• Het verhaal en de werkelijkheid

    Om mij te overtuigen is niet veel nodig, als het verhaal maar goed is. De huishoudelijke hulp in Huiswerk van Marja Pruis bestaat voor mij echt. Net zo goed dat Clara, het hoofdpersonage, de schrijfster zelf is. De vrouw die op de vraag ‘Wat ben je aan het doen?’, niets over zichzelf zegt. Clara denkt: ‘Het probleem is dat ik mensentaal moet kiezen voor het bestaan dat ik liever poreus houd. Ik moet uitleveren wat ik liever ongezegd laat, bang dat het verdwijnt zo gauw je het onder woorden brengt.’, maar zegt, ‘Ik ben aan het werk.’ Ja, ja, dat kennen we. En Edward uit De Alpenfederatie van Gregor Verwijmeren, dat is gewoon Elon Musk. Het is de waarachtigheid van literatuur die me ervan overtuigt de achterliggende beelden te herkennen.

    Deze week berichtte The Observer dat het verhaal van Raynor Winn, over haar wandeltocht met haar zieke man Moth over het South West Coast Path van zuidwest-Engeland, verzonnen is. Het is het soort informatie dat ik normaal gesproken direct aan de man doorvertel (moet je nou eens horen), maar hield het stil. In de keuken spoelde ik koffiebekers onder de kraan af. De man kwam uit de tuin, zei iets over tuinbonen en slakken. Het waren mijn tuinbonen, evenals de tomaten die ik gepland had. Wat hij wilde zeggen was dat ik ze misschien moest gaan oogsten, die tuinbonen. Ik mompelde ja,ja. 

    Dat ze niet Raynor en Moth Winn heten, maar Sally en Tim Walker, is oké. Dat ze niet zelf bedrogen waren door een vriend waardoor ze hun huis kwijtraakten, maar dat Raynor (Sally dus) in haar baan als boekhoudster een aanzienlijk bedrag achterover had gedrukt, doet het hele verhaal kantelen. Om een proces te vermijden, offerden ze hun huis op. Daar, dat is het verhaal volgens The Observer. Dat je niet wilt geloven als blijkt dat wat je eerder geloofde niet waar blijkt te zijn. Daarom zeg ik nog even niks om het bij het oude te houden.

    Wat het gekke is, dat ik, met dit verhaal van bedrog in mijn hoofd, Raynor (Sally dus), er op de foto’s die er bij deze artikelen staan, opeens onbetrouwbaar vind uitzien. Strak glimlachend kijkt ze in de camera met Gillian Anderson die de rol van Raynor in de film The Salt Path speelt, naast zich. Ik lijk mijn moeder wel, die aan elk vriendje dat de laan uitvloog en waar ze eerst vreselijk mee kon lachen, opeens niets goed meer vond. Geloofwaardigheid is geen duurzaam ding. Er kan zomaar iemand komen die een verzwegen stukje uit je geschiedenis oplepelt. En hoe dat dan weer te interpreteren. Was er niet eens een (Australische?) schrijfster die zich over gaf aan de vliegen tot haar lijf er zwart van zag? Zelfs in haar oren en neus zaten ze. Het bleek niet waar te zijn. 

    Het zoutpad was geen goedgeschreven boek, maar het was wel een goed verhaal. De verteller, Raynor Winn (Sally Walker dus) zat angstig onder de trap toen de deurwaarders kwamen. Waar ze bedacht te gaan lopen, er een boek over te schrijven. Ik zag het mezelf doen, niet bij de pakken neerzitten, rugzak om en lopen maar. Dat alles wat je jezelf ziet doen, wel waar moet zijn.  Later die avond toen we een film keken, zei ik het dan toch. ‘Zeg, wist je dat…?’ Hoe graag je dan het bedrog uit de doeken doet. Denk aan mijn moeder. Het is me wat.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

  • Een gesprek over waarheid met Jan Hanlo Essayprijs winnaar Wytske Versteeg

    De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.


    Waar
    is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?

    ‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’

    ‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’


    Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?

    ‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’


    Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?

    ‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’

    ‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’


    Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?

    ‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’ 

    ‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’


    Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?

    ‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’


    Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?

    ‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’


    Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?

    ‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’


    Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?

    ‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’ 


    Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?

    ‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’


    Waar
    is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?

    ‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’ 


    Het boek is er!

    ‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’


    Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?

    ‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’


    Dat was natuurlijk de buurvrouw.

    ‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’


    Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.

    ‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’


    Een goede laatste zin.

    ‘Bam!’

     

     


     

     

     

     

     

    Foto van de auteur: Eline Spek

     

  • Boekenmarkt

    In ons dorp hebben we ongeveer vierentwintig kappers, vier grote supermarkten, vijf snackbars en zelfs een reptielenwinkel, maar geen boekhandel. Ja, de Bruna, maar die telt niet echt mee, vind ik. Er was vroeger weliswaar een prachtige boekhandel, maar die ging ten onder aan zijn goede smaak, de klanten lazen liever Kluun dan Ida Gerhardt. De kleine bibliotheek biedt ook niet meer dan boeken over spanning en sensatie.

    Gelukkig wordt er voor fanatieke lezers elke twee maanden in een grote loods een tweedehandsboekenmarkt gehouden, die druk bezocht wordt. Het aanbod aan boeken is groot en gevarieerd, goed gesorteerd op onderwerp of alfabet, de prijzen zijn belachelijk laag en alle boeken zien er als nieuw uit. De medewerkers zijn vrolijk en behulpzaam, mocht je een titel niet kunnen vinden, dan vraag je of ze die voor jou in de gaten houden bij nieuwe donaties. De opbrengst, die kan oplopen tot meer dan duizend euro, is elke keer voor een ander goed doel bestemd. Vaste bezoekers kennen elkaar inmiddels allemaal: lezers met een lijstje om hun verzameling compleet te maken, kinderen die een boek mogen uitzoeken, een vrouw die boeken zoekt over quilten. En ik, omdat ik iets wil vinden dat ik niet heb gezocht. Ik word altijd heel gelukkig als ik de grote hal inloop.

    ‘Books to the ceiling,
    Books to the sky,
    My pile of books is a mile high.
    How I love them! How I need them!
    I’ll have a long beard by the time I read them.’

    Maar nu is er bezwaar gekomen van een van de omwonenden, die vindt dat de boekenmarkt te veel overlast bezorgt. Die persoon (niemand weet wie het is en dat is maar goed ook) heeft bij de gemeente geklaagd en nu is de boekenmarkt al sinds begin dit jaar opgeschort, tot de gemeenteraad een besluit genomen heeft over het voortbestaan ervan.
    De verontwaardiging onder de vaste klanten is groot. Eén zondag per twee maanden, dat is slechts zes keer per jaar! Als je ergernis zo groot is, zorg je toch dat je op die dag het dorp uit bent? Dat doe ik ook met carnaval, dat bijna een week duurt, maar daar hoor je niemand over.
    We hebben nu een petitie opgesteld waarin bezoekers konden aangeven dat de boekenmarkt onmisbaar is voor hen. Ik heb al zes keer ondertekend, elke keer onder een andere naam.

    Overal in Nederland wordt geklaagd over de ‘ontlezing’ van zowel volwassenen als kinderen. Iedereen onderschrijft het belang van het lezen van goede boeken, maar niet iedereen kan die betalen, boeken zijn duur. Nu hebben we hier een unieke gelegenheid om mensen boeken te laten aanschaffen voor een spotprijs en nu mag het niet doorgaan, omdat we zes zondagen per jaar ‘overlast’ bezorgen. Ik vraag me af of het belang van een enkeling zwaarder moet wegen dan dat van een grote groep, vooral als je in aanmerking neemt dat er ook mensen geholpen worden met de opbrengst. Maar als ik heel eerlijk ben, zijn mijn persoonlijke motieven niet zo nobel. Ik wil gewoon weer onverwacht een boek tegenkomen dat ik niet kan laten staan.

     

    Uit: Whiskers & Rhymes / Arnold Lobel (1985).


