwijzingen beschikbaar zijn. Zie de link onder de boekcover.

     

     

  • Liever het zwembad dan de zeven zeeën

    Als je een poëticaal statement wil maken, is het openingsgedicht daarvoor een handige gelegenheid. Sasja Janssen past die strategie toe in haar laatste bundel Happy met de openingssectie getiteld: ‘Aan de lezer’ (hallo Baudelaire). De afdeling bevat één gedicht, met een titel die al aangeeft dat het een gedicht over poëzie is: ‘Ballade van de dichteres’. Maar er is iets vreemds aan die titel, je kunt haar ook lezen als ‘Ballade óver de dichteres’. Het gedicht laat vervolgens zelf ook zien hoe het met de dichter(es) aan de haal gaat. Die beweert eerst nog: ‘De zeven zeeën zie ik graag, maar een zwembad ommuurd / met bomen en uitstulpende bloemen aan de rand is genoeg’.

    Naar een poëtica-statement kan dat als volgt vertaald worden: het afgebakende, overzichtelijke en kunstmatig gestructureerde wordt verkozen boven het natuurlijke, woekerende en daardoor wellicht onoverzichtelijke of moeilijke. Toch gaat Janssen in Happy steeds weer de kant op van de zee – alsof de bundel niet wil gehoorzamen aan de opgelegde poëtica en de taal haar eigen weg gaat. ‘Ballade van de dichteres’ is bijvoorbeeld een gedicht dat overkomt alsof het op een stromende wijze (om bij de watermetaforen te blijven) is geschreven. Het brengt een karakteristiek in gedachten die Thomas Vaessens (hoogleraar Nederlandse letterkunde) eens van de gedichten van Lucebert gaf: ‘poëzie die zijn eigen ontstaansproces laat zien. […] Sommige van zijn gedichten gaan niet alleen over hun ontstaan […], maar ze zijn het [proces] ook. Bijvoorbeeld omdat ze dezelfde zichtbare, lineair-associatieve voortgang vertonen als de solo van de jazzmusicus.’

    Bij Janssen is er op vergelijkbare wijze eerst de zee, dan het zwembad, en dan frases als ‘ik geloof enkelen wilden me afdrogen’, ‘Ze omklemden me als een zwemband’ ‘ik zag hoe mijn kleine rog naar de bodem zwom’ en ‘Een vrouw dook mijn borst op en drukte de vinnen op mijn huid’. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe zee en zwembad al die andere water-associaties oproepen. Hoewel ze aanvankelijk als tegenpolen worden gepresenteerd, raken ze bovendien met elkaar vermengd: ‘rog’ en ‘vinnen’ verwijzen naar vissen, en die heb je natuurlijk niet in een zwembad. De zee wint uiteindelijk toch.

    In dat stromende zit zowel de kracht als het pijnpunt van Happy. Er zitten fantastische regels bij, maar die bevinden zich niet zelden in iets te wijdlopige gedichten die nogal ondoordringbaar lijken met hun ophoping van beelden en associaties. Zoals uit het vijf pagina’s overwoekerende titelgedicht:

    Naar Roemenië moest ik, om de stuifwolken van koren
    op de wegen, verliefde kleur voor bijen en horzels
    ik vroeg waarom, het is daar de heet gewassen hemel
    omdat je er nooit weer komt, zoveel weet jij wel.
    Thuis leg ik het ruwe kleed van Sapâna onder de jachttafel
    waaraan ik met blijven zitten begin.

    Hier veel kauwtjes op klapperende afspraken
    ze vliegen in patronen en twijfelen zelden, als de zon ze
    zwarter maakt, blijven ze stil, met pincetbekjes open.
    Hoe kiezen ze de liefde voor één andere kauw, hun veren
    graven hetzelfde de lucht wrakkig? Droevig maakt het
    dat denken in mensen in dierenkoppen.

    Het is nogal wat om te behappen, en dat kan wrevel opleveren. Maar eigenlijk past een dergelijke mateloosheid wel bij deze bundel waarin er steeds een strijd tussen natuur en kunst(matigheid) gesuggereerd wordt, zoals zee versus zwembad.
    Happy kent een opvallend grote hoeveelheid dieren – onder meer een rog, koeien, een dood hondje, vogels, wespen, mieren –, én diverse verwijzingen naar kunstenaars als Shinkichi Tajiri en Henri Matisse. Ook zijn er diverse (mogelijke?) echo’s van auteurs als Ashbery, Rimbaud, Nijhoff, Kees Ouwens en Borges. In de lijn van taalfilosoof J.L. Austin stelt ze: ‘Als onze taal happy is, dan ook onze daden’. Kort door de bocht want taal representeert niet alleen de wereld om je heen, maar schept die ook. Wie echter denkt dat het voor een dichter vrij logisch is om de eigen praktijk (onvoorwaardelijk) op één lijn te stellen met de kunst komt bedrogen uit.

    Het gedicht ‘Mindfuck’ is een mooi voorbeeld van hoe natuur en taal met elkaar verbonden worden. Het begint met de suggestie van een bijenkolonie: ‘Wanneer de koningin zegt het woord naar binnen / te dragen, is weelde ons antwoord, overal werk / slepen met werk, bladkamers bouwen’. Omdat de eerste regel gelijk de taal in het gedicht betrekt, echoën de bekendste bijen uit de Nederlandse poëzie mee: Nijhoffs ‘Het lied der dwaze bijen’. Daarin gaan deze insecten op zoek naar het hogere – ‘hoger honing’ –, dat ze niet weten te bereiken. Janssens gedicht eindigt wel succesvol: ze laat een mens – een dichter – een kolonie insecten inzetten om samen te scheppen:

    Thuis open ik de post.
    De werksters die ik heb besteld zijn goed
    aangekomen, maar in plaats van een koningin valt het woord
    uit de envelop. Terugsturen is gratis, maar het woord bijt
    zich vast in mij.
    Het idee, dat wij scheppen.

