• Felicitaties voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison

    Het zal u niet ontgaan zijn, Marieke Lucas Rijneveld heeft als eerste Nederlandse schrijver de prestigieuze Booker International Prize gewonnen voor The Discomfort of Evening, de vertaling van haar roman De avond is ongemak. Rijneveld ontvangt de prijs samen met vertaalster Michele Hutchison.
    Wij feliciteren auteur en vertaalster van harte!

    Als u De avond is ongemak nog niet gelezen hebt, gaat u dat nu wellicht wel doen. Of u gaat op zoek naar meer informatie over de schrijfster en haar andere werk. Hettie Marzak besprak Rijnevelds tweede dichtbundel Fantoommerrie. Zij schreef daarover:

    ‘Met zoveel aandacht en lof is het voor een dichter vaak moeilijk zichzelf staande te houden in een volgende bundel, omdat alle kritiek zich zal richten op de vraag of de kwaliteit overeind zal blijven, of dat de dichter een eendagsvlieg blijkt te zijn. Maar Rijneveld heeft met haar tweede bundel duidelijk bewezen dat zij zich als dichter weet te handhaven: het is een verrassende bundel die haar ongewone talent onomstotelijk aantoont.’

     

    Klikt u hier om de recensie over Fantoommerrie (nog eens) te lezen.

     

     

     

     

     

     

     

  • Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen

    ‘Zo ziet mijn leven er op dit moment uit,’ zegt Sander Kollaard (1961) ineens. We zitten op een terras in Amsterdam. De schrijver woont in Zweden en is voor tien dagen overgekomen voor de promotie van zijn roman Uit het leven van een hond die eind juni werd bekroond met de Libris Literatuur Prijs. Er is zojuist een enorme hoosbui losgebarsten, maar boven onze tafel hangt een grote parasol. ‘Overal vallen buien en gebeuren vreselijke dingen, maar ik zit lekker droog.’ 

    Sinds enkele jaren leeft Sander Kollaard alleen van het schrijven. Dat brengt onzekerheid over inkomsten met zich mee, ook omdat zijn vrouw op projectbasis werkt. Tot vier jaar geleden werkte hij ook nog als redacteur voor een medische uitgeverij, uit financiële noodzaak. Maar toen ging die zaak failliet, vertelt Sander Kollaard. ‘Op dat moment zat ik al met de vraag of ik er niet mee moest stoppen om me volledig op het schrijven te richten. Gelukkig werd de keuze toen voor mij genomen. Het was een enorme bevrijding en daardoor kon ik veel meer gaan schrijven. Dankzij de Librisprijs kunnen we het leven dat we nu leiden langer volhouden.’ 


    Veel te vieren

    Zijn bekroonde roman Uit het leven van een hond beschrijft een zaterdag uit het leven van de 56-jarige Henk van Doorn. Een doodgewone zaterdag, behalve dat Henks hond ziek is. ‘John Updike werd eens gevraagd waarom hij schreef. Hij antwoordde toen: “To give the mundane its beautiful due”, dat je zou kunnen vertalen met “het alledaagse tooien met de schoonheid die haar toekomt”. Dat heeft mij altijd erg aangesproken. Waar literatuur erg goed in is, is mensen opnieuw te laten kijken naar wat ze al kennen. Maar dan met een frisse blik. Dan zie je veel meer en worden ook de banale dingen op slag interessanter.’

    Geconfronteerd met de ziekte van zijn hond ervaart Henk zijn emoties wat sterker dan normaal. Hij kent de nare en verdrietige kanten van het leven. Hij heeft bijvoorbeeld zijn oudere broer verloren, een dementerende vriendin en hij is gescheiden. Ondanks het besef dat hij zijn hond over niet al te lange tijd zal verliezen, weet hij de wending te maken naar de gelukkige kanten van het leven. ‘Er valt in het leven veel te vieren. Je moet het alleen wel willen zien en dat begint Henk op deze dag te ontdekken.’

    Als je Uit het leven van een hond vergelijkt met de andere boeken van Sander Kollaard, dan lijkt het nog een meest op zijn debuut Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde. ‘Het is een soort vervolg qua toon, klank en lichtheid. In het eerste boek is er ook het besef van sterfelijkheid, een memento mori, dat als een onweerswolk boven alles hangt. Het geeft de hoofdpersoon in die verhalenbundel een gevoel van zinloosheid. Maar Henk uit mijn laatste boek maakt de draai dat we aan die sterfelijkheid ook alles te danken hebben wat goed en bijzonder is.’ 


    Buitenspelen

    ‘Elk boek heeft zijn eigen regels. Een onderdeel van het schrijven is het ontdekken van die regels. Het is alsof je een spel krijgt toegeworpen zonder gebruiksaanwijzing,’ vertelt Kollaard over zijn schrijfproces. Elk boek is dan ook totaal anders dan het vorige. Zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is wat vertellen betreft het minst conventioneel: ‘Op dat boek ben ik het meest trots. Ik heb met die verhalen de vorm enorm weten op te rekken voor mezelf. Ik ontdekte nieuwe mogelijkheden van vertellen. En daar is Uit het leven van een hond ook een gevolg van.’ 

    Bij het schrijven van Uit het leven van een hond volgde Sander Kollaard wat hemzelf bezighield. Dat het een boek over onder meer levenslust is geworden bijvoorbeeld, is omdat de schrijver die zelf ook in zijn eigen leven meer dan voorheen ervaart. Dat het boek het gevoel van levenslust doorgeeft aan de lezer komt, denkt  Kollaard, door de lol waarmee hij het geschreven heeft. ‘Dat werkt aanstekelijk.’

