• Compromisloze poëzie over verzet en hoop

    Als Picasso of Matisse met een tentoonstelling worden geëerd, staan de kranten er vol van. Als het werk van dichter René Char (1907 – 1988) in Nederlandse vertaling verschijnt, wordt er in alle talen gezwegen. En dat terwijl de Franse dichter met bekende kunstenaars als bovengenoemde, en onder meer met Braque, Giacometti, en Kandinsky heeft samengewerkt en bevriend was met de dichters Breton en Éluard, evenals met Heidegger, Bataille, Blanchot en Camus.
    In 2016 bracht  uitgeverij IJzer een integrale vertaling van De onbeheerde hamer (Le marteau sans maître) in beperkte oplage uit. Hoewel deze uitgave weinig aandacht kreeg, heeft dit de uitgeverij er niet van weerhouden Woede en mysterie ((Fureur et mystère, 1948) van Char uit te geven. Een bundel die in 1999 door ‘Le monde’ op de lijst van 100 beste boeken van de eeuw werd geplaatst.

    Omvangrijke verzameling
    Woede en mysterie is een verzameling gedichten opgebouwd uit drie hoofdafdelingen: Zij alleen bleven (1938-1944), Bladen van Hypnos (1943-1944) en Het verpulverde gedicht (1945-1947), waartussen nog wat kleinere afdelingen als intermezzi zijn gevoegd. De afzonderlijke delen verschillen sterk, niet alleen qua vorm en onderwerp maar ook in stemming. Losjes volgen de gedichten de chronologische lijn van de mobilisatie voorafgaand aan de oorlogsdreiging en het verzet tijdens die verwoestende strijd. Welke uitmondt in de terugkeer naar levensbevorderende creativiteit na de oorlog. Er wordt gependeld tussen liefde en strijd, verzet en onderdrukking. Char sloot zich aan bij het actieve Franse verzet en was betrokken bij geheime wapentransporten. Hoezeer de stemming ook door de actualiteit van oorlog werd bepaald, Chars poëzie is van iedere anekdotiek gestript, want: ‘De geniepigste vijand is de actualiteit.’ Wanneer op 3 september 1939 Frankrijk en Groot Brittannië de oorlog verklaren aan Duitsland, krijgt dat zijn weerslag in het drieregelige gedicht: ‘Wielewaal / 3 september 1939’

    ‘De wielewaal kwam de hoofdstad van de dageraad binnen.
    Het zwaard van zijn lied sloot het trieste bed.
    Alles was voorbij, voorgoed.’

    Verzet en hoop
    Chars poëzie is niet los te zien van de mens, enerzijds tot vernietigen genegen, maar die ook de mogelijkheid heeft de strijd de rug toe te keren en zijn toevlucht te nemen tot de scheppende verbeelding. De ‘heilige woede’, een bezielde strijd tegen de krachten die het levenswaardige dreigen te vermorzelen. Char is van mening dat indien de mens zijn taak tot scheppen verzaakt, hij rooft van de schepping en de beschaving zonder er iets voor terug te geven. Zijn poëzie moet die verwording aan de kaak stellen (fureur) maar zich ook blijven verwonderen over het geheim van het alledaagse (mystère). Char voelde ook verwantschap met de pre-socratische natuurfilosofen, die de krachten van de natuur nog niet omgesmolten hadden tot rationele waarheden. Het is aan de dichter uit dat polaire krachtenveld een metaforisch potentieel te scheppen dat de onderliggende tegenstellingen weet te duiden en de scheppende kracht van de liefde dient: ’Boven alles uit zingt de mond van de geliefden.’

     Chars poëzie is even compromisloos als eigenzinnig. Zijn gedichten sluiten zich af voor de werkelijkheid, maar niet voor de lezer. Het gedicht is een ontmoetingsplek waar schoonheid, liefde en het weerbarstige elkaar ontmoeten. ‘Het gedicht ontspringt aan een subjectieve dwang en een objectieve keuze.’ Soms schakelt hij terug naar een toegankelijkere modus: ‘De zomer en ons leven waren één. / Het veld had de kleur van jouw geurige rok.’

    Een logboek
    De toegankelijkste sectie van Woede en mysterie is wel Bladen van Hypnos. Deze afdeling, een symbool van verzet, is opgedragen aan Camus. De filosoof die Chars credo ’Ik zal nooit een gedicht schrijven ter instemming’ onderschreef. Het bestaat uit 237 prozagedichten met een sterk aforistische inslag. Te lezen als een poëtisch logboek van oorlog en strijd, van hoop en verzet en over de noodzaak van poëzie in oorlogstijd. Deze Bladen zijn ‘gekenmerkt door een humanisme dat zich bewust is van zijn plichten en terughoudend is over zijn deugden’ zoals hij het zelf verwoordt.

    Soms overheerst het cynische: ‘Er is geen reden waarom de herder nog gids zou moeten zijn. Zo is het beslist door de politiek, dat is onze nieuwe belastinginner.’ Dan weer gloort hoop: ‘Dichter, hoeder van de eindeloze gezichten van het levende.’ En tussendoor bloeien poëtische distels: ‘Toestemming doet een gezicht stralen. Weigering verleent het schoonheid.’ Humor is zeldzaam bij Char die ‘poëzie’ en ‘waarheid’ als ‘synoniem’ beschouwde, maar in deze Bladen permitteert Char zich toch het volgende: ‘Tussen de twee geweerschoten die over zijn lot beschikten vond hij de tijd een vlieg als “Mevrouw” aan te spreken.’ Deze in 1946 afzonderlijk uitgegeven afdeling geldt als een van de hoogtepunten uit zijn oeuvre.

    Pastorale poëzie
    In een van de laatste afdelingen Loyale tegenstanders doet pastorale poëzie haar intrede. Hierin wordt de natuur en opbloeiende liefde lyrisch bezongen als idyllisch tegengif tegen het voorafgaande strijdgewoel: ‘Mijn toekomstig leven is jouw gezicht wanneer je slaapt.’

    Dit optimistische tussenstuk duurt slechts even. Daarna volgt de afdeling Het verpulverde gedicht met het uiterst sombere gedicht Ik bewoon een verdriet waarin de vraag ‘wanneer wordt de afgrond geoogst?’ wordt opgeworpen. In deze reeks reflecteert Char over de taak van de dichter. Hij acht zich medeschuldig aan de verwording van de maatschappij en voelt het als zijn morele plicht zich in te zetten voor een betere. Char leerde dat in de natuur en alchemie iets nieuws alleen ontstaat na ontbinding van het oude. Vernietiging biedt dus ook kansen voor het nieuwe:

    ‘Geboren uit de lokroep van het worden en de angst van het vasthouden zal het gedicht, zich verheffend uit zijn put van modder en sterren, bijna stilzwijgend getuigen dat het niets in zich heeft wat in werkelijkheid ook niet elders al bestond, in deze rebelse en eenzame wereld van contradicties.’

    Griekse natuurfilosoof
    Het verpulverde gedicht bouwt het nieuwe op uit de brokstukken van het oude. Tijdens de oorlog ervoer Char het gelijk van een van zijn favoriete filosofen, Herakleitos, volgens welke aan de werkelijkheid een nimmer aflatend conflict van tegenstellingen ten grondslag ligt dat zich in strijd ontlaadt. Char meende met de Griekse natuurfilosoof dat de geschiedenis zich volgens een cyclisch patroon voltrok. Overal om hem heen woekerde fascisme en bevond de beschaving zich in een duisterste fase.

    ‘Heracleitos legt de nadruk op het spannende samengaan van tegengestelden. Hij ziet daarin in de eerste plaats de perfecte voorwaarde en onmisbare motor om harmonie te bewerkstelligen.’
    Char hamert op het belang van de verbeelding: ‘in de verbeelding houdt de dichter de vlam brandend van een oorspronkelijke harmonie en van een onderlinge verbondenheid tussen de mensen’. Oude structuren worden vernietigd waardoor de voedingsbodem rijp wordt voor nieuwe aanwas van het ‘mysterie’.

    De tegenstelling
    Char staat te boek als een duister dichter. Zijn stijl is geserreerd, gefragmenteerd en drijft op metaforen. Als vertrekpunt neemt hij steevast die van de tegenstelling met dikwijls verwijzingen naar mythen om de kosmische zeggingskracht ervan te duiden. De poëzie wordt beleden als centrale kracht in de kosmos en beheerst door de dialectiek tussen licht en duisternis, hemel en aarde. Zijn woorden bewegen zich tussen het concrete en het abstracte. Hij toont de liefde zinnelijk en tegelijkertijd mystiek. Char werkt hetgeen hij opwerpt ook in zijn tegendeel uit en maakt er zodoende één beweging van, één stroming waarin het gedicht de som van zijn opgeroepen tegenstellingen doorstroomt.

    Wie oog krijgt voor die beweging voelt zich bij de hand genomen. Zijn gedichten zijn hier en daar hermetisch maar zijn zinnen staan open voor meerduidigheid. Het is als onvoltooide poëzie, vol breuklijnen en rafelranden. Vanzelfsprekend is een dichter met zulke eigenzinnige beeldspraak en ambivalente grammaticale structuren, schier onvertaalbaar. Het is goed dat deze editie tweetalig is zodat de lezer zo nodig kan spieken in het Franse origineel.

