• Rotterdamse schrijver Raoul de Jong ontving Anna Blaman Prijs 2022

    Op vrijdag 2 december ontving  schrijver Raoul de Jong de Anna Blaman Prijs uit handen van locoburgemeester Faouzi Achbar als bekroning voor zijn auteurschap in Rotterdam. De prijs wordt driejaarlijks uitgereikt aan een schrijver die met zijn of haar oeuvre heeft bijgedragen aan de kwaliteit van het literaire klimaat in de regio Rotterdam. Volgens de jury maakt Raoul de Jong zich, ‘Net als Anna Blaman in haar tijd, […] op vele fronten cultureel-maatschappelijk en journalistiek verdienstelijk’. De uitreiking vond plaats in de Burgerzaal van het stadhuis van Rotterdam in het gezelschap van genodigden en een aantal Rotterdamse scholieren en docenten. Aan de prijs is een bokaal en een geldprijs van € 15.000 verbonden.

    De Jong (1984) publiceerde acht boeken. In 2005 debuteerde hij met Het leven is verschrikkulluk!  In 2006 verscheen Stinknegers, waarvoor hij de Dick Scherpenzeelprijs, een prijs voor grensverleggende buitenlandjournalistiek, ontving. De grootsheid van het Al werd onderscheiden met ‘Het Beste Rotterdamse Boek’ en stond op de shortlist voor de Bob den Uyl Prijs. Zijn boek Jaguarman (2020), werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs, de European Union Prize for Literature, de Boekenbon Literatuurprijs en de Boon. Daarnaast schrijft De Jong voor theater en toneel en publiceert hij in Vrij Nederland, Het Parool en NRC Handelsblad.

    In zijn dankwoord zei De Jong: ‘Ik doe het niet om deze prijs te winnen, maar voor die achttienjarige jongen op de fiets die ik toen was en anderen die nu op hem lijken. Tegen hen wil ik zeggen: je bent niet gek, het is de wereld die anders moet – je kunt er zelf een mooi verhaal van maken, dat heeft wel degelijk zin.’ 

     

  • Fotosynthese 29 – Studeren in gevangenschap

    Het zou een moment op een feestelijke bijeenkomst kunnen zijn, maar dat is het niet. Op de foto staan mannen in een vrijetijds-outfit van lichte overhemden en korte broeken. Er staan twee glazen op tafel en liefst twee obers zijn onderweg naar ze toe. Ze zijn, gezien hun kleding, deel van de groep. De mannen achter de bar staan in gelid voor de fotograaf. Aan tafel kijkt één man in de lens; de twee anderen staren naar iets onbestemds. Het is stil. Er wordt gezwegen tot het fototoestel heeft geklikt. De foto is duidelijk in scène gezet. 

    Ik stuitte er op toen ik op zoek ging naar de achtergronden van The Spark Papers, een keurig verzorgd boekje – hardcover, stofomslag – van nog geen veertig pagina’s, dat ik lang geleden op een boekenmarkt vond. Het bevat onder andere drie spreekbeurten van Nederlandse geleerden tijdens de Willem Spark-herdenking op 24 juni 1943. De teksten gaan over William Horace Lawrence Spark (1801-1843), een Nederlandse componist. De enigszins cabareteske formuleringen en de vermelding dat de Amsterdamse Willemsparkstraat naar hem is genoemd, maken duidelijk dat het om een grap gaat.

    Gegijzelden met veel vrijheid

    Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat sommigen op de foto toehoorders waren van die spreekbeurten. Ze waren gijzelaars in seminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel. De Duitse bezetter hield er vanaf 1942 prominente Nederlanders gevangen die het gevaar liepen te worden geëxecuteerd als elders in het land verzetsacties zouden worden gepleegd waarvan geen daders konden worden gevonden. Onder de prominenten waren hoogleraren, directeuren van bedrijven, Kamerleden enzovoort, zoals Simon Vestdijk, Anton van Duinkerken, Johan Huizinga, Frits Philips, Jan De Quay en Wim Schermerhorn. Ze hadden ongewoon veel vrijheid zolang ze maar geen Duitsvijandige acties ondernamen.

    Er werd muziek gemaakt, film gekeken, geschilderd en gediscussieerd in de bar ‘De dorstige gijzelaar’ waar de foto is gemaakt. Maar vooral: er was door de gegijzelden een druk programma opgezet met tal van cursussen en lezingen, gegeven door deskundigen in hun vakgebied. Er was zelfs sprake van bijzondere tolerantie van de Duitsers. De filmcommissie mocht rolprenten laten zien die door de censuur kwamen, maar omgekeerd kwamen er geen represailles toen die commissie weigerde de Duitse aanbeveling op te volgen om Olympia van Leni van Riefensthal te programmeren.

    Er bestaan tal van voorbeelden van boeken die zijn geschreven in gevangenschap: Mein Kampf van Hitler, Pilgrim’s Progress van John Bunyan, Don Quichot van Cervantes en De Profundis van Oscar Wilde, De 120 dagen van Sodom van De Sade en vele meer. Hoe streng het regime ook kon zijn, er was ruimte om aan schrijfgerei te komen en er was vaak bezoek mogelijk. Geen van deze genoemde boeken zijn ontstaan in situaties waarin zoveel geesteskracht moest worden aangesproken als in krijgsgevangenschap, in een concentratiekamp of in Siberië. 

    Beekvliet was een behoorlijk humaan kamp. De gegijzelden beschikten over boeken en andere media, kregen pakketten toegestuurd en hadden erg veel bewegingsvrijheid binnen het terrein. Hitlers Herrengefängnis noemde de latere diplomaat Max Kohnstamm Beekvliet in het gelijknamige brievenboek over zijn verblijf daar. Toch was er de angst: zeven gijzelaars werden daadwerkelijk afgevoerd en geëxecuteerd.

    Activiteiten in communistisch gevangenschap

    Ik was echter verbaasd over de voorbeelden die ik uit mijn leesmemorie kon opgraven over studieactiviteiten in veel rigidere kampen. Mira Feticu bijvoorbeeld schrijft in haar Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal: ‘In de Roemeense politieke gevangenissen zaten veel schrijvers die het niet eens waren met de lijn van de enige Partij. Schrijvers, theologen, filosofen, hoogleraren. Er werden daar, in de communistische hel waar je zero vrijheid, zero eten, zero van alles had, taalcolleges gegeven. Gedetineerden onder elkaar, tussen de martelingen door onderwezen ze elkaar, er werden gedichten in hun geheugen geschreven, conferenties gehouden van een niveau dat de ‘“vrije” communistische academische wereld in Roemenië niet kende’.

    Vertaler (onder andere van Berlin Alexanderplatz) en verzetsman Nico Rost, die in Dachau terecht kwam wist daar een clandestiene leesclub te organiseren. Hij kon door zijn baantje in de ziekenbarak bij  de vele boeken, Duitse en Franse literatuur, die hij verslond en met anderen besprak. Wat hij daar las is allemaal te lezen in zijn Goethe in Dachau. Dagboek 1944-1945.
    De Franse filosoof Paul Ricoeur werd in 1939 opgroepen voor het Franse leger, maar zat al vanaf het begin van de oorlog als krijgsgevangene in Offlag II-D in Pommeren. Met enkele andere intellectuelen in dat kamp slaagde hij er in daar lezingen te organiseren en lessen te verzorgen. Hij begon er bovendien aan een vertaling van Ideeën van zijn Duitse vakgenoot Edmund Husserl.

