• De zomerboeken van Adri Altink

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Adri Altink gaat op vakantie en neemt mee:
    Ross King – De boekhandelaar van Florence
    Margriet van der Heijden – Denken is verrukkelijk. Het leven van Tatiana Afanassjewa en Paul Ehrenfest
    Laura Jansen – Wij zagen een licht
    Cyrille Offermans – Midden in het onbewoonbare
    Ingmar Heytze – De honderd van Heytze

    ‘De boekhandelaar van Florence uit de titel is Vespasiano da Bisticci, die midden in de ontwikkeling van de boekdrukkunst stond en Ross King is een boeiende verteller. In de dubbelbiografie van het echtpaar Ehrenfest is mijn interesse gewekt door een prachtige roman, De verrijzenis van Arago van Tomas Lieske. Daarin speelt Paul Ehrenfest een grote rol. Van kunst- en literatuurcriticus Cyrille Offermans las ik twee jaar geleden de dagboeknotities Een iets beschuttere plek misschien. Ik vond die zo boeiend dat ik de opvolger, Midden in het onbewoonbare, eveneens verschenen in de serie Privé domein, nu ook klaar leg. Sinds mijn ervaringen met vluchtelingen op Lesbos, kan ik verslagen daarover maar moeilijk ongelezen laten. Daarom Wij zagen een licht van Laura Jansen, die er twee en een half jaar werkte. De honderd van Heytze gaat mee omdat hij heerlijk gezelschap is om bij weg te mijmeren.’

     

    Lees hier meer over Adri Altink.

     

  • De zomerboeken van Evert Woutersen

    Medewerkers van Literair Nederland en hun boeken die meegaan op vakantie of tijdens zomerse dagen in eigen tuin gelezen worden.

    Evert Woutersen gaat deze zomer de volgende vijf boeken lezen:
    Bart Chabot, Mijn vaders hand, en Hartritme van Chabot
    Kazuo Ishiguro, Klara en de zon
    Tamsin Calidas, Ik ben een eiland
    Esther Verhoef, De nachtdienst

    ‘Bart Chabot schrijft aan een driedelige roman-biografie, over zijn jeugd en een vader met losse handen. Chabot zei daarover: ‘Mijn vader was een carrièreman en hij kreeg een zoon die niet wilde deugen en zich tegen conventies verzette. Met
    terugwerkende kracht heb ik wel bewondering gekregen voor dat kind, dat het allemaal overleefde.’ Hartritme gaat over de
    vriendschap met Herman Brood, Jules Deelder en Martin Bril. ‘Vriendschappen met drie mannen zorgden voor inspiratie en aanmoediging.’ Zijn ouders en vrienden leven niet meer, ik ben benieuwd hoe hij hen tot leven brengt in deze romans. Klara en de zon wil ik lezen omdat ik nooit iets van deze Nobelprijswinnaar heb gelezen. Tamsin Calidas schrijft over het roer omgooien. Ze verhuist van London naar een boerderij op een Schots eiland. Zelf droom je daar wel eens van, maar zet nooit door. Benieuwd hoe het haar vergaat, of ze zich daar gaat thuisvoelen. In een interview zei ze: ‘Het leven is een primitief touwtrekken tussen erbij horen en ontworteld raken.’ Tot slot de nieuwe Esther Verhoef, (‘Een mysterieuze patiënt verstoort je nachtdienst.’), zij stelt nooit teleur, en een spannend boek tijdens de vakantie is altijd fijn!’

     

    Lees hier meer over Evert Woutersen.

     

  • De zomerboeken van Menno Hartman

    Medewerkers van Literair Nederland met hun boeken die meegaan op vakantie of deze zomer in eigen tuin gelezen worden.

    Menno Hartman gaat op vakantie en neemt mee:
    M. H. Székely-Lulofs, Tjoet Nja Din
    Lucy Jones Losing Eden
    R. M. Adams Decadent Societies
    Uwe Johnson Mutmassungen über Jacob
    Kees Verheul Dans om de wereld
    Michael Bond Wayfinding

     

    ‘Kees Verheul ga ik lezen voor een stuk over Joseph Brodsky dat ik wil schrijven. Dus vooruit, de verzamelde gedichten van Brodsky gaan ook nog mee. Verheul heeft Brodsky zeer goed gekend, in augustus als ik alles uit heb ga ik hem daarover een paar vragen stellen. Uwe Johnson als een mogelijk uit te geven vervolg op de magistralevertaling van Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl. Wat een boek is dat, een van de meest veeleisende boeken die we bij Van Oorschot maakten, maar met een heel erg mooi resultaat, dat boek vergeet je nooit meer. Op Wayfinding verheug ik me zeer: the art and science of how we find and lose our way. En de ondertitel van Losing Eden luidt: why our minds need the wild. Ook een beetje vakantie: iets lezen wat je al een beetje weet. Fijne vakantie iedereen!’

     

    Lees hier meer over Menno Hartman.

  • Joost Zwagerman Essayprijs 2021

    Grijp je kans en schrijf een essay voor de Joost Zwagerman Essayprijs van dit jaar. De Essayprijs is bedoeld voor ‘aanstormend talent’: schrijvers die nog geen essay in boekvorm hebben gepubliceerd en geen vaste positie hebben in de media, bijvoorbeeld als redacteur of columnist.

    Het onderwerp van het essay – één inzending per persoon – is geheel vrij, de aanpak ook. Wetenschappelijke artikelen, onderzoeksverslagen en scripties worden niet als essays beschouwd, verhalend proza evenmin. Het maximum aantal woorden is 3000. Het essay moet onder eigen naam geschreven zijn, in het Nederlands.
    Inzenden voor 31 juli 2021. Mail het essay als word-document of pdf, naar joostzwagermanessayprijs@gmail.com.

    Belangrijk: zet je naam in de bestandsnaam én in het document zelf.

    Zie hier voor het reglement.

    Uit de ingezonden essays worden vijf essays gekozen voor de shortlist die vijf weken voor de uitreiking bekend wordt gemaakt. De genomineerde essays worden online worden geplaatst op deze website en op www.vanbijleveltstichting.nl.
    Na de prijsuitreiking worden ze gepubliceerd in De Nederlandse Boekengids, voor de niet-winnaars tegen honorarium.
    De jury kiest uiteindelijk één winnaar.

     

  • Een boek maak je altijd samen

    Elte Rauch van Uitgeverij HetMoet is geen reguliere uitgever. Ze kiest voor literatuur met een stuwende kracht en blijft liever klein en persoonlijk dan dat ze mee zou gaan in de commerciële ratrace. Kwaliteit staat bij het uitgeven voorop en Rauch peinst er niet over daarvan af te wijken. 

    Een platbodem uit 1927, gelegen aan het Oosterdok in de Amsterdamse museumhaven, is het onderkomen van HetMoet, de enige varende uitgeverij in Nederland. Op de zonnige dag dat ik aan boord van de lage, bruinhouten woonboot stap komt hond Robin me tegemoet, blaffend, want ze weet nog niet of ik goed volk ben. Uitgever Elte Rauch stelt haar gerust. Manoeuvrerend over de smalle ruimte langs de kajuit loop ik naar voren waar Elte me opwacht en het trapje af gaat naar de gezellige woonruimte, half onder de waterlijn. Er staat een tafel met een laptop, lp’s langs de wand, een kachel, een zitbank, stoelen en kussens en een keukenblok, alles wat nodig is voor een prettig thuis. Het zonlicht valt door de ruiten. Hond Robin wordt door manlief meegenomen voor een wandeling. 

    Elte Rauch (1980) maakte in een vorige baan een bloemlezing van het werk van een Nederlandse schrijver, alsmede een jubileumuitgave. Ze ontdekte dat ze het hele proces van samenwerken met drukker, vormgever en uitgeverij ontzettend leuk vond, vooral omdat iedereen zo gepassioneerd te werk ging.

    Ze ontmoette Simon Mulder, dichter en artistiek leider van Stichting Feest der poëzie (organisator van onder meer poëzie- en muziekevenementen), die graag een bloemlezing wilde maken van het werk van Henriëtte Roland Holst, in 2019 honderdvijftig jaar eerder geboren. De twee verzamelden wat mensen om zich heen die Roland Holst nog hadden gekend of veel van haar wisten en besloten: ‘We gaan het doen.’


    En zo ontstond HetMoet?

    ‘Ik werd geconfronteerd met kanker en dacht, ik kan hier gaan zitten wachten maar ik kan ook een boek maken en me bezighouden met poëzie en literatuur die me altijd al, mijn hele leven kracht hebben gegeven. Ik zette alles op alles om dit boek te maken, met de mensen die erbij betrokken waren. Het werd een prachtige biografische bloemlezing. Niet iedereen kent Henriëtte Roland Holst meer, dus we hebben een boek gemaakt waarin mensen niet alleen met haar werk kennismaken, maar ook met haar als persoon. Simon Mulder noemde haar een “hipster avant la lettre”. Ze was vegetarisch, politiek geëngageerd, wat voor een vrouw in die tijd niet zo gewoon was. Er kwam net een boek uit van Rosa Luxemburg, een vriendin van haar met wie ze ook had geschreven, van wie ook een gedicht in onze bundel staat.’ Het resultaat was De zachte krachten zullen zeker winnen, de eerste uitgave van HetMoet, waarmee Rauch zich inmiddels had geregistreerd.


