• Literaire salon met Oek de Jong en Ester Naomi Perquin

    Zondag 18 november waren Oek de Jong en Ester Naomi Perquin te gast aan de Lijnbaangracht tijdens een Literaire salon. Interviewer en dichter Jos van Hest ging met hen gesprek over hun werk. Dit alles omlijst door muziek van Lex Goes en afgewisseld met een gesproken column van boekhandelaar Ton Schimmelpennink van Boekhandel Schimmelpennink.

    Ester Naomi Perquin publiceerde dit voorjaar haar derde bundel Celinspecties. Sinds 2007 publiceerde zij drie dichtbundels waarvan de eerste twee werden onderscheiden met verschillende prijzen en de laatste op de nominatie staat voor de VSB Poëzieprijs 2013. Haar werk wordt uiteenlopend beoordeeld van lief tot pervers maar vooral verontrustend. Wat zeker is, is dat Perquin een scherp gevoel heeft voor het alledaagse. Het alledaagse waaruit, wanneer zij haar ogen erop richt, bevreemdende en niet minder, schokkende voorstellingen ontstaan.

    Vier jaar werkte Perquin full time als nachtelijk cipier, ‘cipieresse’, zoals ze zelf zegt, in een gevangenis. Een bizarre keuze constateerde Jos van Hest voor een jonge vrouw. En vroeg naar haar ervaringen als gevangenisbewaarder.
    Ten eerste wilde Perquin de opvatting rechtzetten dat zij in het gevang is gaan werken om de Schrijversvakschool te kunnen betalen. Zij deed dit werk al vóórdat zij de schrijfopleiding ging volgen (in 2006 afgestudeerd). Wat wel klopte is dat zij haar schrijfopdrachten tijdens de nachtdiensten schreef.

    Om dit werk te kunnen doen kon je kiezen of je je als lellebel of als ijskonijn zou gedragen, vertelt Perquin. Om geen last te krijgen met de gedetineerden was Perquin een ijskonijn die het hoofd koel hield bij dreigende sterfgevallen (niet doodgaan nu ik dienst heb!), reanimeerde waar het nodig was en bluste brandjes. Veel gebeurde er niet tijdens zulke nachten. ‘Het meest gebeurt achter gesloten deuren ’s nachts. Meest vieze dingen’. Stelt Perquin zich voor.

    Op de vraag of het materiaal uit de bundel Celinspecties al geschreven werd tijdens die nachtdiensten, vertelt Perquin dat dat niet het geval was. Ze schreef met name veel brieven aan vrienden, die ze later gebruikte voor het schrijven van Celinspecties.

    Jos van Hest noemt het een onthutsende bundel, vindt hem mooi en lelijk tegelijk; ‘mooi in taal en lelijk in het portret van het kwaad’. Perquin wil niets liever dan dat deze bundel op zijn rauwheid beoordeeld wordt. Ze ontving de opmerking in een recensie van Pieter Steinz, die het gedicht David H. (waarin een verkrachter aan het woord is) ‘pervers’ noemde, als een compliment. Waarmee ze ook wil onderstrepen dat een verkrachter in wezen niet gestoord is. Dat je verkrachters aantreft onder de meest normale mannen (binnen het huwelijk, vriendenkring, familie). En dat dàt gegeven pas verontrustend is.

    Al dichtend balanceert Perquin langs de zelfkant van het kwaad in Celinspecties. Op de vraag of het geen gevaarlijke bundel is, gezien de misdaden waarmee ze naar buiten treedt, zei Perquin: ‘Ik voel wanneer iets kan’. En dat is de koers die je als dichter vaart. Zo schreef ze het gedicht Bart V., over een supermarktoverval waarbij geschoten werd.
    ‘(…) Ze lachte heel even en daarna / viel ze neer alsof ze een jas was geweest / die ineens van een hangertje gleed.’ Kort daarna was er het winkelcentrumdrama in Almere.

    Ze vraagt zich af hoe lang iemand een misdadiger blijft. Haarzelf overkwam het dat ze een ex-gedetineerde herkende voor de schappen van een supermarkt. Een pleger van een roofoverval met geweld. De jongeman stond voor het schap te mopperen dat artikelen op de verkeerde plek lagen. Een oude vrouw naast hem mopperde vrolijk mee en Perquin dacht: ‘Ja, ja, ik ken jou’. Waarna ze zich direct afvroeg wanneer iemand boef  ‘af’ is.
    Het soort gedetineerde waar Perquin het meest van houdt, is de ‘ik was het niet’- gedetineerde, waarover het meesterlijke gedicht ‘Verklaring’

    ‘Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
    (…)

    Ik had geen idee wat er speelde, trouwens iedereen die ik
    daar zag heeft me erbuiten gelaten vanwege
    dat ik er niet was. Niet tijdens die nacht.
    (…)

    Misschien was het een plantenbak. Die plantenbak viel
    Horizontaal op haar gezicht en tamelijk hard en
    Misschien wel verschillende keren maar
    Ze zeggen zoveel, het was een opmerkelijk donkere nacht.

