Ik laat het boek dat ik heb gekocht aan een vriendin zien, The running grave, deel zeven van de Strike-detectiveserie van Robert Galbraith. De vriendin trekt haar wenkbrauwen op en vraagt of ik wel weet dat de auteur een pseudoniem is van J.K. Rowling, schrijver van de Harry Potter-boeken. Die zich openlijk negatief heeft uitgelaten over transgenderpersonen en dat ik daarom haar boek niet moet kopen. Ik moet er afstand van nemen, anders geef ik aan dat ik het met haar eens ben, zegt de vriendin. Ik wijs in mijn boekenkast naar schrijvers die zich ook niet wilden richten naar de kompasnaald van haar morele verontwaardiging. François Villon, dief en inbreker, Gerrit Achterberg, moordenaar, Jan Hanlo, pedofiel, Louis-Ferdinand Céline en Roald Dahl, verstokte antisemieten, George Simenon, schuinsmarcheerder die vaker in het bordeel dan in zijn eigen bed lag. En wat dan nog, vriendin. Hun boeken zijn onvergetelijk.
Hoe ver reiken vooroordelen naar de wereldliteratuur. Malcolm Lowry en William Faulkner, alcoholisten; Gerard Reve, Jean Genet, homo. Mag dat ook niet? Er zijn genoeg voorbeelden van schrijvers die zich niet conformeerden aan de waarden en normen van de maatschappij waarin ze leefden. Incorrecte, immorele schrijvers, maar mogen hun boeken daarom niet gelezen worden. Mijn boekenplanken zouden aardig leeg raken. Afstand nemen? Heeft literatuur dan niet meer de functie om je kennis te laten maken met een andere wereld, een andere mening dan die van jou. Moet een boek niet op zijn merites beoordeeld worden. Een boek is zijn schrijver niet. Een schrijver is zijn boek niet. Shakespeare was geen koningsmoordenaar omdat hij de vader van Hamlet liet vermoorden. Nabokov, Ted van Lieshout en Pim Lammers zijn geen pedofielen omdat ze er een boek over schreven.
Oscar Wilde, die ook buiten de gebaande paadjes liep die de Victoriaanse samenleving voor hem had uitgestippeld, heeft gezegd dat er maar twee soorten boeken zijn, ‘goed geschreven of slecht geschreven’. Dat criterium zou moeten gelden voor elk kunstwerk. Natuurlijk draagt elk kunstwerk sporen van de kunstenaar, maar de kunstenaar hoeft niet met zijn werk vereenzelvigd te worden. Het werk moet los van de persoon gewogen worden. Picasso moet een enorme klootzak geweest zijn in zijn relaties met vrouwen, toch sprongen me de tranen in de ogen toen ik voor de eerste keer in het Prado in Madrid zijn ‘Guernica’ zag hangen. Zoals P. Hawinckels liet zien in zijn gedicht ‘half twee na christus’ kunnen hoog en laag naast elkaar bestaan in zowel schrijver als boek.
‘in de buien voor en na de dolstdriest denkbare dronkenschap schiep de dichter de meest onvergankelijke verzen en eenieder zal er zich terecht over verbazen hoe ook hier weer het hoogst verhevene met het laagst gezonkene hand in hand gaat als twee glazen aan een bril’
Ga naar huis vriendin, en lees een stichtelijk boekje van een smetteloze auteur aan wie je je geen buil kunt vallen, als die tenminste te vinden is. En laat mij mijn boeken van onaangepaste, incorrecte schrijvers lezen.
Uit: Pé Hawinkels, Verzamelde gedichten, 1988
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Het moet niet gekker worden, dacht ik, toen ik me weer in de badkamer terugtrok met een boek van Marja Pruis. Er was behoefte aan orde, aan een kaart waarop de dingen zich overzichtelijk voordoen. Want je doet maar wat, overziet de gevolgen niet en zit dan weer in de badkamer met een boek op schoot. De toestand Israël/Palestina escaleerde op de ochtend van de verjaardag van de tweeling kleindochters. En de kat at niet meer, was snotverkouden. Je dacht, dat kan er nog wel bij, een kat met een snotneus. De dag daarop fiets je naar het filmhuis. Helen Mirren speelt Golda Meir in de film Golda. Over haar rol tijdens de Jom Kipoeroorlog in 1973. Het was exact vijftig jaar later dat Israël opnieuw werd aangevallen. Alsof ze het erom deden, een film tevoorschijn halen om alles nog eens te verfijnen.
Mirren was verdwenen in een pak dat haar het postuur van Meir gaf. Alleen haar mond, tot een streep vertrokken, gaf enig houvast. Met olifantsbenen liep ze zwaarmoedig door de gangen van een ondergronds geheel. Ik zág Golda Meir. Ziek als ze was, onophoudelijk rokend, de ene sigaret met de andere aanstekend. Je dacht, hou daar toch eens mee op. Niemand die er iets van zei. Ze moest een land redden. In de film zei Meir tegen haar militaire staf, ‘Ik kruip niet onder de tafel, maar ik hou jullie niet tegen.’ Ze zei, ‘Toen ik als kind in Oekraïne was, sloegen ze voor de lol Joden dood op straat. Ik ben niet [meer] dat meisje dat zich verstopt in de kelder.’ En dat er altijd gevochten zal worden, vanuit onderdrukking, de hang naar overwinning.
En dan is er die foto van een oude vrouw in een open truck, meegevoerd door leden van Hamas. Een onvoorstelbaar gewone vrouw. Je ziet in haar je moeder, je grootmoeder, in zekere zin jezelf. Haar hoofd opgeheven (nee, niet fier), haar rechterarm hangt naar beneden, haar andere rustend in de schoot van een roze schort. Er is iets met dat schort. Het zit rommelig. Misschien is het een tafelkleed. Stond ze op het moment dat ze haar oppakten, in de deuropening van haar huis dat kleed uit te kloppen (denk niet aan de gewoonheid van broodkruimels, druivenpitten die eruit gleden). Het kleed in haar handen geklemd toen ze gedwongen werd in de truck plaats te nemen. In haar gezicht zoek je vergeefs naar sporen van paniek, verdriet.