    Waar komt de naam HetMoet vandaan?

    ‘Het was een beetje een grapje naar DasMag, ze konden er gelukkig om lachen. Ik zei nee, het moet. Mijn vader, hij leeft niet meer, heeft het logo, het mammoetje ontworpen. Dat was een schot in de roos. De literatuur die wij uitgeven heeft ook die stuwende kracht, een beetje eigenwijs, een beetje tegendraads, creatief. Ik ben absoluut geen reguliere uitgever, ga mijn eigen weg. De kern van de uitgeverij is dat het boeken zijn die moeten. Ook boeken waarvan wij vinden dat ze weer de aandacht moeten krijgen, of weer moeten worden vertaald, of soms vanwege een speciale of memorabele gelegenheid.’ 

    Wij, betekent bij Rauch alle mensen met wie ze samenwerkt. De redacteuren, vormgevers en drukkers verdienen in Rauchs ogen evenveel aandacht als de schrijver en kunnen net zo goed als zijzelf suggesties voor uitgaven doen. Binding met alle medewerkers is belangrijk en ‘prettig omdat iedereen er uiteindelijk net zo gepassioneerd in staat als ik.’

    HetMoet wil klein blijven en geeft boeken uit zonder commerciële instelling en in series zoals Open Archief, Biografische Bloemlezingen en de Singersteek Serie. De boeken worden mooi gedrukt en vormgegeven, de omslagen in boekdruk gedrukt en zijn vaak handgebonden.

    ‘Open Archief zijn boeken die ook moeten en die meer over actuele thematiek gaan,’ vertelt Rauch, ‘bijvoorbeeld Over ziek zijn, met onder meer het gelijknamige essay van Virginia Woolf. We maken nu een Engelse uitgave waarin de Nederlandse teksten van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld in het Engels worden vertaald en waarin nog meer bijdragen worden opgenomen, zoals van Nadia de Vries. Ik werk veel met agenten en schrijvers en kleine uitgeverijen in Ierland en Engeland.’


    Het is nogal divers, wat je uitgeeft. Hoe komt die keuze tot stand?

    ‘Iemand komt met een idee, ik kijk of het binnen ons fonds van de drie series past. Als het daarin past, dan zeg ik meestal ja. Uiteraard moet het wel een bepaalde literaire kwaliteit hebben. Samen met onafhankelijke redacteuren kijk ik daarnaar, ik beslis er niet alleen over. De series ontstonden om de uitgeverij en de boeken duidelijk te profileren. Ik kies er niet voor om alles wat los en vast zit uit te geven. Ik wilde iets ethisch neerzetten, iets ambachtelijks en iets eigenwijs. Misschien wat heftige woorden, maar daardoor werd ik wel gedreven. Ik ga een beetje mijn eigen gang. Ik ben niet bang voor nieuwe en ook niet voor klassieke literatuur, maar de uitgaven moeten wel op een bepaalde manier gerepresenteerd worden. Zo zijn mijn eerste drukken binnen Open Archief altijd hard back. Dan zul je altijd de eerste druk herkennen. De boekjes uit de Singersteek Serie zijn jubileum- of gelegenheidsuitgaven. De naam van de serie komt van de wijze waarop ze zijn gebonden: zonder rug en genaaid met een naaimachine. Je krijgt dan wel kritiek, zo van, ‘het heeft geen rug’. Nee, het heeft geen rug. We hebben nu al een hele serie en op een gegeven moment herken je ze wel.’

    Onlangs verscheen in de meestal tweetalige Singersteekserie, Het gif/Le poison van Charles Baudelaire, die dit jaar 200 jaar geleden geboren werd. Rauch nam contact op met vertaler Peter Verstegen die bereid was zijn favoriete decadente gedichten van Baudelaire uit te kiezen voor een mooie bloemlezing in de serie.  

    ‘Ik heb er vierhonderd van laten drukken. Ze zijn best goed verkocht in de boekhandels. Net als bij Roland Holst heeft Stichting Feest der poëzie er een programma aan gewijd – door corona een beetje anders – met muziek, theater, film, voordracht en een heuse poëziebar. Er wordt van alles uit de kast gehaald om die poëzie neer te zetten. Baudelaire is blijkbaar nog populair genoeg. Sommige boekhandels hadden een hele Baudelaire-tafel ingericht, zoals Atheneum. Bij zo’n uitgave is het criterium: hoe urgent is het, moet het, moet het nu? Ja, dit moest nu.’

    ‘Het boek Ik kies Elena (uit de serie Open Archief) is onder de coronawolk terechtgekomen. Het is het debuut van schrijver en essayist Lucia Osborne-Crowley. Niet alle Nederlanders lezen gemakkelijk Engels en dit boek zou ook een meisje van vijftien moeten kunnen lezen, daarom heb ik het laten vertalen.’


    Hoe kwam je op het idee van deze uitgave?

    ‘Ik was op een literair festival in het boekdorp Hay-on-Wye, waar ik lang heb gewoond en het boekje viel me gewoon in handen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en dacht, heel intuïtief, dit moet ik uitgeven. Er was destijds een discussie gaande over misbruik binnen de sportwereld, vooral bij turnmeisjes. Daar gaat dit boek ook over. Maar het is geen slachtofferboek, het gaat voornamelijk over haar herstel. Wat voor mij heel belangrijk is in dit boek, en ook bij mijn andere uitgaven, is de dialoog met de wereld en de literatuur. Osborne-Crowley las de boeken van Elena Ferrante, de poëzie van Rupi Kaur en andere krachtige literatuur en daaruit putte zij kracht in haar hersteltijd. Ze gaven haar bijna een sense of being. De dialoog tussen de literatuur en het leven zelf is een soort dialectiek die dan ontstaat. Ik vind dat heel erg krachtig en mooi en dit soort literaire non-fictie is in Nederland nog vrij onpopulair. Met andere schrijvers ben ik bezig om die in Nederland een plek te geven. Bijvoorbeeld Nadia de Vries schrijft zo ook, of Lieke Marsman. Dat is een van mijn criteria. Ik geef geen zelfhulpboeken uit of “mijn verhaal in zestien delen”, het moet die beweging, dat reiken naar literatuur hebben.’

    Elte Rauch schreef zelf in 2020 in het kader van 75 jaar bevrijding, Vormen van vrede, korte verhalen met herinneringen aan haar Indische familie en de Tweede Wereldoorlog.

    ‘Daar maak ik geen sport van hoor, om eigen werk uit te geven. Nu gebeurde het gewoon zo. Ik gaf het samen uit met de vertaling van de Jiddische dichter Mordechai Gebirtig, de boeken horen ook echt bij elkaar. Er waren een documentaire en een podcast aan gekoppeld, allemaal over 75 jaar bevrijding.’ 


    Er komt nu ook weer een jubileumuitgave aan?

    ‘Ja, een ontzettend leuke opdracht van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, A.M.) over writers in residence, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Nias. Met schrijvers als Tommy Wieringa, Hagar Peters en Lieve Joris, totaal zo’n dertien auteurs die schrijven over het thema Belonging, ergens bijhoren, thuiskomen. Het Nias wil een authentieke uitgave, iets wat mooi gedrukt is. Ik werk samen met beeldend kunstenaar Octavie Wolters, zij maakt de omslagillustratie, in linosnede. Ik ken haar via mijn drukker, een van de laatste der Mohikanen die nog in boekdruk drukt.’ 

    Rauch doet alles zelf. Ze heeft geen apart kantoor maar werkt thuis. Met een armgebaar geeft ze aan dat zich achter in het ruim een bibliotheek en een werkkamer bevinden. Daar ligt ook de voorraad boeken van HetMoet opgeslagen. In het voor- en najaar wordt er gevaren.

    ‘We zijn net weer terug. Rotterdam, Gouda, over de IJssel. Dan maak ik ook contact met lokale boekhandels. Heel soms komen er ook schrijvers langs of wordt er aan boord voorgedragen. We doen kleine evenementen, niet te groot want we wonen hier ook. We vervoeren de boeken, hebben altijd literatuur aan boord en dat promoten we. Ik heb aanvankelijk veel hulp gehad van het collectief De Vrije Uitgevers die mij ook met bepaalde drukkers hebben verbonden. Maar ik ga heel intuïtief af op wat ik zelf prettig en mooi vind.’


    De meeste mensen kunnen zich waarschijnlijk niets voorstellen bij een varende uitgeverij. Zijn de eerste contacten die je legt met boekhandels?

    ‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een heel leuk contact met boekhandel ’t Spui in Vlissingen. Die volgen ons op de voet. Als we daar zijn kom ik altijd wat brengen. Op 5 mei hadden ze een stapeltje Vormen van vrede neergelegd. Ik kom uit Zeeland, dus dat vonden ze extra leuk. Het is allemaal low key. Ik woon en werk hier, we zijn geen evenementenboot, maar het is een mooi en romantisch idee dat je je eigen boeken onder zeil vervoert. Als varende uitgeverij is het leuk om iets te doen met andere literaire activiteiten.’ 

