• Een avond Poetry International

    Het is een warme woensdagavond in Rotterdam als de 47e editie van Poetry International  plaatsvindt. Dit keer in het sfeervolle RO theater in plaats van in de imposante Rotterdamse Schouwburg. Waar ik mij voorgaande jaren (was het 2009 en 2014?) in een elegant poëziepaleis waande en over de glanzende stenen vloer schreed met het geluid van rinkelende glazen in mijn oren, bevind ik mij nu met beide benen op (artistieke) grond.

    Bohemien knus theater
    De foyer van het RO Theater is een eenvoudige kleine ruimte: één bar, wat tafeltjes met stoelen, tapijt op de vloer. Buiten op het terras zitten vooral vijftigplussers met een glas wijn het programma door te nemen. Een groepje festival-vrijwilligers en dichters bespreken uitgebreid hun uitgaansavonturen en nieuwe poëzie. Een vrouw steekt een joint op. Ik zie hoe een jonge dichter en een oudere dichter elkaar met warmte begroeten en informeren naar elkaars nieuwe bundels. Ik begrijp de keuze voor deze nieuwe locatie – dichters en hun bewonderaars horen thuis in bohemienne, knusse theaters.

    Om vijf voor acht hoor ik de vrouw van de joint zeggen dat we nog zeven minuten hebben. Ik loop naar de studiozaal om te gaan luisteren naar de voordracht van drie internationale dichters. In de studio hangt een aangename, lichte houtgeur. Achterin nemen bezoekers plaats op de tribune, enkele bezoekers kiezen een stoel bij een tafeltje dichtbij het podium. Het licht dimt en de gastheer introduceert de dichters.

    Reading: Three Poets
    Jeet Thayil (1959) is een Indiase vijftiger die met zijn gekleurde brillenglazen, pak en charisma, doet denken aan George Michael. Thayil introduceert elk gedicht met de (veelal exorbitante) titel, inhoud en een kort technisch verhaal over de vorm van het gedicht. Thayil vertelt in meerdere gedichten over het verwoestende effect van drugsgebruik, en over zijn eigen heroïne verslaving  (The Heroin Sestina).In een cynisch gedicht protesteert hij  tegen de Indiase overheid (The Rules For Citizens). Tenlotte is er ruimte voor humor. Bij het laatste gedicht, The Consolations of Age (De troost van het ouder worden), laat hij eerst een stilte vallen en dan: There are none. It is a blank page. Het publiek lacht, en Thayil lacht uitbundig mee.

    De volgende dichter is de Italiaanse Laura Accerboni (1985). Een kleine vrouw met een bos krullen neemt plaats achter de photo_laura_accerboni_4x4jpg_220x500microfoon. Ze citeert haar gedichten aan één stuk, waarbij het niet altijd duidelijk is waar het ene gedicht eindigt en het andere begint. Met grote, indrukwekkende ogen schetst ze ons bizarre, gewelddadige en surrealistische beelden voor. Ze slaat spijkers in haar handen zodat ze niet meer beven (‘’Coldness’’). In ‘’Yesterday the tallest boy’’ kauwt een zoon op stenen om zijn moeder te tonen dat een vernield huis alleen maar een vernield huis is. De mensen in het publiek zijn stil en lijken niet te weten hoe om te gaan met de dreunende woordenmars van Accerboni. Als ze klaar is krijgt ze een luid applaus.

    De laatste dichter is de Nederlandse Anneke Brassinga (1948), die vorig jaar de P.C. Hooft prijs won voor haar gehele poëzie oeuvre. Ze krijgt direct de volle aandacht van het publiek door haar indringende blik en vloeiende, verhalende voordracht. Brassinga deelt in haar gedichten veelal haar gemengde gevoelens en gedachten over vergankelijkheid. Eén van de mooiste voorbeelden hiervan is De goede afloop. Ze begint het gedicht met de vraag:

    Wat doen we hier eigenlijk?

    Later in het gedicht:

    Wat we niet doen is opletten/Of is de afgrond onzichtbaar, of/bestaat er geen afgrond voor je erin valt/langs gladde steenwand suist?

    Aan het einde van het gedicht raakt ze mij onverwacht met tederheid:

    In het gras naast de beek op de bodem/wacht God, zo blij als een moeder die al die/tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s,/sherry in het glas. En vanachter de bloeiende/bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten/voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon.

    The Complete Works
    the_complete_works008jpg_220x500Na een pauze ga ik naar The Complete Works. Een documentaire van Justin Stephenson over het werk van de experimentele Canadese dichter bpNichol (1944-1988), een pionier in de concrete-, sound– en digital poetry. Dit zijn termen die ik nog nooit gehoord heb, dus ik ben nieuwsgierig. In de documentaire verschijnen verschillende oude vrienden van bpNichols die zijn werk citeren en iets vertellen over hun band met de dichter.

     

    Een rode draad is de vriend die het gedicht Billy The Kid voorleest: een kort verhaal over een cowboy die vanwege zijn kleine geslachtsdeel allerhande onverstandige beslissingen neemt, zoals het neerschieten van mensen. Een andere vriend laat een voorbeeld zien van bpNichols sound poetry: hij maakt een geluid wat lijkt te beginnen als een normaal woord, maar vervolgens alle kanten op gaat – van hoog en snel gepiep tot een lange, uitgerekte geeuw. Het publiek lacht voorzichtig. De voordrachten worden afgewisseld met korte fragmenten van geluid, beeld en poëzie. Wat deze fragmenten precies zijn wordt niet duidelijk: is het het originele werk van bpNichols, is het kunst waarbij bpNichols’ poëzie wordt gebruikt of is het iets anders? Deze vraag blijft mij bezig houden.

    Met mijn hoofd vol poëzie verlaat ik het theater. Buiten is het afgekoeld en begint het te schemeren. Ik loop de Witte de Withstraat uit en denk aan de dichters op het terras, dat ze geïnspireerd naar huis zullen gaan. Net als ik.

     

  • Hagar Peeters wint Fintro Literatuurprijs 2016

    De grootste literaire prijs in België werd gewonnen door dichter Hagar Peeters. Ze won met haar debuutroman Malva de Fintro Literatuurprijs. De lezersjury koos auteur P.F. Thomése met zijn boek De onderwaterzwemmer, een roman over een jongen die in de laatste jaren van de oorlog zijn vader kwijtraakt. De prijs werd in 1995 als Gouden Uil ingesteld en is nog nooit door een vrouw gewonnen. Ook voor het eerst was er geen Belgische schrijver genomineerd voor de prijs. Lacherig werd wel gezegd dat hiermee revanche werd genomen op de EK, waar Nederland niet voor gekwalificeerd is maar België wel. Aan de prijs is een bedrag van 25.000 euro en een sculptuur verbonden.

    In een recensie op deze site van Malva, ‘Wat een fantastisch boe,  een geweldig onderwerp, beschreven vanuit een zeer verrassend perspectief in puur poëtische taal. Het boek van het jaar!’

    Malva gaat over de gehandicapte dochter van een Nederlandse vrouw en de beroemde Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973). Hij verbant het kind uit zijn leven. Het meisje had een waterhoofd en overleed op achtjarige leeftijd. Ze werd begraven in Den Haag. Peeters voert haar op als alleswetend personage waardoor ze slim en ironisch overkomt. Alles om te voorkomen dat ze als een meelijwekkend meisje te boek zou staan. “Het verzwegen kind kan ineens alles vertellen,” liet ze vorig jaar in een interview met Arjan Peters weten.

    Peeters’ reactie op de prijs: ‘Soms weet je niet of je nu een schrijver bent of niet. Tijdens het schrijven vroeg ik me dat vaak af. Op dit moment voel ik me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld heb.’

    Andere genomineerden dit jaar waren Stephan Enter met Compassie, Connie Palmen met Jij zegt het, Inge Schilperoord met Muidhond en P.F. Thomése met De onderwaterzwemmer.