    Ik weet nog dat ik thuis waar ik dus was
    Van uit mijn bed naar buiten keek
    En dacht zulk diep zwart
    Zie je maar zelden.’

    Aan het eind van het gesprek herinnert Perquin zich het punt in haar leven waarop ze ontdekte hoe poëtisch te kunnen schrijven. Het was tien jaar geleden, toen ze een regel las van Erik Menkveld die een kamer binnenkomt waar een boxer op het tapijt ligt en opeens denkt: Ik had die boxer kunnen zijn: ‘ik had hem makkelijk / kunnen zijn, en niet alleen / hem, dat kleed ook, / die clubfauteuil, / dat teakhouten buffet…’ Dat was Ester Naomi Perquins keerpunt, het moment waarop ze wist van waaruit te schrijven; vanuit de ander, de ander willen/kunnen zijn. Ter afsluiting las ze het gedicht Vanmorgen werd ik opgebeld, te vinden in haar tweede bundel Namens de ander waarin deze wens de ander te zijn, ten diepste besloten ligt.

    Na de pauze, waarin Lex Goes op toetsenbord verschillende nummers uit de jaren vijftig speelde, waaronder Spiegelbeeld alsook Schubert D894, die een rol spelen in het boek Pier en oceaan en de bezoekers zich tegoed deden aan het buffet, zette Jos van Hest zich opnieuw achter de gesprekstafel. Deze keer met Oek de Jong om het te hebben over diens Magnum Opus Pier en oceaan.

    Waarom een 800 pagina’s tellend werk geschreven, vraagt Van Hest.
    Oek de Jong vertelt dat dit ongewild zo gegroeid is. Hij schreef de eerste 100 pagina’s van een boek waarvan hij dacht dat het niet veel omvangrijker zou worden dan dat. Tot hij begreep dat hij het midden had geschreven van een omvangrijker werk. Een autobiografisch werk waarop hij zich heeft voorbereid door Proust te herlezen en waarin motieven uit zijn debuutroman Opwaaiende zomerjurken terugkomen. Dit debuut was tevens zijn eerste autobiografische werk waarin de moeder een prominente rol speelt, net als in Pier en oceaan, in de gedaante van Dina, een jonge vrouw in de jaren vijftig die met lesbische gevoelens speelt en zich desondanks zwanger laat maken door de man waarmee ze vervolgens trouwt.

    Oek de Jong ondernam een zoektocht in de literatuur naar de juiste vorm die aan zijn schrijverschap zou voldoen om dit werk te kunnen schrijven. Hiervoor las hij de Anton Wachter romans van Simon Vestdijk waarbij hij voornamelijk onderzocht waaruit Anton was ontstaan.
    Op de vraag of er meer autobiografisch werk te verwachten is antwoordde De Jong dat hij er acht jaar over gedaan heeft deze roman te schrijven. Het omzetten van herinneringen en een tijdsbeeld naar een literair terrein dat vervolgens getransformeerd moet worden tot een roman kost veel tijd, verklaarde De Jong. Het schrijven van een autobiografisch werk is een zoektocht naar jezelf, het grote vragen naar wie en wat je bent. De Jong: Stendhal vroeg zich op vijftigjarige leeftijd af, terwijl hij met een stok in het zand de namen schreef van alle vrouwen die hij niet gekregen had, wat voor een man hij was.

    Jos van Hest merkt op dat het werkwoord ‘zien’, het meest voorkomende werkwoord in het boek is; zien, waarnemen; gezien worden. Wat maakt dat in het boek de dingen tot op de huid en zeer zintuiglijk beschreven zijn.

    Op de vraag waar de titel Pier en oceaan vandaan komt, vertelt De Jong dat hij daar lang naar gezocht heeft. De titel is uiteindelijk ontleend aan een houtskooltekening van Mondriaan, gemaakt in Domburg en die nu in het Kröller Muller museum hangt waarop Pier en oceaan staat geschreven. Toen de keuze op Pier en oceaan viel heeft De Jong pas de scène erin geschreven waarin Abel een kaartje krijgt van zijn vriendin op de Rietveld academie met dit werk erop. Van Hest concludeerde dat Pier en oceaan, losgemaakt van het tijdsbeeld en het autobiografische zeer goed te lezen is. Een zeer goed Oek de Jong boek.

    De literaire salon is een fijn concept voor schrijvers en literatuurliefhebbers. Na afloop trokken de bezoekers, verzadigd van lichaam en geest en enkele boeken rijker, de stad in of huiswaarts.