    Misschien is de lezer wel degene die à la Nijhoffs dwaze bijen het hogere – of diepere – niet bereiken, of misschien is het de dichter zelf. Het woord verving immers al de koningin en nu neemt het ook nog eens de dichter over. De taal kiest haar eigen daden. ‘Mindfuck’ laat zich om meerdere redenen lezen als Happy in het klein (stiekem ook een beetje vanwege de titel): poëzie als een bijenkorf of een mierennest. De indruk van zo’n insectensamenleving kan chaotisch zijn, maar de dieren weten wat ze moeten doen. Happy heeft wellicht ook zo’n interne logica – of die nu van de dichter is of van de poëzie zelf – die van buitenaf soms moeilijk te zien of te begrijpen is. De bundel laat zich moeilijk benaderen, maar als je doorzet openen zich diverse lagen die  beklijven.

     

     

  • Evenwichtige bundel met strakke compositie

    Greetje Kruidhof studeerde af aan de Schrijversvakschool in Amsterdam in het vak poëzie. Een aantal van haar gedichten verscheen eerder in literaire tijdschriften als Liter en Kluger Hans.
    In haar debuut Wisselplaats, zijn het niet alleen de letters van de titel of de de tanden van het kind op de omslagfoto die gewisseld worden, maar ook de personen over wie de gedichten gaan. Zij wisselen van identiteit of bestemming in de zes afdelingen die deze bundel bevat: moeders worden kinderen, dochters worden moeders, een thuis wordt een tehuis. Het zoeken naar bevestiging van wie je bent en waar je thuishoort wordt al in het openingsgedicht merkbaar, waarin een volwassen vrouw zich probeert te herinneren wie ze als meisje was. De daarop volgende gedichten houden zich allemaal bezig met de vraag wie je bent en hoe je je verhoudt tot de rest van de wereld.

    Knikmeisje is de titel van de eerste afdeling met tien gedichten, waarvan er negen Inkijkexemplaar  genoemd zijn: een wrange en goed gevonden benaming als blijkt dat het meisje is opgenomen in een instelling, waar ze in therapie moet voor het snijden in haar eigen lichaam: ‘Het raam mag hier maar op een kier. Haar pols / wringt ze naar buiten, vrijheid die blauwe plekken bijt.’

    De eerder genoemde titel Knikmeisje doet vermoeden dat zij willoos en gedwee instemt met alle veranderingen die over haar heen komen en die haar door anderen worden opgelegd.
    In de afdeling Wisselziek wordt de moeizame en grillige relatie van een moeder en een dochter beschreven, die beurtelings elkaars rol lijken over te nemen. Ook in de overige gedichten valt te lezen hoe moeilijk het is om veiligheid en hechting te vinden binnen het gezin en hoe het ontbreken daarvan diepe wonden slaat die een mensenleven lang blijven bestaan. Zoals in de serie gedichten Lijfwerk de vrouw, die zelf moeder wordt, zichzelf in eerste instantie niet toestaat blij te zijn met haar zwangerschap: ‘Het kan een maaltijd zijn/ het mocht niet buiten komen.’

    In het laatste gedicht van deze afdeling is haar moeder een kind geworden en zijn de rollen  omgewisseld: nu is het de dochter die voor haar moeder moet zorgen als voor een kind. Vervolgens moet de vrouw tot op het bot gaan om zichzelf te vinden, getuige de titel ontsla, ontkleed, ontvel van de verzameling gedichten die alle een genadeloos zelfonderzoek beschrijven, totdat er ‘een kier in de gordijnen’ verschijnt, waardoor het licht naar binnen kan vallen.
    In de laatste afdeling, Wisseltijd, lijkt de vrouw vrede te hebben gevonden met de dood van haar moeder en met haar eigen plaats in de wereld.

    De bundel is evenwichtig en wordt gekenmerkt door een strakke compositie; de volgorde van de gedichten is duidelijk verantwoord. Hoewel de onderwerpen zwaar beladen zijn, is de teneur van de gedichten nooit larmoyant of sentimenteel: alles is in proportie. Waar de gedichten over een kind gaan, is gekozen voor een kinderlijke manier van uitdrukken met woorden die een kind zou gebruiken. Goed lezen is daarom een vereiste: onder de schijnbaar luchthartige oppervlakte blijkt heel wat schuil te gaan. Kruidhof heeft een manier van schrijven gevonden die het haar mogelijk maakt zich kwetsbaar op te stellen, veel van zichzelf te laten zien en toch buiten schot te kunnen blijven door haar op het eerste gezicht neutrale observaties. Alsof het wel over haar gaat, maar het haar niet raakt. Dat dit een manier van zelfbescherming is voor de vrouw in de gedichten, mag duidelijk zijn.

    De gedichten hebben geen eindrijm, maar zijn door het metrum en de versvorm toch in een strak keurslijf gestoken: zo zijn bijvoorbeeld de gedichten in de afdeling Inkijkexemplaar ingedeeld in telkens een strofe van twee regels, gevolgd door twee strofen van drie. Deze vaste en consequent volgehouden indeling geeft goed de routine weer van de dagelijkse gang van zaken in een inrichting. In de laatste afdeling, waarin de ik-figuur vrede met haar identiteit gevonden lijkt te hebben, kan de dichter zich de vrijheid permitteren om te kiezen voor lossere metrums en verschillende uiterlijke vormen. Zo weerspiegelt de vorm van het gedicht zijn inhoud.
    Daarom is het jammer dat het laatste gedicht van de bundel zo buiten de toon valt: over de uitvinding van de beha. Op zich geen slecht gedicht, maar wat doet het hier aan het einde van zo’n zorgvuldig samengestelde bundel?

    Toch blijft deze bundel een overtuigend debuut dat respect afdwingt. Bovendien wekt hij de nieuwsgierigheid op naar werk van deze dichter waarin ze andere bronnen aanboort dan de thema’s ontheemding en wisseling van plaats en identiteit.