    En dan vind ik in De verdwenen piano’s van Siberië van Sophy Roberts nog dit over de dekabristen, de opstandelingen tegen de autocratie van de tsaar in Rusland in 1825, waarvan de leiders werden opgehangen of naar Siberië verbannen: ze ‘stichtten gezamenlijk een kleine academie in ballingschap. Ze richtten werkplaatsen op om te timmeren, te smeden en boeken te binden. Ze gaven colleges (…). Ze begonnen een bibliotheek, die ze vulden met duizenden boeken die hun verwanten stuurden (…) De gevangen verzonnen verhalen over denkbeeldige landen en verre zeereizen’. In al die gevallen werd de dorst gelest door een bijna niet te vatten geesteskracht.

     

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • In memoriam Hannemieke Stamperius, alias Hannes Meinkema 1944 – 2022

    Zonder dat er veel ruchtbaarheid aan werd gegeven is Hannemieke Stamperius, vooral bekend onder haar pseudoniem Hannes Meinkema, op 22 november in haar slaap overleden in haar woning te Amsterdam. Ze werd 79 jaar.

    In de zeventiger jaren was dat wel anders. Stamperius debuteerde in 1974 met De maaneter, een roman over de ondergang van een vrouw die zich bovenmatig betrokken voelt bij alles wat er om haar heen gebeurt. Ze koos ervoor te publiceren onder de mannennaam Hannes Meinkema om zogezegd de te verwachten achterstand die vrouwelijke schrijvers in die tijd hadden, hiermee te slechten. Onder dit pseudoniem  verschenen acht verhalenbundels, elf romans en een gedichtenbundel. Met En dan is er koffie (1976)door sommige critici als ’triviaal’ gekarakteriseerd, verwierf ze grote bekendheid onder jonge vrouwen die zich in haar boeken (soms op hilarische wijze) herkenden.

    In 1977 promoveerde Stamperius cum laude met het proefschrift Marsmans Verzen. Toetsing van een ergocentrisch interpretatiemodel aan de Universiteit in Utrecht. In 1978 richtte zij samen met Ethel Portnoy het op vrouwen gerichte tijdschrijft Chrysalis op, waarin publicaties van vrouwen voorrang hadden en dat een korte duur van bestaan had. In 1980 verscheen haar eerste poeziebundel, Het persoonlijke is poëzie. Ook publiceerde ze artikelen en verhalen in onder andere Opzij. In 1989 ontving ze de Annie Romeinprijs voor haar hele oeuvre.

    Stamperius publiceerde meer dan dertig boeken. Onder haar eigen naam schreef ze kinderboeken, over literatuurtheorie, religie, adoptie en was samensteller van prozabundels van vrouwelijke schrijvers. Later schreef ze onder het pseudoniem Justa Abbing nog een viertal detectives.

    Een leven in autarkie

    Stamperius schreef in haar romans en verhalen over de worsteling van de vrouw zichzelf te mogen zijn. Haar vrouwen zijn slachtoffer van de heersende moraal in de jaren zestig en zeventig, en van een meisjesopvoeding die zich richtte op dienstbaarheid. Haar vrouwelijke personages onttrekken zich daaraan en willen macht over hun eigen leven. Stamperius wilde ‘autarkie’ voor de vrouw, zoals in haar laatst verschenen roman De heiligwording van Berthe Ploos (2007). Waarin Berthe als reactie op haar onvervulde verlangens naar liefde, veiligheid en erkenning, kiest voor een leven in het ‘kale land van de autarkie’. In deze roman is een kaasschaaf burgerlijk. En burgerlijkheid was de vijand van de vrouw. 

    In 1987 adopteerde Stamperius een Braziliaans meisje. Als alleenstaand ouder begon ze in 1995 – omdat adoptie in Nederland niet mogelijk was voor alleenstaanden – een proefproces om haar dochter, die ze vernoemde naar Vita Sackville West, legaal te kunnen adopteren. Sindsdien is adoptie voor alleenstaanden mogelijk volgens de Nederlandse wet. Over de adoptieproblematiek schreef ze Moeders kindje. Het moederschap inspireerde haar om het uitzinnige geluk alsook de alledaagse frustraties in haar boeken te verwerken. Stamperius verdiepte zich de laatste jaren steeds meer in religie, getuige ook haar laatste hierboven genoemde roman. In 2011 verschijnt nog het non-fictie boek God en de verlichting, over religiefilosofie.

    Sinds 1997 leed Stamperius aan een botziekte die een voortdurende pijn veroorzaakte. Ze schreef nog steeds maar er was geen uitgever die in haar werk geïnteresseerd was. Te hopen is dat haar boeken een nieuw leven beschoren krijgen, een schrijfster van haar kaliber verdient het niet in de vergetelheid te verdwijnen.

     

     

    Foto: achterflap Meinkema’s laatste roman 

  • Schrijven is een manier van denken, een manier van leven

     

    De Italiaanse schrijver en journalist Andrea Bajani (1975) is in eigen land een gelauwerd schrijver. Over zijn debuutroman, Cordiali saluti, (2005), schreef de schrijver Antonio Tabucchi (1943-2012) dat hij dit boek gelezen had ‘met een opwinding die ik in tijden niet meer heb gevoeld in de Italiaanse literatuur’. Het boek won vier prijzen. Zijn tweede boek, Ogni promess, verscheen in Nederland als De belofte. In 2014 verscheen een bundel ultra korte verhalen in de trant van Italo Svevo, Het leven is niet alfabetisch. Beide boeken vielen in de prijzen. Zijn roman Un bene al mondo (2016) Het hoogste goed (deze romans werden vertaald door Yond Boeke en Patty Krone) werd onlangs verfilmd. Vanaf 2017 publiceerde Bajani verschillende poëziebundels, ook schrijft hij essays voor de krant La Repubblica.

    Het boek van de huizen is een fascinerende vertelling over de ontwikkeling van een kind tot jongeman, student, echtgenoot, schrijver en de verschillende huizen waar het personage Ik, heeft gewoond. Het is geen chronologisch vertelling, de schrijver springt door de tijd. Er zijn plattegronden van de verschillende huizen in afgedrukt en zonder een toekomstroman te willen zijn, is er een hoofdstuk gesitueerd in 2048, waarmee het idee een traditionele roman in handen te hebben, geheel verworpen wordt. 

    Sinds enkele jaren woont Andrea Bajani in Houston, Amerika waar hij Creative Writing geeft aan de universiteit. Een groot deel van Het boek van de huizen schreef Bajani in Rome, de uiteindelijke vorm van het boek kwam in Houston tot stand. Rond de verschijning van de Nederlandse vertaling verbleef Bajani enkele dagen in Amsterdam. Voor het interview ontmoetten we elkaar in de Cobra Lounge van het Ambassade Hotel aan de Herengracht.


    Wat betekent een huis voor u?

    ‘In Italië is ieder huis een herinnering die behouden blijft voor de familie. Daar is het normaal dat mensen in oude, beschadigde huizen wonen. In Texas, waar ik op dit moment woon, kopen ze alleen het stuk land, vernietigen het huis dat erop staat en bouwen iets nieuws omdat het voordeliger is. Dat is in Italië ondenkbaar.

