Zondagochtend stond ik in de keuken sinaasappelen te persen, radio aan op Vroege vogels. Bibi Dumon Tak las een column voor, over lezen en boerenburgerbeweging leider Caroline van der Plas. Die nooit een boek leest. Daar had ze geen tijd voor (hoor). Je zult het weten ook. Dat iemand het zich kan veroorloven niet te lezen. In mijn wereld struikel ik over boeken. Waar je kijkt, vind je er een, of meer. Weet je niet welke richting je op moet? Lees maar. Met elk boek, begrijp ik de wereld om me heen een beetje meer. Een boek als inspirator, een schrijver als voorbeeld.
Ik dacht aan de kinderen (als die er waren) van Van der Plas. Ze lijkt me een stoere moeder die haar kinderen aan de oren bij de dingen van de dag zou houden. Maar, als zij niet leest, zou ze haar kinderen, (als ze die dus had) dan hebben voorgelezen? Zou ze anders naar de veestapels van nu hebben gekeken als ze haar kinderen had voorgelezen uit (bijvoorbeeld) Het koeienboek van Dumon Tak? Hoe zouden de dingen zich dan ontwikkeld hebben.
Toen dacht ik aan Monica Keijzer. Leest zij wel eens een boek, en die verongelijkte man met zijn geblondeerde haren. Zou hij wel eens een goede roman of een andersdenkende openslaan? Aan de mate van zelfingenomenheid is de niet-lezer te herkennen. Aan de toon van het grote gelijk.
Noem niet de naam van degenen die de samenleving schade berokkenen, de wereld als hun eigendom (lees dan toch een boek) zien. Hun denkbeelden, evenals zijzelf zullen als verdorde zaden uit het gemeenschappelijk gedachtegoed verdwijnen. Let op, geef het geen water. Maar dan, nederigheid.
Eens zong ik in een strijdkoor (waar zijn ze gebleven). We zongen het Solidariteitslied van Bertolt Brecht op muziek van Hanns Eisler. Zangadvies: hard en vals. ‘Voorwaarts en niet vergeten / bij honger en bij eten / de solidariteit!’ Hoe dat voelde. Brecht toont waar het rafelt tussen rijk en arm en de angst voor het vreemde. Verzet om te bevrijden wat is vastgelegd.
In Gesprekken tussen vluchtelingen zijn dialogen tussen twee mannen in exil begin jaren veertig. De uit Duitsland gevluchtte mannen, een intellectueel en een arbeider, ontmoeten elkaar in de stationsrestauratie van Station Helsinki.De tegenstelling van denken bij de intellectueel en de arbeider is essentieel in deze gesprekken.
Mijn instemmigheid onderstreepte ik met potlood. Dingen als ‘Orde heb je tegenwoordig meestal waar niets is. Het is een teken van gebrek.’ te onderstrepen. Na elke ontmoeting (19 gesprekken) volgt steeds als een refrein: ‘Toen namen ze afscheid en vertrokken ze, ieder naar zijn eigen plek.’
Ik omcirkelde in zijn geheel wat de arbeider aan de intellectueel vertelde. ‘Toen ik een jaar of zeven was, moest ik sogges vroeg voor school kranten rondbrengen, da’s vlijt – en het geld pakten pa en ma me af, da’s gehoorzaamheid. Als pa lazarus thuiskwam, had hij er de pest in dat hij zijn halve weekloon had opgezopen, en dan kregen we een pak rammel, zo hebben we pijn leren verdragen, en als we aardappels kregen en ook nog eens te weinig, moesten we dank u wel zeggen, uit dankbaarheid, geloof ik.’ En wat me daarin aanspreekt.
Meesterlijke, maar ook wrange gesprekken over armoede, Hegel, leiderschap, verbanning en ja, alles is politiek. Ik onderstreepte, ‘Emigratie is de beste leerschool voor dialectiek. De scherpste dialectici zijn vluchtelingen.’ Hoe je de logica van het leven ontdekt wanneer je geen thuis hebt. Er wordt gesproken over Hitler als ‘hoeheetienou’, en Mussolini als ‘Dinges’.
Ik omcirkelde waar ze voor het eerst over fascisme hoorde. En over Hoeheetienou dit: ‘Als rijkskanselier had hij bevolen dat we hem (…) niks mochten betalen, allemaal liefdewerk oud papier natuurlijk, maar meteen daarna heeft hij bevolen dat we zijn boek Mein Kampf van hem moesten kopen, zodat zijn strijd nog een bestseller werd ook. Van de opbrengst heeft hij de Reichswehr en de rijkskanselarij gekocht en kon hij er nog aardig van leven.’ Meesterlijk, zei ik het niet.
Waarop ze afscheid namen en vertrokken, ieder naar zijn eigen plek. Zie dit boek als een mustread tijdens het kerstreces. Voorwaarts en lezen maar.
Je wist dat het eraan zat te komen en nu het zover is, is het toch even slikken. Het Liegend Konijn zal het volgend jaar niet meer verschijnen, Jozef Deleu stopt ermee. Op 30 oktober zal de laatste editie verschijnen. In 2003 richtte Jozef Deleu (1937) het Nederlandstalig poëzietijdschrift Het Liegend Konijn op en voerde 23 jaar lang als een man de redactie ervan. Het opzetten van een poëzie tijdschrift was ooit een lang gekoesterde droom van Deleu. ‘Ik heb me altijd voorgesteld dat ik na mijn pensionering me heel intens met poëzie zou bezig houden.’ Een tijdschrift te maken met uitsluitend nieuw werk van debuterende en bekende dichters zonder een alles overheersende, eenduidige poëtica. Dat is wat Deleu voor ogen stond. ‘Het blad moest op die manier een permanente bloemlezing worden van de meest hedendaagse poëzie, open voor wat beweegt en gebeurt.’ En dat is hem meer dan gelukt.
Voor wie het blad bij zijn tweejaarlijkse verschijning met een verwachtingsvol verheugen altijd uit de brievenbus haalde, zal het een teleurstelling zijn. Zesenveertig nummers verschenen er sinds april 2003. Aan het eerste nummer werkten tien dichters mee, aan het laatste nummer meer dan dertig. En zo was het steeds, een vijfentwintig tot dertig dichters, waaronder overtuigende debutanten en in hun toon bevestigende dichters. Die mix van oud en jong, van tastende tot ingeklonken poëzie, elke nieuwe editie van Het Liegend Konijn betekende een dagenlang genieten van gedichten die Deleu uit het nest had geroofd bij vele dichters. Dat ‘roven’ en ‘nest’, spraken steeds zeer tot de verbeelding.
Dat bij binnenkomst van elke nieuwe editie eerst gekeken werd welke dichters er aan dit nummer hadden bijgedragen. Dan dacht je, hè Femke Vindevogel. Of leuk, Marijke Hanegraaf, lang niets van gelezen. En de debutanten, altijd was je benieuwd naar de debutant van het nieuwste nummer en hoever ze zouden komen na hun eerste lancering in Het Liegend Konijn. Dat dat vaak best ver was, daar vaak een bundel uitrolde, en meer.
In werkelijkheid ging de samenstelling van Het Liegend Konijn zo. Deleu benaderde een aantal dichters waarvan al belangrijk recent werk verschenen was. Dan zocht hij via een netwerk van contacten dichters die nog niet hadden gepubliceerd. Daarbovenop kwamen op de redactie wekelijks zo’n 20 à 25 ongevraagde inzendingen van bekende als geheel onbekende dichters binnen. Dan begon het grote werk, een keuze maken uit een paar duizend gedichten voor een volgend nummer. Het lezen en selecteren kostte Deleu evenveel tijd als een halftijdse baan, zo liet hij eens weten. Alles met liefde, Deleu is doordesemd van literatuur, van poëzie. Zelf dichter, is hij voortdurend met literatuur bezig en leest dagelijks poëzie (pas verschenen als zowel de oude dichters). Hij hing de gedachte aan dat dichters (rusteloos) op zoek moesten gaan naar poëzie die hen aanspreekt.
Mijn eerste Liegend Konijn ontving ik als recensent voor Literair Nederland in 2011. Het nummer waarin Wesley Albstmeyr, wat later het pseudoniem van Jeroen van Kan bleek, debuteerde. Het Liegend Konijn liet me kennismaken met werk van Anne Louise van den Dool, Lieke Marsman, Lucas Hirsch, Arnon Van Vlierberghe en veel, veel meer.