     

     

  • Rauwe en niets verhullende gedichten


    ‘Het zinneloze geraaskal
    van moederloze moeders’

    Ronelda S. Kamfer (1988, Kaapstad) schreef met Mammie haar derde bundel. Sinds haar tiende schrijft ze al gedichten, geïnspireerd door de verhalen van haar grootvader over zijn jeugd op het platteland. Ze werd ontdekt door de Afrikaanse dichter Antjie Krog en de Nederlandse dichter Alfred Schaffer, die haar gedichten in 2004 opnamen in een bloemlezing van Afrikaanse poëzie. In 2008 debuteerde ze met haar eerste bundel Noudat slapende honden, in 2010 vertaald door Schaffer als Nu de slapende honden. Hiermee won ze de Eugene Maraisprijs, de belangrijkste prijs voor poëzie.

    Niets verhullende poëzie
    Haar eerste twee bundels gingen voornamelijk over het harde leven in de township in Kaapstad waar ze vanaf haar twaalfde woonde; over armoede, drugs en criminaliteit schreef ze. In Mammie staat haar overleden moeder centraal. Dat betekent echter niet dat Kamfer haar eerdere inspiratiebronnen negeert. Ook in deze bundel zijn rauwe en niets verhullende gedichten opgenomen over gangsters, pedofiele ooms, geweldsdelicten en wat het betekent om kleurling te zijn in een land waar apartheid nog steeds niet vergeten is. ‘Kleurlingen’ was tijdens het Apartheidsbewind een verzamelnaam voor mensen die niet blank, maar ook niet zwart waren. Die geen eigen cultuur of geschiedschrijving hadden en eigenlijk overal buiten vielen. Kamfer wil niet gezien worden als de stem van deze groep, maar laat zich ook niet claimen door witte Afrikaners. In een interview met Tjitske Mussche in de VPRO-gids van juni 2012 vertelde ze dat de pijn en de woede, veroorzaakt door de Apartheid, pas in een volgende generatie verwerkt kan worden, maar nooit vergeten.

    Eerbetoon aan moeder
    De gedichten in deze bundel zijn bedoeld als eerbetoon aan haar moeder en trekken de aandacht door de liefdevolle toon en het respect. Kamfer beschrijft het moeizame proces van haar moeders sterven, gadegeslagen door haar zuster en haarzelf, terwijl ze op dat moment zwanger was van haar dochter Seymour: ‘het had vandaag / een saaie dag moeten zijn / mijn moeder en ik waren van plan / mijn afbetaalde babykleertjes / op te halen in de winkel’

    Nu eens beschrijft ze een herinnering aan haar moeder uit haar kinderjaren, dan weer het moment van overlijden van haar moeder en het verdriet en gemis. Ook de emoties zijn verschillend: onder een nuchtere constatering gaat vaak een diepe lading verdriet schuil. Humor en pijn wisselen elkaar af, maar ook opstandigheid is een veel voorkomende tendens in de gedichten. De relatie met haar moeder is niet altijd probleemloos verlopen, zo valt te lezen: moeder kon autoritair en bemoeizuchtig zijn en legde veel verantwoordelijkheid op de schouders van haar dochter, waaronder de zorg voor Ronelda’s jongere zus Allisen. Maar het is de liefde die overwint in deze bundel, waarin heel herkenbare momenten beschreven worden in ‘een taal voor kinderen met een dode moeder.’

    In eigen taal het sterkst
    Achter in de bundel zijn de originele gedichten in het Afrikaans opgenomen in een kleiner lettertype. Ook is er een verklarende woordenlijst aanwezig van woorden uit de gedichten die niet direct herkenbaar zijn vanuit het Nederlands. Dat de originele gedichten niet direct naast de vertaling van Alfred Schaffer zijn afgedrukt op de tegenover liggende bladzijde is jammer, want het is de moeite waard een vergelijking te maken: zó ver staat het Afrikaans niet van het Nederlands af. Pas in haar eigen taal valt op hoe Kamfer Engelse uitdrukkingen gebruikt, teksten van popsongs en straattaal, waardoor het rauwer en hedendaagser klinkt dan in vertaling. Dan wordt ook duidelijk hoe Kamfer de lezer op het verkeerde been zet door eerst een poëtische vergelijking te maken om hem daarna hardhandig uit de droom te helpen met een zinsnede die treft als een bom: ‘die kleine teven zijn net kikkers in de regen / hoppen van blad naar blad steeds dichter / naar de meest verse bol stront / want daar zitten de vetste vliegen’

    Liefdevol provoceren
    Ze deinst er niet voor terug om de meest schokkende gebeurtenissen om te zetten in poëzie, maar het is haar niet alleen te doen om het provoceren: de vreselijkste dingen laat ze gepaard gaan met onderkoeld mededogen en spijt. Poëzie is uiteraard niet alleen maar bedoeld om schoonheid te beschrijven: Kamfer laat een wereld zien die gruwelijk is: vrouwen die in elkaar geslagen worden door hun man, kinderen die verkracht worden door hun ‘pedovader’ terwijl een vriendinnetje moet toekijken; een wereld van vernederingen en haat.

    Daarnaast staan de gedichten voor en over haar moeder waarin liefde en gemis de boventoon voeren. Deze gedichten laten een blijvende indruk na, misschien omdat ze een universeel gevoel beschrijven en identificatie makkelijk is. Want telkens  valt de bundel open op dezelfde bladzijde:

    ‘Aanspraak’

    al wat ik terug wou hebben
    was het blauw van de zee
    het groen van de winter
    het geel van de zon
    de afstand van de maan
    het water van de regen
    de klank van de wind
    mijn plekje achter mijn moeders rug’

    Kamfer heeft zichzelf niet gespaard in deze kwetsbare gedichten, maar juist doordat zij zo veel van zichzelf heeft laten zien, raakt zij aan de harten van een ieder die een moeder  heeft verloren.

     

     

  • Oogst week 6

    Menselijke voorwaarden

    Een  geschiedenis verteld in 1440 bladzijden van de Japanse schrijver Junpei Gomikawa, een lang gedicht van Jacob Groot en een aan poëzie gerelateerd brievenboek van Judith Herzberg en Chr, J. van Geel kwamen deze week onder onze aandacht.