    Ik ben een nomade, maar in mijn manier van rondtrekken zit altijd de behoefte het perfecte huis te vinden. Als ik het zou vinden betekent dat het einde van mijn zoektocht. Ik pleit er dan ook voor dat geluk een streven blijft, niet een bestemming die je bereiken moet. Mijn culturele achtergrond zegt me dat een huis een plaats voor altijd betekent, meer algemeen denk ik dat een huis een goed narratief is voor een betekenisvol leven. Huizen zijn een soort van fictie. Als schrijver is dat interessant voor mij.’

    Naast dat het een boek over huizen is, gaat het ook, in haast onopvallende noteringen ook over klassenverschillen, zoals, ‘Bij de uitgang van de supermarkt valt het muntje dat ze als wisselgeld bij het bonnetje hebben gekregen vaak in de hand van de derde wereld die tegen de muur zit.’  


    Wat wilt u hiermee aantonen?

    ‘Tegenwoordig hebben we enkel een middenklasse, met daarbinnen de hogere- en lagere middenklasse. De arbeidersklasse wordt niet meer genoemd, alsof men zich daarvoor schaamt. Iedereen kan nu bereiken wat hij wil. En als je dan zelf iets bereikt hebt, wil je wel een aalmoes aan daklozen geven. Ik wil laten zien hoe we onszelf voor de gek houden, zo snel vergeten waar we vandaan komen.’ 

    Het boek van de huizen is fragmentarisch en zonder uitgesproken emoties geschreven. Toch spreekt er een verlangen van Ik naar geborgenheid, naar liefde uit. Er is sprake van geweld en verwaarlozing in de jeugd van Ik, iets dat gaandeweg duidelijk wordt.


    Waar vond dit boek zijn oorsprong?

    ‘In 2015 werkte ik voor een fellowship op de Amerikaanse Academie in Rome. Een paar blokken van de de academie was het huis waar  ik ben geboren. In het boek is dat het ‘Huis onder de Grond’. Toen ik drie was verhuisden mijn ouders met mij en mijn zus naar een ander huis. Mijn oma bleef daar achter. Tot 2001 kwamen we met kerst en pasen nog bij haar op bezoek. Daarna ben ik er niet meer geweest. Het was beangstigend dat dit  huis zo dicht bij de academie lag, beangstigend omdat mijn familieverhaal een verhaal vol pijn is.
    Eerst observeerde ik het huis een paar dagen van een afstand. Toen heb ik aangebeld. Het was een klein huis, ik heb op het buitenplaatsje gestaan waar ik als kind speelde. Toen ik daarna terugliep naar de academie, had ik de structuur van dit boek en de eerste zin: “Ik gaat wandelen.” Ik had de visie van het hoofdkarakter en alle huizen waar Ik gewoond heeft voor ogen. Ik wist dat dit een puzzel van huizen zou worden. Terug in mijn appartement ging ik strijken, dat is voor mij de enige manier om me te kunnen focussen op een idee. En ik wist, dit boek moet ik schrijven. Ik heb er vijf jaar over gedaan.’


    Waarom moest het hoofdpersonage ‘Ik’ genoemd worden?

    ‘Die eerste zin “Ik gaat wandelen.”, had een bedoeling. Die zin kwam niet voor niets bij me op. Ik vertrouw de woorden die in me opkomen, en ik weet dat ik ze moet volgen. Het hele punt van schrijven is dat je begint te schrijven en gaandeweg pas ontdekt wat de bedoeling is. Toen ik bij mijn geboortehuis aanbelde, wilde ik op dat moment terug naar het kind dat ik toen was. Toen ik binnenkwam wist ik dat dat niet kon. Hoe moet ik het zeggen, ik was toen een kind, nu ben ik een ander persoon.
    Daarom geloof ik niet in memoires. Alles wat je hebt gedaan in je leven, wordt in een memoir verklaard. Het boek van de huizen is voor mij precies het tegenovergestelde. Wat ik met dit boek wilde, was ervoor te zorgen dat elke ik die ik geweest ben, de driejarige, de zestien- en vierentwintigjarige gerespecteerd werden om wie ze toen waren, hun handelen wilde ik niet verklaren.’


    Zijn huizen herinnering bewaarders? 

    ‘De enige manier om te herinneren is het verleden te bezoeken. In de huizen van vroeger vind je jezelf uit het verleden weer terug. In een andere gedaante, maar jij was het wel. Herinneringen zijn een verzameling momenten in de tegenwoordige tijd. 


    De hoofdstukken ‘Huis van de Dode Dichter’ en ‘Huis van Gevangene’, gaan over schrijver en filmmaker Pier Paolo Pasolini die in 1975 werd vermoord en de ontvoering en moord op politicus Aldo Moro in 1978. Waarom noemt u ze niet bij hun naam?

    ‘Ik besloot hun namen niet te noemen, te weten wie het zijn is een extra laag aanbrengen die ik niet wilde. Je hoeft ook niet per se te weten dat Ik, Bajani is.  Ik ben geboren in augustus 1975, de Ik uit het boek is wat later geboren.
    Bij  Aldo Moro was ik drie jaar, de tv beelden waren gewelddadig. In het huis waar ik als driejarige woonde stond de tv altijd aan. Ik herinner me de beelden niet, maar ze zijn toch ergens opgeborgen in mijn geheugen. Een belangrijk gereedschap voor een schrijver is zijn geheugen. Tijdens het schrijven kwamen deze twee personen naar boven. Ik had niet gepland over hen te schrijven. Het kwam mee met de beschrijving van het huis waar ik geboren ben.
    Het schrijven aan dit boek was het willen vinden van een huis waar geen pijn bestaat, een huis waar liefde kan bestaan. Daar slaagt de Ik niet in. Uiteindelijk voelt de Ik zich thuis als hij schrijft op zijn laptop. Woorden geven hem het gevoel van veiligheid. Hij voelt het belang van woorden, hoe ze gebruikt worden.’ 

    De eenzaamheid van Ik doet denken aan het jongetje in Bajani’s boek Het hoogste goed, dat geen ander gezelschap heeft dan zijn verdriet. Als een trouwe hond blijft het bij hem, ligt aan zijn voeten als hij aan tafel zit.


    Gaat het in beide boeken over dezelfde jongen, over hetzelfde verdriet?

    ‘Zonder het te willen hebben over een trilogie is Het hoogste goed het eerste deel. Dit boek is het tweede deel en in mijn computer zit het derde boek, net zo’n kleine roman als de eerste. Alle drie zijn ze compleet verschillend maar komen uit dezelfde bron. In het Het hoogste goed gaat het over verdriet. Daarin werd de pijn uitgewerkt, ik huilde elke regel die ik schreef. Dit boek, het tweede, kon ik met meer afstand schrijven en gaat over vergiffenis. Het derde boek, dat ik schreef tussen 2020 – 2022, is confronterender.’ 


    Er is een zus die Ik probeert  te bereiken, maar het zijn vruchteloze pogingen. Het maakt verdrietig over deze pogingen te lezen. Wat is er met de zus?

    ‘Je bent de eerste die me hier naar vraagt. Soms blijven mensen achter, komen ze niet mee in het leven dat je gekozen hebt. Ik verstoot zijn ouders, hij ziet ze nooit meer, wat begrijpelijk is. Maar hij laat ook zijn zus achter. Zij is eigenlijk het echte slachtoffer, de geofferde. Zij kon haar ouders niet verlaten, Ik liet haar daar achter. Meer dan alle andere dingen in het boek laat dit de eenzaamheid van Ik zien. Zijn zus was de enige die hij kon vertrouwen, waarmee hij zich wilde verbinden, en dat is niet gelukt.’ 