    Voor een vaartocht deelt Rauch het plan daarvoor op sociale media en stuurt af en toe een nieuwsbrief uit waarin de aanlegplaatsen worden vermeld. Vorig jaar had ze een boek met gedichten van de Zeeuw P.C. Boutens uitgegeven, in Zeeland kwam een dichter deze gedichten aan boord voordragen.
    Volgend jaar gaat HetMoet samenwerken met de Vrijbuiter uit Zierikzee, ook een zeilende platbodem en Rauch wil ook een zomer-zeil- schrijfcursus aanbieden. Deelnemers moeten dan een ‘Mammoetje’ (een manifest, gedicht, essay) schrijven waarvan het beste stuk online gepubliceerd wordt.


    Is zo’n uitgeverij met heel specifieke uitgaven rendabel?

    ‘Ik ben wel met een uitstervend beroep begonnen. Daar maak ik me nog wel eens zorgen over. Er wordt weinig gelezen in Nederland en de omloopsnelheid van boeken is niet bij te houden. Ik ga daar ook niet in mee, ik ga niet mee in die commerciële ratrace want dat haal ik niet in mijn eentje. Mijn boeken zijn tijdloos en ik bied ze steeds opnieuw aan. Het is nog niet rendabel en elke keer als ik quitte speel denk ik, hé, ik heb niets verloren, ik kan weer een boek maken. Collega-uitgevers zeggen: het is veel te duur, je moet het daar en daar laten drukken. Maar het is mijn keuze dat het om het boek en het proces gaat en de kwaliteit die daaraan vastzit. Daar wijk ik niet vanaf zolang ik mijn boterham kan betalen. Ik blijf liever klein, kwalitatief en persoonlijk bereikbaar. Die ambitie houd ik voor ogen.’

    ‘Ondertussen is het verdomde moeilijk om je hoofd boven water te houden in de grote boze boekenwereld, bij wijze van spreken. Ik kan het me niet veroorloven een tafel op de beurs te huren. Ik moet het hebben van initiatieven, leg veel contacten met culturele podia zogauw het weer kan, zoek de mensen op. Sociale media vind ik zelf niet belangrijk maar voor mijn bedrijfje is het een manier om zichtbaarheid te genereren. Mijn ambitie is klein zijn, maar wel zichtbaar. Dat is wel een uitdaging. Er wordt zóveel gepubliceerd, ik heb daar een dubbel gevoel bij. Er komen wel drieduizend boeken per maand van de pers. Waar gaat dat heen? Ik lig niet met Herman Koch-achtige stapels bij Scheltema, maar ik bel Scheltema wel op met de vraag: kunnen we een keer iets doen in de boekhandel?’


    Het is niet meer bij te houden wat er allemaal uitkomt.

    ‘Nee, precies. Ik ga me daar ook niet aan meten want dan word ik gek en kan ik wel stoppen. Een vriendin van me die een keer met ons meevoer, zei: alles vertraagt hier. En zo is het. In Gouda gingen we de haven uit, dat is een kwartier lopen en wij deden er met de boot anderhalf uur over. Omdat we door sluizen moesten, wachten, onder bruggen door, weer wachten. En ik hou daarvan! Ik hou van die vertraagdheid en het accepteren daarvan. Daarin zit zo’n kwaliteit van leven. Dat heb ik ook met mijn boeken. Een essay van honderd jaar geleden combineren met essays van nu, daar zit een tijdcapsule van een eeuw in en toch is het met elkaar in gesprek. Dat komt doordat we erbij stilstaan, het blijft actueel. Ziek zijn is nou eenmaal ook een thema, of je het nou leuk vindt of niet. Ik wil juist stilstaan bij dingen die er al zijn en bij dingen die nog moeten komen, op een soort ontluikende en zachtaardige manier. Niet snel, snel en nu, en veel.’ 

    ‘Ik heb ontzettend veel geluk gehad, heb een beetje subsidie gekregen van het Letterenfonds. Het is moeilijk om daar tussen te komen als kleine uitgeverij. Ik vind het ook ontzettend sportief van het Letterenfonds, dat ze een kleine maar kwalitatieve uitgeverij hebben gezien tussen alle paperassen. Ik ben ze daar dankbaar voor. Ik ken daar niemand maar geef ze wel aandacht in mijn nieuwsbrief en op sociale media. Want alleen kan ik het niet, een boek maak je altijd samen. Aan de mensen achter de coulissen wil ik ook meer zichtbaarheid geven, de vertalers, de redacteuren, de illustratoren. Die zijn voor mij bijna net zo belangrijk als de auteur. Wat de vormgever van de serie Open Archief altijd doet is dit:’ Elte Rauch pakt het boek Over ziek zijn, haalt het papieren omslag met de tekening van Virginia Woolf eraf en toont de harde kaft, waarop dezelfde tekening nogmaals gedrukt is. ‘Dat vind ik zo’n mooi detail! Heel chic. Het was niet mijn idee, maar van boekontwerper Steven Theunis van Armée de Verre bookdesign. Geweldig hè!’

     

    Uitgeverij HetMoet

     

     

    Fotograaf: Guido Benschop

     

  • In memoriam A.L. Snijders 1937 – 2021

    A.L. Snijders, pseudoniem van Peter Cornelis Müller, werd in 1937 geboren in Amsterdam. In 1971 trok hij met zijn vrouw Yvonne Sweering, waarmee hij 52 jaar samen was, en vijf jonge kinderen naar een boerderij in Klein Dochteren waar hij het boerenleven omarmde. Eenmaal daar begon hij brieven te schrijven naar vrienden en familie in het land. Vanaf de jaren tachtig schreef hij columns voor verschillende kranten, waaronder het Parool, Deventer Dagblad, Dagblad van het Noorden en later de VPRO Gids. Vanaf 2000 begon Snijders korte stukjes te schrijven, de zogeheten zkv’s. Deze verzond hij in eerste instantie per mail naar zijn kinderen en vrienden, aan uitgeven dacht hij niet. Hij ging er ook wel prat op dat hij lange tijd de enige schrijver was die niet werd uitgegeven. Toen ik Peter Müller in 2019 interviewde, vertelde hij een anekdote ‘die waar is’, zo hij zei.

    ‘Ik heb in mijn leven nooit iets opgestuurd naar een uitgever of tijdschrift om mezelf aan te bieden. Alles wat er gebeurde ging via via, het breidde zich vanzelf uit.’ 

    De columns uit kranten en de begeleidende brieven die Snijders aan de redacteur van de krant schreef, werden in de jaren negentig gebundeld door Thomas Rap en uitgegeven in vier boeken. 

    Snijders is altijd een deadlineschrijver geweest, op verzoek van Ineke Swanenveld, sinds 2019 zijn vrouw, kwam daar verandering in. Zo lukte het Snijders om niet op zaterdagavond pas een punt achter zijn radiocolumn voor de zondagochtend te zetten, maar het stukje vaak op vrijdagmiddag al te schrijven. Of deze verandering in werkwijze in de toon en aard van zijn zkv’s te onderscheiden is, zou een onderzoek waard zijn. Ooit was zijn beeld van een ideale zkv, een verzonnen verhaal zo te schrijven, ‘dat niemand er bij stilstaat of het werkelijkheid is of niet’.

     Mijn eerste herinnering aan het bestaan van columnist A.L. Snijders gaat terug naar begin jaren tachtig, tijdens een literaire middag in de schouwburg van Apeldoorn, Orpheus. Ik was er met een oudere vriendin die daar zou voorlezen. Snijders naam klonk in de wandelgangen, daar was iets mee, eigenzinnige onbegrijpelijkheid klonk er. Ik herinner me vooral de lange benen, de uitbundige gezichtsbeharing en toegeknepen ogen, alsof er een vlieg uit geweerd moest worden. We waren te laat om hem te horen voorlezen, er was iets ongekends aan mij voorbij gegaan.
    Er is geen schrijver die zo onbegrijpelijk kon schrijven als A.L. Snijders, maar ook zo aanwezig was in elk zkv dat hij schreef dat hij op den duur een open boek was voor wie er oog voor had. Onbegrijpelijk schrijven was een uitdaging voor Snijders. In een interview vertelde hij dat hij nog verder probeerde te gaan met het zkv, het nog onbegrijpelijker wilde schrijven. Al was het niet de bedoeling helemaal onbegrijpelijk te schrijven: ‘Als er in een stukje maar één dingetje raar is, dan is het een zkv, die afkorting die een eigen leven is gaan leiden.’

    Snijders schreef een kleine drieduizend zkv’s waarvan er in 2006 door AFdH uitgevers de eerste 336 werden gebundeld met de titel, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk. Er zouden er nog elf volgen, waarvan de laatste, Tat Tvam Asi in april van dit jaar verscheen.

    Al had Snijders de frequentie van zijn zkv’s de laatste tijd wat geminderd om meer tijd met zijn vrouw door te kunnen brengen, was stoppen met schrijven geen optie. Zelfs als hij niet meer zou worden uitgegeven zou hij blijven schrijven. En dat deed hij, tot vorige week maandag, 7 juni, toen werd hij door een hartstilstand getroffen. Hij werd gevonden in zijn werkkamer waar hij aan een nieuw zkv werkte, voorover liggend op zijn toetsenbord. Toen het bericht van zijn dood wereldkundig werd gemaakt, ging er een schok door de liefhebbers van zijn zkv’s en de vele abonnees van de zogenaamde Graslijst die elke zondagochtend, na het voorlezen van een nieuw zkv, om 8.45 uur op radio 4, diezelfde zkv in hun mailbox vonden. 

