Een debuutroman die door de pers enerzijds hemelhoog geprezen werd en anderzijds afgerekend op zijn onbegrijpelijke formulering en afstand scheppende werking. Ook online kregen deze beweringen veel navolging. Toch kwam eerder dit jaar Oroppa als winnaar uit de bus voor ‘De Boon’, de belangrijkste Vlaamse literatuurprijs. En dan nu de Libris Literatuurprijs.
Uit zes genomineerden – allen met een zeer goed boek – viel de keus van de jury op,‘een pageturner waar de urgentie vanaf spat’ – Oroppa van Safae el Khannoussi. Volgens de jury een boek dat overloopt ‘van de verhalen in verhalen in verhalen’, en glanst van ‘stilistische brille’. En dat, ‘de lezer hard aan het werk [wordt] gezet en die arbeid wordt dubbel en dwars beloond’.
Een eerste gedachte die direct op het lovend uitroepen van de winnaar volgt: Het boek heeft al een prijs. Gevolgd door: bedelf een schrijver niet onder een teveel aan prijzen zodat de bron van schrijven stil valt. Maar dan, een boek dat zowel tegenstrijdige reacties oproept, de lezer in verwarring – en de gemoederen in beweging brengt, is bij uitstek een boek dat gelauwerd dient te worden.
In een recensie op deze site was sprake van een ‘atypisch debuut’. En dat ‘Oroppa meer gemeen heeft met de boeken van Gabriel García Márquez of Salman Rushdie ‘dan met de gemiddelde Nederlandse debutant’.
De overige genomineerden waren:
Man maakt stuk, Maurits de Bruijn – Uitgeverij Das Mag
De kroon met twee pieken, Guido van Heulendonk – Uitgeverij De Arbeiderspers Rouwdouwers, Falun Ellie Koos – Uitgeverij Atlas Contact In het oog,Marijke Schermer – Uitgeverij Van Oorschot Hogere machten, Joost de Vries – Uitgeverij Prometheus
In juni verschijnen er bij uitgeverij Pluim twee verhalen van Safae el Khannoussi die ze enkele jaren eerder voor De Gids schreef. Door deze verhalen werd ze door de uitgever naar binnen gehaald.
Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 50,000.
Tulip Time in Pella is een fenomeen. Drie dagen lang feest rondom Nederlandse bloemen, tradities, eten en niet te vergeten de verkiezing van miss Tulip Time. Zelfs in het Chinese restaurant hangt een grote plaat met tulpen erop. In het centrum zijn Nederlandse liedjes als ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘Geef mij maar Amsterdam’ te horen.
Zo’n 150.000 mensen bezoeken jaarlijks deze stad om het feest mee te vieren. Amerikanen schrikken niet terug daar vier of vijf uur voor te moeten rijden. De inwoners van Pella zelf kijken er enorm naar uit. Ze betalen grif 15 dollar om plaats te nemen op de tribune voor een podium op het centrale plein en klappen vrolijk mee met de jongens en meisjes op klompen die oud-Hollandse liedjes zingen over beren die broodjes smeren. Bij het aanhoren van Amerikaanse en Nederlandse volksliederen zingen ze mee met de hand op hun hart.
De middag- en avondparade zijn het hoogtepunt van het feest. Vanaf zes uur ’s morgens mag er een plaats langs de route gereserveerd worden door het plaatsen van een klapstoeltje. Daar wordt veel gebruik van gemaakt. De parade is een goed georganiseerde optocht waarin iedere praalwagen een aspect van de stad en haar verleden uitbeeldt. Fanfares en harmonieën schetteren erop los. Mijn vrouw en ik zitten in geleende klederdrachtkostuum op een wagen getiteld ‘Vriendschap’ samen met een stuk of tien kinderen die, net als wij, zwaaien naar het publiek. Voorbij elke bocht klinkt een luide stem die onze wagen voorstelt aan het publiek. Zo hoor ik vele malen mijn naam uit een luidspreker schallen. Dutch author. Wrote a historical novel. Based on facts. Mijn vrouw zit als een koningin op een hoge stoel en houdt mijn boek omhoog. We schamen ons hier nergens voor.
De duizenden bezoekers van dit bloemen festival zijn op zoek naar een wereld die niet meer bestaat. Alles lijkt hier nog netjes, schoon en overzichtelijk, zoals vroeger. De gemoedelijkheid is groot. De auteur Bill Bryson herinnert zich dat hij onderweg met zijn ouders vaak in dit stadje stopte, omdat het er zo vriendelijk en mooi was. Het Archie Bunker gevoel maakt zich zelfs van mij meester. ‘Those were the days’. Ik geniet, maar het verwart me ook. Diep van binnen schuilt in mij blijkbaar nog die hang naar de ogenschijnlijke duidelijkheid van de kindertijd.
