• Het is niet allemaal om te lachen

    De Vlaams dichter Norbert de Beule (1957) was gedurende zevenentwintig jaar godsdienstleraar. In 2004 besloot hij uitsluitend voor de poëzie te gaan nadat hij in 2003 bekendheid kreeg met zijn bundel YELLe!. Hij debuteerde in 1987 met de bundel Rockoco en sindsdien is hij gestaag blijven werken aan zijn oeuvre. Het lesgeven heeft hij inmiddels voor enkele uren per week weer hervat. Vigor anorexia is zijn negende bundel; een ruwe vertaling van de titel zou luiden: De kracht van het gebrek aan eetlust.

    Het gebruik van het Latijn laat zich verklaren door de ondertitel: Een misboek. Ook het openingsgedicht Kyrie en gedichten als Hymne, Eerste Lezing, Credo en Gloria wijzen in de richting van het opdragen van een katholieke mis. De titel van de bundel is dan misschien ook een referentie naar het vasten van Jezus in de woestijn, waar hij door onthouding van voedsel de kracht vond om de verzoekingen van de duivel te weerstaan. Dat zou geen vreemd motief zijn voor een dichter en godsdienstleraar, die zoveel verwijzingen naar de Bijbel en de christelijke heiligen in zijn bundel stopt. En ook deze haiku zou kunnen slaan op het weigeren van voedsel:

    ‘Dragend geraamte –
    om dichter bij God te komen
    leert men rekenen’

    Na het Kyrie kondigt het begin van de bundel en ook dat van de mis tevens het begin van een nieuw leven aan:

    ‘In den Beginne was het Vlees
    het klopte mij de ziel uit de kleren
    Ik durf nog nauwelijks ademhalen
    Pas later kwam het Woord’

    Zelfportretten

    Dit zijn de eerste regels van het portret dat de dichter schildert van zichzelf als Paus Benedictus. Er volgen door de bundel heen nog verschillende zelfportretten: als Jamie Olivier, als Franciscus van Assisi, als Marianne Moore en zelfs als ‘sardientje op een bord’.
    De overige gedichten houden de volgorde aan van het ordinarium van de katholieke mis, maar ook die van het leven van de dichter: herinneringen aan zijn jeugd, de handelingen van zijn vader en moeder, zijn spraakgebrek ( ‘Ik zal […] blaaf telug naal moeke gaan’), de puberteit (‘Onzen Norbert heeft haar op zijn piezewiezeken’), het verlaten van het ouderlijk huis, de eerste liefde en de dood van zijn ouders.

    De typografie van de bundel is opvallend: er is gebruik gemaakt van diverse lettertypes in variabele grootte, van vetgedrukte woorden en facsimile’s van boodschappenbriefjes. Ook geven bekende en onbekende mensen onderaan sommige van de gedichten commentaar en ‘likes’ zoals op Facebook gebeurt:

    ‘Simone Weil Ik ben niet iemand om je lot aan te verbinden.
    Norbert de Beule Heb ik je gevraagd om mijn moeder te zijn dan?
    Paul Engelbeen vindt dit leuk.’

    Hierdoor wordt de complexe inhoud van de bundel beter bepaald, ook al is het niet altijd mogelijk er een daadwerkelijke functionele betekenis aan te hechten. Dat geldt ook voor de grootgedrukte haiku’s die regelmatig tussen de andere gedichten worden weergegeven: hoewel ze geestig en goed overdacht zijn, is soms niet duidelijk wat ze met de rest van de bundel te maken hebben; misschien dat ze daarom helemaal alleen op een pagina staan.

    Vormconcept volgens Bruegel

    Het vormconcept maakt van deze doorwrochte bundel een bont en gevarieerd geheel als een schilderij van Bruegel. Het is alleen jammer dat een index ontbreekt.

    De gedichten worden afgewisseld met prozastukken die geschreven zijn in de stijl van de schrijver aan wie ze zijn opgedragen: Cyriel Buysse, Richard Minne, Anneke Brassinga, Gerrit Krol en nog vele anderen. De Beule laat hiermee zien hoe goed hij thuis is in het werk van vele auteurs: vooral de stijl van Gerard Walschap en die van Louis Paul Boon zijn feilloos geïmiteerd en zeer de moeite waard. Ook in de gedichten zelf zitten veel verwijzingen naar bekende gedichten van bijvoorbeeld Kopland, Hoornik (Het kleine dochtertje van Jaïrus wordt bij De Beule een klein ezeltje) en Nijhoff. Het Vlaams dat de dichter zijn personages – in dit geval de moeder – in de mond legt, draagt bij aan de sfeer van de gehele bundel: ‘Miljardenvlammenste millemiekeste nondedjuu / zoudt ge nu geen vlammen schijten, jong!’ 

    Vooral door zulke uitspraken kan een Nederlandse lezer het idee krijgen dat dit een leutige en  plezante bundel zou zijn, maar hoewel de humor in ruime mate aanwezig is, is deze af en toe behoorlijk wrang. Het is niet allemaal om te lachen.

    Anorexia

    Vooral ouders krijgen veel liefdevolle aandacht in de gedichten: de vroegste herinneringen aan vader en met name aan de kordate, kort aangebonden moeder worden met smaak en pret opgedist, maar over hun stervensproces is de dichter ernstig en teder. Moeder stierf aan kanker, ‘of beter nog aan magerzucht’. Bij de zoon ‘[…] zakte zijn broek af van magerte. […] Honger en verlangen naar hoger honger […]’. Waarmee de bundel weer terug is bij de titel.

    Net als de mis wordt de bundel afgesloten met het ‘Ite missa est’, bij De Beule: ‘Zending & zegen’ genaamd, de titel van een prachtig en ontroerend gedicht waarin nogmaals sprake is van de dood van de moeder, maar ook van de verrijzenis: ‘Gaat nu allen heen, het offer is voltrokken.’ Maar als allerlaatste is er een foto van een bladzijde uit een huishoudboekje uit 1963 te zien, waarop de afbetaling is bijgehouden van de prijs voor een paard, ‘20 duizend frank’ met 1000 frank per maand. Vader De Beule was kolenboer en trok met paard en kar langs de huizen om zijn waren te leveren. Hoewel er onder de rekening staat: ‘voledig betaald’ (sic),  is het totale eindbedrag van de aflossingen echter 15.000 frank. De rekening is nog niet voldaan.

     

  • Fraaie vertakkingen die ontstaan vanuit een wat troebele hoofdstroom

    De van huis uit filosofe Désanne van Brederode (1970) is bekend door haar romans, essays en columns waarin ze vaak levensbeschouwelijke thema’s aansnijdt. In haar werk is ze maatschappelijk betrokken; haar gedachten zijn op de menselijke maat gesneden en soms met een scheutje religieuze waarden vermengd. Verzonnen grond is haar eerste poëziebundel waarin ze met vierenvijftig gedichten stevig aftrapt, maar zich ook overwegend lijdzaam en aftastend opstelt.
    Die aftastende houding doen de gedichten behoorlijk uitdijen. Te midden van de alledaagse dingen en in een eenvoudige schrijfstijl stelt een door liefdesleed beproefde vrouw zich vragen. Zij spiegelt zich aan haar omgeving en meet zich met het verlies van een vallend blad in het najaar of stelt zich op de proef ten overstaan van het frisse lentegroen. De ‘ik’ in deze gedichten zoekt naar een nieuw evenwicht.

    Het rampjaar

    Haar woordkeuze is weloverwogen, en zoomt in op soms behoorlijk tegenstrijdige gevoelens. Hier en daar laat dat een aardig neologisme opbloeien als ‘nijgdrang’ of ‘het ei-groenste e-mineur’. Maar iets in de candlelight-trant van: ‘wat te mooi, te waar is voor onze ogen / te behouden voor de liefde zelf’ sluipt er ook in.  ‘Een kus, te zeer van valse hoop op happy end vervuld’ wordt evenmin geschuwd. En Happinez lijkt met ‘een samenzijn waaraan je eindelijk / mocht worden wie je was’ niet ver. Van de weeromstuit kan het ook een andere kant opgaan, zoals in het openingsgedicht Lente: ‘Welkom bij deze nieuwste versie van uzelf.’ In de cynische ontvouwing die daarop volgt blijkt dat die nieuwste versie een aardige veer heeft moeten laten en het niet zal halen bij het voorbije geluk.

    Het geluk van anderen, daarentegen ‘wordt automatisch jubelend vertaald / en opgeslagen. In codes die u zelf niet kraken mag.’ Maar niet overal lijken de kansen verkeken. Elders lezen we namelijk: ‘Er ligt een gloednieuw leven voor je klaar (…) Alles kan anders. Half november ja, maar / waarom zou het niet al zomer kunnen zijn?’ Met de mogelijkheid in een nieuw leven te vluchten rijst ook de twijfel en de ‘vrees dat er een breuk met het vertrouwde / wordt gevraagd.’ Teveel gehecht aan haar littekens. En tja: ‘Wat moet je met een gloednieuw leven?’ De ik is te ‘trots’ op haar ‘vastberaden weigering’ de ‘tekens’ van een nieuw leven in haar voordeel te duiden en teveel ‘realist’ om zichzelf voor het lapje te houden en de dingen mooier voor te spiegelen dan ze zijn.