    Vorig jaar ging de prijs naar Mark Schaevers voor zijn boek Orgelman en koos de lezersjury De consequenties van Niña Weijers tot beste boek.

     

  • Fleur de Weerd wint VPRO Bob den Uylprijs 2016

    De prijs voor het beste Nederlandstalige reisboek uit het afgelopen kalenderjaar is naar Fleur de Weerd gegaan voor haar boek Het land dat maar niet wil lukken (Atlas/Contact). De prijs, waaraan een bedrag van 7.500 euro is verbonden, werd zondagmiddag 5 juni uitgereikt in de Amsterdamse Hortus.

    Vanaf 2012 tot begin dit jaar was De Weerd verslaggever vanuit Oekraïne voor dagblad Trouw. Volgens de jury is Het land dat maar niet wil lukken, een onbevangen en gelaagd reisboek over het ontwrichte Oekraïne.

    Aan de hand van vele conversaties en anekdotes krijg je inzicht in de onderliggende dynamiek van de Oekraïense samenleving. Door onze normatieve opvattingen over goed en fout aan het wankelen te brengen, weet ze een helder licht te werpen op het grijze gebied daar tussenin. Geraffineerd legt ze het spanningsveld in de regio bloot, waarna de lezer achterblijft in het besef dat een oplossing voor dit conflict nog heel ver weg is.

    Fleur de Weerd (1985) ontving de prijs uit handen van juryvoorzitter Clairy Polak. De jury prijst de wijze waarop ze het ontwrichte Oekraïne portretteert aan de hand van vele ontmoetingen met gewone Oekraïners: boeren, feministen, ultranationalisten, huwelijksmakelaars, kozakken en prostituees. Onbevangen beweegt De Weerd zich langs de grenzen van het conflict, zonder de menselijke verhoudingen uit het oog te verliezen. Gaandeweg begint de lezer iets te begrijpen van dit land en zijn grillige geschiedenis, om uiteindelijk te beseffen dat een oplossing voor dit conflict nog heel ver weg is.

    De oveverige genomineerde waren:
    Laurens Samsom  – Tegendraadse dromen. Dwars door Israël en de Palestijnse gebieden (Prometheus)
    Sandra Smallenburg – Expeditie Land Art. Landschapskunst in Amerika, Groot-Brittannië en Nederland (De Bezige Bij)
    Laura Starink  – De schaduw van de grote broer. Letten en Russen, Joden in Polen, Duits Kaliningrad, Oorlog om Oekraïne (Atlas/Contact)
    Tommy Wieringa – Honorair Kozak (De Bezige Bij)

    De jury werd dit jaar gevormd door Clairy Polak (voorzitter), Karin Amatmoekrim (schrijver en letterkundige), Mathijs Deen (schrijver en radiomaker), Alexander Reeuwijk (schrijver) en Rosan Smits (hoofd Conflict Research Unit bij Clingendael).

    Zondag 12 juni is Fleur de Weerd te gast in VPRO Boeken, NPO1 om 11.20 uur

    Op vpro.nl/boeken is het hele juryrapport en informatie over de genomineerde auteurs te lezen.

     

  • Over hebzucht, eenzaamheid en vrijheid

    Een oranje bank in een huiskamer. Linksvoor op het podium een eetkamerstoel en een trap naar de bovenverdieping. Links achter de bank een klein dressoir. De achterpui van de huiskamer bestaat uit twee plafondhoge dubbele tuindeuren. Het dak van de veranda is te zien. Rechts een gedeeltelijk zichtbare achterkant van een piano. Rechtsvoor op het podium een pickup met daaromheen slingerende lp’s op de vloer. Herkenbaar zijn onder andere platenhoezen van Bob Dylans Bringing It All Back Home uit 1965 en Songs van Leonard Cohen uit 1967.

    Dit is het decor van ontwerper Thomas Rupert waarin het Nationale Toneel The Little Foxes speelt. Lillian Hellman (1905-1984) schreef het toneelstuk in 1939. Het werd voor het eerst opgevoerd op Broadway in dat zelfde jaar. Het verhaal speelt in het begin van de negentiende eeuw. Regisseur Antoine Uitdehaag vertelt in het programmaboekje dat het stuk qua tijd is aangepast. De nieuwe bewerking speelt in de Amerikaanse provincie in de vroege jaren zestig.

    Het belangrijkste thema is hebzucht. Het is nooit genoeg, mensen willen altijd meer. Het doet denken aan ‘Greed is good’, de uitspraak van Gordon Gekko uit de film Wallstreet. Maar of je er gelukkig van wordt?

    Gearrangeerde huwelijken
    In de eerste scène van The Little Foxes vieren twee broers (Oscar en Ben Hubbard) met hun zuster (Regina Giddens) en een investeerder (William Marshall) dat ze een nieuwe katoenfabriek gaan bouwen. Ze willen goedkoper produceren en meer winst maken. Oscar is rijk geworden door zijn huwelijk met Birdie. Zij is de erfgename van de grootste plantage uit de streek. Ben en Oscar hebben hun deel voor de nieuwe fabriek al vrijgemaakt, maar Regina kan nog niet inleggen. Haar man Horace heeft zijn aandelen namelijk in bewaring gegeven bij de bank. Hij ligt in het ziekenhuis in Baltimore. Dochter Alexandra krijgt de opdracht haar vader op te halen. Intussen worden de broers ongeduldig, bang dat de deal uiteindelijk toch nog stuk zal lopen. Zij schakelen zoon Leo, die bij de bank werkt, in om de aandelen van Horace in handen te krijgen.

    In de loop van het stuk komt naar voren dat alle huwelijken gearrangeerd zijn om bezittingen veilig te stellen. Er is geen liefde in het spel. Birdie is aan de drank geraakt. Regina droomt van een ander leven in Chicago. Zij bekent uiteindelijk dat ze nooit van haar man heeft gehouden: ‘Ik hoop dat je dood gaat! Ik kan niet wachten tot je dood gaat!’ Een volgend gearrangeerd huwelijk lijkt eraan te komen: dat tussen Alexandra en Leo, de zoon van Oscar en Birdie. Kan Alexandra aan haar ‘lot’ ontsnappen?

    Knappe rollen
    Anniek Pheifer speelt de rol van Regina Giddens. Zij won in 2015 de Mary Dresselhuys Prijs. De jury roemde haar ‘ragfijne inlevingsvermogen en haarscherpe techniek’, waarmee ze ‘schijnbaar moeiteloos van doorvoeld realisme naar droogkomisch naturel of hilarische slapstick’ overschakelt. Dat vermogen laat ze ook weer zien in haar rol van Regina. Het is knap hoe zij een onsympathiek en egoïstisch personage speelt. Tussen al die hebzuchtige mensen speelt Sallie Harmsen de liefdevolle dochter Alexandra Giddens. De stukken met vader Horace (Pieter van der Swan) in de rolstoel zijn ontroerend. Alexandra beschermt haar vader Horace bijvoorbeeld tegen de harde woorden van Regina door haar handen tegen zijn oren te houden. Een scherp contrast met de scènes waarin de broers Oscar (Jappe Claes), Ben (Mark Rietman) en investeerder William Marshall (Joris Smit) alleen maar met geld en rijkdom bezig zijn. Rijk worden is voor hen het belangrijkste van alles. Regina: ‘Ik denk dat je een arbeider moet zijn of een miljonair. Daar tussenin, dat is niks.’

    Addie de huishoudster van de familie Giddens, (een rol van Antoinette Jelgersma) formuleert het nog scherper. Hebzucht vreet de wereld kaal: ‘Er zijn nu eenmaal mensen die de aarde opeten. En er zijn mensen die erbij staan te kijken hoe ze alles opeten.’