Ik was gevraagd om in Pella een lezing te geven over de stichter van het stadje, dominee Hendrik Peter Scholte. De zaal in de bibliotheek was afgeladen met belangstellenden. Nederland is het vaderland in de verte en velen willen graag horen wat een echte Nederlander over hun stichter te vertellen heeft. De rij wachtende mensen na afloop wordt maar niet kleiner. Als ik vele boeken gesigneerd heb, zing ik samen met een inwoner psalm 42 in de oude berijming van 1773, die ik vroeger op de ‘School met den Bijbel’ heb geleerd. Als we het lied inzetten, ben ik weer een jongen van tien. Het wordt zelfs de organisator te bont. Hij spoort mij aan haast te maken, hij wil naar huis.
Het stadje trekt dit jaar ook de aandacht van Birgitta Tazelaar, de Nederlandse ambassadeur in Amerika. Ze bezoekt enkele grote bedrijven. Pella heeft meer arbeidsplaatsen dan inwoners en trekt personeel van heinde en verre aan om de machines draaiende te houden. Ondanks dat Trump hier een meerderheid behaalde, zijn er nu heel wat mensen die hem verafschuwen. Hij behandelt niet alleen mensen als koopwaar (commodity), maar helpt ook de hele economie naar de knoppen. Wie zal hier het werk doen als hij iedereen over de grens jaagt?
De in oranje geklede ambassadeur brengt een spontaan bezoek aan het prachtig bewaard gebleven Scholtehuis waar ik mijn boek signeer. Het huis werd direct na aankomst door de dominee zelf ontworpen. We praten bijna een uur aan het boekentafeltje, waar oud-Hollandse koekjes, thee en prikkertjes met augurk en kaas worden geserveerd. Tot mijn vreugde zingt de ambassadeur uit volle borst mee met ‘Een Nederlandse Amerikaan’, een raadselachtig liedje, waarover de volgende keer meer. Daarna krijgen we nog een rondleiding van coördinator Lisa Zylstra. Het is voorbij sluitingstijd als de ambassadeur het pand verlaat.
Michiel van Diggelen reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.
Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.
Porseleinen tranen
Op een avond kwam ik aan in de werkplaats, in het huis van de hoekige dame die ronde vormen maakt
van klei en aarde. Ik zag wel vijftig porseleinen tranen naast elkaar op de vloer gelegd en ze zei: ‘Tja, ik weet het ook niet, het gaat maar door. Misschien als ik suja zeg of tot honderd ga…’ Misschien, dacht ik als je ze rangschikt naar verdriet.
Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’ Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet.
Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed.
Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?
Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.
Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Het begon met het ogenschijnlijk onschuldige brievenboek 3lingnieuws. Waarin Felix Oestreicher, soms Gerda Oestreicher-Laqueur, familie en vrienden per brief op de hoogte houden van de ontwikkeling van hun drie dochtertjes, waarvan de jongste een tweeling. De brieven doen verslag van een gelukkig gezinsleven waar hier en daar de oorlogsdreiging doorheen sijpelt. Brieven waaruit een grote opmerkzaamheid en liefde spreekt die, met het oog op het verloop van hun geschiedenis, me ten diepste raken.
Op 1 februari 1938 schrijft Gerda een brief over een dag met de meisjes. Hoe ze voor het slapengaan hun lievelingsliedjes zingt. Dat Beate voortdurend roept, ‘En nu voor mij’. Dat Maria stilletjes luisterend op haar duim zuigt. Hoe, als ze bij haar komt, Maria met beide handjes over haar arm wrijft. ‘Als dit misschien wel mijn beste tijd is, dan mag ik die nooit vergeten.’ (Nooit vergeten) Als op 27 april 1938 blijkt dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, een verzoek voor een inreisvisum naar Engeland is afgewezen, vlucht het gezin vanuit Karlsbad, Tsjechië halsoverkop naar Nederland.
Dit is het verhaal van een Joodse familie, vader, moeder, drie dochtertjes, de oudste 3, de tweeling 1 jaar. De komende vijf jaar verblijven ze op verschillende adressen in Nederland. Tot ze op 1 november 1943 worden opgepakt. Een van de tweelingmeisjes wordt met difterie naar De Joodse Invalide gebracht. Van daaruit naar een onderduikadres in Gorssel. De rest van het gezin, plus een grootmoeder, komen via Westerbork in Bergen-Belsen terecht. Grootmoeder overlijdt in het kamp, Gerda en Felix overlijden kort na de bevrijding aan vlektyfus in Tröbitz. Maria (9 jr.) en Beate (10 jr.) blijven alleen achter tot het Rode kruis hen naar Nederland vervoert, waar ze met hun zusje Helly worden herenigd.
Naderhand, is het tweede deel. Gedichten van Felix Oestreicher die hij in Westerbork, Bergen-Belsen en Tröbitz schreef. In een van zijn laatste gedichten, april 1945, net bevrijd, schrijft hij, ‘Heel langzaam sluipen we weg, / heel langzaam, vredesvreugde komt / niet in ons op. Te lang zijn we / geknecht en in de strijd vertrapt,’. En deze (stille) woorden: ‘Maar zien we een bekend gezicht, / dan glimlacht onze stille groet: / je leeft nog! Dat is mooi, heel mooi.’ Het ontbreken van zwartgalligheid, de vergevingsgezindheid van deze woorden, het breekt me op.