    Poëtische schoonheid
    De kracht van Chars poëzie zit niet in duiding maar in de overgave aan krachtige, gedurfde beelden. Daarom tot slot een handjevol poëtische schoonheid van René Char:

    ‘Ik ben de dichter, exploitant van de verdroogde put, die, o mijn lief, door jouw verten wordt gevoed.’
    ‘Wanneer ik vroeger naar bed ging stelde het idee van een tijdelijke dood in de armen van de slaap mij gerust, tegenwoordig ga ik juist slapen om een paar uur te leven.’
    ‘De mens is een vreemdeling voor de zonsopgang’.
    [Poëzie ontstaat] ‘uit het verbreken van de stilte en het weer opleven van die stilte’.
    ‘Poëzie behoort onafscheidelijk te zijn van wat voorzienbaar, maar nog niet geformuleerd is.’
    ‘Steeds als bewijzen het begeven antwoordt de dichter met een salvo toekomst.’

    Zich niet gewonnen geven was voor Char een morele opdracht. Zijn poëzie verdient een lezer die zich niet gewonnen geeft, ook waar die soms op de tast moet gaan naar enige betekenis.

     

  • De tegencultuur we deden het voor de toekomst

    Een symposium over de sixties – de jaren van seks, drugs en rock-’n-roll, de Beatgeneration, de dreiging van de bom – met popgrootheden als dichter/zangeres Patty Smith, gitarist en pophistoricus Lenny Kaye en Bob Dylan-biograaf Sean Wilentz. Alle drie beleefden zij als jongeren deze vernieuwende jaren, gaven er zelf vorm aan en schreven er later over. Patti Smith in het autobiografische Just Kids en Wilentz onder meer in de biografie van Bob Dylan waarin de sixties uitvoerig aan bod komen. Het Nexus-Instituut organiseerde het symposium ‘An Education in Counterculture’, dat plaatsvond op 26 mei in het DeLaMar Theater te Amsterdam.

    Tijdens het symposium, waarbij Nexus oprichter Rob Riemen als gespreksleider optreedt, komt in fragmentarische stukken en aan de hand van beelden en muziek uit de jaren ’60 en ’70, een verhaal naar boven dat een kantelmoment betekende in de culturele geschiedenis van Amerika en Europa. Over wat het was en welke betekenis het nu nog heeft, of we er nog iets van kunnen leren van die Counterculture. Roerige jaren waarin popmuziek zich razendsnel ontwikkelde en voor de jeugd een tegenwicht bood tegen het burgerlijke bestaan van hun ouders. Er kwam een beweging op gang die de wereld zou veranderen.

    Ontmoeting in New York

    Maar eerst bezocht Rob Riemen eind vorig jaar Patti Smith in New York nadat hij haar geschreven had over haar boeken die hij gelezen had en om haar uit te nodigen aan het symposium deel te nemen. Kort daarop belde ze hem om een afspraak te maken: ‘Meet me in my café. I’ll be there writing.’ Wie het autobiografische M-Train van Smith heeft gelezen, weet van haar koffie- en schrijfrituelen. Hij ging naar New York en trof haar in het café waar ze aan een tafeltje bij het raam zat te schrijven aan een nieuwe poëziebundel. Een bundel die overigens na voltooiing door het Nexus Instituut in een tweetalige editie is uitgegeven en niet in Amerika.
    Haar nieuwe werk, zo laat ze tijdens hun ontmoeting in New York weten, is een reactie op het besluit van Trump de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem te laten verhuizen. ‘Van geen [enkel] land mag Jeruzalem de hoofdstad zijn, een politiek symbool. Jeruzalem als “stad van vrede” kan dat alleen zijn als het een stad van alle volkeren is’, is het oordeel van Patti Smith. De bundel The New Jerusalem zal tijdens het symposium gepresenteerd worden.

    In de uitverkochte zaal van het DeLaMar Theater in Amsterdam zitten veel bewonderaars van Patti Smith die zelf de jeugd bezaten toen haar punkpoems in de jaren zeventig vanuit Amerika, Europa bereikten. Aan een grote ronde tafel waarover een rood kleed is gedrapeerd, wordt het gesprek gevoerd. Rechts op het toneel is een muziekhoek ingericht met een gitaar, microfoons op standaards en geluidsboxen. Dat stelt de fans vast gerust, dat Patti Smith en Lenny Kaye straks in ieder geval nog zullen optreden.

     

     

    Behoefte aan een tegengeluid

    We vallen gelijk midden in de American Dream. Een filmpje vertoont optimistische beelden van huisvrouwen met gewatergolfde kapsels, lipstick en gebloemde jurken tijdens het huishouden. Steevast twee kinderen, een jongen en een meisje en vader met een gulle lach en een golf in het glanzende haar. De American Dream: gelijke kansen en rechten voor iedereen – waarbij de belofte van een eigen huis, een tv, koelkast, wasmachine, droger, anderhalf of twee kinderen en een auto (of twee) voor iedere Amerikaanse staatsburger in het vooruitzicht wordt gesteld. Het ziet er allemaal rooskleurig en Happy family-achtig uit. Rob Riemen vraagt zich af wat daar op tegen kon zijn in de jaren van wederopbouw.

    ‘Het begint er al mee’, reageert Sean Wilentz, ‘dat er niet één zwarte burger in deze filmfragementen voorkomt.’ Waardoor Amerika het bestaan van een aanzienlijk grote bevolkingsgroep ontkende. Ook was het de tijd van de koude oorlog. Overal waren schuilkelders en werden er oefeningen gedaan om, als de bom zou vallen, er een veilig onderkomen te vinden. Niet veel later was er de oorlog in Vietnam. De term Counterculture (tegencultuur) ontstond in die jaren voor de maatschappelijke revolte en New York was de stad waar het zich allemaal voltrok. Terwijl jonge gezinnen zich in een zeker bestaan trachten te voorzien, was er onder de jeugd een sterke behoefte aan beweging.

    Beatgeneration

    De literaire stroming de Beatgeneration, in de jaren vijftig in het leven geroepen door de schrijvers Allen Ginsberg, Jack Kerouac en William S. Burrough, vond zijn hoogtepunt in de jaren zestig. Bob Dylan maakte als protestzanger furore en Allen Ginsbergs Howl, dat begint met de wervelende openingszin: ‘Ik zag de knapste koppen van mijn generatie verwoest door waanzin, hongerend hysterisch en naakt, die zich voortsleepten door negerstraten bij zonsopkomst op zoek naar een woedende spuit’ was een waar cultding voor de jeugd geworden.

    Sean Wilentz, wiens vader en oom eigenaar waren van de legendarische Book Shop in 8th street, groeide op tussen de beats. De  boekenwinkel was het literaire middelpunt van New York in die jaren. De oprichters van de Beatgeneration waren frequente bezoekers van de Book Shop. ‘Je moet niet vergeten, zegt Wilentz, dat in die tijd een boekwinkel de ontmoetingsplaats was voor gelijk gestemde geesten. Ik groeide ermee op.’ Zo was hij in de gelegenheid om op zijn twaalfde Howl te kunnen lezen.

     

     

    Waar Patti Smith vandaan kwam was geen boekwinkel of bibliotheek en had ze nog nooit gehoord van Allen Ginsberg of zijn gedicht Howl. Op die leeftijd las zij sprookjes en Peter Pan. Ze vertelt op anekdotische toon waar ze voor het eerst een uitgave van Howl zag. Het was in 1965 in Plains, New York waar Bob Dylan speelde. Ze had wat geld gespaard en nam de trein om zijn concert bij te wonen. Toen Dylan na het akoestisch gedeelte van het concert, zijn elektrische gitaar pakte begon iedereen boe te roepen. Het viel haar op dat iedereen een zwart/witte bundel bij zich droeg, als was het onderdeel van hun outfit. Terwijl ze Dylan uitjouwden, begonnen ze de boekjes naar het podium te gooien. Smith: ‘Ik dacht: wat is dat voor een boek dat iedereen het heeft. En wat een idioten dat ze ermee gooien.’ Pas toen Smith op twintig jarig leeftijd naar New York was verhuisd, kreeg ze de gelegenheid alle ‘goede boeken’ te lezen, zoals ze zelf zegt.

    Invloed Bob Dylan

    Al die dingen waar jongeren aan dachten, naar verlangden, maar niet gevisualiseerd kregen, leek Dylan in zijn songs en met zijn houding tot uitdrukking te brengen. Hij was een bondgenoot maar ook al zoveel verder dan zijn leeftijdgenoten klonk het rond de tafel. ‘Hij was iemand om je mee te identificeren’, zegt Patti Smith. ’Alles wat hij deed, was precies wat wilden zijn. Als er twintig verschillende zonnebrillen op de markt waren, was hij degene die het juiste model koos en dan wilden we allemaal die zonnebril.’ Wilentz zegt dat hij van Dylan heeft geleerd dat je niet stil moet blijven staan. Waar Kaye aan toevoegt, ‘Dat je een eigen stem moet hebben.’

    Deceptie van de jeugd van toen

    Na de politieke moorden op Malcolm X in 1965 en Robbert Kennedy in 1968 stortte de wereld voor hen die streden voor gelijkheid en wereldvrede, in. Patti Smith had zich net aangemeld als vrijwilliger om voor het campagneteam van Robert Kennedy te gaan werken. Een dag later werd hij neergeschoten. Het ontroert haar zichtbaar nog steeds als ze daarover spreekt: ‘Zijn dood was een van de treurigste dagen uit mijn leven en het einde van de hoop van de jeugd.’

    Voor Sean Wilentz viel zo’n moment van deceptie toen Malcolm X in 1965 werd neergeschoten. Het gebeurde om de hoek van de Book Shop in 8th street. Ze hadden juist die dag de boekhandel verhuisd naar een pand aan de overkant van de straat. Er heerste een feestelijke stemming, toen kwam iemand vertellen dat Malcolm X was vermoord. Wilentz: ‘Een zwarte vriend van mij verliet direct het feest. Toen ik hem later weer zag had hij zijn naam veranderd en meed al zijn witte vrienden. Het ergste vond ik dat alle successen die er tussen zwart en wit waren geboekt, teniet werden gedaan door deze gewelddadige aanslag.’