  • Gedachten bij een decennium Literair Nederland

    Een persoonlijke herinnering

    Op 15 december 2012 bestaat Literair Nederland 10 jaar. Dit decennium van internetrecensies van Nederlandse en vertaalde literatuur, fictie en non-fictie, proza en poëzie begon met een krantenbericht.
    In het voorjaar van 2000 stond er een klein berichtje in de krant dat een aantal ministeries een potje met geld had vrijgemaakt voor een zogenaamde ‘Millenniumprijsvraag’. Over een aantal disciplines zouden bedragen van een ton, in guldens, worden uitgekeerd voor innovatieve plannen. Ik had een weekeinde niets te doen en zette een idee op papier dat duidelijk geschreven was voor het ontvangend comité, doorspekt met wat visionaire internetgedachten –  die geleend waren – en een blauwdruk voor een website over literatuur die erg veel leek op de Internet Movie Database (IMDB), een website waarvan ik een nogal fervent gebruiker was. Er kwam op geschept papier een bevestiging van ontvangst binnen, en een bericht dat het plan de eerste screening gepasseerd was. In het najaar ging ik naar Tibet en in november kwam ik terug in Amsterdam. Toen lag er opnieuw zo’n brief en die meldde dat het plan genomineerd was en dat de uitreiking zou plaatsvinden op 23 november in de Ridderzaal in Den Haag.

    Kostuum uit Vietnam

    Het was een mooie dag, ik meen dat er acht prijzen werden uitgereikt. Een hele mooie was –  misschien in de categorie emancipatie – de ‘plastuit’, een kartonnen ‘geleider’ die het vrouwen mogelijk maakt staand te plassen. Het was deze plastuit die het meest het nieuws haalde. Ze ontvingen 100.000 gulden om met het plan aan de gang te gaan.
    Die 100.000 gulden ontving ik ook. In de categorie literatuur was mijn database boven komen drijven. Ik stond er in een pak dat ik het jaar ervoor op reis in Vietnam had laten maken, veel pakken had ik niet, ik was net afgestudeerd en vermoedde in Azië dat ik zo’n ding wel eens nodig zou kunnen hebben. Vervolgens moest het nog duizenden kilometers mee in mijn rugzak. Maar hier stond het nu. De toen vigerende ministers Louk Hermans en Annemarie Jorritsma gaven een grote gouden check en een hand en wensten ons allen veel succes.

    Polsblessure

    De avond erna ging onder ingewijden de geschiedenis in als ‘het champagnefeest’. Het volstaat misschien te zeggen dat ik de maandag die volgde bij de dokter was met een polsblessure, die, zo ontdekten we samen, dan toch wel het gevolg moet zijn geweest van champagneflessen ontkurken.
    Een paar weken later had ik een stichting en 100.000 gulden, waarvan 75 voor de uitvoering van de website, en 25 voor eigen gebruik. Over die 25 kunnen we kort zijn, die heb ik twee jaar daarna stukgeslagen door met mijn vrouw Caroline en jong baasje  Zeb (twee jaar), drie maanden door Nieuw-Zeeland te struinen.
    Over de 75 kunnen we ook redelijk kort zijn, die resulteerden uiteindelijk in wat de site nu is, een archief van meer dan 4.000 recensies, stukken over literatuur die gratis beschikbaar zijn en waar mensen die van boeken houden met aandacht aan gewerkt hebben.

    Die mensen zijn belangrijk. Zoals in veel literatuur zal ik de namen hieronder in een noot noemen, niet om ze weg te moffelen, maar omdat het er meer dan zestig zijn.

    Redactie voeren

    De beste manier om ‘redactie te voeren’ hebben we moeten leren. Er zijn drankovergoten avonden geweest in een café aan de Zeedijk, met stapels boeken op tafel, hees pratende dronken Amsterdammers die ons vroegen of we een leesclub waren. (‘Nee? Wat doen dan godverdomme die boeken op tafel?!’) Er zijn picknicks geweest, ruzies, telefonades en eindeloze correspondenties. Er zijn heel erg goede recensenten geweest, en ze gingen ook weer weg, en er kwamen nieuwe.

    Thans wordt de redactie gevoerd door Carolien Lohmeijer en Ingrid van der Graaf. Het nu behoorlijk omvangrijke recensentencorps krijgt boeken per post toegestuurd, recenseert en ontvangt een nieuw boek. Zo kun je het blijkbaar ook doen.

    Een opzet voor de website uit 2008 die het niet werd

    Ik heb in die 10 jaar veel geleerd. Over websites, databases, en afspraken. Over hoe je je geld niet moet uitgeven, over deadlines en wie er wel van houden en wie niet. Ook veel over boeken, want twee lezen meer dan één. En dertig mensen lezen ongelooflijk veel.
    De site heeft een keer of vier in dit decennium een extreme make-over ondergaan. Er was een tijd dat je de kleur van de website zelf kon kiezen, er was een tijd dat we een boek van de week hadden, dat we aan toneel deden, dat we essayettes publiceerden, essays van duizend woorden, dat we een weekschema hadden, een dichtbundel van de week, een non-fictieboek van de week.

    Backup voor het nageslacht

    Literair Nederland heeft nu, (op een maand na) tien jaar na het moment van online gaan, 15 december 2002, 7.000 abonnees en vele, vele bezoekers. Dat vinden we leuk en daar zijn we trots op, maar belangrijker voor ons is dat we literair nieuws signaleren en recensies publiceren over boeken die er toe doen. Niet de boeken waar je tante zo enthousiast over is. De Koninklijke Bibliotheek vroeg ons onlangs of ze een complete back up mochten maken voor het nageslacht. Dat mocht, maar wij schrijven gewoon door, voor u.