    Tussen hoop en wanhoop

    Het ‘rampjaar’ lijkt voorbij, maar het besef ‘Alleen wat niet aan jou herinnert / kan ik aan’ voorspelt nog weinig goeds. Aan de andere kant wordt de heimelijke hoop gekoesterd samen te vallen met de afwezige, gewezen geliefde: ‘dat je mag stilstaan in de trilling van zijn stem’. Het kan dus beide kanten op. Zoals dat ook kan met het oordeel dat men over deze  gedichten kan vellen. Neem een gedicht als:

    Maandagmiddagmeditatie

    ‘De kamer laten vollopen met licht
    zoals je een ligbad met handwarm water vult,
    al was het maar in gedachten. Je ziet jezelf,
    op het naïeve af naakt, over de rand stappen,
    tot aan je enkels in de dampende geur
    van zilverspar stilstaan – dan hurken, knielen,
    zitten, achteroverleunen, alles
    met wonderbaarlijke lenigheid
    en vooral: zonder rillingen of kippenvel.
    Langzaam ballet dat doorgaat tot buiten je huid
    een eenwording met alle rivieren en zeeën
    die je ooit zag, met alle regenplassen waarin je
    zon, schaduw en wolken tegenkwam op bijna
    menselijke wijze – niet alleen aanraakbaar
    maar ook: even breken, zonder pijn te doen.

    Hoe vaak heb ik mijn voeten laten wassen
    door een helwitte hemel die door een eerder
    nog onopgemerkt gat in een schoonzool
    binnenlekte, zacht, een herinnering met de natheid
    van een pas geschilderd doek waarop de glans
    de kleur nog overheerst?

    Aldoor meer buiten komt hier binnen:
    ik zie het gebeuren waar ik bij zit, de nog steeds
    groene esdoorn voor mijn raam mengt donkergoud
    door mijn vloeibare uren, aan baden doe ik niet,
    ook doop ik nog geen pink of teen
    in deze late oktobergloed die liever wordt.
    Een nieuwe dans die bestaat uit het uit boeken en stromingen
    losweken van te vaak gebruikte ideeën –
    tot er een bleke ster uit opspringt, voor het eerst.
    De druppel die steun zocht aan de kraan
    schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts,
    en wat mij doorwaadt kan weinig anders zijn
    dan een verlangen zonder meer.’

    Verbindingen

    Het nemen van een bad wordt afgezet tegen het het laten onderdompelen in de binnendringende buitenwereld. Het eerste is een koud kunstje, het tweede lukt maar moeizaam. Geen onaardig idee maar het wordt wat ontsierd door overbodige zinnetjes als ‘al was het maar in gedachten’ en ‘Ik zie het gebeuren waar ik bij zit’. Van Brederode verliest zich daarbij in een breedvoerige uitwerking van de haar gekozen beelden. De ingezette verhaallijn stokt, waardoor de lezer de hem voorgehouden parallellie tussen baden in water en baden in het binnendringende buitenlicht, maar moeilijk kan volgen.
    Naast diverse vormen van water, is er ‘een herinnering met de natheid van een pas geschilderd doek’ en ‘mijn vloeibare uren’. Het verband is hier ver zoek. En tussen  ‘Langzaam ballet’ en ‘een nieuwe dans’? Het slot, als de kraan van het bad weer opduikt, trakteert gelukkig op een fraai beeld van ‘De druppel die steun zocht aan de kraan / schenkt door zijn val een nieuwe druppel, opwaarts’. Opbloei uit verlies. De twee laatste regels sluiten het gedicht ietwat kitscherig af. Tussen een paar mooie beelden lijkt dit gedicht iets te willen zeggen wat niet goed uit de verf komt. Op zich is er niets tegen poëzie waarin de opgeroepen beelden zich loszingen en op zichzelf gaan staan, maar dat lijkt niet inzet van deze gedichten. Hier wordt een gedachtestroom uitgezet en des te onbevredigender als de lezer die gaande het gedicht steeds troebeler ziet worden.

    Scherpgetande beelden

    Mooie regels als: ‘Soms valt een oud hart uit een borstzak’ krijgen geregeld een vervolg dat er niet echt toe doet. In het borstzakje wordt bijvoorbeeld vermeld dat het ‘klam, vervilt, te ruim voor de gekrompen stof’ was geworden. Alle begrip dat zo’n borstzakje makkelijk dingen wil verliezen. Maar we hoeven het borstzakje niet te begrijpen. We zouden begrip moeten opbrengen voor de regels van deze gedichten. Sterke, scherpgetande beelden verliezen aan kracht wanneer ze uitgeserveerd worden in een verhalende, verklarende bedding. De bredere uitleg doet het pregnante beeld tekort. Van Brederode schijnt dat ook te beseffen als ze schrijft:  ‘Zoals je soms een regel openlaat. / Opdat wat niet te maken is bestaat.’ Dat lijkt me de juiste richtlijn!

    Verzonnen grond is niet geheel geslaagd, al proef je hier en daar de toon van een dichter die een goed poëtisch beeld kan plaatsen. In de betere passages is het tegendraadse niet te herleiden tot het voor de hand liggende en worden er rake formuleringen geplaatst als: ‘Nooit hoop ik het terloopse te beheersen’.  De toon is overwegend luchtig met ruimte voor speelse vondsten. Zo wordt gehoopt dat de planten in de tuin zich ‘zwenk- en wuifbereid’ zullen gedragen.

    Wat van deze bundel bij blijft zijn de prettige aftakkingen, de fraaie zijriviertjes die ontstaan uit de niet altijd heldere hoofdstroom. Zoals uit het gedicht Bij de regen: ‘Van de wens alleen / de sprong omhoog, / de val: de ster nog niet. / De vele, talloze routes. / En die weer uitgewist.’ Waarmee hier niet iets overgaar wordt opgediend, maar al dente.

     

  • Luisterrijk benoemen van het raadsel

    Een nieuwe bundel van Anneke Brassinga is op voorhand een belevenis. Vijf jaar na Het wederkerige (2014), een tijdspanne waarin ze twee essaybundels publiceerde – Grondstoffen, (2015) en Hapschaar, (2018) – verscheen haar elfde dichtbundel, Verborgen tuinen. Wat een sfeervolle en raadselachtige titel is. Tuinen zijn werelden op zich vol zintuiglijke sensaties en hier gaat het ook nog eens om verborgen tuinen: een mooi beeld waarin de fascinatie van de dichter voor de natuur is vervat en haar voorkeur voor het raadselachtige. De vraag die Brassinga zich voortdurend stelt is hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. ‘Verborgen tuinen’ zijn ook de gedichten zelf, vanwege hun enigmatische karakter en bijna natuurlijke schoonheid.

    Reeks en haiku’s

    De bundel opent nogal onconventioneel met een reeks foto’s die Brassinga in Berlijn maakte en die ze becommentarieert met haiku’s. Dit levert mooie observaties en mijmeringen op met een symbolische lading. Bijvoorbeeld bij een foto van een met een naakte vrouw beschilderde schutting: ‘Mensen – door muren, / vanachter schuttingen – zij / herrijzen blijvend’. Door de gedichten worden het ook voor de lezer sterke ervaringen. Brassinga heeft oog voor het alledaagse en ziet in het lelijke het schone. Een reeks die vanwege de zintuiglijkheid goed aansluit bij de rest van de bundel.

    Composities en muziek

    Behalve over kijken gaat het in Brassinga’s poëzie ook over luisteren, over muziek. De kleuren van de bomen in het openingsgedicht van het tweede deel ‘De geheime tuin’ worden beschreven als geluiden: ‘Nog tweedgroen, discreet lispelend, staan ze pal achter Ting-Jie, / Miss Gingko, die rijk en sierlijk boven het gepeupel uit /gouden fanfare zou zijn als kleur klinken kon’. Taal die door de alliteraties ook zelf zingt. Later in de bundel zijn er rechtstreekse verwijzingen naar componisten als Bruckner en Rachmaninov, waarbij de muziek weer in verband wordt gebracht met de natuur. Cultuur en natuur blijken dan op gespannen voet met elkaar te staan:

    ‘Een olifant ontwaakt in het hiernamaals van ivoren toetsen –
    slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
    musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen
    zijn omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
    tegen elke dressuur gekant’.

    Vergankelijkheid

    Brassinga benadrukt vaak het eeuwige en cyclische karakter van de natuur: ‘Het lijkt of ik u ken uit een vorig leven; / was het Tiergarten, toen we allemaal gekapt werden/ voor brandhout in die oorlogswinter,/ of Boeddha’s hertenpark?’ Maar hoe zit het dan met de mens? ‘Als iets geboren is, geleefd heeft/hoe kan het dan/ ooit nog ontsnappen aan de wereld/ en de hemel eromheen (..)?’ schrijft ze in ‘De geheime tuin’, een in memoriam waarvan er trouwens meerdere in de bundel voorkomen. Tegelijkertijd wordt de sterfelijkheid en nietigheid van de mens sterk ervaren. De tegenstelling tussen dood en terugkeer, vergankelijkheid en eeuwigheid, komt in de hele bundel terug.