En wat als u ermee moet stoppen?, vroeg ik Deleu toen ik hem in 2020 interviewde. ‘Moet een tijdschrift eeuwig blijven bestaan?, was zijn reactie. ‘Mag het niet verdwijnen als het een rol heeft gespeeld? […] Ik leef alsof er geen einde aan komt, al weet ik dat alles eindigt.’ Zoals dan nu de verschijning van Het Liegend Konijn geëindigd is. En wie, al zijn het maar enkele edities, Het Liegend Konijn in de kast heeft staan, koester ze voor het leven. Het konijn zal zeker gemist worden door vele dichters voor wie het een eer was gedrukt te staan in dit zo bijzondere en rijk gevulde poëzieblad. ‘De deur achter je sluiten, is het huis groeten.’, schrijft Jozef Deleu in het voorwoord van wat het laatste nummer van Het Liegend Konijn zal zijn. Het ga je goed Jozef Deleu, een groet vanachter het toetsenbord.
Op Lefkas zag ik dit beeld van Lefkadios Hearn. Het was niet de buste zelf die mijn aandacht trok, maar diens tweede naam op de plaquette eronder: Yakumo Koïzoumi (1850-1904).
Twee weken voor mijn vakantie had ik De zwevende wereld van Annejet van der Zijl gelezen over het leven van Franz von Siebold (1796-1866) en zijn Japanse vrouw en kind. In dat boek legt de schrijfster uit dat verschillende verwijzingen naar Japan, eerder in haar leven, ineens op hun plek vielen tijdens een rondleiding in het door Frank Lloyd Wright ontworpen huis ‘Falling Waters’ in Pennsylvania. Wright was geïnspireerd door over de rivier hangende theehuizen in Japan; in het pand hangen bovendien prenten van Ando Hiroshige. Ze wist ineens dat haar volgende boek over Von Siebold moest gaan: de man die onder andere de Japanse kunst in Europa introduceerde.
Dat ik hier in Lefkas De zwevende wereld nog in mijn hoofd had was beslissend. Ik zou anders hoogstwaarschijnlijk niet lang bij het beeld stil zijn blijven staan. Nu wilde ik weten wat de connectie met Japan was van deze 16 jaar voor Von Siebolds dood geboren Hearn (Πατρίκιος Λευκάδιος Χερν). Ik kreeg al snel het gevoel dat de stad Lefkas veel eer naar zich toe trekt: Lafkadios werd er geboren, maar vertrok amper twee jaar later al naar Dublin. De tekst op de plaquette laat zelfs zijn werkelijke Ierse voornaam Patrick weg, als om te benadrukken welke eer hij Lefkas bewees door zijn tweede. Hearns Ierse vader Charles was getrouwd met de Griekse Rosa Cassimati. Het was een huwelijk dat niet lang stand hield. Hearn groeide op bij pleegouders in Ierland, kwam op zijn 19de in Cincinnati terecht en later in Louisiana (New Orleans). Zijn pleegfamilie liet hem al vroeg aan zijn lot over. Ook zijn vader en moeder zag hij nooit meer.
In Amerika werd hij journalist, was zes jaar getrouwd met een voormalige slavin (wat als illegaal gold), ging Franse literatuur vertalen en publiceerde over thema’s als geweld, corruptie en criminaliteit in zijn stad. In 1890, 40 jaar oud, trok hij voor zijn krant als correspondent naar Japan, dat zijn grote liefde zou worden. Hij werd er docent Engels in Matsue en trouwde er met de Japanse samoeraidochter Koïzumi Setsuko, met wie hij vier kinderen kreeg. Hij werd Japans staatsburger en bekeerde zich tot het boeddhisme. Tegelijk met zijn naturalisatie nam hij zijn nieuwe naam aan, een eerbetoon aan zijn nieuwe land en aan zijn vrouw, die ook Koïzumi heette (Yakumi is een poëtische verwijzing naar de streek war het gezin woonde). Na een hartaanval werd hij begraven in Tokio.
In een toelichting bij het beeld dat ik in Lefkas zag wordt zijn grote betekenis genoemd voor de westerse kijk op Japan. Is dat niet wat chauvinistisch in zijn geboortestad Lefkas?
Ik had nooit van Hearn gehoord. Over Von Siebold las ik al lang geleden dat hij dé man was die Europa’s blik op Japan wist te richten. Er zijn volgens Van der Zijl aan Von Siebold gewijde musea in Nederland, Duitsland en Japan. Ook Hearn staat centraal in twee musea in Japan. Leiden eert Von Siebold in het naar hem genoemde Huis aan het Rapenburg; Lefkas heeft het (kleinere) Lafcadio Hearn Historical Center. En zoals Von Siebold zijn botanische tuinen kreeg in Leiden, zo kreeg Hearn zijn Japanese Gardens in het Ierse Waterford.
Hearn wordt in De zwevende wereld niet genoemd. Dat is te billijken: er zijn na Von Siebold meer mensen geweest die hielpen het venster op Japan open te houden.
Over Hearn verscheen bij mijn weten maar één biografie, The Outsider: The Life and Work of Lafcadio Hearn: The Man Who Introduced Voodoo, Creole Cooking and Japanese Ghosts to the World. Die noemt op zijn beurt Von Siebold ook niet. De subtitel wijst er al op dat Hearn heel andere interesses had. Von Siebold was wetenschapper, arts en geïnteresseerd in botanie en handel. Hearn vooral in Japanse mythen en spookverhalen. Die vertaalde hij in onder andere zijn bekendste boek Kwaidan (ook verfilmd).
Ik heb een poging gedaan de biografie te lezen. Mijn aandacht verslapte snel. Geef me dan maar Von Siebold. Ik ben er van overtuigd dat zijn betekenis, ondanks zijn – door Van Zijl uitdrukkelijk beschreven kwalijke kanten – groter is. Dat vind ik geen chauvinisme van mezelf.
Dat je dan toch niks gelezen hebt van de schrijver die dit jaar de Nobelprijs voor Literatuur kreeg toegekend.
De in Duitsland wonende Hongaarse schrijver László Krasznahorkai (1954) kwam deze eer toe, ‘voor zijn meeslepende en visionaire oeuvre dat, te midden van apocalyptische terreur, de kracht van kunst bevestigt’.
Krasznahorkai publiceerde negen romans, waarvan er vijf in het Nederlands werden vertaald door Mari Alföldy. Ook schreef hij korte verhalen, essays en scenario’s waaronder voor de zeven uur durende verfilming van zijn debuutroman Satantango (1985). In 2012 verscheen deze roman in het Nederlands.
De schrijver die in 2004 de belangrijke Hongaarse Kossuthprijs ontving en in 2015 de Man Booker International Prize, liet weten zeer verrast te zijn door de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur en dat hij er niet op gerekend had, maar zeer verheugd was.
‘Ik ben diep verheugd dat ik de Nobelprijs heb ontvangen — vooral omdat deze onderscheiding bewijst dat de literatuur op zichzelf bestaat, voorbij allerlei niet-literaire verwachtingen, en dat zij nog altijd gelezen wordt. En voor wie literatuur leest, biedt zij een zekere hoop dat schoonheid, nobelheid en het sublieme nog steeds bestaan omwille van henzelf. Misschien biedt zij zelfs hoop aan hen in wie het leven zelf nog maar zwakjes flakkert. Heb vertrouwen – ook als er ogenschijnlijk geen reden toe is.‘
Krasznahorkai wordt een groot schrijver genoemd in de orde van Kafka en Thomas Bernard. Zijn stijl wordt gekenmerkt door absurdisme en groteske overdaad. In de woorden van het Nobelprijscomité: ‘De artistieke blik van Krasznahorkai kijkt zonder illusies dwars door de breekbaarheid van de sociale orde. Tegelijk gelooft hij standvastig in de kracht van kunst.’
Opgegroeid in armoede is armoede een thema dat regelmatig geromantiseerd terugkomt in zijn werk. Volgens Krasznahorkai: ‘Het grootste verlies is het verlies van armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen nog maar mensen die geen geld hebben.’ In zijn boeken verheft hij armoede tot schoonheid. Krasznahorkai wordt gezien als een schrijver met een volstrekt authentieke stem die ‘wil schrijven over de wereld, niet over het communisme in Hongarije, niet over Hongarije, maar over een diepere laag in de wereld.’ Dat is zijn drijfveer.
Aan de Nobelprijs is een geldbedrag van ongeveer een miljoen euro verbonden en wordt uitgereikt op 10 december in Stockholm (Zweden).
De 42ste Nacht van de Poëzie ligt weer achter ons. Twintig nachtdichters, een handvol spetterende entr’actes en tal van andere activiteiten werden in een uitverkochte grote zaal TivoliVredenburg met overgave omarmd en beleden door meer dan 1500 poëzieliefhebbers.