Dan de finesse. In 1993 gaan de drie zussen op zoek naar het graf van hun ouders in Tröbitz. Helly, die van haar zussen hun verhaal over de oorlog wilde horen, heeft hun gesprekken tijdens hun reis opgenomen met een cassetterecorder. Gesprekken over hoe het was. Hoe een kind (dat moet je je steeds voorhouden, dat het kinderen waren) zich het kampleven, de dood van de ouders herinnert, de honger. Hoe ze twee weken lang in overvolle treinwagons door verwoest landschap reden, toen nog met hun ouders. Een dialoog uit De Wittenbergtape:
Maria: ‘Ik heb van die Duitsers nog een kopje soep met worst gekregen.’
Beate: ‘O ja?’
Maria: ‘Ik mocht van mammie niet nog een keer langs die trein om wat te halen.’
Helly: ‘Had je dat wel gewild?’
Maria: ‘Ja, natuurlijk. Ik wilde worst. En ik was ook stomverbaasd dat hij mij dat gaf. Een Duitser die je wat geeft?’
Beate: ‘Ja.’
Maria: ‘Hij had een verband om zijn kop.’
Helly: ‘En jij liep daar gewoon met je handen op je rug langs?’
Maria: ‘Nee, want ik bedelde. Niet met mijn handen op mijn rug, natuurlijk niet. Bedelen. Ik wist niet dat het Duitse soldaten
waren.’
Helly: ‘Je wist niet dat het Duitse soldaten waren?’
Beate: ‘Je zag hen als gewonden, verder niet.’
Maria: ‘Ja, nee. Eerst wist ik het natuurlijk niet. Ik ga toch niet bij Duitse soldaten bedelen? Dat doe je natuurlijk niet.’
Dat schokt me. Die wijsheid waar ik onbezonnenheid verwacht. Dat ik vergeet dat het nog kinderen waren. Nee, het is dat ze zelf vergeten zijn dat ze nog kind waren.
Hoe aangrijpend deze reis achtenveertig jaar na de bevrijding is, blijkt uit de emoties die soms opspelen. Als ze de boerderij in Tröbitz terugvinden. ‘Bij het hek van de boerderij krijgen Maria en Beate schreeuwende ruzie. Ik heb hen nog nooit zo tegen elkaar tekeer zien gaan. Het gaat nota bene over het huisnummer van de boerderij.’, schrijft Helly.
Martien Frijns vertelt in een nawoord hoe de doden uit de overvolle wagons werden gegooid, in de spoorbermen achterbleven. Hoe de trein na een reis van twee weken, het passeren van verschillende steden Tröbitz bereikte, ‘waar in de weilanden de paardenbloemen volop bloeiden.’
Lijken in spoorbermen, die bloeiende paardebloemen, het contrast. Het ongewone dat zich niet met het gewone verenigen laat. Moet daar niet iets van geleerd worden. Dat wat gewoon lijkt, niet altijd gewoon is? De gedoseerdheid waarmee deze familiegeschiedenis wordt opgediend bracht me nog nooit zo dicht bij de onnoembare gevolgen van genocide. Dat ik een korte column wilde schrijven, dat me dat niet gelukt is. Lees dit drieluik.
Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.
Paul Demets (1966) heeft met zijn bundel De schaamsoort De Grote Poëzieprijs 2025 gewonnen, een van de belangrijkste poëzieprijzen van het Nederlandse taalgebied. Tevens was er een publieksprijs, die ging naar Anne Provoost voor haar bundel Decem.
Sinds 2002 is Demets actief als klimaatdichter en tussen 2016 en eind 2019 was hij plattelandsdichter van de provincie Oost-Vlaanderen. Met poëzie, performance en film zoekt hij naar manieren om de lezer en de kijker te raken. Eerder ontving hij al de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen, de Herman de Coninckprijs, de Jan Campertprijs en de Paul Snoekprijs.
Uit het jury rapport: ‘De bundel treft de kwetsbaarheid van het mens-zijn in relatie tot de natuur, tot de dieren. Het bijzonder poëtische natuurgevoel van de overleden dichter Guido Gezelle wordt in De schaamsoort herontdekt. Je zou kunnen stellen dat we als het ware een aangename (dichterlijke) besmetting ondergaan. Dit zorgt voor indringende en relationele poëzie, en reikt zo een nieuw en door de talrijke filosofische en kunstzinnige verwijzingen – die als een vacht eromheen fungeren – doordacht ‘referentiekader’ aan. Vandaaruit worden eigentijdse problemen over gender, corona, migratie of ecologie letterlijk en figuurlijk vanuit ‘vogelperspectief’ bekeken. Op subtiele wijze schroomt de dichter evenmin lokale problemen als kindermisbruik in de Belgische kerk of de zaak Sanda Dia aan te kaarten.’
De jury bestond uit Barbara Fraipont, Michael Tedja en Elfie Tromp.
