• Verstandsverbijstering

    Dat ik pas de volgende ochtend weet dat ik geen pure chocola had moeten eten toen ik achteroverleunend op de bank naar een serie keek die nogal teleurstelde. Er was thee met een tahin blondie, waar dus chocola in zat. Gehakte dadels en cashewnoten had ook gekund. Altijd als migraine me  overvalt, denk ik aan wat ik gegeten, gedaan of nagelaten heb waardoor het beest gewekt werd. Gisteren viel de dag uit mijn handen door nieuwsberichten over de NAVO-top (zet die radio dan toch uit!). Weemakende berichten op X van Rutte ter verwelkoming aan Trump deden me de das om. Dat je op zo’n moment iemand wil pootje haken. Languit wil zien gaan. Ga dan hoeveelheden afwegen, de tahin, suiker, meel, hak een brok chocola in stukken. Bak er wat van.

    Zie hoe weinig consistent ik ben, neem me wel meer dingen voor die ik subiet vergeet. Laatst, ik zat hoog in mijn sociale vaardigheden, nodigde ik een goede bekende die ik lang niet gesproken had, uit eens langs te komen. Ik had gerept van ‘iets lekkers te maken’. Toen weken later de kennis op de afgesproken dag en tijd aanbelde, tegen etenstijd geen aanstalten maakte te vertrekken, drong dat ‘iets lekkers te maken’ zich plots aan me op. Wat is dat toch. Misschien moet ik briefjes ophangen zoals Susan Sontag een briefje met NEE naast haar telefoon legde. Of het beantwoorden van vragen over mijn beschikbaarheid aan anderen overlaten. Dat ik alleen maar nee hoef te schudden.

    In 2019 emigreerde schrijfster Lia Tilon naar Spanje. Ze schreef er een aantal blogs over voor Tirade.nu. Ik zoek ze soms op als ik zoek naar evenwicht, schoonheid. Haar blogs scheppen een ruimte waarin ik verdwijn. Ze bevraagt zichzelf over heimwee, wat dat is. Ik denk aan de jaren dat er dagen van heimwee waren toen ik in het buitenland woonde. Dagen die me nu voorkomen als belangrijk, intens. Dat ik iets mis nu de diepte van heimwee afwezig  is. Dat eigen maken van een nieuwe omgeving. En hoe mooi zij dat beschrijft, daar ben ik dan even, op een prettige manier, jaloers op.

    ‘Aankomen in het huis van een vreemde vertoont nogal wat overeenkomsten met halverwege in een film vallen; om het verhaal te kunnen volgen moeten eerst de koffers worden geopend, de spullen worden uitgepakt. Door te kiezen voor de dezelfde bedkant als thuis, je horloge net als thuis onder het nachtlampje te leggen en je ondergoed naast de T-shirts in de kast, probeer je je vertrouwd te maken met onbekende kamers, je drukt op de lichtknoppen om te zien welke lampen er gaan branden en kijkt in de keuken of de glazen schoon zijn. Pas daarna, als je een beetje een idee hebt van het hoe en het wat, ben je in staat om onderuit te zakken en je schoenen uit te schoppen.’, schreef Lia Tilon in een van haar blogs.

    Dat ik wel weer eens op reis zou willen, halverwege in een film zou willen stappen.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.

     

  • Lieke Marsman ontvangt Constantijn Huygens-prijs 2025

    Woensdagavond werd tijdens het radioprogramma Kunststof bekend gemaakt dat Lieke Marsman (1990) voor haar gehele oeuvre de Constantijn Huygens-prijs 2025 ontvangt. Volgens de jury laat het werk van Marsman zien ‘hoe literatuur ons kan helpen een vorm te vinden om na te denken over het ondenkbare.’ Marsman wordt beschouwd als toonaangevend binnen de hedendaagse literatuur met haar werk over klimaat en ziekte, ‘waarbij ze zowel het persoonlijke als het politiek-maatschappelijke nooit uit het oog verliest’.

    Marsman was compleet verrast toen ze een telefoontje kreeg van bestuursvoorzitter Valérie Drost. ‘Ik was… zeer verbaasd en heel verheugd’, vertelt ze. ‘Ik wist niet dat je op je 34e al een oeuvreprijs kon krijgen, maar het voelt geweldig.’ Ze houdt enorm van haar vak. ‘Het feit dat het alles behelst, dat je over alles kunt schrijven. Ik ben zelf niet zo goed in dingen verzinnen, maar wel in beschrijven, en er is nog genoeg dat niet beschreven is. Het is belangrijk dat er nieuwe, originele taaluitingen bij blijven komen, zodat we elkaar niet steeds hoeven napraten.’

    Het ontroert Lieke Marsman dat ook haar allereerste bundel bij de toekenning een rol speelt. ‘Er staan gedichten in die ik schreef toen ik 17 was – het idee dat die lieve schatten er nog steeds mogen zijn, raakt me.’

    Marsman debuteerde in 2010 met de dichtbundel Wat ik mijzelf graag voorhoud en won daarmee de C. Buddingh’-prijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Debuutprijs Liegend Konijn. In 2014 verscheen De eerste letter en in 2017 volgde de roman Het tegenovergestelde van een mens, waarin ze proza met poëzie en essayistiek vervlecht in een stilistische zoektocht over klimaatverandering.