Als Esther Naomi Perquin, die samen met Piet Piryns het publiek door de Nacht leidt, de zaal begroet met ‘Lieve nachtdieren’ – dan weet je dat het is begonnen: dat wonderlijk intieme evenement van woorden en mensen, taal en muziek, dat naarmate het later wordt meer en meer verbindt. Logisch en bezwerend voor wie er onderdeel van is, niet uit te leggen aan wie het heeft gemist.
Dat poëzie, actualiteit en engagement hand in hand gaan was al langer duidelijk. Onthutsende ontwikkelingen doen zich onophoudelijk voor op het wereldtoneel en deze klinken in de voordrachten door. Paul Demets neemt zijn gehoor mee in een relaas over een voorgenomen reis naar de brandhaard: “Ik wou de trein naar Gaza nemen”; verbluffend is dat zelfs voor zoiets poëzie zich overtuigend leent. Froukje van der Ploeg dicht over femicide: ’87 procent van je gevaar woont in huis, zit op je bank’.
In de ban van poëzie
Twintig dichters, in meer dan een opzicht divers en inclusief, betraden deze Nacht het podium onder het motto van ‘overal smelt het, zwelt het, glimt het – nu gaan de dingen weer beginnen’. Een regel van Judith Herzberg die betrekking heeft op de lente, maar niemand vond het erg dat dit in oktober als inswinger aan beide zijden van het podium prijkte.
Judith Herzberg (1934) zelf was voor de tiende maal present tijdens de Nacht. Ze zette de zaal aan het denken met haar opsomming van wat allemaal kan worden beschouwd als vormen van gekte. ’tegen poezen praten, ja – maar ook: hopen, en wanhoop net zo goed, is een vorm van gekte’.
Uitgeverij C.J. Aarts en uitgeverij Masjenka
Een andere dichteres hield het publiek een spiegel voor door te stellen dat dit leven ‘lelijk maar dragelijk’ is, onder verwijzing naar protestkunst op de pleinen van Europa ‘met een glaasje gin voor wie het kan gebruiken’. Charlotte Van den Broeck, werkelijk nog maar pas moeder geworden, draagt het gedicht ‘Postpartum beach’ voor met daarin de regels: ‘pas geopende / stug-rood bebloste vrouwen / in hun plotsklaps lege vel blubberende / bloedverliezende vrouwen’.
Muisstil is het in de vol bezette zaal wanneer een dichter ze met zijn voordracht in de ban houdt. Daarentegen moet van sommige entr’actes gezegd worden dat het – dreunende – geluidsvolume soms veel te hard stond. Misschien goed om in de late Nacht mensen wakker te schudden, maar nu ontvluchtten velen de zaal uit vrees voor bonkende hoofdpijn of zelfs gehoorschade.
Voorbij de Nacht
Het wordt leger in de zaal als het later wordt. Maar de intense sfeer van verbondenheid geldt nog meer voor hen die tot het eind toe blijven. Tot slot is er het prachtige optreden van debutante Lin An Phoa, aangekondigd als ‘grand dessert’ van de Nacht. Ook zij vertolkte geëngageerde poëzie en bevestigt het bestaansrecht van depressieve tienerpoëzie: (‘we hadden geen stijl, wel een streefgewicht’) maar geeft er vervolgens blijk van zelf inmiddels een nieuw stadium te hebben bereikt als dichteres, met haar gedicht: ‘Op een dag zullen we het ons anders herinneren’:
‘we zullen het weer met elkaar eens zijn
dan zullen we doen alsof we altijd al met onze armen ingehaakt
de straat op gingen met vlaggen en een stuk bezorgkarton
waarop we na lang nadenken schreven: nee!’
Tom Lanoye tijdens de Nacht van de Poëzie
Traditie van de Nacht is dat de dichter die als laatste optreedt volgend jaar het spits mag afbijten. We zullen ons Lin An Phoa dan zeker herinneren – en toch zal een en ander dan weer anders zijn. Zoals in deze Nacht, toen er een meer dan exuberante toegift volgde door Tom Lanoye die het publiek middels zijn brandnieuwe ‘Reinaard’-bewerking in ronkende vertelling en hoge versnelling meenam naar de Middeleeuwen. Waarna omstreeks half vier de laatste nachtgangers het donker van Utrecht betraden, vergezeld door poëzie tot ver na thuiskomst.
Foto’s: Reinder Storm
De Nachtdichters van dit jaar waren: Judith Herzberg, Yentl van Stokkum, Tom Lanoye, Charlotte Van den Broeck, Pim Lammers, Sophia Blyden, Sasja Janssen, Neeltje Maria Min, Asmae Amaddaou, Sytse Jansma, Lieke Marsman, Marc Reugebrink, Yasmin Namavar, Froukje van der Ploeg, Gustaaf Peek, Bob Vanden Broeck, Paul Demets, Jan Baeke, Lin An Phoa en Peer Wittenbols.
Mijn lerares Engelse literatuur nam haar taakomschrijving wel heel erg letterlijk: nooit sloop er een dichter in haar lessen die niet uit Engeland kwam. Geen Amerikanen als Walt Whitman of Ezra Pound. Geen Ieren, als Yeats of Seamus Heaney. Maar ook nooit een vrouwelijke dichter, geen Christina Rossetti of Elizabeth Barrett Browning. En nooit eigentijdse dichters, maar altijd die uit een stoffig verleden. En veel, heel veel Shakespeare en John Donne. Ik vond het niet erg toen, voor mij was alles nieuw.
Veel later zou mijn ongebreidelde nieuwsgierigheid en liefde voor poëzie op papier hele continenten voor me ontvouwen: Sharon Olds, Mary Oliver en Elizabeth Bischop in Amerika, Gwen Harwood in Australië. En ook Engeland zelf had meer te bieden dan ik ooit geleerd had: Stevie Smith, A.E. Fanthorpe, Philip Larkin. Ik drong als ware een ontdekkingsreiziger steeds verder door in onbekend gebied, de ene vondst voerde me naar de andere en ik genoot van alles wat ik tegenkwam.
Een van mijn laatste ontdekkingen betrof Delmore Schwartz, een Amerikaanse dichter, van wie ik nooit eerder gehoord had, maar van wiens werk ik veel was gaan houden. Hij debuteerde in 1938 met In dreams begin responsibilities, een bundel met verhalen en gedichten, en hij werd meteen het wonderkind van literair Amerika: geniaal, briljant en gek als hij was leek hij de belofte van de toekomst. Maar nu is hij vrijwel vergeten, wonderkinderen kunnen maar zelden hun belofte waar maken. ‘En een wonderkind van veertig/ Dat is een naar geval/ Die zo veel had kunnen worden/ Maar die niks meer worden zal’, zong ook Boudewijn de Groot.
Ik kocht eens het bundeltje Summer Knowledge van Delmore, en toen ik onlangs op de boekenmarkt in Utrecht een biografie van hem aantrof, wilde ik die eigenlijk meteen hebben. Maar ik was nog maar net aangekomen, eerst maar eens rondkijken wat er nog meer te koop was. Dat boek wachtte wel op me, wie kende Delmore nou? Maar toen ik na een hele middag rondneuzen terugging om het boek te kopen, was het weg. Zoals elke ontdekkingsreiziger had ik er niet bij stilgestaan dat anderen er eerder bij zouden kunnen zijn. Er waren dus lezers die een heel andere lerares Engels hadden gekend. Mijn arrogantie te denken dat ik de enige was die zich bezighield met Delmore, werd nog harder afgestraft toen ik hoorde dat er sinds kort een selectie van zijn gedichten door Jur Koksma en Joep Stapel bij uitgeverij Vleugels in het Nederlands vertaald is: Een orang-oetan en geen Hongaar!
‘Gaven en keuzes! Alle mensen zijn gemaskerd
en wij zijn clowns die denken ons gezicht te kunnen kiezen
en de tijd leert ons over de omstandigheden
en we hebben griep, blond haar en wiskunde,
want we hebben gaven die onze keuzes doorkruisen
en met al onze keuzes spelen we ezeltje-prik:
“Eenmaal getrouwd was mijn vrouw heel anders,”
“Ik ben advocaat, maar plantkunde is mijn passie,”
spaar zegels of foto’s, maar
vergeet je ziel niet! Alleen het verleden is onsterfelijk.’
Ik voelde me enigszins getroost door de boeken die ik wel had weten te veroveren, Yeats, Wilde, Plath en Faulkner, die een bekend en vertrouwd gebied vormden. En die biografie van Delmore,die ontdek ik nog wel.