    De niet professionele recensent

    Een database is het niet geworden. Als ik in het jaar 2000 van het fenomeen Wiki had gehoord had ik het anders aangepakt. Als ik van Wikipedia had geweten, was ik dat weekend in het park gaan liggen. Het is misschien toch goed dat ik dat niet deed, en voor mij persoonlijk om deze reden: ik ben de recensie-van-de-niet-professionele-schrijver gaan waarderen als een onmisbaar element in het literaire leven. De recensent van Literair Nederland heeft nooit haast, heeft niets af te rekenen en hoeft niet bij de 400 woorden te blijven. Ik geef veel korte recensies van de kwaliteitskranten en bladen graag cadeau voor die van Literair Nederland. Al kunnen we de grote stukken in de krant nog niet altijd evenaren. Maar dat zijn er slechts twee per week. Op papier is ruimte duur. De kleine stukjes, met hun ‘sterren’ laten we meestal ver achter ons.

    Hoogtepunten

    De komende weken zullen we wat hoogtepunten uit tien jaar Literair Nederland boven water halen. Grotere stukken, of heel bijzondere, of recensies over inmiddels vergeten boeken. We hebben nu ook een overzichtelijke archiefbladzijde waarop je kunt kiezen voor boekomslagen of tekst. (In de vroege jaren minder plaatjes.)
    Overigens zijn we altijd op zoek naar goede recensenten, want om lezers draait het. Wilt u meeschrijven en meelezen? Laat het ons weten.

    De noot: graag dank ik de volgende mensen uit heden en verleden voor hun inspirerende bijdragen:  Fred Baggen, Wil van Basten, Thalita van Basten, Gijs Barends, Patrick Bassant, Geert Beernaert, Ina Bieze, Jessica Brouwer, Hugo Brutin, Anne Margriet van Dam, Joost Duijvelshoff, Ingrid van der Graaf, Daphne de Heer, Frank Heinen, Albert Hogeweij, Lisette Huibers, Sunny Jansen, Machiel Jansen, Jaap Jansen, Nikki de Jong, Jan de Kater, Alexander van Kesteren, Eva Keuris, Stacey Knecht, Rosalien Koster, Mohana van den Kroonenberg, Lodewijk Lasschuit, Thomas van Lier, Carolien Lohmeijer, Martin Lok, Michiel Mijs, Thomas Möhlmann, Mike Naafs, Marleen Nagtegaal, Niels Nijborg, Geesje Nijland, Maria Noordman, Coen Peppelenbos, Judith Ploegsma, Marleen van de Pol, Annemarie van der Poel, Katelijn Pompe, Ella Quist, Ria van Rheenen, Eeke Riegen, Olivier Rieter, Dominique Rothengatter, Laura Schans, Kurt Snoekx, Yvonne Stengs, Rein Swart, Saskia Taggenbrock, Marieke Visser, Hilde van Vlaanderen, Joost van der Vleuten, Andreas Vonder, Wouter de Vries, Karel Wasch, Carolien van Welij en anderen wier namen mij niet meer te binnen schieten, maar wier bijdragen blijvend zijn. Voor persoonlijke herinneringen, en vergeten aspecten mail!
  • Eerste prijs verhalenwedstrijd 'In het huis' voor J. Everaers

    J. Everaers is de eerste prijswinnaar van de verhalenwedstrijd naar aanleiding van de film In het huis (Dans la maison). 

    Het verhaal van J. Everaers opent verre verschieten in zeer kort bestek, is fascinerend essayistisch, toch persoonlijk, en zal voor menig schrijver (in spé) herkenbaar zijn:

    In het huis

    door J. Everaers

    In het Rotterdamse filmtheater Lantaarn/Venster vond in 1972 de Nederlandse première plaats van Zoals Vogels Sterven In Peru, het door Romain Gary zelf verfilmde verhaal Les oiseaux vont mourir au Pérou. In veertig jaar tijd heb ik nooit iemand ontmoet die net als ik die film heeft gezien. Vertalingen van het Franse verhaal maakte ik door de jaren heen en veranderde steeds weer details waaronder ook de titel. Breng ik weer een zomervakantie door in het huis op de klif, dan zin ik altijd op een soortgelijk verhaal. Oh, natuurlijk, denk ik het minder pornografisch en uiteraard zal ik zorgen voor betere dialogen en pogen uit te stijgen boven het door critici verfoeide verhaal van Gary, maar summier zal het de onderliggende cynische humor bevatten van de echtgenoot van die nymfomane en zal het de poëzie hebben van de sfeer op het strand, van het overweldigende gevoel waar ik vertrouwd mee ben aan oceanen: Newfoundland, Porto, Reykjavik, Vancouver Island of waar ik verder ooit was. Het verhaal zal …

    Weer breekt de zomer aan en zit ik aan de tafel voor het raam in het huis, met een laptop zoals vroeger met een typmachine en nog eerder met pen en papier. Maar niets, er komt niets. Ik staar naar buiten, geniet van het niet te evenaren uitzicht over strand en zee terwijl in de hol klinkende ruimte via het imposante trappenhuis in het hele huis la Mer et les Mouettes klinkt. Ook Rachmaninov krijgt geen aanzet tot het beoogde verhaal in me los.