    ‘Een andere schrijver heeft me wel eens voorgehouden dat het een slecht teken is als je om je eigen grapjes moet lachen. Maar ik denk: als ik er niet om lach, dan lacht er helemaal niemand om. Ik heb veel plezier gehad in het schrijven. Allerlei zinnen en beelden leken als vanzelf te komen. Dat geldt ook voor het vertelperspectief. Het scheelt niet veel of de schrijver komt zelf tevoorschijn in het verhaal. Toen ik dat eenmaal doorhad, zag ik ook de mogelijkheden van wat je daar allemaal mee kunt doen. Daarop heb ik me toen uitgeleefd.’

    Het liefst schrijft Sander Kollaard zonder al te veel plannen en zonder schema. In de handeling van het schrijven gebeuren volgens hem namelijk de interessante dingen. Verhalen lenen zich beter voor die manier van schrijven, want ze zijn op alle niveaus overzichtelijker dan romans. Romans schrijven is daarom meer een gerichte, ambachtelijke inspanning. ‘Het is niet dat ik daar geen lol in heb, maar ik schrijf liever korte verhalen. Dat voelt als buitenspelen, terwijl een roman schrijven meer is als huiswerk maken.’ 


    Fascinatie voor verhalen

    Terugkerend thema in het werk van Sander Kollaard is het vertellen van verhalen. In Uit het leven van een hond noemt Henk verhalen onze meest basale vorm van begrip. In zijn vorige verhalenbundel Levensberichten is het vertellen van verhalen een expliciet thema en ook in de eerdere roman Stadium IV en Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde is Kollaards fascinatie voor verhalen aanwezig. 

    ‘We kunnen ons alleen maar verhouden tot onszelf en de ander in de vorm van verhalen. Al onze kennis en al ons begrip neemt de vorm aan van een verhaal. Voor mij als schrijver is dat fascinerend, omdat ik me bemoei met dat web van verhalen dat er in de wereld is. Los daarvan is het een vruchtbaar perspectief op wat er in de wereld gebeurt, de verhalenstrijd die je overal ziet, zoals in de discussies over identiteit. Of dat nou is met populistisch rechts, de Nederlandse cultuur of Black Lives Matter: iedereen doet zijn of haar best anderen te overtuigen van het eigen verhaal. 

    Wat essentieel is om te begrijpen aan de hele discussie over identiteit, is dat het verhalen zijn die we onszelf en anderen vertellen. Je hebt het niet over een noodlot of onwrikbare waarheid. Het wordt natuurlijk pijnlijk als jouw verhaal door anderen wordt verteld, zoals zwarte Amerikanen is overkomen: hun verhaal is te lang en te vaak verteld door witte Amerikanen en doordrenkt van racistische vooroordelen. Maar aan die verhalen kun je ook een nieuw verhaal toevoegen. Dat doen ze nu met veel overtuiging. Ik vind het iets bevrijdends hebben om op die manier naar de wereld te kijken, omdat het je weghoudt bij absolute waarheden. Je kunt verhalen herzien en nieuwe verhalen beginnen.’


    Extra leven

    Een nieuw verhaal beginnen, het is een metafoor die mooi past bij het leven van Sander Kollaard. Hij debuteerde tamelijk laat, pas toen hij vijftig was. In zijn jongere jaren schreef hij wel eens iets, maar hij had nooit de concrete ambitie om schrijver te worden. Pas toen hij naar Zweden verhuisde begon hij het schrijven serieuzer aan te pakken. 

    ‘Ik kreeg een relatie met mijn Zweedse vrouw, Susanna, die ik in Nederland leerde kennen, juist toen zij op het punt stond weer naar Zweden te gaan. Toen ben ik met haar meegegaan. Omdat zij al twee kinderen had, kreeg ik ook een rol als vader. En niet lang daarna kregen we samen ook nog een kind. Het was een opwindende, maar ook een zware periode waarin voor mij vrijwel alles veranderde. Om mijzelf niet te verliezen in die nieuwe rollen, ben ik bewust uren voor mijzelf gaan nemen, en daarin ben ik begonnen met schrijven. En dat leidde al vrij snel tot publicaties in De Gids en in Tirade.’

    Met zijn schrijverscarrière ging het meteen goed. Voor zijn debuut ontving hij de Lucy B. en C.W. Van der Hoogtprijs, Stadium IV werd verkozen tot Boek van de Maand bij De Wereld Draait Door, en nu volgt de Libris Literatuur Prijs. Sinds het verschijnen van Uit het leven van een hond heeft hij alweer een nieuw verhaal geschreven en inmiddels is hij ook weer bezig met een nieuwe roman. Achter de schrijftafel is hij zijn personage Henk allang weer kwijt. ‘Maar ik ben heel blij dat Henk door deze Librisprijs een extra leven heeft gekregen en nog een tijdje mee mag.’

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Susanna Erlandsson

     

     

  • In memoriam Abraham Louis Schneiders 1925-2020

    Elke keer als ik de naam van ZKV-schrijver A.L. Snijders zie moet ik denken aan een andere auteur: A.L. (Bram) Schneiders. Deze overleed op 2 juli jl op 94 jarige leeftijd en was de schrijver van een klein maar mooi oeuvre van zes bundels korte verhalen. De eerste Langs het schrikdraad (1961) en de laatste Het verbrokkeld paradijs verscheen in 1991 bij uitgeverij Querido. Schneiders was diplomaat, net als zijn bijna-naamgenoot Carel Jan Schneider, die schreef onder de schuilnaam F. Springer. En net als bij Springer vormden de ervaringen die Schneiders had tijdens zijn verblijf op diplomatieke posten vaak de basis voor zijn verhalen die zich merendeels afspelen in tropische landen.