In de badkamer lees ik hoe Pruis aan Louis Tas vraagt waar hij met zijn patiënten naar op zoek is. ‘Naar de dingen die ze misschien nog teveel wegstopten en waarom.’, zei Tas. Dingen stop je weg omdat je je ervoor schaamt. ‘Schaamte is niet alleen een onderkennen van wat er aan de hand is. Het is als vorm van zelfminachting een soort ziekte. (…) tegen beter weten in, identificeert de schamer zich met de minachter, als hij zich afhankelijk voelt van diens oordeel.’ Opnieuw kijk ik naar de foto met de oude vrouw in die truck, zie de schaamte om de ongepastheid van alles, het uitgeleverd zijn, het niet weten. Vooralsnog was alles onverwachts.
Afgelopen weekend vond de 40ste Nacht van de Poëzie plaats in TivoliVredenburg te Utrecht. Zaterdagavond stipt acht uur werd de avond afgetrapt en ruim zeven uur later, in de vroege zondagochtend half vier, wensten de vertrouwde presentatoren Piet Piryns en Esther Naomi Perquin de bezoekers na alle poëzie en spektakel een wel thuis en een goede nacht. Tussen die twee tijdstippen in trok een parade langs van dichters en dichteressen uit Nederland en Vlaanderen. Onder hen nieuwkomers als Mahat Arab en Joke Van Caesbroeck, evenals oudgedienden Jean Pierre Rawie en Judith Herzberg. Waarbij die laatste de kwaliteit van de nacht muntte met haar zinsnede, ‘Langzaam overdachte woorden die we meenden’.
Voor de bezoekers van dit uitverkochte huis was er zoals altijd meer te zien en te doen dan een mens aan kan. Om te beginnen alle dichters en entr’acts natuurlijk. Omdat tradities er blijkbaar toch zijn om te worden gebroken was de eersteling van deze 40ste editie NIET degene met wie vorig jaar de 39ste Nacht van de Poëzie werd afgesloten. Het spits werd afgebeten door Bart Chabot. Bij zijn introductie werd nog wel even verwezen naar zijn leven als BN’er en naar zijn gezin met wie hij het Boekenweekgeschenk 2024 schrijft. Maar Chabot zelf hield het bij de poëzie, die hij nog altijd overtuigend de zaal in kan slingeren.
Enthousiaste performances
Hoogtepunt was wel het optreden van Gerda Lenten-Havertong, die op indringende wijze poëzie voorlas in het Sranantongo van Michaël Slory en Robin Ravales (‘Dobru’) en in het Nederlands voorlas. Toewijding en enthousiasme spatten van Havertongs performance af – en ze had zich mooier gekleed dan welke andere deelnemer ook. Het publiek sloot Gerda hartstochtelijk in het hart. Ook Elmar Kuipers gedichten waren er trouwens in twee talen: hij las ze in het Fries, en achter hem op een groot scherm waren Nederlandse vertalingen te lezen. Het leverde een poëzie-ervaring op die gelaagd en geslaagd was.
‘Sinds Buddingh’ verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen’, aldus Remco Campert. Buddingh’ is al jaren dood, Campert inmiddels ook. Of het waar is of niet – gelachen werd er zeker, en sommige publiekslievelingen speelden daar ook duidelijk op in. Hans Dorrestijn noemt zich welbewust cabaretier, en Joost Oomen liet zien en horen dat een welhaast bezeten-gejaagd en geestig optreden heel goed met poëtische zeggingskracht kan worden uitgevoerd.
Dansen en dichten
De entr’acts waren alle van een muzikale opzwependheid, ter afwisseling met intrinsieke sereniteit die poëzie toch nog altijd nog aankleeft. Zangeres Naaz wist in het Koerdisch een dramatische urgentie over te brengen op haar publiek van hetgeen zij zong. Merkwaardig was het optreden van Hollywoodster Michael C. Hall en zijn band. De enigszins dreunend-dreigend monotone muziek kon kennelijk niet alle bezoekers bekoren. Toen het later werd en stilaan meer en meer bezoekers huiswaarts keerden en alleen de diehards overbleven, werden de beats van de optredens feller en veranderde de grote zaal van Vredenburg in een goed gebruikte dansvloer: bij de flitsende show van de band Kuzko rond half drie ’s nachts bleef vrijwel niemand stil zitten of -staan. Als vervolgens weer een dichter aantrad was de aandacht optimaal ververst.
Dichterskwartet
In de wandelgangen waren verschillende activiteiten. Er was poëzie te koop in antiquarische uitgaven en nieuwe publicaties. Er waren gedichten te beluisteren via een poëzietelefoon en wie wilde kon de live opname van een podcast bijwonen. Wat een buitenkans bleek, want wanneer ben je nou getuige van een gesprek over poëzie tussen Ingmar Heytze, Jean Pierre Rawie en John Jansen van Galen? En omdat de Nacht inmiddels al veertig jaar bestaat en daar veel beeldmateriaal van beschikbaar is, werd er tussen alle bedrijven door genoten worden van foto’s, video’s en geluidsfragmenten van dichters die lang geleden optraden.
Bovendien werd er ter gelegenheid van de 40ste nacht een dichterskwartet uitgegeven door ILFU die de ‘Nacht’ organiseert. Om thuis nog eens mee te spelen. Dus ja, het was zeker een goede nacht. Volgend jaar weer!
Fien Veldman (1990) studeerde literatuurwetenschappen en schreef meerdere essays over het thema klassenongelijkheid. In 2021 won ze de Joost Zwagerman Essayprijs met ‘Not really making it’. Een essay over een zedenzaak in een achterstandswijk in Leeuwarden waar zij zelf opgroeide. Deze zomer verscheen van haar het essay, ‘In onze maatschappij word je nooit een kwartje – hooguit een dubbeltje op een andere plek’ in het NRC.
Als kind las Veldman van alles door elkaar. Vanaf haar twintigste, toen ze Literatuurwetenschappen ging studeren, kwamen de klassiekers aan de beurt. Aan het eind van haar studie begon ze te schrijven voor verhalenwedstrijden om wat geld te verdienen. Ze won verschillende prijzen en ontdekte dat schrijven ook een loopbaan kon zijn. Daarna won ze twee belangrijke essayprijzen, met een behoorlijke geldprijs waardoor ze tijd kon vrijmaken om te schrijven.
‘Virginia Woolf schreef ‘A room of one’s own’, waarmee ze meer bedoelde dan alleen die kamer voor jezelf. Eigenlijk zei ze, je hebt een kamer én geld voor jezelf nodig. En dat besefte ik wel, dat ik geld nodig heb om te kunnen schrijven. De Elise Mathilde-prijs was een enorme gift [10.000 euro] waardoor ik ruimte zag om me met schrijven bezig te houden.’