    Details
    Mooi detail is het roken op het toneel, dat past in het tijdsbeeld. De toeschouwer kan de rook ruiken en omhoog zien kringelen. Bram Suijker is als zoon Leo overtuigend als de sukkelige bankbediende die graag bij de grote jongens wil horen. Zijn aanwezigheid zorgt voor lichtheid in het stuk. Betty Schuurman geeft uitstekend vorm aan de alcoholverslaafde Birdie.  Antoinette Jelgersma speelt niet alleen een huishoudster, ze is het gewoon. Tussen alle commotie in ruimt ze tafels af, sopt en stofzuigt en schenkt volop koffie en port. En ze ontfermt zich over de zwakkeren in de familie zoals Birdie, Alexandra en Horace.

    Licht- en geluidseffecten en muziekfragmenten ondersteunen op een knappe manier de ontwikkelingen in het verhaal. Zo wordt de eenzaamheid en hardheid van Regina benadrukt door licht vanaf de zijkant van het toneel waardoor haar silhouet scherp aftekent op de muur. Prachtig. De oplopende dramatiek in het deel na de pauze krijgt nadruk door onweersgeluiden. De regen is niet alleen hoorbaar, maar ook zichtbaar. Het water stroomt vanaf het dak van de veranda naar beneden. De muziek in het stuk symboliseert de vrijheid. Addy heeft een singeltje in haar schortjas. Als ze de huiskamer stofzuigt, zet ze het melancholieke Latijns-Amerikaanse plaatje op en danst vol overgave. Totdat een van de broers ruw de platenspeler omschopt.

    Mark Rietman en Jappe Claes zetten de zelfzuchtige broers geroutineerd neer. Joris Smit, als Marshall, is met zijn mooie pak een gladde bankier. Rietman schittert als de manipulerende broer die steeds weer nieuwe mogelijkheden ziet. Daar waar het plan dreigt te mislukken, vindt hij oplossingen die immer ten nadele zijn van de ander maar hij brengt het zo vanzelfsprekend dat die ander er mee in zee gaat. Zijn patserige houding en vileine reacties zijn meesterlijk en roepen geregeld een verbazingwekkende lach uit de zaal op.
    Anniek Pheifer als ontevreden en egoïstische echtgenoot en moeder die over lijken gaat, is zo overtuigend in haar rol, dat het bewondering wekt.

    Aan het eind van het stuk staan de zelfzuchtigen met lege handen. De hebzucht afgestraft, de onbaatzuchtigen beloond. Addy, de huishoudster heeft een som geld toegestopt gekregen van Horace en Alexandra de dochter zal niet uitgehuwelijkt worden en danst op muziek van Subterranean Homesick Blues van Bob Dylan het stuk uit.

     

    Gezien in de Stadsschouwburg Utrecht
    The Little Foxes,
    door het Nationale Toneel
    Nog te zien tot 15 juni in o.a. Venlo, Eindhoven, ’s-Hertogenbosch en ’s-Gravenhage (meerdere avonden).

     

  • Connie Palmen wint Libris Literatuurprijs

    Niet eerder iemand zo volslagen verrast en onthand de Libris Literatuurprijs zien winnen. En nooit iemand zo’n domme vraag horen stellen aan een prijswinnaar. Connie Palmen won, geheel naar verwachting of juist volledig onverwacht, met haar boek Jij zegt het de fel begeerde prijs, zo werd gisteravond bekend gemaakt in het Amsterdamse Amstel Hotel door de voorzitter Dick Benschop:

    ‘Libris Literatuur Prijs 2016 gaat naar deze schitterende roman, waarin verlangen en gemis, liefde en dood een huiveringwekkend verbond zijn aangegaan.’

    Palmen vindt spanning onaangenaam, liet ze later weten aan Twan Huys in Nieuwsuur. En dat was haar aan te zien toen bekend werd dat zij de prijs gewonnen had. Aan haar tafel barstte een ongelofelijk tumult los als was het getroffen door een schokkend nieuwsbericht. De spanning van weken als gedoodverfde winnaar de dagen door te komen, waarbij die laatste dag ook nog het Ajax – PSV syndroom kwam, ontlaadde zich bij de uitslag van de jury.

     

    Het winnende boek is, zoals ze het zelf noemt in een gesprek bij Boeken met Brands: Een ‘Judasroman’ over verraad. Het gaat in Jij zegt het over de noodlottige liefdesrelatie tussen het dichtersechtpaar Ted Hughes en Sylvia Plath. Waarin ze het woord geeft aan de echtbrekende en verguisde Ted Hughes.

    Beschamendste vraag die avond kwam van Twan Huys, of de jury barmhartig was geweest een vrouwelijke auteur te benoemen? Daar viel Palmen wel even bij stil en riposteerde dat dat niet te hopen was.

    Uit handen van Jet Bussemaker (minister Onderwijs- en Cultuur), ontving ze de Libris-cheque van 50.000 euro en een bronzen legpenning. Aan Twan Huys verzekerde ze dat dit geldbedrag haar leven niet overhoop zou gooien, gewoon doorgaan met leven in dat fijne grachtenpand in Amsterdam en de tijd nemen voor het schrijven van een volgend boek.

    Palmen debuteerde in 1991 succesvol met De wetten, voor haar tweede roman De vriendschap ontving ze in 1995 de AKO Literatuurprijs. Ze is bekend om haar romans die dicht op de werkelijkheid staan, zoals Lucifer, over de flamboyante componist Peter Schat en Geheel de uwe waarin veel over het leven van Ischa Meijer is te herkennen. En voor haar overleden geliefden schreef ze: I.M. (Ischa Meijer) en Logboek van een onbarmhartig jaar (Hans van Mierlo).

    Sans rancune werd ze door de overige genomineerden, P. F. Thomèse, (de tweede grote kanshebber), Alex Boogers (Alleen met de Goden), Inge Schilperoord (Muidhond), Thomas Verbogt (Als de winter voorbij is) en Joke van Leeuwen (De onervarenen) gefeliciteerd. Intussen staan Palmen en Thomèse nog op de shortlist van de Fintro Literatuurprijs (voormalige Gouden Boekenuil). Wie er dan zal winnen wordt 5 juni bekend gemaakt.

     

  • Indrukwekkende opening ILFU door PJ Harvey

    Literatuur leeft! In ieder geval vorige week in Utrecht waar het International Literature Festival Utrecht (ILFU) op 22 en 23 april plaatsvond. De openingsavond was een prachtige start voor een succesvol festival. Vorig jaar debuteerde zanger en tekstschrijver Nick Cave, tijdens het literatuurfestival, toen nog City2Cities, met zijn roman De dood van Bunny Munro. Dit jaar debuteerde de Britse singersongwriter PJ Harvey met de dichtbundel The Hollow of the Hand, een bundel waarvoor de Ierse fotograaf Seamus Murphy de indrukwekkende foto’s verzorgde.

    Een gestage stroom bezoekers zocht zich vrijdagavond 22 april een weg naar de grote hal van Postkantoor Neude waar zich uiteindelijk meer dan 550 bezoekers verzamelden in de grote gewelfde hal, in afwachting van het openingsoptreden van PJ Harvey.

    Tijdens het ILFU staat de romankunst volop in de belangstelling. En in deze twee dagen is er de unieke kans, volgens Literatuurhuisdirecteur Michael Stoker in zijn welkomswoord,  om ‘in het hoofd van de schrijver’ te verkeren. Deze avond stonden zeven interviews geprogrammeerd met Zia Haider Rahman, In het licht van wat wij weten, Nell Zink Misplaats, Hagar Peeters Malva, Michael Muhammad Knight, Taqwacore, Meena Kandasamy, de Zigeunergodin, Sunjeev Sahota, Het jaar van de gelukszoekers en Connie Palmen, Jij zegt het.

    Gekluisterd aan woord en beeld

    Maar eerst PJ Harvey (1969), de meisjesachtige tengere gestalte, de donkere lange haren sluik langs haar gezicht vallend, draagt veertig minuten lang gedichten voor uit The Hollow of the Hand. Veertig minuten waarin amper een schuifelen van voeten te horen is. Geen kuchje, geen applaus tussendoor, het was bladstil terwijl Harvey dichtregels uitsprak met een perfecte dictie in klank, kleur en sound. De indrukwekkende beelden van fotograaf Seamus Murphy werden ter begeleiding van de gedichten vertoond op zes beeldschermen die aan weerszijden van de zaal stonden opgesteld.