    Bespiegelingen

    Waar de mens zich van de natuur onderscheidt is de verbeeldingskracht: ‘ (…) omdat de schepper / heeft vergeten de natuur lofprijzing in te geven / zitten wij ermee: hiertoe op aarde te zijn – als onnatuur / geschapen zijn voor de kunst.’ De mens is een schepper, hoewel dat scheppingsproces niet te beschrijven valt: ‘Scheppen hult zich in roes / van klaarte; geen mens die het navertellen kan.’ Het mooie is dat Brassinga’s poëzie geen antwoorden geeft. De dichter bespiegelt, bevraagt, twijfelt hardop. De lezer kan hier vervolgens zelf zijn of haar gedachten over laten gaan.

    Door de melancholieke toon lijkt de poëzie aan de zware kant. ‘Wie kon weten dat een toekomst eerder sterft dan wij?’, vraagt de dichter zich bijvoorbeeld af in ‘Nostalgie’. Er is soms zelfs een romantische flirt met de dood. ‘Daarom, Heer, geef mij een gat in de grond’. Maar er is ook lichtheid en humor. ‘In een dorre woestijn kan een appelboomgaard heilig zijn – maar hier? Met maaltijdsnacks en volop/drinkyoghurt in de aanbieding, én een hulplijn/voor seksueel misbruikte voetballers van gevorderde leeftijd?’ Die tegenstelling tussen ernst en lichtvoetigheid zit ook in de vorm.

    Experimentele vormen
    De gedichten bevatten vaak archaïsche of ronduit onbegrijpelijke taal (‘verkorven’, ‘geprotuberanst’), statige neologismen (‘parelschommelende’, ‘geestvonkatoom’) en ingedikte regels vol inversies, waardoor de gedichten soms moeilijk te volgen zijn. Maar Brassinga gebruikt ook de dialoogvorm, klanknabootsingen, (‘oewaaah-argh’, het geluid van een ‘brullustige zeeleeuw’), of dialect (in het zeer geestige ‘Dûh Jögd’, over de jeugd van tegenwoordig).

    Naast de soms onnavolgbare taal, vormen ook de vele literaire verwijzingen en citaten een uitdaging. Het is een sport op zich deze te plaatsen, waarvan de verwijzingen naar Brassinga’s grote held Leopold nog de makkelijkste zijn – zeker het overbekende ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’, die natuurlijk vanwege de bomen niet mocht ontbreken. Aan het eind van de bundel staat een hele rij namen van dichters die in de bundel zijn terug te vinden, zoals Mallarmé, Gorter en Nijhoff. Dus lezer, op zoek!

    Vertaalde gedichten

    Net als in haar vorige bundels heeft Brassinga enkele vertalingen opgenomen: gedichten van Walt Whitman en van de moderne Tiroler dichter Oswald Egger die vanwege hun thematiek  – de relatie tussen mens en natuur – en natuurlyriek naadloos aansluiten op Brassinga’s eigen poëzie. De bundel sluit af met een ‘gedichtenduet’ met dichter-vertaler Piet Gerbrandy, door Brassinga in gang gezet naar aanleiding van Gerbrandy’s vertaling van Boëthius’ Troost in Filosofie. Gedichten die een behoorlijke kennis van de context en veel inlevingsvermogen vragen.

    Bezielde taal

    Maar vooral staan er in deze bundel weer prachtige gedichten, die opvallen door taal en bezieling. Muzikale gedichten van grote schoonheid. Dat je hiervoor niet per se moeilijke woorden, of doorwrochte regels hoeft te gebruiken, laat de dichter evenzo zien, zoals in ‘Restanten, relieken’, met een direct herkenbaar inzicht:

    ‘Hier was het en het is er niet meer toch?
    Met hoe weinig kunnen we volstaan in dezen?
    En is het dan concreet of huist het juist niet

    In aanwijsbare tekens? Dat ene dorre blad
    Is heengewaaid, en de dennenappel die precies
    De plak markeerde – opgegeten? Voortgeschopt?’

    Brassinga bouwt met Verborgen tuinen onverstoorbaar verder aan haar eigen universum en blijft onverminderd verwonderen en intrigeren. Dit zijn tuinen om nog lang in rond te dwalen.

     

  • Scheppen van een nieuwe beschaving als een moderne Tolkien

    In zijn voorlaatste bundel Daedalea bracht Tomas Lieske zijn nieuwste held voor het voetlicht: Keto Stiefcommando, de leider van een groep jongeren die gestrand zijn in de faubourgs van Parijs. Lieske noemt ze ‘klonkies’, een Afrikaans woord dat associaties oproept met een klont van losse elementen die samengeklonken zijn, maar ook doet denken aan ‘jonkies’. Het zijn verschoppelingen: illegale migranten, zwervers en verslaafden uit alle windstreken, maar voornamelijk Afrika, die onder leiding van Keto proberen hun waardigheid te behouden. Waar ze in Daedalea hun eigen scheppingsverhaal en bijbehorende mythen creëerden, gaan ze in deze nieuwe bundel op zoek naar helden.

    Beschermgeesten en helden

    Daartoe spitten ze tijdschriften en kranten door: beroemde personen die ze aantreffen, worden voortaan hun beschermgeesten. Vier dichters worden door Keto uit zijn ‘troepie’ uitgekozen om gedichten te maken over de kindertijd van deze ‘tijdschrifthelden’: Hercuul, die uit Mali komt en Parijs op zijn duimpje kent, Damn Good Memory, alcoholist en de enige blanke van de groep, Merci Merci, een vrouw op zoek is naar haar wortels in Afrika, en Imker Graat, een souteneur die de inleiding van deze bundel en van de diverse afdelingen voor zijn rekening neemt.

    Steeds als er een gedicht klaar is, brengen ze de bezongen held in een stoet van vuilniswagens naar het kerkhof van Saint-Denis, dansend en zingend, terwijl ze borden en foto’s van de held met zich mee dragen. Eén Afrikaanse held zou lang geleden begraven zijn op Saint-Denis: Kame Tristan, wiens mythische verhaal door Keto zelf verteld wordt als rode draad in de zoektocht naar helden. Vervolgens wordt met bloedrode kleurstof de naam van de de held gespoten op een reeds aanwezige graftombe en daarmee wordt de held officieel geïnstalleerd: ‘Zo rust onze Ignaz Semmelweis ingehaak met een lid van het Huis Valois en onze Iosif Brodski slaapt skuif-skuif op de vorstin van Orléans.’

    Groteske voorstellingen

    Dat is het verhaal en alsof dat gegeven al niet bizar genoeg is, wordt het door Lieske uitgewerkt tot een bonte verzameling van groteske voorstellingen, die in het begin een beetje onwennig aandoet, maar niet lang: al gauw loopt de lezer vrolijk mee in de optocht achter de vuilniswagens, met Keto voorop, om meer dan veertig universele helden te bezingen. Deze helden zijn gekozen uit de Westerse geschiedenis, zoals Margarethe van Valois, Mozart en Jeanne d’Arc (‘Als ik water in mijn oor giet hoor ik stemmen’), maar ook zijn ze aan de verbeelding ontsproten: Alice in Wonderland bijvoorbeeld en ook Miss Blanche, het reclame-icoon van de Virginiasigaretten.

    Achtergrond historische figuren

    Helaas ontbreekt er een index in de bundel: die zou het opzoeken van een held vergemakkelijkt hebben. Wel heeft Lieske enigszins een chronologische volgorde aangehouden: Julius Caesar staat aan het begin en Margaret Thatcher ergens aan het einde van de bundel. Informatie over de betreffende persoon wordt kort weergegeven onderaan de inleiding van elk gedicht. Deze inleiding wordt door een van de dichters of door Keto zelf  weergegeven in een prozagedicht, waarin Bargoens, Afrikaans en straattaal dooreen geweven worden zonder dat het gekunsteld aandoet of tot onbegrip leidt; maar de ‘yslike paaiboelie’ in de inleiding van Damn Good Memory bij het gedicht over Don Quichot moest toch wel opgezocht worden en blijkt een ‘vreselijke boeman’ te zijn in het Afrikaans. De gedichten over de kindertijd van de helden zijn daarentegen alle in het Nederlands geschreven.

    Omdat de gedichten over de jeugd van de helden gaan, worden hun latere daden waardoor ze nu bekendheid genieten niet specifiek genoemd, maar wel wordt er aan gerefereerd: het gedicht over Charlotte Corday, die in 1793 gedurende de Franse revolutie Jean-Paul Marat in zijn bad neerstak, begint met: ‘Het allerfijnste in mijn leven is urenlang zitten / in bad […]’
    En Louis Blériot, de luchtvaartpionier, ziet als kind met zijn ouders aan het strand pelikanen zweven, ook al verzekert zijn vader hem dat die aan die kust niet voorkomen:

    ‘Ideale ouders zijn vogelmensen
    die in een circus werken, iets met trapeze,
    geen enkel ander doel in het leven dan elke nacht
    van lichtmast naar lichtmast te zweven
    zonder te vallen; een gevecht tegen de wetten
    van de natuur, uitschakelen van zwaartekracht.’