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

  • Verstandsverbijstering

    Dat ik pas de volgende ochtend weet dat ik geen pure chocola had moeten eten toen ik achteroverleunend op de bank naar een serie keek die nogal teleurstelde. Er was thee met een tahin blondie, waar dus chocola in zat. Gehakte dadels en cashewnoten had ook gekund. Altijd als migraine me  overvalt, denk ik aan wat ik gegeten, gedaan of nagelaten heb waardoor het beest gewekt werd. Gisteren viel de dag uit mijn handen door nieuwsberichten over de NAVO-top (zet die radio dan toch uit!). Weemakende berichten op X van Rutte ter verwelkoming aan Trump deden me de das om. Dat je op zo’n moment iemand wil pootje haken. Languit wil zien gaan. Ga dan hoeveelheden afwegen, de tahin, suiker, meel, hak een brok chocola in stukken. Bak er wat van.

    Zie hoe weinig consistent ik ben, neem me wel meer dingen voor die ik subiet vergeet. Laatst, ik zat hoog in mijn sociale vaardigheden, nodigde ik een goede bekende die ik lang niet gesproken had, uit eens langs te komen. Ik had gerept van ‘iets lekkers te maken’. Toen weken later de kennis op de afgesproken dag en tijd aanbelde, tegen etenstijd geen aanstalten maakte te vertrekken, drong dat ‘iets lekkers te maken’ zich plots aan me op. Wat is dat toch. Misschien moet ik briefjes ophangen zoals Susan Sontag een briefje met NEE naast haar telefoon legde. Of het beantwoorden van vragen over mijn beschikbaarheid aan anderen overlaten. Dat ik alleen maar nee hoef te schudden.

    In 2019 emigreerde schrijfster Lia Tilon naar Spanje. Ze schreef er een aantal blogs over voor Tirade.nu. Ik zoek ze soms op als ik zoek naar evenwicht, schoonheid. Haar blogs scheppen een ruimte waarin ik verdwijn. Ze bevraagt zichzelf over heimwee, wat dat is. Ik denk aan de jaren dat er dagen van heimwee waren toen ik in het buitenland woonde. Dagen die me nu voorkomen als belangrijk, intens. Dat ik iets mis nu de diepte van heimwee afwezig  is. Dat eigen maken van een nieuwe omgeving. En hoe mooi zij dat beschrijft, daar ben ik dan even, op een prettige manier, jaloers op.

    ‘Aankomen in het huis van een vreemde vertoont nogal wat overeenkomsten met halverwege in een film vallen; om het verhaal te kunnen volgen moeten eerst de koffers worden geopend, de spullen worden uitgepakt. Door te kiezen voor de dezelfde bedkant als thuis, je horloge net als thuis onder het nachtlampje te leggen en je ondergoed naast de T-shirts in de kast, probeer je je vertrouwd te maken met onbekende kamers, je drukt op de lichtknoppen om te zien welke lampen er gaan branden en kijkt in de keuken of de glazen schoon zijn. Pas daarna, als je een beetje een idee hebt van het hoe en het wat, ben je in staat om onderuit te zakken en je schoenen uit te schoppen.’, schreef Lia Tilon in een van haar blogs.

    Dat ik wel weer eens op reis zou willen, halverwege in een film zou willen stappen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

  • Lieke Marsman ontvangt Constantijn Huygens-prijs 2025

    Woensdagavond werd tijdens het radioprogramma Kunststof bekend gemaakt dat Lieke Marsman (1990) voor haar gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs 2025 ontvangt. Volgens de jury laat het werk van Marsman zien ‘hoe literatuur ons kan helpen een vorm te vinden om na te denken over het ondenkbare.’ Marsman wordt beschouwd als toonaangevend binnen de hedendaagse literatuur met haar werk over klimaat en ziekte, ‘waarbij ze zowel het persoonlijke als het politiek-maatschappelijke nooit uit het oog verliest’.