De winnaar van de publieksprijs werd gekozen door een panel van luisteraars van het radioprogramma Opium, en bestond uit Ronny Lommen, Gerard Saurwalt en Michelle Eleveld.
De publieksjury over Decem:
‘De poëzie van Provoost is meer dan een vorm; het is een essentiële noodzaak om de gelaagdheid van de thematiek en de fragmentarische aard daarvan te vatten binnen een kader dat recht doet aan de intensiteit en bewogenheid van het overweldigende – iets waarvan de jury aanvankelijk dacht dat het zich helemaal niet in een kader liet vangen. Zo is er veel wat poëtisch gemaakt kan worden, maar bij Decem voelt het alsof het poëtisch moet zijn.’
Aan deze jaarlijkse poëzieprijs is een geldbedrag van € 20.000 verbonden. De Grote Poëzieprijs is sinds 2019 de opvolger van de VSB Poëzieprijs die van 1994 tot 2018 werd uitgereikt.
Eerdere winnaars waren o.a. Peter Verhelst (2024), Marwin Vos (2023), Roelof ten Napel (2022), Liesbeth Lagemaat (2021), Vrouwkje Tuinman (2020) en Radna Fabias (2019), Joost Baars (2018), Hannah van Binsbergen (2017), Ilja Leonard Pfeijffer (2016), Ester Naomi Perquin (2013), Mustafa Stitou (2004), Esther Jansma (1999), Rutger Kopland (1998) en Gerrit Kouwenaar (1997).
Geef mij onderdak en eten, Dan zal ik je niet vergeten
Heel veel dank dat u ons in de afgelopen weken zoveel hebt geschonken. We ontvingen € 3.357,50 en zijn nu nog slechts € 642,50 verwijderd van ons doel. Het streven is om voor een jaar € 4.000,00 bijeen te brengen om portokosten, reparaties aan de site en reiskosten voor interviews te kunnen betalen. Kortom: ‘Onderdak en eten.’ Want op een lege maag is het slecht zingen!
‘Gebrek en honger waren op til. En de libelle? De libelle werd stil. Op een lege maag is het slecht zingen! Waar o waar was het plezier? Treurig gaat zij naar de mier: – Help mij toch, o lieve neef, Tot de lente komt en geef Mij onderdak en eten, Dan zal ik je niet vergeten. – Lieve nicht, dat vind ik sterk: Jij was ’s zomers toch aan ’t werk? Jij hebt toch niet stilgezeten? – Werk? Had ik daar tijd voor? Het is nog nooit zo druk geweest. Ieder uur was er wel feest, En ik zong aan één stuk door.’
(uit: Ivan Krylov, ‘De libelle en de mier’ – vertaling Robbert-Jan Henkes)
We investeren vooral in liefde en aandacht voor literatuur, maar praktische zaken moeten toch steeds betaald worden.
Helpt u ons het streefbedrag te behalen? Klik op de rode button en doneer.
Bij voorbaat veel dank!
Ingrid van der Graaf, Carolien Lohmeijer en Menno Hartman
Een gesprek met Obe Alkema naar aanleiding van zijn onlangs verschenen boek Bewogen Selfies. Over een verzameling selfies die veel weg hebben van (foto)beelden zoals we de selfie als ‘showing who you are’ kennen, maar dan in tekst. We spreken over een memoir, al kan dat wat pretentieus klinken, en ontbreken de jeugdherinneringen. Waarvan Alkema er volgens eigen zeggen niet veel heeft. Bewogen Selfies vraagt de aandacht en zet alles in beweging. Een reden de schrijver om een interview te vragen.
We spreken af in De Utrechtse Boekenbar aan de Westerkade. Het is een zonnige vrijdagochtend eind februari. Als ik, door treinstoringen te laat, de Boekenbar binnenkom zit Alkema al rechtsachter aan een tafeltje. Het is er gezellig druk, de zon verlicht de ruimte en door de openstaande deur komen flarden van een gesprek, de roep van een meeuw vanaf de kade naar binnen. We bestellen koffie, en vooruit, nemen er iets lekkers bij.
Schrijver en dichter Obe Alkema (1993) debuteerde in 2018 met de dichtbundel Obelisque, in 2019 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Hij studeerde Nederlands in Groningen en begon halverwege zijn studie met het schrijven van poëzie. ‘Best laat eigenlijk.’, zegt hij er zelf over. Over zijn schrijven van toen zegt hij nu: ‘Soms, als ik daaraan terugdenk, vraag ik me af wat ik toen aan het doen was. Het lijkt niet op het werk van nu. Er was toen heel weinig ‘ik’, alles bleef op afstand. Ik schreef heel fragmentarisch en nodeloos ingewikkeld.’ Alkema werkte jarenlang bij uitgeverij Ankh Hermes en sinds vorig jaar werkt hij als informatiespecialistbij de gemeente Utrecht.