    Uitvindster beha

    De helden komen overal vandaan en daarom is het niet verwonderlijk dat de gedichten vol staan met verwijzingen naar niet alleen daadwerkelijke gebeurtenissen, maar ook naar de literatuur: T.S. Eliot, de Bijbel, Paul Celan. Ook de keuze van de helden zelf is verrassend: Groucho Marx,  Dylan Thomas, Mary Phelps Jacob die de beha zou hebben uitgevonden – en zelfs de eenvoudige min Petronella Munts die als een van de eerste westerse vrouwen mee mocht op de scheepsreis naar Decima. De belezenheid die Lieske hiermee toont, wordt ook van de lezer verwacht, maar de bonte verscheidenheid van gedichten is een beloning op zich.

    Lieske heeft een krachttoer verricht met het boekstaven van de kronieken van deze nieuw gevormde bevolkingsgroep. Hij kent hen een bestaansrecht toe door ze een mythologie te verlenen, een gedeelde geschiedenis en een eigen taal met zelfgekozen helden waarin ieder van deze groep zich kan herkennen. Door aan deze voorwaarden te voldoen heeft hij als een moderne Tolkien een heel nieuwe beschaving geschapen, die niet onder hoeft te doen voor de reeds bestaande oude culturen.
    Hij heeft met Keto Stiefcommando een bundel geschreven die ‘[…] tikt en zingt en schatert en klinkt […] tegen mijn raai raai riepa donkiebloed aan. / Laat die sjampanjebottels nou maar knal.’

     

  • Tijdsdocument met cultuurhistorische waarde

    Fransen, zo wil het cliché, zijn vooral in Frankrijk geïnteresseerd. Als ze al over de grens kijken, dan niet naar Nederland. Daarom is het interessant dat Louis Aragon een dichtbundel wijdde aan ons land (dat hij Holland noemt). Aragon (1897-1982)  gold eerst als een surrealistische dichter en later als een sociaal geëngageerd auteur. Van die gedaanten zien we niet veel terug in deze bundel, die net zozeer over Aragons geliefde en literator Elsa Triolet (1896-1970) gaat als over Nederland. Met haar maakte Aragon een zomerse reis door een verregend Nederland, met deze  tweetalige bundel als resultaat. De bundel bestaat uit zes delen. Een aantal van de gedichten werd er later aan toegevoegd. Deze hebben geen betrekking op de reis.

    Le voyage de Hollande verscheen in 1964  tussen twee andere, bekendere bundels die over Aragons liefde voor Elsa gaan. Vestigt vertaalster Katelijne de Vuyst terecht de aandacht op een deels vergeten parel? Het antwoord moet ontkennend luiden. De reputatie van Aragon is niet gebaseerd op deze bundel.

    Dichtbij Marsman

    In haar nawoord refereert De Vuyst aan het beroemde Nederlandse gedicht, ‘Herinnering aan Holland’, van Hendrik Marsman. Gedichten van schrijvers over de ontroering over het eigen land zijn zelden mooi, het gedicht van Marsman is dat wel. De visie van een buitenstaander is echter potentieel minder ‘verdacht’. Het dichtst bij Marsman komt Aragon op bladzijde 27. Een titelloos gedicht eindigt zo:

    Op een rivier boven de gaarden
    Kun je zwarte aken ontwaren
    Die voortdurend worden gewassen
    Ze lijken het moe verder te varen
    Op schitterende waterstraten

    Elsa en Nederland

    De lezer ziet het voor zich, voelt er iets bij, maar wordt niet per se verrast door deze kijk op Nederland en zijn stromende rivieren. In die zin lijkt het op klassieke gedicht van Marsman. In de bundel is Aragon vooral niet blij over de ‘rotzomer’ die hij en Elsa in het Noorden mee maakten.  Hij giet deze onvrede in conventionele verzen. Het mooist  in deze bundeling zijn de regels waar de twee onderwerpen, Elsa en Nederland, samenkomen:

    Geen echo in de ochtend geen schuimspoor aan de rand van de zee
    Geen gefluisterd souvenir geen ruisend suizen van een twijg of tak
    Je passen zijn zacht als grijze potloodstrepen op het hagelwitte blad
    De achterzijde van je blik slaat open op het blauw van Vermeer

    Vertalen is een moeilijk vak en soms slaat de vertaalster de plank mis. Zo passeert het cliché voor koffie ‘een bakje troost’ de revue en wordt ‘quinzième fois’ vertaald met ‘tig keer’, wat niet heel poëtisch overkomt. Pogingen om de rijmende regels van Aragon te volgen leveren passages op als:

    Als ik oud ben en versleten
    Komt ik het vast te weten
    Het leven is een gehucht
    Vol boze dromen en gezucht

    Laatste reis samen

    Dat roept associaties met sinterklaasavondpoëzie op. De vertaling bevat ook mooie passages. Nederland wordt ‘dit gesmokkelde land’ genoemd en Amsterdam een ‘omgekeerd Venetië waar de eend regeert.’ Ook mooi: ‘Het licht van Delft wordt zachtjes als een laatste wade over ons gelegd.’

    Een grote naam levert echter niet per se grootse poëzie op. De waarde van Aragons bundel is vooral cultuurhistorisch, niet literair. Het is een tijdsdocument. Niet ontregelend (zoals in surrealistische poëzie), maar een bevestiging van een clichématige visie op ons land. Mooier dan de verzen over Nederland zijn die over zijn liefde voor Elsa. Het slot van een titelloos gedicht maakt duidelijk wat de werkelijke relevantie van de reis was voor Aragon, die  volgens De Vuyst vreesde dat zijn geliefde spoedig zou sterven en deze reis hun laatste samen zou zijn (Elsa zou echter pas zes jaar later komen te overlijden):

    Waar Holland in mijn droom voor staat
    Is alleen mijn geliefde mijn geliefde.

     

  • Grappig en absurdistisch als buffer voor andere emoties in gelaagde bundel

    De Vlaamse dichter Philip Hoorne (1964) debuteerde in 2002 in de Sandwich-reeks onder leiding van Gerrit Komrij. Hij schreef een verhalenbundel, stelde enkele bloemlezingen samen en zag zijn gedichten bovendien gepubliceerd in diverse literaire tijdschriften zoals Het liegend konijn en Poëziekrant; inmiddels is zijn zevende bundel verschenen: Het dikke meisje en de ziener. Zoals de titel al doet vermoeden, houdt Hoorne ervan om twee ongelijksoortige onderwerpen in één gedicht samen te voegen, om zo een kolderiek en baldadig effect te bereiken dat de lezer nieuwsgierig maakt. Wat hebben een dik meisje en een ziener met elkaar te maken? In het gedicht is de ziener zelf aan het woord, die het dikke meisje voorspelt dat haar geliefde weldra zal komen:

    ‘dik meisje op het plankier aan het water
    dat omwille van brede billen
    de lotuszit niet beheerst
    wacht je op de jongen met de pralines?’

    Sterke openingszinnen

    Maar deze jongen, die zoveel van haar houdt dat hij voor haar zijn moeder durft te trotseren en die ‘vervuld van een / aandoenlijk solidariteitsgevoel / de lotuszit heeft afgezworen’ zal volgens de ziener morgen plotseling dood zijn. Dit mooie titelgedicht is kenmerkend voor de poëzie van Hoorne: een gedicht dat grappig lijkt, krijgt in de staart een tikje venijn mee, waardoor het hele beeld op zijn kop komt te staan. Vooral in de openingszinnen is Hoorne ijzersterk: ze trekken de lezer het gedicht in, waarna geen ontsnappen meer mogelijk is: ‘vlinders zijn het beste dieet’, of: ‘ik werd jarenlang mishandeld door een aap met een hoed’.

    Logica is bij Hoorne een omstreden begrip: zo staan alle 37 gedichten in de index op alfabetische volgorde, wat op een zekere ordening wijst, maar in de gedichten wordt gespeeld met de werkelijkheid, die naar alle kanten toe omgebogen wordt. Eenmaal omgekeerd wordt de verkregen situatie consequent aangehouden, waardoor een nieuwe en vreemde realiteit ontstaat.

    Samengebalde spanning en onvrede

    De gedichten passen, op een enkele uitzondering na, allemaal op één bladzijde en de enige leestekens die gebruikt worden, zijn vraagtekens en hoofdletters voor namen. Elk gedicht is een afgerond geheel waarin de spanning samengebald is tot aan het einde. De inhoud ervan doet af en toe denken aan de schilderijen van Jeroen Bosch, bezongen in het lied Het land van Maas en Waal  van Lennaert Nijgh, of aan de liederen van Tom Waits, waarin eveneens een lange stoet van vreemdsoortige en buitenissige wezens figureert. Zo kan in de gedichten van Hoorne een ananas in de gevangenis zitten, vertelt Phil de paling over zijn ontsnappingskunsten en wordt er een huwelijk gesloten met een vrouw van de planeet Mars.