    Bij de golfbreker staat een eenzame visser. In de verte halverwege mijn dagelijkse wandeling naar Ambleteuse loopt langs de waterlijn Monsieur Boitel, de bejaarde Parijse kunstschilder die het vissersplaatsje en de omgeving in vele taferelen sur le motif uit het isolement schilderde en ik zou hem in mijn verhaal kunnen portretteren evenals ik dat over verschillende decennia verdeeld zou kunnen doen met het Vlaamse stel dat hier ieder jaar present is en bepakt met hun strandspullen en inmiddels in gezelschap van kleinkinderen op weg naar hun vaste stek bij de vervallen bunker altijd even omhoog kijkt bij het langslopen en dan soms groet. Nooit hebben we een woord gewisseld en nooit kwamen we verder dan een groet uit beleefdheid. Ik zit het grootste gedeelte van de tijd in het huis en ik kijk. Zal ik het verhaal ooit schrijven…?

     

    De andere twee prijswinnaars zijn:

    2. Hein van der Schoot
    3. Els Hekkenberg

    Alle prijswinnaars hebben inmiddels bericht ontvangen.

     

  • Tweede prijs verhalenwedstrijd 'In het huis' voor Hein van der Schoot

    Hein van der Schoot is de tweede prijswinnaar van de verhalenwedstrijd naar aanleiding van de film In het huis (Dans la maison). 

    De redactie vindt het verhaal van Hein van der Schoot een goed geschreven en mooie sfeertekening met treffende vergelijkingen en een intrigerend einde.

    In het huis

    door Hein van der Schoot

    De zon kiert door de mistflarden en weerkaatst de dauwdruppels op de klinkers, het licht bollende marktplein ligt er bij als een ontbolsterde kastanje. Ik rijd het dorp uit en volg de zandweg langs de rivier. In de verte plooit het glooiende gazon zich als een slabber rond mijn ouderlijk huis. Ramen als doodshoofdogen kijken me aan. Het grindpad knerpt en de tegels bij de voordeur zijn bemost. Binnen geurt het naar vader. Het stilstaan van zijn leven heeft de dagelijkse dingen de adem benomen. Zijn pantoffels naast het dressoir, als in een verstilde shuffle. Zijn aardappelschilmesje in de gootsteenbak als een verdronken zwemmer bij eb. De bromvlieg die tegen het vensterglas leunt, gekapseisd, uitgedroogd, de zon op zijn fragiele blauw glinsterende vleugels.

    In de koelkast vind ik eieren, een pakje ham en een bodempje augurkjes. In de deur de fles jenever. In het vriesvak een paar sneetjes brood. Bij de eerste hap van de uitsmijter drupt het eigeel op mijn broek. Bij het inschenken van het tweede glaasje jenever gaat het weer mis, ik voel het klamme vocht door mijn overhemd heen. In de kledingkast van mijn ouders hangen nog steeds de kleren van mijn moeder als verouderde weesjes aan houten klerenhangers. Ik pak de tuinbroek van mijn vader en zijn houthakkershemd, kleed me om en kijk in de spiegel.

    Het eerste fotoalbum. Zwart-wit foto’s met veel tuin en veel vakantie. Mijn ouders en Nettie. Ik ben afwezig. Het vierde album. Bij de eerste kleurenfoto is het meteen raak: ik lig in een rieten wandelwagen en mijn veel oudere zus Nettie lacht naar het nakomertje. Een paar bladzijden verder staat ons gezinnetje naast de nieuwe witte Ford Taunus. Zonder Nettie. Nettie staat twee bladzijden verder, in fletse kleuren, alsof ze gezandstraald is, verlegen glimlachend op een trekker. Achter haar het weidse land met de verse voren die zij geploegd heeft. Nieuw Zeeland. Nettie was zestien toen zij als au pair vertrok terwijl ik nog in de luiers lag. Toen mijn moeder stierf zag ik Nettie voor het eerst. Vliegen was duur.

    Ik blader door de afschriften van de bank, loodgieters en schilders wandelen achterwaarts voorbij. In het bureau twee paspoorten met een elastiekje eromheen, een glazen pot buitenlandse munten, een verlopen kentekenbewijs, een plastic bakje met ringen en broches. En ik vind het trouwboekje: vader en moeder en de kinderen: Nettie. Geen ik. Ik ontbreek.

     

    De andere prijswinnaars zijn:

    1e prijs: J. Everaers3e prijs: E. Hekkenberg

     

    De prijswinnaars hebben inmiddels bericht ontvangen.