    Marsman was compleet verrast toen ze een telefoontje kreeg van bestuursvoorzitter Valérie Drost. ‘Ik was… zeer verbaasd en heel verheugd’, vertelt ze. ‘Ik wist niet dat je op je 34e al een oeuvreprijs kon krijgen, maar het voelt geweldig.’ Ze houdt enorm van haar vak. ‘Het feit dat het alles behelst, dat je over alles kunt schrijven. Ik ben zelf niet zo goed in dingen verzinnen, maar wel in beschrijven, en er is nog genoeg dat niet beschreven is. Het is belangrijk dat er nieuwe, originele taaluitingen bij blijven komen, zodat we elkaar niet steeds hoeven napraten.’

    Het ontroert Lieke Marsman dat ook haar allereerste bundel bij de toekenning een rol speelt. ‘Er staan gedichten in die ik schreef toen ik 17 was – het idee dat die lieve schatten er nog steeds mogen zijn, raakt me.’

    Marsman debuteerde in 2010 met de dichtbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud en won daarmee de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Debuutprijs Liegend Konijn. In 2014 verscheen De eerste letter en in 2017 volgde de roman Het tegenovergestelde van een mens, waarin ze proza met poëzie en essayistiek vervlecht in een stilistische zoektocht over klimaatverandering.

    In 2018 verscheen De volgende scan duurt vijf minuten, gedichten en een essay over haar kankerdiagnose, gevolgd door In mijn mand, in 2021, dat op de longlist van de Grote Poëzieprijs kwam, en op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. Marsman was Dichter des Vaderlands 2021-2022 en schreef in 2023 Ter gelegenheid van poëzie. Dit jaar verscheen van haar Op een andere planeet kunnen ze me redden.

    De jury bestond uit Layla El-Dekmak, Rashif El Kaoui, Laurens Ham, Helma van Lierop, Bertram Mourits, Aafje de Roest, Mathijs Sanders, Miriam Piters en Sarah Vankersschaever. De jaarlijkse prijs is een van de vier Haagse Literatuurprijzen en bedraagt 12.000 euro.

     

    De prijs wordt op 24 januari 2026 uitgereikt tijdens het Writers Unlimited Internationaal Literatuurfestival in Den Haag.

     

    Rechtenvrije foto: Tom Cornelissen

  • Dieren niet toegelaten

    Bij ons in de straat is een man overleden. Hoewel je over de doden alleen maar goed moet spreken, vond ik hem niet aardig. Mijn kinderen waren vroeger bang van hem, omdat hij hen met barse stem uit hun spel verjoeg wanneer ze stiekem fikkie stookten op het oude fabrieksterrein of in bomen klommen. Hij was een grote, autoritaire man met donkere, priemende ogen, die mijn groet altijd met tegenzin beantwoordde met een norse knik. Toch spreekt de snikkende familie op de uitvaart over hun man, vader en opa als iemand voor wie niets te veel was, die altijd klaarstond om anderen te helpen. Maar ook dat hij een man was van weinig woorden, die het tonen van emoties gelijkstelde aan zwakheid. 

    De muziek voor de uitvaart heeft hij zelf nog uitgezocht: een snerpende vrouwenstem zingt het Ave Maria en daarna krijgen we liederen van het Don-Kozakkenkoor te horen. Het kost me geen moeite niet te huilen, wat me anders al gauw overkomt bij een uitvaart. Links en rechts in de aula worden op twee grote schermen foto’s getoond van hoogtepunten uit het leven van de overledene. Maar nergens staat hij lachend op, niet met carnaval, bij zijn huwelijk en niet met de kleinkinderen. Tot er een foto verschijnt waarop hij zijn voorhoofd liefdevol tegen de kop van hun oranje kater, die een paar weken eerder gestorven is, heeft gelegd. Op deze foto glimlacht hij. Er ligt een gloed over zijn gezicht die zijn ogen doet glanzen. De kat knijpt zijn ogen gelukzalig tot spleetjes. Het is een vertederend en intiem tafereeltje.