    Menselijke voorwaarden is een oorlogsverhaal dat voor het eerst in zestig jaar na verschijning in vertaling wordt uitgegeven. Het gaat over een deel van de Tweede Wereldoorlog waar in Nederland weinig bekendheid over is: de strijd tussen Japan en de Sovjet-Unie in Mantsjoerije.
    Kaji is een pacifist en laat zich afwijzend uit over de Tweede wereldoorlog, wat wordt aangezien  als een gebrek aan vaderlandsliefde. Om zich vrij te stellen van dienstplicht accepteert hij een baan als personeelschef bij de Laohulingmijnen. De mijnbouwonderneming blijkt corrupt en de Chinese dwangarbeiders worden uitgebuit en mishandeld. “Wanneer hij ondanks eerdere toezegging toch in het leger terechtkomt en ook daar voor de zwakkeren opkomt maakt hij juist promotie vanwege durf en moed. Hij probeert desondanks vast te houden aan zijn morele overtuiging, maar de omstandigheden maken dat hij steeds minder mens wordt en zich gaandeweg ontwikkelt tot een brute killer.”

     

    Menselijke voorwaarden
    Auteur: Jumpei Gomikawa
    Uitgeverij: Van Oorschot

    Brieven 1962-1974

    Judith Herzberg en Chris van Geel waardeerden elkaars gedichten en raakten bevriend met elkaar. Ze schreven in hun brieven over poëzie en konden elkaar ook de waarheid vertellen over hun werk. In hun brieven kwam ook een deel van hun werk tot stand. Een groot deel van de brieven van Judith Herzberg zijn verloren gegaan door een brand die het huis van Van Geel in de as legde. Toch ontstaat er tijdens het lezen een beeld van een correspondentie omdat Van Geel refereert aan haar schrijven. Zoals in de brief van 12 juli 1967:

    “Lieve judith en huyck (man van Judith ivdg),
    wat schrijf je toch een leuke brieven. Je bent een vogel, maar wat voor een zou ik niet kunnen zeggen, je voegt er een vogel aan toe. Een groot soort en niet schrikachtig.”

    En dan gaat het verder over uitgeef aangelegenheden, ontmoetingen met andere dichter en de twijfels over een strofe.

    Brieven 1962-1974
    Auteur: Judith Herzberg ; Chris van Geel
    Uitgeverij: Bas Lubberhuizen

    Verlies me niet

    Jacob Groot is dichter, romancier en essayist. In 2012 ontving hij de A. Roland Holstpenning voor poëzie. Verlies me niet is een lang gedicht in tweeënvijftig  taferelen over verlaten. Over wat is verlies nu precies en of we iemand echt kwijt kunnen raken. Heb je dan verloren als je iemand  kwijtraakt? Kan een afscheid je verrijken? De poëzie van Groot geeft alle mogelijke antwoorden. Het is geen troostpoëzie, ‘maar haar samenhang verbindt en haar schoonheid verlicht’.

     

     

    Verlies me niet
    Auteur: Jacob Groot
    Uitgeverij: De Harmonie ( jan. 2018)
  • Heldere bewoording maakt nog geen transparante poëzie

    Er is een geestig gedicht van Willem Wilmink waarin hij overtuigend de kennelijke coïncidentie aantoont tussen namen van dichters en het karakteristieke van hun werk: ‘Van Deel op de details gericht […] en geen puntiger dan Stip’. Een dichter met de naam Jan Glas wekt onwillekeurig de verwachting – nog voordat de bundel  geopend is  – naar heldere, transparante gedichten.
    De gedichten van Jan Glas bestaan uit begrijpelijke zinnen en bevatten geen moeilijke woorden. Maar de heldere bewoordingen maken deze poëzie van Glas nog niet transparant. Neem bij voorbeeld ‘Kleine ballade’:

    Mensen die fietsen
    alsof ze langzaam sterven.
    Achter zulke mensen fietsen
    in een smalle of drukke straat.
    Het lukt je niet ze in te halen.
    Je ziet hun achterste.
    Wat een gedoe, denk je,
    ze sterven.

    Jan Glas (1958) debuteerde vrij laat. In 2004 kwam zijn eerste bundel gedichten in het Gronings uit.  En Groningen, de Groningse cultuur en de Groningse taal, zijn een duidelijke constante in zijn werk. Glas vertaalt in het Gronings, dicht in het Gronings en presenteert zich in zijn ‘webloug’ als een Groningse kunstenaar. Uitgeverij De kleine uil, waar ook de bundel Het waaide er verschijnt, is in Groningen gevestigd. Wat hierin dus opvalt, met andere woorden, is dat Glas zich ditmaal niet per se als Groninger heeft willen laten kennen.
    Er is een gedicht dat ‘Polderland’ heet, maar Gronings is het in het geheel niet:

    Ik was het eerste kind en werd Konijn
    genoemd, de zoon van een Koningin, een moeder
    die alles zelf naaide: een berglandschap
    waar in ons polderland geen plaats voor was,
    een trein die in één keer doorreed naar Parijs,
    niemand die daar in 1967 belang bij had.

    […]

    De bundel Het waaide er van Jan Glas is vooral gevarieerd. Binnen enkele pagina’s bewegen wij van een Bulgaars circus naar vliegveld Tempelhof Berlijn, monstert in 1783 een licht-matroos aan bij de VOC, en wordt geciteerd uit recent onderzoek dat is verricht aan de Universiteit van Michigan. De gedichten van Glas zijn koel beschouwend of persoonlijk (‘Maandagnacht had ik een Chinees in bed …’). En van dit ene uiterste naar het andere bewegen lezer en dichter zich moeiteloos, zonder nadrukkelijke overgangen. Tussen dit alles door staan, verspreid  over de bundel, vijf gedichten, getiteld ‘Abstract’, I t/m V. De samenhang die door deze zich herhalende titels wordt opgeroepen is – vooral inhoudelijk – schijn; wel ogen deze vijf ‘abstracts’ alle als prozagedichten. Om er één te citeren:

    Abstract II

    Er verscheen een kamer midden in de nacht
    met een kleine keuken eraan vast. Gebouwd
    zonder bouwvergunning of aannemer. Blijkbaar
    kan zoiets in de nacht waar het wemelt van de
    nietsnutten en de zogenaamde vrienden. In de
    kamer zat een gat. Het waaide er. Door het gat
    kwam mijn vader de kamer binnen, hij droeg
    een kip die legnood had. Grote kans dat er in de
    nacht in de kip een ei met dubbele dooier zat.