    A.L. Schneiders werkte in Nigeria, Lagos, Indonesië, Kameroen, Equatoriaal-Guinea, Centraal-Afrikaanse Republiek, Gabon, Tsjaad, Zimbabwe en ten slotte in Nieuw Zeeland. Hij schreef in een stijl die ooit door Aad Nuis de term ‘ironisch realisme’ kreeg opgeplakt. Een term die niet helemaal klopte, want bij het ‘ironisch’ beschrijven van mensen en situaties denk je aan een schrijver die van bovenaf met enige ironie neerkijkt op wat mensen zichzelf en anderen aandoen. Marijke Höweler schreef ironisch realistisch. Maar Schneiders niet, eerder het omgekeerde: ‘zelf-ironisch realisme’ zou een betere term zijn geweest voor wat hij schreef. De hoofd- (meestal ik-) persoon in zijn verhalen zag zichzelf voortmodderen in het leven en moeizaam zijn altijd licht belachelijke plicht vervullen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden. Het schrijven moet voor hem een manier geweest zijn om wat hij overdag vermoedelijk met grote ijver en inzet deed achteraf toch wat te relativeren. En dat leverde prachtige, vaak ook zeer humoristische verhalen op.

    Moge zijn werk ooit weer wat aandacht krijgen! Zijn verhalenbundels zijn enkel nog antiquarisch te verkrijgen, maar zijn bijdragen aan het Hollands Weekblad (later Hollands Maandblad) staan op de site van DBNL.
    Hierbij het slot van één van zijn latere stukken (1989), over het piepkleine eiland Tuvalu, waar in 2011 Foppe de Haan nog enkele maanden ontwikkelingswerk deed als trainer van het voetbalelftal. Foppe wist van niets toen hij er heen ging. Had A.L. Schneiders natuurlijk niet gelezen. Maar ook Foppe viel de zangkunst van de Tuvaluanen op. Scneiders schreef erover:

    ‘Te onzer ere was een avond georganiseerd in het paviljoen van de Niue-eilanders. Ieder van de outer islands heeft op Funafuti z’n eigen paviljoen en z’n eigen zangen dansgenootschap. Zelfs binnen dat kluitje van in de oceaan verstrooide atolvlekken bestaan nog grote verschillen in tradities en taal. Met precies in acht nemen van het protocol gingen we naar binnen, het laatste de heer Puapua en ik.
    Het Genootschap stond al klaar, ongeveer vijftig mannen recht in de houding en wat vrouwen op de achtergrond. Dit was niet maar een lolletje maar een ernstig ritueel met mogelijke gevolgen voor alle betrokkenen. De heer Puapua had mij ingefluisterd wat ik moest zeggen, een korte toverformule, die tot mijn opluchting inderdaad werkte: het dreigende blok half ontblote mannen vlak voor mij gromde instemmend en ging als één man door de knieën. Verschillende gezichten herkende ik, maar met hun blote borst, labalaba en bloemen om hals en hoofd waren het andere mensen geworden uit een andere tijd en een andere wereld. Dat gold zeker toen ze zongen, nadat een van hen op een groot gedeukt biscuitblik een ritme had aangegeven. Veelstemmig en van een ongekende kracht was dat zingen, verdrietig en klagend aan het begin maar geleidelijk opzwiepend naar grote hoogten van uitdaging en triomf. Instrumenten hadden ze er niet bij nodig, alleen dat oude biscuitblik en een paar planken waar ze op roffelden met hun vuisten of zelfs onderarmen totdat ze er blauw van moesten zijn geworden. Dicht op elkaar als ze waren gepakt, feilloos op elkaar ingespeeld en met die woest golvende stemmen, leken ze wel met elkander onderweg in een oorlogskano op hoge zee. Hoeveel dieper wortelden deze mensen in de tijd, met hun collectief geheugen aan voorwerelden waar ik nooit en te nimmer het geheim van zou kennen.’

     


    A.L. Schneiders debuteerde in 1951 met het korte verhaal De kanonnen, gepubliceerd in literair magazine Libertinage. Daarna volgden korte verhalen in het latere Hollands Maandblad en De Gids. Hierna schreef hij verschillende bundels voor uitgeverij Querido. Rond 1965 verscheen van zijn hand een wekelijkse column in het NRC-Handelsblad onder de naam Drievoeter, ook schreef hij nog onder het pseudoniem van A. van Anders.

     

     

  • Spaarzaam met woorden – In memoriam Hans Sleutelaar 1935-2020

    ‘De weinige gedichten die ik heb geschreven, zijn zonder uitzondering bij ingeving ontstaan. Blijft de inspiratie weg, dan doe ik er het zwijgen toe.’

    De spaarzame woorden die dichter, schrijver, journalist en redacteur Hans Sleutelaar aan zijn dichtkunst heeft gewijd staan in gelijke verhouding tot de omvang van zijn oeuvre. Het is een bescheiden handvol van zo’n vijftig gedichten uitgesmeerd over drie bundeltjes die de nalatenschap van de toch vooral als dichter bekendstaande Rotterdammer vormen. De poëzie die niet is geschreven nam hij mee in het graf: ‘Talloos zijn de dichters zonder oeuvre – altijd en overal weten mensen de omstandigheden het hoofd te bieden door zich er in stilte, woordeloos, boven te plaatsen.’