Dit jaar debuteerde Fien Veldman met de roman Xerox als prozaschrijver. Een roman over een jonge vrouw die van onderaf de maatschappelijke ladder beklimt. Komend vanuit een achterstandswijk valt dat nog niet mee. Ze werkt als klantenservicemedewerker bij een kantoor in een niet nader genoemde stad. Het motto in haar werk tot nu toe is dat opgroeien in een achterstandswijk je hele verdere leven op achterstand stelt. Een zwaar thema, maar luchtig en met humor verteld.
Wat wilde je laten zien?
‘Ik wilde het kantoorleven laten zien door de ogen van iemand die zich niet naar de gangbare, gewone wereld kan voegen. Voor iemand die deel uitmaakt van de middenklasse, is het niet denkbaar dat een ander bepaalde omgangsvormen en codes niet begrijpt.’
De naamloze jonge vrouw lijkt op het eerste gezicht het type ‘loser’, maar blijkt een scherp observeerder van het menselijk onvermogen en heeft een nogal kritische, soms ronduit botte mening over haar collega’s, maar sluit zonder bedenkingen vriendschap met een vuilnisman. Wat zij belangrijk vindt, zijn niet de behoeften van haar collega’s die tot de ‘havermelkelite’ gerekend kunnen worden. Ze is niet ambitieus en bekritiseert elke ambitie bij anderen. Haar printer is het enige waarmee ze communiceert. Daar is een heel hoofdstuk aan gewijd, aan de gedachten en meningen van de printer. Over haar baan denkt ze, ‘Wat als ik rijk was geweest? Dan had ik deze baan nooit gehad. Dan was het niet eens in me opgekomen dat dit werk bestond.’ Het besef dat de ene klasse niet voor de andere klasse bestaat hakt er dan wel in.
Wat is ze voor iemand?
‘Ze komt in een wereld terecht die ze niet begrijpt en die veel weg heeft van leeg consumentisme. Mensen die elkaar vertellen hoe belangrijk ze zijn op de werkvloer, maar inhoudelijk weinig te bieden hebben. Klassenmigratie betekent dat je je bewust bent van alles om je heen: dat je let op alle sociale regels die je niet van huis uit hebt meegekregen. Dat je je in het concertgebouw moet aanpassen aan de cultuur die daar heerst. Daar wordt op een stille manier gesproken, er wordt bepaalde kleding gedragen en het drankje is bij de toegangsprijs inbegrepen terwijl jij je consumptie wilt afrekenen. Kleine details waar je niets van weet. Niemand gaat het je leren, dus je wordt je er hyperbewust van hoe de anderen het doen. Dat geldt ook voor mensen uit een andere cultuur, er is een kloof die ze zelf moeten dichten.’
Ze functioneert niet in haar baan, wordt op non-actief gesteld en uiteindelijk ontslagen. Dan gebeurt er iets waardoor het verhaal kantelt. Als ze op kantoor is geweest om haar ontslag te ondertekenen, besluit ze bij het verlaten van het pand haar printer mee te nemen. Ze zoekt hem in een opberghok. Ze sluipt door het gebouw en als ze bij het berghok is aangekomen, denkt ze: ‘Nog twee stappen, dan ben ik de Styx overgestoken.’
Wat gebeurt daar?
‘Ze leeft erg in een onder- en bovenwereld, op de grens daarvan. Ze steekt de Styx over om in een ander universum te komen. Na haar ontslag denkt ze: dit is mijn transformatieve moment. Daar zit ook de beweging in dat ze actief moet meedoen en niet alles maar over zich heen moet laten komen.’
In zowel het boek als het essay is er sprake van een verdwenen meisje, van seksueel misbruik. Is het boek ontstaan vanuit het essay ‘Not really making it’?
‘Het was eigenlijk andersom. In 2019 begon ik aantekeningen voor het boek te maken en in 2020 begon ik eraan te schrijven. Er zit wel eenzelfde thematiek in: sociale klasse en hoe je omgaat met je sociale achtergrond. Ik wilde het vooral hebben over hoe iemands sociale klasse doorwerkt in haar volwassen leven.
Ik wilde me niet verplicht voelen recht te moeten doen aan de waarheid, aan wat er echt gebeurd is in mijn eigen bestaan. Om scherper naar mijn personage te kunnen kijken, moest ik daarvan loskomen. Ik wilde geen autobiografisch verhaal schrijven, maar ik moest wel iets met dat verhaal om het uit mijn systeem te krijgen, dat het uit mijn schrijven zou verdwijnen. Zodat ik daarna helemaal op de fictieve toer kon gaan voor dit boek. Daarom schreef ik eerst het essay.’
De personages zijn naamloos of worden genoemd naar hun functie, ‘marketing’, ‘sales’, ‘administratie’. Als iemand in het boek haar aanspreekt, staat er: ‘Hé [mijn naam].’
Waarom wilde je het naamloos houden?
‘Ik vond het belangrijk dat ze op een redelijk generieke manier beschreven wordt. Je weet ook niet hoe ze eruitziet, het zou eigenlijk iedereen kunnen zijn. Dat past wel bij de manier waarop zij zichzelf en de wereld ervaart. De wereld is vaag voor haar. Ze kan zich bijvoorbeeld ineens afvragen of het kantoor waar ze werkt wel echt bestaat. Alsof haar leven niet echt is.’
Het boek opent met een citaat van Rilke: ‘Als er tussen de mensen en uzelf geen verbondenheid is, probeer dan de dingen nabij te zijn: zij zullen u niet in de steek laten.’ Het lijkt haar personage op het lijf geschreven.
Kun je zeggen dat zij slachtoffer van haar eigen keuze is?
‘Ze staat wel heel ambivalent ten opzichte van de middenklasse omdat ze naar een wereld toe groeit die ze niet begrijpt. Ze is daardoor ook totaal niet ambitieus, waardoor ze geen aansluiting met haar collega’s vindt die wel willen opklimmen in hun werk.
Wat was je ingang tot het boek?
‘Het begon met de stem van het personage dat in mijn hoofd opkwam, haar innerlijk leven. Dat was de leidraad voor de rest van het verhaal. De manier waarop zij naar de wereld kijkt – ze is best arrogant, denkt alles beter door te hebben dan de rest – is een hele specifieke manier van kijken en daar had ik veel aan. Dat zorgde er ook voor dat het boek een bepaalde stijl heeft gekregen.’
