• Klaarwakkere en illusieloze gedichten

    ‘Durf te schijnen’ staat te lezen in Godface, de debuutbundel van Asha Karami, en waarachtig: deze bundel heeft zeker het lef  te schijnen! En wel in een voorname goudgloed waarop de titel prijkt in zeer lange, uiteengerekte zwarte belettering, haast Art Deco. Een chic, oogstrelend visitekaartje dat typografisch ook tot in de puntjes verzorgd is. Maar hoe stralend is de inhoud en wie zit achter GodfaceOver de identiteit van de debutante wordt slechts in de flaptekst een tipje van de sluier opgelicht. De mededeling dat de dichteres drie keer van naam veranderde en dat haar geboortedatum een ‘complex verhaal’ is veeleer een nieuwe sluier. 

    Eigentijdse inhoud

    Asha Karami leerde in haar eerste zeven levensjaren vier talen , maar beschouwt geen daarvan als haar moedertaal. Ze is werkzaam als jeugdarts, yogadocent en ringarts bij vechtsportgala’s. Hier lijkt iemand te zijn opgestaan die het behaagt in het onbestemde haar bestemming te vinden. De bundel telt een vijftigtal gedichten,  gelijkmatig verdeeld over vijf reeksen die vernoemd zijn naar districten van Taipei, de hoofdstad van Taiwan. Het zal de gemiddelde lezer een schijn van houvast geven dat elk van de vijf afdelingen gekoppeld is aan een gemoedsstemming, respectievelijk: agitatie, aversie, delirium, apathie en euforie. 

    Zo klassiek tijdloos als het omslag, zo eigentijds daarentegen is de inhoud. De openingsregels van het eerste gedicht spreken boekdelen: ‘plannen, Eye Yikes / in de spiegel een nee, speelgoed en peuter / rode tint voor een uurrace’. Volgt een spervuur aan mededelingen waaraan nauwelijks een  touw valt vast te knopen. Gelegenheid om weg te dromen krijgt de lezer niet. Deze gedichten zijn klaarwakker, streetwise en illusieloos: ‘er gebeurt nooit iets wat je leven verandert’.
    Meerdere beelden werken op elkaar in, werkelijkheden lopen door elkaar heen. Een gedicht kan de toonzetting hebben van een  enquêtevraag, of een relaas van een gesprek dat nergens heen gaat. Zo fluïde en eigengereid als de identiteit van de maker, zo weinig trekken deze gedichten zich iets van een afbakening aan. Nauwelijks leestekens, en springend naar een volgend detail. Indrukken van buiten, aandoeningen van binnen. Dat een en ander ontregelend werkt mag duidelijk zijn. De binnenflap citeert de zelfverzekerde dichtregel: ‘ik ga niet op zoek naar iets / dat niet op zoek is naar mij’. De lezer zal zich afvragen of deze gedichten wel op zoek zijn naar hem. 

    Wie zoekt zal het vinden

    De lezer kan ook zijn eigen wijsheid inbrengen en menen: wie zoekt zal vinden! De inhoud voert je dan misschien niet naar een bestemde plek, maar het kan  de stem zijn met wie je op reis wilt door deze bundel. Een stem die soms prettig is te volgen, maar vaak moeilijk, waarbij je soms dwalend achterblijft en op de tast moet volgen. In deze gedichten houdt het ongerijmde open huis en heet de lezer van harte welkom. 

    Wie bereid is tot zoeken, stuit op enige constanten. Zo komen er onderlinge familierelaties ter sprake. Behalve een moeder, jonger zusje, broer, ‘mijn kind’ en zelfs een hond met epilepsie heerst vooral een afwezige vader.  Er is sprake van een ik die zich naar hartenlust aan zichzelf onttrekt: ‘ergens anders was ik een ander’. Die over meerdere identiteiten beschikt: ‘ik had me voorgenomen dat drie / van mijn vijf gezichten op elkaar zouden lijken’. Die zich kan opdelen: ‘als ik overlijd wil ik erbij zijn / ik wil het niet in mijn slaap ik / wil afscheid nemen en niet zonder mij doodgaan’.
    De ik verwijst niet steeds naar dezelfde persoon: ‘ik ben geboren met twee vagina’s’ versus ‘mijn leven begon heel gewoon behalve die ene keer/ dat de buurman probeerde aan mijn penis te zitten’.
    Toch lijkt er  tenminste bij één van die identiteiten een link met Iran. De ik-persoon, is van vele markten thuis en doet pogingen zich te omschrijven, haar (of soms ‘zijn’) identiteit te bepalen. De ik is bezig zich te positioneren temidden van de wereld en de relaties om haar heen. In die relaties geldt: ‘je moet eerst bij jezelf een masker / opdoen dan pas een ander helpen’. Al blijft vermoedelijk ook zonder masker de ene mens voor de andere een raadsel: ‘wie iemand werkelijk is daar zul je nooit achterkomen / zei iemand laatst tegen me’.

    Verzonnen woorden

    Langzaamaan rijst het beeld van een ik die niet ongeschonden tot haar huidige gedaante(s) is aanbeland: ‘omdat niemand mij / een naam gaf / noemde ik mezelf naar mijn hond / het is mijn zachte stijl’

    Elders staat: ‘ik was zo geïsoleerd dat ik mijn eigen woorden verzon’,  zoals: ‘vlinderskogels’ of ‘regenvalregels’. De ik ziet zichzelf niet de oorlog winnen, zoals ze schrijft, maar heeft vermoedelijk wel het nodige aan geweld en verwoesting ondervonden. In de tussenafdeling Nachtboek waarin aan dromen ontleende teksten zijn verzameld, staat dit filmische, desolate beeld:

    ‘bijna iedereen en alles in het land is dood
    ik moet bloemen halen voor de doden
    loop lange afstanden door verlaten gebieden
    er is nog één plek ver weg waar bloemen zijn
    loop langs een ruïne
    iemand woont daar
    hij vertelt me dat in zijn dorp ook bijna niemand meer leeft
    en waar ik bloemen kan vinden’

    Iets te nadrukkelijk afwijkend

    Dichterlijke zinnen als ‘de zon schijnt met de helderheid van de maan’ wisselen af met nuchtere, : ‘in de auto zingt ze met alle liedjes mee / af en toe een slok uit haar thermos’. Sommige titels lijken net iets te nadrukkelijk afwijkend gekozen, zoals donuts zijn niet halal.  De (onder)zoekende toon van deze gedichten boort zich soms  eigenzinnig door de logica heen, met een navenant verfrissende uitwerking: ‘ze zeggen dat je geluk zelf in de hand hebt / alsof ze weten hoe mijn handen eruitzien’
    of: ‘meer dan 90 procent van de problemen / is opgelost als iedereen in zijn eigen kamer / blijft maar ik wil het nu hebben over / de problemen die ontstaan binnenskamers’

    Hier worden geen gepolijste levenswijsheden uitgebroed, maar stekelige vruchten van eigen oogst gepresenteerd die uitnodigen tot reflectie: ‘zelfs lichtsnelheid is geen constante / de natuur houdt van haar vrijheid / ik betreur mijn toekomstige gedragingen’

    Het wat langere naamloze slotgedicht van de afdeling Yonghe (apathie), springt er uit. Met als motto een citaat uit de beroemde Brief an den Vater van Franz Kafka: ‘Irgendeine Ahnung dessen,  was ich sagen will, hast Du merkwürdigerweise.‘ Het gedicht behelst twaalf, in lengte afnemende pogingen om zich per brief tot een verdwenen vader te richten:  ’34 jaar geleden kwam ik ter wereld en jij was jij.’ Aanvankelijk is de toon nonchalant, een tikje aangeschoten misschien: ‘hoewel dit een zinvolle brief is, denk ik dat het tijd is om contact met mij op te nemen. laat me je een beetje over mezelf vertellen’.  Volgen enkele mededelingen en de wens ‘ik hoop van je te horen wat je belangrijk vindt. liefs, a’. 

    In de tweede variant wijzigt de toon van de zinnen al: ‘ik ben 34 jaar geleden geboren en jij bent een van hen. jaardag op 23 juli en ieder jaar is het tijd om mezelf goed te leren kennen voor mijn verslag aan jou.’ Er worden ook andere beweringen gedaan. In de eerste versie was a. arts in amsterdam. In de tweede dokter in londen. 

    Grammaticaal steeds ontwrichtender

    De derde versie begint met: ‘ik ben geboren op 34-jarige leeftijd en waar ben jij. mijn kind is jarig op 23 juli en jaarlijks herhaalt jouw verhaal en mijn verhaal. hoewel deze boodschap mij nog steeds een raadsel is, blijf ik hem lezen. vertel me iets over mezelf’. Ze is nu ‘een dokter in het bos.’ De versies worden niet alleen geleidelijkaan korter, maar ook waanzinniger en grammaticaal steeds ontwrichtender. ‘mijn geluk is 34, het spijt me. jaar na jaar voor u en mij en onze heer van 23 juli. hoe het ook zij, het is moeilijk’ wordt vervolgens: ‘mijn vreugde 34, gecondoleerd op 23 juli richt ik me van jou tot onze schepper. wat de reden ook is, het is leeg.’
    Er is sprake van een opklimmende graad van defragmentatie, qua inhoud, vorm, qua alles. De laatste, twaalfde versie, toont nog slechts een paar éénlettergrepige woordjes die tussen eigenaardige toetsenbordtekens staan, zoals: ‘+. lief.>.’ Als was alle hoop ten grave gedragen en rest er slechts tragiek. In dit gedicht gebeurt
    iets en als lezer onderga je het! Al kun je er niet precies je vinger achter krijgen. Gegeven het feit dat Franz Kafka het met zijn vader ook niet makkelijk had, voel je als lezer de worsteling tussen a en haar vader.  Begrijpelijk dat zo’n gedicht niet de bundel opent, maar wanneer je dit gedicht eenmaal gelezen hebt, ga je het overige met andere ogen (terug)lezen. 

    ‘durf te schijnen zei Ze
    perfectie bestaat want perfectie is een mentaliteit

    discipline en anarchie
    is alles wat ik nodig heb’

    Inderdaad: durf te schijnen, maar met haar discipline en anarchie laat Asha Karami het ook schrijnen. Of deze poëzie vrijblijvend is? Dacht het niet.