    In 2018 verscheen De volgende scan duurt vijf minuten, gedichten en een essay over haar kankerdiagnose, gevolgd door In mijn mand, in 2021, dat op de longlist van de Grote Poëzieprijs kwam, en op de shortlist van de Herman de Coninckprijs. Marsman was Dichter des Vaderlands 2021-2022 en schreef in 2023 Ter gelegenheid van poëzie. Dit jaar verscheen van haar Op een andere planeet kunnen ze me redden.

    De jury bestond uit Layla El-Dekmak, Rashif El Kaoui, Laurens Ham, Helma van Lierop, Bertram Mourits, Aafje de Roest, Mathijs Sanders, Miriam Piters en Sarah Vankersschaever. De jaarlijkse prijs is een van de vier Haagse Literatuurprijzen en bedraagt 12.000 euro.

     

    De prijs wordt op 24 januari 2026 uitgereikt tijdens het Writers Unlimited Internationaal Literatuurfestival in Den Haag.

     

    Rechtenvrije foto: Tom Cornelissen

  • Dieren niet toegelaten

    Bij ons in de straat is een man overleden. Hoewel je over de doden alleen maar goed moet spreken, vond ik hem niet aardig. Mijn kinderen waren vroeger bang van hem, omdat hij hen met barse stem uit hun spel verjoeg wanneer ze stiekem fikkie stookten op het oude fabrieksterrein of in bomen klommen. Hij was een grote, autoritaire man met donkere, priemende ogen, die mijn groet altijd met tegenzin beantwoordde met een norse knik. Toch spreekt de snikkende familie op de uitvaart over hun man, vader en opa als iemand voor wie niets te veel was, die altijd klaarstond om anderen te helpen. Maar ook dat hij een man was van weinig woorden, die het tonen van emoties gelijkstelde aan zwakheid. 

    De muziek voor de uitvaart heeft hij zelf nog uitgezocht: een snerpende vrouwenstem zingt het Ave Maria en daarna krijgen we liederen van het Don-Kozakkenkoor te horen. Het kost me geen moeite niet te huilen, wat me anders al gauw overkomt bij een uitvaart. Links en rechts in de aula worden op twee grote schermen foto’s getoond van hoogtepunten uit het leven van de overledene. Maar nergens staat hij lachend op, niet met carnaval, bij zijn huwelijk en niet met de kleinkinderen. Tot er een foto verschijnt waarop hij zijn voorhoofd liefdevol tegen de kop van hun oranje kater, die een paar weken eerder gestorven is, heeft gelegd. Op deze foto glimlacht hij. Er ligt een gloed over zijn gezicht die zijn ogen doet glanzen. De kat knijpt zijn ogen gelukzalig tot spleetjes. Het is een vertederend en intiem tafereeltje.

    Ik denk aan Roald Dahl, wiens oudste dochter Olivia overleed aan hersenvliesontsteking als gevolg van de mazelen, toen ze zeven jaar was. Dahl, ziek van verdriet, had steun gezocht bij de voormalige bisschop van Canterbury en gezegd dat hij zich getroost voelde dat Olivia nu  tenminste herenigd was met haar geliefde hond Rowley. Maar de bisschop zei dat dat nooit zou kunnen, omdat honden niet in de hemel werden toegelaten. Dahl herinnert zich: 

    ‘I wanted to ask him how he could be so absolutely sure that other creatures did not get the same special treatment as us. I sat there wondering if this great and famous churchman really knew what he was talking about and whether he knew anything at all about God or heaven, and if he didn’t, then who in the world did? And from that moment on, my darlings, I’m afraid I began to wonder whether there really was a God or not.’

    ‘LEVENDEN”

    ‘In dierenogen valt hetzelfde licht
     als in het oog van mensen.
     Het levende schept adem uit één bron,
     vangt vanaf de eerste kreet
     tot aan de laatste huivering
     dezelfde zon.

     Denkenden gaan met dieren
     onder dezelfde hemel
     dezelfde einder tegemoet,
     door één verlangen voortgedreven:
     leven.’

    Ik weet niet welke geloofsovertuiging de overleden man aanhing, maar ik hoop met Dahl dat de bisschop fout zat en dat de man nu weer samen is met het enige wezen dat hem kon doen glimlachen.  

     

    Maurits Mok, uit de bloemlezing: Een wonderprachtig dier, een dierengedicht voor elke dag van het jaar


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • (N)iemand zijn

    Het is middernacht, het huis slaapt. Ik luister naar  Nooit meer slapen, het prettige stemgeluid van Jan Brokken. Zijn woorden rollen rond en vol de ether in, een stem die lokt. Ik schuif van de keukentafel, waaraan ik de laatste pagina’s van Een vrij leven van Mariët Meester lees, dichter naar het toestel. Brokken zegt dat hij het dorp ontvluchtte waar hij opgroeide. ‘Ik was helemaal niets, en niemand.’ Ik denk aan Meesters voorlaatste boek over opgroeien in gevangenisdorp Veenhuizen dat eindigde met, ‘Ik wist niets, ik zag niets en ik hoorde niets (..) ik moest eruit!’