    Ik denk aan Roald Dahl, wiens oudste dochter Olivia overleed aan hersenvliesontsteking als gevolg van de mazelen, toen ze zeven jaar was. Dahl, ziek van verdriet, had steun gezocht bij de voormalige bisschop van Canterbury en gezegd dat hij zich getroost voelde dat Olivia nu  tenminste herenigd was met haar geliefde hond Rowley. Maar de bisschop zei dat dat nooit zou kunnen, omdat honden niet in de hemel werden toegelaten. Dahl herinnert zich: 

    ‘I wanted to ask him how he could be so absolutely sure that other creatures did not get the same special treatment as us. I sat there wondering if this great and famous churchman really knew what he was talking about and whether he knew anything at all about God or heaven, and if he didn’t, then who in the world did? And from that moment on, my darlings, I’m afraid I began to wonder whether there really was a God or not.’

    ‘LEVENDEN”

    ‘In dierenogen valt hetzelfde licht
     als in het oog van mensen.
     Het levende schept adem uit één bron,
     vangt vanaf de eerste kreet
     tot aan de laatste huivering
     dezelfde zon.

     Denkenden gaan met dieren
     onder dezelfde hemel
     dezelfde einder tegemoet,
     door één verlangen voortgedreven:
     leven.’

    Ik weet niet welke geloofsovertuiging de overleden man aanhing, maar ik hoop met Dahl dat de bisschop fout zat en dat de man nu weer samen is met het enige wezen dat hem kon doen glimlachen.  

     

    Maurits Mok, uit de bloemlezing: Een wonderprachtig dier, een dierengedicht voor elke dag van het jaar


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Leeskring Zuid-Afrikahuis zoekt nieuwe enthousiastelingen

    Het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam is een centraal informatiepunt over Zuid-Afrika en beheert de omvangrijkste bibliotheek over Zuid-Afrika in Nederland. Sinds 2002 is er een actieve leeskring die bijeen komt in de bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis en daar Zuid-Afrikaanse literatuur bespreekt.

    De besproken boeken zijn romans en een enkele keer wordt er een thriller, biografie of dichtbundel besproken. Eens in de twee maanden komt de leeskring bijeen om een van tevoren gekozen titel in het Nederlands, Engels of Afrikaans te bespreken. Elke bijeenkomst wordt ingeleid door een historicus en/of kenner van het desbetreffende onderwerp.

    Deelname staat open voor iedereen. Het gelezen boek wordt ingeleid door de gastvrouw of gastheer van de avond. Daarna wordt er met elkaar gepraat. Iedereen die geïnteresseerd is in de Zuid-Afrikaanse literatuur is van harte welkom. Enige vereiste is dat het boek gelezen wordt: de leeskring is geen lezing, maar een gezamenlijke boekbespreking.

    Deze maand wordt er in ieder geval op 24 juni Die onsigbare van P.J.O. Jonker, besproken, gespreksleider Rob van der Veer.

    Wie deel wil nemen aan de leeskring, kan zich hier aanmelden.

     

     

  • Myriem El-Kaddouri wint C. Buddingh’-prijs 2025

    Poetry International maakte onlangs bekend dat de C. Buddingh’-prijs 2025, prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut, gaat naar Hier ligt de waarheid in overdaad (Pelckmans) van Myriem El-Kaddouri (1994). El-Kaddouri  werd in 2023 West-Vlaams Kampioen Poetry Slam, sindsdien draagt ze haar poëzie voor op uiteenlopende podia. Ook is ze tot 2026 Letterzetter (stadsdichter) van Kortrijk.

    In Hier ligt de waarheid in overdaad stelt El-Kaddouri de vraag aan wie de geschiedenis toebehoort. “El-Kaddouri’s waarheid komt dagelijks voorbij, schuilt in de kleinste gedragingen, passeert de vingers als een kraal van een tasbih. In een wiegende cadans raakt ze voorzichtig het verleden aan – zoals ons bloed na een lange reis uiteindelijk weer het hart bereikt”, aldus het juryrapport. De jury las in deze bundel waarheden die zich ongenaakbaar aan hen opdrongen.