Op een dag wordt ze door een gemeentewerker met zijn vuilniswagentje aangereden. Het is een man zonder oordeel. Ze worden goede vrienden, hij is voor haar een soort heilige. ‘Ik had altijd al zo’n scène in mijn hoofd van een personage die langs een gracht loopt en wordt aangereden door een achteruitrijdend vuilniswagentje. Dat zag ik altijd al voor me – dat is een sleutelscène in iets wat ik ooit ga maken.’
Er lopen verschillende verhaallijnen door het boek. De vriendschap met haar vriendin van vroeger, de buurt waar ze uit voortkomt, een printer als personage, een kwijtgeraakt pakketje, de vuilnisman.
Ontstonden die verhaallijnen tijdens het schrijven?
‘Gaandeweg ontdekte ik haar probleem door hoe ze tegen de printer praatte, dat was een teken dat ze sociaal niet meekomt. Dan wordt ze gediagnosticeerd met een burn-out en moet ze vrij nemen van haar baas. Ik volgde haar in hoe ze dacht en wat ze deed en daaruit volgden de scènes. Zoals de therapiesessies bij de bedrijfscoach die haar nogal voor de hand liggend advies geeft, maar haar niet echt helpt.’
Is dat de huidige bedrijfsmentaliteit, een coach inhuren?
‘Startups met jonge mensen, millennialkantoren, hebben richting nodig en daar huren ze mensen voor in. Sommigen doen echt wel nuttig werk, maar vaak is het gewoon gebakken lucht, zijn het ervaringsdeskundigen die zelf weleens een burn-out hebben gehad. En dat er bij problemen altijd iemand moet worden ingehuurd om het geheel te begeleiden, is eigenlijk een trieste zaak, dat ze het niet intern kunnen oplossen.’
Welke schrijvers hebben je geïnspireerd?
‘Tijdens het schrijven heb ik veel gelezen. Alle Faxen boeken van Mizee, om de manier waarop ze naar haar omgeving kijkt. Ook Het bureau van Voskuil heeft me geholpen bij het schrijven. En in de periode dat ik aantekeningen maakte voor het boek, las ik onder meer Jaag je ploeg over de botten van de doden van Olga Tokarczuk, met een geweldig personage dat zich heel anders tot de planten en dieren verhoudt dan de rest van de wereld.’
Kreeg je uit je vroegere buurt reacties op je essay?
‘Er zijn vrienden uit die tijd die ik nog steeds zie. Ik heb het aan iedereen voorgelegd die erin voorkwamen en die ik nog kende, ze vonden het allemaal acceptabel dat ik ze erin schreef. Maar niet iedereen uit de buurt was er blij mee, sommige mensen zien het als een beledigend stuk. Het is natuurlijk ook geen rooskleurig beeld van de buurt, maar wel een realistisch beeld. Anderen vonden het juist heel goed dat ik zoiets aankaartte. Uiteindelijk is het in het belang van de kinderen die in zulke buurten opgroeien, je wilt ze net zoveel kansen geven als de kinderen die in Amsterdam-Zuid opgroeien.’
‘Ik had het nodig om een zo waar mogelijk verhaal te vertellen, terwijl veel mensen het fijner zouden vinden als ik dit verhaal in een positiever narratief zou gieten, dat ik mensen zou beschrijven als mensen met weinig kansen maar dat ze wél heel lief zijn voor hun kinderen, of de moeder van die en die was verslaafd aan alcohol, maar ze was wél heel leuk. Daar houd ik niet van, ik wil het zo eerlijk mogelijk vertellen.’
‘Mijn moeder heeft mijn boek twee keer gelezen. De eerste keer vond ze het grappig, maar bij de tweede lezing vond ze het eigenlijk een heel treurig verhaal.’
De Franse acteur Michel Robin (1930-2020), hoofdrolspeler in L’invitation (1973) van Claude Goretta, speelde in zestig films, maar meestal waren het bescheiden bijrollen. Twee keer kreeg hij een hoofdrol, beide keren in de jaren ’70 en beide keren in een Zwitserse film, waaronder L’invitation (1973). Maar daarin is hij dan wel weer de verpersoonlijking van de bescheidenheid. Goretta laat hem schitteren in de gedaante van een administratief medewerker.
Twintig jaar is zijn aanwezigheid op kantoor bijna onopgemerkt voorbijgegaan. Als de zachtmoedige, verlegen, ouderwetse, in zichzelf teruggetrokken middelbare vrijgezel Rémy Placet is hij er zoals een kantoorplant in de vensterbank er is. Net als de fuchsia van Annie M.G. Schmidt (‘een makkelijke plant’) overleeft hij op weinig aandacht. Vrienden heeft hij niet, de centrale figuur in zijn leven is zijn moeder. Wanneer die moeder sterft, is Placet ontroostbaar. Hij krijgt het advies het een poosje rustig aan te doen en neemt verlof. Het poosje duurt een paar maanden, waarna hij zijn collega’s uitnodigt voor een feestje in zijn nieuwe huis.
Dat nieuwe huis is tot ieders grote verrassing een kapitaal landhuis met een tuin ter grootte van een park. Placet blijkt steenrijk. De erfenis van zijn moeder heeft de uitwerking gehad van de kus uit het sprookje. De prins die eruitzag als een kikker is nu voor iedereen zichtbaar een prins geworden. Dit zet de kantoorverhoudingen totaal op z’n kop. Wat zich op kantoor liet aanzien als wereldvreemde sulligheid, krijgt in deze omgeving ineens iets aristocratisch en superieurs. Placet is hier volkomen op z’n plek en geniet zonder bijgedachten van zijn nieuwe situatie. Hij heeft zelfs een butler ingehuurd. Niet om zijn collega’s de ogen uit te steken, maar omdat hij hen, zoals hij zegt, als zijn tweede familie beschouwt en daarom vorstelijk wilde onthalen.
Die goedheid, die hartelijkheid is niet aan hen besteed. Ze betalen hem terug met afgunst en wrok en door dronken te worden. De orde is verstoord. Placet betaalt de prijs, uiteraard, maar hij overleeft het wel. Zijn innerlijke rijkdom redt hem. Een meesterlijke film! En een meesterlijk gespeelde rol!