    Zondagmorgen, 13 juni verzond AFdH uitgevers dit zkv in wording naar de abonnees van de Graslijst. Een stukje tekst waarvan zomaar gezegd kan worden dat het een puntgaaf zkv is. Want, zoals Snijders zei, als er maar één dingetje raar in zit, is het een zkv.

    Rotspunt
    ‘In de boekenweek ben ik op bezoek geweest in Zutphen t/m Nijmegen.

    Ik las voor in een boekhandel. Na afloop kwam er een oude man op me af die verklaarde dat ik niet bestond. Ik vroeg hem wie ik dan was. Dat kon hij me niet vertellen, dat was zijn zaak niet. Ik vroeg hem wat zijn zaak dan was, maar daar had hij geen antwoord op. Ik vertelde hem dat er in de Middellandse Zee (de zee van Homerus) een rotspunt naar mij vernoemd is, Cape Snijders.’ 

     

     

    Bron: Meer dan een bibliografie, A.L. Snijders / Marius Zeven
    Foto: Paul van Puffelen (2021)

     

  • Fotosynthese 22 – Dagen en nummers van betekenis

    Als ik een sirene hoor van een ambulance of politieauto denk ik vrijwel altijd aan Georges Perec. Het is nooit bij me op gekomen dat op te schrijven tot ik De jonge helden van de Sovjet-Unie van Alex Halberstadt las. Hij vertelt daarin over zijn grootvader, de jood Semyon,, die de nazi’s overleefde door te vluchten, zonder zijn moeder en broer. Moeder dacht dat ‘het’ wel mee zou vallen en de broer wilde bij zijn moeder blijven. Beiden werden zij vermoord. Toen Semyon na de oorlog terugkeerde voelde hij zich daar schuldig over. Hij had meer moeite moeten doen om ze te overtuigen van het gevaar, vond hij. In zijn dromen zag hij hun huis met het nummer 10-9 in het Litouwse Kaunas terug. Hij besloot om nummer 19 in zijn leven te vermijden omdat het ongeluk en misschien zelfs de dood zou kunnen brengen. Omdat hij geboren was op 9-10(-1915), samen ook weer 19, besloot hij voortaan als geboortedatum een andere aan te houden (het willekeurige 15 november).

    Ik ken in de literatuur geen andere gevallen van het mijden van een datum vanwege een geladen betekenis. Wel van het uitdrukkelijk gebruiken ervan. Een foto als deze is er evenzeer mee verbonden. Hij is genomen in 1942 of 1943 in Drancy, het Franse Westerbork. We zien moeders en, wat meer op de achtergrond, kinderen. De vrouw die op de foto had kúnnen staan, is er niet op te zien; haar zoon ontbreekt zeker. Hij heeft nooit in Drancy gezeten.

    Georges Perec was het kind van Pools-joodse ouders, vader Icek en moeder Cyrla. Beiden waren hun land ontvlucht vanwege het toenemende anti-semitisme (men leze Bloedlanden van Timothy Snyder of – recenter – Liever dier dan mens van Pieter van Os daarover) en in 1934 in Parijs met elkaar getrouwd. Hun enige zoon Georges werd in 1937 geboren. Hij was op zijn zevende al wees. Icek sneuvelde als soldaat vroeg in de oorlog. Georges was in het voorjaar van 1942 uit voorzorg ondergebracht op het platteland vér van Parijs. Hij maakte daarom de beruchte razzia’s van juli 1942 waarbij zijn moeder werd opgepakt niet mee. Via Drancy werd ze naar Auschwitz gedeporteerd. Niet bekend is wanneer ze daar stierf. Pas in 1958 gaf de Franse regering een verklaring uit waarin ze als sterfdatum 11 februari 1943 kreeg, de dag dat haar trein uit Drancy vertrok. Het afgesneden zijn van zijn afkomst en joodse wortels werd een vast thema in Perecs werk; de cijfers van de datum, geschreven als 2-11 of als 11-2, keren daarin herhaaldelijk terug.

    De Franse naam van de verklaring uit 1958 was ‘Acte de disparition’ – verklaring van verdwijning. Ik denk dat zijn speelse geest al heel snel gezien heeft dat ‘la disparition’ bestaat uit een lidwoord van 2 en een substantief van 11 letters. De verklaring werd de titel van een roman over de betekenis van de verdwijning van zijn moeder voor hem persoonlijk en voor zijn daardoor broze eigen identiteit. La Disparition verscheen in 1969 en baarde vooral opzien omdat in de roman de letter E niet voorkomt. Maar hij is veel meer dan een lipogrammatische stunt. Het ontbreken van die klinker is namelijk ook de motor die de meerlagige plot drijft. Het is een metafoor voor de uitsluiting van joden en het ontbreken van zijn eigen verleden.

    Minder opvallend is de verwijzing naar 14 februari in Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing uit 1978. Dit complexe amalgaam van verhalen, gekoppeld aan de bewoners van 99 ruimten van een appartementengebouw op 23 juni 1975, kort voor acht uur ’s avonds. Het adres ervan is rue Simon-Crubellier 11 in Parijs: twee namen (van vrienden van Perec) en het huisnummer 11. Ofwel 2-11. Dat gebeurt binnen deze roman nog eens als Perec het interieur beschrijft van Grégoire Simpson, één van de bewoners (zijn naam doet meteen denken aan Gregor Samsa uit De gedaanteverwisseling van Kafka). Daaronder is het boek ‘Achttien colleges over de industriële samenleving van Raymond Aron, dat op bladzijde 112 openlag’. Deze Simpson is ook de protagonist in Perecs Een man die slaapt uit 1967. Hetzelfde boek ligt daarin geopend op pagina 112 op zijn schoot. Maar nu met de belangrijke toevoeging dat hij na die bladzijde stopt met lezen: hij stopt waar het leven van Perecs moeder eindigde.

    Er zijn meer voorbeelden, al zal niet iedereen ze opmerken. Als lezer en herlezer kan ik ze zelf nauwelijks meer over het hoofd zien, zelfs niet in het boek van een ander. De jaren van Annie Ernaux deed me regelmatig denken aan Je me souviens van Perec (de Nederlandse vertaling verschijnt waarschijnlijk volgend jaar). Tegen het einde noemt Ernaux de titel van dat boek ineens. Één keer en in de laatste regel van de betreffende bladzijde, net boven paginanummer: 211. Het spijt me soms dat Perec, gestorven in 1982, niet meer de invoering van het alarmnummer 112 heeft meegemaakt. Het was hem vast bevallen.

     

    Fotograaf onbekend.


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan

     

  • Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

     

    Verhalenschrijfster Roos van Rijswijk (1985), debuteerde in 2016 met de roman Onheilig waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Onlangs verscheen De dwaler, een verhalenbundel met een dystopische en surrealistische inslag.

    Roos van Rijswijk (1985) studeerde Nederlandse taal & Cultuur en Literatuurwetenschap. Ze is literair recensent voor het NRC, interviewt schrijvers en is schrijfdocent aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Voor Literair Nederland zocht ik haar op in Amsterdam waar ze een zolderkamer in een voormalig zusterhuis bewoont. Bovenin het trappenhuis word ik opgewacht. Door een lange gang en ruime keuken komen we in de gemeenschappelijke woonkamer. Er ging wat mis, de schrijfster trok de thermostaat onbedoeld van de keukenmuur, die wil ze er nu weer even aanmaken. Er is iets met de temperatuur, in de woonkamer staan de ramen open. Op tafel staat de thee klaar. We spreken over de sfeer in haar verhalen, hoe ze ontstaan en hoe een roman zich (wel/niet) laat schrijven, zich ontwikkelt. Over eerste zinnen, de tijd waarin we leven en de fascinatie met spookverhalen. 


    Hoe gaat het, na de publicatie van je verhalenbundel?

    ‘Buiten het gebruikelijke pandemie chagrijn, gaat het wel goed. Het opgesloten zitten en de constante zorg om familie, inkomsten en de vraag of de wereld wel weer wordt zoals we hem kenden, dat houdt me wel bezig.’


    Komt dat ook in je verhalen terecht, die bezorgdheid?

    ‘Sommige verhalen waren al voor de pandemie geschreven, sommige tijdens. De twee laatste verhalen schreef ik september vorig jaar. Het was toen heel warm en er waren veel bosbranden. Dan krijg ik al gauw een soort apocalyptisch gevoel. Dat is wel mijn aard, en daar word ik ook wel een beetje weemoedig van.’ 


    In een van je verhalen gaat een man op het trottoir liggen omdat hij zo moe is van het leven, hij vergroeit met de omgeving. Hoe kom je daarop?

    ‘Dat verhaal schreef ik in een periode dat ik al heel lang heel moe was, als ik dan over straat liep dacht ik wel eens, zal ik hier gewoon gaan liggen? Dat doe je natuurlijk niet, maar als schrijver heb je het geluk dat je er wel over kunt schrijven. Ik heb het verhaal vrij vlug geschreven, voelde me ook aanzienlijk beter daarna. Ik had het niet verwacht, maar het is wel het eerste verhaal waar iedereen over begint. Misschien omdat het gevoel herkenbaar is, dat je erbij wilt gaan liggen.’