    Ze gaat naar kunstacademie Minerva in Groningen waar ze J. ontmoet, ze krijgen een relatie, wonen samen in een klein huisje. Tot J. haar verlaat, op reis gaat. Hoe Meester hem uiteindelijk achterna reist, in tweestrijd met zichzelf: de keuze tussen cultuur en natuur, tussen volgen of laten gaan. In een gesprek met een docent van de academie vertelt ze dat haar doel in het leven ‘vrij worden’ is. ‘Dingen laten. Niet willen hebben of toe-eigenen. Niet groter en meer, juist kleiner en minder.’ Een insteek die van een grote eigenheid getuigt.

    Als ze weer in Groningen is schrijven J. en zij elkaar brieven. Op de academie krijgt ze de opdracht het gedicht ‘Zwerversliefde’ van Roland Holst te verbeelden. Ze levert een bundeling van zijn brieven in met een lint eromheen. In haar vijfde studiejaar trekken ze een jaar met paard en (zelfgebouwde) wagen door Frankrijk om het verschil tussen stad en platteland te onderzoeken. Een jaar waarin ze elkaar liefhebben en haten, hun plek bevechten. Het gaat er soms heftig aan toe. Er is de dagelijks zorg om eten te vinden, een goede slaapplek, gras voor het paard. Daartussendoor ontstaan er prachtige kunstwerken als de ‘Gouden geitenkeutels’. Waarvoor Meester grote hoeveelheden geitenkeutels verzamelde, droogde op de kachel, witkalkte, met goudverf beschilderde. Daar ontstaat de rode draad in hun leven, vanuit basaal leven kunst creëren.

    Schrijven en beeldende kunst, stad en platteland strijden bij Meester om voorrang. ‘Mocht het me lukken me te ontplooien en meer boeken te gaan schrijven, betere boeken, dan zou deze tegenstelling, die in feite de tegenstelling tussen cultuur en natuur was, daar waarschijnlijk de rode draad in worden.’, schrijft ze als ze eind twintig is en ze er vele reizen met paard en wagen (snelheid 3 km per uur) hebben opzitten.

    In Nederland maken ze van een grote salonwagen hun huis in het vrije veld. Op koude winternachten slapen ze op een matras voor de houtkachel zodat ze om de paar uur hout op het vuur konden gooien tegen bevriezing. En dat het dan ook eens klaar is. ‘Na vier jaar in de salonwagen daagde het besef dat we die dwang niet prettig meer vonden, dat streven naar vrijheid kon omslaan in een vorm van onvrijheid.’

    Op de radio hoor ik Brokken een gedicht van António Machado declameren.

    ‘Reiziger, je sporen
    zijn de weg die je aflegt,
    en zij alleen.
    Reiziger, er is geen weg,
    de weg ontstaat in het gaan.
    Gaandeweg ontstaat de weg,
    en als je omkijkt zie je het spoor dat
    je nooit meer betreden zult.’

    In de stilte van de nacht gaan deze woorden met me op de loop. Ben onder de indruk, denk opeens het licht te zien. Dat het dat is wat Meester en haar J. hebben gedaan. Een weg gegaan die ‘gaandeweg’ ontstond, organisch. Het spoor dat ze achterlieten, werkelijk achterlieten. Nooit omkijken, enkel maar voortgaan. En dat uiteindelijk de liefde voor elkaar, voor de natuur, is wat overblijft. Dat dat genoeg moet zijn.

    Brokken stond vaak op het punt te stoppen met reizen vanwege het klimaat. Wat hem daarvan weerhield, ‘was de mogelijkheid tot onverwachte ontmoetingen. Zo’n treffen dat je een andere wereld binnentrekt en dat je van de ene in de andere verbazing doet vallen.’ Dat daarin een balans moet worden gezocht. Dat ik me wil blijven verbazen, meebewegen op een stroom aan verhalen. Waarin Meester steeds nieuwe mogelijkheden ziet om de aarde zo min mogelijk te belasten, haar weg zoekt, een gedreven verteller is. Dat je in voetsporen wilt treden.

     

     


    Inge Meijer kan het niet laten te schrijven over wat ze leest.

  • Leeskring Zuid-Afrikahuis zoekt nieuwe enthousiastelingen

    Het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam is een centraal informatiepunt over Zuid-Afrika en beheert de omvangrijkste bibliotheek over Zuid-Afrika in Nederland. Sinds 2002 is er een actieve leeskring die bijeen komt in de bibliotheek van het Zuid-Afrikahuis en daar Zuid-Afrikaanse literatuur bespreekt.

    De besproken boeken zijn romans en een enkele keer wordt er een thriller, biografie of dichtbundel besproken. Eens in de twee maanden komt de leeskring bijeen om een van tevoren gekozen titel in het Nederlands, Engels of Afrikaans te bespreken. Elke bijeenkomst wordt ingeleid door een historicus en/of kenner van het desbetreffende onderwerp.