Bewogen Selfies is een boek dat niet in een hokje te vangen is. Het bestaat uit verschillende tekstdocumenten, scroll sessies, dagboek delen. Ook te lezen als confrontaties van de schrijver met zichzelf. Maar het boeit mateloos, om het anders zijn en de veelheid informatie die het prijsgeeft. Geen eenduidig verhaal, toch is dit het verhaal van een ontdekkingstocht.
Hoe is het ontstaan en hoe lang heb je eraan gewerkt?
‘Vooraf wist ik nog niet wat het moest worden. Het is telkens van vorm veranderd. Eerst dacht ik aan een essaybundel. Ik had veel literatuurstudie gedaan, veel gelezen en geschreven over schrijvers, stukken die ik daarvoor wilde gebruiken. Maar die gedachte liet ik steeds meer los. Niet alles waar ik over wilde schrijven, had een verwijzing of een onderbouwing nodig. Ik heb er uiteindelijk viereneenhalf jaar aan gewerkt. Ik zag toen wel dat dit boek steeds meer over mezelf zou gaan.’
Met een selfie geef je jezelf bloot aan anderen. In deze memoir worden de selfies steeds gewaagder, intiemer ook als het over je seksleven gaat. Waarom wilde je deze teksten vrijgeven?
‘Bij sommige teksten heb ik me wel afgevraagd of het niet te veel was. Dat is ook waarom het boek zolang geduurd heeft, dat het maar niet afkwam. Omdat ik al vroeg wist dat er ook een stuk over mijn seksleven in moest, maar niet wist hoe. Wat hielp is dat literaire tijdschriften me soms om een bijdrage vroegen. In nY verscheen het stuk over mijn seksleven. Die publicaties waren een soort aanloop naar het boek. Wat me ook hielp, was de input van anderen, zoals van de redacties van literaire tijdschriften. Dat had ik nodig om verder te gaan.’
Alkema voegt zich onder de ‘New Narrative Writers’, een stroming die eind jaren zeventig ontstond en geïnitieerd werd door de Amerikaanse dichters Robert Glück en Bruce Boone. Alkema memoreert aan de kleine hype die tien jaar geleden ontstond rond de debuutroman I love Dick van de Amerikaanse schrijfster Chris Kraus die wel met New Narrative geassocieerd wordt. Een feministische Cultklassieker. Vandaaruit las hij zich verder de ‘New Narrative’ stroming in.
‘In 2016 ontmoette ik Robert Glück toen hij naar Amsterdam kwam. We hebben samen opgetreden in Perdu. Zo ontstond er een persoonlijker contact. Glück publiceerde dat jaar ook een essaybundel Communal Nude waarin veel staat over de ‘New Narrative’ groep en andere vertegenwoordigers van deze stroming. Zo opende zich een soort van bibliotheek van schrijvers voor mij.’
Hoe heb je al die teksten die je in de afgelopen vierenhalf jaar geschreven hebt, de gegevens die je verzameld hebt, een plek gegeven in het boek?
‘Het boek is samengesteld uit een derde van het materiaal dat ik had. Heel veel heeft het niet gehaald. De lijst van headlines bijvoorbeeld was eerst geclusterd. In de eindredactie ontstond het idee om van de compositie van het boek ook een bewogen selfie te maken. Door de scroll sessies niet te clusteren maar juist af te wisselen, verdeeld door het boek. Door stukken een andere plaats te geven in het boek kwam ik er ook achter dat er hier en daar nog meer geschaafd en geschrapt kon worden.’
Wat heb je met de overgebleven tekst gedaan?
‘Misschien komt er nog eens een soort B-side van de dingen die het boek niet gehaald hebben. Ik had bijvoorbeeld ook werkplannen voor subsidie aanvragen, residentieplekken erin opgenomen met het oog op de toezeggingen of afwijzingen. Als een soort van context van de ontstaansgeschiedenis van het boek. Die zijn er wel uitgebleven.’
Je klinkt als een verzamelaar van teksten, verwijzingen en gevonden gegevens, maar ook als een schrijver die zichzelf steeds weer opnieuw onder ogen wil komen. Waar haalde je die scroll gegevens vandaan?
‘Die heb ik ooit verzameld toen ik jaren geleden van Facebook afging. Jarenlang heb ik daar op een knop van ‘Bewaren voor later’ gedrukt. Als ik iets tegenkwam wat ik interessant vond, maar niet direct tijd had om te lezen, bewaarde ik het voor later. Maar uiteindelijk doe je daar niks mee. Toch wilde ik die gegevens niet kwijt toen ik met Facebook stopte. Dus heb ik al die linkjes gekopieerd en in excel opgeslagen. Vervolgens heb ik er jaren niks mee gedaan, tot ik op een gegeven moment dacht, hier ga ik toch iets mee doen.’
‘Eerst waren het de links, toen dacht ik aan de headlines die aan die linkjes vasthangen. Zo werden ze allemaal geopend en werd het een tijdsbeeld van 2015/’16/’17. Daar zat een vrij sterk beeld van Metoo in bijvoorbeeld. Ik vond het interessant te zien hoe er in zo’n korte tijd, zoveel veranderd is.’