    Regels en principes

    De jaren zestig generatie werd vooral verweten dat ze traditionele waarden omver wierp. Maar in de counterculture ging het niet om tradities maar om het afwijzen van een leven dat in regeltjes en principes werd vastgelegd door de overheid.
    Patti Smith voegt daaraan toe dat de sleutel naar een betere toekomst daarin ligt dat je een goed mens moet zijn, leven in harmonie. ‘Wat we probeerden was ruimte te creëren voor de generatie na ons. Dat is wat er van ons verwacht mag worden. We moeten onze rivieren zuiveren voor de kinderen van de toekomst. De bijen beschermen, geen plastic meer. We deden het niet voor het geld of de roem, we deden het voor de toekomst.’

    Een brug naar het hier en nu

    Het is een indrukwekkend symposium, alleen al door de aanwezigheid van getuigen van gebeurtenissen uit een tijd die de aanwezigen in de zaal ooit alleen via het polygoon journaal hebben meegekregen. Later door documentaires en via de literatuur een notie hebben gekregen van hoe het er in Amerika aan toeging.
    Toch werd de brug waarvan je verwachtte dat die – van de roerige jaren zestig naar het nu – gelegd zou worden, niet gemaakt. Zoals ook het bruggetje van Amerika naar Europa in de lucht bleef hangen met een enkele uitspraak als dat van Nixon naar Trump één lijn te trekken was. En dat de protesten onlangs van de Parklandscholieren na de schietpartij op hun school, tegen wapenbezit in Amerika, de nazaten van de Beatgeneration hoopvol stemde.
    En dan bedenk je opeens dat een getuige van die tijd uit Europa het debat beslist meer verbindende grond had weten te geven. Denk aan voormalig popjournalist Elly de Waard bijvoorbeeld. Zij volgde de Beatgeneration en de Amerikaanse popmuziek op de voet en heeft en daar nog steeds iets over te zeggen, stelde ik mij zo voor.

    Poëziebundel

    Als tastbaar gegeven is daar wel de bundel The New Jerusalem door Patti Smith. Met thema’s die generaties en culturen met elkaar verbinden. Zeven proza gedichten met een religieus getint karakter en een sterke appellerende toon het leed in de wereld onder ogen te zien en actie te ondernemen. Zoals het eerste sonnet van: ‘Wat voor boodschapper daar vliegt’. Waarin Smith het angstbeeld schetst van een niet kunnen ontkomen aan een wereld van regels en voorwaarden.

    Meisjes in paarse regenjassen sluipen door de schaduwen; ze hebben zich kundig gecamoufleerd en ontwijken de rode en blauwe stralen van een reusachtig volgsysteem. Spookachtig zijn ze en ze volgen de sporen die mogelijk leiden tot waar ze heimelijk kunnen overleven. Ze blijven onder de radar, zigzaggen door de zich versmeltende stralen en infiltreren in het verboden gebied waar zwaarbewaakte poorten toegang verschaffen tot de buitenste regio’s.’

    Het openings (proza)gedicht ‘De strekking van de tijd’ is welhaast een metafoor voor de inhoud van het symposium: over hoe tijd voortsloft, over regelgevers en landontginners en waarin God gebruikt wordt als doel. Waarvan in het derde couplet de indruk gewekt wordt dat de nieuwe tijd hoe dan ook schuldig is:

    ‘(…) En de nieuwe tijd was hun werktuig: een wakend oog. Een fijnmazig magnetisch web daalde neer over het land; het verlamde de rede en scheidde het volk als kaf van het koren. (…) en het kaf, de vermeend onnutte blolsters? / Dat waren wij, kinderen, dat waren wij. / (…) En met lege handen gingen wij heen, in vier windrichtingen, zonder plan of idee.’

    Dat doet dan toch weer denken aan de sixties, waar de jongeren zonder plan of idee hun weg gingen, maar wel kiezend welke richting ze op wilden.

     

    Het symposium sloot af met het door Patti Smith voordragend/zingende en onverbeterlijke We got the power die de hele zaal in beweging brengt. En dan is daar opeens de overtuiging: ‘Ja, wij hebben de macht en de keuze om dingen te veranderen’, die voor heel even als een geloofwaardig gegeven in de lucht blijft hangen.

     

    Foto’s symposium: Jan Reinier van der Vliet.
    Portretfoto: Gasper Tringale


     

    The New Jerusalem / Patti Smith
    Tweetalige editie
    Inleiding / Rob Riemen
    pag. 76
    Nederlandse vertaling: Onno Kosters
    Engelse vertaling: Liz Waters
    Uitgegeven door Nexus Instituut

     

     

     

  • Het Koplandsiaans minuscule is de kracht in deze bundel

    De Vlaamse dichter Sylvie Marie brengt in haar nieuwste bundel Houdingen grote bewegingen van het gemoed terug naar uiterst kleine beschrijvingen. Met de zorgvuldigheid van een horlogemaker weet ze minimale woordconstructies samen te stellen die een wereld van verborgen drama ontsluiten. In het eerste deel ‘Toestanden’ wordt in drie gedichten de basis gelegd voor het verdere verloop. Een niet vrolijkstemmend vers dat begint met: ‘veel vaker dan ik wil, wacht ik op bloed, / slijt er dagen aan (…)’

    Of het tweede gedicht dat aanvangt met: ’terwijl we weer vrijen schuift een kleine, / bange rat onder de deken (…)’
    Het derde gedicht in het deel ‘Toestanden’ laat de huidige situatie zien: ‘los als vandaag liggen we / almaar vaker. lakens scheuren / langs de drift van onze continenten. (…)’

    In metaforische schetsen laat Sylvie Marie een somber beeld zien van een vrouw in een ongelukkige toestand. Vreemd genoeg wordt die somberte nergens echt tastbaar, omdat de dichter zo omfloerst mogelijk haar taal behandelt. Geen grote woorden, geen drang naar heftige conclusies, maar slechts lichte aanrakingen die de tragiek benoemen en die tegelijkertijd bedekken onder een deken van vloeiende regels. Dat maakt de zwaarte eerst draaglijk, gevangen in schoonheid, maar bij herlezing van de verzen komt zij steeds harder binnen.

    Het tweede deel ‘Houdingen’ is een uiteenzetting van de verschillende stadia waarin de vrouw zich bevindt. Haar wezen uit zich in een reeks gedichten over eenzaamheid, verlatenheid en het verlangen naar liefde. Met een treurig zelfbeeld als dieptepunt, waarmee ze zichzelf de maat neemt:

    ik kan dat niet, de vrouw uithangen,
    wijd en traag ben ik, was ik
    hout, dan had ik brede groeven, lomp
    val ik als omgehakt, ik kraak mijn takken stug.
    het is ook altijd winter hier. (…)

    Het drama wordt alleen maar groter als er over pillen gedicht gaat worden. Hier wordt de loodzware boodschap ook allereerst verpakt in prachtige zinnetjes die heel gedetailleerd beschrijven hoe zo’n proces in zijn werk gaat. De ernst van de zaak lijkt voor zichzelf te spreken, maar neemt aan het eind van het vers een wending als er iets te nadrukkelijk verwezen wordt naar een andere functie van de pillen:

    om kalm te blijven druk ik
    geconcentreerd de pillen uit een strip

    en meer nog dan het doel van die dingen,
    gaat het om het drukken, zorgvuldig,
    de beide duimen voorwaarts
    en de nagels tegen elkaar.

    dan het zilvervlies dat knapt,
    het plastic dat ineenstuikt
    als een bolle buik tenietgedaan met een veeg
    van tafel, brekend water, spanning die lost,
    de pil die in mijn palm valt, achteloos
    als een kinderhoofdje.

    Dood en nieuw leven, beiden door de dichter aangeraakt in een omhulsel van lastige relationele kwesties. Voor een hele bundel is dat iets teveel van het goede, maar Sylvie Marie komt ermee weg omdat haar sprankelende en precieze stijl het lezen tot een bijzonder avontuur maakt. De tragiek mag dan verpakt zijn in té opgelegde metaforen, zinnen als: ‘de nacht is een kofferbak, waarin ik klaarlicht liggen moet’ zijn kleine pareltjes waarin de subtiele alliteratie een groot effect teweegbrengt.

    In het laatste deel ‘Uitkomsten’ wordt in één gedicht de zogenaamde uitkomst van alle misère toegelicht. Hier blijft weinig te raden over: goed geschreven maar veel te expliciet verwijzend naar een goede afloop. Terwijl nog geprobeerd wordt de boodschap te verdoezelen, spreekt de verzuchting van de dichter boekdelen: ‘jij liet niets vallen,/ jij hebt iets neergezet.’
    Het dichterschap van Sylvie Marie is vooral af te lezen aan de kleinheid van haar verzen, waarbij ze soms de verbeelding te letterlijk laat plaatsvinden. Het haast Koplandsiaanse minuscule – tot in detail een grote beweging beschrijven en daar zo min mogelijk woorden aan vuil maken – is haar grote kracht. Dat wordt benadrukt door het beste gedicht uit deze bundel:

    we zouden kunnen gaan zitten
    in een koffiekopje.

    je weet wel,
    een klassiek,
    met schuine wanden,
    zodat we telkens naar elkaar toe schuiven.

    geen mok, dat niet.
    geen grote cilinder
    met platte bodem

    maar zo’n kleintje,
    bol.

    misschien dat we daarin
    moeten investeren:
    van alle kamers kopjes maken.