    Zoals met echte humor altijd het geval is, is ze nooit alleen maar grappig. Ook bij Hoorne is er ondanks alle hilariteit altijd een ondertoon te bespeuren van onvrede met de wereld en van teleurstelling. In het gedicht Klein elektro koopt de dichter een elektrisch apparaat dat niet nader aangeduid wordt:

    ‘ik bracht het naar huis
    zette het op tafel
    opende het
    en voor het eerst sinds lang verscheen
    er een glimlach op mijn gezicht
    ik liet de handleiding onaangeroerd
    geen tijd te verliezen’

    Als het apparaat dan vervolgens helemaal niet werkt, wordt het door de dichter in woeste razernij kapot gestampt, om te eindigen met: ‘geen batterijen meegeleverd / dat zou ze leren’

    Of neem het gedicht de begrafenis van tante cecile, waarbij de dichter ineens een donkere vlek op de doodskist opmerkt:

    ‘intriest word ik van die vlek
    was je hele leven al een aaneenschakeling
    van beschadigingen groot en klein
    ga je eindelijk dood heb je dit weer
    en je zal het altijd zien
    niet een van de elf kinderen heeft het garantiebewijs op zak’

    Afstand is gewenst

    Met een dergelijk gedicht wordt eerst de lach opgewekt; later volgt de melancholie. Maar Hoorne laat de lezer niet te dicht bijkomen: zodra er sprake lijkt te zijn van persoonlijke emoties of confidenties, werpt hij een barricade op door een vergelijking of een uitdrukking toe te voegen die de lezer op een ander spoor zet; zo ging ook Gerrit Komrij te werk. Deze vergelijkingen zijn heel origineel en dragen sterk bij aan het komische effect dat de dichter wil bereiken om de lezer af te leiden: zo krijgt een dame een snor toebedacht ‘die elke Turkse dokwerker / doet jammeren van jaloezie’. Hoorne hanteert de taal doelgericht: geen woord te veel of te weinig om een goed afgerond verhaal neer te zetten.

    De foto op de omslag is een fragment van het schilderij Het pelsken van Rubens, een intiem portret waarop de schilder zijn tweede echtgenote Helena Fourment met ontbloot bovenlijf  heeft afgebeeld. Zij kijkt de toeschouwer recht in het gezicht, alsof ze niets te verhullen heeft, maar de blik in haar ogen en de pelsmantel die ze om haar onderlichaam heeft geslagen, vertellen het tegendeel. Een goed gekozen afbeelding voor een bundel gedichten die op het eerste gezicht alleen maar grappig en absurdistisch lijkt te zijn, maar die bij nadere beschouwing meerdere lagen bevat. Het zou bij Hoorne natuurlijk ook zomaar een afbeelding van het dikke meisje uit de titel kunnen zijn.

     

    Noot: Op deze site staat een lang interview (2008) met Philip Hoorne naar aanleiding van de publicatie van zijn tweede dichtbundel.

  • Poëzie als zoektocht naar een gemeenschappelijke taal

    De bundel Tijd van de aarde van de Russische dichteres Galina Rymboe (1990) kwam tot stand dankzij een crowdfundingsactie en is het zevende deel in de Sporenreeks voor hedendaagse experimentele poëzie van Uitgeverij Perdu. De gedichten werden vertaald door Pieter Boulogne,  universitair docent Russische Letterkunde in Leuven. Het betreft een behoorlijk ambitieuze bundel. Dat blijkt meteen al uit het motto van een halve pagina van de vermaarde theoreticus van het anarchisme Pjotr Kropotkin (1842-1921). Het beschrijft de constante strijd tussen het individu en zijn omgeving die door de voortschrijdende tijd steeds aan verandering onderhevig is. Het individu past zich omwille van de harmonie voortdurend aan.

    Gemeenschappelijke taal

    Rymboes gedichten gaan over de veranderende tijd en ruimte en hoe de mens zich hiertegenover verhoudt. Over dat laatste heeft zij een sterke mening. Tijd van de aarde is behalve een filosofische ook een politieke bundel. Rymboe afficheert zichzelf als feminist en activist. Ze probeert mensen dichter bij elkaar te brengen, door te streven naar een gemeenschappelijke taal en deze terug te brengen tot de essentie.

    Ondanks deze aspiraties valt het niet mee om Rymboes wereldbeeld uit haar complexe en hermetische poëzie te herleiden. Om er een een beetje vat op te krijgen is het raadzaam om eerst het tien bladzijden tellende nawoord van de Russische critica Anna Glazova te lezen. Door de hoogdravende, academische taal en frequente verwijzingen naar filosofen is dit overigens ook beslist geen sinecure.

    Onstuitbare woordenstroom

    Ook de vorm maakt de gedichten moeilijk vatbaar. Het betreft voor het grootste gedeelte titelloze prozagedichten. Alleen de vijf delen hebben titels. De teksten bevatten geen hoofdletters en spaarzame interpunctie. Er is nauwelijks gebruik gemaakt van typografie, behalve een enkele woordgroep die cursief gedrukt staat. Het voordeel van deze dichtvorm (hoewel je eerder kunt spreken van het ontbreken van vorm) is natuurlijk dat het de dichter grote vrijheid geeft. Aan de andere kant wordt die van de lezer er enorm door beperkt. Door het ontbreken van (wit)regels zijn er geen rustpunten waar je je even kunt wijden aan eigen gedachten en mijmeringen. Er is ook geen houvast, waardoor je de draad nog wel eens kwijtraakt. Je kunt je eigenlijk alleen maar overgeven aan de voortdenderende woordenstroom.

    Huidige tijd, nieuwe taal

    Rymboe trekt de lezer in deze gedichten nadrukkelijk naar zich toe. Zij wil overtuigen. Haar toon is heftig en direct: ‘een voetbalveld, getransfigureerd door een ontploffing; op zijn grenzen en bijeenkomst van vrouwen rondom klinkende kegels die de aarde opblazen, een aantal foto’s van de bijeenkomst, erna vertoond in het hoofdgebouw onder het geraas van een traumahelikopter’.

    Rymboe schrijft over het hier en nu van het huidige Rusland, vol industriële ruïnes en verlaten landschappen. Ze probeert deze werkelijkheid in een objectieve, ‘materialistische’ taal te beschrijven. Dat is een probleem omdat taal beladen is, vol oude betekenissen. De werkelijkheid moet worden ‘bevrijd van het teken’ om haar opnieuw te kunnen beschrijven.

    Traumahelikopter

    In het eerste en meest omvangrijke deel van de bundel, ‘Een leven in de ruimte’, beschrijft ze de huidige ruimte. Alle taalregisters worden hiervoor opengetrokken. Soms is de taal droog, bijna journalistiek (‘in de republiek van het grijze licht zit terrorisme in de ceremonialiteit van het handelscentrum, in een Nike-pak, in geneeskunde en technologieën’), dan weer poëtisch (‘een staking van karren langs de snelweg en hun groene rook. een signaal van een verwoeste fabriek, en van een nachtboerderij een knarsende gil’). Steeds doemt er een somber en desolaat beeld van de werkelijkheid op. Verder staan haar gedichten bol van de filosofische, in academische taal vervatte mededelingen (‘vereist iedere verandering de aanwezigheid van een bepaalde niet-uitgedrukte overvloed ofwel residu, een of ander niet-relationeel deel objecten dat hen toelaat om nieuwe relaties binnen te stappen’). Het is dan alsof je een filosofisch traktaat leest.

    Vervagende grenzen

    Beelden komen vaak terug, zoals het hierboven geciteerde beeld van de traumahelikopter. Maar ook dat van de ‘camera’ – een belangrijk motief – die net als de dichter de werkelijkheid waarneemt, ‘de tanker boven het water’ die als de tijd voorbijglijdt of de ‘gletsjer’ waarin het verleden ligt gestold. Het gaat ook steeds om dezelfde thematiek, zij het net even iets anders verwoord of belicht.

    Volgens Rymboe is er sprake van een voortdurende overgang tussen verleden en heden, tussen personen en ruimte, zelfs tussen man en vrouw, waarbij de grenzen onduidelijk zijn. Steeds ontstaat er weer een nieuwe werkelijkheid:

    ‘Alsof je een naald bent geworden, deze morgen bent geworden en de gewaarwording openprikt; en opnieuw keert alles terug naar de naad: dat jij mijn moeder of boek bent, jullie zijn tezamen in het zand van het gezicht gedompeld. druppels van camera’s, door anderen uit ons verzameld, uit onze ervaring, dunne schaduwen, die vuur en klei organiseren, verschaffen aanraking tot jou via een onmogelijk moment, het doorgelaten teken in het werkelijke boek’.

    Nieuwe ordening

    Een nieuwe werkelijkheid vraagt om een nieuwe ordening in taal. Dat dit problematisch is, blijkt uit het tweede deel (‘manieren om de materie te organiseren’): ‘de redenen van de materie zijn niet betrokken bij haar organisatieprincipes, het teken heeft niet te maken met wat het doet; en de overblijvende betekenis houdt zichzelf zowat vast aan de delen, zich oprollend in de diepte van een gesloten kamer die aangeschroefd is rondom haar bestaan binnen de soort ‘kamer’’.