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.
Dit voorjaar werd Paul Demets gelauwerd met de Grote Poëzieprijs voor zijn bundel De schaamsoort, Briefgedichten aan Guido Gezelle. Hij had niet verwacht dat deze bundel, omdat het toch wel een echt Vlaamse bundel was geworden, in Nederland zou opvallen. ‘Toen hij de longlist bereikte dacht ik, wauw, ze hebben hem gezien. En dan komt de shortlist, en je denkt, geweldig. Ja, en dan viel ik echt van mijn stoel.’
Paul Demets (1966) debuteerde in 1999 met de bundel De papegaaienziekte, maar zijn eigenlijke debuut, Het web van omtrek, waar hij aan schreef tussen 1988 en 1993, verscheen in 2021. Uitgangspunt van deze bundel was het werk van kunstenaar Roger Raveel (1921– 2013). Als ongepubliceerd werk kreeg het in 1993 een eervolle vermelding van de Prijs voor Letterkunde van Oost-Vlaanderen. Dat er wel meer werk in de la blijft liggen leek voor lange tijd een gewoonte van de dichter. Wel publiceerde hij geregeld in literaire bladen zoals Het Liegend Konijn, maar van een bundel samenstellen kwam het vaak niet.
Op donderdag 2 juli, een van de warmste dagen van deze zomer, bezocht ik dichter Paul Demets in het monumentale pand waarin de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (KASK) gevestigd is en waar hij lector is.
Het KASK-café, waar we hadden afgesproken, is vanwege vakantie gesloten. We zullen uitwijken naar zijn werkkamer, maar eerst een ijsje. Kom, zegt Demets, dan trakteer ik op ijs. We gaan naar de achterzijde van de academie waar buiten een ijscowagen staat om kandidaat-studenten die deze dagen toelatingsgesprekken hebben, enige verkoeling te bieden. We passeren collega’s die hij enthousiast kond doet van de uit Nederland gekomen interviewer voor Literair Nederland. Als we door de monumentale gangen naar zijn werkkamer lopen, onze voetstappen ruisend over de oude vloeren, onderbroken door het openduwen van klapdeuren, vertelt Demets, vaderlijk glunderend, dat zijn jongste dochter net aan deze academie haar master grafisch ontwerp-illustratie heeft behaald.
In zijn werkkamer op de eerste verdieping nemen we plaats aan een tafel. Stapels papieren waar je kijkt, twee computerschermen, posters aan de muur, (waaronder een van filmmaker Chantal Akerman, waarover later meer), volgepakte boekenplanken, waartussen, zo wijst Demets me, het volledige werk van de Vlaamse dichter Guido Gezelle staat.
We spreken over het ontstaan van De schaamsoort, over de cesuur in zijn leven en over het benaderen van de werkelijkheid via de kunst of via de werkelijkheid zelf. En dan zijn er nog al die bundels die uit een la komen, of er in blijven liggen, het maken van poëziefilms en dat de politiek er tussendoor schemert.
Hoe was het om deze prijs te winnen?
Lachend: ‘Gelukkig had ik die dag daarop al terug les, ik had niet veel tijd om naast mijn schoenen te lopen. Dat zit misschien ook niet zo in mijn aard.’ Dan, ernstiger, ‘Het geeft wel een diep gevoel van geluk en vooral een soort vertrouwen om door te gaan.’
Op het moment dat Demets de prijs ontving, had hij ongeveer op de dag af tien jaar geleden een hartstilstand gekregen. Die ochtend was Demets benauwd op de borst en had pijn in zijn arm en bij zijn hals. In plaats van naar de KASK te gaan, reed hij naar het ziekenhuis waar hij met spoed geholpen werd. ’Die prijs had voor mij dus ook iets heel symbolisch. ’ Zijn oudste dochter werd geboren met een hartafwijking en onderging open hartoperaties. In bedekte termen schreef hij daarover in zijn bundel De landsheer van de Lethe
De woorden van Remco Campert, ‘Poëzie is een daad van bevestiging, de bevestiging dat ik leef’ krijgen hier hun eigen betekenis?
‘Absoluut, en ook dat ik niet alleen leef. Die twee aspecten zijn heel belangrijk. Dat ik niet alleen leef, was in mijn dagelijkse bezigheden al belangrijk voor mij. Ik heb altijd lesgegeven, dan leef je niet alleen, dan geef je dingen door, probeer je te enthousiasmeren, te ondersteunen. Na mijn hartoperatie is dat nog belangrijker voor me geworden.’
Is er daarna ook iets veranderd in je poëzie, in hoe je schrijft?
‘De poëzie die ik tot dan toe schreef en publiceerde, kwam vooral uit het hoofd. Maar het lichamelijke aspect is voor mij veel belangrijker geworden. En ook de maatschappelijke betrokkenheid.’
Hoe bedoel je dat precies?
‘Voor mij is het heel gewoon om te kijken naar de werkelijkheid via kunst. De kunst als een soort vlies dat tussen mij en de werkelijkheid staat. Ook via film bijvoorbeeld. Dat speelt nog altijd een rol, maar in sommige bundels kijk ik niet meer via kunst, maar rechtstreeks naar de werkelijkheid. En dat is een nieuw aspect.’
Enkele maanden na zijn operatie, werd Demets door het provinciebestuur van Oost-Vlaanderen gevraagd als plattelandsdichter. Aanvankelijk voelde hij zich er niet klaar voor om in opdracht te gaan schrijven, maar toen bleek dat hij de vrije hand kreeg in de invulling daarvan, stemde hij toe. ‘Dat vond ik eigenlijk wel fijn. Want om terug te keren naar het citaat van Remco Campert, dat ik niet alleen leef, dat was voor mij ook een heel belangrijk aspect om het te accepteren.’
‘Ik dacht dat dit nu misschien wel de gelegenheid was om even letterlijk uit te zwermen over het platteland. Om te praten over wat de mensen op het platteland bezighoudt, wat hen drijft en ontgoochelt. Aan verkiezingsresultaten in heel Europa is te zien dat er veel breuklijnen in de samenleving komen bloot te liggen, één van die breuklijnen is tussen stad en platteland. Het klimaat gaat mij al ruim twintig jaar ter harte en ik zat dan ook met die achtergrond aan de keukentafel bij landbouwers. Sommige gezinnen zitten al jaren in de problemen. Dan heeft zo’n veevoederbedrijf gezegd, weet je, we sluiten een deal. Wij bouwen twee stallen voor je. Stop met gemengde landbouw, alleen nog varkens. En in plaats van 30 varkens, 300 of meer. Plots blijken die landbouwers werknemers van het veevoederbedrijf op hun eigen boerderij te zijn. Ze zeiden mij ook wel dat ik anders denk dan zij. En dat is natuurlijk ook zo.’
Wat kan de betekenis van kunst en poëzie in deze tijd zijn?
‘Kunst en poëzie zullen de wereld niet kunnen redden vrees ik, maar bieden wel andere perspectieven vanuit de meerduidigheid. Dat is iets waar ik zelf van hou in literatuur, poëzie en kunst. Dat het mij aan het denken zet en zich niet in zijn onmiddellijkheid aan me meedeelt. Ik heb graag dat ik uitgedaagd word. Dus dat vind ik wel belangrijk voor mijn eigen werk, dat iemand ernaar teruggrijpt en nog eens leest en misschien andere dingen ziet. Die openheid van interpretatie vind ik wel belangrijk.’
Wat betekent Gezelle voor jou?
‘Hij heeft mij gevormd en heeft grote indruk op mij gemaakt. Want zijn stem is zo uniek dat je dat onmogelijk kunt proberen na te bootsen.’
‘In 2010 vroeg Gwy Mandelinck ((1937-2024), oprichter poëziefestival Watou Iv/dG ) aan dichters, onder wie aan mij, om een gedicht te schrijven gebaseerd op het leven en werk van Gezelle. Ik vond het een boeiende uitdaging want ik kende het werk van Gezelle, waarmee ik niet durf te beweren dat ik het toen al volledig gelezen had. Zijn poëzie kende ik, maar die andere kant, de bijna krijgshaftige voor het katholicisme strijdende polemist Gezelle kende ik niet. Dat was wel interessant. Maar ook zijn ecologisch bewustzijn, al was dat bij hem ook ideologisch gekleurd. Zijn allereerste gedicht ‘De Mandelbeke’, daar zit iets heel kritisch in over de oprukkende industrialisering. Dat, en zijn bekommernis om de natuur hebben mij opnieuw voor zijn werk gewonnen en zorgde veertien jaar geleden voor het begin van De schaamsoort.’