Zoek je L’invitation op in Wikipedia, dan zie je drie acteurs genoemd als ‘hoofdrolspelers’, maar Michel Robin, de echte hoofdrolspeler, de ster van de film, wordt niet genoemd. Zelfde verhaal op de Internet Movie Database, die overigens drie andere namen noemt, maar dus evenmin die van Michel Robin. Blijkbaar is het lot van sommige mensen, wat ze ook doen, dat ze over het hoofd gezien worden. Michel Robin moest tot zijn oude dag wachten voor hij eindelijk wat aandacht kreeg dankzij Le fabuleux destin d’Amélie Poulain (2001), waarin hij de vader van de kruidenier is, en Un long dimanche de fiançailles (2004), waarin hij de oude man speelt die het slagveld bezoekt. En dat zijn allebei, inderdaad, bijrollen.
Hans Heesen is filmhuisdirecteur, docent Filmacademie Amsterdam en proza schrijver. Onlangs verscheen zijn derde roman bij uitgeverij IJzer, Tenminste voor een bepaalde tijd. Maandelijks schrijft hij een filmcolumn voor Literair Nederland.
Er is een beroemde cartoon van Jack Ziegler uit de New Yorker waarop je acht mannen om een vergadertafel ziet zitten. Zeven van hen hebben een zonnebril op en dragen een zomerhoedje met een vogelveer, en alle zeven houden ze een saxofoon in de aanslag. De achtste draagt gewoon zijn alledaagse pak met stropdas en kijkt wezenloos om zich heen. Op hem richten alle blikken zich en de voorzitter roept hem nijdig toe: Damn it, Hopkins, didn’t you get yesterday’s memo? Het is misschien niet aardig tegenover de mevrouw op dit laat negentiende-eeuwse kabinetportret, maar toen ik haar outfit voor het eerst onder ogen kreeg, moest ik direct aan die cartoon denken.
De kleding waarin deze Elzasser vrouw is vereeuwigd, heeft ze natuurlijk niet zelf zo bij elkaar gezocht. Het gaat hier om een traditionele klederdracht die nauw luistert naar de meest gedetailleerde overlevering, zoals die waarschijnlijk al generaties lang in haar familie bestond. Het meest in het oog springt het hoofddeksel met die knoop in het midden, waarmee het gevaarte vermoedelijk aan een haarstreng is vastgemaakt, en met de franje die van de beide vleugelkappen naar beneden hangt. Ook de omslagdoek die met een grote gesp of speld aan haar jak is bevestigd en de smetteloos witte kraag en manchetten suggereren dat dit geen alledaagse kleren zijn, maar het resultaat van een tot in de details gevolgde traditie.
Dezelfde vraag kun je natuurlijk over Nederlandse klederdrachten uit Staphorst, uit Zeeland of uit Volendam stellen, maar in die traditionele kledij kun je nog iets boerderij- of vissersachtigs ontdekken. Deze Elzasser klederdracht daarentegen laat zich niet zo gemakkelijk met een professionele of functionele achtergrond associëren. Ik kan me tenminste geen beroep voorstellen, waar de vormgeving van dit hoofddeksel op teruggaat.
En toen dacht ik: klederdracht is eigenlijk een dialect in de vorm van kleren. Immers, ook een dialect ontstaat als een uitgewerkte variant op of een tussenvorm van bestaande talen, dikwijls in een overgangsgebied tussen twee streken of landen. Het eigene van zo’n dialect is juist de verbindende kracht ervan. Dat Drenthenaren ‘tokkelbred’ of ‘snoarenbak’ zeggen in plaats van ‘gitaar’, dat geeft ze onderling het gevoel dat ze bij elkaar horen. Het gegeven dat ze zich daarmee onderscheiden van de rest van Nederland, versterkt die samenbindende kracht. Net als dialect is ook klederdracht iets van de oudere generatie, waar in een familie meestal nog wel met respect en historisch besef over wordt gesproken (‘kijk, dit waren de oorijzers van je grootmoeder’), maar millennials zullen er niet zo gauw de stad mee in gaan.
Als je op het internet lijsten met dialectwoorden langsloopt, dan krijg je niet de indruk dat daar veel nieuwe, moderne woorden of uitdrukkingen tussen staan. De ontsluiting van het plattelandsleven door tv, internet en sociale media, grotere mobiliteit, verstedelijking en de geringe bereidheid van ouders om het dialect van hun eigen jeugd nog aan hun kinderen door te geven maken tezamen dat dialecten langzaam maar zeker uitsterven, zoals klederdrachten van lieverlee de kist op zolder niet meer uitkomen en ten slotte op hun best naar het streekmuseum verhuizen.
Wel is het goed om te beseffen dat zelfs in de moderne tijd dankzij influencers, glossy bladen en rolmodellen uit films en series er ook allerlei afgedwongen kleedstijlen bestaan. De mode die voorschrijft dat je splinternieuwe jeans bij voorkeur van zorgvuldig aangebrachte slijtplekken en gescheurde gaten moeten zijn voorzien, is niet minder dwingend dan een door familie opgelegde traditie om op hoogtijdagen in een bepaalde streekdracht op een dorpsfeest te verschijnen. Het ene is global, het andere local, maar de wens van een individu of een groep om ergens bij te horen door zich gezamenlijk op dezelfde manier van anderen te onderscheiden is identiek. Dat geldt net zo voor de blauwe blazer van de corpsstudent als voor het naveltopje van de zestienjarige scholiere of de clubsjaal van de voetbalfan.
Het is een van de meest deprimerende gegevenheden van de modewereld en de kledingindustrie dat je geacht wordt je eigen kledingsmaak of -stijl ondergeschikt te maken aan die van anderen, die er dikwijls ook nog eens materieel belang bij hebben dat je hun zin doet. Ik voel mij dan ook ten diepste verbonden met de enorm slechte zin die op het gezicht van deze in klederdracht gestoken mevrouw uit de Elzas te lezen valt.
Maarten Asscher (1957) is schrijver van romans, verhalen, essays en poëzie. Zijn laatste roman, De schaduw van een vriend, verscheen in 2022 bij Uitgeverij De Bezige Bij.
Literair vertaler Engels-Nederlands Barbara de Lange ontvangt dit jaar de Vertaalprijs voor de hoge kwaliteit van haar vertaaloeuvre en haar inzet als literair ambassadeur. Dit jaar zit De Lange precies veertig jaar in het vak. Na haar studie filosofie begon ze non-fictie te vertalen. Na enkele jaren kreeg ze het aanbod een roman van Margaret Atwood te vertalen, het werd haar eerste literaire vertaling. Niet lang daarna werd ze fulltime vertaler. Ze vertaalde onder meer De verborgen geschiedenis, van Donna Tartt, werk van Virginia Woolf, D.H. Lawrence, Howard Jacobson, Yann Martel, Michael Ondaatje, George Steiner en Anne Tyler.