     

  • Spotprenten van een erudiet dichter

    Normaal gesproken zouden we geen belangstelling hebben voor schunnige gedichten van een zeventienjarige. Wel als het Arthur Rimbaud (1854 – 1891) betreft. De tweeëntwintig gedichten die in de tweetalige bundel Perverse verzen zijn opgenomen schreef hij van half oktober tot half november 1871, kort nadat hij op uitnodiging van Paul Verlaine in Parijs was komen wonen. Verlaine had hem geïntroduceerd bij de ‘Cercle zutique’, een gezelschap jonge dichters dat zich verzette tegen de gevestigde orde. ‘Zut’ is een eufemisme van ‘merde’ en betekent zoiets als ‘shit’.

    Gelegenheidsgedichten

    De gedichten van de Zutistes zijn minder bekend, omdat het gelegenheidsgedichten waren, bedoeld voor vermaak tijdens alcoholische avonden, die buiten het officiële werk bleven. Ze werden genoteerd in een soort gastenboek dat waarschijnlijk in de Tweede Wereldoorlog verloren is gegaan. Omdat de in pornografie gespecialiseerde schrijver Pascal Pia er foto’s van had gemaakt, zijn ze bewaard gebleven. In 1991 verschenen negen van Rimbauds zutistische verzen in de bundel Obscene gedichten, ter gelegenheid van zijn honderdste sterfdag, in vertaling van Judith Mok. Nu is er een compleet overzicht, vertaald en van een uitgebreide inleiding en toelichting voorzien door Rimbaud-kenner en -vertaler Paul Claes.

    Zowel de inleiding als de toelichting is onontbeerlijk om de gedichten te kunnen plaatsen en begrijpen. De tumultueuze liefdesrelatie tussen Rimbaud en Verlaine is algemeen bekend, net als Rimbauds status van poète maudit. Het eerste verklaart het homoseksuele karakter van veel van de gedichten. Maar de ‘Cercle zutique’ en de tijd waarin zij hun gedichten schreven moeten geduid worden, alsmede het slang dat Rimbaud hanteerde. Claes doet dat op een zeer verhelderende manier.

    Spotprenten in classicistische vorm

    De Zutistes sympathiseerden met de revolutionaire Commune van Parijs, die eerder in 1871 na het einde van de Frans-Duitse oorlog was uitgeroepen en die daarna met steun van Pruisen door regeringstroepen omver werd geworpen. Rimbaud bespot in zijn gedichten de oude machthebbers, onder wie keizer Napoleon III, en de dichters die tot het establishment behoorden en gekant waren tegen de Commune. Namen als Armand Silvestre, Léon Dierx, Louis Ratibonne en François Coppée, die – in tegenstelling tot Rimbaud en Verlaine – in de vergetelheid zijn geraakt. Het meest gebeten was Rimbaud op Coppée, die, na eerst de kant van de revolutionairen te hebben gekozen, nu pleitte voor verzoening van de partijen. Aan hem wijdde hij zeven van de gedichten, waarin hij het sentimentele karakter en de zoetsappige stijl van diens poëzie hekelde. 

    Het geestige is dat Rimbaud voor zijn spotverzen de classicistische vorm van de gehate ‘Parnassiens’ handhaafde. Zo bevat Perverse verzen sonnetten en dizijnen (gedichten van tien versregels) bestaande uit alexandrijnen en met over het algemeen ijzeren eindrijm. Wel schreef hij enkele sonnetten met ultrakorte versregels, zoals in de ‘Conneries I’ (‘Lulkoek I’):
    Jonge slokop // ‘Meneer / Trekt met /Zijn pet / Van leer. // Paul zet / Zich neer / Voor meer / Buffet. // Hij plet / Vol pret / Een peer: / In ’t net / Toilet / Valt beer.’

    Vertaling volgt origineel op de voet

    Het handhaven van de vorm was voor de vertaler een uitdaging. Claes schrijft in zijn inleiding dat hij ook het poëtische van de gedichten recht heeft proberen te doen. Hij volgt Rimbaud zo precies mogelijk. Zo laat hij bijvoorbeeld de regels met de rijmwoorden ‘gauche-sacoche’ ook onzuiver rijmen: ‘Seine’ – schrijnen’ en hij handhaaft in ‘De onthullingen van de oude gek’ de prozaïsch klinkende alexandrijnen waarmee Rimbaud de stijl van Coppée belachelijk maakt. Een andere opdracht was om de dubbelzinnigheden waar deze gedichten om draaien adequaat weer te geven. Volgens Claes was dit alleen mogelijk dankzij het erotisch woordenboek van Alfred Delvau uit 1864 en recente analyses van diverse commentatoren. Rimbaud heeft zich in obsceniteiten uitgeleefd. Het meest beruchte gedicht is het ‘Sonnet van de reet’ (‘Sonnet du trou du cul’), waarmee de reeks opent. Verlaine schreef hiervan de kwatrijnen en Rimbaud de terzinen:

    ‘Mijn Droom is door dit tochtgat meer dan eens verleid;
    Mijn ziel, die het lichamelijk genot benijdt,
    Heeft snikken voor dit rossige vat en nest vergoten.

    O hijgende olijf en fluit vol lieflijkheid;
    O buis waardoor de hemelse praline glijdt;
    Vrouwelijk Kanaän in klammigheid besloten!’

    Erudiet dichter kende zijn vijanden

    Verder valt Rimbauds enorme eruditie op. Hij kende zijn vijanden goed en verwijst regelmatig naar hun werk. In zijn gedicht ‘Lelies’ persifleert hij de voorliefde van contemporaine dichters voor lelies, zoals in de volgende regels van Armand Silvestre (1837 – 1901):

    ‘In de lucht vol zijden draden
    Rezen sidderend de lelies,
    De lelies die de dag ontplooit.’

    Rimbaud heeft een totaal andere associatie:

    ‘O klokkenspel! O lelies! Zilveren klysmaspuiten!
    Werken en honger lijden zijn niet jullie stijl!
    Het ochtendgloren laat je liefdessap ontspruiten!
    De hemellust maakt je meeldraden botergeil!’

    Betekenissen van de leliebloem

    Behalve naar mannelijke voortplantingsorganen is de lelie ook een verwijzing naar het Franse koningshuis dat de leliebloem in zijn wapenschild voert en waar men niet werkt of zich om het hongerlijdende volk bekommert. De tweede regel is een zinspeling op een passage uit de Bergrede, Mattheüs 6:28: ’Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld; zij werken niet, en ze weven niet’ (Nieuwe Bijbelvertaling).

    Ook de kerk krijgt ervan langs.  In het gedicht ‘‘k Zat in een derdeklaswagon’ (slang voor een goedkope hoer, maar hier – heel geestig – juist letterlijk bedoeld) bedelt een priester in een trein om een seksuele gunst: ‘De paap trotseerde de schimpscheuten welgezind, / Keerde zich naar me om en vroeg op een al even / Ferme als droeve toon of ik een pruim kon geven’.
    Rimbauds ‘Vers zutiques’ vormen een ludiek literair-historisch document. Perverse verzen is een vermakelijk boekje, waarin Paul Claes deze weinig bekende gedichten tot leven weet te wekken. Het is ook nog eens mooi vormgegeven. En dat alles voor een tientje. 

     

  • De lichte toets en de scherpe rand

    ‘Ik sta in een veld vol klapwoorden die bloeien met de grond gelijk,
    een werpnet onder het gevoel om nu niet,
    nooit alleen te kunnen zijn

    Het antwoord op je vraag:
    hier raken we mij kwijt’

    Bert van Raemdonck staat in zijn debuutbundel Hier raken we mij kwijt, midden in zijn veld vol klapwoorden. Zij vormen de basis en zorgen ervoor dat hij nooit alleen is. Antwoorden zijn niet voorhanden, zo blijkt, de dichter tast in het duister en staat verloren in de hem omringende werkelijkheid. Deze beginregels uit het gedicht ‘letterperk’ laten zien hoe Van Raemdonck zich als dichter probeert te manifesteren. Hij heeft de taal als instrument, probeert de wereld om hem heen te duiden maar blijft in zijn observaties het antwoord schuldig. Op beschouwende wijze onderzoekt hij het omringende landschap, legt hier en daar wat vast in een droge, soms cynische stijl en beweegt weer verder.

    Menselijke maat

    De menselijke onvolkomenheid vormt een bron van nieuwsgierigheid en de daarbij horende verbazing brengt gedichten als ‘com’ voort:

    ‘Kanker die je voor 10 uur bestelt,
    leveren wij morgen aan de deur

    Anderen met uw profiel bekeken hiv en tbc,
    maar liefst van al brengen wij tering
    in een doos tot bij u thuis

    Nergens kunnen wij hier nog parkeren,
    de aders van beton zijn slib en stinken meer en meer
    naar maïs, meel of metaal, of
    stof dat in uw beide longen ligt te rusten
    waar het zijn zwijgend zwarte gangetje maar gaat

    Rond Kerstmis stouwen wij uw lever, gans
    de weg naar uw adres is met gedeukte bumpers afgezet

    De winkel kent geen dagdienst meer en zondag hebben wij verleerd
    maar in de kleine letters staat juridisch nauw beschreven:
    batterijen bij uw spullen
    zijn in de bodemprijs niet inbegrepen

    Wij wreken ons op u, myopen, wanneer de band begint te lopen
    slaan wij de ene high five na de andere met elkaar

    Hoezeer u zich ook meester voelt,
    u blijft een knecht,
    een pruilend, rukkend jongetje nog maar

    Wij rijden rond,
    uw hamsterhol zal bulken
    Een bol is een soort punt is een soort bodemloze kom’

    Krachtig gecomponeerde woorden met een onmiskenbare betekenis, gevat in een bitterheid die zowel verhelderend als choquerend overkomt. Jammer van die afsluitende zin, een totaal overbodige finale die zelfs afbreuk doet aan het voorgaande schouwspel. Op zo’n moment neigt Van Raemdonck naar mooimakerij, een streven naar volledigheid waar hij wel vaker over struikelt en waarmee hij zijn lezers onderschat.