    Gebruik je vaker ervaringen van jezelf voor je verhalen?

    ‘De laatste twee verhalen zijn autobiografisch. Ik heb ook echt met mijn moeder die wandeling over begraafplaats Zorgvlied gemaakt. Mijn moeder kreeg aan het begin van de pandemie een hartaanval, het was niet helemaal zeker of ze het zou redden. Alles was toen net helemaal dicht. Dan fietste ik door zo’n dichte stad dagelijks naar het ziekenhuis. Nu, een jaar later, is ze er weer helemaal bovenop. Toen dat met mijn moeder gebeurde, was dat ook de eerste keer dat ik weer op de fiets stapte. Ik kon heel lang niet meer fietsen, iets tussen tussen gekheid en overspannen zijn. Dat alles heeft veel impact op me gehad.’ 

    ‘Dat ik met mijn moeder over Zorgvlied liep, daar ben ik over gaan schrijven. Een verhaal waar ik al die dingen heb ingestopt, maar wel net anders natuurlijk. Ik heb gevraagd of ze dat goed vond. In het verhaal wordt ze bijna doodgereden door een AH bezorger. En zelf ben ik lang niet zo gek geweest als in dat verhaal, en die stoet van moeders, geesten van voorouders die daar verschijnen, is natuurlijk verzonnen. In het allerlaatste verhaal loop ik als personage rond, niet een op een, maar ik ben er wel.’


    Je beginzinnen hebben een bepaalde urgentie, zoals ‘Je moet je fiets binnen zetten.’ Is dat bewust? 

    ‘Het verhaal “Een zee” begon wel met de eerste zin, “Ze had de zee nog nooit gezien”. Maar het begon ook met een idee. Als ik schrijf kom ik er gaandeweg achter wat ik aan het doen ben, de eerste drie alinea’s zijn een soort voorwerk. In veel boeken over schrijven is het toch wel een tip dat je eerste zin lezers moet trekken. Terwijl ik denk, als de lezer al begonnen is met lezen, dan wil die ook best een paar alinea’s doorlezen. Bij korte verhalen wil je natuurlijk wel snel weten waar het over gaat. Maar dat je met een eerste zin de lezer moet trekken? Je bent geen reclameschrijver. Er is niets op tegen, maar het is beter je niet al te veel met de lezer bezig te houden.’


    Werk je een idee eerst uit op papier?

    ‘Ik vind het een heerlijk idee om met pen en papier te schrijven, maar ik ben er te ongeduldig voor. Toen ik pas met schrijven begon en nog niet zo snel kon typen, schreef ik liever met de hand. Maar zo gauw mijn typesnelheid op denksnelheid lag, typte ik alleen nog. Toen ik het verhaal ‘Zorgvlied’ schreef, deed ik mee aan een onderzoek van het Huygens Instituut over het schrijfproces van schrijvers op een computer. Er zijn veel oude manuscripten met de hand geschreven, met doorhalingen en dan zie je hoe zo’n verhaal geschreven is, met alle kladversies erbij. Nu deden ze onderzoek naar hoe dat digitaal gaat. Toen het onderzoek gestart werd, kon ik eerst helemaal niet schrijven omdat elke toetsaanslag geregistreerd werd. Van de weeromstuit begon ik een soort schaduwadministratie bij te houden, ging ik met de hand schrijven (schaterende lach).’


    Je schreef ook een verhaal over het uploaden van het bewustzijn van iemand die dood is, hoe kom je daar op?

    ‘Ik wilde een modern spookverhaal schrijven. Toen dacht ik, wat is nu de modernste variant van een geest die we kennen? Naar hoe je het geheugen en bewustzijn van de mens kunt bewaren is al veel onderzoek gedaan. Er bestaan al een soort chatrobots van mensen die dood zijn, naar aanleiding van hun posts op social media. Ik heb onderzocht of zo’n chatrobot werkelijkheid kan worden, nu blijkt dat die dus al bestaan. Het inscannen van hersenen  in relatie met het ‘bewaren’ van iemands brein, is ook onderzocht. Ik heb me helemaal verloren in dat onderzoek, toen moest er nog een gegeven zijn, een verhaal. Ik was er wel over uit dat het iemand moest zijn die zijn bewustzijn bewaart en vervolgens een soort klopgeest wordt. Toen dacht ik aan wat het ergste is dat je kan overkomen, en dat is toch wel je eigen kind bijna de dood injagen. Ik heb wel gepuzzeld met de vraag, wat wil zo’n personage? Over dit verhaal heb ik heel lang gedaan, ik moest er verschillende vormen voor vinden.’


    Wat heb je met spookverhalen?

    ‘Als schrijver vind ik het interessant dat een spook geen lichaam heeft. Het is een mens, maar ook weer niet. Een spook roept veel emoties op; angst, weemoed, verdriet, of liefde. Je kunt er ontzettend veel kanten mee op. Maar wat het voor de schrijver moeilijk maakt is dat een spook oneindig is. Ik heb wel eens geprobeerd een roman te schrijven vanuit een geest. Mike McCormack (Ierse schrijver / Dag der zielen Iv/dG) heeft het gedaan, een verhaal vanuit een gestorven man. Dat lukt mij dus niet, omdat het nooit stopt, een geest is oneindig. Ik heb zelf geen aanleg voor geloof in het hogere, maar als iemand mij vertelt dat hij een geest heeft gezien, geloof ik dat wel. Ik vind het geweldig dat mensen zingeving vinden in het ontastbare.’


    Was schrijven een keuze?

    ‘Als kind las ik puur als tijdverdrijf. Later werd ik geraakt door de poëzie van Leo Vroman. Maar ik had nooit het idee dat iemand zomaar schrijver kon worden. Er waren mensen die boeken schreven en mensen die ze lazen, zo zag ik het. Dat je die schrijver zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Ik schreef wel heel graag. Vanaf mijn zestiende schreef ik voor een theatergroep. En toen ik op mijn vierentwintigste ging studeren, schreef ik columns voor het universiteitsblad. Maar nog steeds dacht ik niet, ik ga schrijven. Pas nadat ik een kort verhaal geschreven had, dacht ik, Oh, dit kan gewoon.’

    Toen het verhaal ‘Een zee’, dat in bewerkte versie ook in de bundel staat, werd opgenomen in literair tijdschrift Revisor, werd Roos van Rijswijk benaderd door verschillende uitgevers. 

    ‘Daar schrok ik wel van. Ik dacht, wat heb ik nou aan mijn broek hangen. Ik ben wel met verschillende uitgevers gaan praten, maar ook gezegd dat ik het nog niet wist, dat ik eerst wilde afstuderen. Uiteindelijk ben ik bij uitgeverij Querido terecht gekomen. En afgesproken dat ik me zou melden als ik dacht daadwerkelijk een boek te kunnen schrijven.’


    Ging het gelijk om een roman?

    ‘Ik heb nog gevraagd of het een verhalenbundel mocht zijn, maar daar werd niet heel juichend op gereageerd. Ik snap ook wel waarom, verhalen verkopen gewoon niet goed. Met deze verhalenbundel wist ik ook dat het geen verkoopknaller zou worden. Zelfs als ik hier een prijs mee zou winnen, dan nog zal het niet een ‘warme broodjes boek’ worden. Het is geen populair genre. Het meest gehoorde argument is, ‘Ik wil zo graag verdwijnen in een roman.’ Pleitbezorgers van het korte verhaal vergelijken het dan weer met een serie op Netflix kijken. Dan denk ik, Nee! Korte verhalen vraagt echt wel wat meer dan een serie kijken. Maar goed, toen ik een idee had voor een roman, heb ik weer contact opgenomen. En dat is uiteindelijk Onheilig geworden.’


    Hoelang heb je daaraan gewerkt?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, ik heb er niet elke dag aan gewerkt. Ik moest ook gewoon voor een inkomen zorgen. Ik werkte toen in een boekhandel, daarmee kwam ik niet rond, wat op zich een tragisch gegeven is. Daarna ben ik op een kantoor gaan werken, vier dagen per week. Toen Onheilig uitkwam, had ik genoeg gespaard om een half jaar te overleven. (Lacht) Wel op water en brood hoor. Nadat ik gedebuteerd was, ben ik gaan freelancen, begonnen met interviews, recenseren.’


    Je won er de Anton Wachterprijs mee.

    ‘Ja, dat was fantastisch natuurlijk. Ik wist al een beetje hoe de literaire wereld in elkaar stak, dat je als debutant nergens op moet hopen, en dat deed ik ook niet. Ik vond het überhaupt al geweldig dat ik een boek af had. Ik ben een notoire ‘niet afmaker’ van projecten. Dus daar was ik al zo mee in mijn nopjes. Het boek werd ook goed ontvangen, en toen won ik ook nog die prijs.’


    Je schreef daarna verschillende korte verhalen, werkte aan kleine projecten, dacht je nog wel eens aan een roman schrijven? 