De jury noemt De Lange ‘een zeer consciëntieus vertaalster die haar projecten met zorg uitkiest en initiatief heeft genomen door bijvoorbeeld het oeuvre van Virginia Woolf verder te ontsluiten’. Daarnaast geeft ze vanaf 2007 workshops literair vertalen Engels aan de VertalersVakschool te Amsterdam, en sinds 2017 is zij werkzaam als bestuurslid van het vertaaltijdschrift PLUK. Ze heeft zich altijd ingezet voor de status van de literair vertaler en de voorwaarden waaronder al haar collega’s – jong en oud – moeten werken. De jury vond dat het hoog tijd was om haar de erkenning te geven die zij verdient.
Binnenkort verschijnt een nieuwe reeks vertalingen van haar hand: bij uitgeverij Athenaeum verhalen van Katherine Mansfield en de roman Drie van Ann Quin, te verschijnen bij uitgeverij Oevers. Quin is een avant-garde schrijfster uit de jaren zestig van de vorige eeuw. De Engelse tekst is poëtisch en schilderachtig in de beelden die worden opgeroepen. In een interview met Literair Nederland in 2017 zei Barbara de Lange, ‘Als een vertaling klaar is voelt het als een huis waarvan ik alle kamers ken’.
Over haar vertaling Beer van Marian Engel zegt de jury: “Met scherpe, beschouwende blik haalt Barbara de Lange in weerbarstige zinnen vanaf de bodem van de tekst de maximale lading aan betekenis naar boven. De lezer merkt er niets van dat ze daarnaar heeft moeten hengelen.” Andere door De Lange vertaalde auteurs zijn o.a.:
Aan de prijs is een bedrag van 15.000 euro verbonden. De uitreiking vindt plaats op 8 december tijdens de Literaire Vertaaldagen in de Rode Hoed in Amsterdam.
De Letterenfonds Vertaalprijs is een oeuvreprijs en wordt in de even jaren toegekend aan een literair vertaler uit het Nederlands, en in de oneven jaren aan een vertaler van literatuur in het Nederlands. Recent ging de prijs naar Janny Middelbeek-Oortgiesen (Zweeds-Nederlands), Goedele De Sterck (Nederlands-Spaans), Ran HaCohen (Nederlands-Hebreeuws) en Aai Prins (Russisch-Nederlands).
Het was even schrikken toen bleek dat het boekenweekgeschenk een familie aangelegenheid is geworden. Familie ondernemingen hebben iets precairs, iets beslotens. Een keuze die ook nog eens in superlatieven omschreven werd door directeur CPNB Eveline Aendekerk. Wat moet je met een directeur die ‘ontzettend trots’ is, en het heeft over de ‘grootste’ schrijversfamilie (je wist niet waar je het zoeken moest, de betekenis van dit alles). Ze zei dat ‘de liefde voor lezen en boeken er bij de ‘Chabotten’ vanaf spat. En dat het precies die liefde is die ‘traditiegetrouw’ gevierd wordt tijdens de boekenweek. Ze zei, ‘Het gezin [de Chabotten] bestrijkt meerdere generaties en bestaat uit unieke karakters, waardoor de kijk op de familie een rijk kleurenpalet wordt. De Boekenweek van 2024 wordt daarom ook komend jaar weer een groot feest!” Jaja, het CPNB is me er eentje om Finkers maar eens te persifleren.Eerder wilden ze al van het woord essay af, alsof daarmee de lading van de inhoud zou veranderen.
Het CPNB zegt jongeren te kennen die afgeschrikt worden door het woord essay. Het CPNB is daardoor bang dat ze hun doel missen. En dat willen ze niet. Dus door een essay (een persoonlijk, beschouwend literair stuk) geen essay meer te noemen zodat jongeren er niet door worden afgeschrikt, is er de hoop dat ze het essay dat geen essay mag heten, gaan lezen. Maar wacht. Er is niks mis met jongeren die ergens van schrikken. Er mag geschrokken worden, graag zelfs. Niet alles hoeft tot een soort smoothie achtige substantie vermalen te worden.
Ilja Leonard Pfeijffer reageerde op de keuze van het CPNB voor de familie Chabot – om het boekenweekgeschenk te schrijven, en het essay te laten plaatsmaken voor een gedicht van de hand van, jawel Bart Chabot – en had het over ‘uitdaging’. Hij begon over zijn schoonmoeder die bij hen kwam eten. Zij spraken over Italiaanse politiek, de verwerpelijkheid van premier Giorgia Meloni, maakten daar veel woorden aan vuil. ‘De vraag die dan altijd vroeg of laat opkomt, meestal vroeg, is wie haar kan uitdagen… Toen verdween de tekst achter een betaalmuur, maar dat ‘uitdagen’ bleef hangen. Wie daagt de lezer uit, zet een begin van iets uit om te volgen, iets te ontdekken. Of, wie kan Eveline Aendekerk uitdagen om…
Maar als we dan toch de niet lezende jongeren tegemoet willen komen, laten we dan een boek ook geen boek meer noemen, want dat is schrikken. Maar hé, scheer nu niet alle jongeren over een kam. Er zijn er die lezen, in treinen, op bankjes aan de waterkant, in bed (er wordt onvoorstelbaar veel in bed gelezen), aan keukentafels, toiletten, op het strand. We kunnen veel woorden vuilmaken aan de terugloop van lezers, waarvan ook niet duidelijk is of dat echt zo is. Misschien zijn er lezers die zich niet op de daartoe geëigende plaatsen ophouden, zoals daklozen, waarvan het CBS deze week meldde dat er minder daklozen zijn, maar de opvangcentra daarentegen in een reactie zeiden dat ze ‘ram’vol zitten. Soms moet er niet geteld, niets gezegd worden. Laat een essay een essay zijn, geef jongeren de kans iets te ontdekken, ergens naar te reiken en de essayisten van morgen te worden.
En waarom een boekenweekgeschenk niet geschreven door Mensje van Keulen, Marja Pruis of Kristien Hemmerechts? Of maak er desnoods weer een schrijfwedstrijd van voor debutanten, zoals Hella Haasse die ooit in 1949 won, debuteerde met het boekenweekgeschenk Oeroeg. Zet dan een lezerspoule van jongeren op die alle inzendingen lezen, een keuze maken. Zijn er in ieder geval weer een paar jongeren voor de literatuur gewonnen.