    Voorin het boek is een citaat van Milan Kundera opgenomen. Wat betekent deze schrijver voor u?

    ‘Ik ben schatplichtig aan Milan Kundera. Hij is de schrijver die me initieerde tot een vorm van fragmentarisch schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik zo kon schrijven. Kundera stopt politiek, engelen (er komen twee engelen in Bajani’s boek voor I v/d G) en seks in zijn boeken. Zo te schrijven als hij schreef, was een manier om hem te eren, mijn dankbaarheid aan hem te tonen.
    Ik was zeventien toen ik hem voor het eerst las. Zijn boeken waren metafysisch, in eerst instantie begreep ik niet alles. Ik kon hem in zijn schrijven niet opvolgen. Ik vind ook dat je als beginnend schrijver eerst op de traditionele manier moet leren schrijven. Pas na vijftien jaar werd Kundera’s manier van schrijven een keerpunt in mijn leven. Je moet eerst sterk in schrijven worden om een puzzel te kunnen schrijven. Kundera is nu vergeten. Toen hij in het Frans ging schrijven, verloor hij iets.’


    Heeft u er wel eens over gedacht uw boeken in het Engels te schrijven?

    ‘Ik geef les in het Engels, mijn leven is in het Engels, tachtig procent van de boeken die ik lees zijn in het Engels. Deze taal heeft een grote invloed  op mijn Italiaans. Taal is ook een houding, door het Engels ben ik veel directer geworden. Maar ik zou niet in het Engels kunnen schrijven. Ik ben verweven met mijn taal, mijn herinneringen zijn in het Italiaans. Ik zou iets verliezen als ik in het Engels zou schrijven.’ 


    Wordt met het verschijnen van het derde boek dat nu nog in uw computer zit, een periode afgesloten?

    ‘Elk boek dat ik schrijf voelt als het laatste, maar het is belachelijk als schrijver te denken dat je je laatste boek hebt geschreven. Met Het boek van de huizen dacht ik alles gezegd te hebben. Maar schrijven is een manier van denken, een manier van leven. Een schrijver zoekt naar de zin van het leven en als je die gevonden denkt te hebben, dan is dat je laatste boek. Maar gelukkig komt er steeds opnieuw iets dat onderzocht moet worden, en dat wordt dan weer een idee voor een boek dat geschreven moet worden.’

     

     

    Foto: Emiliano Ponzi


     

     

     

     

     

     

     

    Het boek van de huizen / Andrea Bajani / vertaald door Manon Smits / Uitgeverij Van Oorschot

     

     

  • Joost Zwagerman Essayprijs 2022 voor Falun Ellie Koos

    Op 18 november, de 59ste geboortedag van schrijver Joost Zwagerman, maakte de jury van de Joost Zwagerman Essayprijs bekend dat Falun Ellie Kroos  van de vijf genomineerden de winnaar is met het essay Bruiklener. Een essay over klassenverschillen, hoe je je verhoudt tot de elite, maar ook tot het gewone leven als het je niet allemaal is komen aanwaaien en je – middels een studie – een weg naar boven werkt.

    In het winnende essay vertelt Falun Ellie Koos over hun (Koos is non-binair), ervaring als postbode, student en schrijver. In een goed geschreven stuk maakt hen invoelbaar hoe maatschappelijke stijgers hun leven in sociale schizofrenie door kunnen brengen: ‘Na het stijgen groeit het besef dat wat je achterlaat niet “normaal” is. Je ontdekt je eigen afwijkingen en voelt hoe je niet in de nieuwe wereld past’. Als je in je opvoeding niet had geleerd vragen te stellen, tekent dit je houding voor je verdere leven: ‘Ik had nooit nieuwsgierig leren zijn. Ik was gewend om alleen de hoognodige informatie te vergaren, dat wat nodig is om je te redden. Daar zit een deur, daar een raam. Dat is de vluchtroute.’

    Uit het juryrapport: ‘Een essay dat over een maatschappelijke kwestie gaat en tegelijk een persoonlijk verhaal vertelt, dat ontroerend, aangrijpend, grappig en ernstig is, en heel goed geschreven.’

    De prijs, een initiatief van de Van Bijleveltstichting en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, is bedoeld voor beginnende essayisten en werd uitgereikt in Theater de Vest in Alkmaar. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van € 7.500 en publicatie in verschillende media. De overige genomineerden wacht een publicatie in de Nederlandse Boekengids.

    De jury bestond uit: Barber van de Pol, Manon Uphoff, Merlijn Olnon en Aleid Truijens (voorzitter).

    Het winnende essay en de andere vier genomineerde essays zijn hieronder te lezen.

    Falun Ellie Koos – Bruiklener
    Mira Aluç – Het warenparadijs 
    Revka Bijl – Tussen waan en woorden
    Roelof ten Napel – Holografie. Over het heden
    Barbara Zwirs – Misdaad en beloning 

     

     

    Foto: Jan Jong Fotografie

     

  • Marion Bloem krijgt de Constantijn Huygensprijs toegekend

    In het radioprogramma Kunststof werd gisteravond bekendgemaakt dat Marion Bloem de Constantijn Huygens-prijs 2022 krijgt toegekend. Op twitter liet Bloem weten dat ze ‘beduusd maar blij is’ en verwijst naar haar ‘voorouder’ J. C. Bloem, die in 1949 dezelfde prijs ontving. Ook noemde ze haar man, Ivan Wolffers die in oktober overleden is, ‘Ik mis mijn grootste fan natuurlijk, maar weet dat hij ergens meegeniet.’ Hij leed sinds 2002 aan prostaatkanker.

    Marion Bloem (1952) ontvangt de Constantijn Huygens-prijs 2022 voor haar meer dan achtendertig boeken waaronder romans, verhalenbundles en gedichten. Haar internationaal gelauwerde debuut Geen gewoon Indisch meisje uit 1983, wordt door meerdere generaties lezers gekoesterd. Bloems productiviteit, niet alleen als schrijver, maar ook al kunstenares en documentaire maker, is overweldigend. Bloem schrijft vanuit een grote maatschappelijke betrokkenheid, zoals het onlangs verschenen Indo. Vanaf haar eerste boek geldt dit voor haar gehele oeuvre. In januari 2023 zal haar nieuwe roman Meisjes uit het dorp verschijnen, dat met Geen Gewoon Indisch meisje en Een meisje van honderd een drieluik vormt.

    De jury bestond uit: Aad Meinderts (voorzitter), Jeroen Dera, Rashif El Kaoui, Sanne Parlevliet, Jan de Roder, Mathijs Sanders, Jeannette Smit en Sarah Vankersschaever.

    De prijzen zijn toegekend door de Jan Campert-Stichting, opgericht op 18 augustus 1947 en vernoemd naar de dichter Jan Campert die lang in Den Haag woonde en het beroemde verzetsgedicht schreef, ‘De achttien dooden’. Door de jaarlijkse toekenning van de Haagse literatuurprijzen draagt de stichting bij aan publieke erkenning en een grotere bekendheid van belangrijk geacht literair werk of oeuvre.

    Aan de prijs is een bedrag van 12.000 euro verbonden. De uitreiking van de Constantijn Huygens-prijs 2022 vindt plaats tijdens het internationaal literatuurfestival Writers Unlimited / Winternachten op zondagmiddag 12 februari 2023 in theater aan het Spui in Den Haag.