    Aangrijpende cyclus

    Dat euvel zien we niet terug in de aangrijpende cyclus ‘eendracht sint anna’, waarin de dichter op minimalistische wijze een fraai beeld geeft van de Vlaamse dorpsgemeenschap Bottelare. Fragmenten uit een wereld waar de tijd niet vooruit te duwen is: ‘In Bottelare wordt het ‘s avonds al rap laat, / het is er altijd donker op de fiets.’ Terwijl de verteller zich opmaakt voor de training bij de plaatselijke voetbalclub, schetst hij het leven in de gemeenschap in uiterst korte streken. Juist de samensmelting van verschillende indrukken, oppervlakkig en van een duistere geheimzinnigheid, werkt goed voor het totale plaatje in het hoofd van de lezer. ‘Vroeger was er op de kruising met de grote baan / een feestzaal met een achtertuin/ waar minstens vijf bewoners zijn verwekt, / dat is bekend in Bottelare.’ Het meisje Debby is helemaal klaar met Bottelare, ze smacht naar de grote buitenwereld waar het echte leven op haar ligt te wachten:

    ‘Debby zegt
    dat er vanavond iemand komt
    die haar misschien uit Bottelare weg kan halen

    Ze draagt een iets te korte rode sweater
    maar binnenkort kan ze wat ze maar wil
    volledig met haar eigen geld betalen’

    Het is de invoelende nuchterheid waarmee de dichter een op het eerste gezicht droge beschrijving van een biotoop presenteert. Terwijl grote en duistere zaken zich onder de oppervlakte aandienen, wordt bovengronds de atmosfeer in simpele regels gevat: ‘Als je rijdt naar Bottelare/ moet je meestal door die straat/ waarin twee auto’s elkaar niet kunnen passeren’. Een realiteit die het lezen tot een contrasterend spel van emoties maakt.

    Schrijftechnieken en tekstvormen

    De observerende verzen van Van Raemdonck worden aan het eind van deze bundel gevolgd door een serie gedichten over het schrijven zelf. Daar vinden we de dichter terug in een omgeving die hem – als schrijvend criticus over muziek en literatuur – op het lijf geschreven is. Met opvallende scherpzinnigheid brengt hij tekstvormen en schrijftechnieken tot een originele dichtvorm die vooral laten zien hoe de materie zelf tot onderwerp geworden is. In ‘de vrije verzen’ wordt de vrije vorm in de poëzie gepropageerd:

    ‘De vrije verzen
    zitten op een weekenddag te zonnen
    op een heel erg Gents terras, ze kijken naar de mensen
    met hun tassen van een Ierse winkelketen, lemmingen
    met druipend bloed aan hun geklauwde handen,
    zonder vrije verzen heerste hier de slavernij’

    De lichte toets met ernstige ondertoon vormt ook hier een bijzondere combinatie. Die dan wel weer voor een stevige afsluiting zorgt: ‘Rijm bedreigt de vrije verzen,/ ritme is nazisme met een overschot aan tijd’.

    Het is de losse associatiemethode die maakt dat de verzen van Van Raemdonck op een aangename manier binnenkomen. Hij kijkt om zich heen en weet zijn observaties een interne vertaalslag te geven, die zeer leesbaar is en tegelijkertijd van een scherpe rand is voorzien. De ironie, soms uitlopend in cynisme, blijft in een goede dosering aanwezig, waarbij de dichter ook zichzelf de spiegel voorhoudt: ‘Schrijven is ook een manier van tellen, / over wat hier en nu op het papier staat, / heb ik tijdens het kruisverhoor / nog met geen woord gerept’.

     

  • De dromende dichter

    In het ene oog de maan, in het andere de zon, de nieuwe bloemlezing van het werk van Paul Éluard (1895-1952), roept associaties op met – als u die ooit hebt gezien – de surrealistische schandaalfilm Un chien andalou van Luis Buñuel en Salvador Dalí . Ogen, manen, zonnen: het zijn stuk voor stuk vaak terugkerende beelden bij surrealisten. En warempel: toeval of niet, maar in de inleiding van de bloemlezing lezen we zowaar dat Dalí’s muze Gala voorheen getrouwd was met… Paul Éluard. Altijd handig, zo’n inleiding, want ook al maakt de opvatting dat poëzie voor zich moet spreken nog steeds opgang, een minimum aan duiding is niet overbodig. Niet dat je dwangmatig alles moet proberen te begrijpen – dan loop je in mijn ervaring vaak onherroepelijk vast – maar een beetje houvast is aangenaam. Natuurlijk kan je meteen op hoop van zege in het diepe duiken, maar een paar zwemlessen voordat je het water in duikt, kunnen geen kwaad.

    Zoals we in de inleiding kunnen lezen, trachtte Éluard het leven op te roepen zoals het zich ‘ongefilterd door de rede’ voordoet. Daarvoor deed hij veelvuldig een beroep op ‘droomachtige situaties en beelden’. Vandaar dus die ogen, zonnen en manen. Bij dat laatste substantief zullen lezers die bekend zijn met het werk van de Spaanse dichter Federico García Lorca een aha-erlebnis krijgen. Overigens was Lorca op zijn beurt weer een aanbidder van… Dalí. Le monde est petit! En toch ging Éluard na verloop zijn eigen weg: zijn opvatting dat de taal een doel op zich kan zijn, leidde tot een breuk met de surrealistische gangmaker André Breton.

    Opvallend is ook dat – nog steeds volgens de inleiding – Éluard in Frankrijk bekend zou staan als facile. Zijn vocabulaire is in vergelijking met het vaak vrij vergezochte woordgebruik van de symbolisten weliswaar vrij eenvoudig, maar die eenvoud doet zich enkel voor op woordniveau. Met vrij eenvoudige termen – zon, maan, hand, wolk – construeert hij behoorlijk complexe beelden en associaties die veel verbeelding en inlevingsvermogen vergen van de lezer.

    Variatie

    Voor deze bloemlezing werden gedichten gekozen uit drie belangrijke bundels van Éluard: Capitale de la douleur (1926), La vie immédiate (1932) en Le livre ouvert (1938-1944). Al bij de selectie gedichten uit de eerstgenoemde bundel valt de variatie in de vorm en de prosodie op: Éluard werkt nu eens met vrije verzen of prozagedichten, kiest dan weer voor vormvaste gedichten, wisselt korte verzen af met lange, schakelt heel vlot van een jachtig, naar een traag en slepend ritme. Het zou ondoenbaar zijn om die rijke variatie in kort bestek te behandelen, dus kiezen we er maar het evocatieve gedicht De verliefde uit. Het begint vrij toegankelijk, maar gaandeweg wordt de lezer steeds verder in Éluards surrealistische droomwereld getrokken.

    ‘De verliefde

    Ze staat recht op mijn oogleden
    En haar haar ligt door het mijne,
    Ze heeft de vorm van mijn handen,
    Ze heeft de kleur van mijn ogen,
    Ze verdwijnt in mijn schaduw
    Als een steen tegen de lucht.

    Ze heeft haar ogen altijd open
    En laat me niet slapen.
    Haar dromen op klaarlichte dag
    Laten de zonnen verdampen,
    Laten mij lachen, huilen en lachen,
    Praten zonder ook maar iets te zeggen.’

    Éluard liet zich uitgebreid inspireren door de beeldende kunsten. Niet onlogisch, want hij was bevriend met heel wat schilders, beeldhouwers enzovoort. Zo passeren Ernst, Dalí, Picasso, Man Ray, Picabia en Joan Miró de revue. Wie bekend is met het werk van die laatste schilder – overigens een veel lichtvoetigere surrealist dan Dalí, die nogal zwaar op de hand en dikdoenerig kon zijn – zal misschien spontaan aan de libellen van zijn schilderijen denken bij het lezen van deze regels:

    ‘Prooizon gevangene van mijn hoofd,
    Haal de heuvel weg, haal het bos weg.
    De lucht is mooier dan ooit.
    De libellen op de druiven
    Geven hem welomlijnde vormen
    Die ik in één gebaar verjaag.’

     Sagan

    En soms is er plots de schok van de herkenning. Neem bijvoorbeeld de openingszinnen van Amper gehavend, uit de bundel La vie immédiate:

    ‘Vaarwel droefenis
    Gegroet droefenis
    Ik lees je in de lijnen van het plafond
    Ik lees je in de ogen die ik bemin’

    ‘Gegroet droefenis’, dat is toch… Jawel, Françoise Sagan heeft voor de titel van haar debuutroman Bonjour tristesse leentjebuur gespeeld bij Éluard. Met schaamrood op de wangen moet ondergetekende ruim twintig jaar na een eerste lezing ontdekken dat Sagan die titel niet zelf heeft bedacht. Enfin, zeg van de Fransen wat u wilt, maar ze eren wél hun dichters, nu eens met een staatsbegrafenis, dan weer in de populaire cultuur of een of ander chanson.

    Asile de Saint-Alban

    Tot slot moeten we het onvermijdelijk over de laatste bundel hebben die in deze bloemlezing aan bod komt: Le livre ouvert. Dat boek stamt uit de woelige oorlogsjaren, een tijd van verzet en onderduiken voor Éluard. Dwongen de omstandigheden een dromerige surrealist om toenadering te zoeken tot de concrete werkelijkheid? Op het eerste gezicht niet, al wordt de toon wel grimmiger. Een van de hoogtepunten is Het gekkenkerkhof, dat Éluard in 1943 schreef. Het handelt over de begraafplaats bij het Asile de Saint-Alban, een ziekenhuis voor geesteszieken in het Zuid-Franse Lozère waar hij tijdelijk onderdook.

    ‘Het gekkenkerkhof

    Dit kerkhof gebaard door de maan
    Tussen twee golven zwarte hemel
    Dit kerkhof archipel van het geheugen
    Leeft van verdwaasde winden en geesten in puin

    Driehonderd graven op rijen in de barre grond
    Voor driehonderd doden gemaskeerd met aarde
    Naamloze kruisen zonder naam mysterievolle lijken
    De aarde geblust en de mens verdwenen

    De onbekenden zijn uit de gevangenis gekomen
    Getooid met afwezigheid en zonder schoenen
    Niets te hopen over
    De onbekenden zijn in de gevangenis gestorven
    Hun kerkhof is een redeloze plek’

    Opvallende afwezige in deze bloemlezing is het gedicht Liberté, dat bijvoorbeeld wel als enige gedicht van Éluard is opgenomen in de bloemlezing De tuin van de Franse poëzie – een canon in 100 gedichten (Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2011). Het is door zijn lengte en vorm echter wat atypisch voor deze grote dichter en is waarschijnlijk vooral bekend door zijn historische belang: tijdens de oorlog werd het door Engelse vliegtuigen uitgestrooid boven het bezette Frankrijk. Al is dat op zich natuurlijk wel een prachtig, poëtisch beeld. Ziet u nu nog een oorlogvoerende natie die tactiek gebruiken?