    De poëzie van Jan Glas heeft iets zakelijks; in het gedicht ‘De wereld van wrok’ bijvoorbeeld, kiest de dichter vrijwel meteen het zijspoor van de beeldspraak en gaat daar tot bijna in het lachwekkende op door. Met wrok heeft dat niet meer te maken – benoemd is het thema wel. En daarmee weet Jan Glas te intrigeren. Is dat dan toch op een of andere manier iets Gronings?

     

     

  • Toverboek als inspirerende gids

    In de waanzin van de roes van een tranquillizer besluit dichter Martijn Benders tot een zakelijk plan: het openen van een nachtefteling. Een duistere plek van vermaak waar al het groteske en buitenissige de ruimte krijgt. Deze bundel, deze ‘grimoire’ van nieuwe gedichten, dient beschouwd te worden als ‘een nietszeggende voorbode op de verwezenlijking’. Dat is een bijzondere  introductie voor een verzameling verzen die op geen enkele wijze onder één noemer te brengen is, behalve die van de ongebreidelde vervreemding.

    Laten we het een vorm van extravagantie noemen: de dichter die zich uit in woorden, in regels, in strofes die geen enkele vaste grond onder de voeten bieden. Kan dat een ambitie zijn, het opwerpen van taalvormige rookgordijnen om de lezer te verwarren? Het schuiven met betekenissen, zand in de ogen strooien om het verloop van een gedicht te laten stranden in totale onbegrijpelijkheid? Benders is daar een grootheid in, alsof hij op zoek is naar de ultieme grenzen van wat poëzie teweeg kan brengen.

    Scheer je weg, mijn vriend, maak je uit de voeten.
    Dat aftands gezicht van de barvrouw daar – dat zijn geen sproeten,
    en het is geen knoflooklucht, of walm van loskomend behang,
    nee, het is de stank van lieden die ogelen naar wiffels.

    In dit ‘Stilleventje uit dorpskroeg’ lijkt de dichter weg te vluchten uit zijn stamcafé waar de sleur van de omgeving hem teveel wordt. Zoveel uren in deze stilstaande wereld doorgebracht dat het hem gaat tegenstaan. Er zijn daar zelfs mensen die ‘ogelen naar wiffels’. Dat heeft waarschijnlijk iets met geur te maken, maar is vooral een bepalend einde van een strofe waarmee de lezer in onwetendheid wordt achtergelaten. Wordt hier een nieuwe taal gebezigd? Is dit een Brabantse tongval die alleen door de dichter en zijn landslieden wordt verstaan? Duidelijk is dat Benders wil experimenteren met klank en vorm, waarbij hij nieuwe woorden als plotselinge oprispingen het verloop laat bepalen.

    In die context is het van belang de verzen hardop te lezen, te luisteren naar het ritme en de klankweergave. Vooral het veelgebruikte binnenrijm heeft grote invloed op de beleving:

    De uil ploegt
    hoeiend over de velden.

    De maan reunt
    gehavend door het ruit.

    De neerslag rijgt
    een krinkel van vingerlingen.

    In het schars van hoop
    raakt de wereld kwijt.

    Als ‘vormdichter’ heeft Benders weinig boodschap aan de duiding van zijn werk. Hij weet een specifieke sfeer op te roepen door met grote gebaren een onderwerp aan te raken. Vervolgens trekt hij zich terug in surrealistische frases die op zijn hoogst boeiend zijn om te proberen te ontleden. De dichter lijkt net zo rondtastend door de tekst te struinen als de lezer die zijn bundel ter hand neemt. Een exercitie die voor korte tijd interessant is, maar waar de oppervlakkigheid al snel op de loer ligt.

    Dat blijkt vooral in het laatste gedeelte van de bundel, ‘Toelink’ genaamd. Als in een toegift wordt hier een nogal gevarieerde reeks verzen gepresenteerd die voornamelijk als vorm iets te zeggen hebben. De plaatsing van de ‘magische vierkanten’ in Georgische lettertekens (zonder vertaling) zijn puur decoratief en hebben alleen voor typografisch geïnteresseerden enige waarde. Een vingeroefening als het ‘vierkant’ met varianten op strofes uit het beroemde lied ‘That’s Amore’ is van een Tim Hofman-achtige leutigheid. Klank en ritme zijn hier de gangmakers:

    When the vases are Greek / And they’re stacked in a heap / That’s amphorae.

    When the roses look wet / like the landscape’s been shat / That’s a Monet.

    After some lousy fuck/ you might spot on your jock / chlamydospore.

    Het meest in het oog springend is de openhartigheid van Benders over zijn eigen dichterschap. Hij noemt zichzelf een ‘faalvogel’ en vindt dat ‘Mijn lippen verzaken/ die prachtige rompslomp van woorden, de poëzie’. Die onzekerheid kan een pose zijn, het maakt dat de dichter in ieder geval dichterbij komt door zijn eigen talent aan de kaak te stellen. Een goede tegenhanger voor zijn meer afstandelijke en vervreemdende gedichten. ‘Waar blijf je als schrijver,/ als je lijf zichzelf begint te schrappen?’ bevraagt hij zichzelf in het gedicht ‘Dummy’s’. Of bijna aan het eind van de bundel: ‘Op de barricade van mijn gedichten staat de revolutionaire garde/ met sterretjes in de hand fluisterend mijn terugtrekking te eisen.’

    Zover hoeft het niet te komen. Benders weet met ‘Nachtefteling’ een wereld te scheppen die een veelzijdig beeld geeft van zijn kunnen, maar waarin hij zelf nog een plattegrond nodig heeft om zijn weg te vinden. De grootste uitdaging ligt bij de lezer die moeite moet doen zich door de vormconstructies heen te worstelen, om daarna een volop experimenterende en zoekende dichter te ontmoeten. Als het nachtelijke pretpark wordt geopend is Martijn Benders met zijn toverboek een inspirerende gids.