     

  • Een tomeloos feest van lichamelijke liefde

    De dichter Geert Briers nodigde voor zijn derde bundel Voor wie de liefde vijf grafische kunstenaars uit om zijn gedichten te illustreren: Jan Bosschaert, Aimée de Jongh, Hanco Kolk, Wauter Mannaert en Wilbert van der Steen. Het stond hen vrij te kiezen voor een schets, een stripverhaal, één tekening of meerdere; de enige afspraak was dat de kunstenaars geen tekst mochten gebruiken en niet met de dichter of met elkaar mochten overleggen. De gedichten en de tekeningen kunnen daarom beschouwd worden als op zichzelf staand.

    Bij de realisatie van de bundel is ervoor gekozen de gedichten achter elkaar af te drukken en pas daarna de werken van de tekenaars, met vermelding van de titel van het gedicht dat hen geïnspireerd heeft en de pagina waarop dit te vinden is. Dit zou rustiger moeten werken voor de lezer en doet recht aan de autonomie van de werken van de kunstenaars. Toch blijkt dit in de praktijk maar gedeeltelijk te werken: het was veel prettiger geweest om de tekening en het gedicht naast elkaar te kunnen zien om als een geheel te kunnen beschouwen. Het herhaaldelijk terugbladeren om te kijken bij welk gedicht de tekening hoort, werkt op den duur storend. Bij de tekeningen staat de titel van het betreffende gedicht vermeld dat de inspiratie vormde en op welke pagina het te vinden is. Hoewel alle gedichten over hetzelfde thema gaan, hebben de tekenaars ieder hun eigen invulling gegeven aan hun werk, waardoor heel verschillende stijlen en uitvoeringen ontstaan zijn.

    De bundel bevat elf gedichten, die zich achter elkaar laten lezen als sfeertekeningen van een uitbundige vrijpartij, een tomeloos feest van de lichamelijke liefde, tot aan het allerlaatste gedicht waarin een lichte deceptie waar te nemen valt: de post-coitus-tristesse, waar talloze dichters al verzen over schreven en die weer eens duidelijk maakt waarom bij de Grieken, Eros en Thanatos onverbrekelijk verbonden waren.

    We aanvaarden de lafheid
    van nog even voor elkaar
    door elkaar in elkaar

    helden van het sleutelgat

    nu het bijna oorlog is

    vergeef ons’

    De gedichten weerspiegelen in stijgende lijn het verloop van het liefdesspel door gestamelde woorden met veel herhalingen, neologismen en vooral veel half afgemaakte zinnen. De titel van de bundel is daar een voorbeeld van: het is aan de lezer om deze zin naar eigen inzicht aan te vullen of als vraag op te vatten. Ook gebruikt Briers veel woordspelingen, maar die vallen niet altijd even goed binnen de opzet van het gedicht. Als hij bijvoorbeeld het lichaam van de geliefde met een piano vergelijkt, waarover hij zijn handen laat gaan, is de uitdrukking ‘ik rachmaninov je’ nog te begrijpen, maar in een gedicht dat helemaal niets met muziek uitstaande heeft is de versregel ‘me daar overgeven aan het rimsky / van je korsakov’ uit de lucht gegrepen en vergezocht.

    Briers’ gedichten doen denken aan een verliefde puber die voor de eerste keer de razernij van zijn hormonen onder woorden probeert te brengen: spontaan, uitbarstend als een vulkaan, extatisch. Het plezier en de bravoure in zowel het liefdesspel als de poëzie spatten van de bladzijdes af. Zo zou je de gedichten ook moeten lezen: je laten meeslepen door een orgiastische vloedgolf van woorden.

    In het openingsgedicht van de bundel is alles samengevat: de woordspelingen, de neologismen, het bravado, maar ook de flauwe, gezochte woordspelingen en de gekunsteldheid:

    ‘mijn vrouw mijn eiland
    tezamen wijland
    waar wij grazen en elkaar herkauwen
    profiterollen in de modder
    met opengesperde monden
    ons laven aan de geilste stortbuien’

    Maar wanneer Briers zijn poëzie ontdoet van alle bombast en gekunstelde beeldspraak, blijven er eenvoudige maar oprechtere gedichten over, die juist daarom veel beter zijn dan die waarin de dichter zo overduidelijk op effectbejag uit is. Zo kan er een gedicht ontstaan als Nog eenmaal, dat ontroert in al zijn waarachtigheid:

    ‘kleed je nog eenmaal uit
    met de traagheid van een verre reis
    met de elegantie van een rijk verleden
    […]
    en dan

    dan zal ik

    nog eenmaal’

    Doordat de dichter ervoor gekozen heeft zijn bundel op één thema te baseren, heeft hij zichzelf een beperking opgelegd waardoor hij steeds over hetzelfde schrijft. Dat verklaart misschien ook het geringe aantal gedichten in de bundel. Uiteindelijk is de lichamelijke liefde terug te brengen tot het meest basale: ‘[..] drie of vier benen / (en nog een paar andere benodigdheden)’ (Cees Buddingh’, Heel oud spel).
    Een meer gevarieerde bundel had zeker de mogelijkheid aan de dichter geboden meer van zijn talent te laten zien. Want dat Briers een goed dichter is, staat buiten kijf.

     

  • Poëzie in vele vormen en niets hetzelfde

    De eerste editie van het tweejaarlijkse tijdschrift Het Liegend Konijn, bevat werk van vierendertig dichters, waaronder Gilles Boeuf, Fleur Bourgonje, Fred Papenhove, Vicky Francken, Anne Büdgen, Luuk Gruwez, Bernke Klein Zandvoort, Mustafa Stitou, Delphine Lecompte, Florence Tonk en Arno Van Vlierberghe. Samen zijn ze goed voor 173 gedichten. Altijd weer een plezier door dit boekwerk (256 p.) met pril materiaal te bladeren. De verscheidenheid doet de aandacht niet verslappen, wat bij een bundel van een dichter nog wel eens kan gebeuren. Niet omdat het werk zou vervelen maar meer omdat er een soort van overdaad kan optreden die eerst verteerd moet worden om weer verder te kunnen lezen. Bij een bloemlezing als HLK, wordt de lezer steeds opnieuw geprikkeld door een andere dichter, andere stijl en thematiek.

    Er is poëzie die direct aanspreekt en er is poëzie die je steeds opnieuw moet lezen om te begrijpen wat er staat, om dan te ontdekken dat er bij iedere lezing weer iets anders staat. Er is poëzie die zich niet laat lezen, die je moet ondergaan, zoals de gedichtencyclus over een man en een huis en een – waarschijnlijk – vrouwelijke ‘ik’, ‘In de nacht’ van Eva Gerlach (1948).
    Zeven gedichten met de volgende titels: ‘droom over U (1), een nacht – Thies – soms – adem –  ga! – dag – droom over U (2)’. Wil je de woorden, de opeenvolging van de woorden die Gerlach heeft gebruikt tot een verhaal maken, dan lukt dit niet. Zelfs als je voor een moment denkt te begrijpen wat er staat, krijg je het niet te pakken, kun je het niet navertellen. Maar mooi is het wel. Zoals in Ga!:

    Ik smeet de kortste zijn van boven tegen
    het dak, het huis brak overlangs
    open tot op zijn ijzers. Iemand hield zich
    schuil in de fundamenten, knieën hoog
    tegen de borst, armen kruiselings. Klein, erg
    klein, het kind dat we niet kregen.

    Direct aansprekende poëzie is de tien-luik in prozagedichten, ‘Duivelskermis’ van Lucas Hirsch (1975). Beeldend taalgebruik in proza-achtige fragmenten, de een langer dan de ander. Over verlies, afscheid en vooral afstand nemen van de dingen om de ‘ik’ heen. Een vader sterft en de relatie van de zoon loopt ten einde. In tien genummerde gedichten wordt een heel leven weergegeven. Waarvan hier nummer 8 van de tien-luik:

    Na het laatste nummer aangehoord te hebben was het aan ma / een laatste klap te geven op het leven van pa. Zuinig was de mond / die openging. Karig de woorden die gekozen werden hem tot zin te maken / We prevelden een gebed en volgden vader naar het graf dat een ritje verder / op hem lag te wachten in het waterkoude weer van dienst / Ik dacht er mijn huwelijk in te herkennen en kromp ineen.

    Op de dag dat dichter Nachoem Wijnberg de P.C. Hooft Prijs kreeg uitgereikt (23 mei), liet hij in een interview (Trouw) weten dat poëzie niet moeilijk is. ‘Moeilijk? Als je maar niet zoekt naar een gesloten wereldbeeld of een redenering met een uitkomst. Er staat wat er staat.’ Laten we lezen zoals Nachoem Wijnberg voorstelt: Lezen wat er staat en laat de rest zijn werk doen.

    Deze poëziebloemlezing leent zich daar goed voor, te lezen wat er staat en te kijken wat er gebeurt. Te beginnen met een cyclus van vijf gedichten door Obe Alkema (1993). Alkema loodst de lezer door de tijd waarin hij zowel Simone Weil , Netflix als Wim Kok opvoert op een wijze als was hij ermee opgegroeid. Indrukwekkend ook hoe hij zichzelf in dat tijdsbeeld registreert, alsook voorbije tijdsbeelden naar zich toetrekt. ‘Dat ik niet in staat ben / aflevering na aflevering Black Mirror te bingen / heeft niets te maken met eventueel verzet tegen de manipulatie van Netflix / maar met mijn empatisch hart, mijn liberale emoties / die me na 45 60 90 minuten dystopie verlammen. Mijn flanken staan open.’ Getuigenis van zelfkennis ook: ‘Laat ik me dan nu ook kwetsbaar opstellen en het niet meteen weer deleten.’ Alkema publiceerde nog geen bundel maar dat zal, naar vermoed, niet lang op zich laten wachten.