    In de loop van vier jaar reisde zij met Seamus Murphy naar Kosovo en Afghanistan en verzamelde verhalen van mensen in door oorlog merendeels verlaten dorpen. Na afronding van deze twee reizen moest er nog een stad bij om het compleet te maken, vertelt Harvey. Het werd Washington DC, de stad waar beslissingen genomen werden die van grote invloed waren op de ontwikkelingen in Kosovo en Afghanistan. Ze ging er ‘open minded’ heen, als een kind en schreef wat ze zag. Dit is wat ze onder andere over Afghanistan en Kosovo schreef:

    There must be something in the air
    There’s fighting everywhere

    En in Washington DC:

    They die young here with a belly full of vodka
    Is there a God of non and plenty?

    Over de uitgestrekte hand van een dakloze:
    People come and go, looking at their phones.
    Nobody takes the hand
    Stretching out, shining in the rain

    Na haar optreden vormde zich een lange rij fans bij de signeertafel. Een jong stel, dat speciaal voor haar vanuit Eindhoven naar het festival was gekomen, droeg de speciale editie van The Hollow of the Hand (groot formaat) in een tas bij zich om te laten signeren. Blij en opgetogen verlieten ze na de signeersessie het festival, de reis was nog lang.


    Spice girls

    Palmen31_6065967019309671103_nStoker kondigt de schrijfsters Kristien Hemmerechts en Connie Palmen aan als de ‘Spice girls van de Nederlandstalige literatuur’, waarmee gelijk de toon werd gezet. Hoe aandachtig en stil het publiek was bij PJ Harvey, bij Palmen werd er direct luid gelachen toen ze Stokers, die hen een glas witte wijn bracht, bedankte met: ‘Oh, wat fijn om begrepen te worden!’

    Hemmerechts leidt in door te zeggen dat de romans van Palmen, romans over echte mensen zijn. Ze tracht te omschrijven wie Ted Hughes en Silvia Plath zijn. Dan zegt Palmen, die de interviewster hoort zoeken naar de juiste omschrijving: ‘Zal ik even?’ Waarop ze begint te schetsen waar Ted Hughes vandaan komt. ‘Als je Engeland kent, ik ken het niet, voegt ze eraan toe. En omschrijft het gebied Happy Valley, waar Hughes is opgegroeid met grootse gebaren.

    De zoektocht naar wie Plath en Hughes nu werkelijk waren, wil niet vlotten en Palmen stelt voor de eerste bladzijden uit haar boek voor te lezen. Waarna Hemmerechts reconstrueert wat er allemaal voorgevallen is, waarop Palmen het overneemt omdat ze het beter weet. Palmen als het enfant terrible, keurt vragen goed of niet, weigert te antwoorden, kiest zelf de richting van het gesprek en laat Hemmerechts niet uitspreken. Zo schrijft Palmen niet om bij zichzelf te komen laat ze haast beledigd weten. Zij heeft de romankunst een stuk verder gebracht, meent ze, door van haar leven een roman te schrijven.

    Hemmerechts doet nog een poging met de vraag: ‘Lig je er wakker van wat de mensen van je vinden?’
    ‘Nee, ik lig wakker omdat ik teveel drink,’ bijt Palmen. ‘Schrijven heeft alles te maken met verraad, gaat ze verder. Waarna de dames nog een kleine woordenwisseling krijgen over van wie nu de uitspraak is: ‘Met een schrijver in de familie is het gedaan met de rust.’ Volgens  Hemmerechts was dat Philip Roth maar volgens Palmen de schrijfster die vorig jaar de Nobelprijs voor de literatuur gewonnen heeft. Om dan gelijk Roth als schrijver te loven, hoe die met passie over zijn vader heeft geschreven.

    Het mooiste moment moest toen nog komen en dat was toen Palmen uitriep dat in haar laatste boek de hele Matheus zit maar dat het geen mens is opgevallen, ‘geen theoloog heeft het gezien’, roept ze uit terwijl ze steeds woester haar haren naar achter strijkt waardoor ze nog wilder op haar hoofd komen te staan.

    Het was een literaire battle met prachtige scherpe uitspraken tussen twee vriendinnen die al te lang met elkaar gedold hadden. Het publiek smulde ervan; dit was hoe literatuur zich gedraagt achter de coulissen.

     

    Foto’s: Anna van Kooij

     

  • Filter Vertaalprijs voor Jan Gielkens

    Tijdens het International Literature Festival Urecht (ILFU) werd vrijdagavond bekendgemaakt dat Jan Gielkens de Filter Vertaalprijs 2016 heeft gewonnen met zijn vertaling van Grimms Wörter (2011), De woorden van Grimm: een liefdesverklaring van Günter Grass (2015).

    Jan Gielkens (1952) won de prijs met een boek dat volgens de Duitse schrijver en Nobelprijswinnaar Günter Grass (1927 -2015) zelf, onvertaalbaar zou zijn. De woorden van Grimm is het laatste bij leven gepubliceerde boek van Günter Grass en het derde deel van zijn autobiografische trilogie. De vorm van het boek is ontleend aan het immense maar onvoltooid gebleven woordenboek van de befaamde Gebroeders Grimm. Het is geschreven in een mengeling van non-fictie en fictie en is een liefdesverklaring aan de Duitse taal en haar eigenaardigheden waarin veel citaten uit de Duitse literatuur zijn opgenomen. Een complex werk  dus. Tijdens een vertalers bijeenkomst in 2009 te Lübeck, liet Grass dan ook weten dat zijn volgende boek onvertaalbaar zou zijn. Maar er waren een paar vertalers die tegenwierpen dat niet hij uitmaakte of iets vertaalbaar was, maar de vertaler zelf. Die tegenwerping stak Grass in zijn zak en liet de vertalers hun eigenwaarde.

    grimmGielkens was een van die vertalers en toen Meuelenhoff, die al vijftig jaar uitgever is van Grass, besloot het boek te laten vertalen, verzamelde hij moed en ging aan de slag. Dat de moeite die het koste niet onbeloond zou blijven, bewijst het oordeel van de jury. Die koos voor een vertaling waarin de vertaler zijn gezicht moet laten zien: een boek over de Duitse taal en geschiedenis, geïnspireerd op woorden en lemma’s uit het Deutsches Wörterbuch van de gebroeders Grimm,  dat wemelt van de citaten en hoge eisen stelt aan zijn lezer. ‘Behendig laveert Gielkens tussen vernederlandsing van het Duits, behoud van passages in de brontaal en radicaal nieuwe, doeltaalgerichte oplossingen, met zin voor sérieux maar zonder het speelse register los te laten. […] De kroon op de vertaling van een oeuvre.’

    Jan Gielkens (1952) studeerde Duitse Taal- en Letterkunde in Utrecht. In 1998 promoveerde hij in Bremen op een proefschrift over Karl Marx en zijn Nederlandse verwanten. Hij is samensteller en auteur van boeken, artikelen en columns over sociale geschiedenis, textual scholarship, boekwetenschap en vertaalgeschiedenis. Sinds eind jaren zeventig is hij literair vertaler uit het Duits. Hij vertaalde werk van Sarah Kirsch, Paul Celan, Botho Strauss, Nicolas Born, Georg Büchner, Maxim Biller, Victor Klemperer en anderen, en dertien boeken van Günter Grass. In een interview met Gielkens  op de site van het Goethe Institute liet hij weten dat Die Blechtrommel (De blikken trommel) van Grass zijn lievelingsboek is, ‘fenomenaal mooi en belangrijk’.

    Overige genomineerden waren, Robert Dorsman, Jan van der Haar en Alfred Schaffer voor Medeweten van Antjie Krog (Podium), Hans Driessen voor Berlijn Alexanderplatz van Alfred Döblin (Wereldbibliotheek), Martin de Haan en Rokus Hofstede voor Wereld, wereld! van Régis Jauffret (De Arbeiderspers), Arie van der Wal voor Echtscheiding in de lucht van Gonzalo Torné (Atlas Contact).