     

     

    Foto: Ivan Wolffers (rechtenvrij)

     

  • Fotosynthese 28 – Een kopje thee van mevrouw Sonneveld

     

    Klik op de foto zie de achtergrondfoto in zijn geheel


    Donkere wolken boven het centrum van Rotterdam. Het is 14 mei 1940, twee uur in de middag. Een half uur eerder is het allesvernietigende bombardement begonnen, waardoor de oude binnenstad grotendeels is weggevaagd. Wonderlijk dat zoveel destructie in zo’n korte tijd, niet meer dan veertien minuten, plaats heeft kunnen vinden. Het Duitse bommentapijt zorgt vooral voor grote branden en een verstikkende rookontwikkeling. Als de bommenwerpers zijn verdwenen, zal het nog dagen duren voor deze vuurzee kan worden bedwongen.

    Mensen die de brandende hel overleven en weten te ontvluchten, al dan niet met in de haast bijeengeraapte bezittingen, verzamelen zich op de open vlakte aan de westzijde van het centrum. Het is de dichtstbijzijnde plek om de overweldigende hitte te ontlopen, op slechts tweehondervijftig meter van de brandgrens. Met een blik op de enorme rookwolken wacht men in onzekerheid af op wat komen gaat. Gezinnen zitten bij elkaar, buren zijn opgelucht elkaar te zien – het zou zomaar een aangename bijeenkomst kunnen zijn, ware het niet dat onder de inktzwarte wolken de stad met de grond gelijk is gemaakt.

    Die open vlakte wordt een veilige plek voor honderden getroffenen. Het zogenaamde Land van Hoboken ligt midden in Rotterdam. Ongeveer achtenvijftig hectare weiland tussen de Nieuwe Binnenweg en de Westzeedijk. Het landgoed is sinds het begin van de negentiende eeuw eigendom van de familie Hoboken, een geslacht van rijke scheepvaartondernemers. Aan de kant van de Westzeedijk staat Villa Dijkzigt, het woonhuis van de familie – het huidige Natuurhistorisch Museum. De stad Rotterdam heeft zich door de jaren heen om het Land van Hoboken heen gekruld, omdat de familie lange tijd weigerde het landgoed aan de gemeente te verkopen. Een stuk polderland omringd door stedelijke bebouwing, de steeds meer uitdijende stad die pas op de plaats moet maken voor een groene plattelandsoase. In de lente ziet men vanuit de huizen aan de Westersingel de lammetjes door het gras huppelen, in de zomer hoe de pachtboer zijn hooi binnenhaalt.

    Pas in 1924 bereiken de gemeente en de familie Hoboken toch overeenstemming over de verkoop en wordt begonnen aan een stedenbouwkundig plan om het gebied met de omringende stad samen te laten vloeien. Allereerst is er de bouw van Museum Boymans van Beuningen aan de grens van het gebied. Het plan voor de rest van het openliggende terrein kost veel tijd, wordt lang onderbroken door de oorlogsjaren en wordt pas echt in gang gezet vanaf 1955.

    Aan de rand van dit wondelijke stadslandschap wordt in 1932 Huis Sonneveld gebouwd (op de foto de lichte villa, centraal in het beeld). Als mededirecteur van de Van Nelle fabriek heeft Albertus Sonneveld zijn oog laten vallen op deze plek om zijn woonhuis te laten verrijzen. Onder de indruk van de nieuwe, modernistische architectuur van zijn fabriek laat hij architecten Brinkman en Van der Vlugt ook een ontwerp maken voor zijn privéwoning. Het hagelwitte bouwwerk is een state-of-the-art villa die geheel in de stijl van het Nieuwe Bouwen wordt gerealiseerd. Voorzien van de modernste snufjes, door Albertus opgedaan tijdens zijn zakenreizen door Amerika, zoals ingebouwde geluidsapparatuur in alle kamers, een luxe badkamer met massagedouche en alle meubels speciaal vervaardigd door de firma Gispen. De achterliggende tuin is op maat gemaakt zodat de glanzende Cadillac ’s morgens door de chauffeur gemakkelijk uit de garage gereden kan worden.

    Als mevrouw Sonneveld op die bewuste dinsdagmiddag in 1940 uit het raam kijkt, ziet ze de eerste vluchtelingen in het weiland neerstrijken. Achter het huis brandt de verwoeste stad en ze weet inmiddels dat het bombardement is gestopt en de villa Sonneveld mogelijk gespaard zal blijven. Ze roept het dienstmeisje en geeft opdracht ‘die arme mensen’ voor het huis een kopje thee te schenken. ‘Maar niet in het dure servies’. Er is natuurlijk geen beginnen aan. De toestroom van mensen is té groot. 

    Enkele tienduizenden Rotterdammers zijn na het bombardement op slag dakloos en dit aantal loopt binnen een paar dagen op tot vijfenzeventigduizend. Het grootste deel vindt nog dezelfde dag onderdak in de omringende wijken en dorpen, bij familie, bij kennissen of bij vreemden. Hier en daar moeten gezinnen één nacht in de open lucht doorbrengen om daarna al snel ergens terecht te kunnen. De gemeente Rotterdam hoeft slechts op enkele plaatsen noodopvang te realiseren. 

    Ter Apel 2022 – opnieuw hebben honderden mensen zich verzameld op een randje gras. Ditmaal niet voor een villa, maar voor het COA aanmeldcentrum. Hier zal de nacht weer doorgebracht moeten worden door vluchtelingen die zich door het overvolle centrum nog niet hebben kunnen aanmelden als asielzoeker. Het overgrote deel komt uit gebieden waar ze geen zekerheid hebben over hun eigen veiligheid of de veiligheid van hun dierbaren. De wereld van deze mensen is gekrompen tot de vierkante meter waar ze nu op verblijven. Overgeleverd aan de wispelturigheid van de politieke besluitvorming. Ook hier zal een kopje thee geen wonderen doen. Wat medemenselijkheid wel.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

     

  • De 39e Nacht van de Poëzie, een magisch taalfeest

     

    Literair Nederland moest onverhoopt verstek laten gaan bij de Nacht van de Poëzie, maar Sophie Mulder & Edo Storm, twee studenten uit Utrecht waren bereid deze Nacht voor ons te verslaan.


     

    ‘Ik twijfel niet / aan wie ik ben / maar wie zijn al die anderen?’, zo prijken de dichtregels van Andy Fierens in de dichtbundel van de 39ste Nacht van de Poëzie. Dit poëziefestival is voor velen niet enkel een zeven uur durende lof op de hedendaagse gesteldheid van de Nederlandstalige poëzie, maar ook een feest van herkenning, zowel van de namen op het podium, als van de gezichten in de wandelgangen.

    De 39e Nacht van de Poezië was voor ons respectievelijk de eerste en de vierde Nacht die we bijwoonden. Overdag kwamen we al bekende gezichten tegen in de stad, die voor dit evenement naar Utrecht waren afgereisd. Toen de nacht dan eindelijk viel, sloegen we met enige verwondering gade hoe de hele literatuurwereld bijeen was gekomen in de grote zaal van het Utrechtse Tivoli Vredenburg. De gangen bruisten en in de zaal hing een gezonde spanning. We twijfelden of dit marathon evenement ons wederom consistent zou weten te boeien, maar de eerste drie dichters vlogen al snel aan ons voorbij. Joke van Leeuwen sprong eruit als veteraan, die zich de kunst van het voordragen duidelijk op de meest originele manier eigen heeft gemaakt. Ze maakte ons bekend met de praktijk van dolfijnen die zonder schaamte en zonder taboes elkaars clitorissen stimuleren.