    ‘Ik heb wat turbulente jaren gehad, relatie verbroken, verhuisd naar een zolderkamer, maar ben wel steeds blijven schrijven. Maar om iets groters te maken, dat lukte me niet. Ik hoor wel eens van schrijvers die zeggen,”De eerste drie uur van de dag zijn heilig.” Maar het lukt mij niet om te schrijven als er honderd andere dingen zijn die me dwarszitten. Ik kan dat niet uitzetten. Dus ik moet heel erg mijn eigen bedje spreiden, en dat lukt niet altijd, maar wel steeds beter.’

    ‘Als ik schrijf wil ik niets aan mijn hoofd hebben, en dat is heel onhandig als je als freelancer werkt. Toen ik al een tijdje aan Onheilig werkte, stukje schrijven, weer weggooien, en op de helft was, ben ik een paar weken naar Duitsland geweest en daar heb ik het boek in één keer afgeschreven. Zo werk ik het liefst, me helemaal begraven in iets, als een soort maniak. Dan leef ik op een heel ongewoon ritme. Ik was ook gewoon vies en verwaarloosd na die weken. Maar het was heerlijk.’ 

    ‘Dat maniakale heb ik ook in mijn andere werk. Als ik een schrijver moet interviewen, sluit ik me op om alles van die schrijver te lezen. Alsof ik een expert moet zijn op het gebied van degene die ik ga interviewen. Wat natuurlijk helemaal niet hoeft!’


    Is het voor een schrijver een interessante tijd waarin we leven?

    ‘Ik vind de discussie over toe eigening heel interessant. Zou ik, als witte vrouw over een zwarte man kunnen schrijven? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet zou doen omdat ik me niet genoeg kan verplaatsen in een zwart personage, dat personage loopt tegen bepaalde dingen aan waar ik nooit tegen aanloop. Maar ik ben er niet tegen. Als een witte schrijver vanuit een zwart personage schrijft vind ik het oneerlijk om te zeggen, doe maar niet. Het hangt er heel erg vanaf of het goed gedaan wordt. Maar ik weet ook niet of ik dat kan beoordelen. Ik vind het, zoals gezegd een interessante discussie die me er wel bewust van heeft gemaakt dat als je een personage niet beschrijft, de lezers ervan uitgaan dat het een witte man is rond de 30-40 jaar.’

    ‘Als schrijver ben ik me bewust dat ik wat kleur moet aanbrengen, en dan bedoel ik niet gelijk huidskleur, maar een soort reliëf, zodat er niet alleen een soort Matt Damons in rondlopen. Het is niet dat ik het er bewust inschrijf, het is wel meer in mijn bewustzijn gekomen.’


    Is de buitenwereld niet meer te negeren?

    ‘De thema’s en discussies die in deze tijd spelen zijn wel in mijn bundel terechtgekomen. Ik heb er wel een zekere diversiteit in aangebracht binnen mijn eigen comfortzone. In twee verhalen noem ik niet of het om een vrouw of man gaat. In twee recensies werd de protagonist van het titelverhaal ‘De dwaler’ verschillend ingekleurd. In het Parool was het een vrouw, de recensent in Trouw had er een jongen van gemaakt. Ik denk wel dat het voor schrijvers belangrijk is te weten hoe ze erin staan, erover nadenken. Sommige witte mannen roepen, “Mag ik dan helemaal nergens meer over schrijven?” Zo werkt het natuurlijk niet. Maar je kunt ook niet doen alsof de buitenwereld niet bestaat.’


    Uit je verhalen klinkt ook een zweem van fatalisme, waar komt dat vandaan?

    ‘Ik ben heel fatalistisch. ik denk al snel, wat heeft dit voor zin. Wat voor mij zin heeft, is kunst, maar om dat te maken moet ik wel eerst twintig drempels voor over. Als ik schrijf ben ik minder fatalistisch, maar het komt er wel in. Ik begin de bundel dan ook met het einde van de mensheid, dat vond ik wel leuk. En ik eindig met het einde van de literatuur (lacht hard), dat verhaal begint met, “Ik heb niets te vertellen. Alles wat er aan de hand is, is er al.”’


    Je bent schrijfdocent, schrijver, recensent en interviewer, wat heeft je voorkeur?

    ‘Als ik met het mes op de keel zou moeten kiezen, dan wel schrijver. Maar ik ben ook wel blij met de afwisseling. Schrijfdocent vind ik fantastisch om te doen en recenseren doe ik graag, maar ik zou wel meer tijd willen hebben voor schrijven.’


    Is er een schrijver, een boek waarvan je wenst zo te kunnen schrijven?

    ‘Oeh, heel veel. De dag van de zielen van Mike McCormack, dat had ik graag willen schrijven. Ik herlees bijna nooit iets, maar eens per jaar herlees ik Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. En Faxen aan Ger van Mizee, vind ik geweldig, maar zou nooit zoiets schrijven. En Eva Meijer, die als schrijver zegt dat het altijd wel komt, dat schrijven. Dat zou ik ook wel willen. En ik zou heel graag een Gothic Novel willen schrijven, vrouwen spelen daarin een sterke rol. Ik vind het een heerlijk genre, zoals Shirley Jackson ze schrijft. Ik heb een heel plot liggen, ben er weken mee bezig geweest. Maar dan heb ik het plot, dan denk ik, nu weet ik al wat er gaat gebeuren, en schrijf er niet aan verder. (Lachend) Ik moet mezelf blijkbaar ook verrassen tijdens het schrijven.’

     

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Herman van Bostelen

     

     

  • Liesbeth Lagemaat wint De Grote Poezieprijs 2021

    In het radioprogramma Opium op NPO Radio 4 werd vanavond bekendgemaakt dat Liesbeth Lagemaat met haar bundel Vissenschild de derde editie van De Grote Poëzieprijs heeft gewonnen. De jury vond haar bundel, ‘een adembenemend werk waarin een zinderend poëtisch spel wordt gespeeld. Met deze poëzie toont de dichter grote ambitie en lef, maar ook het vermogen om een grote belezenheid te koppelen aan de huidige tijdsgeest.’ Liesbeth Lagemaat (1962) debuuteerde met Een grimwoud in mijn keel dat in 2005 werd bekroond met de C.Buddingh’-prijs. Vissenschild is haar zevende bundel en verscheen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

    Poëzierecensent Hettie Marzak was lovend over Vissenschild, ze schreef: ‘Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren.’ Lees hier de hele recensie.

    Uit 107 dichtbundels koos de jury van De Grote Poezieprijs, Lagemaats bundel Vissenschild als beste gedichtenbundel van 2020. De auteur ontvangt een geldbedrag van € 25.000, waarvan € 5.000 bestemd is voor een project ter stimulering van de Nederlandstalige poëzie naar keuze van de winnende auteur.

    De Grote Poëzieprijs is sinds 2019 de opvolger van de VSB Poëzieprijs en wordt gezien als dé prijs voor de Nederlandstalige poëziebundel. Aan de prijs zijn inspirerende publieksprogramma’s en educatieve trajecten verbonden die een beeld geven van de actuele stand van zaken van poëzie in het Nederlands taalgebied.

    Wie benieuwd is naar de andere deelnemers, vindt hier een overzicht van alle deelnemende bundels.

     

     

  • Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

     

    Schrijfster Mira Feticu (1973) groeide op in Roemenië tijdens de dictatuur van Ceaușescu (1967-1989). Als jong meisje schreef ze al gedichten, in 1993 debuteerde ze met een dichtbundel. Ze studeerde  Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, waar ze later werkte als radiomaker. In 2001 werd ze met haar verhalenbundel Femei cu veverite (Vrouwen met eekhoorntjes) genomineerd voor de prijs van de Unie van Schrijvers uit Roemenië en voor de speciale Laurențiu Ulici-prijs. Aan de universiteit in Boekarest leert ze ook haar Nederlandse man kennen waarmee ze in 2003 naar Nederland komt.

    Na vijf jaar in Nederland ging Mira Feticu in het Nederlands te schrijven, in 2012 debuteerde ze met Lief kind van mij bij De Geus, een jaar later volgde De ziekte van Kortjakje. In 2019 verscheen haar grote roman Al mijn vaders bij uitgeverij Jurgen Maas en dit jaar kwam het non-fictie boek Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal uit  bij De Geus

    Voor Literair Nederland sprak ik de schrijfster via Zoom. We spraken over wat je achterlaat en wat je niet geworden bent. Over de boeken die ze hier schreef. Welke kansen een schrijver geboden worden in een nieuwe taal en de heftigheid in haar proza. Over haar worstelingen met de taal, heimwee dat nooit voorbij gaat, en is schrijven therapie of moet het meer zijn?


    Hoe was het voor jou om de Nederlandse taal te leren? 

    ‘Toen we naar Nederland kwamen was mijn dochter twee jaar. Ik vond het heel moeilijk te accepteren dat ze een taal zou gaan spreken die ik niet zou kennen. Dat ik de nuances van wat mijn dochter zegt, niet zou begrijpen. Dat was een verschrikkelijke gedachte. Mijn man sprak Nederlands met haar, ze leerde snel. Maar ik was tweeëndertig toen ik hier kwam, voor mij ging het moeilijker. Ik raakte geobsedeerd, was alleen maar met taal bezig. Ik moest Nederlands praten zodat mijn dochter zich niet hoefde te schamen voor mij. En via de Nederlandse taal kon ik weer literatuur schrijven. Het was voor mij de sleutel naar het leven, dat ik weer mee kon doen.’