In het portiek van het verzekeringsgebouw waar ik langs loop, hurkt een donkere gestalte. Naast hem liggen een plunjezak en een grote tas. Ik stel mijn ogen op scherp en net als ik heb vastgesteld dat het een dakloze moet zijn, roept de man: ‘Mevrouw, mevrouw, mag ik u iets vragen?’ Het is al aan het schemeren en over een kwartiertje vertrekt mijn trein. Ik weet dat ik moet doorlopen, maar breng het niet op om moedwillig onbeleefd te zijn. Dus blijf ik staan en antwoord bevestigend op zijn vraag.
Natuurlijk gaat het om geld, ik had niet anders verwacht. Hij vertelt het bekende verhaal, het kan ons allemaal overkomen: ontslagen, schulden, uit huis gezet, slapen op een bankje in het park. Nu zou hij graag naar een opvanghuis gaan voor een bad en een bed, maar dat kost drie euro per nacht en die heeft hij niet. Of ik zou willen helpen met een kleine bijdrage? Ik luister en kijk naar de haveloze man met de witte stoppelbaard die probeert zijn waardigheid te behouden in dit vreemde gesprek. ‘Arm en beschaamd zo arm te zijn’, dichtte Vasalis. Ook Bert Bevers schreef over hen:
‘Daklozen
Geen blijf weten zij met zichzelf, maar zeker kennen ze murw als getuigen hun plaats.
De hemelstreken zijn hun wanden want geen vensters zijn er om uitzicht te kaderen. Het
zuiden is hun raam. Ook als niemand hem uitspreekt dragen zij volhardend hun naam.’
Zoveel mensen die ik niet heb kunnen helpen, maken dat ik nu uit mijn portemonnee een bankbiljet haal dat ik aan de man overhandig. Hij kijkt ongelovig van het geld naar mij en vraagt of ik me niet vergist heb. Als ik nee schud, vraagt hij mijn naam, we stellen onszelf voor en geven elkaar een hand. Walter heet hij, Walter. Ik zal zijn naam niet vergeten, beloof ik. Als ik afscheid neem en doorloop, roept hij me na en zegt dat hij voor me zal bidden. Ik voel me Moeder Teresa zelf. Maar ik val door de mand met mijn nobele naastenliefde als ik op het station mijn ov-kaart uit mijn portemonnee neem en zie welk bankbiljet ik weggegeven heb. Oei. Dat was nu ook weer niet de bedoeling. Ik hoef nog niet meteen naast Walter plaats te nemen in het portiek, maar het zal krap worden deze maand.
Schaamte overvalt me. Moeder Teresa?, Sint Maarten ben ik. De nep heilige die een bedelaar onbaatzuchtig slechts de helft van zijn mantel gaf omdat hij er zelf ook nog warmpjes bij wilde zitten. Huichelaar met zijn zogenaamde liefdadigheid, zolang die maar niet ten koste van hemzelf ging. Ik ben geen haar beter. Mijn nuchtere verstand zegt me later die avond dat Walter waarschijnlijk drank en drugs verkozen zal hebben boven het opvanghuis. Mijn hart zegt dat we niet allemaal hetzelfde bedoelen als we een warm en veilig onderkomen zoeken voor onze angst in de nacht. Ik heb hem in ieder geval in staat gesteld om zelf te kiezen waar hij wil zijn.
Uit: Bedekte termen, Bert Bevers (2023)
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Eerst is er alleen geluid. Een zacht ritselen, ritmisch, als het omslaan van een bladzijde, en dat is het ook. Dan hoor je iemand ademen, zwaar ademen, dat zich voegt bij het ritmisch ritselen. Dan is er beeld. Een man met een grijze baard, grijze haren, een amberkleurige bril halverwege zijn neus. Hij zit achter zijn werktafel te bladeren door een bundel. Het is Koenraad Goudeseune. Hij zegt ‘Ja’, en leest voor uit de bundel. ‘Ik was de leerling van een schilder, ik mocht met [onverstaanbaar] pigmenten mengen / Iedere morgen sloeg mijn vader mij uit bed.’ terwijl hij voorleest, kijken we naar beelden van het Vlaamse platteland. We zien boerenschuren, omgeploegd land. Dan een intrigerende jongeman als uit een andere tijd, achterin een auto, het raampje op een derde geopend. God, wat een aantrekkelijke jongeman, wat een belofte voor de literatuur.
Ik kijk naar een documentaire over de Vlaamse dichter Koenraad Goudeseune. Sharon Kromotaroeno bezocht hem in 2018 tweemaal in Gent. Nadat hij in 2020, ziek door darmkanker, euthanasie pleegde, maakte ze een documentaire over de dichter wiens werk ze bewonderde. Ze laat bewonderaars, een vriend, een familielid en zijn voormalige vriendin aan het woord over Goudeseune, de dichter die zich niet thuis voelde in het literaire circuit.
Chrétien Breukers bewonderde de leeftijdgenoot die op 28 jarige leeftijd een boek (Vuile was) klaar had. ‘Het is een doorvertelboek, pure taalvreugde, geïnspireerd door Jeroen Brouwers, alles wat ik ook leuk vind. Breukers dacht, ‘daar komt een soort nieuwe Hugo Claus aan, een enorm oeuvre komt eraan.’ Maar dat kwam niet.
Er is een opname van Wim Brands uit 2014 van de VPRO die uit de bundel Het probleem met mensen die naar zee gaan, van Goudeseune voordraagt. Waarom hij van zijn poëzie houdt: ‘Omdat deze man een toon aanslaat die veel Nederlandse dichters nooit zullen aanslaan, omdat ze denken dat het geen poëtische toon is.’ Goudeseune schreef poëzie die dicht bij de taal die we allemaal spreken staat.
Zijn zus leest zijn boeken nu meer dan ze ooit deed, alsof ze nu pas, nu hij er niet meer is, de ruimte voelt om haar broer als schrijver te leren kennen. Vanaf de bank in haar huiskamer leest zij een gedicht waarin Goudeseune de jaarlijkse foto’s die van het gezin op de trap van de veranda werd genomen, beschrijft. Vader, moeder, vier kinderen, altijd lachend. ‘Toen ik nog klein was, lachte ik vanzelf, geloof ik, het moest me niet worden opgelegd’, dichtte de dichter. De laatste foto is die waarop niemand lacht, de moeder is gestorven. De zus stokt, valt stil. Tussen kussen en linkerbeen ligt een pakje zakdoekjes op de bank, onopvallend, maar je ziet het liggen. We zien haar het pakje niet oppakken, maar de suggestie van tranen is er.