     

     

  • Een dichtbundel geregisseerd als een film

    De dichteres Delphine Lecompte (1978) debuteerde in 2004 in het Engels met de roman Kittens in the Boiler. Daarna volgden uitsluitend bundels poëzie in haar moedertaal die welwillend maar toch ook enigszins verbaasd door de pers zijn ontvangen. Lecompte is wel een ‘extremist’ genoemd en een dichteres van ‘volstrekt eenmalige gedichten’. Eenmalig of niet, ook met de bundel Western slaagt Lecompte er weer in de lezer te boeien. Haar lange gedichten vertellen losjes een verhaal, of anders gezegd: ze storten een vloed aan beelden, indrukken en ervaringen over de lezer uit. Of die er altijd raad mee weet valt te betwijfelen, maar een beetje poëzielezer is er helemaal mee vertrouwd dat hij of zij niet alles hoeft te begrijpen – dat we dat misschien zelfs niet eens altijd moeten willen.

    Lecompte wekt ogenschijnlijk de indruk met een samenhangend geheel voor de dag te komen. Lange gedichten, lange dichtregels, regelmatig en solide gestructureerd door middel van compacte strofen van meestal vijf of zes regels. Een verhalende opbouw, zoals blijkt uit de inhoudsopgave die bestaat uit een intro, vier delen en een ‘deleted scene’. Daarmee knipoogt Delcompte naar de cinema. Haar bundel heet immers Western en deze is ook niet geschreven door maar ‘directed by’ Delphine Lecompte.

    Steevast is een ‘ik’ aan het woord, een vrouw of meisje, Delphine genaamd.  Wat Delphine meemaakt, waarover ze fantaseert of wie ze ontmoet is echter – zacht uitgedrukt – uitzinnig.

    Ik belde steeds naar de manager van de operaster
    Hij wilde de operaster niet doorgeven
    Hij geloofde niet dat ik de operaster kon verlossen
    Van zijn tuinkabouterobsessie, zijn obsessie met de woorden ‘eendenlepel’ en ‘baknijd’
    Zijn obsessie met zilveren jachthonden, zijn obsessie met elfjarige pyromanen,
    Zijn obsessie met wijnvlekken op veertigjarige antiquairs, en zijn obsessie met Cleopatra

    ‘De manager van de operaster’ is niet de enige identificeerbare persoon die we in deze enorme gedichten tegenkomen. Tal van (meestal) mannen met typische beroepen of althans dergelijke aanduidingen bevolken Lecompte’s poëzie. En sommigen keren zelfs in meerdere bundels terug. Op twee willekeurige pagina’s passeren ‘de Schotse schapenscheerder’, ‘een zeepzieder’, ‘een ouderwetse astronaut’ en ‘een onschuldige ruimtevaarder’.  En er is, ten slotte, in de deleted scene,  ‘de analfabetische jongenshoer’ en ‘de profetische teckel’. Wat deze teckel profeteert?

    Verlaat dit land, dit land van toxische wafels
    En bloeddorstige makelaars, dit land van achterlijke maskers,
    Hebzuchtige paters, lompe schapen, tamme wolven,
    Plagiaatplegende misdaadschrijvers, en gemiste treinen.
    Jij verdient zoveel beter!

    Het moge duidelijk zijn. Voor gevoelige zielen, die op zoek zijn naar de poëtische verwoording van hun eigen kleine sentiment door een dichter die het zoveel beter kan verwoorden dan zijzelf schrijft Delphine Lecompte niet. De onstuitbare woordenvloed en beeldenrijkdom zijn overstelpend, verstikkend ook – het ‘verhaal’ voor zover aanwijsbaar, raakt er geheel door uit het zicht. En na al die groteske vergelijkingen, rauwe seks, vreemde passanten en onverwachte wendingen, is de lezer wel eens murw gebeukt. Teveel van deze poëzie achter elkaar leidt tot een slijtageslag: er treedt gewenning op, nog meer bizarre beelden, woorden, gebeurtenissen en scènes … de kracht ervan neemt af door de overvloed.
    Maar dat een hoogst eigenzinnige dichteres aan het woord is die elke denkbeeldige begrenzing achter zich gelaten heeft, is onmiskenbaar. En dat is iets om zuinig op te zijn.

     

     

  • Nachoem M. Wijnberg ontvangt P.C. Hooft-prijs voor poëzie


    ‘Eerst dit en dan dat’

    Allebei de schoenen?
    Een schoen doe je uit
    als een vrouw bij je op bezoek komt
    en je niet met haar wilt trouwen.

    Eerst stilte, dan uitleg;
    eerst duidelijk, dan verbazend;
    eerst de rechterschoen, dan de linkerschoen,
    dan de linkersok, dan de rechtersok.

    Is er iemand die daarover geen gedicht zou willen schrijven?

    Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken.

    Een kenmerkend gedicht van Nachoem M. Wijnberg (1961) die vandaag te horen kreeg dat hem de P.C. Hooft-prijs – belangrijkste literaire oeuvreprijs van Nederland – werd toegekend. De prijs, vernoemd naar de Nederlandse dichter en toneelschrijver Pieter Corneliszoon Hooft (1581- 1647), werd toegekend door het bestuur van de Stichting voor Letterkunde voor zijn poëzie-oeuvre.

    Kenmerkend in bovenstaand gedicht van Wijnberg is de speelsheid en het afvragen, waardoor je als lezer nooit weet welke kant je op moet kijken. En dan die oproep aan het einde met als laatste de raadselachtige strofe: Er is nog iets wat ik niet moet vergeten te doen, maar ik hoef er nu niet aan te denken. Waardoor de nieuwsgierigheid gewekt is en het gedicht nog eens gelezen wordt om te ontdekken dat de raadselachtigheid vergroot wordt.