    In Roemenië had je al enige erkenning verworven, hoe zag je het leven als schrijver in Nederland?

    ‘In Roemenië besefte ik niet hoe verwend ik was te kunnen schrijven in mijn moedertaal. Hier probeerde ik te schrijven wat ik niet kon zeggen, het echte werk. Ik leefde met woordenboeken, met vragen en steeds opnieuw schrijven, herschrijven. Mijn eerste boeken hadden drie versies. Van Joseph Conrad die van oorsprong Pools is, weet ik dat het bij hem automatisch ging. Bij mij was dat niet zo, bij mij was het een beslissing. Ik wist dat als ik wacht, ik te oud zou zijn om het te leren. Dus ik moest de sprong wagen, wat wel typerend is voor mijn leven. Sommige mensen zeggen, “Jij durft”. Maar ik zeg, “Niemand heeft mij geleerd daarover na te denken.” Ik ging gewoon voor de dingen. Zo heb ik dat ook met de Picasso gedaan, (over de teruggevonden (nep-)Picasso schrijft ze in Picasso’s keerzijde Iv/dG), met de emigratie. Ik ging gewoon. Ik volgde mijn man zonder te weten wat dit voor mij zou betekenen. Dat is mijn karakter, ik volg mijn hart, mijn instinct. Dat is niet altijd goed, ik betaal daar een rekening voor die ik mijn hele leven moet afbetalen.’


    Wat bedoel je met, ik betaal daar een rekening voor?

    ‘Als je emigreert leef je een tweede leven en laat je een onvoltooid leven achter. Het emigreren heeft mij veel goeds gebracht, ik heb veel kansen gekregen, maar er zijn ook veel dingen weggevallen. Ik ben totaal veranderd door de nieuwe taal, door de geografie. En het is moeilijk iemand anders te worden in hetzelfde leven. Af en toe spreekt de Roemeense geest in mij. Als mijn vader dan met Pasen belt, of ik zie op Facebook hoe vrienden Pasen vieren, dan denk ik aan mijn vorige leven dat zich daar afspeelde. Ik voel daardoor een pijn die ik mijn hele leven met mij mee zal dragen.’


    In je romans schrijf je over die pijn. Het is heel heftig. Zo nu en dan moest ik het boek even wegleggen. 

    ‘Dat heb ik van anderen vaak gehoord: “Mira, probeer minder heftige verhalen te vertellen want je laat de lezer schrikken.” Maar bij het schrijven gebeurt er iets in mij. Woorden en betekenissen komen vanuit mijn hoofd en mijn hart. Het personage Myra, (in Al mijn vaders Iv/dG) kan geen softe verhalen gebruiken. Ik heb een moeilijke jeugd gehad in Roemenië, wat ik pas besefte toen ik in Nederland kwam. Ik werd als kind weggerukt uit mijn dorp. Op het internaat waar ik werd geplaatst leek het huis van mijn ouders een paradijs, wat het helemaal niet was. Dat meisje dat heimwee heeft naar het paradijs, dat zit nog steeds in mij.’


    Is je derde roman, Al mijn vaders een afsluiting van deze periode? 

    ‘Ik zal hier nooit meer over schrijven. Het is mijn meest pijnlijke boek geweest om te schrijven. Ik werkte in een schuur bij ons vorige huis. Drie jaar lang bleef ik in die schuur, het was heel moeilijk voor mijn gezin. Bijzonder is dat ik door de nieuwe taal en geografie, toegang kreeg tot wat er toen speelde. Als kind probeerde ik me te redden zo goed als het ging, zonder te beseffen wat me allemaal overkwam. Ik had in mezelf iets uitgeschakeld om te kunnen overleven. Het was verschrikkelijk, ook pijnlijk, maar ik kon er opeens over schrijven. Niet dat ik mijn verleden door mijn boeken een plek kon geven. Maar toch, tijdens het spelen van Al mijn vaders (er is een toneelvoorstelling van gemaakt Iv/dG), met Hans Dagelet, gebeurde er iets. Ik werd  mij bewust van het kind in mij. Op het podium stonden twee foto’s van mij als kind. Voor ik op ging zei ik tegen die foto’s, “Nu gaan we weer vertellen.” Tijdens het spelen word ik weer het meisje dat ik was. Het meisje is daar, en we kunnen vertellen, zonder schaamte. En door dat spelen, ik ben geen actrice, het was allemaal nieuw voor mij, doet de wond minder pijn. Het krijgt een gezicht, dat je dan kunt zien dat het niet zo verschrikkelijk is.’


    Aan het eind van het boek schrijf je een lange brief aan de vader, een vergevingsgezinde brief.

    ‘Ik hou veel van mijn vader, elke dochter houdt van zijn vader. Omdat ik dat wist, en om mijn kind een vader te geven, heb ik mijn leven in Roemenië achter gelaten. Zodat mijn dochter niet op de verkeerde knieën zou gaan zitten zoals ik gedaan had. Daarom ben ik mijn man gevolgd, om mijn kind dat te besparen. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Ik deed het vanuit een obsessie, vanuit mijn trauma’s. 


    Je vader had ook willen studeren, hij hield van boeken maar kreeg niet de gelegenheid.

    ‘Mijn vader is een slimme man, maar ook een zwakke man. Als kind heeft hij veel geweld meegemaakt. Wij hebben allebei veel geweld meegemaakt (zucht diep). Ik kan hem nu begrijpen, ik ben nu oud genoeg om niet meer boos te zijn, niet meer zo gekwetst. Eigenlijk heb ik voor een deel de droom van mijn vader waargemaakt. Ik moest hard studeren. Gelukkig vond ik studeren leuk. Nog steeds moet ik tijd maken om te lezen, anders heb ik het gevoel dat ik niet mezelf ben. Zonder lezen en studeren heb ik het gevoel dat ik mijn tijd verdoe. Ik moet bezig zijn, iets nieuws maken, ideeën uitwerken.’

    Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal bestaat uit drieënveertig essayistische stukjes waarin Feticu schrijft over haar worsteling met de taal, de ontdekkingen en valkuilen, haar overwinningen daarin. Het laat zien wat het betekent als je een nieuwe taal moet leren, dat daarmee ook een nieuwe identiteit ontstaat. Sprankelende stukjes, die vertellen hoe het is om die nieuwe taal te gebruiken, gecorrigeerd, niet begrepen te worden. Deels is het boek ook een pleidooi voor het anders omgaan met nieuwkomers en het leren van een nieuwe taal. Ze pleit voor meer taalprogramma’s op radio en tv, voor zowel Nederlanders als nieuwe Nederlanders, om ze meer kansen te geven de taal op en top te kunnen gebruiken. 


    Hoelang heb je aan Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal gewerkt?

    ‘Ik heb dit boek in verschillende landen geschreven. In Italië, Zuid-Afrika en Roemenië. Maar ik kon alleen thuis in afzondering de juiste toon vinden. Afgezonderd van mijn gezin, dag en nacht alleen met mijzelf. Een column kan ik overal schrijven, maar met een boek is het alsof ik in een soort trance raak. Dat was met Liefdesverklaring ook zo.

    In Italië was ik in residentie en deelde een huisje met een andere schrijfster. Zij schreef op onregelmatige tijden en ik moest van mijzelf om 9 uur beginnen, om 14.00 uur een pauze en weer verder. Dan deed ik de deur van het huisje op slot omdat ik niet gestoord kon worden. Je moet mij met rust laten als ik schrijf, niet binnenlopen omdat je even iets wilt pakken, dat vind ik erg moeilijk.’


    Gaat het schrijven van non-fictie makkelijker dan een roman schrijven?

    ‘Bij een roman werk ik meer als een architect, ik denk in constructies, de verschillende onderdelen, de puzzel. Ik denk aan alle details die soms belangrijker zijn dan het personage zelf. Het is een metafoor, groter dan mezelf, een sisyfus werk, alles van die roman draag ik als een berg op mijn rug. Als ik non-fictie schrijf, is het alsof ik ergens ga zitten en begin te vertellen.’


    In Lief kind van mij zegt een oom, ‘Schrijven is eerst therapie en dan de American Dream’. Wat bedoel je hiermee?

    ‘Schrijven is creëren, is therapie om meer redenen. Het houdt je actief. Als ik drie pagina’s heb geschreven ben ik gelukkig, als ik vijf pagina’s heb geschreven, mag ik leven. Al schrijvende geef je een plek aan wat je hebt meegemaakt, maar om een trauma echt te verwerken moet je naar een therapeut. En misschien gaat de ‘American Dream’ over iets in jezelf, dat je weet dat je iets hebt opgebouwd. Maar schrijven moet meer dan therapie zijn. Het moet groter zijn, het moet de lezer boeien, het moet iets doen met de lezer.’


    Hebben jouw ouders een beeld van jou als schrijfster in Nederland?

    ‘Nee, dat beseffen ze niet. Als we bellen hoor ik wel eens dat ze iets via Facebook hebben gezien over mij. We leven in parallelle werelden, zij weten niets over mij. Het heeft geen zin om hen, dertig jaar later, iets over mijzelf te vertellen. Soms is het moeilijk te beseffen dat ze er over misschien tien, twintig jaar niet meer zullen zijn. Ik weet hoe mijn vader en moeder reageren, hoe ze denken, zich bewegen. Maar ik kan niet zeggen dat ik een vader en een moeder heb gehad.’