    Paul Desmets (1966) schreef onder het begrip ‘Taxonomis’ (ordening en naamgeving in het planten- en dierenrijk) vijf gedichten, bestaande uit drie kwatrijnen afsluitend met een concluderende, enkele regel. Met titels als ‘Zwaluwen’, ‘Wolf, ‘Eik’, ‘Motten’ en ‘Grondeling’.  Desmets roept werelden van heden en verleden op met ‘Wie haalt nu neer, hanteert de bijl? Dit huis kruipt in mijn botten. / De stoel die ooit weer boom zou worden schilfert. / Zijn mond zakt open als hij slaapt. De kamer bewaart / ons zwijgen. Traag groeien de wijzers terug naar elkaar.’

    Zoals Jozef Deleu in zijn inleiding – waarin hij de stand van de poëzie, aan de hand van het essay ‘Waarom we poëzie haten’ van Ben Lerner, opnieuw peilt – laat weten dat poëzie ‘perspectief en diepgang’ aan onze ervaringen en inzichten verleent. Alleen daarom al zou er poëzie gelezen moeten worden. Lezen zonder het te willen begrijpen, is een voorwaarde. Het mooie van dit poëzietijdschrift van formaat is dan ook dat het zich uitstekend leent om op vakantie me te nemen in rugzak of koffer. Zodat niet alleen de geografische blik verbreed wordt maar ook de blik op de poëzie. Dan kan er zomaar uit deze prachtige bloemlezing een favoriete dichter naar voren komen, wiens werk je anders niet onder ogen zou krijgen.

    Het Liegend Konijn.be

     

     

  • Over poëzie schrijven en lezen met een selectie uit de Nederlandstalige poëzie

    De Amerikaanse dichter Charles Simic vertelde in een interview in het tijdschrift Artful Dodge over hoe hij een keer met een schoolklas zijn gedicht ‘Knife’ behandelde. Een meisje stelde een vraag over het gedicht dat ze niet helemaal begreep, en een ‘echt ruige kerel’ zei tegen haar: ‘Je weet het als je een goed mes hebt, omdat het fijn in je hand voelt, weet je, een fijne, kleine stiletto.’ Simic merkt daarover op: ‘Hij had gelijk! Hij had compleet gelijk! Ik bedoel, dat is het hele idee van het gedicht, hoe het voorwerp aanvoelt, het mes in je hand.’ Het is een prachtige anekdote die laat zien hoe sterk poëzie in het ‘echte leven’ geworteld kan zijn, en hoe alledaagse ervaringen een gedicht voor je kunnen openbreken.

    In hun boek Woorden temmen stelt dichtersduo Kila&Babsie (respectievelijk Kila van der Starre en Babette Zijlstra) vragen aan de lezer, over gedichten. Het zijn niet de vragen die je normaliter op de middelbare school of universiteit gesteld krijgt om te controleren of je een begrip als ‘enjambement’ wel begrijpt. Zo’n term legt het duo weliswaar uit – naast de meeste andere belangrijke poëziebegrippen –, maar het lijkt vooral te gaan om vragen die doen denken aan de ruige kerel van Charles Simic. Het eerste gedicht in het boek is ‘De idioot op het dak’ van Tjitske Jansen, waarin iemand dronken op het dak van haar ex klimt (die inmiddels is verhuisd). Kila&Babsie stelt daarover onder meer deze vragen: ‘Welke gênante momenten heb jij meegemaakt? Wat was er stiekem komisch aan die momenten?’ Simic zou zeggen: dáár gaat het gedicht over.

    Wat interessant is aan Woorden temmen, is dat Kila&Babsie een draai geven aan de ongeschreven regel dat een goed boek over poëzie schrijven in de eerste plaats een goed boek over poëzie lézen is. Ze laten de lezers namelijk zelf gedichten schrijven, met aanwijzingen als: ‘Hoe vertel jij jouw gênante moment na? […]  Wat deden andere personen tijdens jouw gênante moment?’ Zelf noemen ze het een poëzie-doeboek (een benaming die helaas niet zelf in het boek te vinden is), en dat is een adequate omschrijving. De lezer wordt niet alleen aan het denken gezet, maar per gedicht houden ze ruimte open zodat je zelf in Woorden temmen kunt schrijven.

    Naast twee gedichten van Tjitske Jansen, behandelen Kila&Babsie een fijne selectie uit de Nederlandstalige poëzie. Echt representatief is die niet – weinig Belgen bijvoorbeeld –, maar dat maakt niet echt iets uit; de samenstellers kozen immers voor hun eigen lievelingsgedichten. Ze kiezen voor toegankelijke dichters als Ingmar Heytze, C. Buddingh’ en Jules Deelder, maar ook voor ontoegankelijkere collega’s als Hans Faverey, Hélène Gelèns en Vicky Francken. Heel mooi is hoe de complexe poëzie van Martijn Teerlinck wat dichterbij de lezer gebracht wordt, door die uit te nodigen tot de associaties in dat gedicht bloot te leggen, zowel op inhoudelijk als klankniveau. Het duo stelt ook weer zo’n vraag die mooi is in haar alledaagse, aardse eenvoud: ‘Soms is het de betekenis die we mooi vinden, soms de klank, soms de spelling, soms het ritme. Hoe zit dat bij jouw lievelingswoorden?’

    Toch lijkt er iets aan Woorden temmen te missen. Het is mooi hoe vrij lastige dichters als Teerlinck of Faverey dichter bij de lezer gebracht worden, juist door een beroep te doen op concrete ervaringen. Tegelijkertijd blijft het gevoel dat er vaak net wat meer over het gedicht zelf gezegd had kunnen worden; dat de nadruk iets meer op de tekst had kunnen liggen en iets minder op de lezer. Van Faverey wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat hij het in zijn gedicht ‘Het sneeuwt’ tegelijkertijd wel en niet laat sneeuwen, maar er blijft iets knagen: dat het gedicht misschien nog net wat uitgebreider of diepgaander behandeld kon worden. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat Woorden temmen geen lesboek is, maar vooral een doeboek. De titel laat ook wel zien dat een uitputtende, diepgravende analyse niet het doel van het boek is: de wilde woorden worden weliswaar getemd, maar ze worden nooit helemaal tam. Een gedicht is immers vaak ook het mooist als het een geheim blijft houden; iets waar je net niet bij kunt.

     

     

  • Soepele gedichten met goed gevonden zinswendingen

    Dwaallichten zijn in het volksgeloof lichtjes die boven moerassen of kerkhoven zweven – wetenschappelijk verklaard als het ontvlammen van moerasgas – die reizigers afleiden van het rechte pad en hen in het verderf storten. Zielen van gestorvenen zijn het, ongedoopte kinderen, van zondaars of van hen die nog een belofte te vervullen hebben.
    Maar anders dan de titel doet vermoeden, zijn de dwaallichten in deze mooie gedichtenbundel er niet op uit om argeloze reizigers het moeras in te lokken. Er is juist sprake van het tegenovergestelde: de mensen die dwaallichten worden genoemd, zijn zélf verdwaald en verlangen naar iemand die hen de weg naar huis toont.

    In het eerste gedicht is er nog niets dat daarop wijst: met getallen, percentages en statistieken wordt geprobeerd de wereld te definiëren en vast te leggen. Maar in de daaropvolgende gedichten begint de afbrokkeling van de controle over de werkelijkheid al zichtbaar te worden: geleidelijk aan wint de onmacht om de wereld te begrijpen, om te culmineren in ‘Laatste bericht ‘, waarin de dwaallichten de overhand gekregen hebben en zich rechtstreeks tot de lezer richten: ‘Wie wij zijn weet niemand, ook wij niet. […] Maar één ding is zeker / wij bestaan, en dit is het bewijs.’

    Verlies van de werkelijkheid
    De bundel bestaat uit vijf afdelingen die in stijgende lijn laten zien hoe gevoel en verstand strijden om de greep op de werkelijkheid te behouden en waarbij het gevoel vaak overheerst: van ‘degene die haar fantasie niet in bedwang had’ naar: ‘zij is uit de grot geweest en alleen / haar buitenkant is thuisgekomen’ wordt de afstand tot de realiteit groter.
    In de tweede afdeling vertelt de ik-figuur hoe het verbreken van een relatie heeft geleid tot nog verwardere gevoelens van afwijzing en tekortkoming. Hij/zij richt zich daarbij direct in een aantal prozagedichten in voorzichtige understatements tot de verdwenen geliefde B.: ‘Ik wil niet dwingend overkomen B / maar een beetje wederkerigheid was leuk geweest.’ Het laatste gedicht uit deze reeks doet het vermoeden rijzen dat de hoofdpersoon de geliefde B aan een ontijdig einde heeft geholpen.
    Ook in de daaropvolgende afdeling Volwassen vormen wordt het onvermogen tot aanpassing onderstreept:

    ‘Je moet je zwakheid tonen
    en tegelijkertijd mooi
    en zongebruind zijn’

    Verschillende personen worden voorgesteld en in hun levensgeschiedenis wordt voorzichtig aangeduid wat mogelijk geleid heeft tot hun vervreemding. Het laatste gedicht over een verkrachting is het duidelijkst daarin.
    In de vierde afdeling De lichtdrager zijn de gedichten dwars op de bladzijden geplaatst: de werkelijkheid is gekanteld en de hoofdpersoon is een dwarsligger geworden in die zin, dat haar gedrag haaks staat op dat van anderen. Alle gedichten hebben een titel die met licht te maken heeft: inval, snijpunt, verstrooiing. Maar niet alleen het licht: ook tijd en ruimte spelen een belangrijke rol. De ik die aan het woord is, vertelt hoe hij/zij in slaap lijkt te zijn gevallen op een strand en als uit een droom wakker werd bij wat een psychiatrische inrichting lijkt te zijn: de ik-verteller wordt opgenomen.