Heb je je weleens een voorstelling gemaakt hoe Gezelle zou kunnen reageren?
‘Ja, absoluut. Ik heb hem, een man uit de negentiende eeuw, zeker niet willen bekritiseren want dat zou wel heel oneerlijk zijn. Maar ik had hem weleens willen horen over bijvoorbeeld de educatieve context. Die had hij in Roeselare, in zijn school waar hij lesgaf. Dat blijkt uit de briefwisseling. Hij verzamelde een groepje jongeren rond zich en zette die aan om poëzie te schrijven. Wat ik ook doe, maar bij hem had dat een ideologische reden. Want hij schreef letterlijk in een brief: gebruik Vlaamse woorden, want dat is belangrijk. We moeten het Vlaams emanciperen. Dat soort emancipatie is mij totaal vreemd. Ik geef geen les om op ideologisch vlak invloed uit te oefenen en al zeker niet om Vlaanderen groter te maken. Dat zou niet werken, want mijn studenten komen uit alle windstreken. En dat vind ik alleen maar fijn.’
In zijn bundel is er volgens Demets één facet van Gezelle onbelicht gebleven, ook omdat in een bundel nu eenmaal niet alles past, en dat is de openheid van geest die Gezelle ook had. Daarom maakte hij samen met oud-filmstudent Hooman Jeddy de poëziefilm Zie, zie, zie. Het werd een hommage aan Gezelle, aan wie hij was en hoe hij schreef.
‘Daarin hebben we een ontmoeting tussen de westerse katholieke cultuur en de oosterse Perzische cultuur filmisch gerealiseerd. Gezelle kende de Perzische poëzie die hij via een bisschop leerde kennen in een Engelse vertaling. Dat wijst op zijn intellectuele nieuwsgierigheid.’
De bundel bestaat uit zeven afdelingen met elk als titel een van de zeven hoofdzonden. In de afdeling Gula (woede) schrijf je over de fatale ontgroening van Sanda Dia in 2016. ‘Ja, dat heeft mij heel erg beziggehouden. En die studentenclub Reuzegom uit Leuven, waar ik zelf gestudeerd heb. In het begin van de cyclus schets ik mijzelf en het studentenleven. Omdat ik mij niet superieur wilde opstellen, zo van: wat hebben die jongens toch gedaan en ik was beter en anders.’
‘Het is een verhaal waarin alleen maar verliezers zijn. Op de eerste plaats omdat die jongen er niet meer is. Maar ook die jongens die erbij betrokken zijn in de vorm van ongeremd groepsgedrag. Hoe ze verder en verder zijn gegaan tot het fout moest lopen. Ik heb het proces intens gevolgd en heb ook de verslagen gelezen. Wat heel dubbelzinnig is zoals je het ervaart. Ik bekijk het ook van twee kanten. Het zal je zoon maar zijn die daarbij betrokken was geraakt. En anderzijds de ouders van die jongen en dan het hele advocatengedoe natuurlijk. Hoe ze zoveel mogelijk die jongens die erbij betrokken waren, probeerden te beschermen.’
‘Wat mij ook wel raakte, is de juridische taal die gebruikt wordt en die bijna ontmenselijkt. Ik denk dat juristen zullen zeggen, dat is nu eenmaal eigen aan juridische taal, maar dat heb ik toch ook wel een plaats willen geven in die cyclus gedichten. Ik wou laten zien hoe identitair denken tot tribalisme kan leiden.’
Ben je al met iets nieuws bezig?
‘Ja, en dat heeft ook met dat catharsismoment uit 2015 te maken. De jaren daaraan voorafgaand was ik niet zo bezig met publiceren in bundelvorm. Ik publiceerde zo nu en dan in tijdschriften zoals Het Liegend Konijn. Verder recenseerde ik vooral poëzie, theater en beeldende kunst, wat ik nog altijd graag doe. Mathematisch gezien zijn er vanaf het begin in 1989, toen ik echt aan een bundel begon te werken, ruim 23 jaar waarin ik niets gepubliceerd heb, maar wel in stilte verder heb geschreven.’
‘Na mijn operaties waren er gesprekken met een psychologe. Ze vroeg wat ik tot nu toe in mijn leven had gedaan en wat ik anders zou willen doen. Er waren oudere patiënten die met werken wilden stoppen of een grote reis wilden maken. Maar ik dacht, ik ga gewoon verder met waar ik mee bezig ben: lesgeven, schrijven en recenseren. Op één kwam nog meer aandacht aan mijn gezin besteden. En als tweede dacht ik dat ik misschien wel iets meer wilde nalaten dan hier en daar wat verspreide gedichten.’
Sindsdien is Demets werk uit de lade aan het halen. Er zijn al meerdere bundels verschenen, al is het niet zo dat die afgewerkt klaar lagen.
‘Dat zou wel heel erg romantisch zijn, dat ik maar een lade open hoef te trekken en er rolt een bundel uit. Niet alles blijkt bij hernieuwde kennismaking geschikt om mee verder te gaan. Ik moet mij kunnen terugvinden in wat ik eerder geschreven heb, of ik laat het voorgoed in de lade.’
‘Mijn nieuwe bundel, Moederkoren die in oktober zal verschijnen, zit wat in de lijn van via kunst naar de wereld kijken. Ik ben er jaren mee bezig geweest. Maar hij is tegelijk ook heel lichamelijk en persoonlijk. Deze bundel is uit het werk van Chantal Akerman ontstaan. Ik gebruik haar werk als een soort canvas waarop ik dan mijn eigen wereld projecteer.’
Paul Demets is op 31 oktober een van de eregasten tijdens het Nederlands Poëziefilm Festival 2025 te Zutphen. Tijdens het festival zal er een ruime selectie van films, gebaseerd op zijn gedichten, vertoond worden.
Harrie Geelen (10 januari 1939 – 30 augustus 2025) was illustrator, schrijver, tekstdichter, scenarist, tekenfilmmaker, bewerker en vertaler. Zijn werk, verspreid over verschillende media, bereikte talloze lezers, luisteraars en kijkers. Generaties groeiden op met de muzikale kinderseries Oebele en Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?, die hij in de jaren zeventig schreef. Zijn jaren bij de Toonder Studio’s leverden korte tekenfilms op die nog altijd een eigen plaats innemen in de Nederlandse animatiegeschiedenis. Hij vertaalde talloze animatiefilms en regisseerde de nasynchronisatie van bekende Disneyfilms. Als illustrator was hij betrokken bij tientallen boeken, vaak in samenwerking met zijn levenspartner Imme Dros.
Voor het blad Vooys, mocht ik samen met een mederedacteur een aantal jaar geleden het illustere duo interviewen. Ik was als kind helemaal verzot op de Griekse Mythen vertaald door Imme Dros en voorzien van Harrie Geelens bijzondere illustraties. Al vanaf het moment dat we binnenstapten in hun huis in Hilversum, kreeg ik het idee dat dit een ander interview dan anders zou zijn. Het witte herenhuis in Hilversum was binnen een kleurige boel, met vrolijke meubels en overal boeken en illustraties. Het was er donker en daardoor geheimzinnig. Ook toen het donker werd mochten de lampen niet allemaal aan, voor Imme die last van haar ogen heeft. We wilden Dros en Geelen eigenlijk spreken over het onzegbare en hoe je dat op papier brengt, maar in plaats daarvan spraken we vijf uur lang over hun rijke carrière en hun jeugd. Tussendoor werden we regelmatig voorzien van thee, wraps en koekjes van Texel (waar Imme Dros geboren is).
Vanaf de bank was Harrie Geelen vrijwel onafgebroken aan het woord, af en toe ruw onderbroken door Imme Dros die ook graag wat wilde zeggen. Het was een vrolijke en enthousiaste man, die ons hals over kop meesleurde naar zijn werkkamer om zijn laatste projecten en zijn werkwijze te laten zien. Tussen zijn verhalen door buitelde het van de boektitels en projecten. Zijn werk werd ook veelvuldig bekroond, hij ontving onder meer de Zilveren Penseel voor Juffrouw Kachel (1992), de Zilveren Griffel voor Herman het Kind en de Dingen (1994), de Gouden Penseel voor Het beertje Pippeloentje (1995), de Woutertje Pieterse Prijs samen met Imme Dros voor Bijna Jarig (2006) en in 2014 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Over het op papier stellen van het onzegbare kwamen we bij ons interview niet echt meer te spreken, want zodra we eenmaal waren gaan zitten gaven we de regie van het gesprek uit handen. Harrie vertelde wel dat hij in zijn tekeningen niet de letterlijke handeling vatte, maar de dreiging, de weidsheid, de eenzaamheid of juist de tederheid van het geschrevene. Hij maakte beelden die er net zo goed niet hadden kunnen zijn, echt als ondersteuning van de tekst, maar die het boek wel onvergetelijk maakten.