    Overige genomineerden zijn:
    Vuurbloem van Roan Kasanmonadi (Lebowski Publishers),
    Bolster van Elise Vos (uitgeverij De Zeef) en
    De dansvloer is van iedereen van Maaike de Wolf (uitgeverij De Arbeiderspers).

    De jury bestond dit jaar uit Mustafa Kör, Mia You en Idwer de la Parra (juryvoorzitter).

    Zaterdag 14 juni staan alle genomineerden op het Poetry International Festival in de multidisciplinaire showcase Buddingh’ Talent.

    Zie hier voor meer informatie over het programma en kaartverkoop.

     

  • Wedstrijdje stoepschrobben

    Op een vroege morgen in Pella (Iowa), werd ik gewekt door een tweestemmig gezongen ‘Lang zal ze leven’, dat door de muren heen klonk. Twee vrouwen zongen via de smartphone een jarig familielid toe. Ze zetten daarmee op moderne wijze een traditie voort, die ze van huis uit meekregen. De vrouwen spraken thuis met hun ouders nooit Nederlands, maar Nederlandse liedjes werden er wel gezongen, met name op feestdagen. Ze herinneren zich ook allerlei aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen die thuis gebruikelijk waren, zoals ‘Mondje boven’, waarmee hun grootmoeder aangaf dat ze recht aan tafel moesten zitten en niet mochten onderuithangen als een bos wortels.  

    Maar dat is heel wat anders dan met elkaar Nederlands spreken, zoals auteur Philipp Dröge, overigens zonder bewijsvoering, schrijft in zijn veelgeprezen boek De Tawl, waarin hij sporen van het Nederlands in Amerika onderzoekt. Volgens hem komt dat omdat Pella geïsoleerd is gebleven. Ik vraag me af waarop hij dit baseert. Er zijn Nederlandse emigranten die uit louter nieuwsgierigheid het Nederlands onder de knie willen krijgen. Er zijn ook mensen die nog niet zo lang geleden uit Nederland emigreerden en met hun kinderen Nederlands bleven spreken. De meesten beperken zich echter, evenals bovengenoemde vrouwen, tot enkele eindeloos herhaalde uitdrukkingen. In een 13 jaar oude video op Youtube citeert een stokoude inwoner van Pella, een beetje giechelend, een familiegezegde: ‘Het is altijd wat, als je neus niet kriebelt, dan kriebelt wel je gat.’

    Standaard Nederlands is er in Pella nooit gesproken. De landverhuizers kwamen uit plattelandsgebieden en spraken allerlei dialecten. Gemengd met het standaard Nederlands van de elite van het dorp en met het Amerikaanse Engels groeide dit uit tot een eigen dialect, het ‘Pella Nederlands’. 

    Toen dominee Hendrik Peter Scholte in 1847 met een grote groep gelovigen naar Amerika vertrok, wilde hij dat de landverhuizers meteen na aankomst zo snel mogelijk de taal leerden om Amerikaan te worden. Zo zouden ze meer kans maken deel te worden van hun nieuwe wereld. Al na een maand zwoeren de gearriveerde kolonisten in een emotionele bijeenkomst trouw aan de Amerikaanse grondwet. Scholte was een grote aanjager van de integratie. Zelf preekte hij al snel in het Engels en gaf een Engels weekblad uit. Hij wilde van Pella het centrum van Iowa maken dat verbonden zou zijn met alle markten. Velen van zijn medekolonisten waren het niet met hem eens en verbroken hun banden met hun charismatische leider. Ze wilden dat er in het Nederlands gepreekt werd en dat hij zich met binnendorpse zaken bezighield en niet met de nationale politiek.

    Nederlandse liedjes, aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen en gezegden, klompendansen, traditionele gebruiken en Hollandse recepten, zijn een laatste strohalm met een traditie. En die strohalm grijpen velen graag vast. Het beeld van Nederland is door de inwoners van Pella op een bizarre wijze vertekend. Er is een Molengracht waarin blauw aandoend water stroomt. Daarachter is in Nederlandse stijl Hotel Amsterdam gebouwd. Met het festival Tulip Time wordt een wedstrijdje stoepschrobben gedaan, wat de meeste inwoners van het huidige Nederland al lang niet meer doen. Mijn vrouw werd gevraagd of zij iedere week nog de ramen lapt, want dat doen ze toch in Nederland? 