  • Derde prijs verhalenwedstrijd 'In het huis' voor Els Hekkenberg

    Els Hekkenberg is de derde prijswinnaar van de verhalenwedstrijd ‘In het huis’ naar aanleiding van de gelijknamige film.

    Het verhaal van Els Hekkenberg is een mooi klassiek verhaal, dat goed is opgebouwd en een verrassend einde heeft.

    In het huis

    Door Els Hekkenberg

    Op zolder stond alleen nog een oud krakkemikkig bed. Het huwelijksbed van mijn ouders. Niet breder dan één meter twintig. Niet langer dan één meter negentig. Niet ongebruikelijk in de jaren vijftig. Pas toen alle elf kinderen het huis uit waren, permitteerden ze zich een bed dat de volle breedte van de ouderlijke slaapkamer in beslag nam. De huisbaas had gezegd dat we grote meubels mochten laten staan. Hij zou voorlopig enkele studenten in het huis onderbrengen en die konden wel wat huisraad gebruiken. Verder was de zolder leeg. De ruimte bood een desolate aanblik. De witte verf van het zoldergebint bladderde. Op het zolderkarton getuigden geelgroene jaarringen van hardnekkige lekkages. Het behang was verschoten en liet op meerdere plaatsen los. De oorspronkelijk bordeauxrode tapijttegels neigden nu passend naar oudroze. Nergens sloten de naden nog op elkaar aan. Maar ze waren wel brandschoon! Mijn met ernstige smetvrees geïnfecteerde zuster had het nodig gevonden het hele huis voor overdracht te reinigen. Ze wilde niet dat we als de familie Smeerpoets te kijk zouden staan. Het kon de armoedige aanblik maar nauwelijks verhullen. Ik staarde door het zoldervenstertje dat uitkeek op de pietepeuterige tuintjes van de andere huizen in onze straat en op de achtergevels van de huizen in de straat erachter. Het balkon van de familie Kersenboom hing zoals gebruikelijk vol met vergeelde hemden en onderbroeken. Op het dak van de schuurtjes die de tuinen van elkaar scheidden, deed een kater zich tegoed aan de restjes eten die de bewoners ’s avonds op het platje gooiden. Soms belandden de restanten tot ergernis van mijn moeder in onze tuin. Mijn moeder had de oorlogswinter meegemaakt en gooide geen voedsel weg. Hadden wij in dit huis onze jeugdjaren doorgebracht? Onze eerste stapjes gezet? Bij Sinterklaas op schoot gezeten? Schoolwerk gemaakt? Met vriendjes gespeeld? Ons eerste liefdesverdriet verdrongen? Ik ging op het bed zitten. De metalen veren van de matras drongen in mijn billen. Had ik nog moed afscheid te nemen van de rest van het huis? Zou ik de smalle steile zoldertrap naar de eerste verdieping afgaan, de meisjeskamer binnenlopen en de ruïne van mijn jeugd onder ogen durven zien? Of zou ik in één ruk naar de benedenverdieping afzakken, een kus op het voorhoofd van mijn vader drukken en het huis uit vluchten? Waarom hadden ze de woning in vredesnaam leeggehaald terwijl hij nog in het huis opgebaard lag.

     

    De andere twee prijswinnaars zijn:

    1e prijs: J. Everaers
    2e prijs: Hein van der Schoot

    De prijswinnaars hebben inmiddels bericht ontvangen.
  • David Grossman – Uit de tijd vallen


    Gesprek over zijn nieuwste boek: ‘Uit de tijd vallen’
    In dit poëtische verhaal vertrekt een vader van huis om nog één keer zijn overleden zoon te zien.

    ,
  • Leonard Nolens wint Prijs der Nederlandse Letteren

    Door Ingrid van der Graaf

    In de uitverkochte Bourla schouwburg te Antwerpen waar woensdagavond de 65ste verjaardag van Leonard Nolens werd gevierd, maakte de Vlaamse minister van Onderwijs en voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie Pascal Smet bekend dat Nolens  de Prijs der Nederlandse Letteren dit najaar uit handen van Koningin Beatrix zal ontvangen.

    Eerder die dag werd de Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (1947) overdonderd toen hem per telefoon bericht werd dat hij de Prijs der Nederlandse Letteren dit jaar zal ontvangen. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet hem belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.
    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.

    Nolens debuteerde in 1969 met Orpheushanden en wordt beschouwd als een van de belangrijkste nog in leven zijnde Nederlandstalige dichters. Hij heeft sinds zijn debuut een zeer indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Staatsprijs. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend. Zijn laatste bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen verscheen in 2011.

    De jury noemt Nolens ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ die ‘het Nederlands opnieuw zingen’. Ook wordt zijn werk gekenmerkt als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’.

    De Prijs der Nederlandse Letteren wordt om de drie jaar toegekent door het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie. De prijs onderscheidt auteurs van belangrijke en oorspronkelijk in het Nederlands geschreven letterkundige werken. De prijs wordt toegekend voor het gehele oeuvre van een schrijver of voor een apart werk in de genres poëzie, verhalend proza of drama. De bekroonde auteur ontvangt de prijs beurtelings uit de handen van een lid van het Belgische of het Nederlandse koningshuis.