    Jong en oud

    Wat ons opviel, terwijl we het publiek in ons opnamen, was de curieuze verhouding tussen oud en jong. Dit werd vooral zichtbaar tijdens het optreden van de band Broken Brass. Terwijl in de ‘pit’ de zogenaamde jeugd op uitbundige wijze danste, kabbelde dit als een golf uit naar de bovenste hoeken van de zaal, waar het oudere publiek hier en daar werd aangestoken tot een bescheiden dansje. Bewonderenswaardig, aangezien de stoelen van de grote zaal in Tivoli niet bepaald uitnodigend zijn voor enige beweging. Tijdens de avond zagen we dan ook enkele mensen die zich een weg probeerden te banen door de doolhofachtige zaal onderuit gaan. 

    Na de eerste entr’acte begaven we ons even buiten de zaal. De doeleinden van het jonge en respectievelijk oudere publiek leken lijnrecht tegenover elkaar te staan. Middelbare scholieren en studenten bewezen door hun aanwezigheid hun volwassen en verfijnde culturele smaak, terwijl de ouderen zich schijnbaar te trots voelden om zich onder de jeugd te begeven, bij dit evenement dat tot diep in de nacht duurde. In de wandelgangen werd druk genetwerkt, door beide generaties en de algehele sfeer was levendig. Ivo de Wijs, die de tweede ronde van dichter afsloot, viel op door zijn humor en speelsheid, die alle elitaire pretenties een moment deed verdwijnen. Jong en oud genoten van zijn lofzang op de nare jeugd van tegenwoordig.
    Rond elf uur was eindelijk het moment daar, waar iedereen, ook al zullen ze het misschien niet toegeven, op had gewacht: Hans Klok. We kwamen er deze zaterdag zelf pas achter dat deze opvallende naam op de website prijkte. Dit soort unieke entr’actes maken de Nacht van de Poëzie tot wat het is.


    Betovering en begoocheling

    Terwijl eerst Charlotte van den Broek ons betoverde en begoochelde met haar woorden en innemende podium présence, stond daar plots deze blonde adonis als een teken van vergane glorie als nieuwe verwondering in deze ongebruikelijke context. In korte tijd trok hij verschillende kaartspellen uit zijn mouw, wist hij meerdere vrouwen op te sluiten in kleine kooitjes, ze in de fik te steken en door te spiesen met zwaarden om ze daarna weer heelhuids tevoorschijn te halen. Een show die voor veel gejuich en applaus zorgde, maar in de wandelgangen ook voor afkeer, zo hoorden we na afloop een dame aan haar vriendin vragen of ze ‘die verschrikkelijke Hans Klok’ had overleefd. 


    Levendige poëzie en Verbroederende saamhorigheid

    Het was juist tijdens het optreden van Klok dat de scheiding tussen jong en oud enigszins vervaagde. Naar onze mening was het Klok die het publiek weer even voorzag van wat broodnodige energie en verwondering om de mooie, maar soms uitputtende avond te ‘overleven’. Bovendien vinden we het prachtig dat de organisatie door de inclusie van Hans Klok in het programma, de harde lijn tussen ‘hoge’ cultuur, waar poëzie toch nog steeds onder valt, en de ‘lage’ variant, trachtte te overschrijden. Een doelstelling die überhaupt het hart lijkt te vormen van de Nacht waarin poëzie op levendige wijze toegankelijk wordt gemaakt.

    Klok’s energie werd voortgezet door een eveneens blonde (poëzie) magiër, Marieke Lucas Rijneveld. Hij nam de tijd en brak met zijn zorgvuldig geselecteerde strofes de Nacht doormidden. Enkel met ingetogen woorden, zonder hulp van vuur en schaars geklede vrouwen, wist hij het publiek tot een oorverdovende applaus te beroeren. ‘Betoverend’ is misschien wel de beste beschrijving van de staat, die deze poëtische marathon opwekt. Na enige tijd kom je als publiek terecht in een soort trance die de overgang tussen act en entr’acte, zaal en wandelgang en jawel, jong en oud doet vervagen. Wederom, slaagde de Nacht van de Poëzie erin om door middel van woord en cultuur een verbroederende en saamhorige sfeer te creëren die weinig andere evenementen weten te evenaren. 

     


    Zangeres Maria Farantouri neemt het publiek mee naar niet bestaande Griekse landschappen.

     

     


    Foto 1:  Michael Kooren
    Foto 2: Edo Storm

  • Annie Ernaux en de Nobelprijs voor de Literatuur 2022

     

    De Franse schrijfster Annie Ernaux (1940) kreeg de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend. Het geluid dat donderdag na de bekendmaking klonk was er een van verbazing door degenen die haar werk niet kenden, van oprechte blijdschap onder degenen die Ernaux om haar stijl al jarenlang prezen.

    De Nobelprijs voor Literatuur wordt jaarlijks toegekend aan een auteur die – in de woorden van Alfred Nobel (1833-1896)- ‘het meest opmerkelijke werk met een idealistische trend’ heeft geschreven. Dat Annie Ernaux – geboren Annie Duchesne (1940) Yvetot, Normandië – met De jaren een zeer opmerkelijk boek – jawel, een meesterwerk – heeft geschreven, bestaat geen twijfel. Idealisme zit in het pogen de geleefde dagen en jaren in kaart te brengen, waarbij zelfinzicht het onderzoeksgegeven is. Onderzoeken hoe en waarom het was zoals het was, daar schrijft zij over.
    De Zweedse Academie bekroont de Franse schrijfster, ‘voor de moed en klinische scherpte waarmee ze de wortels, vervreemdingen en collectieve beperkingen van het persoonlijke geheugen blootlegt’.


    Een goudmijn

    ‘Echte gedachten’, schrijft Ernaux in De jaren, wanneer ze de periode beschrijft dat ze een kind, man en appartement heeft, ‘vallen haar in wanneer ze alleen is of uit wandelen gaat met het kind.’ Echte gedachten, vervolgt Ernaux, ‘zijn voor haar geen bespiegelingen over hoe mensen praten of zich kleden, over de hoogte van stoepranden voor een kinderwagen, over de protesten tegen het stuk Les Paravents van Jean Genet of tegen de oorlog in Vietnam, maar vragen over haarzelf, zijn en hebben, het bestaan.’ Echte gedachten, ‘hebben te maken met het ontrafelen van voorbijgaande, onmogelijk aan anderen mee te delen indrukken, met alles wat, als ze de tijd had om te schrijven – maar ze heeft niet eens tijd meer om te lezen – de stof van haar boek zou vormen.’ Wanneer je Ernaux leest kun je het gevoel krijgen op een goudmijn te zijn gestuit. Als je kijkt hoe ze schrijft, denk je aan ansichtkaarten, prentenbriefkaarten. 

    Overigens, toen op 6 oktober in het nieuws van 14.00 uur op de radio de naam klonk van de winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur, dacht ik even dat het de schrijfster was waarvan ik hoopte dat zij het zou worden, ook een Annie met dezelfde klank in haar achternaam. Annie Proulx, die van Zeeberichten, Accordeonmisdaden en Ansichten. De vreugde werd er niet minder om toen het Ernaux bleek te zijn. 