    Alleen met humor
    Toch is er absoluut geen sprake van kommer en kwel: het is alsof de dichter zelf met verwondering de gebeurtenissen observeert en een verklaring probeert te zoeken voor de beweegredenen. De taal van de gedichten is licht en soepel, met goed gevonden zinswendingen (‘het overgeven stond me nader dan het lachen’) en met een humor die niet geforceerd is: als de ik-figuur op het strand een gitaar vindt en daar op begint te spelen, verschijnt er een gezagsdrager:

    ’toen hoorde ik een stem
    wat zijn wij aan het doen?
    Ik zei wij niets ik ben alleen

    en heeft ik ook een naam en een vergunning straatmuziek?
    Zo niet verzoeken wij u vriendelijk hier weg te gaan
    ik zei dit is een strand en u bent evengoed alleen

    geen bijdehante grappen nu, we zijn al heel coulant
    voor iemand zonder geldige ID, als u meteen vertrekt
    zal ik voor deze keer noteren dat dit nooit gebeurd is.’

    Twijfel over de werkelijkheid
    In de inrichting leren we een aantal mensen kennen: het meisje met anorexia, Marie-Thérèse met de laserogen, Wim die zich verdronken heeft. Maar nergens wordt Blees expliciet of zwaar in de gedichten: er is ruimte voor twijfel aan zowel de eigen werkelijkheid als aan die van de bewoners van de inrichting. Het gedicht Aan de andere kant over een man die van het dak afstapt, laat in de laatste regel ‘De ruimte waar je was is hier gebleven’ een echo na van Matsiers gedicht Hoe een kat te gaan missen: ‘Het is op al zijn plekken dat hij weg is.’

    Aan alle regels is te merken hoe strak en virtuoos Blees het ritme weet te hanteren. De gedichten laten zich vooral hardop lezen alsof het klassieke verzen zijn, melodieus en gaaf in het metrum, hoewel er nergens sprake is van eindrijm. Dat wordt opgevangen door andere kenmerken zoals de veel voorkomende assonantie en binnenrijm. Met deze debuutbundel laat Gerda Blees zien dat ze naast schrijver van korte verhalen – eerder verscheen Aan doodgaan dachten we niet – ook als dichter bestaansrecht heeft.

     

     

  • Meer ambacht dan kunst

    Het werk van Gerrit Komrij (1944-2012) wordt door verschillende bewonderaars, en natuurlijk door zijn uitgever De Bezige Bij levend gehouden. Die laatste partij verzorgde de uitgave van een dikke Alle gedichten, die bij de eerste partij zeker in goede aarde zal vallen. Voor wie geen onvoorwaardelijke fan is, zal Komrij’s verzamelde poëzie lezen waarschijnlijk even doorbijten zijn.

    In een aardig stuk op de site van het Literatuurmuseum over Komrij’s debuut Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968), wordt een onbedoeld hilarische recensie uit een protestants tijdschrift aangehaald. De recensent in kwestie was niet te spreken over het ‘wansmakelijk vocabularium’ en voegt daaraan toe: ‘Rijmende gedichten zijn het nota bene’. Even onbedoeld wordt perfect uitgelegd hoe Komrij’s eersteling functioneert: het contrast tussen een ‘lage’ en humoristische inhoud en de strakke vorm die je tot het ‘hoge’ kunt rekenen, of het conservatieve. Het vrije vers had immers al geruime tijd het vaste rijm en metrum verdrongen in de Nederlandse poëzie. Het spanningsveld – of de botsing – tussen het hoge en het lage is de motor van Komrij’s eerste bundel. Wat dat betreft is het overigens vreemd dat Onherstelbaar verbeterd (1981) ontbreekt  in Alle gedichten, wat zelfs niet vermeld wordt. In Onherstelbaar verbeterd parodieert Komrij de bekendste gedichten uit de Nederlandse literatuur (‘Er was veel rommel op de brug te zien. Ik zag onder de brug. Naar alle zijden / Leek zich de vuile troep daar te verspreiden.’). De parodieën en Komrij’s ‘serieuze’ poëzie delen de spot en het gebrek aan (vals) respect voor de ‘Hoge, Rijmende Poëzie’.

    In Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten staat ook het bekende ‘Een gedicht’, dat de latere bloemlezer Komrij, als enige eigen werk opnam in de Dikke Komrij. Het is een bescheiden actie, slechts één eigen gedicht opnemen, maar ondertussen is het ook een beginselverklaring. Per regel wordt op ironische wijze uitgelegd waar die voor dient:

    De eerste regel is om te beginnen.
    De tweede is de elfde van beneden.
    De derde is om wat terrein te winnen.
    De vierde moet weer rijmen op de tweede.  

    Dat gaat zo door, tot nummer twaalf: ‘De twaalfde is van niets de eindconclusie.’ De botsing tussen het hoge en lage zit erin, het schrijven over poëzie zelf (en daar niet al te serieus over te doen), de humor – én Komrij’s voorliefde voor gedichten met een clou of pointe. In ‘Het gedicht’ is die pointe een anticlimax, maar meestal eindigt de dichter met een formulering of beeld die net los lijkt te staan van de rest, zo van ‘even pauze en dan de uitsmijter’.

    Na een paar bundels heeft Komrij zijn stijl wel gevonden. De ironie en de humor zijn gebleven, het rijm en metrum ook, en hij begint steeds vaker sonnetten te schrijven. Ook doen de beelden in zijn poëzie rond Fabeldieren (1975) sterker denken aan de Franse surrealisten dan aan de neoromantiek waarmee de vroegste bundels van de dichter werden geassocieerd, zoals in ‘Wachtkamers’:

    Bevroren zijn de koppen chocola.
    We zitten kleumend in de oude schuur
    En kijken door het raam de mensen na
    Die luidkeels rennen, een kolom van vuur
    Wacht op ze in de verte. Ook de vellen
    Zijn hard. We horen aan de einder kreten.
    O, die zijn eenvoudig niet te tellen.
    De schreeuwen. En we zien de hete

    Vuurzuil vrouwen, jongens, mannen,
    Schrokkend, ziedend, meesterlijk omarmen
    Als een kruisvaarder de muzelmannen.
    Wij starogen, o ja! Het wordt al warmer.

    Vanaf ongeveer Fabeldieren stagneert Komrij’s ontwikkeling: deze dichter is en blijft hij, nog bijna vier decennia lang. Zijn verzamelde gedichten leiden dan ook onder een bekend euvel van dergelijke uitgaven, zeker als ze over de achthonderd pagina’s aan poëzie beslaan: het is vooral veel van hetzelfde. De voorliefde voor pointes bijvoorbeeld wordt na een tijdje vermoeiend – begin aan een gedicht en je weet dat er een of twee regels gaan volgen die als uitsmijter functioneren. Het boek (dat helaas geen leeslintje heeft) werkt goed als je het af en toe uit de kast pakt en een van de opgenomen bundels leest, maar blijven doorlezen doet de gedichten niet bepaald goed. Echt grote onderlinge verschillen tussen de bundels vanaf Fabeldieren zijn er niet. Pak bijvoorbeeld eens ‘Boemerang’ erbij, uit de postuum verschenen laatste bundel Boemerang en andere gedichten (2012; opvallend genoeg lijkt de ondertitel een knipoog naar Komrij’s debuut, wellicht om de cirkel rond te maken). Het had gemakkelijk in Fabeldieren of een van de andere voorgaande bundels kunnen staan:

    Hij is bewusteloos. Vrouw Niets ontwaakt.
    Het niets versmelt zich met de sprookjesprins
    En wordt ook door begeerte aangeraakt.
    Nu, niet verliefd, maar toch wel enigszins.

    Het niets komt uit de slaap en de begeerte
    Uit niets. Verschrikkelijk zijn deze drie.
    De zon is dof, de wereld omgekeerd,
    Er zit een haarscheur in de harmonie.

    De jeugd wordt nagezeten door demonen,
    De ouderdom wiegt zich in zoet gezang,
    De builenpest bezoekt de godenzonen
    En liefde staat gelijk aan levenslang.

    Er zijn discussies over of poëzie een kunst of een ambacht is. Goede poëzie is beide, maar bij Komrij schiet de balans erg door richting het ambachtelijke. Hij plukt vrolijk uit tradities, leent bekende symbolen als maskers en mythologische dieren om in zijn eigen werk in te zetten, beheerst zijn vaste vormen, en door die combinatie van factoren voelt een aanzienlijk deel van Alle gedichten aan als maakwerk. Na een tijdje lezen weet je wat je van zijn gedichten kunt verwachten, die verwachtingen worden vervolgens waargemaakt, maar het beetje extra – de vonk – zit in te weinig gedichten.

     

     

  • Experimentele poëzie van een gepassioneerd dichter

    Vloekschrift is de debuutbundel van de jonge dichter Arno Van Vlierberghe (1990), geboren in Gent. Bij het lezen van de titel is de associatie met een ‘vlugschrift’ gauw gelegd: volgens Wikiwoordenboek ‘een gelegenheidsgeschrift, doorgaans in gedrukte vorm met een actuele inhoud of strekking waarmee men de publieke opinie probeert te beïnvloeden’. Zo ziet de bundel er ook uit, als een schrift, een pamflet met een schreeuwerig opschrift in felle kleuren om de aandacht te trekken. De inhoud is gebaseerd op één thema: ‘een heel duidelijke oproep om een misstand aan te pakken’.
    Dat blijkt ook uit de drie afdelingen waaruit de bundel bestaat. Deel 1, De Zone is onderverdeeld in De Bastaardkindgedichten, De Eurolinesgedichten en De Killzonegedichten. Deel 2 en 3 respectievelijk De Situatie en De Methode. Het geheel doet denken aan een guerilla-oorlog en dat lijkt ook wel te kloppen, want Van Vlierberghe trekt ten strijde tegen de maatschappij van het overgeciviliseerde Westen:

    ‘[…] Europa-achtige dingen: ziedend antibureaucratisch kampvuur. Een kampvuur van politiehelmen en traangas, aktetassen en vertrappelde dozen seroxat.’