    De jury bestond uit Luk Van Haute, winnaar van de Filter Vertaalprijs 2015, Fedde van Santen, directeur van de VertalersVakschool en Linda Pennings, Italianiste aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werden namens de redactie van tijdschrift Filter bijgestaan door juryvoorzitter Ilse Logie en Caroline Meijer.

    Het prijzengeld van de Filter Vertaalprijs wordt opgebracht door tien vooraanstaande uitgeverijen: Athenaeum, De Arbeiderspers, De Bezige Bij, Historische Uitgeverij, Lebowski, Meulenhoff, Podium, Van Oorschot, Vantilt, Wereldbibliotheek en een anonieme begunstiger. Hiermee willen zij bijdragen aan een grotere maatschappelijke waardering voor uitzonderlijke vertaalprestaties zoals die sinds 2007 jaarlijks door de jury van de Filter Vertaalprijs onder de aandacht worden gebracht.

     

     

     

  • Mooie shortlist Libris Literatuur Prijs

    De gelukkigen die op de deze week bekend gemaakte shortlist staan zijn de debutant, Inge Schilperoord met Muidhond die ook al genomineerd werd voor de AKO-Literatuurprijs, evenals De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése. Alex Boogers werd verkozen voor de shortlist met zijn achtste boek  Alleen met de goden, Joke van Leeuwen met De onervarenen en Connie Palmen met Jij zegt het. En ‘last but not least‘ Thomas Verbogt met Als de winter voorbij is.

    De jury zegt dat ze zich zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk lezend wilde laten verrassen: Daarin schuilt een grote aantrekkelijkheid van literatuur: dat je nu juist als lezer niet krijgt wat je verwacht. Dat een schrijver zijn stijl inzet om je omver te blazen. Dat je wordt meegevoerd in andermans hoofd of een onbekende wereld en wordt geraakt, getroffen, overtuigd en overrompeld. Dat er na lezing wezenlijks iets in je is veranderd.


    Literair Nederland
    recenseerde vijf van de genomineerden:

    De onervarenenAnky Mulder over De onervarenen van Joke van Leeuwen:

    Behalve onoverkomelijke moeilijkheden en vervlogen dromen laat De onervarenen de kracht van aanpassingsvermogen zien. En dat niet iedereen in staat is zichzelf opnieuw uit te vinden.

     

     

    Alleen met de godenAdri Altink noemt Alleen met de goden een rauw maar ook hoopvol stemmend boek:

    Boogers schrijft  boeiend, bijna luchtig, en met een inktzwarte humor, waardoor de werkelijkheid zich des te naargeestiger opdringt. De monologen zijn vaak erg mooi verweven in de chronologie van het feitelijke verhaal, waardoor sommige hoofdstukken juweeltjes van vlechtwerken van verhaallijnen zijn.

     

    Thomas van Lier over Muidhond van Inge Schilperoord: muidhond

    Schilperoord maakt van Jonathan een kwetsbaar en dubbelzinnig personage dat worstelt met zijn verboden neigingen zonder de ernst van de situatie te bagatelliseren.

     

     

    Als de winter voorbij isOlivier Rieter noemt Als de winter voorbij is van Thomas Verbogt een subtiel en ingetogen geschreven boek waarvan de thematiek interessant is en: de sfeer je doet verlangen naar meer van dergelijke geschriften.


     

     

     

    De onderwaterzwemmerCarlijn Brouwer over De onderwaterzwemmer van P.F. Thomése:

    De onderwaterzwemmer is te mooi om ongelezen te blijven en onderstreept wat een verrassende schrijver P.F. Thomése is.

     

     

     

    De jury die naast Dick Benschop (oud staatssecretaris) bestaat uit Onno Blom, Sebastiaan Kort, Hanca Leppink en Margot Vanderstraeten, gaat zich de komende tijd buigen over de vraag welke van de zes romans als beste boek van het afgelopen jaar gekenmerkt gaat worden. De bekendmaking op 9 mei is tijdens het traditionele galadiner voor genodigden in het Amstel Hotel te Amsterdam. Vorig jaar ging de prijs naar Ik kom terug van Adriaan van Dis.

    Aan een nominatie voor de shortlist is een bedrag van 2.500 euro verbonden. De bekroonde laureaat ontvangt 50.000 euro.

     

     

  • Twee Nederlanders op de shortlist Hans Chr. Andersenprijs 2016

    Ted van Lieshout en Marit Törnqvist staan op de shortlist van wat ook wel de Nobelprijs voor jeugdliteratuur wordt genoemd. Van Lieshout stond ook voor de Hans Chr. Andersenprijs 2014 al op de shortlist. Het is de hoogste eer die je als kinderboekenmaker kunt ontvangen. In 1988 ging deze bekroning naar Annie M.G. Schmidt en in 2004 naar Max Velthuijs.

    Ted van Lieshout (1955) heeft gestudeerd aan de Rietveld Academie. Sinds 1986 schrijft en illustreert hij proza (fictie en boeken over kunst) en poëzie voor kinderen. Hij schrijft toneelscenario’s, (muziek)theaterstukken en liedjes voor bekende televisieprogramma’s, zoals Het Klokhuis en Sesamstraat. Een bijzonder autobiografisch tweeluik vormen de dichtbundel Zeer kleine liefde (1999) en zijn eerste roman voor volwassenen, Mijn meneer (2012). Hierin vertelt hij vanuit het perspectief van zijn jongere ik over de relatie die hij als jongen had met een pedofiel. In 2009 ontving hij de Theo Thijssenprijs voor zijn gehele oeuvre. Een jaar later kreeg hij als eerste de Willem Wilmink-prijs, de prijs voor het beste kinderlied. En in 2012 mocht hij de Woutertje Pieterse Prijs en een Zilveren Griffel in ontvangst nemen voor zijn blokgedichten in Driedelig paard. Van Lieshout onderscheidt zich van veel andere auteurs door de veelzijdigheid van zijn oeuvre, de dialoog tussen woord en beeld en zijn originele en beeldende stijl.

    Marit Törnqvist (1964) volgde de opleiding tot illustrator aan de Rietveld Academie, met Carl Hollander en Thé Tjong-Khing als docenten. Dit jaar viert zij haar 25-jarig jubileum als illustratrice (én auteur). Zij illustreerde veel boeken van Astrid Lindgren. In 1995 verscheen haar eerste zelfgeschreven (en geïllustreerde) boek, Klein verhaal over liefde, dat met een Zilveren Griffel bekroond werd. Bijna 10 jaar later volgden Bellen blazen in Burundi en Wat niemand had verwacht. Ook werkte zij samen met onder anderen haar moeder Rita Törnqvist-Verschuur, Annie Makkink (Helden op sokken) en Hans en Monique Hagen (Jij bent de liefste) Sjoerd Kuyper (Ik blijf altijd bij je) en Toon Tellegen (Pikkuhenki). Voor dit laatste boek ontving ze het Gouden Penseel 2006. In januari 2013 verscheen bij uitgeverij Querido het prentenboek, Groter dan een droom, dat ze maakte met de Vlaamse auteur Jef Aerts. Törnqvist is een van de meest talentrijke illustratoren van dit moment, die ook internationaal veel erkenning krijgt.

    Ted van Lieshout staat op de shortlist voor auteurs samen met Cao Wenxuan (China), Louis Jensen (Denemarken), Mirjam Pressler (Duitsland) en Lois Lowry (USA).

    Marit Törnqvist: staat op de shortlist voor illustratoren samen met Rotraut Susanne Berner (Duitsland), Pejman Rahimizadeh (Iran), Alessandro Sanna (Italië) en Suzy Lee (Korea).

    De winnaars van de Hans Chr. Andersenprijzen 2016 worden bekendgemaakt tijdens de kinderboekbeurs in Bologna (op maandag 4 april tussen 14.30 en 15.00 uur).