‘Daarom vond ik het belangrijk en passend, ook al was het niet dezelfde periode waarin ik aan dit boek werkte, het toch te gebruiken. Als een soort tijdsprong. Net als met mijn oude gedichten, daar kan ik op een gegeven moment ook iets mee.’
Alles wat je hebt vastgelegd en is opgenomen in dit boek heeft een bepaalde urgentie van ik moet/wil hier iets mee. Hoe werkt die drang om te noteren in het dagelijkse leven?
‘Ik ben constant dingen aan het opschrijven, zeker nu ik in de ambtelijke wereld werk. Die ambtelijke terminologie vind ik heerlijk. Die zal ik zeker in een volgende dichtbundel gebruiken. Er is altijd een tweede spoor dat bij mij open staat. Ik sta altijd aan voor woorden, teksten.’
Er is een memoir over de Amerikaanse auteur Kevin Killian, ‘Mijn Kevin, ons Parijs’, in het boek opgenomen. Een zeer persoonlijk document, waaruit grote bewondering voor deze auteur spreekt en gaat over de verwerking van diens dood, waarin Alkema zichzelf ‘een gênante nabestaande.’ noemt. ‘Kevin was als New Narrative writer voor mij een soort mentor. We hebben elkaar een paar keer ontmoet’
Er staat een stuk in het boek waarin je schrijft over je opname op een psychiatrische afdeling. In een recensie voor het NRC van de bundel Is daar iemand van Micha Hamel (over zijn opname), liet je al eens terloops weten dat je zelf ook opgenomen bent geweest. Je bent daar vrij open over.
‘Vanaf dag één van mijn opname heb ik alles vastgelegd in een dagboek. Wetend dat ik hier iets mee wilde. Ik wilde begrijpen hoe angst werkt, hoe schaamte werkt, dat wilde ik doorgronden. Toch vond ik het spannend dit openbaar te maken. Wat ik ook heb opgenomen is een deel van de rapportage over mijn gedrag. Therapeuten moesten alles rapporteren en als patiënt had je het recht die rapportage in te zien. Dat bewerkstelligde wel dat patiënten zich gingen gedragen zoals gewenst was. Daardoor gingen ze zich bij een sessie zelf censureren. Voor mezelf had ik besloten die rapportage pas achteraf te lezen. Want ik heb ook sterk die neiging, uit angst om wat ze over me zouden kunnen zeggen. Ik kreeg het advies om me als een puber te gaan gedragen, onredelijk, als een etterbak. Dus het was echt muurtjes afbreken, sociale barrières overwinnen.’
Zou je kunnen zeggen dat je je angsten en schaamte in de bek gekeken hebt?
‘Jazeker. Na de opname die ik beschrijf, is er nog een vervolgtraject geweest van acht maanden. Elke woensdag de hele dag therapie en dan de andere dagen om te oefenen, het zelf te proberen. Het gaat nu goed, angst en schaamte zijn flink afgenomen. Soms denk ik, ben ik dat? Natuurlijk zijn er mindere dagen, zoals iedereen die wel heeft.’
Heb je veel gelezen in die periode?
‘Tijdens de opname vond ik het fijn om me terug te trekken om te lezen. Ik ontdekte veel vrouwen die over gekte hebben geschreven. Virginia Woolf, Astrid Roemer, Sylvia Plath, The Bell Jar. Lezen was een manier om mezelf te spiegelen. Uit The Bell Jar, over iemand die is opgenomen, is ook een citaat in het boek terechtgekomen.’
Wat komt er na dit boek?
‘Ik heb het plan om elke tien jaar zo’n boek uit te brengen. En dan is er nog mijn dichtwerk, waar ik alweer mee bezig ben.’
Auteursfoto: Jared Meijer
Bewogen Selfies / Obe Alkema / 256 blz. / Het Balanseer
We make a living by what we get, but we make a life by what we give. – Winston Churchill
Beste mensen,
In deze tweede – en een na laatste – brief met ons verzoek om financiële steun, gaat het vooral over gulle mensen.
Want dat bent u, zeer veel dank aan iedereen die na de vorige brief (en ook voordat deze actie startte al) heeft bijgedragen aan de continuering van deze bescheiden recensie website, die onbescheiden aandacht vraagt voor schrijvers en vertalers. In een wereld die – bij gebrek aan een Winston Churchill – vooral behoefte heeft aan goede literatuur en mensen met een visionaire denkkracht is een bijdrage daaraan essentieel.
Zelf ben ik soms te lui of te zuinig om te schenken. Als ik dan zo’n bui heb, denk ik: als ik nu eens de helft geef van wat ik wilde geven maar waarover ik twijfelde? En als je dat dan doet, en je er niet voor schaamt dat het maar een bescheidenbedrag is… wint iedereen.
Dankzij uw gulheid zijn we al op de helft van het bedrag dat we nodig hebben. Met deze brief hopen wij dankzij de – oh zo herkenbare – twijfelende gevers op driekwart uit te komen.
Helpt u ons? En weet: Ook de kleine beetjes stemmen ons dankbaar.