    Deelname staat open voor iedereen. Het gelezen boek wordt ingeleid door de gastvrouw of gastheer van de avond. Daarna wordt er met elkaar gepraat. Iedereen die geïnteresseerd is in de Zuid-Afrikaanse literatuur is van harte welkom. Enige vereiste is dat het boek gelezen wordt: de leeskring is geen lezing, maar een gezamenlijke boekbespreking.

    Deze maand wordt er in ieder geval op 24 juni Die onsigbare van P.J.O. Jonker, besproken, gespreksleider Rob van der Veer.

    Wie deel wil nemen aan de leeskring, kan zich hier aanmelden.

     

     

  • Myriem El-Kaddouri wint C. Buddingh’-prijs 2025

    Poetry International maakte onlangs bekend dat de C. Buddingh’-prijs 2025, prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut, gaat naar Hier ligt de waarheid in overdaad (Pelckmans) van Myriem El-Kaddouri (1994). El-Kaddouri  werd in 2023 West-Vlaams Kampioen Poetry Slam, sindsdien draagt ze haar poëzie voor op uiteenlopende podia. Ook is ze tot 2026 Letterzetter (stadsdichter) van Kortrijk.

    In Hier ligt de waarheid in overdaad stelt El-Kaddouri de vraag aan wie de geschiedenis toebehoort. “El-Kaddouri’s waarheid komt dagelijks voorbij, schuilt in de kleinste gedragingen, passeert de vingers als een kraal van een tasbih. In een wiegende cadans raakt ze voorzichtig het verleden aan – zoals ons bloed na een lange reis uiteindelijk weer het hart bereikt”, aldus het juryrapport. De jury las in deze bundel waarheden die zich ongenaakbaar aan hen opdrongen.

    Overige genomineerden zijn:
    Vuurbloem van Roan Kasanmonadi (Lebowski Publishers),
    Bolster van Elise Vos (uitgeverij De Zeef) en
    De dansvloer is van iedereen van Maaike de Wolf (uitgeverij De Arbeiderspers).

    De jury bestond dit jaar uit Mustafa Kör, Mia You en Idwer de la Parra (juryvoorzitter).

    Zaterdag 14 juni staan alle genomineerden op het Poetry International Festival in de multidisciplinaire showcase Buddingh’ Talent.

    Zie hier voor meer informatie over het programma en kaartverkoop.

     

  • Wedstrijdje stoepschrobben

    Op een vroege morgen in Pella (Iowa), werd ik gewekt door een tweestemmig gezongen ‘Lang zal ze leven’, dat door de muren heen klonk. Twee vrouwen zongen via de smartphone een jarig familielid toe. Ze zetten daarmee op moderne wijze een traditie voort, die ze van huis uit meekregen. De vrouwen spraken thuis met hun ouders nooit Nederlands, maar Nederlandse liedjes werden er wel gezongen, met name op feestdagen. Ze herinneren zich ook allerlei aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen die thuis gebruikelijk waren, zoals ‘Mondje boven’, waarmee hun grootmoeder aangaf dat ze recht aan tafel moesten zitten en niet mochten onderuithangen als een bos wortels.  

    Maar dat is heel wat anders dan met elkaar Nederlands spreken, zoals auteur Philipp Dröge, overigens zonder bewijsvoering, schrijft in zijn veelgeprezen boek De Tawl, waarin hij sporen van het Nederlands in Amerika onderzoekt. Volgens hem komt dat omdat Pella geïsoleerd is gebleven. Ik vraag me af waarop hij dit baseert. Er zijn Nederlandse emigranten die uit louter nieuwsgierigheid het Nederlands onder de knie willen krijgen. Er zijn ook mensen die nog niet zo lang geleden uit Nederland emigreerden en met hun kinderen Nederlands bleven spreken. De meesten beperken zich echter, evenals bovengenoemde vrouwen, tot enkele eindeloos herhaalde uitdrukkingen. In een 13 jaar oude video op Youtube citeert een stokoude inwoner van Pella, een beetje giechelend, een familiegezegde: ‘Het is altijd wat, als je neus niet kriebelt, dan kriebelt wel je gat.’

    Standaard Nederlands is er in Pella nooit gesproken. De landverhuizers kwamen uit plattelandsgebieden en spraken allerlei dialecten. Gemengd met het standaard Nederlands van de elite van het dorp en met het Amerikaanse Engels groeide dit uit tot een eigen dialect, het ‘Pella Nederlands’. 

    Toen dominee Hendrik Peter Scholte in 1847 met een grote groep gelovigen naar Amerika vertrok, wilde hij dat de landverhuizers meteen na aankomst zo snel mogelijk de taal leerden om Amerikaan te worden. Zo zouden ze meer kans maken deel te worden van hun nieuwe wereld. Al na een maand zwoeren de gearriveerde kolonisten in een emotionele bijeenkomst trouw aan de Amerikaanse grondwet. Scholte was een grote aanjager van de integratie. Zelf preekte hij al snel in het Engels en gaf een Engels weekblad uit. Hij wilde van Pella het centrum van Iowa maken dat verbonden zou zijn met alle markten. Velen van zijn medekolonisten waren het niet met hem eens en verbroken hun banden met hun charismatische leider. Ze wilden dat er in het Nederlands gepreekt werd en dat hij zich met binnendorpse zaken bezighield en niet met de nationale politiek.