    De jury bestaat dit jaar uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

    Nolens geeft niet graag interviews, hij is geen prater omdat hij al veertig jaar geen beroep uitoefend waarbij je andere mensen ontmoet, zoals hij zelf zegt. Vorig jaar maart gaf hij naar aanleiding van het verschijnen van zijn nieuwe bundel Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen op de Belgische radio een interview met Ruth Joos dat als een bijzonder radiomoment de wereld in ging. Luiteren naar de stilte.

     

  • Frans Kellendonk lezing door Bart Moeyaert: 'Bestaan kan iedereen'

    door Ingrid van der Graaf

    De Frans Kellendonklezing is een literaire lezing die sinds 1992 jaarlijks georganiseerd wordt door de Radboud Universiteit te Nijmegen ter nagedachtenis aan de auteur Frans Kellendonk, die er student en docent was.

    Bestaan kan iedereen is de titel van de Frans Kellendonk Lezing 2012 die op maandag 27 februari aan de Radboud Universiteit Nijmegen werd uitgesproken door de dichter, romancier en essayist Bart Moeyaert. In de lezing gaat Moeyaert in op de vraag wat de taak van de schrijver is. En hoe genuanceerd engagement kan zijn.

    ‘Bestaan kan iedereen. Er zijn vraagt moed.’ Zo luiden de eerste regels van het gedicht ‘Kies’ uit Moeyaerts bundel Gedichten voor gelukkige mensen (2006).  Een gedicht dat pleit voor omzichtig formuleren, voor de nuance. Dat die nuance toen, en ook nu, vaak zoek is in het maatschappelijk debat is één ding. De vraag die Moeyaert stelt, is hoe de kunstenaar zijn engagement kan formuleren. Kan dat nog omzichtig? Wordt hij dan gehoord? Of móet hij omzichtig zijn – en toont hij daarmee juist zijn moed?

    De rode draad van de lezing wordt gevormd door de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig. En door de vragen die hij hem nu zou willen stellen. Zoals wanneer het tot Kellendonk doordrong wat zijn werk veroorzaakte bij anderen. En wat dat besef vervolgens weer met hem deed. Of het bij hem, zoals bij Moeyaert zelf, ook tot de constatering leidde dat ‘bestaan’ voor de schrijver niet voldoende is – dat die het aan zichzelf verplicht is ’te zijn’. Omzichtig, genuanceerd en zuiver formulerend. En op die manier anderen het schaamrood op de kaken jagend.

    In Bestaan kan iedereen vormen de zeldzame ontmoetingen van Bart Moeyaert met Frans
    Kellendonk aan het eind van de jaren tachtig de rode draad van een lezing die vanuit de persoonlijke geschiedenis en de eigen werkkamer uitzoemt naar de hele literaire wereld en de maatschappij waarin we leven en waarbinnen de literatuur moet zien te functioneren. Met als belangrijkste vraag of schrijvers van nu wel diep genoeg nadenken over wie, hoe
    en wat ze zijn.

     De PDF van de Kellendonklezing is  hier
     te downloaden.

  • György Konrád: Slingerbeweging

    ‘Het leven een roman van god.’György Konrád

    ,
  • Formidabele bundel met waarnemingpoëzie

    De vierde bundel van Erik Lindner ziet er als volgt uit: over de voor- en achterzijde van de bundel loopt een grote foto. Een rood dienstwagentje met Chinese karakters op de voorruit staat op een parkeerterrein. Achter het wagentje staat een hoge muur, in volle breedte van de foto, de muur is wel een meter of zes, zeven hoog. Boven de muur een stukje lucht, een luidspreker, in de verte een viaduct met verkeer, gebouwen. Meer in de nabijheid een verkeerslicht op rood en een verkeersbord dat verbiedt links af te slaan. Links onderin de foto, aan de achterzijde van de dichtbundel dus, een deur die open staat, met een hek ervoor.

    Nu gaat het om de muur. Op de muur is een veel rustieker beeld geschilderd, of mogelijk zelfs in zeer fijn mozaïek ingelegd. Het is een gezicht op een park, oude bomen, gras, een pad, bankjes aan het water, in de verte – na het water – wel weer een stad.

    Het rode wagentje op het parkeerterrein staat zo geparkeerd dat hij ook geparkeerd kan zijn op het brede pad, dat in het park leidt, naar het vergezicht toe, het water met de bankjes. Wie de bundel vast heeft denkt een ogenblik naar het parkplaatje te kijken, dan verschuift zijn aandacht en ziet hij de muur, de stad die hij erachter vermoedt.

    Zo’n foto op een omslag zegt een aantal dingen: ‘We laten ons in de luren leggen door wat anderen willen dat we zien.’ ‘We hebben geen kennis van wat zich achter de muur bevindt.’ ‘We houden van bomen, maar leven in de stad.’ Maar ook: ‘voor wie goed kijkt staat er een deurtje open’. Of, ‘alleen al iets beter kijken toont in elk geval wat er boven de muur nog aan werkelijkheid overblijft.’