  • Een ode aan de cyclus van het leven

    Sinds het verschijnen van haar debuut De Appelmoesstraat is anders (1978) heeft de in Antwerpen wonende schrijfster Joke van Leeuwen een niet aflatende stroom van boeken geschreven, zesenvijftig in totaal. Haar nieuwste bundel Levenslust is in feite één lang gedicht, bestaande uit tachtig strofen van tien versregels. Vooraan in het boek staan vijf tekeningen van de auteur, terwijl als een rode draad een getekend lint door de bladzijden getrokken wordt om de afdelingen te markeren, met af en toe een knoop erin. Van Leeuwen is een veelzijdig auteur die zich op allerlei terreinen begeeft: schreef ze in het begin alleen voor kinderen, al gauw begonnen de leeftijdsgrenzen voor haar boeken te vervagen en nu schrijft  ze verhalen die door zowel kinderen als volwassenen zeer gewaardeerd worden. De illustraties verzorgt ze ook zelf.

    Haar werk is veelvuldig vertaald en bekroond in binnen- en buitenland. Ook legt ze zich toe op toneel, romans en dichtbundels, waarvan Levenslust haar achtste voor volwassenen is. Bovendien werd ze in 2015 uitgeroepen tot Dichter der Nederlanden. De functie, die bestaat naast die van Dichter des Vaderlands, is door het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) in het leven geroepen om de verbondenheid tussen Nederland en Vlaanderen te stimuleren.

    Herinneringen en observaties

    De titel zegt genoeg: dit gedicht is een ode aan het leven. Joke van Leeuwen neemt de lezer mee vanaf het allereerste begin: de verwekking en de groei van een kind in de baarmoeder, de geboorte en de babytijd. De observaties zijn onpersoonlijk en van toepassing op iedereen; pas later worden ze gekleurd door persoonlijke herinneringen en ook dat is zoals het in het echte leven gaat: het geheugen van een kind komt pas later op gang. Maar zelfs dan worden de herinneringen algemeen gemaakt door het gebruik van de voornaamwoorden ‘men’, ‘wij’ als pluralis modestiae en een onpersoonlijk ‘je’:

    ‘je eerste bal toen je gekostumeerd
    komen moest kwam je als schemerlamp’

    De herinneringen die Van Leeuwen oproept, zullen herkenbaar zijn voor mensen van haar generatie. Wat volgt is een kolkende rondleiding door de cyclus van het leven: opgroeien, werken, verliefd worden en zelf weer nieuw leven scheppen, tot de dood erop volgt. Dit gebeurt niet chronologisch, maar willekeurig via invallen, gedachten, gebeurtenissen en associaties. Daarin is ook plaats voor ingrijpende en serieuze onderwerpen als oorlog, kindersterfte, natuurrampen. Ook God krijgt een stem en geeft zijn mening over het leven dat hij zelf geschapen heeft, overwegend of hij opnieuw zal beginnen.

    Van enkeling tot mensheid

    Naast het leven van een enkeling breidt Van Leeuwen haar beschrijving uit naar dat van de gehele mensheid en stipt ze de ontstaansgeschiedenis van de mensheid aan, beginnend in de oertijd en eindigend in de toekomst.
    Maar bij alle fragmenten staat het optimisme centraal, het aanvaarden van ervaringen en vooral verder gaan en opnieuw beginnen. Niet voor niets eindigt het gedicht met:

    ‘(…) – blijf nog
    blijf blijf, heb geduld als het wit
    van erkannogvanallespapier’

    Kenmerkend in het werk van Van Leeuwen is de humor en het jongleren met taal, wat soepele en originele vondsten oplevert:

    ‘(…) – napoleon, hem
    heeft die ingres zo weten te schilderen dat
    het verdwijnpunt het roodhermelijnpunt
    het zowilikzijnpunt precies is
    te vinden op keizermans pik’

    Levenslust is één lang gedicht, zonder hoofdletters of punten, slechts een enkele komma of een gedachtestreepje en af en toe een uitroepteken. Ook ontbreekt eindrijm, maar het consequent aangehouden metrum van de dactylus is zo ritmisch en zo melodieus, dat dit nauwelijks gemist wordt. De strofen zouden hardop gelezen moeten worden om ze volledig tot hun recht te laten komen:

    ‘(…) de dieren die gillend
    van slachtangst niet snappen met
    wat voor verlangen de vachtloze
    wezens met sierlijke klauwen hen
    rauw aan een haak willen hangen’

    Niets is toevallig

    Het gedicht is zeer doordacht geschreven, niets wordt aan het toeval overgelaten. De compositie is ingenieus, met lange zinnen die vaak doorlopen over meerdere strofen en met veel enjambementen. Dat werkt overrompelend, de stroom van woorden is overweldigend en maakt dat je (soms) naar adem moet happen. Er zijn weinig rustpunten in het gedicht: met behulp van de komma’s en de cadans moet de lezer die zelf aanbrengen. Bovendien gaat het om één lang gedicht en zou je alle strofen achter elkaar moeten lezen om te kunnen bepalen waar het over gaat.

    Het is niet wenselijk zomaar ergens te beginnen met lezen, dan is de samenhang tussen de strofen verdwenen en wordt het onmogelijk om te weten wat het onderwerp is van het betreffende fragment. De strofen zijn met elkaar verbonden als kralen aan een ketting, als je er eentje tussenuit haalt is de verbinding weg.

    Joke van Leeuwen heeft op een speelse manier een aantal serieuze zaken vorm weten te geven. Als een uitbundige gids voert ze de lezer mee langs niet alleen de toeristische trekpleisters van het leven, maar ook langs kleine, alledaagse en herkenbare gebeurtenissen die een mensenleven kenmerken en zonder meer belangrijk zijn.

  • Wijnberg maakt op overtuigende wijze het winnende doelpunt

    Weinig dichters verraden zich  na een paar regels. Al heb je voor het raden van dichters als Armando, Kouwenaar of Faverey  niet veel nodig. Sinds de bundel Nog een grap uit 2014 heeft Nachoem Wijnberg (1961) zich ook in dit groepje geschaard, met de voor hem zo karakteristiek geworden vragende vorm. Niet dat hij er voorspelbaar op geworden is. Integendeel, juist in zijn latere bundels verkent Wijnberg iedere keer een nieuw onderwerp dat hij vragenderwijs analyseert. In zijn negentiende en nieuwste bundel Afscheidswedstrijd waagt de dichter zich op en rond het voetbalveld. Een aantal gedichten van deze P.C. Hooftprijslaureaat beleefde een voorpublicatie in het literaire voetbaltijdschrift Hard Gras. Het leverde hem een blurb op van niemand minder dan Henk Spaan.

    Meer afscheid dan wedstrijd

    In Afscheidswedstrijd worden geen hijgerige odes geserveerd aan vedettes die met hun wonderschone en legendarische doelpunten een staat van onsterfelijkheid verwierven. Er worden geen sport-filosofische inzichten ontvouwd. Wat dat aangaat is het meer ‘afscheid’ dan ‘wedstrijd’. Een greep uit de motieven die wél worden aangesneden: wachten, oefenen, verliezen, of beter gezegd: niet willen winnen, verguisd worden, laatste worden, niet kunnen kiezen, niet gekozen worden. Wijnberg hanteert vaak de comparatief en superlatief en speelt zo tegenstellingen tegen elkaar uit: ‘Enkel in de donkerste nacht zag je makkelijk / zo weinig als alle anderen samen’. Er wordt veel in extremen gedacht, met bijpassende woorden als: eerste, laatste, niemand, geen, niet, meer, minder. Het wemelt daarbij van bijwoordelijke bijzinnen en uitweidende vergelijkingen.

    De zinnen springen van het ene onderwerp naar het andere. Wijnberg is een denkende dichter, die voortdurend schakelt tussen de probleemstellingen om vat op de materie te krijgen. En dat in een consequent volgehouden parlandostijl maakt dat dit alles leest alsof je iemand hardop hoort denken. ‘Je wilde / dat je pas over je hoort dat je een minder goede verliezer bent dan iemand dacht / wanneer je niets meer te verliezen hebt.’
    Alles in de je-vorm, alsof er geen ontkomen aan is. Maar wel met de dichterlijke pen in de aanslag, om de zin een wending te geven die de schoonheid van het denken dient: ‘jullie kregen net zoveel kansen als jullie tegenstanders / van die dag om te doen waardoor de wereld dichterbij gebracht was waarin jullie / één kans meer gehad hadden.’

    Melancholische ondertoon

    Er zijn veel variaties op het thema ‘voetballen voor verliezers’ want een sukkel is de je-persoon in kwestie zeker. In de meeste gedichten schuilt een schlemielige vorm van humor met een melancholische ondertoon, die niet zelden ontroert: ‘En als jullie zeggen, / wijs maar een van ons aan / laat ik dat liever doen door een geblinddoekt kind (ik zou eerst om een vrouw vragen, / dan om een blinde, dan om een kind van wie de ouders toestemming gaven dat het geblinddoekt werd)’. In een gedicht waarin zowaar sprake is van winst, wordt champagne geserveerd: ‘Champagne in een koeler / midden in de kleedkamer. Eén glas voor iedereen? De wisselspelers die niet dachten // dat ze nog in het veld zouden komen zijn al weg en de anderen douchen liever thuis. Willen ze niet meer / naakt gezien worden? Word je daar bedroefd over / om het ergens anders / niet over te zijn?’ Dat elders ook weer champagne opduikt schept een zekere samenhang tussen de gedichten, die verder niet gegroepeerd en zonder inhoudsopgave in deze bundel zijn ondergebracht.

    Als hoogleraar economie van beroep kent Nachoem Wijnberg de waarde van uitstel van behoeftebevrediging als geen ander. Als dichter keert hij het begrip binnenste buiten. ‘Het is er een die zegt, laat mij, / voor de verandering, één keer krijgen wat ik nog niet kan zeggen dat ik wil hebben.’
    Met een motief als schaarste kan hij ook goed uit de voeten, zoals bijvoorbeeld in Om te lezen:

    ‘De volgende keer geef ik je een boek mee en je kan het uitlezen
    voordat je het doorgeeft of zou je dan bang worden
    dat er op een dag geen boeken meer zijn die je nog kan lezen? Zoals
    wanneer je in een bibliotheek loopt

    en alle boeken die je ziet heb je al gelezen
    en je vraagt of er niet nóg een deel
    van de bibliotheek is
    voor wie ouder dan jij is.’