    Katalysator van andermans werk

    Hans Sleutelaar heeft zich in zijn 84-jarige leven vooral ingezet als katalysator van andermans werk. Meer nog dan zelf de pen ter hand te nemen, wist hij anderen te inspireren en tot grote hoogte te doen stijgen. Zonder Sleutelaar geen C.B. Vaandrager, zo luidt de algemene veronderstelling als het gaat over de kwaliteiten van die andere Rotterdamse literator. In de Bende van Vier – de zogenoemde ‘Zestigers’ bestaande uit Armando, Hans Verhagen, C.B. Vaandrager en Hans Sleutelaar – was Vaan een potentieel schrijftalent dat aanvankelijk stevig begeleid diende te worden. Sleutelaar zorgde voor kritisch commentaar en voldoende zelfvertrouwen om Vaandrager uit te laten groeien tot het ongeleide poëzieprojectiel dat hij geworden is.

    Het ontluikende schrijftalent van Jan Cremer is mede door Sleutelaars inzet als ‘aanjager en polemist’ tot grote bloei gekomen. Op foto’s zien we ze samen, wereldveroveraars in New York: de jeugdige Cremer met een dan al zelfverzekerde blik, half erachter een wat schuchtere Sleutelaar. Hij oogt als een gedistingeerde reisleider die zorgt dat alles tot in de puntjes is verzorgd. Ook het bijzondere prozawerk van podiumdichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn is aan het licht gekomen door de redactionele en ‘doordouwende’ kwaliteiten van Sleutelaar.


    De totale poëzie

    Maar er wordt zelf ook gedicht. In de geest van zijn reguliere werk als copywriter bij een reclamebureau komt Sleutelaar in 1966 met mischien wel het bekendste gedicht uit zijn schrijvende leven. Het inmiddels tot De Nieuwe Stijl omgedoopte lijfblad van de Zestigers opent met de legendarische regel:

    ‘Wollt ihr die totale Poesie?’

    Twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog, na Joseph Goebbels’ toespraak waarin hij de menigte opzweepte met: ‘Wolt ihr den totalen Krieg?’, schrijft de dichter geschiedenis met slechts vijf woorden. De bravoure die eruit spreekt roept de meeste verontwaardiging op. Wat is die ‘totale Poesie’ voor Sleutelaar? Hij geeft hiermee een visitekaartje af: de totale poëzie is het leven, de wereld om ons heen. Als je de totale poëzie wil ondergaan, moet je de werkelijkheid leren zien en niet op zoek gaan in dichtbundels. Het lijkt tegelijkertijd een verklaring voor zijn eigen spaarzame poëzieproductie.

    In zijn tweede bundel, Vermiste stad (2004), heeft Sleutelaar een verzameling Rotterdamse kwatrijnen gecomponeerd die precies de ‘hoekige eenvoud’ van zijn poëzie weergeven. Ritmisch, uitgekleed, geen woord te veel:

    Herinnering

    ‘Rotterdam is een godverlaten kade
     Onder koud lamplicht, zwavelgeel,
     En een zwarte, maandoorvlaagde wade
     Omspant het onuitsprekelijk geheel.’

    Rotterdam revisited

    ‘Wolken drijven boven palingkleurig water
     Het licht blinkt net als toen, maar later
     De Hef waakt stil over dit verbeten leven
     Ik keer me, duizelend, om. En huiver even.’


    Journalistieke werk

    In de jaren zestig wordt Sleutelaar redacteur bij het toenmalige weekblad Haagse Post en weet hij zijn schrijfervaring uit de reclamewereld naadloos toe te passen in de journalistiek. Vooral het diepteinterview met aansprekende personages is voor hem een speeltuin waarin hij zijn vragen zoveel mogelijk wegstopt om de geïnterviewde vrijuit aan het woord te laten. En naderhand al het overbodige uit de tekst te schrappen. 

    Die werkwijze wordt door Sleutelaar ook ingezet voor De SS’ers (1967). Samen met Armando worden acht Nederlandse SS’ers bevraagd over hun drijfveren, hun ervaringen en hun herinneringen aan de tijd in Duitse dienst. Een ontluisterend boek is het resultaat: de volop meewerkende ex-soldaten laten in doorlopende fragmenten het achterste van de tong zien. Er is een bescheiden schuldbewustzijn, maar vooral een vaste overtuiging dat het allemaal gerechtvaardigd was. Nationaalsocialisme, antiseminisme, alle gruwelijkheden komen aan bod en worden uitvoerig onder woorden gebracht. Bij verschijning werd De SS’ers aangemerkt als ‘een gevaar voor de geestelijke volksgezondheid’. Sleutelaar en Armando schreven in het voorwoord dat ook ex-SS’ers moesten worden gezien als historische getuigen, evenals de vele verzetsmensen die in publicaties aan het woord werden gelaten.

    Hans Sleutelaar – man van vele literaire kwaliteiten en opvallend weinig woorden – zal de geschiedenis ingaan als schrijvende aanjager. Een echte verbinder die de verdeeldheid tussen mensen te lijf ging met een scherpe pen en een bescheiden levenshouding. Zijn devies: eenvoud, bondigheid en algemene geldigheid: 

    ‘Eén ding heb ik tenminste in de gaten gekregen: dat je door een daad van dichterlijke willekeur kunt ontsnappen aan de alledaagse bekrompenheid van het leven.’ 