    Nederlandse liedjes, aan het Nederlands ontleende uitdrukkingen en gezegden, klompendansen, traditionele gebruiken en Hollandse recepten, zijn een laatste strohalm met een traditie. En die strohalm grijpen velen graag vast. Het beeld van Nederland is door de inwoners van Pella op een bizarre wijze vertekend. Er is een Molengracht waarin blauw aandoend water stroomt. Daarachter is in Nederlandse stijl Hotel Amsterdam gebouwd. Met het festival Tulip Time wordt een wedstrijdje stoepschrobben gedaan, wat de meeste inwoners van het huidige Nederland al lang niet meer doen. Mijn vrouw werd gevraagd of zij iedere week nog de ramen lapt, want dat doen ze toch in Nederland? 

    Emigranten en hun nakomelingen bevinden zich tussen twee wallen, die van hun oude en het nieuwe vaderland. Ze zijn blij met ieder contact van overzee. En niet alleen Nederlanders. Overal in het land werden we aangesproken door mensen van velerlei Europese nationaliteiten die blij waren iemand uit Europa te ontmoeten. Ze zijn bang dat die band door de recente politieke ontwikkelingen in hun land verhinderd zal worden. Bij de geisers in Yellowstonepark werd ik aangesproken door een man die Brower (voorheen Brouwer) heette. Hij wil in juni Amsterdam bezoeken en vroeg zich af of hij er als Amerikaan niet met de nek zou worden aangekeken. De Nederlanders in Pella zagen in mij een ’trait d’union’ tussen hun bestaan in Amerika en hun vaderland. Ze koesteren hun Nederlandse contacten. ‘So, we’re having friends in Europe now!’

     

     

     



    Michiel van Diggelen, reisde vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Dit is het laatste verslag van deze reis.

  • Als onmisbaar

    Reizen begint met de drang eropuit te willen, bakens verzetten, zoiets. Voor je het weet ben je je rugzak aan het pakken. Toen de man en ik midden jaren tachtig ons huis verkochten, ieder een eigen woonruimte vonden, besloot ik per trein naar Rome te vertrekken. Iets dreef me. De man, de toen nog twee  jonge kinderen gingen mee. Op een warme augustus ochtend kocht ik aan het loket van station Arnhem de treintickets naar Rome. De trein was vol, we bleven in de doorgang steken. Sliepen op de vloer van het gangpad terwijl de kinderen tussen een oud Italiaans echtpaar ingeklemd zaten. In die tijd ontstond de liefde voor Italiaanse literatuur, Elsa Morante, Natalia Ginzburg, Cesare Pavese, Luigi Pirandello. Dat je een land leert kennen door haar literatuur. 

    In De wereld in 48 stukken wordt in evenzovele hoofdstukken de wereldkaart uitgespreid. Je kunt stuk voor stuk een werelddeel doorlezen, of neem het register als leidraad. Zoek de naam van een schrijver, laat je geografisch vervoeren naar het land waar de schrijver verbleef, wat hij er deed, over schreef, of vandaan kwam. Of neem een plaats die je bekend voorkomt. Dan blijkt niet het doel maar de reis zelf (door dit boek) je in vervoering brengt. Onder de M, vind ik ‘Mull, eiland’, net boven ‘Murray, Les’. Het zet iets in beweging.

    Bij het eiland Mull, denk ik aan Miek Zwamborn, aan haar geweldige boek Onderling waar ik zeer van onder de indruk was. Ik lees, ‘In Onderling zie je gebeuren hoe een mens een gebied wordt, hoe literatuur en kunst een territorium helpen definiëren, en wat aandacht en liefde voor de natuur aan prachtigs oplevert.’ Dat dus.

    Ik lees over schrijvers die ik lang geleden gelezen heb in de context van de plaatsen waar ze verbleven. Henry Miller, Lawrence Durrell, Paul Léautaud. Elke levensfase brengt de literatuur die je nodig hebt. Aan Lawrence Durrell werd ik enkele jaren terug al eens herinnerd door de serie The Durrells, gebaseerd op de boeken van de jongste broer van Lawrence, Gerald. In de tijd dat ik Henry Miller las, dienden ook Anaïs Nin, Djuna Barnes en Lawrence Durrell zich aan. Literatuur is als een lopend vuurtje. 

    Griekenland was geliefd onder schrijvers. In De wereld in 48 stukken lees ik. ‘Byron reisde door Griekenland. Oscar Wilde, Henry Miller, Lawrence en Gerald Durrell woonden met hun familie op Corfu. Allen doen gewag van de bevolking: benaderbaar, vriendelijk, niet gereserveerd, gastvrij.’ Dan, de eigen beleving van Hartman. ‘De felle zon brandt op je gezicht en je schouders als je loopt of zwemt. Het is een sensuele omgeving. Een gebied dat schrijvers die zintuigelijk schrijven en leven wel moet bekoren, omdat er ook daadwerkelijk wat waar te nemen valt. Kruiden als tijm en oregano, wilde munt zijn overal te vinden, bijna als onkruid (…). Je ruikt er oleander, jasmijn, citroen en gentiaan, malve.’ 