Literair Nederland geeft al meer dan twee decennia een grote groep lezers – onder wie u – wekelijks een update van goede nieuwe boeken en levert gedegen kritiek op Nederlandse literatuur en boeken in vertaling. De keuze van de boeken is beredeneerd, de recensies zijn geredigeerd en weloverwogen geschreven. Zijn we de meestbezochte literatuursite? Nee. We hebben ooit besloten dat relletjes in de literaire wereld er voor ons niet toe doen. Wie wat op sociale media zegt, moet u als u dat zou interesseren daar gaan bekijken. Maar waarschijnlijk interesseert het u ook niet: u wilt weten welke boek er toe doen.
We doen dit met een klein team al jaren onbezoldigd. Maar de postzegels, de hosting, de techniek en, alas, een jaarlijkse borrel, moeten betaald worden. Met 4.000 euro per jaar komen we een heel eind. Nu we Jong Literair Nederland erbij hebben, betekenen we nog meer voor de Nederlandse lezer in alle leeftijden, maar gaat het eveneens om nog meer postzegels en meer technische kosten. Toch doen we dit nog steeds spotgoedkoop.
‘Elke vrijdagochtend verzamelden de armen van onze stad zich voor zijn kasteel. De graaf verscheen op het balkon en gooide kleingeld naar beneden. Hij liet het ongeveer een half uur lang geld regenen en zwaaide dan met zijn hand. Alle bedelaars riepen driemaal ‘Leve onze graaf!’ en vertrokken.’
(uit: Joseph Roth Aardbeien, vertaling Els Snick)
U bent geen graaf, maar wij zijn wel redelijk arm. Niet zorgwekkend, maar genoeg om u drie keer een brief te sturen met het verzoek iets op ons neer te laten regenen. Dan zorgen wij de rest van het jaar weer voor een regen aan stukken. Over minder besproken genres en boeken zodat die ook een kans krijgen. En u op de hoogte blijft van goede boeken die u nog niet kende…
Wilt u een bedrag aan ons schenken zodat we hiermee door kunnen gaan?
Klik op de rode button en doneer.
Maandagavond, 10 maart werd de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2025 bekend gemaakt. Van de achttien schrijvers op de longlist, bleven zes genomineerde schrijvers over. De prijs wordt toegekend aan de auteur van de beste oorspronkelijk Nederlandstalige roman van het afgelopen jaar.
Dit zijn volgend de jury de zes beste Nederlandstalige romans:
Man maakt stuk van Maurits de Bruijn De kroon met twee pieken van Guido van Heulendonk Oroppa van Safae el Khannoussi Rouwdouwers van Falun Ellie Koos In het oog van Marijke Schermer Hogere machten van Joost de Vries
Nieuwsuur bezocht de zes genomineerden om hen te feliciteren met hun nominatie. elke genomineerde auteur ontvangt 2.500 euro. Hier is de reportage nog terug te kijken.
Voorzitter van de jury is dit jaar Sheila Sitalsing, journalist en columnist voor de Volkskrant.
Op maandag 19 mei wordt de winnaar, tijdens een uitzending van Nieuwsuur, bekend gemaakt. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden.
Goed bericht voor auteurs, vertalers en scenaristen die vastlopen met hun schrijf- of vertaalproject omdat ze de financiën niet rond krijgen om hun project af te ronden.
Het Sociaal Fonds Auteurs (SFA) ondersteunt al jaren auteurs bij onvoorziene financiële omstandigheden. Maar sinds kort kunnen auteurs nu ook, naast steun bij persoonlijke of praktische tegenslagen, bij het fonds terecht voor financiële hulp bij de afronding van een schrijfproject. Voor veel schrijvers, vertalers en scenaristen is het een herkenbaar probleem: een bijna voltooid werk dreigt vast te lopen omdat er nog iets extra’s nodig is. Een laatste onderzoeksronde, toegang tot een cruciale locatie of tijdrovend archiefwerk. Daarvoor biedt het Sociaal Fonds Auteurs nu ondersteuning aan.
Het fonds blijft ook bestaan voor auteurs die door onverwachte omstandigheden, zoals ziekte of schade aan essentiële werkmiddelen, hun beroepspraktijk tijdelijk niet kunnen voortzetten. De steun wordt verstrekt in de vorm van een gift of een renteloze lening.
Ter verduidelijking van wat het fonds voor auteurs kan betekenen en hoe het werkt, beantwoordde de voorzitter van het SFA, Menno Hartman enkele vragen.
Wat deed het SFA besluiten tot deze uitbreiding?
‘Door een wat ingewikkelde aanvraagprocedure en een wat verstopte positie op de website van de Auteursbond, liepen de aanvragen wat terug. Nu we de procedure gestroomlijnd hebben en vereenvoudigd en een heldere kleine website hebben laten ontwerpen, komen de aanvragen weer binnen. Verder wilden we naast calamiteiten ook speciaal een uitbreiding maken voor schrijvers, vertalers en letterkundigen die nog één klein hobbeltje moeten nemen voordat hun werk af is. Dus ook deze uitbreiding van de regeling is een reden om de wereld van schrijvers, vertalers en scenaristen erop te attenderen dat er een Sociaal Fonds Auteurs bestaat dat hen kan bijstaan.’