     

    (Met dank aan: Sleutelaar worden – herinneringen van en aan een zwijgende dichter. Studio Kers, Rotterdam, 2016)

    Foto: Achterflap Sleutelaar worden

     

  • Grote schrijvers en hun onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën

    Ianthe Mosselman is initiatiefnemer van ‘Het grote Schrijversinterview’, een serie gesprekken met vrouwelijke Nederlandstalige auteurs die een imposant oeuvre hebben opgebouwd. Schrijvers die haar door hun boeken hebben geïnspireerd. Door de coronacrisis werd het eerste interview, met Astrid H. Roemer, uitgesteld. Nu de regels versoepeld zijn, zal dit volgende week plaatsvinden. 

    Als programmamaker bij De Balie maakte Mosselman verschillende cultuurprogramma’s waaronder het jaarlijkse ‘Gesprek Voor de Dam’, en interviewde ze verschillende internationale schrijvers. Voor de Volkskrant schrijft ze zo nu en dan opiniestukken. Zo schreef ze vorig jaar een stuk naar aanleiding van het boekenweekthema ‘De moeder de vrouw’ waarin ze haar kritiek uitte op de CPNB die ondanks het thema het niet relevant vond een vrouwelijke schrijver het boekenweekgeschenk te laten schrijven. Ze concludeerde dat ook in de letteren gelijkwaardigheid blijkbaar nog ver te zoeken is.

    Dat de aandacht voor literatuur zich steeds meer in de marge van de samenleving bevindt, was voor haar aanleiding een serie interviews te organiseren onder de titel ‘Het Grote Schrijversinterview’. Waarmee ze grote vrouwelijke schrijvers zoals Vonne van der Meer, Saskia de Coster, Astrid H. Roemer, Connie Palmen en Charlotte Mutsaers, de aandacht wil geven die ze verdienen. In interviews van elk anderhalf uur, zal Mosselman ingaan op fragmenten uit het werk van de schrijvers. Over het ontstaan van hun verhalen, hoe hun personages mensen worden en welke schrijvers hen hebben geïnspireerd. 

    Voor Literair Nederland mailde ik met Ianthe Mosselman over het belang van lezen, wat we kunnen leren van literatuur, grote schrijvers en hun waardering en met een mooie leeslijst voor de zomer.


    Waarom een serie interviews met enkel vrouwelijke schrijvers?

    ‘Het is belangrijk dat er over literatuur gepraat wordt, dat daar de tijd voor genomen wordt. In de afgelopen jaren heb ik vaker in De Balie schrijvers geïnterviewd, en dat zijn echt mooie gesprekken, er ontstaan altijd nieuwe inzichten. Ik wilde dus meer interviews doen en met de ophef vorig jaar over het thema van de Boekenweek dacht ik meer na over de mate van aandacht voor vrouwelijke schrijvers in Nederland. Ik vind dat we echt veel goede vrouwelijke schrijvers hebben, en hun werk verdient een groter podium dan ze nu krijgen. En als programmamaker heb ik de mogelijkheid hen dat te geven.’ 


    Wat wil je laten zien met deze interviews? 

    ‘In een bericht las ik dat de laaggeletterdheid toeneemt, dat jongeren lezen tijdsverspilling vinden, terwijl ik denk dat je van literatuur veel kunt leren. Niet dat literatuur je per se een beter mens maakt, maar wel dat het je een soort levenservaring geeft. Literatuur beschrijft de mooie en lelijke kanten van het bestaan en laat zien hoe andere mensen leven en met de moeilijke kanten omgaan. Daarover doorpraten met elkaar leert je iets over jezelf en anderen en de wereld waarin je leeft. Bovendien is het toch ontzettend wonderlijk hoe schrijvers van niets een verhaal maken, een verhaal dat je ontroert of boos maakt of verwart. Ik denk dat het noodzakelijk is om te laten zien hoe bijzonder dat is, zeker in een tijd waarin sommigen met dedain naar kunst en cultuur kijken.’


    Hoe kwam jezelf tot lezen in je jeugdjaren en welke boeken las je? 

    Ik las heel veel kinderboeken, Tonke Dragt, Astrid Lindgren, Abbing en Van Cleeff, Roald Dahl. De bibliotheek was bij ons om de hoek, daar kwam ik vaak en mijn moeder gaf mij ook vaak boeken. Op de middelbare school heb ik veel Engelse boeken gelezen. We volgden daar een methode, die was opgezet door mijn Engelse docent. Geen grammaticales, maar tien boeken per jaar lezen en brieven schrijven. In de eerste klas was dat de serie over Sophie van Dick-King Smith, en later Harry Potter, A Series of Unfortunate Events, the Princess Diaries. 


    Wat zijn voor jou grote schrijvers?

    ‘Schrijvers die invloed op me hebben gehad zijn vindingrijk in hun taalgebruik en lijken over een onuitputtelijke bron van verhalen en ideeën te beschikken. Zulke schrijvers krijgen het voor elkaar om telkens weer iets te schrijven dat je raakt. Judith Herzberg schreef in een gedicht in de bundel Liever brieven: ‘Hoe heerlijk moet het zijn/ je in gedichten te begeven/ zonder dat schrijnende:/ had ik dat maar geschreven.’ Dat is ook iets wat grote schrijvers doen, ze maken je jaloers met hun vondsten.’ 


    Vrouwelijke schrijvers als Joan Didion, Simone de Beauvoir, Margaret Atwood hebben een hooggewaardeerde status bereikt in eigen land en daarbuiten. Kennen we ook in Nederland zo’n vrouwelijke schrijver?