    Zou je deze boeken hebben geschreven als je in Roemenië was gebleven?

    ‘Sommige dingen kan ik alleen in het Nederlands schrijven. Alleen in het Nederlands kon ik zeggen, “Hij heeft mij naar zijn kamer gebracht”. Ik heb geprobeerd deze zin in het Roemeens te zeggen, maar dat is moeilijk. Het krijgt ook een andere betekenis in het Roemeens, ik moet mezelf verstoppen na zo’n zin. Ik leun op deze nieuwe taal, zij heeft mij kracht gegeven deze zin te zeggen. Het is heel interessant wat een vreemde taal met je doet. Ik dacht ook aan Nabokov, die eerst in het Russisch schreef, in de jaren dertig schreef hij in het Frans, en daarna, toen hij naar Amerika verhuisde, ging hij in het Engels schrijven. Pas op zijn vijftigste schreef hij Lolita. Dan vraag ik me af, wat was Nabokov zonder de Engelse taal. Dat vind ik ongelofelijk interessant.’


    Wat betekende literatuur voor jou?

    ‘Het leven was hard waar ik opgroeide. Alle dieren die we hadden aten we op, de kip, het varken. Eerst aaide je het varken op zijn buik en het volgende moment werd er een mes in zijn rug gestoken. Dat was hard voor een kind, er was geen medelijden. Dat vond ik wel in de literatuur. Homerus is ontzettend menselijk, over iedereen heeft hij iets moois te zeggen. Iets waardoor je begrijpt hoe die persoon was. Hij heeft medelijden met iedereen. Op mijn twaalfde kreeg ik Het verhaal van St Michele, van de Zweedse schrijver Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd, dat boek heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben die niet tegen het doden van een varken kan. Schrijvers die ik in mijn kindertijd belangrijk vond, waren schrijvers die menselijkheid en zachtheid toonden.’


    Welke boeken blijven altijd bij je?

    ‘Ik vind houvast bij de klassiekers, Homerus, Cervantes en Dante. Hoewel Dante hard lijkt, toont hij ook medelijden. In de Divina commedia smeekt hij om woorden. Hij zegt, “Geef mij het juiste woord om dat te kunnen beschrijven.” Dante die smeekte om het juiste woord, wie ben ik om niet te smeken voor het juiste woord in het Nederlands? De grootste dichter van de Europese literatuur heeft dat gedaan, dan kan ik dat ook doen in een andere taal.’ 


    Hoe belangrijk is het deze klassiekers te lezen?

    ‘T.S. Elliot heeft eens gezegd dat wij niets zijn zonder onze voorouders, wij bestaan omdat onze voorouders hebben bestaan. Zo bestaat poëzie al vele eeuwen en schrijven we al 4000 jaar. Dit is belangrijk te weten. Je kunt geloven dat je door gewoon aan tafel te gaan zitten kunt beginnen met schrijven, dat alles uit je hoofd komt. Maar dat is niet zo, het komt uit je ervaring met lezen, uit boeken. En het feit dat je iets doorgeeft, je moet iets doorgeven.’


    Schrijven is lezen?

    Je moet de grote literatuur kennen. Als je Homerus niet gelezen hebt, is je bagage te licht. Dan heb je iets wat belangrijk is, niet meegenomen. Ik zie de literatuur als een tuin waarin grote bomen staan, maar ook sneeuwklokjes en gras. Ik wil graag in die tuin zijn. Niet als grote sequoia of baobab, maar belangrijk is dat je weet wat er allemaal in die tuin staat, dat je weet wat literatuur is. Zonder lezen kun je niet schrijven.’


    Taal is een getuige schrijf je in Liefdesverklaring. Waar wil jij van getuigen? 

    ‘Weet je, ik zal je iets vertellen wat ik nog nooit in een interview heb gezegd. Ik kom uit de armoede, voorbestemd geen kansen te krijgen, maar ik heb er veel gekregen. Daarvoor heb ik betaald met mijn gezondheid, ik doe alles om te schrijven, om te getuigen dat mensen zoals ik… Ik heb nog nooit verteld dat ik wil schrijven voor degenen die geen kans krijgen. Voor degenen die denken dat het niet lukt. Ik wil laten zien, dat hoe ik in Roemenië, uit de armoede kwam. Dat ik een fantastische baan bij de radio achterliet, hier opnieuw begon. Hier ben ik een buitenlander, ik zal de taal nooit perfect leren spreken. Toch wil ik laten zien dat het kan. Dat mensen zoals ik iets te zeggen hebben. Dat mensen zoals ik ook een rijkdom bezitten.’

     

    In Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal schrijft Mira Feticu: ‘De Nederlandse taal is voor mij wat voor de bouwvakker het hout, de stenen of het  cement is. Ik ben een bouwvakker in de Nederlandse taal en af en toe, midden in mijn boeken, bij vlagen, een ingenieur. Ooit zal ik volleerd ingenieur worden. Misschien ook architect.’

     

     

     

    Foto auteur: Irwan Droog


  • Theo Thijssen-prijs voor kinder- en jeugdliteratuur toegekend aan Daan Remmerts de Vries

    De jury van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde heeft de driejaarlijkse Theo Thijssen-prijs 2021 toegekend aan Daan Remmerts de Vries.

    Daan Remmerts de Vries (1962) debuteerde in 1990 met het kinderboek Zippy en Slos, waarna er meer dan zestig boeken volgden. In 2003 ontving Remmerts de Vries de Gouden Griffel voor Godje en in 2010 voor Voordat jij er kwam. Vier van zijn boeken werden bekroond met een Zilveren Griffel en Tijgereiland won de Gouden Lijst 2014 voor het beste jeugdboek. Ook schreef Remmerts de Vries onder het pseudoniem R.N. Ryst het autobiografische boek De nadagen. Naast schrijver is Remmerts de Vries illustrator, schilder en muzikant.

    De jury, bestaande uit Annemiek Neefjes (voorzitter), Marjon Kok, Ted van Lieshout, Matijs Lips, en Veerle Vandenbosch oordeelde mooi over zijn oeuvre: ‘Zijn boeken gaan diep en voelen licht, ze zijn actueel en hebben een universele kracht. Remmerts de Vries levert al een oeuvre lang een unieke bijdrage aan de Nederlandse jeugdliteratuur.’

    Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 60.000. De prijsuitreiking, die in december in theater Diligentia plaatsvindt, wordt georganiseerd door het Literatuurmuseum. Afhankelijk van eventuele beperkingen die de coronapandemie mogelijk nog oplegt is nog niet bekend hoe de prijsuitreiking eruit zal zien. 

     

    De Theo Thijssen-prijs werd voor het eerst uitgereikt aan Annie M. G. Schmidt (1964), en later onder meer aan Guus Kuier (1979) en Wim Hofman (1991). Recentere laureaten zijn Bibi Dumon Tak (2018), Sjoerd Kuyper (2012) en Ted van Lieshout (2009).

     

    Foto: Keke Keukelaar

     

  • Astrid H. Roemer wint prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren

    Astrid H. Roemer (Paramaribo, 1947) krijgt de Prijs der Nederlandse Letteren, een driejaarlijkse oeuvreprijs voor een auteur wiens werk een belangrijke plaats in de Nederlandstalige literatuur inneemt. Roemer is de eerste auteur uit Suriname die bekroond wordt met deze prijs. In 2016 werd ze ook gelauwerd met de P.C. Hooftprijs voor haar gehele oeuvre.

    De jury noemde onder meer dat Roemer met haar romans, toneelteksten en gedichten een unieke positie bekleedt in het Nederlandstalige literatuurlandschap. ‘Haar werk is onconventioneel, poëtisch en doorleefd. Roemer slaagt erin thema’s uit de recente grote geschiedenis, zoals corruptie, spanning, schuld, kolonisatie en dekolonisatie, te verbinden met de kleine geschiedenis, het verhaal op mensenmaat’.

    Astrid H. Roemer debuteerde in 1970 onder het pseudoniem Zamani met de dichtbundel Sasa mijn actuele zijn waarna ze behalve poëzie ook romans en theaterstukken publiceerde. Roemers proza vormt het belangrijkste onderdeel van haar oeuvre, waaronder haar magnum opus: de trilogie Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend (1998). Haar laatste boek, Gebroken Wit, verscheen in 2019. In haar werk spelen thema’s als migratie, seksuele oriëntatie, racisme en emancipatie een grote rol.

    De uitreiking van de prijs wordt beurtelings door het fonds Literatuur Vlaanderen en het Nederlands Letterenfonds georganiseerd en wordt afwisselend uitgereikt door de Belgische koning en de Nederlandse koning. In oktober ontvangt Roemer de prijs in het Koninklijk Paleis te Brussel uit handen van Koning Filip. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 40.000.

    In het verleden ontvingen onder meer Remco Campert, Leonard Nolens, Judith Herzberg, Cees Nooteboom, J.C. Bloem, Lucebert en Hugo Claus de Prijs der Nederlandse Letteren.

    Vorig jaar werd de schrijfster over haar oeuvre geïnterviewd in De Balie: Het grote Schrijversinterview met Astrid H. Roemer.

    Foto: Raúl Neijhorst