    Dit in een stuk dat eigenlijk over reisboeken schrijver Leigh Fermor gaat. ‘Leigh Fermor (…) kon je altijd geven als je wilde dat iemand iets goeds ging lezen dat hij waarschijnlijk niet kende.’ Ik bewonder de drang tot het delen, het overbrengen van ontdekkingen, van literatuur.  Zelf kreeg ik eens de tip Marilynne Robinsons Genesis te lezen, en Joseph Mitchell, waardoor nieuwe wegen zich openden. Nu moet ik Fermor wel lezen, eenmaal op een spoor gezet, is er geen omkeren mogelijk.

    Over het 48ste en laatste stuk van de wereldkaart schrijft Hartman (daar is het waarschijnlijk allemaal begonnen, die liefde, die gedrevenheid voor het onbekende), ‘Op deze kaart een land van mijn keuze, Nieuw-Zeeland, een land dat tot mij spreekt op de manier waarop Rusland tot Nabokov doet in zijn memoires Speak Memory: in de taal van gelukzaligheid.’ 

    Dat een boek, een continent, een gebied gelukzalig maakt spreekt uit al die 48 stukken. Een bron van informatie voor wie zijn geografische en literaire blik wil verleggen. Al die boeken die Hartman las, de landen en continenten die hij bezocht komen voort uit een gretigheid te ‘willen weten’. Een welhaast onuitputtelijk boek om je vingers bij af te likken en waarin je onvermoeid aan het dwalen raakt. Voor wie zich Het volkspark in China wil begeven, nooit gehoord heeft van de expeditie van Edward Shackleton op de Falklands, kan dit zomaar een onmisbaar boek zijn.

     

     

    De wereld in 48 stukken / Menno Hartman / 279 blz. / Hollands Diep


    Inge Meijer schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Uitreiking P.C. Hooft-prijs voor indrukwekkende oeuvre van Maarten ’t Hart

    De Nederlandse Letteren eert zijn schrijvers, al is het soms aan de late kant. Gistermiddag ontving Maarten ’t Hart (1944) bij hem thuis de P.C. Hooft-prijs 2025 voor verhalend proza. Evenals Marga Minco (1920 – 2023), die ook pas op laat in haar schrijverscarrière de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza ontving, en deze ook bij haar thuisgebracht kreeg. Dat dit alles te maken heeft met leeftijd. ’t Harts haalde tijdens de uitreiking zijn vriend Maarten Biesheuvel aan: ‘Dit is een heel bijzondere dag. Vandaag is bovendien de verjaardag van Maarten Biesheuvel. Hij zei altijd “ik heb hem al, maar jij nog niet”’. Nou Maarten, ik heb hem nu ook!’

    In december 2024 werd bekend gemaakt dat de jury de oeuvreprijs aan Maarten ’t Hart toegekende. Zijn omvangrijke en kwalitatief indrukwekkende oeuvre werd als kritisch, schrijnend, liefdevol,  spannend, kwetsbaar en geestig omschreven.

    Mensje van Keulen schreef een woord van lof voor de schrijver, voorgelezen door juryvoorzitter Lieneke Frerichs. Hierin schreef zij onder andere het volgende: ‘Je bent een verteller die menigeen veel leesgenoegen heeft geschonken en nog altijd schenkt. Niet alleen weet je met mededogen, ergernis, woede, kritiek,  bewondering, venijn, plezier, kennis, wijsheid en je onnavolgbare humor personages tot leven te wekken, je doet het met iets wat je liefde moet noemen. Of het nu om een arbeider, dominee, doodgraver, leraar, verpleger, reder, orgelbouwer, vader, moeder, meisje of meester gaat, je beschrijft en koestert ze zonder aanziens des persoons.’

    De P.C. Hooft-prijs (sinds 1946) is een oeuvreprijs en wordt jaarlijks toegekend aan Nederlandse schrijvers voor een telkens wisselend genre: verhalend proza, beschouwend proza en poëzie. Recente eerdere laureaten in de categorie verhalend proza zijn: Arnon Grunberg (2022), Marga Minco (2019), Astrid Roemer (2016), A.F.Th. van der Heijden (2013) en Charlotte Mutsaers (2010). Aan de prijs is naast een beeldje van P.C. Hooft een bedrag verbonden van € 60.000.

    Later dit jaar  viert het Literatuurmuseum het leven en werk van Maarten ’t Hart alsnog op grootse wijze met de  lancering van een uitgebreide online expositie in het LiteratuurLab.

     

     

     

  • Safae el Khannoussi wint met Oroppa de Libris Literatuur Prijs

    Een debuutroman die door de pers enerzijds hemelhoog geprezen werd en anderzijds afgerekend op zijn onbegrijpelijke formulering en afstand scheppende werking. Ook online kregen deze beweringen veel navolging. Toch kwam eerder dit jaar Oroppa als winnaar uit de bus voor ‘De Boon’, de belangrijkste Vlaamse literatuurprijs. En dan nu de Libris Literatuurprijs.