    ‘Ik vind het moeilijk te vergelijken. De schrijvers die ik voor De Balie ga interviewen vind ik erg goed. Of ze even goed zijn als anderen, of beter, vind ik niet zo interessant. Ik vraag me ook niet af of Tommy Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer de nieuwe Hemingway en Salinger zijn. Didion, De Beauvoir en Atwood kent min of meer iedereen met een interesse voor literatuur. Er zijn inderdaad hele goede Nederlandse schrijvers die in diezelfde periode als deze drie geboren werden, zoals Andreas Burnier, Judith Herzberg en Vasalis.  Maar qua waardering lopen ze ook internationaal achter op mannelijke schrijvers.’ 

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van receptie, maar hun werk heeft een kwaliteit die wat mij betreft meer gewaardeerd mag worden. Literatuurwetenschapper Corina Koolen promoveerde op ongelijkheid in de literatuur en een van haar bevindingen was dat er ondanks dat ongeveer 40 procent van de literaire romans wordt geschreven door vrouwen; grofweg driekwart van de grote prijzen naar mannelijke auteurs gaat.’ 


    Is er na de ophef over het boekenweekgeschenk van vorig jaar, verandering te bespeuren in de waardering voor vrouwelijke schrijvers?

    ‘Op de long- en shortlist voor de Libris Literatuurprijs stonden dit jaar evenveel mannen als vrouwen, dat lijkt me wel een verandering. Nu vind ik niet dat er altijd een precieze verdeling gemaakt moet worden, maar ik denk wel dat het belangrijk is dat mensen beseffen dat ze werk van een vrouwelijke schrijver wellicht minder waarderen dan dat van een man en dat dat dus niet alleen te maken heeft met wat er op papier staat. Aan de mensen die in de literaire wereld werken de taak om te laten zien dat ook het literaire werk van vrouwen zeer de moeite waard is.’ 


    De eerste schrijver in deze serie gesprekken is Astrid H. Roemer. Wat is de betekenis van haar werk?

     ‘Literatuurwetenschapper Maaike Meijer zei over Astrid H. Roemer dat ze de eerste schrijver is die op een zelfbewuste en volkomen oorspronkelijke literaire manier stem gaf aan het postkolonialisme van Nederland. Maar dat is niet de belangrijkste reden waarom ik haar gevraagd heb om deel te nemen aan deze serie. Ik vind haar een ontzettend goede schrijver. Er is een fragment uit Olga en haar driekwartsmaten dat nu al dagen door mijn hoofd spookt en waar ik telkens aan moet denken. Roemer beschrijft daarin hoe iemand sterft en dat doet ze zo treffend en ontroerend. Heel bijzonder hoe ze dat doet. Het voelt alsof ik het zelf heb gezien, en daar wil ik met haar over praten.’ 


    Als je één boek zou moeten aanraden van elke schrijver die je gaat interviewen, welk boek zou dat zijn?

    Gebroken wit van Astrid H. Roemer, Nachtouders van Saskia de Coster, Eilandgasten van Vonne van der Meer, Jij zegt het van Connie Palmen en Koetsier Herfst van Charlotte Mutsaers. Dat lijkt me best een mooie zomerleeslijst zo. 

     

     


    Kijk hier voor meer informatie over de serie Het Grote Schrijversinterview.

     

  • Guus Kuijer gelauwerd met Constantijn Huygens-prijs 2020

    In het radioprogramma Kunststof op radio 1 werd donderdag bekendgemaakt dat de Constantijn Huygens-prijs 2020 is toegekend aan Guus Kuijer voor zijn gehele oeuvre. De jury noemt het werk van Guus Kuijer belangrijk om het individu en de vrije geest die erin centraal staan:

    ‘Niet iedereen is hetzelfde. Die eenvoudige gedachte ligt ten grondslag aan het monumentale oeuvre van Guus Kuijer, de schrijver met een groot oog voor de kracht van het buitenbeentje. Van zijn Madelief-boeken tot aan zijn hervertellingen van Bijbelverhalen ‘voor ongelovigen’, overal staat zijn geloof in het individu centraal. Hij is een van de grote vernieuwers van de naoorlogse jeugdliteratuur en daarmee van de Nederlandse literatuur.’

    Gewoonlijk wordt de winnaar vooraf aan de bekendmaking door de jury op de hoogte gesteld. Woensdag twitterde Guus Kuijer, ‘Morgen wordt voor mij een mooie dag, maar ik zeg nog niet waarom. Het is voorlopig een geheimpje. Hihihi.’

    Oeuvre van de vrije geest

    Guus Kuijer schrijft al bijna een halve eeuw voor kinderen en volwassenen, wie is er niet voorgelezen, of heeft voorgelezen uit het Grote boek van Madelief, of Polleke. In zijn boeken staat de vrije geest van mens en kind centraal. Zijn personages komen uit alle lagen van de bevolking, met verschillende achtergronden en voorkeuren. Vrijheid van keuzes kan niet serieus genoeg genomen worden blijkt uit zijn boeken, vooral het kind staat bij Kuijer voorop. Lees daarvoor ook zijn klassiek geworden essay: Het geminachte kind. Denk ook aan, Het boek van alle dingen, Olle, Hoe een klein rotgodje God vermoordde, Draaikonten en haatblaffers en De Bijbel voor ongelovigen.