    Illegale abortus

    Annie Arnaux debuteerde op vierendertigjarige leeftijd met Les armoires vides bij Uitgeverij Gallimard. In 1990 verscheen het in vertaling van Marijke Jansen als Lege kasten bij De Arbeiderspers. Het gaat over een meisje dat vanuit de minder bedeelde sociale klasse in dat van de intellectuelen, de gegoede burgerij terechtkomt. De verscheurdheid die ze daarbij ervaart is schokkend. Ernaux schrijft daarin ook over een illegale abortus die zijzelf als begin twintiger in de jaren zestig onderging. In de novelle Het voorval (L’événement, 2000) is deze ervaring onderwerp van het boek geworden en verscheen in 2004 in een vertaling van Irene Beckers. Dit jaar verscheen er een derde, gewijzigde druk nadat in 2021 de verfilming van het boek, L’événement door Audrey Diwan in premiére ging en winnaar werd van de Gouden Leeuw tijdens het filmfestival in Venetie. 

    Dat De jaren pas in 2020 in Nederland verscheen, kwam door de afwachtende houding van de uitgever. Pas toen Les Années (2008) internationaal doorbrak, de Duitse vertaling uit 2017 in korte tijd zeven drukken kreeg en de Engelse vertaling in 2019 op de shortlist van Man Booker International Prize terechtkwam, gaf de Nederlandse uitgever groen licht. Op Vertaalverhaal schreef Rokus Hofstede, die drie boeken van Ernaux vertaalde, in 2021: ‘Geluk is als je van je uitgever te horen krijgt: Oké, we doen het!’, nadat je geruime tijd ‘Nee, we doen het niet…’ te horen hebt gekregen. Je kon vurig betogen dat Les Années in Frankrijk de status van een hedendaagse klassieker had, je kon aanvoeren dat het Annie Ernaux’ magnum opus was, een samenvatting van haar hele oeuvre, geschreven met het rijpe meesterschap van een auteur die twintig titels achter zich had liggen – dat soort argumenten legden toch niet zoveel gewicht in de schaal als de matige verkoopcijfers van haar laatste boek, Mémoire de fille (2016), [vertaald als Meisjesherinneringen, door Rokus Hofstede in 2017]. Pas toen het oorspronkelijk in 2008 verschenen Les Années internationaal doorbrak – de Duitse vertaling uit 2017 kreeg in korte tijd zeven drukken, de Engelse vertaling belandde in 2019 op de shortlist van de Man Booker International Prize – ging de Nederlandse uitgever overstag.’ Inmiddels verschenen van de De jaren in Nederland twintig herdrukken.


    Geen jubelende stijl

    Ernaux’ boeken kenmerken zich door de neutrale toon, een taal zonder versierselen. In interviews liet Ernaux meermaals weten: ‘De betovering van metaforen, het jubelen van de stijl zal voor mij nooit weggelegd zijn.’ Wat je leest is wat je krijgt, en alles wat daarachter voor belangrijks zit, komt vanzelf naar voren. Schaamte is ook zo’n ding, het kan je ten onder doen gaan als je er niets mee doet, je als een ster doen rijzen als je vandaaruit schrijft. Schrijver Didier Éribon, die zich ook uit zijn sociale klasse ontworsteld heeft, is schatplichtig aan Ernaux. Daarop volgend is Édouard Louis schatplichtig aan Éribon, waarmee indirect ook aan Annie Ernaux. 

    In La Place, het boek over haar vader wilde ze schrijven hoe hij ‘echt was’. Over zijn eerste kind, het zusje dat drie jaar voor Ernaux geboren werd, schrijft ze in La place, in 1985 vertaald als De plek door Edo Borger: ‘Ze kregen een dochtertje, hij ging een nachtdienst erbij draaien op de lokale olieraffinaderij. Op een dag kwam het dochtertje ziek terug van school – een zere keel, koorts. Hij was op die raffinaderij toen hij het bericht kreeg dat zijn kind was gestorven. Toen hij zich naar huis spoedde, konden ze hem van het einde van de straat horen aankomen, zo hard huilde hij.’


    Wachten op het sterven

    In De jaren schrijft ze over die tijd: ‘In alle families waren er kinderen gestorven. Aan plotse, ongeneeslijke kwalen, diarree, krampen, difterie. Het spoor van hun korte verblijf op aarde was een graf in de vorm van een wiegje met ijzeren spijlen en het opschrift “een engel in de hemel”, foto’s die werden getoond waarbij heimelijk een traan werd weggepinkt, gesprekken die zachtjes, haast sereen werden gevoerd, tot schrik van de kinderen, die meenden dat zij nog aan de beurt zouden komen.’ 

    Ernaux  schreef zo’n twintig boeken, allen autobiografisch van aard. Al deze boeken tezamen geven een integraal portret van een vrouwenleven in het Frankrijk van na de Tweede Wereldoorlog. De Zweedse Academie schreef dat Ernaux in ‘de bevrijdende kracht’ van het schrijven gelooft. ‘Haar werk is compromisloos en geschreven in duidelijke taal.’
    Elf van haar boeken zijn door zeven verschillende vertalers vertaald en in Nederland verschenen bij De Arbeiderspers. Op stapel staat de verschijning van Een jongeman, vertaald door Rokus Hofstede, dat gaat over Ernaux’ verhouding met een dertig jaar jongere man.


    Annie Ernaux is de zeventiende vrouwelijke auteur die de Nobelprijs voor de Literatuur ten deel valt. De eerste Nobelprijs voor de Literatuur werd in 1901 uitgereikt aan de Franse dichter Sully Prudhomme (1839-1907). Andere gelauwerden waren onder meer Selma Lagerlöf  in 1909, Pearl S. Buck (1938), Herta Müller (2009), Isaac Bashevis Singer (1978), Toni Morrison (1993), Patrick Modiano (2014) en Olga Tokarczuk (2018).

     

     

  • Winnaar NK Poetry Slam schreef ooit vijf kilometer lang stoepgedicht

    Deze twintigste editie van NK Poetry Slam werd gewonnen door de Belgische Tom Driesen. Tijdens de grote finale van het NK Poetry Slam in TivoliVredenburg, namen acht woordkunstenaars uit Nederland en Vlaanderen het tegen elkaar op: Angelika Geronymaki, Bekvegter, KMR, Ko de Kok, Linde van Wingerden, Madelief Lammers, Suzanne Krijger en Tom Driesen. Zij verzekerden zich van een plek in de finale door tien dagen geleden de halve finale van het NK Poetry Slam te winnen. Tom Driesen mag zich na vanavond Nederlands Kampioen Poetry Slam 2022 noemen.

    Vooraf waren er voorrondes in Nederland en Vlaanderen waaruit de acht halve finale winnaars naar voren kwamen die op 24 september tijdens het International Literature Festival Utrecht, het tegen elkaar opnamen. Tom Driesen nam het in de finale battle op tegen Linde van Wingerden en veroverde de nationale titel en won zowel de meeste publieksstemmen als de jury voor zich. Hij ontving de Gouden Vink wisseltrofee, vernoemd naar Simon Vinkenoog en een cheque van duizend euro.

    De jury bestond dit jaar uit spoken word artiest Esohe Weyden, dichter Joost Oomen en muzikant Thijs Boontjes. De presentatie was in handen van Daan Doesborgh en Sophia Blyden. De jury was unaniem over de winnaar: ‘Tom ademt poëzie.’