    De materie ontwikkelt zich autonoom van het teken. Maar toch hebben we taal nodig om uit te maken wie we zijn en om met elkaar te kunnen communiceren. Dat is de taak die de dichter zich heel idealistisch in deze bundel stelt. Ze gebruikt voor die nieuwe taal, waarvoor de oude moet verdwijnen, het religieuze begrip ‘transfiguratie’: ‘dit is het boek van de teloorgang, binnen de grenzen van het geheugen gestouwd en in de vlakte waarop de scherven van de schepping ontdaan van kenmerken gelegen zijn, weggeblazen worden door de transfiguratiewind’ (uit deel drie ‘fragmenten uit de cyclus ontdaan van kenmerken’).

    Bereikbaarheid

    Je moet er dan wel vanuit gaan dat iedereen deze taal zal begrijpen. Het is echter onvoorstelbaar dat een arbeider aan deze gedichten een touw zal kunnen vastknopen. In de laatste twee delen wordt Rymboes toon iets persoonlijker en daardoor minder verkrampt. In een droom voert de ‘ik’ een conversatie met haar moeder: ‘Hoe doe je dat, na wat er gebeurd is, in dit huis? ze antwoordt: ik weet wat er gebeurd is, maar dat verhindert me niet om bakmeel met water te kneden in mijn huis, om dit huis te behoeden’. Na al die abstracte gedichten is dat een verademing.

     

  • Van monoloog naar dialoog

    De poëzie in Nederland kent niet veel politiek geëngageerde dichters. Namen die meteen opkomen zijn die van de marxistische Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Maar waar zij voornamelijk blijmoedig uitkeken naar de komst van de Rode Dageraad, ziet de dichter Frank Keizer de toekomst niet zo rooskleurig voor zich, ook al is hij zich er blijkens zijn gedichten van bewust dat er een ingrijpende verandering dient plaats te vinden.
    Keizer debuteerde in 2016 met de bundel Onder normale omstandigheden, nadat hij al eerder zijn werk gepubliceerd zag in literaire tijdschriften als Het Liegend Konijn en Tirade. In zijn nieuwste bundel Lief slecht ding, probeert hij zich te wapenen tegen de dystopie die de wereld dreigt te worden als het kapitalisme en het consumentisme gehandhaafd blijven.

    Drie afdelingen naar titel vernoemd

    De titel laat zich aanvankelijk lezen als een woordgroep bestaande uit een zelfstandig naamwoord met twee bijvoeglijke naamwoorden, als een aanspraak of een omschrijving, maar blijkt de drie afdelingen van de bundel aan te geven. Elke afdeling begint met een citaat van een auteur, van wie de laatste – Ursula le Guin – opvallend genoeg voornamelijk science fiction heeft geschreven: toekomstromans.
    In de eerste afdeling wordt iemand toegesproken voor wie de jaren zestig nooit helemaal voorbij zijn gegaan, maar die nu met lege handen staat, omdat er van de grote idealen van destijds niets terechtgekomen is. De spreker lijkt deernis te voelen voor de oude activist:

    ‘[…] er valt niet veel te zingen, echt
    te zingen, mompelen, nee mompelen, dat kun je wel’

    Maar er valt ook een milde ergernis te bespeuren: ‘je krabt met je ene hand aan het trauma van je mislukte / autonomie en met je andere hand tast je de nieuwe / afhankelijkheid af.’
    De prozagedichten staan niet los van elkaar, maar lopen in elkaar over en vormen zo één lange monoloog in de jij-vorm, waarin de toegesprokene uiteindelijk de raad krijgt om zich een eigen wereld te scheppen in het ‘goede grijs’: ‘beter iets kleins en iets liefs / te hebben dan je kapot te werken aan het onuitvoerbare / in het hier en nu’.

    Idealen verwezenlijken

    Met het tweede deel gaat de dichter van het verleden naar het heden en van monoloog naar dialoog: twee mensen die een relatie hebben, een ‘ik’ en een ‘jij’, proberen samen een ‘wij’ te worden. In een gesprek over politiek wordt gerefereerd aan collectieve ervaringen die nodig zijn om in vereniging een nieuwe gemeenschap te bewerkstelligen met ‘het vermogen om gezamenlijk te denken’. Het individu zal zich ondergeschikt moeten maken aan het grote collectief, want de hedendaagse maatschappij kent slechts ‘verweesdheid, ontworteling en fragmentatie’. De dichter verwijst nog even naar de campagne van Mao Zedong: Laat honderd bloemen bloeien, waarvan het doel was om misstanden in het bestuur te kunnen opsporen en aanpakken.

    In dit deel zijn de idealen prominent aanwezig, maar wordt tevens de twijfel kenbaar gemaakt en de angst dat het vergeefse moeite zal zijn om te trachten ze te verwezenlijken en waarbij de dichter zichzelf niet spaart. Ideeën worden geopperd en bezwaren daartegen worden ingebracht. De verbinding van poëzie en politiek zal de oplossing moeten bieden:

    ‘ja, wek me op, poëzie, maak me vrolijk, want ik weet wel
    dat je iets kunt oplossen, je bent pure sensatie. en duw
    me over de rand, voer me van die prikkels naar mijn ware
    behoeften, en die van ons, en maak het nieuw’

    Het deel eindigt met de hoopvolle woorden: ‘kom, ik heb een ander idee’.

    Wazige toekomstbeelden

    Het derde deel biedt een blik op een diffuse toekomst, waarin het om overleven en opnieuw beginnen zal draaien. Van het verleden wordt afscheid genomen – ‘rommelend in de lege laatjes en kastjes van een verleden’ – en ook van alles wat tot nog toe als onomstotelijk werd aangenomen. Er wordt een moeizame zoektocht beschreven, die lijkt op de ‘Umwertung aller Werte’ van Nietzsche: de idealen van vroeger zijn nu voorgoed versleten en waarheden moeten opnieuw gedefinieerd worden. De dichter zoekt naar aanwijzingen om de wereld opnieuw te kunnen inrichten.

    Dit laatste deel kent weinig samenhang die als een afspiegeling van die toekomst zelf lijkt. De wereld wordt beschreven als een onherbergzame plek waar het leven moeilijk is:

    ‘[…] het universalisme bleef om offers
    vragen, maar wij stonden onze organen, onze woningen
    en onze meervoudigheid er niet voor af.’

    Een nieuw geluid

    Maar gaandeweg gloort er hoop en worden mensen ‘probleemoplossers’ die mogelijkheden zien voorbij ‘de wetten van het materialisme’. Een ‘vallende, rode ster’ die de dichter waarneemt, kondigt misschien toch de nieuwe Rode Dageraad aan. Dat poëzie daarbij een prominente rol zal spelen, heeft Keizer dan inmiddels wel duidelijk gemaakt.

    Lief slecht ding is geen toegankelijke bundel. Maar de spreektaal die Frank Keizer gebruikt, helpt duidelijk te maken waar het om gaat: engagement zoeken en het politieke persoonlijk maken en omgekeerd. Met krachtige beelden en bijna profetisch taalgebruik slaagt Keizer erin om zijn zoektocht naar nieuwe waarden aannemelijk te maken op een manier die à la Herman Gorter ‘een nieuw geluid’ laat horen.

     

  • Stimuleringsprijs voor dichteres Mieke van Zonneveld

    Om haar stilistische en formele kwaliteiten kende de jury van de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs deze jaarlijkse prijs unaniem toe aan Mieke van Zonneveld voor haar debuutbundel Leger. Vorig jaar behoorde deze bundel al tot een van de genomineerden voor de VSB Poëzieprijs, die uiteindelijk naar Joost Baars ging voor zijn bundel Binnenplaats. Deze prijs voor literatuur wordt uitgereikt aan een schrijver met een belofte en wordt gezien als een stimulering op deze weg voort te gaan.

    Volgens de Commissie van voordracht (Kester Freriks (voorzitter), Pia de Jong, Gerard Raat en Yves T’Sjoen) ‘balanceert de poëzie van Van Zonneveld op de grens van mysterie en helderheid, tussen duisterheid en toegankelijkheid’. De inzet van Van Zonnevelds dichterschap wordt groot genoemd en haar aandacht voor ‘muzikaliteit van de taal met subtiel gebruik van stijlmiddelen als alliteratie, enjambement, binnenrijm en soms eindrijm’ wordt geroemd.

    ‘Van Zonneveld getuigt in deze bundel van een belangrijk dichterschap waarvan de inspiratiebronnen teruggaan van de klassieke oudheid tot Herman Gorter, van de Bijbel, het Paradijs en zelfs een bijna noodlottig ziekbed. […] haar dichterschap houdt nu al een grote belofte in.’

    In 1925 werd de prijs ingesteld door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en bestaat uit een ‘object’ en een geldbedrag van 7500 euro en wordt afwisselend uitgereikt in de categorieën poëzie en proza aan een schrijver van wie in voorgaande jaren een of twee publicaties zijn verschenen.

    Voor poëzie werd deze prijs al eerder toegekend aan onder meer: Idwer de la Parra, Hanneke van Eijken, Kira Wuck, Lieke Marsman, Ester Naomi Perquin, Thomas Möhlmann, Micha Hamel, Geert Buelens, Erik Menkveld, Piet Gerbrandy, Anna Enquist, Eva Gerlach, H.C. ten Berge, Christine D’haen, Leo Vroman, Ida G.M. Gerhardt, M. Vasalis.