    Nachoem Wijnberg debuteerde met De simulatie van de schepping (1989), waarna hij een indrukwekkend oeuvre opbouwde waarvoor hij geregeld prijzen ontving, waaronder de Herman Gorter-prijs voor Geschenken in 1997, de Jan Campertprijs voor  Eerst dit dan dat in 2005 en de VSB Poëzieprijs voor Het leven van  in 2009. Hij schreef ook enkele romans, maar bovenal is hij dichter. Zijn laatste bundel Voor jou, van jou verscheen onlangs bij Atlas/Contact.

    Ondanks de vele prijzen werd zijn poëzie niet altijd begrepen. Door veel critici werd zijn werk als onbenaderbaar ervaren. Zo liet Erik Menkveld (1959-2014) in de Volkskrant van 23 okt. 2009 weten: ‘Er is studie en doorzettingsvermogen nodig om zijn werk (…) te doorgronden, iets waar lang niet alle lezers zin in zullen hebben.’ En Arie van den Berg wist in het NRC, 20 jan. 2012, de poëzie van Wijnberg als volgt  te omschrijven: ‘De poëzie van Nachoem Wijnberg is zo helder als kraanwater, en toch volslagen raadselachtig’.

    De jury – bestaande uit Remco Ekkers, Maria Barnas, Ellen Deckwitz, Jos Joosten en Anne Vegter – is van mening dat met het lezen van Wijnbergs poëzie er een gebied van scherpzinnig denken betreden wordt; ‘met een taal die loepzuiver is en gevaarlijk: overal kan een val zijn uitgezet, waardoor wat net gelezen is opeens in een ander daglicht komt te staan. Kenmerkend voor alle gedichten is de meerledigheid waarmee de dichter zijn wereld beziet.’

    Wijnbergs werk werd vertaald in het Engels, Duits en Italiaans. Een vertaling van Van groot belang (2016) verschijnt in 2018 in de Verenigde Staten.

    De P.C. Hooft-prijs wordt  jaarlijks toegekend voor afwisselend proza, poëzie en essays. In deze laatste categorie kreeg Bas Heijne in december 2016  de P.C. Hooft-prijs toegekend. Eerdere laureaten in het genre poëzie waren onder meer Anneke Brassinga (2015), Tonnus Oosterhoff (2012) en Hans Verhagen (2009).

    Nachoem M. Wijnberg zal op 24 mei 2018 de prijs ontvangen in het Literatuurmuseum in Den Haag. Aan de prijs is een geldbedrag van 60.000 euro verbonden.

     


     

    Foto: Merlijn Doomernik

     

  • Diepe emoties in weloverwogen zinnen met originele beelden

    Het openingsgedicht van de debuutbundel Binnenplaats staat als een rode vlag apart, nog voordat de eigenlijke bundel begint. Een gedicht dat volgens de informatie op de persoonlijke website van de dichter vertelt over het moment waarop zijn vrouw een zware hartaanval kreeg. Het hart dat op de omslag afgebeeld staat, verwijst daar naar. De onmacht en de ontreddering van de dichter worden weergegeven in de ontoereikendheid van de taal op dat ogenblik: ‘daar 112′ de ik de taal die ik nog had’. Het besef hiervan bepaalt voor een groot gedeelte de sfeer en de inhoud van de rest van de gedichten.

    De titel van de bundel roept het beeld op van een omsloten plek, als van een gevangenis of een klooster. Maar het is zijn eigen besloten, innerlijke wereld van waaruit de dichter spreekt en waarmee hij zijn gedachten ontsluit voor een toegesproken ‘Jij’. Het enige woord in de hele bundel met een hoofdletter, zo kan de lezer zelf uitmaken of hij zich richt tot de lezer, een geliefde, de dood, tot God of misschien wel tot zichzelf. Ook de dichter zelf schijnt hierover in het onzekere te verkeren: in bijna elk gedicht wordt een vraag gesteld die een nieuw licht werpt op de identiteit van die ‘Jij’ en de mystieke verhouding van de dichter tot deze onbekende. Die verschillende schakeringen leveren mooie beelden op:

    ‘[…]
    al geef ik Je een plaats in dit

    gedicht, al geef ik Je een naam,
    Je blijft een vraag waarop ik

    van mijn tenen tot mijn kruin
    een antwoord schuldig blijf.’

    In het tweede deel Meer dan aan elkaar wordt de binnenplaats verlaten en wordt de buitenwereld verkend. De gedichten hebben een ander als onderwerp, van Tom Waits en Karl Marx tot aan Werner Herzog. Heel bijzonder is het gedicht Dode hond over de broer van de dichter, waar in een ontroerende wisseling van perspectief een eiland, een hond en de broer onderling van plaats en betekenis ruilen.

    Baars maakte ook een vertaling van zes gedichten van de priester jezuïet Gerard Manley Hopkins, de Sonnets of desolation, ook wel de ‘Terrible sonnets’ genoemd, die hij de titel gaf: ‘Waar ik niet heen wil gaan.’ Jammer dat de oorspronkelijke sonnetten ontbreken, omdat nu niet na te gaan is in welke bewoordingen Baars de moeilijke taal van Hopkins heeft omgezet. De gedichten zijn niet erg toegankelijk en vormen een vreemd element in deze bundel, tenzij Baars nogmaals de taal als een vervreemdend element heeft willen opvoeren; die niet bij machte is om gevoelens werkelijk uit te drukken.

    De laatste afdeling, Het dal van Spoleto, roept meteen de gedachte aan de heilige Franciscus van Assisi op, die volgens de legende preekte tot een groep vogels die aandachtig naar hem luisterde. Toen hij nog een ridder was en wilde deelnemen aan een gevecht tegen Apulië, kreeg hij in Spoleto een droom waarin hem opgedragen werd naar Assisi terug te keren en de wapens neer te leggen.

    In elk gedicht spreekt Baars een vogel toe: het eerste gedicht begint met de betekenisdragende regel: ‘o kraai, wat doe je in mijn binnenplaats? ‘ De dichter wijst de kraai erop dat zijn verschijnen onheil voorspelt:

    weet je dan niet

    waarvan je vehikel bent,
    zo diep in mijn cultuurgenoom

    verankerd, dat het mijn ratio omzeilt
    en in mijn lichaam haakt

    dat ik hier na het ziekenhuis-
    bezoek te ruste heb gelegd.