Waar komt het geld vandaan?
‘In 1994 kreeg het fonds een eenmalige schenking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapmet de bedoeling dat uit de rente de steungelden gefinancierd konden worden. In 2005 bepaalde het ministerie dat de gelden als ‘a fonds perdu’ (gegeven zonder te verwachten dat het terugbetaald wordt)beschouwd werden en de besteding daarvan helemaal in handen van de stichting gaf.’
Wordt er vaker een gift of een lening verstrekt?
‘Er wordt vaker een gift verstrekt dan een lening. Veel auteurs hebben door hun werk zeer beperkte middelen. Voor veel van hen is de keuze van hun beroep er een geweest die ze uit liefde deden, hoe moeilijk het financieel soms ook is. Maar een lening veronderstelt terugbetalen, wat niet makkelijk is als de inkomsten toch al laag zijn. Als men specifiek om een lening vraagt kan dat, maar meestal verstrekt het fond schenkingen.’
Wat is het criterium om in aanmerking te komen?
‘Het fonds kan helpen bij calamiteiten. Om dat laatste zetje te geven om een werk af te krijgen. Voorwaarde is dat er acute financiële nood is en dat die acute financiële nood een belemmering vormt voor de schrijfpraktijk.’
Auteurs die in aanmerking willen komen, kunnen per e-mail een beknopte aanvraag indienen met een motivatie en een inschatting van het benodigde bedrag. Het bestuur van het fonds – bestaande uit Ger Beukenkamp, Menno Hartman, Sarieke Hoeksma, Emmelie Muijsers en Peter Smit – beoordeelt de aanvragen strikt vertrouwelijk en streeft naar een snelle afhandeling.
Voor meer informatie of een aanvraag: Sociaal Fonds Auteurs sociaalfonds@auteursbond.nl www.sociaalfondsauteurs.nl
Op donderdag 20 februari werd in SPUI2 te Amsterdam voor de negende maal de J.M.A. Biesheuvelprijs uitgereikt. Een tweejaarlijkse literaire prijs voor de beste Nederlandstalige korteverhalenbundel. De prijs is vernoemd naar J.M.A. Biesheuvel (1939-2020), een van de grootmeesters van het genre. Het bedrag voor de prijs wordt geheel door middel van crowdfunding bijeengebracht, uniek voor een literaire prijs. Dit jaar werd een bedrag van € 6049,45 bij elkaar gebracht. Het bedrag was hoger dan voorgaande jaren, wat een zeker verheugen over de populariteit van het korte verhaal teweeg bracht.
De jury was overweldigd door het grote aantal kwalitatief sterke verhalenbundels dat zij onder ogen kreeg. ‘Zozeer dat we bijna wel twee shortlisten hadden kunnen samenstellen van bundels die de prijs die we te vergeven hebben in principe verdienen’.
Over het winnende boek, Goudjakhals zegt de jury: ‘Een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld. Een boek dat moeiteloos andere perspectieven, andere plekken, andere tijden oproept, en daarmee tegelijk diep snijdt in de onze, in de ziel van het Nederland zoals we dat vandaag meemaken. Een vernieuwend boek bovendien, dat de grenzen van het genre opzoekt.’
De jury noemt het boek ‘een overval’. ‘Wie de eerste pagina’s in Julien Ignacio’s tweede boek Goudjakhals leest, verbaast zich over de ongewone verteller – een algoritme, een programmaatje, een GPS-signaal? – die vertelt over een vernederde, strijdbare vluchteling in een kamp, een open detentiecentrum op een voormalige militaire basis. Dat alleen al is een indringend, urgent verhaal.’
En: ‘Julien Ignacio bedient zich in het funky Goudjakhals van vele registers, allemaal even overtuigend, en ontvouwt in afzonderlijke verhalen een Groot Idee over ontworteling, vrijheid, uitbuiting en verzet dat niet alleen op talloze wijzen actueel is, maar zindert van de levenslust en creativiteit.’ Het gehele juryrapport is te vinden op jmabiesheuvelprijs.nl.
De organisatie van de prijs is in handen van Arjen Fortuin, Vera van Geldern, Sven Schlijper-Karssenberg, Pieter van Scherpenberg en Edith Vroon. De feestelijke prijsuitreiking werd georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam. Die maakte ook vier podcasts met verhalen van de genomineerde auteurs: slaacast/luister-biesheuvelprijs-2025.
De jury van de J.M.A. Biesheuvelprijs 2025 bestond uit Joost Baars, Yra van Dijk, Janita Monna en Daan Stoffelsen. Zij toonden zich bij de uitreiking zeer tevreden over het niveau van de veertig inzendingen:
Eerdere winnaars waren onder anderen Rob van Essen, Maarten ’t Hart en Mensje van Keulen en Hedda Martens.