    In de eerste afdeling, De Zone zijn 42 losse gedachten opgenomen die als aforismen of maximes gepresenteerd worden en lijken op dagboekaantekeningen. Ze vertonen niet altijd een duidelijke samenhang, wat misschien te verklaren valt door de allerlaatste notering die ongenummerd blijft: ‘Je moet dit trouwens allemaal dronken lezen.
    Omdat dronken mensen de waarheid spreken of omdat dronkenschap een roes teweegbrengt?

    Afstand van de wereld
    Waar De Bastaardkindgedichten nog over de binnenwereld van de dichter zelf gaan, kondigen De Eurolinesgedichten zijn verhouding tot de maatschappij en Europa aan. Woede en onmacht overheersen om de ‘Duizend dialecten van de politieke leugen en ik ben naakt.’
    Het besef dat de dichter de situatie doorziet maar er desondanks niets aan kan veranderen doet hem afstand nemen. Hij kan zich niet meer betrokken voelen bij een wereld die zo ‘verrot’ is. Toch lijkt het verstandig om zijn poëtica met een korreltje zout te nemen, want Van Vlierberghe spot graag, ook met zichzelf, en veel van zijn uitingen zijn ironisch bedoeld.
    Zo neemt hij in De Killzonegedichten afscheid van het lyrische ‘ik’ in de poëzie en maakt van zichzelf ‘een Arno’ die vele gedaantes kan aannemen: ‘Arno’s, zones, objecten’. Daarmee vergroot hij de afstand van zichzelf als individu tot de maatschappij.

    In De Situatie is de ontaarding van het systeem realiteit geworden. Deze afdeling bestaat uit vier prozafragmenten, waarvan de laatste drie alle beginnen met de vraag: ‘Wat is De Situatie?’ De verschillende antwoorden daarop tonen een ‘niet-wereld’ die leeg en vernield is, ‘De nieuwe barbarij.’
    Voor ‘Een Arno’ blijkt het niet mogelijk om zijn afstand tot de maatschappij te bewaren en hij bekeert zich toch weer tot het ‘ik’, al weet hij nog niet wat hij zal doen. De hoop op een toekomst gloort ‘Langzaam uit de paniek’: sommige gedichten uit deze afdeling laten zich hardop zingen als strijdliederen.

    Tevergeefse oprechtheid
    De Methode
    ten slotte spreekt in vier korte gedichten over nieuwe rituelen, waarbij afgerekend wordt met oude vormen en traditionele uitingen, ook die van de poëzie.
    Van Vlierberghe laat zien dat hijzelf als dichter de eerste is om het experiment te wagen en de traditionele poëzie te laten varen. Hier spreekt een gepassioneerd dichter die zijn oorlog uitvecht met niet alleen de maatschappij waarvan hij deel uitmaakt, maar ook met zichzelf. De woede van een ‘angry young man’ komt oprecht over, evenals zijn bevlogen engagement; het is diezelfde oprechtheid die hij tevergeefs zoekt op zijn reis door Europa, waarin alles liegt en bedriegt.

    Zijn gedichten zijn geraffineerd van vorm: hij speelt een spel met zaken die op het eerste gezicht onbetekenend lijken maar bij nadere beschouwing zijn poëzie in een ander daglicht zetten. Zoals het veelvuldig noemen van data die verwijzen naar een begin en een einde. Zo creëert hij een midden waarin de veranderingen plaatsvinden, waardoor er een ‘vroeger’ en een ‘later’ kunnen ontstaan, voor en na de apocalyps zo men wil. Hij geeft daarmee de doordachte samenstelling van deze bundel aan, waar alles om een midden lijkt te draaien dat ontwikkeling en verandering mogelijk maakt. En dat niet alleen in het verziekte Europa, maar ook in de dichter zelf.

    Daarmee lijkt deze experimentele bundel toch ook een traditionele trekje te hebben behouden. Ondanks dat Van Vlierberghe getracht heeft het concept van een gedicht op een andere, bredere manier vorm te geven. Zijn opvatting van het traditionele concept maakt nieuwsgierig naar meer werk van hem.  En als genomineerde van de C. Buddingh’ Prijs 2018 heeft hij deze prijs dubbel en dwars verdiend. De winnaar wordt op 31 mei bekend gemaakt.

     

  • Zoeken naar volledigheid

    Door alle honderd harten wit te kalken door Henk van der Waal bevat tien gedichten van elk drie pagina’s lang. Overzichtelijk en regelmatig. In de meeste gevallen zijn titel en slotregel van een gedicht identiek – of althans overeenkomstig. De gedichten zijn vrij van vorm, ze bevatten weinig leestekens en ontberen rijm, en zijn dus ook in dat opzicht uniform. Er zit, kortom, systeem in. Misschien ligt dat ook wel voor de hand. Henk van der Waal (1960) is dichter en filosoof. Systeem biedt voor een dichtende filosoof – of een filosofische dichter – houvast binnen de context van de poëzie, waar gewoonlijk regelloosheid heerst. Zowel met de poëzie als met de filosofie heeft Henk van der Waal zich intensief bezig gehouden, zoals onder meer blijkt uit de bundel De kunst van het dichten. Gesprekken en essays (2009) door Henk van der Waal en Erik Lindner met onder meer Esther Jansma, Astrid Lampe en Piet Gerbrandy.

    De tien gedichten in Door alle honderd zijn in zoverre systematisch dat ze vraagstukken aansnijden die groter of in elk geval anders zijn dan alledaagse vraagstukken. Lichte anekdotiek en eenvoudige, directe sentimenten vindt de lezer niet in deze lange gedichten. Wat dan wel?

    Geef toe
    als het omvattende niet als rust
    in je beklijft, ben je vlak en licht uit het lood
    en hunkerend naar de roekeloosheid die je
    nodig hebt om volledig te zijn
    […]

    Dat is wellicht een sleutelpassage uit deze bundel: poëzie zoekt naar wat je ‘nodig hebt om volledig te zijn’. En wat is dat dan zoal, wat je nodig hebt om ‘volledig te zijn’? Nou, dat je je niet verbaast, bijvoorbeeld. Of dat je met al je gifkikkers afrekent. Of dat je niets meer bent dan de ruimte die je inneemt. Of,

    […] als je echt wilt zijn moet ook het
    vertedier in jou de vrijheid krijgen om stille
    lucht te blazen door de flinterdunne kieren
    van je strottenhoofd en om genegenheid
    te hangen in alle hoge bomen en om genade
    uit te strooien over welkend gras, net zo lang
    tot er voldoende weemoed is verzameld
    om het tot een binnenste te vouwen
    dat te wecken is in glas
    […]   

    Dat een dichtende filosoof zich actief en heel bewust met taal bezighoudt ligt voor de hand. Sterker nog, Van der Waal noemt ‘niets zo heilig als de taal der mensen’. Opmerkelijk is, dat de dichter er in zijn gedichten zelf meermalen rechtstreeks getuigenis van aflegt. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Lege volmaaktheid’:

    ‘je beseft dat’
    en je verbaast je erover dat
    het werkwoord dat jou het meest op
    jezelf terugwerpt niet wederkerend is
    toch weiger je om
    ‘je beseft je dat’
    te zeggen
    […]

    Ook opmerkelijk trouwens is, dat een fragment uit een van deze langere gedichten moeiteloos als zelfstandig vers kan bestaan. Zie bijvoorbeeld de achterzijde van de bundel, met daarop de slotregels (12 + één woord) van het gedicht ‘Liefdesgemoed’. De ingehouden metaforiek bevestigt het beschouwelijke karakter van deze poëzie. En het prikkelt de nieuwsgierigheid naar het poëtische gehalte van Van der Waals filosofische proza. Henk van der Waal schreef tien gedichten die tot nadenken stemmen, inspireren tot reflectie, af en toe geruststellen, soms zelfs troosten.

    hoezo dat?      

    het eenvoudigste is het moeilijkste

     

     

  • Magie en melancholie en zintuiglijke belevingen

    Met de indrukwekkende debuutbundel Finse meisjes (2012) trad Kira Wuck toe tot het nationale poëziegilde. Een aanwinst voor de poëzie, een aanwinst voor de poëzieliefhebber én een aanwinst voor de Nederlandse taal. Op het podium van de Nacht van de Poëzie 2014 verscheen een wat schuchter meisje dat met grote, donkere ogen de zaal inkeek. Ze las een gedicht voor dat nu – in gewijzigde vorm – in haar nieuwe bundel De zee heeft honger is opgenomen. Eerst de versie uit 2014,

    Het geeft niet als er iemand vertrekt
    er was een tijd dat ik alle camera’s telde
    onderweg naar jouw huis
    ergens is te zien hoe ik
    te lang op een kruispunt blijf staan
    in de banden van mijn fiets knijp
    wacht tot het stoplicht meerdere keren verspringt
    voordat ik naar je toe kom
    in bogen die steeds groter worden
    tot ik de stad uit fiets

    er zijn foto’s van vreemden waar we op staan
    ze zitten tussen vakantiealbums
    in landen waar we nooit zullen komen