    Bedwelmende gedichten

    Een fijn netwerk van vragen spreidt zich uit over deze gedichten , die daarmee iets bedwelmends krijgen. Zeker wanneer men bedenkt dat de meeste gedichten paginavullend zijn en in vaste formaties van vier strofen, 105 pagina’s lang over het papier waaieren. De gedichten lijken ‘aus einem Guss’ opgeschreven, al verkondigde Wijnberg ooit dat zijn poëzie vele kladstadia kent. Het leest in ieder geval alsof het allemaal  makkelijk is geschreven. Hierin lijkt zijn poëzie op het echte voetbal, waarin wat eenvoudig oogt, het moeilijkst te spelen is. Het associatieve in deze gedichten zie je als het ware onder je ogen plaatsvinden, als in De opstelling:

    ‘Of je nog opgesteld wordt of niet
    (of je ongesteld wordt of niet, omdat je het oneerlijk vond dat alleen meisjes dat mochten zeggen,
    wat de gymleraar bozer maakte dan wat je verder zei om niet mee te hoeven doen)
    en als de trainer je zegt buiten het veld te gaan zitten

    is dat ook een deel van de opstelling, want zoals op de lagere school tegen je gezegd werd
    wanneer de rest van de klas ging zingen,
    het enige wat samen gedaan werd, een of twee keer per jaar, er moet ook iemand luisteren
    en jij bent vandaag de luisteraar (…)’

    Overdaad schaadt niet

    Wijnbergs stijl behoeft een zekere overdaad om tot bloei te komen. Deze gedichten hebben verhalende aanzetjes nodig om het ontregelende, het vervreemdende te kunnen schragen. Je kunt als lezer gegrepen worden door zinnen als ‘maar je speelt toch tegen de hemel aan de kant van de aarde?’ Of wrevelig vaststellen dat het nergens naartoe gaat. Maar in deze poëzie gaat het vooral om waar gedachten, als in een schijnbeweging, haast terloops in gedichten overgaan. Vragenderwijs denken als sparring partner van poëzie. Dwingt Wijnbergs manier van dichten zulke ontregelende vragen af? Of woelen deze vragen poëtische lagen bloot?
    Dat Wijnbergs poëzie voor moeilijk wordt versleten is eigenlijk een groter raadsel dan zijn poëzie zelf. Het is niet het soort dat lezers op het verkeerde been zet. In wezen vraagt ze de bereidheid om op een vraag niet met een antwoord, maar met een andere vraag genoegen te nemen.

    Zinnen die willen schitteren

    Dat deze gedichten niet langer dan een pagina zijn, is een beperking die zijn poëzie ten goede komt. In zijn zeer uitgedijde bundel Van groot belang uit 2015 overspeelde de wetenschapper Wijnberg hier en daar zijn dichterlijke hand met al te wijdlopige gedachtestromen, waaraan het belang van de poëzie ondergeschikt leek. Iets ouderwets Wijnbergiaans zit nog in enkele langere titels van gedichten als Het mooiste verlies waarover je weet of Als er iemand anders geweest was had je zijn beide benen kunnen breken. Verreweg de meeste gedichten hebben beduidend kortere titels en een meerderheid daarvan heet gewoon Afscheidswedstrijd. Heel treffend voor een bundel waarin ieder gedicht voor typerend door kan gaan.

    In ieder gedicht schuilen zinnen die willen schitteren. Sommige lukt dat beter dan andere. ‘Hoe maak je een afscheid / zo groot als een juweel dat je probeert in te slikken als het al te laat is om / weg te lopen?’ levert niet echt een schitterend beeld op. Maar daar staat een waarlijk juweeltje van een wandtegelwijsheid tegenover: ‘Wie zegt, je hebt maar één leven, // moet lang hebben zitten tellen.’ En daarmee maakt deze dichter op overtuigende wijze het winnende doelpunt!

     

  • Ingehouden roekeloosheid

    Iduna Paalman is schrijfster van proza, poëzie en toneel. Ze is tevens werkzaam als docent Duits en schrijft blogs over het lesgeven. In 2016 won ze de Grote Lowlands Schrijfwedstrijd met haar korte verhaal Jij lijkt ons perfect en haar blogs werden gebundeld onder de titel Hee maisje. Tien jaar geleden won ze de jaarlijkse gedichtenwedstrijd Doe maar dicht maar. Dit jaar verscheen haar eerste poëziebundel De grom uit de hond halen, waarvan sommige gedichten eerder gepubliceerd werden in onder andere Het liegend konijn, De Gids en Kluger Hans en draagt ze voor uit eigen werk op poëziefestivals.

    De toon is gezet

    Angst en de wens om controle te hebben over datgene dat die angst aanwakkert, lijken op het eerste gezicht de voornaamste onderwerpen van deze bundel te zijn. Wat gevaarlijk is, moet teruggebracht worden tot iets dat geen kwaad meer kan. In het eerste gedicht stelt de dichter zich al voor: ‘Er bestaat een groep riskmanagers, ik ben er een van.’ Deze riskmanagers ‘taxeren de dreigingen’ en halen vervolgens ‘een schaafwond uit een tegel’ en ‘een grom uit een hond’, met als laatste regels: ’s avonds rapporteer ik: alles wat misging is voorkomen, alles wat / jankte kan rustig gaan slapen.’

    Hiermee lijkt de toon gezet: hoe om te gaan met dreiging is een thema dat voor de hele bundel geldt. Gedichten met titels als Geruststelling en Bescherming volgen in het getrokken spoor. Maar verrassend genoeg wordt het opgebouwde verwachtingspatroon dan weer doorbroken met gedichten die zich onttrekken aan wat in het begin geconstateerd was, zoals in In functie: ‘Zeven zeg ik, als op schaal van één tot tien / gevraagd wordt naar mijn vrolijkheid.’

    De dreiging onderzocht

    De gedichten gaan niet alleen over de angst voor gevaar, maar ook over het onderzoek naar de dreiging en de risico’s. En soms wordt het gevaar wel degelijk waargenomen, maar haalt de dichter laconiek de schouders op, omdat je je nu eenmaal niet tegen alles kunt indekken. Er wordt niet langer geprobeerd de wanorde van wat men waarneemt onder controle te krijgen, maar met een zekere mate van onverschilligheid wordt deze juist geaccepteerd. Soms wint de zekerheid en soms wint de angst.

    Deze nuchtere constateringen bieden een mooi tegenspel aan de gedichten waarin geprobeerd wordt greep te krijgen op alle onvoorziene gebeurtenissen in het leven. Er is een zekere mate van veiligheid gecreëerd, een schijnzekerheid, waarop je toch ook weer niet te veel moet vertrouwen: ‘Wat is geruststellen als niemand zich nog zorgen maakt’.

    Overzichtelijkheid als leidraad

    Deze tweedeling wat de inhoud betreft, wordt niet weerspiegeld in de indeling van de bundel: er is gekozen voor vier afdelingen, maar de keuze daarvan lijkt willekeurig te zijn gemaakt; thematisch is er niets dat wijst op een speciale samenhang tussen de gedichten of de vier afdelingen en dat is jammer, want nu lijkt de enige reden de overzichtelijkheid te zijn.

    Het contrast tussen angst en onverschilligheid  dat deze bundel kenmerkt, levert humoristische vondsten op, zoals in het gedicht Alles is fantastisch zegt de kapster:

    ‘Ze heeft net in mijn oor geknipt
    en oren mogen dan wel een zeer
    moeilijk te stelpen lichaamsdeel zijn
    geweldloze communicatie (mijn moeder
    heeft er een boek over) is in een kappersmantel
    uitgevonden’

    Zonder patroon

    Humor is een manier om de chaos van het dagelijkse leven tegemoet te treden; heldere taal en eenvoud zijn andere manieren: ‘[…] de simpelste omschrijving / van gras: voedsel voor grazers.’ Als de dingen simpel gehouden worden, zijn ze beter te overzien. Haar vergelijkingen zijn origineel en fris: ‘onze opa’s vertelden nog verhalen met de hand’ en ‘ergens was een kind dat stil onder het prikkeldraad / van de bedtijd door gerold, […]’.

    Een vast patroon is er niet te vinden in de gedichten: Paalman spreekt zichzelf regelmatig tegen in de keuzen tussen verzetten en aanvaarden en gunt zichzelf daarmee een vorm van vrijheid die ook in de gedichten weerspiegeld wordt. Net als de versvorm zijn ook de onderwerpen heel verschillend: er zijn gedichten over spam in je mailbox, over een middenberm die medelijdend toegesproken wordt, over Kafka en Maria de Medici. En niet te vergeten de Brief aan de schoonmaakhulp is overtuigend: ‘Je hebt er geen zin, dat zie ik.’

    Overtuigende stijl en stem

    Niet alle gedichten zijn zo helder van opzet of van taalgebruik. Bij een enkel gedicht kan de lezer slechts raden waar het over gaat en blijft het gedicht duister, maar daardoor neemt juist het gevoel van dreiging toe. Er staat iets te gebeuren, maar wat?

    ‘Bereid je voor op een journalist in een kist naar huis,
    een staatssecretaris  met een tweede kans, schrik,
    afschuw, thee, je bed. Bereid je voor op oude bekenden,
    een schipperstrui die ruikt naar de examenklas’

    Iduna Paalman weet met haar eerste bundel de lezer te overtuigen van haar eigen stijl en stem die helder opklinken uit de gedichten.

     

  • Poëzie met een lach en een traan

    Chawwa Wijnberg (1942) debuteerde dertig jaar geleden met de bundel Aan mij is niets te zien. Behalve dichter is ze beeldend kunstenaar en columnist. Twee jaar was ze stadsdichter van haar woonplaats Middelburg. Het ontbreken hoor je niet is haar achtste bundel. Haar gedichten zijn eenvoudig en geëngageerd van aard. Ze schrijft vaak over haar joodse achtergrond, maar gaat ook regelmatig in op de actualiteit. Dit laatste doet ze in haar nieuwe bundel meer dan het eerste.

    Wijnberg schrijft zeer eenvoudige gedichten, bestaand uit korte regels. Ze gaan over  onderwerpen als ouderdom en vergankelijkheid, maar ook de vluchtelingenproblematiek en de robotisering van de samenleving komen aan bod. Wijnberg schrijft alles direct op, zonder veel beeldspraak. De gedichten zijn daarom na één lezing al te begrijpen. Dit eenvoudige zou je kunnen roemen als glashelder. Het zijn persoonlijke en eerlijke gedichten en daarom beslist sympathiek en integer. Maar originele inzichten, die ontstaan door de werkelijkheid te bevragen, biedt Wijnberg niet. Ze komt vooral met boodschappen:
    ‘als we/elkaar beloven/lief te hebben/maar ook in alle talen/in het Visch en Koeis/en luisteren naar vogels/en de bloemen/van het veld/dan hoeft een mens/geen lauweren/geen lauweren – geen geld.’ Mooi hoor. Het gaat in het leven om de ander, om de natuur, niet om geld. De bundel staat vol met dit soort wijsheden die nogal voor de hand liggen. Lezers zullen het vooral met haar eens zijn.