     

  • Kernachtige en vrijmoedige gedichten

    Terwijl ons beeld van Korea vooral bepaald wordt door een al decennia durende oorlog tussen Noord- en Zuid-Korea en een operettefiguur als Kim Jong-un, verschijnt er een boekje met vertalingen van Koreaanse shijo’s. Dit zijn drieregelige gedichten die voortkomen uit een gezongen traditie. De oudste dateren waarschijnlijk uit de dertiende eeuw.

    Samensteller en vertaler Boudewijn Walraven, emeritus hoogleraar Koreastudies, beschrijft in een korte, zeer verhelderende inleiding de ontstaansgeschiedenis van de shijo. Hij concentreerde zich voor deze bundel op de shijo’s die tussen 1600 en 1900 geschreven werden. Deze hadden een vrijmoedig karakter. Terwijl de oudere gedichten vaak de trouw aan de vorst bezongen, gaan de latere shijo’s, zoals de titel van het boek ook al aangeeft, over alledaagse onderwerpen als liefde, drank en zelfs lust. Dat levert natuurlijk een aantrekkelijk boekje op.

    Net als Frits Vos, die de shijo met de bundel Liefde rond, liefde vierkant in 1978 in Nederland introduceerde, heeft Walraven de drie lange regels in zes gelijke stukken verdeeld. De laatste twee regels heeft hij bovendien door een witregel gescheiden, omdat deze regels de wending in het gedicht bevatten. Er is hier bijvoorbeeld sprake van een verandering van standpunt of van het subjectieve standpunt na een objectieve bespreking, zoals in de volgende shijo van een anonieme dichter:

    Twee dingen: koel rijstwater
    na de roes van wijn
    en bij dageraad, als je minnaar wil gaan,
    opnieuw inslapen in zijn armen,

    Weet iemand
    hoe heerlijk dat is?

    Walraven besteedt in zijn bundel veel aandacht aan de ‘breedsprakige shijo’, die na 1700 vaker voorkwam, en waarin het middenstuk verlengd wordt. Hierdoor zijn de shijo’s twee of zelfs drie keer zo lang. De pointe van het gedicht wordt hierdoor uitgesteld waardoor die een nog groter effect heeft:

    In elkaar gedraaid en om elkaar gedraaid,
    worden de vezels van het vlas gesponnen.
    Breekt opeens de draad doormidden, dan
    wordt er even verstolen
    aan gesabbeld en gezogen
    tussen rode lippen en blanke tanden
    en fijne blanke handen wrijven
    de eindjes tegen elkaar,
    van die draad.

    Als jouw liefde breekt, doe ik
    als met die draad.

    De gedichten zijn over zeven thema’s verdeeld: naast Liefde, Drank en Lust, zijn er afdelingen over Boeddhisme, Metamorfosen en Terug naar de natuur. Elke thema wordt kort ingeleid. Sommige shijo’s worden onderaan de bladzijde van commentaar voorzien, wat voor extra verdieping zorgt en het leesplezier nog verder vergroot.
    Regelmatig wordt er door de shijo-dichter met verheven gevoelens de spot gedreven, die zelfs kan terugslaan op de dichter zelf:

    Mijn lief is voor mij
    als een das die de tijger uithangt
    waar geen tijger zich vertoont.
    Voor mijn lief ben ik niets meer
    dan een vogeltje dat zit te broeden

    onder een stakerige doornstruik
    zonder blaadjes.

    De gedichten hebben doorgaans een luchtig en speels karakter, ook als er sprake is van serieuze, diep doorvoelde emoties. De beelden zijn vaak enorm krachtig:

    Bergpassen zo hoog dat zelfs de wind
    ze niet zonder rusten kan overtrekken,
    bergpassen zo hoog dat zelfs de wolken
    ze niet zonder rusten kunnen overtrekken,
    de Changsǒng-pas met zijn hoge pieken,
    die de havik, de sperwer, de slechtvalk en de wouw
    niet zonder rusten kunnen overtrekken,

    zal ik overtrekken zonder éénmaal te rusten
    als ik jou daar vinden kan.

    Achterin het boek wordt in een apart hoofdstuk de onderlinge relatie tussen de shijo en de Koreaanse geschiedenis uiteengezet. De overgeleverde shijo’s blijken bij de oudere dichters vaak verband te houden met de belangrijke rol die de dichter in de geschiedenis heeft gespeeld. De shijo droeg dus bij aan zijn roem. Walraven geeft hiervan enkele mooie voorbeelden.
    Het doet je fantaseren dat een hedendaagse shijo-dichter de onderhandelingen van Kim Jong-un zou bezingen van wiens delegatie hij deel uitmaakt en zo Koreaanse én eigen geschiedenis zou schrijven.

     

  • Een messcherp zelfonderzoek

    Bij de mooie kleine Uitgeverij Jurgen Maas, gespecialiseerd in Arabische letterkunde, kwam de vijfde bundel uit van de Palestijnse dichteres Fatena Al-Ghorra, die haar geboortegrond ontvluchtte en nu in Antwerpen woont. Zij maakte veel indruk met haar vorige bundel God’s bedrog waarin ze in persoonlijke, en heftige gedichten verslag deed van haar worsteling met haar afkomst. In Neem dit lichaam gaat ze nog een stap verder en kruipt ze letterlijk binnen in haar huid.

    Het is de eerste bundel die ze in haar nieuwe vaderland schreef. Uiteraard in het Arabisch, ook al heeft ze de ambitie te kennen gegeven ooit in het Nederlands te schrijven. De vertaling is opnieuw van Nisrine Mbarki. Opmerkelijk is dat Mbarki zich bij de vertaling de nodige vrijheden heeft gepermitteerd. In haar nawoord schrijft ze dat ze titels veranderde en zelfs gedichten heeft herschreven. Dit deed ze overigens wel in samenspraak met Al-Ghorra. Hierdoor is het een andere bundel geworden dan het origineel. Omdat Mbarki zelf ook gedichten schrijft, was dit haar wel toe te vertrouwen. Al blijf je met deze kennis in het achterhoofd, toch nieuwsgierig naar die veranderingen.

    Eerder werk

    Opvallend is dat er drie gedichten uit Gods’ bedrog in zijn opgenomen, ook nog eens gedichten die enkele pagina’s beslaan: ‘Vader’, ‘Wat de verteller zei’ en ‘Meisjes breng mijn lief terug’, alle in een herziene vertaling. Ook is het gedicht ‘Een marmeren gezicht’ uit de bundel Ellay uit 2010 toegevoegd. Waarom deze gedichten zijn opgenomen is onduidelijk. Waren de vertalingen niet goed genoeg? Of waren ze nodig om op een mooi afgerond getal van twintig gedichten uit te komen? Of anders om duidelijk te maken dat de nieuwe gedichten in de lijn van de oude liggen. In ieder geval is er wel sprake van een homogeen geheel.
    De twintig gedichten zijn evenredig verdeeld over twee delen. Het zijn beschrijvende, pagina vullende gedichten die vaak uit korte regels bestaan en in een kale, rudimentaire stijl geschreven. Het is poëzie die direct binnenkomen:

    ‘Een cel van verroest ijzer is mijn hart
    het hele jaar door gekleed in zwart
    mijn hart lijkt op een granaatappel
    gewikkeld in stevig zijde
    gesmeten in een cel met uitzicht op een berg
    aan de voet van de berg een stromende rivier
    tjilpende vogels, dartelende herten, sluipende tijgers
    de geur van nat gras doordrenkt alles
    mijn hart is daar in de roestende cel.’

    Afstandelijke waarnemingen

    Al-Ghorra neemt de lezer in haar gedichten mee op een ontdekkingsreis door haar lichaam en geest. Ze heeft de bundel zelfs hieraan opgedragen: ‘[Aan] mijn lichaam en geest/die mij over hun geheimen leerden’. Langzaam geven ze in de gedichten deze geheimen prijs.’ De dichter bekijkt zichzelf steeds van een afstand. In het gedicht ‘Dans’ neemt ze haar hoofd letterlijk in handen en bekijkt het alsof het een aparte wereld is. Ze schrijft: ‘mijn stem gilt’ in plaats van ‘ik gil’.

    ‘Ruis van wezens in mijn hoofd
    een stilte waarin alle woorden zitten
    mijn stem gilt
    in een begrijpelijke taal
    ik speel met mijn hoofd in mijn handen
    bekijk het bijzondere ding.’

    De gedichten beschrijven vaak een problematische verhouding met de buitenwereld, die de ‘ik’ niet kan bereiken. Het kan om een geliefde gaan, maar ook over de onmacht iets aan de onrechtvaardigheid van de wereld te kunnen doen. Het hart is gevangen, ‘gekleed in zwart’. Het is ‘bewust van alles om zich heen/bewust van alles wat niet is’, maar ‘geeft niet om de drenkelingen op de stranden/of om de zwerende lichamen van gevangenen […]/of de hongerstakers/die vrijheid eisen’.
    De ellende is te groot geworden om er nog iets bij te kunnen voelen. Voor de lezer wordt deze er alleen maar beter voelbaar door. Na haar hart beschrijft Al-Ghorra in ‘Motten’ haar geest: ‘Mijn geest is bezorgd/bezorgd als de hengel die ergens op steunt gedurende de dag […] zijn haak machteloos’. De geest van de dichter maakt zich zorgen over oorlog of over de letterlijk aangevreten cultuur (‘Een boek/de motten hebben het hart opgevreten’). De situatie in het Midden-Oosten gonst in deze poëzie steeds op de achtergrond mee.