     

  • Ambassadeurs en locaties Schwobfest bekend

    Het is voor het eerst dat de Schwobactie aftrapt met een Leesclubfestival waarbij negen ambassadeurs op negen Utrechtse locaties negen leesclubs leiden van negen boeken uit de winterselectie. En het is een prachtige winterselectie. Klassiekers die zich over de hele wereldbol afspelen: in Frankrijk, Catalonië, Wenen en Engeland, de VS, Argentinië en Peru, in Noord-Afrika en in Australië.

    Zo speelt de roman De brug van San Louis Rey van Thornton Wilder (VS 1928) in Peru en gaat over vijf mensen die zich toevallig allemaal op dezelfde Incabrug bevinden wanneer die het begeeft. Wilder won er de Pulitzerprize mee en Tony Blair haalde het boek aan in 2001 tijdens de herdenkingsceremonie van de gevallenen tijdens de aanval op de Twintowers. De Argentijnse schrijver César Aira publiceerde meer dan tachtig romans, novelles en essays. Je kunt wel zeggen dat hij alleen in Nederland nog een geheimtip is. Angela Carter (voor het eerst in het Nederlands vertaald) met een coming of age-verhaal en nog zes andere absolute aanraders.

    Hieronder de ambassadeurs van de herontdekte schrijvers en de plek waar de leesclub plaatsvindt:

    Jet Steinz, gaat in het Literatuurhuis in gesprek over Angela Carter.

    Willem Jan Otten, gaat in de erkerkamer van de Centrale Bibliotheek in gesprek over Thornton Wilder.

    Theo Hakkert, gaat in de bibliotheek van het Instituto Cervantes in gesprek over César Aira.

    Arnold Heumakers, gaat bij Antiquariaat Hinderickx & Winderickx in gesprek over Emmanuel Bove.

    Abdelkader Benali, gaat bij Broese boekverkopers in gesprek over Mohammed Choukri.

    Bob Kappen, gaat bij boekhandel Savannah Bay in gesprek over Elisabeth de Waal.

    Johannes van der Sluis, gaat in gesprek over Francesc Trabal.

    Patrick Pouw gaat in Café Lebowski het gesprek leiden over Penelope Mortimer’s De pompoeneter.

    Ellen Deckwitz, gaat in het Aboriginal Art Museum de leesclub leiden over de Australische schrijfster Elizabeth Harrower.

    Aansluitend aan de leesclub is er vanaf 16.30 uur Schwobfest met muziek, de ontdekkersquiz (win alle negen boeken!) en een uitgebreide borrel.

    Meer informatie over Schwobfest vindt u hier.

     

     

  • Integraal interview Paul Beers met Witold Gombrowicz

     

    Dit interview van vertaler Paul Beers met de Poolse schrijver Witold Gombrowicz vond plaats in in 1967 in Vence, Zuid Frankrijk en verscheen Vrij Nederland.

    Vier romans en de verhalen van Witold Gombrowicz gebonden in een dundrukeditie van bijna duizend pagina’s verschenen in een oplage van 511 genummerde exemplaren en in herziene vertaling door Paul Beers bij uitgeverij IJzer (2015).

    Gombrowicz behoort met Bruno Schulz en Stanislaw Ignacy Witkiewicz tot de belangrijkste Poolse schrijvers van de 20e eeuw. In zijn meest productieve jaren woonde hij in Argentinië (1939 tot 1963) waardoor hij in Europa niet de bekendheid genoot die hij verdiende. Pas in 1960, nadat de roman Pornografie was verschenen, veroverde hij de literaire kritiek in Frankrijk en Duitsland waarna vele andere landen volgden. Zijn debuutroman Ferdydurke bleef zijn meest succesvolle roman. Na een verblijf in Berlijn, vestigde hij zich in Vence, Zuid-Frankrijk, waar hij zijn laatste roman Kosmos (1965) voltooide waarmee hij de prestigieuze Internationale Literatuurprijs 1967 (Prix Formentor) won. Het Parool schreef over Gombrowicz dat hij ‘onherhaalbare romans schrijft’. En dat het een verademing is ze te lezen, ook als men er niet compleet door veroverd wordt.

    De Volkskrant over De Verhalen: ‘een stijl waarvoor niets te dol is, van de meest krankzinnige grappen tot de meest clichématige plechtstatigheden. De vertaler heeft Gombrowicz in onze taal een schitterend eigen idioom geschonken, waarvan ik mij eerlijk gezegd maar moeilijk kan voorstellen dat het in het Pools nog overtroffen zou kunnen worden.’
    (Onderaan de pagina de link waar deze dundrukeditie te verkrijgen is.

     


    INTERVIEW:

    30 juli 1967

    Vence, zondagavond 7 uur, de grootste hitte is achter de rug. In een van de hoeken van de grote Place du Grand Jardin, verscholen haast, een stijlvol ouderwets herenhuis, drie naambordjes onder elkaar, drie bellen, de bovenste van Witold Gombrowicz. De deur klikt open, een koele, haast donkere hal, een hol naar beneden galmende stem: ‘Qui est là?’ – ‘Le traducteur hollandais’, ik loop twee trappen op, sta dan voor de man die ik meen te kennen, die mij niet kent. Een blaffende hond, sst, sst, een jonge vrouw van een jaar of dertig pakt hem bij de halsband, knikt, doet de deur van de werkkamer voor ons open. Stilte, hijgen, de astma waar hij in zijn laatste brief over schreef heeft hem niet verlaten, juist vandaag is die door de vochtige lucht extra hardnekkig. Vijf minuten om op adem te komen en waarin mij een whisky-soda wordt gebracht door de zeer vriendelijke gezellin van de schrijver. Nee, hij is niet jong meer, deze schrijver van jeugd en onrijpheid. Toen hij als vijfendertigjarige Pool zijn tweede vaderland Argentinië betrad (om het pas vierentwintig jaar later te verlaten), kon hij van zichzelf schrijven dat hij er tien jaar jonger uitzag, nu niet meer, hij is een zestiger. En ziek, zoals hij zelf meermalen benadrukt; nee, nooit last gehad, niet als jongen in Polen, niet in Argentinië, pas bij zijn terugkeer in Europa tijdens zijn eenjarig verblijf in Berlijn op uitnodiging van de Ford Foundation is hij door de astma overvallen.

    Vermagerde, sensitieve wangen waar de zenuwen lijken geconcentreerd, de rook van de menthol-sigaretten wordt driftig naar binnen gezogen, de totaalindruk is die van een deprimerende eenzaamheid. Bovendien is hij sinds het winnen van de Internationale Literatuurprijs de prooi van een journalistieke en literaire belangstelling die hem tezamen met zijn ziekte uitput. Morgen tandarts, overmorgen Julliard, verleden week de ‘Entretiens’ met Dominique de Roux op de bandrecorder, vandaag:
    ‘Monsieur Gombrowicz, zou men kunnen zeggen dat u in uw laatste roman Kosmos als het ware bent doorgestoten tot de grond die ook bepalend is voor uw andere werk, maar nu op meer algemene, filosofische wijze – dat uw gevecht met de Vorm zich hier in alle naaktheid openbaart?’
    ‘Dat weet ik niet zo, mijn hoofdthema beheerst natuurlijk al mijn werk, maar het is waar dat Kosmos wat filosofischer is dan mijn andere boeken. Dat hoofdthema is dus: de mens als schepper van de Vorm.’
    ‘Uw hoofdthema, ja. Maar daarnaast spreekt u over thema’s die in de loop van uw bestaan geleidelijk veranderen. Het hoofdthema heeft zich dus op bepaalde wijze gevarieerd.’
    ‘Ja, zeer in ’t kort en zeer algemeen zou men dit kunnen zeggen. Ferdydurke: de mens geschapen door de andere mens; Pornografie: de volwassene geschapen door de jeugdige; Komos: de mens geschapen door en zelf schepper van de Vorm.’