Er zit een zwart/wit opname van een zeer jonge Jeroen Brouwers die vellen papier volschrijft in een klein kamertje, sigaret in zijn linkerhand. ‘Schrijven is ook de discipline hebben je aan je schrijftafel te zetten en elke dag te schrijven.’, schreef Brouwers eens aan Goudeseune. Brouwers en Herman De Coninck geloofden in hem, als schrijver, als dichter, maar nogmaals, hij voelde zich niet thuis in de literaire wereld.
Ingmar Heytze bewonderde Goudeseune en nodigde hem eens uit voor een optreden tijdens de Nacht van de Poëzie. Heytze vertelt hoe de verlegen dichter arriveerde, en hij, die hem bovenmatig bewonderde, hem ontving, hoe ze tegenover elkaar stonden te zwijgen. ‘Het was net een stukje voor twee heren die een beetje naar hun schoenen stonden te kijken.’
‘Het leven was voor Koen lastig’, zegt zijn vriendin, die ergens zijn vriendin niet meer was maar op het eind hem wel verzorgde. Hij was een eenling in de literatuur, een gekwetste eenling. ‘Hij had last van paniekaanvallen, en als hij begon te drinken dan stopte hij niet meer’, zegt zijn vriendin die zijn vriendin niet meer was. Zijn laatste bundels werden amper besproken. ‘Ik weet bijna zeker dat na mijn dood erkenning wacht.’, zegt Goudeseune ergens. En ook Delphine Lecompte, die een paar gedichten van hem voordraagt, zich verwant aan deze dichter voelt, gelooft dat hem erkenning wacht. Want deze dichter laat een prachtig oeuvre na, in een taal die we allemaal spreken.
De documentaire eindigt met de gelijke beelden als het begint. Een auto rijdt door een boerenlandschap, langs sloten en boerderijen. Afgewisseld met opnamen van de dichter achter zijn bureau, bladerend. Dan weer, de jonge en veelbelovende prozaïst en dichter op de achterbank, glijdend door het landschap. Een beeld van eeuwige veelbelovendheid. Maar lees dan toch zijn werk!
Documentaire: Ik heb voor niks geschreven door Sharon Kromotaroeno.
In deze eerste maand van het nieuwe schooljaar, van 15 tot 24 september 2023, vindt de Boekenweek van Jongeren plaats voor jongeren van 15 tot en met 18 jaar.
Een vakjury van volwassenen heeft tien nominaties bepaald waarvan vijf in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig Werk en vijf in de categorie Vertaald Werk. Een jongerenjury van zes jongeren bepaalt de winnaars van beide categorieën.
Middelbare scholieren uit de havo- en atheneumbovenbouw kunnen de oorspronkelijk Nederlandstalige nominaties van de Boekenweek van Jongeren lezen voor hun leeslijst voor Nederlands.
In de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig Werk zijn genomineerd: In het vervloekte hart van Rima Orie Weerlicht, het debuut van Jante Wortel De geur van een moeder van Lucia van den Brink De droomfabriek van Gerwin van der Werf Niet geschikt voor publicatie, het debuut van Gabrielle la Rose.
Op Jong Literair Nederland gaat Joke Aartsen uitgebreider in op de Boekenweek voor Jongeren en bovenstaande titels. Lees hier haar artikel: Jong Literair Nederland.
Een vrolijk surrealistisch en gezagsondermijnend sprookje met een niet na te vertellen, volkomen bezopen plot, een parade van onwaarschijnlijke operettefiguren en een openstapeling van bizarre situaties en absurde gebeurtenissen – bij elkaar vormt het de onweerstaanbaar geestige komedie Ewa Wants to Sleep (1958), het speelfilmdebuut van de Poolse regisseur Tadeusz Chmielewski (1927-2016), vier jaar na zijn afstuderen aan de filmschool van Lodz. De enige film die ik ken die erbij in de buurt komt is het legendarische en al even dwaze The Robber Symphony van Friedrich Feher, uit 1937.
Het verhaal speelt zich af gedurende een half etmaal, van de vroege avond tot de vroege ochtend. De jonge, naïeve Ewa Bonecka komt vanuit de provincie in de stad aan. Ze is aangenomen als leerling op de Landmeetkundige Technische School, maar arriveert een dag te vroeg. Op zoek naar een slaapplaats en zonder een zloty op zak, zwerft ze, geholpen door een aardige politieagent, door de voornamelijk door criminelen bevolkte stad. Een stad waarin alles kan, waarin om maar wat te noemen een politieknuppel tevens een dwarsfluit kan zijn.
De openingsscène is onovertroffen grappig en dat niveau wordt de hele film volgehouden. Het is een raadsel dat deze film geen wereldhit is geworden. De rol van Ewa wordt gespeeld door de 17-jarige Barbara Kwiatkowska, die ontdekt werd door een wedstrijd om mooie meisjes voor het witte doek te vinden. (Tijdens het filmen ontmoette ze Roman Polanski, met wie ze later trouwde.) Ze is de Alice in Wonderland die de scènes verbindt en aan het duistere sprookje een dromerige gratie toevoegt. Ze verliet Polen in de jaren zestig en ging verder door het leven als Barbara Lass. Haar laatste rol speelde ze in 1991 in het voor televisie gemaakte Moskau-Petuschki, een verfilming van Venedikt Jerofejevs onnavolgbaar alcoholische roman Moskou op sterk water.
Natuurlijk – het is ondenkbaar bij een voormalige Oostblokfilm dat het niet zo zou zijn – is er ook verholen kritiek op de USSR. Zo staat op de muur van de politiecel: ‘Stój Halina’ (Stop, Halina) – een onschuldige tekst totdat je de ‘St’ en de ‘H’ omdraait en er in het Pools ‘Stalins Pik’ staat. (Halina was overigens de naam van Chmielewski’s echtgenote.) En zo bezien is de knotsgekke wereld die Chmielewski ons laat zien niet anders dan zijn kijk op het Oostblok, waar je als je er niets aan kunt veranderen tenminste de spot mee kunt drijven.