    Effectieve beelden

    Al-Ghorra onderwerpt zich voortdurend aan een messcherp zelfonderzoek. Voortdurend is er de spanning tussen de afstandelijke beschrijving van haar lichaam en de heftige emoties die haar geest doormaakt. Zo beschrijft ze haar bloed: ‘Rood zoals het hoort/stromend […] trekt aan de draden van mijn ziel/als mijn lichaam beeft van zijn schreeuw’. Ze probeert de pijn te bevatten: ‘Ik houd ervan mijn twee vingers/op de kleine snee te leggen/om het stromen te stoppen/of misschien zodat ik weet hoe het komt/waarvandaan, dat robijnrood/en zijn pijn die mijn ziel niet kan omvatten/alleen verdoving kan mij redden’. Een andere keer is ze wel stellig: ‘Niets meer dan een gat in mijn borst/helpt mij om elke ochtend op te staan/dezelfde vraag/de eentonigheid/de dagelijkse gebeurtenissen zoals ze zijn’. De metafoor van gaten en holtes in haar hart of lichaam komt vaak in de bundel terug. Er spreekt een enorme eenzaamheid uit de gedichten.

    ‘Neem dit lichaam
    voorzichtig
    bedek het
    dekens zijn niet nodig
    twee handen voldoen
    zodat alles kan beginnen
    je zult veel gaten en holtes vinden
    maak je geen zorgen en laat je niet storen
    kleine kooltjes vielen erop
    niemand raapt ze op
    misschien lijkt het wat koud en kil
    maar dat zijn de gevolgen van de aanhoudende herfst.’

    Isolement en wereldleed

    Andere beelden die terugkeren zijn het stof waaronder ze is bedolven en dat moet worden weggeveegd, of de spiegels waarin ze zich gereflecteerd ziet. Weinig originele beelden, maar wel effectief. Steeds wordt er het gevoel van isolement mee aangegeven, dat alleen doorbroken kan worden door een geliefde.

    Neem dit lichaam is een intense leeservaring. Soms wat veel van het goede, want wil je als lezer wel zo afdalen in het lichaam en de ziel van de ander. Gecombineerd met de grote emoties (er wordt geschreeuwd, gegild, gejankt) is het voor de lezer paradoxaal genoeg moeilijk om afstand te nemen. Je kunt je alleen met haar vereenzelvigen. Daarvoor moet je bijna over dezelfde ervaring beschikken. Soms is het wel erg van dik hout zaagt men planken: ‘ik steek mijn hand uit naar passanten/niemand ziet mij/ik heb stront gegeten/volgens een traditioneel en volks recept/ik heb tussen adders geslapen/ik heb geijld van de koorts/ik heb besmet spuug gedronken/met mijn nagels heb ik lagen van mijn huid verwijderd/je gaf geen kik.’

    In het laatste gedicht, ‘Welkom’, fantaseert de dichter over een vrijage met de dood: ‘Als de dood naar me toe komt/wil ik me voorbereiden/als een geliefde voor haar lief’ […] ‘Zoals een prostituee zich voorbereidt bereid ik me voor’, ‘Ik zal de dood verwelkomen als een echtgenote […] ligt midden op bed/klaar voor haar plicht’. De bizarre apotheose van een intieme en krachtige bundel.

     

  • Aansprekende poëzie dicht bij huis

    In 2016 werd de jury van de C. Buddingh’- prijs overrompeld door de debuutbundel Kalfsvlies van Marieke Rijneveld (1991): ‘We waren unaniem weerloos tegen de explosie van talent die Marieke Rijneveld in Kalfsvlies aan de dag legt’, oordeelde de jury toen. In 2015 werd de piepjonge dichteres al in de Volkskrant uitgeroepen tot ‘hét literaire talent van Nederland’. Haar prozadebuut De avond is ongemak uit 2018 werd een bestseller en haar bekendheid werd vergroot door diverse tv-optredens, waaronder bij de De wereld draait door, waar ook haar roman verkozen werd tot ‘Boek van de maand’. Ook baarde ze opzien door de toevoeging van ‘Lucas’ aan haar naam: hiermee gaf ze uitdrukking aan haar reeds lang bestaande gevoel zowel jongen als meisje te zijn.

    Geen eendagsvlieg

    Met zoveel aandacht en lof is het voor een dichter vaak moeilijk zichzelf staande te houden in een volgende bundel, omdat alle kritiek zich zal richten op de vraag of de kwaliteit overeind zal blijven, of dat de dichter een eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar Rijneveld heeft met haar tweede bundel duidelijk bewezen dat zij zich als dichter weet te handhaven: het is een verrassende bundel die haar ongewone talent onomstotelijk aantoont.
    In Fantoommerrie blijft Marieke Lucas Rijneveld opnieuw dicht bij zichzelf. Net als in Kalfsvlies waaieren de gedichten lang en breed uit en bestrijken de hele bladspiegel. De vorm is veelal die van een prozagedicht: aan één stuk, of bestaat uit strofes van vier, drie of twee regels. In haar gedichten neemt Rijneveld de lezer mee naar haar kinderjaren op de boerderij van haar ouders in Brabant, waar God en nuchterheid overheersten in de opvoeding: ‘Op zondag mocht de Libelle uit het plastic net als ik uit mijn schoolkleding. […] Mama bladerde vluchtiger door / mij dan door het blad’.

    De jeugdjaren

    Een veelheid van onderwerpen komt aan bod, die alle deel uitmaken van de wereld van Rijneveld: haar verhouding tot haar ouders – een vader als God en rechter, een moeder van wie moeilijk hoogte te krijgen was, lijkt uit de gedichten naar voren te komen –  haar schooltijd, haar angsten, kinderziektes, maar ook de spelletjes en dromen. En zoals je mag verwachten van iemand die op een boerderij leeft: heel veel dieren. Fazanten, schapen, kikkers, poezen en paarden bevolken deze bundel in ruime mate, meestal met de functie om mensen mee te vergelijken. Ook aan haar gestorven broer worden enkele gedichten gewijd, zoals in haar eerste bundel ook het geval was, maar het lijkt terloops te gebeuren en de toon is minder zwaar:

    ‘Heel lang niet weten wat je moet zeggen is nog altijd korter dan er steeds
    naar moeten zoeken, zes woorden: broer in de grond, kerstboom gerooid.’

    Rijneveld beschrijft haar jeugd in haar gedichten: ze idealiseert die niet, maar valt die ook niet af. Uit sommige gedichten is op te merken dat ze afstand heeft genomen van haar kinderjaren en nu als volwassene erop terugkijkt:

    ‘Op de rand van het bed – een nieuwe pyjama waar ik eens in de
    zoveel tijd van vervelde –fluisterde ik alles waar ik spijt van had, man ik
    was pas acht […]’

    Keerpunt

    In andere gedichten is zij nog steeds het kind dat in het hier en nu van de gedichten leeft, zoals in het gedicht ‘Kindertelefoon’. Dit tweevoudige uitgangspunt veroorzaakt een spanning die voelbaar is in een spel van aantrekken en afstoten van het onderwerp. Het duidelijkst komt dit naar voren in het gedicht ‘Instabiele pengreep’, waarin beschreven wordt hoe de onderwijzers op de basisschool de verwachting uitspreken dat er van de ik-verteller niets terecht zal komen, waarop ze op een ochtend, ‘die niets noemenswaardigs in zich had om dat/ later wel te worden, haar potlood inruilde voor een vulpen’. Een keerpunt dat later in haar leven dus een roman en twee dichtbundels opbracht.

    Originaliteit

    Rijneveld schrijft zo beeldend dat de lezer zich moeiteloos kan inleven in haar gedichten. De belevenissen uit haar kinderjaren zijn herkenbaar, maar door haar indringende en tegelijkertijd zo diep doorgronde beschrijvingen, worden gewone voorvallen iets bijzonders. Haar vergelijkingen zijn origineel, maar lijken vanzelfsprekend voort te vloeien uit haar manier van kijken en doen nergens geforceerd aan:

    ‘ juffen en meester die zeiden dat ze nooit zou kunnen schrijven, dat/
    ze meer kanten heeft dan een Rubiks Kubus maar geen één de juiste kleur/
    heeft’

    Enkele gedichten zijn speciaal voor andere schrijvers geschreven: F. Starik, Joost Zwagerman, A.F.Th. van der Heijden, Hugo Claus. Hoewel ze een heel ander thema beroeren dan de meeste gedichten in deze bundel, vallen ze niet uit de toon al zijn ze minder intens. Het gedicht voor F. Starik treft nog het meest – een persoonlijk gedicht waarin  ze de overleden dichter rechtstreeks aanspreekt.
    Met Fantoommerrie heeft Rijneveld opnieuw het bewijs geleverd het dichterschap te beheersen. Een bundel om in te blijven hangen, net zolang tot de volgende zich aandient.