Harrie Geelen liep ook vaak tegen de beperkingen van zijn werk aan. Zijn verfilming van Annetje Lie in het holst van de nacht (2004), naar het gelijknamige boek van Imme Dros was een technisch hoogstandje in de begindagen van de digitale wereld. Hij maakte het voor de VPRO, maar echt succesvol werd het niet. Ook financieel waren er soms beperkingen, maar daarover zei hij: ‘Taal kost gelukkig verder niks; dat zit in je hoofd, en dat kun je opschrijven.’
Hij laat een immens en veelzijdig oeuvre na, maar bovenal de herinnering aan een kunstenaar die nooit koos voor de makkelijke weg. Hij vond schoonheid in beperkingen en wist met schijnbaar ongeschikte middelen werelden op te roepen die velen inspireerden.
Aan het eind van het interview vroeg ik Imme Dros en Harrie Geelen om mijn exemplaar van De macht van de liefde te signeren. Imme zette een snelle krabbel, maar Harrie tekende een prachtig Trojaans Paard voorin. Een echte Harrie Geelen, grove lijnen, waarin niet de vorm maar de essentie het belangrijkste is. Het wordt hoog tijd om die maar eens in te lijsten.
Deels gebaseerd op Vooys 40.3: ‘In taal heb je andere dingen nodig dan woorden’ Interview met Imme Dros & Harrie Geelen door Jan Douwe Westhoeve & Bram Scharpach
In treffende bewoordingen een onderwerp vormgeven in de verbeelding van de toehoorder. Maar ook jezelf confronteren met je gevoelens. Zo ervaar ìk poetry. Het is niet makkelijk en daarom heb ik ontzettend veel respect voor de grootheden Michaël Slory, Dobru, Johanna Schouten-Elsenhout, Trefossa en S. Sombra. Met hun dichtwerk hebben zij de poëziewereld van Suriname verrijkt.
Begin april stond Dobru centraal bij de R. Dobru Raveles Stichting, die een hele week activiteiten organiseerde om de grote dichter/schrijver te eren. Op 29 maart zou hij negentig jaar zijn geworden. In diezelfde week vond de Poëzieweek Suriname 2025 plaats, georganiseerd door stichting Skrifi en Poetry International en mogelijk gemaakt door de Nederlandse ambassade in Suriname en Literatuur Vlaanderen (België). Een week lang verdiepten de deelnemers zich in poetry, begeleid door letterkundige Hilde Neus en workshopleiders Jeffrey Quartier, Melanin Kris en Zulile Blinker.
Neus benadrukte het belang van onderzoek en het lezen van werken van andere dichters, vooral Surinaamse. Jeffrey moedigde dichten in het Sranan aan. Melanin adviseerde om ook media te gebruiken om poëzie te delen, zoals shirts met poëzieteksten en voordrachtfilmpjes. Zulile legde uit hoe belangrijk lichaamshouding is bij een performance: “Zet je lichaam in!”
De deelnemers scherpten niet alleen hun dichttalent aan, maar dachten ook na over hun ambities en toekomstplannen met Joran Koster van Poetry International. Aan het einde van de week mochten ze optreden tijdens de Dobru Neti. Het was weer een mooi voorbeeld van wat we samen kunnen bereiken als we de krachten bundelen.
Wat ik vooral heb meegekregen, is dat poetry niet alleen draait om woorden op papier zetten of tegenwoordig in je telefoon typen, maar ook om hoe je die woorden overbrengt. Je stemvolume, klanken en stiltes zijn essentieel en moeten bewust worden ingezet. Elk detail telt. Maar bovenal: je moet jezelf kwetsbaar durven opstellen. Maar ik besef dat dat makkelijker is gezegd dan gedaan.
Er moet meer gebeuren met de dichtkunst: meer optredens, meer poëzie in programma’s, meer mogelijkheden om talenten te ontwikkelen en vooral meer kansen om Suriname internationaal te vertegenwoordigen. Als samenleving moeten we op zoek naar manieren om dichtwerk meer erkenning te geven.
Dichters moeten durven dromen. Durven hun werk groter te maken, zowel qua inhoud als qua lengte. Hun optreden mag langer, hun interactie met het publiek sterker. En ze moeten de stap durven zetten om hun werk als bundel uit te geven, desnoods in eigen beheer. Veel grote dichters zijn zo begonnen: eerst zelf publiceren, voordat een uitgever hen oppikte. Dichten en dromen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Daarom ben ik blij dat er mensen en organisaties zijn zoals R. Dobru Raveles Stichting, Henri Frans de Ziel Stichting Trefossa, Schrijversgroep ’77 en Zulile Blinker met haar spoken word-collectief Kokolampu. Zij houden de nalatenschap van de grote dichters levend en bieden nieuwe generaties een podium om hun werk te presenteren.
Ik sluit af met een gedicht dat ik heb geschreven, geïnspireerd door deze bijzondere week:
‘Als ik aan je denk
Denk ik aan de kalmte waarmee de zon ondergaat
en ruimte maakt voor de maan.
De stilte waarin de sterren hun plaats innemen,
de rust waarmee de avond het heelal omarmt.
Jij bent de aanraking die mij tot stilte wiegt.’
Deze column verscheen eerder in de Surinaamse krant De Ware Tijd.
Kevin Headley (1983), woonachtig in Paramaribo is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft voor OneWorld, de Surinaamse krant De ware tijd, schreef blogs voor Tirade.nuen publiceert verhalen op Papieren Heldenen in de papieren versie van Tirade.
Om mij te overtuigen is niet veel nodig, als het verhaal maar goed is. De huishoudelijke hulp in Huiswerk van Marja Pruis bestaat voor mij echt. Net zo goed dat Clara, het hoofdpersonage, de schrijfster zelf is. De vrouw die op de vraag ‘Wat ben je aan het doen?’, niets over zichzelf zegt. Clara denkt: ‘Het probleem is dat ik mensentaal moet kiezen voor het bestaan dat ik liever poreus houd. Ik moet uitleveren wat ik liever ongezegd laat, bang dat het verdwijnt zo gauw je het onder woorden brengt.’, maar zegt, ‘Ik ben aan het werk.’ Ja, ja, dat kennen we. En Edward uit De Alpenfederatie van Gregor Verwijmeren, dat is gewoon Elon Musk. Het is de waarachtigheid van literatuur die me ervan overtuigt de achterliggende beelden te herkennen.
Deze week berichtte The Observer dat het verhaal van Raynor Winn, over haar wandeltocht met haar zieke man Moth over hetSouth West Coast Path van zuidwest-Engeland, verzonnen is. Het is het soort informatie dat ik normaal gesproken direct aan de man doorvertel (moet je nou eens horen), maar hield het stil. In de keuken spoelde ik koffiebekers onder de kraan af. De man kwam uit de tuin, zei iets over tuinbonen en slakken. Het waren mijn tuinbonen, evenals de tomaten die ik gepland had. Wat hij wilde zeggen was dat ik ze misschien moest gaan oogsten, die tuinbonen. Ik mompelde ja,ja.
Dat ze niet Raynor en Moth Winn heten, maar Sally en Tim Walker, is oké. Dat ze niet zelf bedrogen waren door een vriend waardoor ze hun huis kwijtraakten, maar dat Raynor (Sally dus) in haar baan als boekhoudster een aanzienlijk bedrag achterover had gedrukt, doet het hele verhaal kantelen. Om een proces te vermijden, offerden ze hun huis op. Daar, dat is het verhaal volgens The Observer. Dat je niet wilt geloven als blijkt dat wat je eerder geloofde niet waar blijkt te zijn. Daarom zeg ik nog even niks om het bij het oude te houden.
Wat het gekke is, dat ik, met dit verhaal van bedrog in mijn hoofd, Raynor (Sally dus), er op de foto’s die er bij deze artikelen staan, opeens onbetrouwbaar vind uitzien. Strak glimlachend kijkt ze in de camera met Gillian Anderson die de rol van Raynor in de film The Salt Path speelt, naast zich. Ik lijk mijn moeder wel, die aan elk vriendje dat de laan uitvloog en waar ze eerst vreselijk mee kon lachen, opeens niets goed meer vond. Geloofwaardigheid is geen duurzaam ding. Er kan zomaar iemand komen die een verzwegen stukje uit je geschiedenis oplepelt. En hoe dat dan weer te interpreteren. Was er niet eens een (Australische?) schrijfster die zich over gaf aan de vliegen tot haar lijf er zwart van zag? Zelfs in haar oren en neus zaten ze. Het bleek niet waar te zijn.