    Donderdagavond kort na de bekendmaking twitterde Guus Kuijer, ‘Mijn geheimpje is zojuist bekend gemaakt: in januari wordt mij de Constantijn Huygens-prijs uitgereikt. Het is een prijs voor mijn gehele oeuvre. Hoera! Ik voel me zeer vereerd.’

    De jury van de Huygens-prijs bestaat dit jaar uit, Erica van Boven, Jeroen Dera, Arjen Fortuin, Aad Meinderts (voorzitter), Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Jeannette Smit, Carl De Strycker en Sarah Vankersschaever.
    Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden.

    In voorgaande jaren hebben onder meer Stefan Hertmans (2019), Nelleke Noordervliet (2018), Hans Tentije (2017), Atte Jongstra (2016), Adriaan van Dis (2015) en Mensje van Keulen (2014), de prijs gewonnen.

    De prijs wordt in januari 2021, tegelijkertijd met de overige literatuurprijzen die de Jan Campert-Stichting namens de gemeente Den Haag uitgereikt. De winnaars van de F. Bordewijk-prijs, de Jan Campert-prijs en de tweejaarlijkse Jan Greshoff-prijs worden dit najaar nog bekendgemaakt.

     

    Foto: © Jaco Klamer

     

  • Ik zou willen dat mijn boeken worden gezien als een Japanse tuin

    Onlangs verscheen van Jannie Regnerus haar vierde roman Het wolkenpaviljoen bij Van Oorschot. Voor Literair Nederland sprak Just Houben onder meer met haar over het ontstaan van een boek en waarom ze geen dikke boeken zal schrijven.

    Tijdens een verblijf van twee jaar in Mongolië begon beeldend kunstenaar Jannie Regnerus (1971) met schrijven om de dingen die haar verwonderden vast te leggen. Het mondde uit in het verslag De volle maan als beste vriend. Over haar jaar in een gastatelier  in Japan schreef ze Het geluid van vallende sneeuw. Daarvoor ontving ze in 2007 de Bob den Uyl Prijs voor het beste reisboek. Vanaf dat moment begon ze ook romans te schrijven en inmiddels is ze meer schrijver dan beeldend kunstenaar. De verhouding is 80-20, schat ze, of misschien zelfs 90-10. Onlangs verscheen haar vierde roman Het wolkenpaviljoen, waarin een architect zijn leven opnieuw moet vormgeven na een scheiding. ‘Ik wil begrijpen waarom de mens zo veerkrachtig is. Dat is het thema van al mijn boeken.’

    Het interview vindt plaats in een park in Haarlem, de woonplaats van Regnerus. Daar, in de buitenlucht, is genoeg ruimte om gepast afstand te kunnen houden tijdens het gesprek. We lopen langs het water op zoek naar een geschikte plek. Het is er rustig en we hebben de keus uit een bank in de zon of een in de schaduw. ‘Ik heb een voorkeur voor de schaduw. Ik houd van indirect licht,’ zegt Jannie Regnerus. ‘Je hebt mijn boeken gelezen, dus dat zal je niet verbazen.’

     

    Ontstaan van Het wolkenpaviljoen 

    Een paar jaar geleden zag Regnerus een foto in de krant. In een verlaten fabriekshal hadden twee ingesloten duiven een nest gemaakt van materiaal dat ze daar konden vinden. Bij gebrek aan mos en takjes hadden ze gaas en ijzerdraad omgebogen om daar zo goed mogelijk een nest van te maken. Tevergeefs bleek: toen het nest werd gevonden, lagen er twee niet-uitgekomen eieren in. Deze foto zette Jannie Regnerus aan het denken over wat er nodig is om van een huis een thuis te maken. Het vormde het begin van Het wolkenpaviljoen.

    De veertigjarige Luut, hoofdpersoon in Regnerus’ nieuwe roman, ontwerpt huizen, hij is architect. Maar hij is er niet in geslaagd een thuis te maken. Het huwelijk met zijn vrouw Kris is stukgelopen. ‘Er is een verhaal over een gesneuvelde theepot,’ schrijft Regnerus in haar roman, ‘en een verhaal over een groot huis waarin een man en een vrouw zich net zolang voor elkaar verstoppen tot geen van beiden de ander nog zoekt.’ Luut overdenkt hoe zijn huwelijk heeft kunnen mislukken maar vooral denkt hij na over hoe hij nu, alleen, een plek voor zijn dochter Tessel kan maken waar zij kan wortelen en groeien.’ 

    Regnerus vergelijkt het geweten van Luuts jeugd met een groene weide. ‘In de eerste twintig jaar van zijn leven heeft Luut geen noemenswaardige schade toegebracht aan de levens van anderen. Maar niemand kan leven zonder ooit brokken te maken of een ander pijn te doen, ook al is dat niet je intentie. Nu Luut veertig is, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. In die scherp gehoekte panden en schimmige stegen heeft hij zijn falen ondergebracht. Bijvoorbeeld zijn aandeel in de scheiding die zijn dochter, uitgerekend het wezen dat hem het meest dierbaar is, pijn en ongemak berokkent, zoals het pendelen tussen twee huizen. Luut moet daarmee in het reine zien te komen. Tijdens zijn pelgrimage naar Japan ziet hij in dat hij met de brokstukken van zijn verleden iets nieuws kan bouwen, iets wat ook goed en hoopvol is. Daar gaat Het wolkenpaviljoen over.’


    Je vertelde dat Het wolkenpaviljoen begon met dat beeld van het duivennest. Had dat beeld een medium bij zich? Wist je dat dit een verhaal zou worden, of had het ook een beeldend werk kunnen worden?