    Wijnberg dicht vaak over geweld en intolerantie, thema’s die te herleiden zijn tot haar joodse achtergrond: ‘In gedachten/doe ik de helm/op mijn hoofd/en bedek ik/alle zachte plekken/met weerbaar rubber/waar de politie/met een knuppel/op kan slaan’. Het verleden is nooit voorbij, er is altijd weer dreiging: ‘het was er toen/het is er weer’. Misschien komt het gevaar dit keer van moslims: ‘nu mogen we/de moslims helpen/we weten van hun jodenhaat/is er nu een groter kwaad.’ Haar gedichten zijn ook op te vatten als een waarschuwing. Dat zij hier op moslims wijst is gedurfd.

    Buiten de tijd

    Veel gedichten hebben betrekking op de levensfase waarin de dichter zich bevindt. Ze valt er met het openingsgedicht Slijtage meteen mee in huis: ‘Er is/een scherfje/van me af/ja en kreukels/en hier/en daar een barst.’ Ze schrijft er vaak op ironische toon over en wil zich niet bij haar ouderdom neerleggen: ‘ik zie mijn bloedrood/gelakte nagels/en zeg tegen mijn lief/met mijn oudevrouwenstem/wij moeten/altijd/strijdbaar feministisch/blijven. De ironie maakt de ernst dragelijk, een bekend procedé in de poëzie.

    De dichter voelt zich niet thuis in deze tijd. In het gedicht ‘Poëzie en computer’ gaat ze in op de tegenstelling tussen het verhevene en het banale. Op zich een prima thema, maar ze doet dit op een oubollige wijze: ‘Nou goed ik heb een bestand/of hoe heet het, map, geopend/nu moet er ook iets in/ik weet wat niet, dat wel/niets prozaïsch en vooral/geen oeverloze lange zin.’ Hier is een oudere dame aan het woord, die met haar digibetisme koketteert. Het is natuurlijk opnieuw (zelf)ironie, maar een die enkel appelleert aan een (oudere) bevolkingsgroep. Het gaat in Wijnbergs gedichten niet om vervreemding maar om herkenning. Ergert u zich ook zo aan sociale media, aan voetbalprogramma’s of aan het kappen van bomen?

    Tegelwijsheid

    Stilistisch is de bundel niet echt opzienbarend. ‘Ik hoor de stad/ ademen of snurken/soms schreeuwt zij/of hoest’, ‘zelfs de depressie is op vakantie’. Het wemelt van dit soort flauwe personificaties, soms twee dezelfde achter elkaar: in Artsbezoek lezen we: ‘Het spreekuur/ heeft constipatie’ en in het volgende gedicht: ‘ook onze wegen hebben constipatie’.  Wijnberg bedient zich vaak van de retorische vraag om de boodschap erin te hameren: ‘Hoe kan een mens/zo haten/dat ze zelfs hun kind/hun huis, hun lief, hun alles/ bloem en boom verraden’; ‘is de haat besmettelijk/en de kanker/van een zwak verstand’ (Liefdeloos). Alles is opgeschreven in eenzelfde dreun: ‘Het is te warm/voor/helder denken/veel te heet/voor politiek’ […] ‘ik wil/ gezondheid/zonder grenzen/en een wereld/ min verdriet.’ (Puf warm). Het kan zo op een tegeltje.

    Troost wordt geput uit de natuur. Het motto is van Leo Vroman: ‘Zo lang er gras bestaat/o wee is het nog niet te laat?’ De gras-metafoor komt diverse malen terug, zoals in het gedicht,

    Hoop

    ‘Groei maar gras
    groei over alle haat
    en wanhoop heen
    bedek hun zieke
    dode lijven

    groei maar gras
    en laat de kinderen
    de wonderen vinden
    de mierenbergen
    en de wortels en hoe
    het in den beginne was.’

    In Wijnbergs gedichten is het zeker niet alleen maar kommer en kwel. Het ontbreken hoor je niet is een bundel voor wie graag leest waar het op staat en van een lach en een traan houdt.

     

     

  • Poëzie binnen de grenzen van het gewone

    Wie z’n klassiekers kent, valt het moeilijk niet aan Cruijff te denken bij de titel Gewoon logisch. Toch komt er in dit dichtersdebuut van Janine Jongsma (1965) geen hard-boiled Cruijffiaanse logica voor. In geen van de vijftig gedichten zelfs ook maar de geringste verwijzing naar de voetbalsport. Al kan het geen toeval zijn dat de afdeling Gewoon logisch 14 gedichten telt. En mocht het wèl toeval zijn, kan men er evengoed een knipoog in zien naar onze nationale voetbalheld: oreerde hij immers niet dat toeval logisch is? Bij een zekere schare poëzievolgers zou de naam Janine Jongsma een belletje kunnen doen rinkelen, want blijkens de verantwoording achterin zijn diverse van haar gedichten opgenomen in literaire tijdschriften en bloemlezingen. Enkele daarvan vielen zelfs in de prijzen.

    Het mag ietsje meer zijn

    Een aantal anekdotische gedichten waarin onder andere sprake is van ‘ons huis’, ‘mijn vader’, ‘mijn moeder’ enzovoort, wekken de indruk geworteld te zijn in de eigen ervaring en eigenaardigheden van het gezin waarin Jongsma opgroeide. Het gezinsleven was blijkbaar doortrokken van een geheel eigen logica, enkel bestemd voor eigen in-crowd. De gedichten zijn van een van-je-familie-moet-je-het-hebben kaliber. De in strofevorm gegoten anekdotes zijn een tikkeltje weird, maar wel tragikomisch. In tegenstelling tot wat er in die gedichten beschreven wordt, zijn de aangewende poëtische middelen heel gewoon, minimaal. Het poëtisch soortelijke gewicht is vrij laag. De gedichten drijven geheel op het verhaaltje. Zonder rijm, alliteratie of assonantie, is het enkel de strofevorm die ze tot een gedicht maakt. De woorden gaan in hun onderlinge schikking geen onverwachte betekenissen aan binnen het gedicht, dat niet zelden uitmondt in een nogal onschuldige, bevrijdende pointe.  Aardig om te lezen, maar niet meer dan dat. Juist in poëzie hoopt men op ietsje meer.

    Snakken naar dubbele bodem

    Een gedicht als Onbeschreven blad bedrijft wel poëzie en wel met de metafoor. Maar met een strofe als ‘Jij, die weet dat ik geen onbeschreven blad ben / maar getekend door woorden / mij kunt lezen nu ik naakt voor je lig / en ik mijn ziel in je lichaam schrijf’ leunt het wel zwaar op het geijkte cliché van het blad dat ook de huid van de dichter is. En met het slot, ‘Jij, die weet hoe je onderhuids kruipt / onder mijn vel beweegt / mij van mijn zinnen berooft / ze teder uit hun verband haalt en omwikkelt met liefde’ komt men wel erg op het randje van de kitsch, of er zelfs overheen. Als lezer begin je gewoonweg naar iets verontrustends te snakken, iets met weerhaakjes, een zuur dat bijt. Maar daar is niets van te bekennen. Geen enkele dubbele bodem om wie dan ook op het verkeerde been te zetten. ‘Maar het allermeeste mis ik jou / als jij ooit niet meer bij mij bent onderweg’. Zonder blikken of blozen staat er: ‘En toen jij mijn blik ving / voelde ik dat mijn wangen niet gloeiden van de zon’.  Elektrisch hardvuur op stand candlelight: ‘Kan iemand (…) zo zwijgend van jou houden als ik?’ Van een dichter mag men toch wel iets venijnigs verwachten? Of is dit soms ‘wat vrouwen doen’, zoals een ander gedicht suggereert?

    Dan toch een uitsmijter

    Het gevaar bestaat dat de lezer het na een aantal van zulke gedichten voor gezien houdt. Dat je na ietwat geforceerd poëtische zinnen als ‘Door je ogen dicht / de jaren terug te strelen / in de nerven van mijn huid’ geen oog meer hebt voor iets als: ‘Mijn vader is Oost-Indisch doof / aan zijn twee linkerhanden’, wat zonder meer een geweldige zin is! Een gedicht dat inzet met: ‘Op de dag dat ik mijn verloren dagen / weg ging gooien, scheen de zon belachelijk hard’ krijgt ook groen licht. ‘Wij, enkel nog een doorsnede van de herfst’ kan er eveneens mee door. In zulke regels waait niet alleen een andere wind, maar waait-ie ook uit een andere hoek. Is het toeval dat in dit soort beter geslaagde gedichten de herfst, de dood, het verval van zich doen spreken? Een gedicht over een vrouw die zich stoer en daadkrachtig verzet tegen de slopende ziekte in haar lijf krijgt een roerend slot met een regelrechte uitsmijter: ‘In de nacht wacht de kanker in haar bed / ze is nu te moe om hem een knal te verkopen / morgen is hij als eerste aan de beurt’. Hier klinkt een speels rebelse en ongeforceerde toon, die af en toe een rake hoek uitdeelt. Het ontstijgt de feelgood poëzie. Het mooiste gedicht draagt als veelbelovende titel:

    De dood heeft het koud

    De dood heeft het koud onder je ruime huid
    hij slaat je vel begerig om zich heen
    verstijfd zie ik hoe ze jou weghalen

    Alleen je afdruk blijft achter in je bed
    het kussen nog warm, de dekens lauw
    wacht ik wanhopig in je geur

    Op het nachtkastje je mok nog halfvol
    het washandje waarmee ik je mond
    voor het laatst voorzichtig afveegde

    Waarom gebeurt er niets?
    de zon schijnt vrolijk in de kamer
    beneden hangt je jas aan de kapstok

    Paddenstoelen zouden uit het washandje
    moeten schieten, je mok zou moeten splijten
    er zouden motten uit je jas moeten vliegen

    Buiten het voorspelbare

    Ook wie deze ervaring nog niet aan den lijve heeft ondervonden zal het gevoel meteen herkennen. De eeuwige discrepantie tussen de persoonlijke smart en het onverschillige voortrazen van de wereld om ons heen. Kleine woorden voor een groot verdriet. En zo hoort het. Hier wordt langzaam van het geruststellende afgedreven, buiten het bereik van het vertrouwde en het voorspelbare.

    Natuurlijk zitten bij uitgeverij Voetnoot veel dichters die het goed doen op een podium, dichters met een sterke performance. En ongetwijfeld zullen Jongsma’s meeste gedichten in zo’n setting beter voor het voetlicht worden gebracht dan vanaf met bedrukte pagina’s. Nu maar hopen dat er in een volgende poëziebundel de lezer die ook graag wat wanhoop en desillusies oppikt van papier, niet vergeten zal worden.