    Het is dit soort denken dat ook in de bundel in 27 gedichten steeds weer gestalte krijgt. De lezer neemt iets waar, maar is het dat wel? De poëzie van Lindner ontwikkelt zich tot een staccato bijna subjectloze waarnemingpoëzie:

    ‘De laadklep van het schip opent boven de kade
    schuift heen en terug over steen

    vlaggentouwen slaan tegen palen
    in een handpalm klikken kralen tegen elkaar

    een man dweilt met opgetrokken schouders
    de door televisieschijnsel verlichte winkelvloer

    een vrouw staat in een stoel om een kaars aan te steken

    wier opgehoopt in een baai
    een bestelwagen draait stationair

    kinderen zitten tussen plastic zakken
    hun knieën tegen de borst

    op de loopbrug rollen mensen koffers voor zich uit

    midden in de passage is een gat
    boven een tafel vol zaagsel

    vanaf een mast schijnt licht op het water
    scheepstouwen spannen voor de boeg.’

    Net als op de foto weet de lezer niet wat-er-achter-de-muur-is. Dat wil zeggen: de dichter somt op, dingen die hij ergens hoort en ziet. Het lijkt wat op zo’n omineuze scène in een spaghettiwestern, de wind beweegt het stalen uithangbord van de barbier, een dorre struik rolt door de wind aangedreven door de straat. De hoofdpersoon kijkt met tot spleetjes geknepen ogen hoe vlaggentouwen tegen de palen slaan. Ennio Morricone op de achtergrond. Lindner is de cowboy van hier en nu.

    Maar Lindner doet wat meer dan deze cowboy, Lindner neemt dingen waar die niet helemaal lijken te kloppen. Midden in de passage is een gat boven een tafel vol zaagsel? Dat klinkt als sabotage. En mensen die op een loopbrug koffers voor zich uitrollen. In een stoel staan om een kaars aan te steken?

    In het gehele eerste deel van deze bundel, Steiger en boeg wordt op deze aanstekelijke manier de lezer met een regen van waarnemingen overspoeld, waarvan de druppels tussen nek en kraag belanden. Lindner laat de lezer bijna zelf, authentiek, waarnemen, doordat hij zo gepast op afstand blijft. Dat is een kwaliteit. Dat maakt een verklarend slotakkoord aan die reeks bijna overbodig:

    ‘Herstel wat veraf is. Onderdruk wat
    vooraan staat. Kiept het kantelraam
    en duikelt de kijker in de tuin.’

    Het voorbehoud van  de dichter

    De drie afdelingen in deze bundel, ‘Steiger en boeg’, ‘Hoe je de stad ook uit loopt, je keert terug langs de rivier’, ‘Acedia’, worden elk voorafgegaan door een opmaat, 1 gedicht dat de toonhoogte aangeeft, of juist de lezer ontstemt. Het zijn bijvoegsels die het hooggestemde niet-weten van de bundel wat doorbreken, maar het zijn voor de gelegenheid niet de sterkste. Het sterkste blijkt Lindner in juist de acedia, ook de titel van de laatste reeks. ‘Acedia’ is de benaming voor de gemoedsgesteldheid waaraan asceten en solitair levende monniken wel eens gaan leiden. De staat van desinteresse in de eigen positie in de wereld, die leidt tot verzuim, maar ook goed gedefinieerd kan worden als een slordig soort gelatenheid. Het is in zichzelf al een voorbehoud de naam van deze afdeling. De dichter zegt: ik neem waar maar handel niet.

    ‘Drie ranke hoge bomen voor een laan
    bladeren buitelen er over de grond
    vogeltjes schieten los uit de struiken

    een man loopt met een lijst op de schouder
    zijn arm steekt er doorheen

    de draaiende ventilator bij het open raam
    de gordijnen die over het kleed waaien

    over de helft van de vierkante kamer
    wiegt het licht van een goudvissenkom.’

    Ook dit gedicht toont weer dat de dichter er nauwelijks bij wil zijn. Of in elk geval problematiseert hij nadrukkelijk zijn positie. Waar moet je staan om de drie ranke bomen voor de laan te zien, gordijnen die over een kleed waaien? Door de hele bundel lees je dit: de waarnemer is er wel, en hij ziet en hoort meer dan menigeen, maar zijn positie is onzeker. Ongewis is hoe hij zicht verhoudt tot het waargenomene. Dat is waar Lindner voor te prijzen is. Terrein materialiseert het vraagstuk van je eigen aanwezigheid, het perspectief. Je kunt de bundel lezen als een spervuur van waarnemingen, een tocht door de stad zonder dat je ging. Je kunt de bundel ook lezen als een geformuleerde vraag naar waar je eigenlijk bent als er iets gebeurt, en wat de wijze waarop je ernaar kijkt ermee te maken heeft. Op beide fronten heeft Lindner een formidabele bundel achtergelaten.