    Emigranten en hun nakomelingen bevinden zich tussen twee wallen, die van hun oude en het nieuwe vaderland. Ze zijn blij met ieder contact van overzee. En niet alleen Nederlanders. Overal in het land werden we aangesproken door mensen van velerlei Europese nationaliteiten die blij waren iemand uit Europa te ontmoeten. Ze zijn bang dat die band door de recente politieke ontwikkelingen in hun land verhinderd zal worden. Bij de geisers in Yellowstonepark werd ik aangesproken door een man die Brower (voorheen Brouwer) heette. Hij wil in juni Amsterdam bezoeken en vroeg zich af of hij er als Amerikaan niet met de nek zou worden aangekeken. De Nederlanders in Pella zagen in mij een ’trait d’union’ tussen hun bestaan in Amerika en hun vaderland. Ze koesteren hun Nederlandse contacten. ‘So, we’re having friends in Europe now!’

     

     

     



    Michiel van Diggelen, reisde vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Dit is het laatste verslag van deze reis.

  • Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Uitreiking P.C. Hooft-prijs voor indrukwekkende oeuvre van Maarten ’t Hart

    De Nederlandse Letteren eert zijn schrijvers, al is het soms aan de late kant. Gistermiddag ontving Maarten ’t Hart (1944) bij hem thuis de P.C. Hooft-prijs 2025 voor verhalend proza. Evenals Marga Minco (1920 – 2023), die ook pas op laat in haar schrijverscarrière de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza ontving, en deze ook bij haar thuisgebracht kreeg. Dat dit alles te maken heeft met leeftijd. ’t Harts haalde tijdens de uitreiking zijn vriend Maarten Biesheuvel aan: ‘Dit is een heel bijzondere dag. Vandaag is bovendien de verjaardag van Maarten Biesheuvel. Hij zei altijd “ik heb hem al, maar jij nog niet”’. Nou Maarten, ik heb hem nu ook!’

    In december 2024 werd bekend gemaakt dat de jury de oeuvreprijs aan Maarten ’t Hart toegekende. Zijn omvangrijke en kwalitatief indrukwekkende oeuvre werd als kritisch, schrijnend, liefdevol,  spannend, kwetsbaar en geestig omschreven.

    Mensje van Keulen schreef een woord van lof voor de schrijver, voorgelezen door juryvoorzitter Lieneke Frerichs. Hierin schreef zij onder andere het volgende: ‘Je bent een verteller die menigeen veel leesgenoegen heeft geschonken en nog altijd schenkt. Niet alleen weet je met mededogen, ergernis, woede, kritiek,  bewondering, venijn, plezier, kennis, wijsheid en je onnavolgbare humor personages tot leven te wekken, je doet het met iets wat je liefde moet noemen. Of het nu om een arbeider, dominee, doodgraver, leraar, verpleger, reder, orgelbouwer, vader, moeder, meisje of meester gaat, je beschrijft en koestert ze zonder aanziens des persoons.’

    De P.C. Hooft-prijs (sinds 1946) is een oeuvreprijs en wordt jaarlijks toegekend aan Nederlandse schrijvers voor een telkens wisselend genre: verhalend proza, beschouwend proza en poëzie. Recente eerdere laureaten in de categorie verhalend proza zijn: Arnon Grunberg (2022), Marga Minco (2019), Astrid Roemer (2016), A.F.Th. van der Heijden (2013) en Charlotte Mutsaers (2010). Aan de prijs is naast een beeldje van P.C. Hooft een bedrag verbonden van € 60.000.

    Later dit jaar  viert het Literatuurmuseum het leven en werk van Maarten ’t Hart alsnog op grootse wijze met de  lancering van een uitgebreide online expositie in het LiteratuurLab.