    Uit zes genomineerden – allen met een zeer goed boek – viel de keus van de jury op, ‘een pageturner waar de urgentie vanaf spat’ – Oroppa van Safae el Khannoussi. Volgens de jury een boek dat overloopt ‘van de verhalen in verhalen in verhalen’, en glanst van ‘stilistische brille’. En dat, ‘de lezer hard aan het werk [wordt] gezet en die arbeid wordt dubbel en dwars beloond’.

    Een eerste gedachte die direct op het lovend uitroepen van de winnaar volgt: Het boek heeft al een prijs. Gevolgd door: bedelf een schrijver niet onder een teveel aan prijzen zodat de bron van schrijven stil valt. Maar dan, een boek dat zowel tegenstrijdige reacties oproept, de lezer in verwarring – en de gemoederen in beweging brengt, is bij uitstek een boek dat gelauwerd dient te worden.

    In een recensie op deze site was sprake van een ‘atypisch debuut’. En dat ‘Oroppa meer gemeen heeft met de boeken van Gabriel García Márquez of Salman Rushdie ‘dan met de gemiddelde Nederlandse debutant’.

    De overige genomineerden waren:

    Man maakt stuk, Maurits de Bruijn  – Uitgeverij Das Mag
    De kroon met twee pieken, 
    Guido van Heulendonk  – Uitgeverij De Arbeiderspers
    Rouwdouwers, Falun Ellie Koos – Uitgeverij Atlas Contact
    In het oog,Marijke Schermer – Uitgeverij Van Oorschot
    Hogere machten, Joost de Vries – Uitgeverij Prometheus

    In juni verschijnen er bij uitgeverij Pluim twee verhalen van Safae el Khannoussi die ze enkele jaren eerder voor De Gids schreef. Door deze verhalen werd ze door de uitgever naar binnen gehaald.

    Aan de prijs is een bedrag verbonden van € 50,000.

     

    Foto: rechtenvrij

  • Tulip Time

    Tulip Time in Pella is een fenomeen. Drie dagen lang feest rondom Nederlandse bloemen, tradities, eten en niet te vergeten de verkiezing van miss Tulip Time. Zelfs in het Chinese restaurant hangt een grote plaat met tulpen erop. In het centrum zijn Nederlandse liedjes als ‘Bij ons in de Jordaan’ en ‘Geef mij maar Amsterdam’ te horen. 

    Zo’n 150.000 mensen bezoeken jaarlijks deze stad om het feest mee te vieren. Amerikanen schrikken niet terug daar vier of vijf uur voor te moeten rijden. De inwoners van Pella zelf kijken er enorm naar uit. Ze betalen grif 15 dollar om plaats te nemen op de tribune voor een podium op het centrale plein en klappen vrolijk mee met de jongens en meisjes op klompen die oud-Hollandse liedjes zingen over beren die broodjes smeren. Bij het aanhoren van Amerikaanse en Nederlandse volksliederen zingen ze mee met de hand op hun hart.

    De middag- en avondparade zijn het hoogtepunt van het feest. Vanaf zes uur ’s morgens mag er een plaats langs de route gereserveerd worden door het plaatsen van een klapstoeltje. Daar wordt veel gebruik van gemaakt. De parade is een goed georganiseerde optocht waarin iedere praalwagen een aspect van de stad en haar verleden uitbeeldt. Fanfares en harmonieën schetteren erop los. Mijn vrouw en ik zitten in geleende klederdrachtkostuum op een wagen getiteld ‘Vriendschap’ samen met een stuk of tien kinderen die, net als wij, zwaaien naar het publiek. Voorbij elke bocht klinkt een luide stem die onze wagen voorstelt aan het publiek. Zo hoor ik vele malen mijn naam uit een luidspreker schallen. Dutch author. Wrote a historical novel. Based on facts. Mijn vrouw zit als een koningin op een hoge stoel en houdt mijn boek omhoog. We schamen ons hier nergens voor.

    De duizenden bezoekers van dit bloemen festival zijn op zoek naar een wereld die niet meer bestaat. Alles lijkt hier nog netjes, schoon en overzichtelijk, zoals vroeger. De gemoedelijkheid is groot. De auteur Bill Bryson herinnert zich dat hij onderweg met zijn ouders vaak in dit stadje stopte, omdat het er zo vriendelijk en mooi was. Het Archie Bunker gevoel maakt zich zelfs van mij meester. ‘Those were the days’. Ik geniet, maar het verwart me ook. Diep van binnen schuilt in mij blijkbaar nog die hang naar de ogenschijnlijke duidelijkheid van de kindertijd. 

    Ik was gevraagd om in Pella een lezing te geven over de stichter van het stadje, dominee Hendrik Peter Scholte. De zaal in de bibliotheek was afgeladen met belangstellenden. Nederland is het vaderland in de verte en velen willen graag horen wat een echte Nederlander over hun stichter te vertellen heeft. De rij wachtende mensen na afloop wordt maar niet kleiner. Als ik vele boeken gesigneerd heb, zing ik samen met een inwoner psalm 42 in de oude berijming van 1773, die ik vroeger op de ‘School met den Bijbel’ heb geleerd. Als we het lied inzetten, ben ik weer een jongen van tien. Het wordt zelfs de organisator te bont. Hij spoort mij aan haast te maken, hij wil naar huis.