Het zoutpad was geen goedgeschreven boek, maar het was wel een goed verhaal. De verteller, Raynor Winn (Sally Walker dus) zat angstig onder de trap toen de deurwaarders kwamen. Waar ze bedacht te gaan lopen, er een boek over te schrijven. Ik zag het mezelf doen, niet bij de pakken neerzitten, rugzak om en lopen maar. Dat alles wat je jezelf ziet doen, wel waar moet zijn. Later die avond toen we een film keken, zei ik het dan toch. ‘Zeg, wist je dat…?’ Hoe graag je dan het bedrog uit de doeken doet. Denk aan mijn moeder. Het is me wat.
Inge Meijer is een pseudoniem, schrijft over wat ze leest.
De Jan Hanlo Essayprijs Groot ging dit jaar naar Waar van Wytske Versteeg. Wel verdiend. Met de zoektocht naar waarheid van een twijfelende schrijver voegt Versteeg echt iets toe aan het literaire landschap. Ik sprak haar op het terras van een café in Delft, waar het luiden van de kerkklokken de geluidsopname af en toe verstoorde.
Waar is begonnen met je proefschrift en de uitspraak dat wetenschap ook maar een mening is. In het boek wordt daarnaast duidelijk dat je het ook vanuit een persoonlijke motivatie hebt geschreven. Kun je wat meer vertellen over wat de waarheid voor jou inhoudt en hoe je je daartoe verhoudt?
‘Om maar met een kleine vraag te beginnen! Aan het begin van Waar verwijs ik naar Verdwijnpunt, waarin ik over mijn familie-ervaring schrijf. Ik denk dat ik indringend heb ervaren hoe verschillende verhalen naast elkaar kunnen bestaan. Mensen kunnen een situatie die feitelijk hetzelfde is, toch anders zien. Ik denk dat daar die fascinatie voor waarheid vandaan komt en ook een wantrouwen tegen mensen die zeggen: dit is gewoon zo. Iets waar wetenschappers verbazingwekkend goed in zijn.’
‘Ik las laatst een theorie, geen idee of er iets van klopt, dat mensen die veel cognitieve dissonantie ervaren als kind, meer geneigd zijn om schrijver te worden. Omdat je dan een soort oplossing hebt in al die verhalen. Ik kan me voorstellen dat daar iets in zit. Een verhaal is per definitie een benadering van de werkelijkheid. Ik denk dat in al mijn boeken een fascinatie met waarheid zit, zelfs al in Dit is geen dakloze. In dat boek wilde ik voorbij stereotypes kijken, wat denk ik maar deels gelukt is omdat je, zodra je voorbij een stereotype probeert te kijken, dat stereotype toch herhaalt. Ook in De wezenlozen zat de fascinatie met waarheid: verschillende personages hebben in dat boek een ander beeld van dezelfde situatie. Het is belangrijk de beperkingen van onze eigen blik te laten zien.’
Als het gaat om het vertellen van verhalen: in proza en essay wordt op een andere manier met waarheid omgegaan. Jij schrijft beide. Is er voor jou een verschil in hoe je dat ervaart?
‘Dat hangt ervan af welk type essay. Bij Waar heb ik bewust alle bronnen erin gezet, zodat alles wat ik zeg, in elk geval de dingen die over feiten gaan, met bronnen onderbouwd is. Een wat losser essay zit dichter bij proza. Toch is ook proza een waarheid, alleen dan onder denkbeeldige omstandigheden. Je creëert een wereld en daarin kun je fantastische dingen laten gebeuren, maar het moet wel binnen die wereld waar zijn.’
Je houdt je al jaren bezig met waarheid. Heb je de indruk dat er in die tijd verschuivingen zijn geweest in hoe er met waarheid omgegaan wordt in het publieke debat? Zijn mensen kritischer geworden op leugens, van politici bijvoorbeeld?
‘Ik denk dat je meer schaamteloze liegende politici ziet, helaas, en in de tussenliggende jaren is het woord post-truth gemunt, waar je van alles op kunt afdingen. Ik geloof niet per se dat we in een post-truth samenleving leven. Dat zou suggereren dat er een soort gouden tijd was waarin het alleen maar om waarheid ging en, omgekeerd, dat mensen nu helemaal niet meer om waarheid geven. Ik geloof niet dat dat zo is en het onderzoek dat er ligt wijst daar ook niet op.’
‘Maar een samenleving wordt wel beïnvloed door wat mensen aan de top doen. Als schaamteloos liegen daar een manier wordt om je waarachtigheid te bewijzen, is dat heel zorgelijk. Waarbij ik wil opmerken dat de voedingsbodem daarvoor eerder is gelegd. Dat zoveel mensen hun toevlucht zoeken bij politici die tegen het systeem schoppen: dat komt doordat het vertrouwen al ondergraven was. Mensen die het zelf makkelijker hebben, zien dat vaak niet.’
Met het oog op de verkiezingen krijgt waarheid extra gewicht. Denk aan het migratiedebat, bijvoorbeeld, waarin aantoonbare onwaarheden steeds herhaald worden. Het lijkt of we als samenleving, of in ieder geval als individuen, niet weten wat we moeten doen. Wat denk jij dat er moet gebeuren om het tij te keren?
‘Een aantal dingen, op verschillende niveaus. Kijk je op politiek niveau, dan is het ingewikkeld dat onze publieke sfeer zich voor een groot deel afspeelt onder de hoede van bedrijven die baat hebben bij emotiekliks. Dat is levensgevaarlijk voor een samenleving.’
‘Wat je als individu kan doen is lastig, want het voelt alsof het een druppel op een gloeiende plaat. Toch: het contact van mens tot mens. Naar elkaar luisteren, deep canvassing [langs de deuren gaan om ‘moeilijke’ gesprekken te voeren]. Ik denk dat dat belangrijk is. Omdat het ook over eenzaamheid gaat. En angst. Dat is waarmee ik het boek eindig: in je eentje doe je niks en toch maakt het uit wat jij in je eentje doet. Ik geloof in een idee van verandering zoals dat door Rebecca Solnit wordt voorgesteld. We hebben het idee dat verandering radicaal moet zijn en tot stand komt door enkelingen aan de top, maar het is een langzame beweging die ontstaat door kleine handelingen die op zichzelf niks voor elkaar lijken te krijgen. Sinds Waar blijk ik bij panelgesprekken vaak de meest optimistische stem te zijn. Een rare ervaring, want als je de rest van mijn werk leest, is dat voor mij een ongebruikelijke rol. Ik ben niet optimistisch over waar we heen gaan, maar juist omdat die ontwikkeling zo gevaarlijk is, is het des te belangrijker om goed te kijken naar wat er aan de hand is.’
Een essay over de manier waarop pers omgaat met waarheid en de invloed daarvan op burgers zou interessant zijn geweest. Heb je een dergelijk essay overwogen en waarom wel of juist niet?
‘Ik heb het niet bewust overwogen als een apart essay, mede door de manier waarop dit boek tot stand is gekomen. Na mijn proefschrift wilde ik een tijd niets meer doen met het onderwerp waarheid. Mijn hoofd zat ook te vol met academische taal. Een paar jaar later ergerde ik me toch teveel aan wat er in de pers werd gezegd over waarheid, niet in de laatste plaats door wetenschappers. Toen ben ik gaan schrijven. Vanuit twijfel, net zoals wanneer ik een roman zou schrijven, op die manier mijn weg zoekend door het boek. Daarbij heb ik me ver gehouden van actuele onderwerpen, want daarover heeft iedereen al een mening. Als je het over media hebt, haal ik voorbeelden aan over de boekdrukkunst en de radio, die verrassend herkenbaar zijn — in de hoop dat mensen vanuit die historische voorbeelden beter kijken naar wat er nu aan de hand is.’
Als ik het goed begrijp is de twijfelende schrijver in dit geval het personage wat je door het boek leidt. Kan ik dat zo zien?
‘Ja, het is hoe ik het boek geschreven heb. Ik vind dat een interessante manier.’
Mensen houden er ieder hun eigen waarheid op na en zitten opgesloten in hun gedachten. Is het schrijven van essays een poging om tegen vaste gedachtensporen in te gaan? Of juist om door alle twijfels heen je eigen spoor te vinden?