    ‘Ik had er inderdaad ook iets heel anders mee kunnen doen. Maar ik houd ervan om nadenkend, beschouwend proza te schrijven. Waarin je als het ware met het facetoog van een libelle, steeds vanuit een andere hoek naar je thema kijkt. Daar leent schrijven zich heel goed voor. Het geeft me het idee dat ik wetenschap van het menselijk leven beoefen.’ 

    Wie wetenschap bedrijft moet goed observeren. Een ‘hartstochtelijk observator’ wordt ze in recensies genoemd. Haar romans staan vol mooie waarnemingen die veel zeggen over de personages waarover ze schrijft. Is dat hoe ze zelf ook observeert?
    ‘De dingen om mij heen nemen eenzelfde temperatuur aan als die van mijn gemoed. In de observaties probeer ik de binnenwereld van de personages op te roepen. Ik zal nooit schrijven “Luut is verdrietig”. Dat hij verdriet voelt zal zich uiten in wat hij observeert en hoe dat onder woorden wordt gebracht. Dus heel erg indirect. Ik houd ervan om literair langs de band te biljarten.’


    Je romans zijn vrij kort, zo’n 100 tot 120 pagina’s. Alleen De ent is langer…

    (lacht) ‘Dat is mijn debuutroman. Toen moest ik het nog leren.’


    Waarom kies je voor deze lengte?

    ‘Het past me, ik weeg mijn woorden heel zorgvuldig. Ik kom uit de kunstwereld en verbaas me er altijd over dat in de literaire wereld zoveel belang lijkt te worden gehecht aan omvang. Neem nu Het melkmeisje van Vermeer of De nachtwacht van Rembrandt, dat zijn toch allebei meesterwerken? Alleen bij de één is veel minder verf gebruikt en minder canvas. Maar inhoudelijk is het evenveel waard. Mijn romans bestaan uit 120 pagina’s samengebalde intensiteit. Ik vergeleek het laatst eens met een maggiblokje. Ik dien geen soep op, maar geef de lezer smaak en specerijen waar hij of zij zelf soep van kan maken.
    De eerste versie is altijd twee keer zo lang. Dan begint het snoeien tot de kern. Daar zit het meeste werk in. De compositie is ook heel belangrijk. Meer dan verhalende chronologie      rijmt mijn werk op beeld en gedachten. Er zitten hoofdstukken in die een soort mini-essays zijn. Bijvoorbeeld dat stuk over het planetarium van Eise Eisinga, waarmee hij wilde aantonen dat de aarde niet in botsing zou komen met andere planeten. Dat gaat dan weer echoën met een andere scène in het boek waarin Luut in het bed van zijn dochter ligt en kijkt naar de plastic sterren op het plafond. Dan realiseert hij zich dat hij en de moeder net als planeten rond hun dochter cirkelen, op veilige afstand zodat ze niet zullen botsen.’


    Ben je lang aan het schuiven met hoofdstukken?

    ‘Ja, aan het eind leg ik alles door de kamer heen en raap dan een volgorde. Mijn redacteur zei laatst: “Oh, dat doe ik ook bij een poëziebundel.” Het is een proces dat lijkt te worden gestuurd door associatie en intuïtie.’ 


    Zentuin

    Jannie Regnerus groeide op in Oudebildtzijl, een Fries dorpje aan de Waddenzee. Niet bepaald een plek voor een kunstenaar. ‘Het is een volkomen cultuurarme plek,’ vertelt ze. ‘De enige cultuur waar ik vroeger toegang toe had waren de verhalen in de Bijbel en de orgelmuziek in de kerk. Ik was daar enorm ontvankelijk voor, maar ik dacht dat iedereen dat was. Pas later realiseerde ik me dat ik op een onhandige plek geboren was met mijn honger naar cultuur en kunst.’


    Jouw beeldende werk is vaak ‘Japans’ genoemd. Wanneer kwam je voor het eerst in aanraking met Japanse kunst?

    ‘Vroeger gingen wij in de zomervakantie naar de Veluwe. Dan stonden we drie weken lang op een Christelijke camping met een vouwcaravan. Eén van de jaarlijkse rituelen was dat we op de witte fietsen naar het Kröller-Müller Museum gingen. Daar zag ik als jong meisje Japanse prenten hangen. Dat maakte diepe indruk op me. Die prenten hebben een bepaalde helderheid, sfeer en verfijning. Ik vond dat zoiets moois!’ 


    Zit er ook iets Japans in je schrijven?

    ‘Je kunt naar mijn boeken kijken als naar een zentuin. Op het eerste gezicht heel minimalistisch, maar als je er langer naar kijkt kun je er steeds andere dingen in ontwaren en nieuwe betekenissen aan toedichten. Ik krijg van lezers terug dat ze mijn romans na eerste lezing meteen weer herlezen. Misschien zou ik willen dat mijn boeken zo worden gezien, als een Japanse tuin. En ook houd ik heel erg van Japanse literatuur. Van Tanizaki en Kawabata bijvoorbeeld. Zij schrijven ook ab-so-luut niet frontaal, maar heel indirect. De hele Japanse cultuur is natuurlijk van indirectheid doordrenkt. Deze schrijvers beheersen een  proza waarin tussen de regels heel veel te lezen valt, zonder bombast roepen zij met verfijning een tragiek op. Zoals in de novelle De schone slaapsters van Kawabata, dat hele verhaal voltrekt zich in de zintuigen van de hoofdpersoon. In essentie is dat hoe ik wil schrijven.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Tessa Posthuma de Boer