     

  • Poezië van een sterk stilistische eenheid

    Het is zijn weerspannige, evocatieve stijl die het hem doet. De Franse dichter René Char (1907-1988) is een van de belangrijkste dichters uit de twintigste eeuw van wie uitgeverij IJzer een tweetalige bloemlezing in vertaling van Anno Lampo negenendertig gedichten liet verschijnen. Een keuze van negenendertig gedichten die grotendeels is gebaseerd op de selectie die Char zelf in 1987, een jaar voor zijn dood, samenstelde. Het laat zien dat zijn hele dichtwerk een stilistische eenheid vertoont. Al vroeg zit het fragmentarische erin, het schoksgewijze in plaats van het vloeiende. De ongekende associaties, een reiken naar het ongerijmde van een droomwereld. ‘Comfort is misdaad’ luidde zijn eigen oordeel veelzeggend.

    ‘Ik was in een van die bossen waar de zon geen toegang heeft, maar waar ’s nachts de sterren binnendringen voor onverzoenlijke vijandigheden.’ ‘Ik was gelijkwaardige aan dingen waarvan het geheim verborgen lag onder de spanwijdte van een vleugel.’ Hier klinkt de soevereine stem van een ziener. Een stem die zich uitspreekt in elementaire, concrete woorden als vuur, nacht, bloed, aarde, rivier, steen of engel. Bondig en hoekig, stekelig en splijtend. Niet lonkend naar gepolijste vergezichten – eerder luidt de vraag: ‘wanneer wordt de afgrond geoogst?’- maar one-liners als bliksemschichten: ‘Ongerepte ogen in de bossen / Zoeken huilend het bewoonbare hoofd’.

    Ingezet als geëngageerd dichter

    Zijn vroege poëzie trok de aandacht van de surréalisten, die hem graag in hun beweging hadden ingelijfd. Maar voor Char was het surréalisme slechts een tussenstation. Hij distantieerde zich van hun methode van l’écriture automatique, waarin de woorden niet door verstand of intuïtie maar door zuivere willekeur worden geselecteerd. Char zag poëzie als ‘handwerk’, een ambacht, dat tijd vergde om het goed te kunnen beoefenen. De voorafschaduwing van de Tweede Wereldoorlog vroeg om engagement. Eenmaal zover kon hij dat praktiseren in een verzetsgroep in de Elzas waaraan hij leiding gaf. Onderwijl werkte hij aan notities die later verschenen onder de titel Bladen van Hypnos en die tot het hoogtepunt van zijn dichterschap worden gerekend.

    Zijn naam als dichter werd daarmee  definitief gevestigd. Na de oorlog zag Char geen reden zijn engagement te verlaten. Tot zijn teleurstelling bleef in Frankrijk– net als elders in West-Europa – maatschappelijk-politieke vernieuwing uit. Er werd zo snel mogelijk teruggeschakeld op de verstarrende orde van voorheen. De om zich heen grijpende vernietiging van de aarde uit economisch gewin vanaf de jaren ’50, hield de verzetsman in de dichter levend. Hij verdedigde de bedreigde natuur met wie hij zich levenslang innig verbonden voelde en die hem tot het einde toe bleef inspireren. Ondanks alle duisternis spoorde hij aan op zoek te gaan naar de dageraad, als metafoor van een levensbevestigende toekomst.

    Op zoek naar het licht

    ‘De mens is een vreemdeling voor de dageraad. Maar in de jacht op het leven dat men zich nog niet kan voorstellen, zijn er verlangens die huiveren, fluisteringen die elkaar trotseren en kinderen die gezond en wel ontdekken’. Zijn werk is een pleidooi om met inzet van verbeelding een nieuwe dageraad te ontdekken.

    Maar Char rustte nooit in het eenmaal bereikte, in het voltooide. Dat zou enkel tot verstarring leiden. Door de Griekse filosoof Herakleitos wist hij van de cyclische patronen in het leven; de voortdurende maalstroom van tegenstellingen die van tijd tot tijd genadeloos op elkaar botsen en daarbij nieuwe energie genereren; de eeuwig stromende rivier die geen tweede keer gelijk is aan zichzelf. Tegenstellingen die zich in Chars gedichten aan elkaar ophangen in een conflictueuze schikking, met de dichter erboven staand als bemiddelaar of eenwordend met het gedicht. Voor de dichter is er geen andere verblijfplaats dan zijn gedichten. Er is geen dichter, er is slechts poëzie. Zijn woorden zijn tekens, meer nog dan beschrijving of onthulling. Iedere keer schikt Char de tekens weer anders tot elkaar.

    Altijd is de vitaliteit van het scheppende ‘nu’ in zijn gedichten aanwezig. Zijn zinnen zijn geen simpele impressies, geen terugkaatsingen van gewaarwordingen. Het zijn doorleefde en door instinct gescherpte beelden die in evocatieve taal gegoten zelf gaan stromen, tot leven komen. In zijn werk zit het irrationele, een ontzag voor het animale van de natuur, meer dan een poging het te begrijpen. Het gedicht De eerste ogenblikken verwoordt de overweldigende ervaring bij het plotseling tussen rotswanden tevoorschijn treden van een machtig kolkende rivier. Het wordt als een openbaring beleefd en wie het aanschouwt, voelt zich opgenomen in de rivier, voelt zich één met de eeuwig tomeloze stroming van het leven.

    Lezen in het verlengde van schrijven

    ‘Wij zagen vóór ons het aanzwellende water stromen. Het
    wiste in één klap het gebergte uit en joeg zichzelf weg van
    zijn moederlijke hellingen. Het was geen bergstroom die zich
    aan zijn lot overgaf maar een onbeschrijflijk beest waarvan
    wij de stem en substantie werden. Het hield ons in verliefd-
    heid gevangen op de almachtige boog van zijn verbeelding.
    Wie of wat had ons kunnen tegenhouden? De dagelijkse
    onbenulligheid was gevlucht, het vergoten bloed aan zijn
    warmte teruggegeven. Door de openheid opgenomen, tot
    onzichtbaarheid gladgeschuurd, waren wij een overwinning
    die nooit zou eindigen.’

    In zijn streven zo dicht mogelijk bij zijn authentieke beleving van het natuurtafereel te blijven, beoogt hij wel degelijk communicatie met de lezer. Hij blindeert zijn gedichten niet van binnenuit, noch sluit hij de buitenwereld uit. Ten onrechte heet zijn poëzie ontoegankelijk. Zijn werk is compact en in hoge mate lyrisch met een krachtenveld van expressieve metaforen, waarin het concrete en abstracte door elkaar lopen. Het is rijk aan klankrijm en alliteratie. ‘Ooit was het gras goed voor dwazen en vijandig voor de beul. Het huwde de drempel van alledag. De spelen die het verzon hadden vleugels aan hun lachen (zondevrije spelen en even vluchtig). Het was niet hard voor dwalenden die verlangden voorgoed te verdwalen. / Ooit had het gras bepaald dat de nacht minder waard is dan zijn macht.’ Omdat het bereik van poëzie onbegrensd is, balanceert Char op de grens van het begrijpelijke en gebruikt hij woorden met meerduidige betekenis om zijn werk open te houden voor de lezer. Gelezen worden lag voor Char in het verlengde van het schrijven.

    ‘Af en toe komt hij zijn lezer zelfs behoorlijk tegemoet, zoals in het korte Slaapliedje voor iedere dag tot de laatste
    Talloze keren, telkens weer,
    Val je in slaap tot je lichaam ontwaakt;
    Dan een keer, en maar één keer,
    Val je in slaap en je lichaam verzaakt.’

    Ook weet hij gepassioneerd het geluk en zinnelijke genot van de liefde te bezingen in een stijl die niet voor Hugo Claus onderdoet: ‘De vleugel van je zuchten bedekt de bladeren met dons. Mijn gulzige liefde sluit jouw vrucht, drinkt haar. // Ik leef bij de gratie van jouw gelaat dat mijn duisternissen met vreugde bedekken. // Hoe mooi is je schreeuw die mij jouw zwijgen schenkt!’

    Onmogelijke vertaling geslaagd

    Het is mooi en gedurfd dat Anno Lampe in korte tijd drie dichtbundels van René Char voor de Nederlandse lezer ontsloten heeft. Dat deze schier onvertaalbare dichter nu in onze taal is overgezet. Zonder de klankrijkdom die het Franse origineel bezit, pakt een vertaalde Char ietwat fletser uit. Zo blijft deze dichter enigszins een vreemdeling in vertaling. Daarom is het goed dat het Franse origineel naast de vertaling staat. De lezer kan pendelend tussen beide teksten lezen. Het origineel als finishing touch van de vertaling. In de aantekeningen bij ieder gedicht toont Anno Lampe zich belezen in Chars werk en de commentaren daarop, wetende dat in geen enkele interpretatie van Char het laatste woord ooit gezegd zal zijn. Geheel passend bij de poëzie van Char, die immers niet met een zwijgen eindigt. ‘Niets krijgt nog een naam behalve de huivering’.

     

  • Alle vogels kunnen maar niet de kraai of de specht

    A.H.J. Dautzenberg is sinds augustus van dit jaar de negende stadsdichter van Tilburg. Hij heeft zich tot taak gesteld om in die functie binnen twee jaar 24 gedichten te schrijven, een per maand. Kunstenaars die ook betrokken zijn bij Tilburg zullen deze gedichten omzetten naar andere disciplines in de kunst, bijvoorbeeld een lied, een film, een dansvoorstelling of een animatie. Hiermee geeft Dautzenberg al aan dat een gedicht niet op zichzelf staat, maar raakvlakken heeft met andere kunstuitingen. Op de website ‘De Tao van de T’ waarop al deze kunstvormen die zijn gedichten tot uitdrukking brengen, geplaatst zullen worden, heeft hij het motto van de experimentele dichter Antony Kok (1882-1969), medeoprichter van De Stijl, als leidraad genomen: ‘Het woord is machteloos. Wij willen met alle middelen die ons ten dienste staan: syntaxis, prosodie, typografie, arithmetica, orthografie, het woord een nieuwe betekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht geven.’