    Ik wil jou niet in mijn betekenis-
    geneigde brein, dat moet geloven

    dat ze thuiskomt, dat ze

    net zo onsymbolisch blijft
    als jij voor mij moet zijn.

    Nog twaalf andere vogels worden toegesproken die zich allen toegang verschaffen tot de binnenplaats van de dichter: zwanen en uilen, roodborstjes en mussen en nog andere, maar geen van de gedichten aan hen gewijd is zo bezwerend als deze. Ze lijken lichter van toon en voor het eerst valt er ook humor te bespeuren. Het is een aantrekkelijk en speels geheel van goed gevonden gedachten die consequent zijn volgehouden als preek tot de vogels.
    Het laatste gedicht, dat evenals het eerste buiten de bundel staat, heeft als steeds terugkerende versregel ‘met jou beginnen.’ als een refrein. Met zijn hoopvolle tendens een mooie afsluiting van deze bundel.

    Joost Baars is met zijn debuutbundel zeer terecht genomineerd voor de VSB-poëzieprijs van 2018. De gedichten zijn overdacht en nauwkeurig opgeschreven, maar nergens doen ze gemaakt aan. Baars toont zich kwetsbaar, durft persoonlijk te zijn, diepe emoties te laten zien en kan deze uitdrukken in weloverwogen zinnen met originele beelden. Hier is iemand aan het woord die het vak van dichter verstaat.

     

     

     

  • Natuur als bron van inspiratie

    Geen idee wat een ‘tier’ is – laat staan een loeiende. De aldus getitelde bundel overtuigt zodanig, dat de vraag wat een tier eigenlijk is futiel wordt. Het ritme van de gedichten, de beelden, taal en vorm: het klopt en klotst en kolkt alles tezamen. Maar een blik in het woordenboek voegt natuurlijk toch iets toe: ‘tier’ is een Zuid-Nederlands woord voor een schreeuw of gil. Ook wordt er zoiets als groei mee aangeduid (vgl. de zegswijze welig tieren). Heel toepasselijk, want veel wat in deze gedichtenbundel passeert groeit – en nog welig ook. Een geheel vormen de gedichten niet zozeer, samenhang vertonen ze wel. Bijvoorbeeld omdat in vrijwel elk gedicht wind en water voorkomen. Of boten waarmee gevaren kan worden. En anders is er wel een combi van zand, strand, wolken en zonlicht. Een voorbeeld:

    ‘Diepgaand, onpeilbaar’

    Een dansende zeebeer,
    gele koraalvlinders onder water.

    Hielspoor, teengeruis,
    plasmapolka hoezeer.

    De storm en het onttoverde uur.
    Het kadaver van een rafelvis.

    De zoute wind schroeit mei-
    doorns in grillige vormen.

    De veelvoudigheid vergeten
    in de spiegel van herinneringen.  

    In hemelsnaam wat verklaart
    de aardse kleurendoos?

    De natuur is overduidelijk een bron van inspiratie, maar poëzie van het kleine sentiment schrijft Van Tongele bepaald niet. Daarvoor zijn deze gedichten te abstract, te weids van gebaar, te impressionistisch van taal. En toch past in dit mozaïek dan onverwacht wel weer een familiair-verhalend tafereeltje, dat zich afspeelt tussen zeedijk en branding, met emmertje, vormpjes en schepjes als rekwisieten. Het heet ‘De lichtmythe doorverteld’:

    Op de zeedijk uitgelaten de zonnestaart dragend
    duwt mijn dochter de kinderwagen waarin Oskar kirt
    en ik, gezwind naast haar, de rolstoel van mijn vader.       
    In een strandwinkel kopen wij een emmertje boorde-
    vol kleurige vormpjes en schepjes, dat mijn vader lucht-
    hartig aan mijn kleinzoon schenkt onder het éénziende

    oog van mijn dochter en mij.  De golden knikken mee:
    wij voelen de ene onophoudelijk in de andere vervloeien,
    hand over hand een zandkasteel bij de branding innemen.

    Over samenhang gesproken: verspreid in de bundel staan enkele drieregelige gedichten die op het eerste gezicht louter uit rare woorden bestaan (in dit geval namen van zeebeesten) die eindigen met een grammaticaal correcte en begrijpelijke (?) conclusie. Deze woorden zijn in het dagelijks spraakgebruik weliswaar zeldzaam maar op zichzelf gewoon en zeker niet dichterlijk; in de context van een gedichtenbundel doordringen ze de lezer van hun bloemrijke, talige zeggingskracht. Van Tongele laat je aldus opnieuw kijken, en vooral ook: luisteren.

    Asjemenou
    Kruipende klokpoliep tandhoornkoraal stompe alikruik muiltje purperslak
    fluwelen ritspok zeedruif meloenkwalletje weduweroos sliertige brood-
    spons roze kalkkorstwier knotszakpijp kamster taalrasp.
    Alles blijft vervat in de wereld.

    Door de onverwachte muzikaliteit van de taal op deze manier voor het voetlicht te halen doet deze poëzie wel denken aan het werk van Pierre Kemp of – heel anders, maar toch – aan het gedicht ‘56 rozen’ van Ivo de Wijs.

    Van Tongele’s gedichten vragen niet nadrukkelijk om uitleg of begrip. Je moet er open voor staan – zoals voor abstracte kunst – om ervan te kunnen genieten. Een paar glazen stevige rode wijn op de nuchtere maag kunnen deze gedichten ook best hebben. Evenals hardop voorlezen, of beter nog: scanderen, buiten, aan het strand, bij bewolkte hemel, tegen de harde wind in. Voilà, daarmee zijn we bijna weer terug bij de schreeuw uit het begin, waarvoor de dichter het woord ‘tier’ gebruikt.  Verheugend te bemerken dat deze poëzie met onze taal gemaakt kan worden en dat dat anno 2017 nog gebeurt ook.