    In de loop van de tijd heeft Wuck dit gedicht grondig aangepakt, waarmee ze laat zien hoe een dichter kneedt en schaaft aan een vers dat steeds in beweging lijkt te zijn. Tijd en afstand zijn belangrijke factoren in de dichtkunst en de meest perfecte vorm is niet vanzelfsprekend in de eerste versie gelegen. Wuck speelt met de woordvolgorde, draait de tijd om en schrapt zelfs een hele strofe. Vier jaar later komt ze met een compactere versie van het gedicht; het is scherper gesteld, persoonlijker gemaakt en heeft veel meer zeggingskracht:

    Er was een tijd dat ik
    op weg naar jouw huis
    alle camera’s telde
    die mijn beweegredenen vastlegden

    ergens zag iemand hoe ik
    te lang op een kruispunt bleef staan
    de banden van mijn fiets controleerde
    wachtte tot het stoplicht meerdere keren versprong
    voordat ik naar je toe reed
    in bogen die steeds groter werden
    tot ik de stad uit was

    De genuanceerde aanpak van Kira Wuck, het doorlopende detailonderzoek, is kenmerkend voor haar gedichten. Ze probeert indrukken en beelden te typeren door haar gevoelswereld weer te geven, allemaal met een beknopte beschrijving van de look and feel. Het zijn de ingrediënten die aan de basis van een reeks boeiende gedichten staan: Wuck is vooral bezig met het zijn. De eigen identiteit en de verhouding tot de ander is het startpunt van een zoektocht die een brede stroom aan ervaringen oplevert.

    Magisch, beschouwend, met een flinke scheut melancholie, vormt dit tezamen de atmosfeer die de verbeelding van Kira Wuck het sterkst naar boven haalt. Magie is ook te vinden in haar gedicht ‘India’, een reisverslag gecomprimeerd tot een zintuiglijke beleving die met een minimum aan woorden is uitgebeeld:

    Een man wijst naar de binnenkant van zijn mond
    alsof hij een pistool op zijn gehemelte richt
    we geven hem een sigaret
    de nacht snijdt de hoeken van zijn gezicht

    in dit land verdwijnen mensen
    om op onverwachte plekken weer op te duiken
    zoals de bedelaar zonder benen
    bleef verschijnen waar we ook uitstapten

    het behang maakt vreemde geluiden
    ’s nachts worden er briefjes onder mijn deur
    geschoven met huwelijksaanzoeken

    er schijnt hier een bos te zijn waar het zo stil is
    dat je niet voorbij een bepaald punt kunt
    vogels, slangen, mensen keren er om

    De man uit het gedicht zet hier de toon met een universeel gebaar: hij vraagt om een sigaret terwijl ‘de nacht de hoeken van zijn gezicht snijdt’. Een mooi beeld, de duisternis waarin een gezicht half herkenbaar tevoorschijn komt om vervolgens weer te verdwijnen. En om op onverwachte plekken weer op te duiken. Wuck speelt met de oosterse mystiek van de ‘diepe meditatie’ die mensen doet vervagen en als geestverschijningen ergens anders weer boven water laat komen. Een vervreemdende constatering die in de laatste regels via een persoonlijk verlangen naar een sprookjesachtige uitkomst loopt.

    Met haar caleidoscopische herkomst (Finse moeder, Indonesische vader) is Kira Wuck een prachtige parel in het Nederlandse poëzielandschap. Ze vormt de taal tot een herkenbare eigenheid die desondanks vol raadselachtige voorvallen en onverwachte wendingen zit. Onder die lagen zit een dosis verwondering en een lichtelijk verlangen verscholen. Een verlangen naar schoonheid, misschien ook wel naar geborgenheid, maar uiteindelijk naar liefde:

    Hoe kan ik een goede indruk op je maken
    als ik aan slapeloze nachten lijd
    geesten mij niet met rust willen laten
    na elke dagdroom eindig ik
    verder bij jou vandaan

    als ik je eindelijk denk te kunnen vangen
    breek je verder af
    als regen in de zee valt
    dan raakt de lucht de aarde

     

     

  • Epische beschrijving van een mensenleven

    Ook in deze nieuwe bundel van Willem van Toorn (1935) zijn de kenmerken terug te vinden die vanaf zijn poëziedebuut in 1959 zijn gedichten een constant herkenbaar karakter hebben gegeven: traditioneel, sober en eenvoudig. Zonder eindrijm maar met een vaste metriek en vormen. Beschrijvingen van ogenschijnlijk kleine voorvallen die een grote invloed hebben op de hoofdpersonen. Op het eerste gezicht lijkt de bundel een autobiografie in verzen: het levensverhaal van ene W. wordt gevolgd vanaf een vroege herinnering tot aan de ouderdom van nu.

    Het ligt voor de hand aan te nemen dat Van Toorn over zichzelf dicht. Toch heeft de dichter in interviews regelmatig benadrukt dat zijn werk niet alleen over hem gaat of over mensen uit zijn omgeving. Hij brengt de personages in zijn gedichten voor het voetlicht alsof ze figureren in een toneelstuk dat gebaseerd is op de werkelijkheid. Een dichter kan, evenals een schrijver van proza, spreken over ‘ik’ zonder dat hij daarmee zichzelf bedoelt. Niet alles wat hij de ‘ik’ laat vertellen of overkomen, wordt daarmee automatisch autobiografisch. Hij heeft een personage geschapen, waarin heus wel autobiografische elementen zullen zitten – iedere schrijver stopt iets van zichzelf in zijn werk – maar dat kan zelfstandig bestaan en heeft ‘het vertelperspectief van het gedicht in handen’, volgens Ingmar Heytze in het tijdschrift Onze Taal. De reden daarvoor is volgens Heytze ‘het scheppen van afstand om daardoor beter te kunnen kijken naar het verleden en naar zichzelf’. Van Toorn doet dat in zijn gedichten alsof hij kijkt naar foto’s uit een familiealbum, die momentopnames van de tijd laten zien. Hij roept de beelden als het ware uit zijn geheugen op.

    Vastgelopen leven

    De jongenskamer heeft als ondertitel ‘Een gedicht’, omdat het één lange epische beschrijving is van een mensenleven. Toch bestaat de bundel uit twee delen: het eerste deel beslaat tweederde van de bundel en vertelt over het leven van W. tot op het moment waarop hij besefte dat zijn huwelijk en zijn leven vastgelopen waren en dat het tijd werd zich te bezinnen op een verandering voordat het te laat zou zijn: ‘Er is nog steeds een wereld daarbuiten, weet W natuurlijk ook.’
    In het tweede, veel kortere deel sluit het eerste gedicht hier rechtstreeks op aan, terwijl de dichter vanuit een ander huwelijk en een ander land, levend in het nu, terugkijkt op zijn vroegere leven:

    Hoe herinner ik mij dit nu – alsof er iets begon
    wat niet langer uitblijven kon, zich had samengebald
    voor een moment, een sprong. Zo dus. […]’

    Proza als opmaat

    Regelmatig worden de gedichten afgewisseld met een bladzijde proza, dat als opmaat gebruikt wordt voor de daaropvolgende gedichten of als terugblik en samenvatting van de voorafgaande. Poëzie en proza zijn in het werk van Van Toorn onlosmakelijk met elkaar verbonden: in een interview noemde hij zichzelf ‘een dichter die af en toe in proza de wat grotere commentaren levert’. Op deze manier loodst Van Toorn de lezer door het leven van W. in de wereld waarvan hij deel uitmaakt: de bezoeken aan de grootouders in de provincie, de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding, het studentenleven, een baan als leraar, de eerste liefde, huwelijk, kinderen, scheiding. Hij laat zien hoe maatschappelijke en politieke veranderingen door de tijd hun weerslag hebben gehad op het persoonlijke leven van W. Maar W. is minstens zoveel beïnvloed door de reizen die hij maakt en de boeken die hij leest. Daarom heeft Van Toorn zijn gedichten doorspekt met citaten, namen en titels van schrijvers en boeken, zoals in het gedicht dat gaat over een poëziefestival in de jaren zestig, waarin Van Toorn talloze versregels citeert van bekende binnen- en buitenlandse dichters.

    Cyclus van gedichten voor leeftijdgenoten

    Dat heeft te maken met het feit dat Van Toorn ook veel vertaald heeft. De lezer dient over een goede bibliotheek en een brede algemene ontwikkeling te beschikken om alle namen en citaten thuis te kunnen brengen: Seeräuber Jenny,  Updike, Breytenbach. Ook de namen van beroemde zangers komen voorbij en fragmenten uit hun liederen: Bob Dylan, Bing Crosby, Brassens’ Il n’y a pas des amours heureux; politieke acties en kopstukken uit het nieuws: de Griekse junta van kolonels, Checkpoint Charlie, de Praagse lente: voor wie ze kan herkennen is het een bevestiging van de eigen herinneringen, maar voor met name jonge lezers blijft het slechts een opsomming van vaag klinkende namen en gebeurtenissen uit een onbekend verleden.

    Daarmee lijkt De jongenskamer een cyclus van gedichten te zijn geworden voor leeftijdgenoten van de dichter, die zich met weemoed kunnen herkennen in de levensloop van W..  Voor jongeren zal de bundel minder aantrekkelijk zijn, omdat de gedichten geen beroep doen op hun eigen ervaring, hoewel dat juist ook kan prikkelen tot nieuwsgierigheid. Maar voor ieder die het lezen wil heeft Van Toorn een prachtig en bij wijlen ontroerend tijdsdocument geschreven in een reeks gedichten waarin hij het verleden levend maakt op een licht melancholische wijze. Niet met grote woorden of veel pathos, maar met subtiele verbindingen van een individueel leven met de wereldgeschiedenis die zich om hem heen voltrekt.