    ‘Zouden we het zo kunnen zeggen dat in Kosmos de mens gevormd wordt door de dingen in plaats van door de mensen?’

    ‘Nee, ook in Kosmos staat de mens centraal, in al mijn werk staat de mens in het centrum. Want de nadruk ligt niet op de dingen, maar op het associëren en verbinden in de menselijke geest. Mijn kunst, dé kunst, is de hartstocht en de behoefte om de dingen te begrijpen.’

    ‘Bent u, getuige vooral uw Dagboek, niet evenzeer filosoof als kunstenaar?’

    ‘Nee, nee, ik wil in de eerste plaats kunstenaar zijn. Pas nadat ik Ferdydurke geschreven had, ben ik me de implicaties bewust geworden, en pas omdat men dat boek en mijn andere werk niet begreep, heb ik me gedwongen gezien mezelf te verklaren. Maar ik wil als kunstenaar gelezen worden, ik heb een hekel aan al te filosofische verklaringen van mijn werk, ik wil dat men het verhaal, de geschiedenis leest en er zich door mee laat nemen. Zo zou ik ook de kritiek geschreven willen zien, geen filosofische extracten, geen onmogelijke weergave van de gang van het verhaal, maar een creatieve krachtmeting met de auteur. De criticus moet proberen de elektriciteit, de aantrekkelijkheid van het boek over te brengen. Maar helaas, ik ken er zo maar weinigen en de mensen krijgen de indruk dat ik een denker ben.’

    ‘U maakt het uw critici met deze eisen wel erg moeilijk. Om naast uw ideeën ook uw stijl over te brengen zouden ze een tweede Gombrowicz moeten zijn.’

    ‘Hm.’

    ‘Om op uw denker-zijn terug te komen, uw Dagboek bevat toch duidelijk meer dan verklaringen van eigen werk en persoonlijke notities. U gaat uitvoerig in op schrijvers uit zulke verschillende richtingen als katholicisme, communisme en existentialisme, waarbij bovendien, temidden van alle afwijzing, een grote loyaliteit opvalt.’

    ‘Wat die loyaliteit betreft, die is de andere kant van gedesinteresseerdheid. Omdat ik aan geen van deze -ismen geëngageerd ben, kan ik ze des te objectiever beschouwen. Ik ben dus geen filosoof, maar wel heb ik me een grote intellectuele strengheid eigen gemaakt.’

    ‘Heeft u in uw Parijse jaren ook filosofie gestudeerd?’

    ‘Parijse jaren zijn er niet geweest, wel ging ik tijdens mijn rechtenstudie in Warschau soms voor langere tijd naar Parijs, maar omdat ik daar niets uitvoerde heeft mijn vader er een eind aan gemaakt.’

    ‘Zou u iets over vroeger willen vertellen?’

    ‘Ik kwam zoals gebruikelijk uit een katholiek gezin waarvan ik, in 1904 geboren, de jongste was naast een inmiddels overleden zuster en twee oudere broers. Met hen heb ik nog contact, schriftelijk, want in Polen ben ik nooit meer geweest. Na het gymnasium studeerde ik dus rechten in Warschau en ik heb die studie alleen afgemaakt om reden van financiële steun van thuis. Ik heb er nooit iets mee gedaan en ik weet er niets meer van. Het afvallen van het geloof heeft voor mij geen enkele schok betekend, innerlijk tenminste, dat ging vanzelf. Al op zestien-, zeventienjarige leeftijd was ik met Kant bezig, zijn Prolegomena op de Kritik der reinen Vernunft, en met boeken óver hem, want de Kritiken zelf waren toen nog te moeilijk. Daarna Hegel, Schopenhauer, Nietzsche.’

    ‘Daar wilde ik u iets over vragen. In uw Dagboek valt u scherp uit tegen Nietzsche. Maar is het niet zo dat als men een filosoof zou moeten noemen die althans in uw richting denkt, meer een denker dus van het leven dan een filosoof van de geest, dat men dan als eerste aan Nietzsche denkt?’

    ‘Ja, Nietzsche is ook heel belangrijk, en voor mij belangrijker geweest dan Kierkegaard, maar in die passage ging het er mij om dat Nietzsche ‘jong’ en ‘wijs’ met elkaar wilde verenigen, terwijl voor mij jeugd gelijk staat met het lagere, het onrijpe, het minderwaardige.’

    ‘Over het existentialisme heeft u het wat uitvoeriger in uw Dagboek, heeft u daarvan de hoofdwerken bestudeerd?’

    ‘Ja, Sartre’s L’être et le néant en van Heidegger Sein und Zeit, Jaspers minder. Maar nooit als filosofie-student, altijd als leek. Filosofie is belangrijk voor de intellectuele strengheid die ik al noemde, en zij helpt ons de wereld te ordenen.’

    ‘Desondanks schrijft u uw romans niet vanuit een bepaald plan.’

    ‘O nee, in al mijn werk laat ik mij leiden door natuurlijke impulsen die mij in een bepaalde richting drijven, sans préméditation. En met ‘natuurlijk’ bedoel ik: aantrekkelijk, boeiend, onverwacht, ik weet van tevoren niet hoe het verhaal zich zal ontwikkelen. In Kosmos bijvoorbeeld is er eerst de mus die hangt, dan de monden, de pijl op het plafond die verwijst naar een ander hangen, zo ontstaat het thema van het hangen, dat weer verbinding zoekt met de monden, maar ik weet zelf niet hoe. Zo schept het boek zichzelf als de geleidelijke vorming van een realiteit van verwijzingen.’

    ‘Zou men niet kunnen zeggen dat u in uw werk een poging doet het leven zelf, de wildheid en ongevormdheid ervan, op heterdaad te betrappen en weer te geven, temeer daar ook uw werkwijze de grilligheid van het leven volgt, onverwacht en sans préméditation?’

    ‘Nee, zeker niet, want dat zou een capituleren voor de chaos betekenen. En schrijven is een middel tot ordening.’

    ‘Ik wilde nog even terugkomen op Kosmos. Hoewel de nadruk dus ligt op de associaties, de verbindingen tussen de dingen, spelen de dingen zelf in dit boek een grote rol. Omdat dit ook in de nouveau roman het geval is, wilde ik u vragen of u parallellen ziet.’

    ‘De enige toevallige parallel is misschien die nadruk op de dingen. Maar verder is de nouveau roman van een afschuwelijk intellectualisme. Men mag natuurlijk niet generaliseren, vooral over Robbe-Grillet valt meer te zeggen, maar in zijn algemeenheid is dit waar. Zij zoeken het object, iets wat voor mij een absoluut valse zaak is, omdat men slechts van zichzelf uit kan gaan, dat wil zeggen van het subject. Die fles daar is er voor mij, niet ik voor de fles. En het ergste is: zij maken de literatuur vervelend, de Franse nouveau roman is vervelend en onleesbaar. Ook Kosmos wil de wereld ordenen, maar op lyrische, gepassioneerde wijze, de nouveau roman is cerebraal, intellectueel, dood.’

    ‘Dat zijn meer gehoorde verwijten aan het adres van de Franse cultuur. Hoe staat u tegenover Frankrijk?’

    ‘Zeer ambivalent. Ik houd niet erg van Frankrijk, het is me te intellectueel, te cultureel. Maar ik ken de taal, ik heb er mijn meeste contacten, mijn Poolse uitgeverij Kultura zit in Parijs, ik ken mijn Franse vertalers, wier werk ik zelf kan corrigeren. Maar ik houd niet van het land. Even ben ik in Italië geweest en dat beviel me onmiddellijk veel beter. Veel meer het Zuiden. Ik houd van het Zuiden, niet van het Noorden. Argentinië, dat is een goed land, daar heb ik ’t het meest naar mijn zin gehad, de lichtheid, de losheid. Maar nu maakt het niet meer uit, nu ben ik oud.’