    Het stadje trekt dit jaar ook de aandacht van Birgitta Tazelaar, de Nederlandse ambassadeur in Amerika. Ze bezoekt enkele grote bedrijven. Pella heeft meer arbeidsplaatsen dan inwoners en trekt personeel van heinde en verre aan om de machines draaiende te houden. Ondanks dat Trump hier een meerderheid behaalde, zijn er nu heel wat mensen die hem verafschuwen. Hij behandelt niet alleen mensen als koopwaar (commodity), maar helpt ook de hele economie naar de knoppen. Wie zal hier het werk doen als hij iedereen over de grens jaagt?

    De in oranje geklede ambassadeur brengt een spontaan bezoek aan het prachtig bewaard gebleven Scholtehuis waar ik mijn boek signeer. Het huis werd direct na aankomst door de dominee zelf ontworpen. We praten bijna een uur aan het boekentafeltje, waar oud-Hollandse koekjes, thee en prikkertjes met augurk en kaas worden geserveerd. Tot mijn vreugde zingt de ambassadeur uit volle borst mee met ‘Een Nederlandse Amerikaan’, een raadselachtig liedje, waarover de volgende keer meer. Daarna krijgen we nog een rondleiding van coördinator Lisa Zylstra. Het is voorbij sluitingstijd als de ambassadeur het pand verlaat.

     

     


    Michiel van Diggelen reist vier weken door de VS om de vertaling van zijn twee historische romans (uitg. IJzer), over  Predikant Hendrik Peter Scholte (1805-1868) te promoten in het afzetgebied Michigan en Iowa. Voor Literair Nederland doet hij hiervan verslag.

  • Janken

    Mijn tranen zitten nogal hoog. Ik ben gauw ontroerd en huil snel bij zowel goede als slechte dingen, in de woorden van Emily Dickinson: ‘all we know of heaven, and all we need of hell.’ De laatste tijd wordt het alleen maar erger, in een oogwenk stijgt het waterpeil en de oevers van mijn ogen stromen over. Het ligt niet aan mij, denk ik, maar aan de wereld, waarin zoveel meer gebeurt om over te huilen. Er zal wel een heel oud verdriet onder liggen, dat weet ik niet. Gerry van der Linden schreef er een gedicht over.

    Porseleinen tranen

    Op een avond kwam ik aan
    in de werkplaats, in het huis
    van de hoekige dame
    die ronde vormen maakt

    van klei en aarde.
    Ik zag wel vijftig
    porseleinen tranen naast elkaar
    op de vloer gelegd en ze zei:

    ‘Tja, ik weet het ook niet,
    het gaat maar door.
    Misschien als ik suja zeg
    of tot honderd ga…’

    Misschien, dacht ik
    als je ze rangschikt
    naar verdriet.

    Ik had daarom beter moeten nadenken welk boek ik meenam toen ik naar een afspraak met de fysiotherapeut ging. In de wachtkamer waren twee mannen met hun telefoon bezig, ze bromden wat zonder op te kijken toen ik goedemiddag zei. Ik pakte het boek Uit het leven van een hond van Sander Kollaard uit mijn tas, waarin één dag uit het leven van goeierd Henk van Doorn en zijn hond Schurk wordt beschreven. Ik had het bijna uit, moest nog maar een paar bladzijden voordat ik geroepen zou worden. Maar ik had er niet op gerekend dat aan het einde van dit heerlijke boekje de schrijver zijn zelfopgelegde restrictie van 24 uur zou overschrijden door iets in de toekomst te beschrijven: Henk zal weliswaar gelukkig worden, maar zonder Schurk, die hij zeven maanden later moet laten inslapen: ‘[…] nog een keer zijn gezicht in die verrukkelijke Schurkvacht duwen, en nog een keer [..] maar zich dan abrupt omdraaien en weglopen, naar buiten, dat gedrocht van een wereld in.’
    Henk herinnert zich dat de dierenarts die bij het afscheid aanwezig is, een zoon verloren heeft en wil hem omhelzen, maar hij doet het niet. 

    Toen de fysiotherapeut me riep, zaten de tranen me hoog. Ik wilde nog een valse verklaring geven, zo van: wat een gure wind, he? Maar hij was de trap al op. Toen hij tijdens een oefening mijn arm hoog boven mijn schouder tilde, zag ik een kans om mijn tranen ongegeneerd te laten vallen, waarop hij geschrokken vroeg of het echt zo zeer deed. 

    Waarom kan Henk de dierenarts niet omhelzen, waarom kan ik niet gewoon tegen de therapeut zeggen: ik heb een boek gelezen waardoor ik geraakt ben en nou moet ik een beetje huilen. Waarom doen we onszelf altijd anders voor dan we zijn? Waarom moet schaamte altijd de overhand krijgen boven andere emoties? Ik zal toch niet de enige zijn die jankt om een boek?

    Enfin, volgende keer maar een woordenboek meenemen om te lezen in de wachtkamer, of iets anders dat geen tranen kan trekken. Ik sta open voor suggesties.

     

     

    Uit: Gerry van der Linden, Aan mijn veren hand (1993)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.