‘Ik denk allebei, maar niet op hetzelfde moment. Alles wat ik schrijf is een onderzoek. Ik schrijf over dingen waar ik niet genoeg van weet. Door te schrijven hoop ik iets uit te vinden. Tegelijkertijd is elk boek ook een manier om naar een stem te zoeken en die heb je als je iets te zeggen hebt. Dus daar zit een soort dubbelheid in.’
Is het dan zo dat je begint met de eerste zin zonder dat je weet waar je gaat uitkomen?
‘Ja, ik begin bij de eerste zin en weet het echt niet. Vroeger gaf mijn agentschap cursussen aan mensen die wilden schrijven. Dan legden ze uit: je moet een idee hebben, een synopsis en een stappenplan. Als ik dan als schrijver werd uitgenodigd om langs te komen, moest ik vertellen dat ik al die dingen niet doe.’
Hoe zorg je dat er structuur in een boek komt?
‘Ik schrijf in cirkels. Dat is de enige manier om het te doen en dat kost tijd en moeite. Omdat je er elke keer achter komt dat iets toch anders moet en dan moet je weer terug. Ik zou niet kunnen schrijven vanuit een synopsis en stappenplan, ik vind dat niet interessant en zou niet weten op basis waarvan ik die stappen dan zou zetten.’
Waar is een dapper boek over een groot en ongrijpbaar onderwerp. Je schrijft dat het schrijven lange tijd niet ging zoals je wilde. Je wantrouwde je eigen stem zodra die zelfverzekerd klonk. Hoe ben je daar doorheen gekomen?
‘Erdoorheen gekomen is een groot woord.’
Het boek is er!
‘Als schrijver blijf ik mijn stem wantrouwen. Soms is dat gevoel zo hevig dat ik niet kan schrijven, soms is het op het niveau dat ik kritisch genoeg ben. Als je je eigen stem niet wantrouwt, is er iets mis. Voor Waar maakte het uit dat ik een hond kreeg, waardoor ik nauwelijks tijd had om te schrijven en mijn gedachten op een ander spoor werden gezet. Het thema waarheid of werkelijkheid werd fysieker toen ik me zo in mijn hond moest inleven dat het was alsof ik in zijn hoofd leefde. Vaak heb je een zetje van buitenaf nodig om in een werkelijkheid te komen die ver van je af ligt. Anders zit je opgesloten in wat je al gelooft.’
Nu je de Jan Hanlo Essayprijs hebt gewonnen gaan veel meer mensen Waar lezen. Je eindigt met een oproep aan de lezer: het hangt van jou af. Daar zit een tegenstrijdigheid in, want je zegt ook dat je als individu machteloos bent. Wat hoop je dat mensen doen? Ze lezen dit boek, gaan naar buiten en dan?
‘Wat ik van mensen hoor is dat het boek ze sterkt in het gevoel dat ze niet alleen zijn met hun twijfel en in het besef dat ze zich niet stil hoeven te houden omdat de mensen die het allemaal zo zeker weten aan het woord zijn. Het maakt mij blij dat Waar mensen die twijfelen helpt om hun twijfel serieus te nemen en het voor hen misschien ook makkelijker maakt die twijfel uit te spreken. Als iedereen die het heeft gelezen iets meer vertraagt en de ruimte neemt om een gesprek aan te knopen met een onbekende: dat is al een effect. Zelfs in deze donkere, extreemrechtse tijd waar we in zitten. Ik denk dat er vaak te gemakkelijk wordt gepraat over mensen die op een rechtse partij stemmen. Dat merk ik bijvoorbeeld op bijeenkomsten met academici, zij praten denigrerend over zulke kiezers. Daarmee verliezen ze een groot deel van de werkelijkheid uit het oog. Ik sprak laatst met een maatschappelijk werker. Die vertelde dat hij eens tegenover iemand zat die continu racistische opmerkingen maakte. Toen keek die man op zijn horloge en zei: nu is het klaar, want ik moet die mevrouw naar het ziekenhuis brengen. In de deuropening stond een mevrouw met een hijab.’
Dat was natuurlijk de buurvrouw.
‘Precies. En als die maatschappelijk werker eerder in het gesprek had gezegd: jij bent een racist en ik praat niet meer met je, dan was dat het einde geweest. Er zijn verschillen in taalgebruik. Binnen de universiteit is iedereen alert op woorden, maar de universiteit is niet inclusief. Terwijl mensen die in taal rechtser klinken vaak een gemengdere groep mensen tegenkomen en met hen samenleven. Het zou goed zijn als ze zich daar in universitaire bubbels bewust van worden, in plaats van mensen af te serveren omdat ze op een andere partij hebben gestemd. Toch is er een spanningsveld. Hoe meer iets wordt herhaald, hoe normaler het wordt. Het is dus goed om streng te zijn op het taalgebruik in de Tweede Kamer.’
Dus mensen met macht kun je op een andere manier aanpakken dan je buurman die op de pvv gestemd heeft. Dat onderscheid maken mensen niet altijd.
‘Omdat het observeren van de ander de makkelijkste manier is om je beter te voelen over jezelf.’
In ons dorp hebben we ongeveer vierentwintig kappers, vier grote supermarkten, vijf snackbars en zelfs een reptielenwinkel, maar geen boekhandel. Ja, de Bruna, maar die telt niet echt mee, vind ik. Er was vroeger weliswaar een prachtige boekhandel, maar die ging ten onder aan zijn goede smaak, de klanten lazen liever Kluun dan Ida Gerhardt. De kleine bibliotheek biedt ook niet meer dan boeken over spanning en sensatie.
Gelukkig wordt er voor fanatieke lezers elke twee maanden in een grote loods een tweedehandsboekenmarkt gehouden, die druk bezocht wordt. Het aanbod aan boeken is groot en gevarieerd, goed gesorteerd op onderwerp of alfabet, de prijzen zijn belachelijk laag en alle boeken zien er als nieuw uit. De medewerkers zijn vrolijk en behulpzaam, mocht je een titel niet kunnen vinden, dan vraag je of ze die voor jou in de gaten houden bij nieuwe donaties. De opbrengst, die kan oplopen tot meer dan duizend euro, is elke keer voor een ander goed doel bestemd. Vaste bezoekers kennen elkaar inmiddels allemaal: lezers met een lijstje om hun verzameling compleet te maken, kinderen die een boek mogen uitzoeken, een vrouw die boeken zoekt over quilten. En ik, omdat ik iets wil vinden dat ik niet heb gezocht. Ik word altijd heel gelukkig als ik de grote hal inloop.
‘Books to the ceiling,
Books to the sky,
My pile of books is a mile high.
How I love them! How I need them!
I’ll have a long beard by the time I read them.’
Maar nu is er bezwaar gekomen van een van de omwonenden, die vindt dat de boekenmarkt te veel overlast bezorgt. Die persoon (niemand weet wie het is en dat is maar goed ook) heeft bij de gemeente geklaagd en nu is de boekenmarkt al sinds begin dit jaar opgeschort, tot de gemeenteraad een besluit genomen heeft over het voortbestaan ervan.
De verontwaardiging onder de vaste klanten is groot. Eén zondag per twee maanden, dat is slechts zes keer per jaar! Als je ergernis zo groot is, zorg je toch dat je op die dag het dorp uit bent? Dat doe ik ook met carnaval, dat bijna een week duurt, maar daar hoor je niemand over.
We hebben nu een petitie opgesteld waarin bezoekers konden aangeven dat de boekenmarkt onmisbaar is voor hen. Ik heb al zes keer ondertekend, elke keer onder een andere naam.
Overal in Nederland wordt geklaagd over de ‘ontlezing’ van zowel volwassenen als kinderen. Iedereen onderschrijft het belang van het lezen van goede boeken, maar niet iedereen kan die betalen, boeken zijn duur. Nu hebben we hier een unieke gelegenheid om mensen boeken te laten aanschaffen voor een spotprijs en nu mag het niet doorgaan, omdat we zes zondagen per jaar ‘overlast’ bezorgen. Ik vraag me af of het belang van een enkeling zwaarder moet wegen dan dat van een grote groep, vooral als je in aanmerking neemt dat er ook mensen geholpen worden met de opbrengst. Maar als ik heel eerlijk ben, zijn mijn persoonlijke motieven niet zo nobel. Ik wil gewoon weer onverwacht een boek tegenkomen dat ik niet kan laten staan.
Uit: Whiskers & Rhymes / Arnold Lobel (1985).
Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.