    ‘Ik had nog een vraag over uw Dagboek Parijs-Berlijn. U geeft daar, dacht ik, een waar verslag van uw terugkeer naar en uw eerste jaar ín Europa. Maar het viel mij op dat u enkele malen haast ongemerkt het terrrein van de geloofwaardigheid verlaat en een bizarre fantasie beschrijft, zoals we die uit uw werk kennen. Bijvoorbeeld die matroos die het eind van een touw inslikt en door de kronkelingen van zijn slokdarm de mast in wordt gehesen, of het uittrekken van uw broek tijdens het diner met de Franse schrijvers.’

    ‘Nee, nee, dat is inderdaad fantasie, dat van dat diner, natuurlijk! Ook in mijn dagboeken houd ik me niet strikt aan de werkelijkheid, méér, maar niet helemaal. En die matroos met die lijn, dat haakt aan bij een vroeger verhaal van mij, ‘Voorvallen op de schoener Banbury’, waarin eenzelfde episode voorkomt en waarin ik een bootreis naar Argentinië beschrijf op een moment, 1932, dat ik nog niets over mijn latere Argentijnse lot kon weten. Dat was dus een voorspelling, een soort helderziendheid, en omdat dit me op dat moment nogal bezighield, keert dat verhaal bij me terug: de gelijktijdigheid, het vervloeien van de tijd.’

    ‘In Frankrijk is zojuist de verzamelbundel van uw verhalen, Bakakaï, verschenen. Op één na zijn deze gedateerd tussen 1926 en 1937, het jaar waarin Ferdydurke verscheen. Uit uw Dagboek meende ik te kunnen opmaken dat u indertijd niet tevreden was over uw werk vóór Ferdydurke; toch lijkt het mij dat de verhalen al direct op het peil staan van uw latere werk.’

    ‘Ik ben het daarmee eens, ik sta er volkomen achter en ik geloof dat de beste van mijn verhalen niet onderdoen voor het beste uit mijn andere werk. Wel geef ik de voorkeur aan de laatste, zoals ‘De rat’ en ‘Het banket’, de techniek is daar perfecter geworden; dat is ook de reden waarom ik ze nu in omgekeerde volgorde heb gepubliceerd.’

    ‘Dan uw toneel. U weet dat in het komende seizoen in Nederland Yvonne en Het Huwelijk gespeeld gaan worden. Het heeft lang geduurd voor uw stukken in Europa werden opgevoerd.’

    ‘Ja, Yvonne dateert van 1935 en is zo goed als dertig jaar ongespeeld gebleven. Het Huwelijk, van 1945, is in 1963 voor het eerst opgevoerd in Parijs, onder regie van Lavelli, en met groot succes. Sindsdien is ook Yvonne in Frankrijk gespeeld. Duitsland volgt nu, en het afgelopen jaar is er een voorstelling gegeven van Het Huwelijk in Stockholm, onder regie van Sjöberg, waarvan gezegd wordt dat het de grootste toneelgebeurtenis van het seizoen is geweest. Mijn theater was stellig zijn tijd vooruit. In al die jaren ben ik als toneelschrijver onopgemerkt gebleven. Maar nu ben ik plotseling een serieuze naam in de discussies over het moderne toneel, terwijl een man als Lavelli dankzij zijn succes een regisseur van internationale betekenis is geworden.’

    ‘Heeft u voorstellingen van uw eigen stukken gezien?’

    ‘Nee, bij de opvoering van Het Huwelijk in Parijs was ik in Berlijn, en omgekeerd. Ik ben trouwens helemaal geen toneelliefhebber, ik prefereer de film, ik ben een schrijver voor toneel die niet van toneel houdt.’

    ‘Tot slot zou ik u willen vragen of u bij gelegenheid van de verschijning van Kosmos en de opvoering van Het Huwelijk naar Nederland zou kunnen komen.’

    ‘Nee, dat is uitgesloten, dat staat mijn gezondheid absoluut niet toe.’

    Als ik hem na afloop vraag mijn exemplaar van het Dagboek te willen signeren, lees ik buiten: ‘À P.B. qui me torture avec ses questions, très amicalement  Witold Gombrowicz

     

     

    Dit interview verscheen op 12 december 1967 inVrij Nederland.

  • Astrid H. Roemer wint P.C. Hooft-prijs 2016

    Astrid H. Roemer (1947 Paramaribo, Suriname) wint met haar indrukwekkende oeuvre als eerste schrijver van Caraïbische oorsprong de prestigieuze P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde 2016. In de media wordt er gesproken van een Grande finale in het jaar van haar comeback. De keuze van de jury voor Roemer kwam als een grote verrassing voor degenen die Arnon Grunberg en Jeroen Brouwers als favoriet op hun lijstje hadden staan.

    Opmerkelijk is dat Roemer voor meer dan tien jaar uit het literaire zicht verdween en haar werk niet, of alleen tweedehands te verkrijgen is. Maar datzelfde werk, waarin thema’s als discriminatie, seksisme, homoseksualiteit en racisme centraal staan, getuigt dus van een onvoorstelbare zeggingskracht die zelfs de jaren van radiostilte overbrugd hebben.

    Roemer debuteerde in 1970 onder het pseudoniem van Zamani met de dichtbundel Sasa; mijn actuele zijn. Behalve romans en poëzie, schreef Roemer ook voor toneel. Met de roman De gekte van een vrouw is de romantrilogie Gewaagd leven (1996), Lijken op Liefde (1997) en Was Getekend (1999) dat wel als haar meest ambitieuze schrijfproject wordt gezien, haar best gekende werk. De trilogie beslaat duizend pagina’s waarin het trauma van de dekolonisatie wordt behandeld en de pijnlijke alsook de constructieve aspecten van de Surinaams-Nederlandse verhoudingen belicht worden. Na haar laatste publicatie in 1999, is er niet veel meer van haar verschenen dan de dichtbundel Afnemend; 21 liefdesgedichten (2012) waarvan 125 exemplaren werden gedrukt, en de autobiografie Zolang ik leef ben ik niet dood (2004).

    Ondanks deze publicaties bleef Roemer zelf buiten beeld, niemand wist waar zij zich ophield. Tot cineaste Cindy Kerseborn op zoek ging naar haar in Schotland. Een zoektocht die haar uiteindelijk naar een Gents klooster bracht waar Roemer een teruggetrokken bestaan leidt.

    Literatuurcriticus Arjan Peters schreef onlangs nog een mooi stuk over Astrid Roemer die in mei van dit jaar haar comeback maakte tijdens een hommage aan haar, georganiseerd door Cindy Kerseborn. Peters was uitgenodigd haar te interviewen en greep de gelegenheid aan, zoals hij aangaf, om haar in ieder geval te kunnen bedanken voor haar laatste kleinood, de dichtbundel Afnemend. De film De wereld heeft gezicht verloren is 7 december in première gegaan in de filmzaal van de OBA waarbij overigens de schrijfster zelf verstek liet gaan.

    De jury, die bestond uit Karin Amatmoekrim, Sander Bax, Toef Jaeger, Edzard Mik en Pauline Slot oordeelde dat ‘politiek engagement en literair experiment bij Roemer hand in hand gaan.’ En dat dat leidt tot ‘romans die tegelijk scherpe en relevante interventies in het publieke debat zijn. (…) Het is een geschiedenis die voor velen in Nederland nog tamelijk onbekend is, buiten de steekwoorden als slavernij en Decembermoorden, maar die onlosmakelijk met ons land verbonden is, en daarmee ook, middels het unieke oeuvre van Roemer, met onze literatuur.’ Aldus het juryrapport.

    De prijs wordt uitgereikt op een feestelijke bijeenkomst in het Letterkundig Museum, op donderdag 19 mei 2015, twee dagen voor de sterfdag van de naamgever van de prijs, de dichter P.C. Hooft (1581-1647), Nederlands grootste renaissancedichter. Aan de prijs is een bedrag van zestigduizend euro verbonden.

    Hier een mooi interview uit 1985 van Elly de Waard met Astrid Roemer vrij gegeven uit het archief van Vrij Nederland.