    Omgevingsgeluiden

    De bundel Niet het krassen van de kraai volgt dit motto: het zijn experimentele gedichten, bestaande uit een verzameling letters die klanken moeten verbeelden. Termen als typografische gedichten, concrete poëzie, beeldpoëzie en visuele poëzie dienen zich daarbij  aan. In een nawoord geeft de dichter uitleg: hij lijdt al enige jaren aan tinnitus, het waarnemen van een piep, brom, fluit, suis of ander geluid in het hoofd of in de oren zonder dat er een externe geluidsbron aanwezig is. Dit kan zulke vreselijke vormen aannemen, dat Dautzenberg spreekt van ‘auditieve kanker’. Met omgevingsgeluiden probeert hij de tinnitus te dempen, maar als dat niet meer lukt, probeert hij het lawaai in zijn hoofd te sturen door zich in te beelden dat een roodborstje zingt, in de hoop dat de tinnitus het ritme en de melodie oppakt. Een andere vogel is ook goed, maar niet de kraai of de specht, omdat de geluiden die zij maken te veel lijken op die van de tinnitus.

    Inspiratiebron Hanlo

    Als sleutelgedicht voor deze ‘tinnitusgedichten’ heeft Dautzenberg gekozen voor het bekende Turdus viscivorus van Jan Hanlo, waarin de dichter een lied fluit dat hij probeert te laten lijken op de zang van de grote lijster. Maar niet alleen dit gedicht van Hanlo is toepasselijk: ook Oote oote boe en vooral De mus lijken een inspiratiebron te hebben gevormd.

    De eerste afdeling van de bundel bestaat op de eerste bladzijde uit 15 regels alleen de letter u: op de daaropvolgende pagina’s schuift in de middelste regel de u steeds een aantal plaatsen naar rechts op, totdat zes verzen later de regel geheel verdwenen is, om dan tenslotte de opgeschoven u te laten uitwaaieren in een wolk van combinaties van letters.

    Uitlopende klanken

    De tweede afdeling toont in het eerste gedicht de letters e, j en i in een grillig patroon van stijgen en dalen, als een grafiek die aangeeft hoe de klanken verlopen. De sterkte zwelt aan en neemt af in een onregelmatig ritme. Het ziet er grappig uit en irritant tegelijk, maar geeft wel een idee van wat er zich afspeelt in het hoofd van de dichter. Als dit in klank wordt omgezet, zou het een mens tot waanzin drijven.

    De klanken en losse letters kronkelen over de rechterpagina ( de linker pagina is consequent leeg gelaten) en trekken een spoor zonder een aanwijsbaar voorgenomen plan.

    De tweede en derde afdeling van de bundel zien er speels uit: de dichter wisselt vormen en klanken af en rangschikt de geluiden op verschillende manieren, die een beschrijving ervan moeilijk maken.

    In de vierde afdeling is het alleen de lettercombinatie ng die hardnekkig aanwezig is in negen gedichten, maar die uiteindelijk toch vervaagt, net als de terugkerende u in de vijfde en laatste afdeling.

    Wie bepaalt wat poëzie is

    Het is gemakkelijk om deze bundel af te serveren als een grap. Maar er is veel aandacht besteed aan de uiterlijke vormgeving; de bundel is bovendien verschenen in een beperkte oplage van vijfhonderd exemplaren, genummerd en gesigneerd door de auteur. Als het alleen om een lachertje te doen was, zou dat al te veel eer zijn. Weliswaar is de dichter provocerend te werk gegaan, met bravoure en ironie, maar tegelijkertijd werpt hij opnieuw de aloude vraag op wat poëzie precies inhoudt en hoe een definitie vastgesteld zou moeten worden. En vooral: wie dat bepaalt.

    Invoelbaar en geloofwaardig

    Dautzenberg houdt zich in deze bundel strikt aan zijn eigen poëtica: hij toont in de gedichten de machteloosheid van het woord als het er om gaat om weer te geven hoe een lijder aan tinnitus zich voelt. Of hij daarin geslaagd is, valt moeilijk te beoordelen. Maar wie zich probeert voor te stellen hoe de gedichten zouden klinken en daarbij toonhoogte en volume stelselmatig afwisselt tijdens het hardop lezen, komt waarschijnlijk dichter bij de ervaring van lijders aan tinnitus dan op welke andere manier dan ook. De website Medisch Contact besteedde in ieder geval aandacht aan de bundel.

    Nog mooier zou het zijn als de dichter zelf een voordracht zou geven en zijn gedichten zou verklanken zoals hij ze hoort in zijn hoofd. Dan zou hij niet alleen beantwoorden aan de vermenging van kunsten, zoals hij die zelf voorstaat, maar bovendien krijgt de lezer dan een expressieve interpretatie van de gedichten uit de eerste hand, zoals hij die zelf nooit had kunnen bedenken.

     

  • Ode aan het leven

    De eerste van de vijf gedichtenreeksen in de nieuwe bundel van Frans Kuipers (1942), Alles waait, is getiteld, ‘Het sterft van de verloren dromen hier’. De dichter is oud(er) geworden en beseft dat zijn leven voor het grootste gedeelte voorbij is, dus ook zijn dromen:

    ‘Want link is het en niet makkelijk te verstouwen,
    ziektes die niet overgaan,
    deuren voor altijd dichtgedaan,
    geen sneeuwvloks kans in de hel te maken
    en alles door zien gaan.

    […]

    Eens was het anders.

    Haast kopje-onder in haar wonder ging je.
    Achter de woorden stond haar naam.
    In de kamer op het zuiden stond je vleugel bij het raam.

    Het sterft van de verloren dromen hier.’

    De wereld is er intussen niet beter op geworden: ‘Steeds meer slagers aan het hoofd van de kudde’. Hij haalt herinneringen op aan zijn op familiefeestjes kaartspelende ooms, bezoekt zijn ouderlijk huis ‘zoals de meesten doen,/het huisje aangegaapt, rondgedwaald,/in het gras gelegen’ om met de volgende paradoxale constatering te komen: ‘alles is er nog, niets is gebleven’. Gebleven zijn de dromen, de universele natuur om het huis, maar de ooms en tantes zijn allang dood.

    Het gaat Kuipers hierbij niet om weemoed, al krijgen de gedichten door het terugkijken vanzelf iets melancholieks. De toon is luchtig, de taferelen zijn soms humoristisch met al die drinkende en zingende ooms. Kuipers citeert wat ze zongen: een cynisch liedje over de dood: ‘De kist is ien de kuul gezakt – /Boem!’ Daartegenover zet hij zijn eigen lied, een – licht veranderd – gedicht dat in zijn bundel ‘De tafel van wind’ (2001) stond. Hij is ‘de Joker’, ‘de Nar’ uit het kaartspel van zijn ooms, de kaart die altijd terzijde werd gelegd: ‘Die mocht niet meedoen maar was wel belangrijk, verklaarden zij.’ De dichter zit er duidelijk niet mee en speelt zijn rol van nar met verve. De laatste afdeling van de bundel heet ‘Narrenliederen’.
    Ondanks alle verloren dromen en voorbij avontuur staat de dichter nog hetzelfde in het leven:

    ‘Dit houd ik staande: hoe naamloos nietig en kortstondig ook
    onder maan, melkweg en sterrenstraten, groot nochtans
    het raadsel van ons figureren in dit sprookje
    van een bij het zonspinnewiel goudwevende Schone is.’

    Het gaat in het leven om het raadsel. En om schoonheid, vooral die van de natuur. Dit alles is universeel en valt nog steeds te bezingen. Dat doet Kuipers uitbundig in deze bundel. De gedichten zijn zeer persoonlijk en buitengewoon vitalistisch. Ze zijn daardoor heel aanstekelijk, zoals het eerste gedicht van de afdeling ‘Waar te beginnen’, waarin hij de lezer op een ironische wijze van advies dient:

    ‘Je koffers pakken is Goed.
    Je hielen lichten is Goed.
    Zitten op het dek van een stampende veerboot
    door kermende meeuwen omgeven is Goed,
    staan aan de reling als een dolende koning
    tussen andere dolende koningen uitkijkend over zee is Goed
    en is een Uitstekend Begin.’

    Het raadsel bestaat omdat de werkelijkheid altijd veranderlijk is en bepaald wordt door toeval: ’Altijd dat woord samenloop/met dat andere woord onachterhaalbaar in zijn kielzog’. ‘Al wat vaststaat liegt: alles waait’. Kuipers gebruikt, net als in eerder werk, vaak de wolkenmetafoor: ‘nooit komt er aan het worden van wolken een einde’. Hij richt zich op geestverwanten:

    ‘Aan de Duimpjes verdwaald
    en de kaalgeworden Kuifjes van het laatste avontuur,

    houd moed.

    Aan de dubbers en dobbelaars,
    aan de rijders op de tijger de tijger de tijd,

    een groet.’

    De moed dus om het raadsel van het leven tegemoet te treden. De laatste woorden van de bundel zijn ‘heb de moed’. Het klinkt zelfgenoegzaam, maar, schrijft hij ergens, we zijn ‘aanmodderaars onder elkaar’. De dichter heeft juist een afkeer van al die ‘ikken’, ‘mijn verhaal is niet uniek’. Hij deelt een inzicht. Dat kan hij omdat hij dichter is. Veel gedichten gaan over het dichten zelf, wat overigens een moeilijk proces is:

    ‘En als het niet te zeggen is en dat is het niet, bekwaam je dan,
    in stamelen in stamelen, hartenvanger van Hamelen.

    En als het niet te vatten is en dat is het niet,
    raadsel wil je dan mijn vriendje zijn.’

    Het zijn open en vrije gedichten, zonder vaste vorm. Ze zijn zeer verstaanbaar, heel realistisch en ook lyrisch. De regels hebben een mooi ritme en de dichter maakt veelvuldig gebruik van alliteraties en klinkerrijm. Dat levert fraaie regels op als: ‘vliegebeestjes veel en vlug vonkten in de lucht’, ‘er zijn snoevers en droeven in kroegen meer dan genoeg’.

    Er staan prachtige natuurbeschrijvingen in. Je krijgt zin om net als de dichter wandelend de natuur in te trekken om je over de schoonheid ervan te verwonderen. Vooral de korte gedichten in de afdeling ‘Passages’ zijn vaak zeer mooi:

    ‘Een cumulusdag door de zomer gedwaald, naar nergens
    op weg, naar niets getaald, onder het doorschenen groen
    van een laaghangende bladerentak aan een met de zon
    kaatseballend water gevraagd steek me aan
    leeuwenlicht, goudvonkenpolka, hemelvuurkoorts.’

    Het is poëzie waarin echo’s doorklinken van dichters als Kloos, Marsman en Campert, maar die vooral heel erg Frans Kuipers is. Alles waait is een ode aan het leven. Want ‘de wereld is zorgwekkend klote [maar] de wereld is betoverend mooi’, omdat alles waait.