    Tom Driesen schreef ooit een stoepgedicht van vijf kilometer lang als stadsdichter van Turnhout, stond recent met een symfonisch orkest op de planken en mocht al eerder als halve finalist aantreden bij het NK. Zijn inspiratie haalt hij naar eigen zeggen uit een potje Nutella. In 2022 won hij de voorronde van Mensen Zeggen Dingen in België.

     

     

    Foto: Michael Kooren

  • Ik neem humor best wel serieus

     

    De Anton Wachterprijs wordt elke twee jaar uitgereikt aan het beste prozadebuut. Zoals bekend, is de naam van deze prijs geïnspireerd op Simon Vestdijks bekendste romanpersonage. Nog altijd geldt Vestdijk als één van de productiefste schrijvers van Nederland. Gelukkig gaat kwaliteit ook in 2022 boven kwantiteit, en daarom wint Vestdijks naamgenoot Simone Atangana Bekono de Anton Wachterprijs met Confrontaties. Naar aanleiding hiervan interviewt Literair Nederland haar.

     

    Confrontaties is het verhaal van Salomé Atabong. Jarenlang wordt ze op school gepest door Paul en Salvatore, maar dan slaat ze van zich af. Te hard. Daarom zit ze in de jeugdgevangenis. In dit jeugddetentiecentrum krijgt ze therapie van Frits van Gestel, die ooit meedeed aan een programma waarin Nederlanders grappend en grollend Afrikaanse stammen bezochten. Bij hem is zij haar frustratie maar nauwelijks de baas. Wel slaagt haar tante Céleste erin Salomés boosheid te begrijpen. Schrijfster Simone Atangana Bekono maakt van Salomé, ondanks de pesterijen, zo veel meer dan een slachtoffer of een dader. ‘Via Salomé wilde ik onderzoeken hoe slachtofferschap beëindigd kan worden. Daarom vind ik mijn boek meer dan een aanklacht tegen een racistisch systeem. Hoe groot de jou aangedane pijn ook is, daar stopt je menszijn niet.’

     

    Je noemt dit boek expliciet níét autobiografisch. Waarom heeft de hoofdpersoon, Salomé Atabong, dan wel dezelfde initialen als jij?

    ‘Dat is een manier voor mij geweest om toch het personage dicht bij mezelf te houden. Het is een fictieve coming-of-age, en haar levensloop tot haar zeventiende is enigszins vergelijkbaar met de mijne. Maar de samenstelling van haar familie, de verbintenissen die zij aangaat, het heftige incident, zijn allemaal verzonnen en significant anders. Ik voorkom liefst, dat mijn boek één-op-één naast mijn leven wordt gelegd. Zelfs voor een uitgeverij is zoiets marketingtechnisch namelijk verleidelijk.’


    Want het is ‘waargebeurd’?

    ‘Precies, dan willen lezers weten wat er met die persoon is gebeurd. Interessant, maar door heel stellig het autobiografische karakter te ontkennen, druk ik die verwachting van ‘waargebeurd’ meteen de kop in. Hoewel ik weet dat mensen vrijelijk interpreteren en het desondanks zo kunnen opvatten. Alles wat je schrijft, komt deels uit jou en je belevenissen. Ik geloof dus niet in de Dood van de Auteur. Alleen vervolgens wordt het een kunstwerk, en bepaalde lezingen daarvan staan wél los van je.’


    Humor is wat mij betreft een prominente kunstvorm in Confrontaties. Een docent Nederlands weidt op zeker moment uit over intelligente humor, de grenzen ervan, ironie. Wat vind jíj goede humor?

    ‘Dat varieert. Een goede grap vind ik net zo bijzonder als een goed gedicht. Ik neem humor best wel serieus. Zoiets als Atlanta van Donald Glover vind ik goeie satire, hoewel ik er niet om moet lachen. Mijn familie houdt van leedvermaak. Best pijnlijk om toe te geven. Ik kom uit de internetgeneratie, dus ik lach ook om de domste online-filmpjes. Het laatste boek waar ik om heb gelachen, is Houthakken van Thomas Bernard. Een enorm grappig en zwartgallig verhaal.’


    Wat het publieke debat de laatste tijd domineert, is de opvatting dat ironie alles gladstrijkt. Hoe denk jij hierover?

    ‘Er is een kantelpunt gekomen, waarin de publieke tolerantie voor bepaalde uitingsvormen is veranderd. Als je bijvoorbeeld kijkt naar cabaretiers en stand-up comedians die het idee hebben dat ze ‘niks meer kunnen zeggen’, dan vraag ik me weleens af: wie houdt je dan actief tegen? Is het echt zo dat je niks meer mag of kan zeggen of is het meer dat je minder wordt geroemd in de mainstream media om wat je zegt en dat je daar niet tegen kunt? Wat mij opvalt: hoe meer men zich vastbijt in de overtuiging álles te moeten kunnen zeggen, hoe minder grappig hun werk wordt. Bitter. Dat bewijst voor mij dat hun ego belangrijker is dan hun werk, humor. Dan verliest het zijn humoristische waarde. Dus ik vind die opmerking een makkelijk argument om jezelf toe te blijven staan alles te zeggen zónder dat je daarbij kritiek wenst te incasseren.’


    Tegengas is een soort muilkorf, volgens hen?

    ‘Ja, terwijl: die macht hebben veel mensen helemaal niet. Bovendien worden veel zaken ironisch genoemd, die potentieel gevaarlijk zijn. Denk aan hoe extreemrechts en andersoortig radicalisme hiermee speelt. Ik kan loyaal zijn aan makers die ik goed vind, dus ik blijf lang nieuwsgierig naar nieuw werk. Maar naar sommigen zit ik niet meer met plezier te kijken, omdat ik een innerlijke verandering bij hen bespeur. Want Ricky Gervais is in The Office geweldig, maar zijn recente stand-up…’


    Wie eveneens een flinke verandering doormaakt, is Salomés tante Céleste. Zij zegt op zeker moment tegen Salomé: ‘De structuren zijn tegen je gekeerd.’ Wat wil dat zeggen?

    ‘Céleste neemt een interessante positie in die familie in. Ze is de jongere vrouw en daarna ex-vrouw van Salomés oom. Zij probeert contact te zoeken met haar nichtjes, Salomé en haar zus. Die zijn daar aanvankelijk overigens niet zo happig op. Céleste is een jonge vrouw, gaat scheiden, verdiept zich in koloniale geschiedenis, genderstudies, intersectionaliteit… probeert haar nichtjes iets te vertellen over concrete zaken die zij in hun leven mee zullen maken: jongens die continu aan hen denken te mogen zitten, geweldsproblematiek. Céleste probeert handvatten mee te geven aan Salomé en haar zus om zich hiertegen te weren. De opmerking ‘De structuren zijn tegen je gekeerd’ vertolkt Céleste die net een awakening heeft gehad. Ze wil meegeven dat de meiden niet opgroeien in een gelijkwaardige wereld, hoewel ze dat nog niet heel direct zien. Zij wil dat Salomé en haar zus begrijpen waarom hun bepaalde dingen overkomen, die ogenschijnlijk losstaande incidenten lijken maar onderdeel zijn van een groter proces, een groter maatschappelijk systeem.’


    Onze cultuur draagt wel uit dat we met zijn allen gelijk en verlicht zijn.

    ‘Nederland is een multiculturele samenleving. Het boek speelt zich af in 2008. Dat is even na de dood van Pim Fortuyn. Het is een interessante periode, nog voor de eerste landelijke aandacht voor de Zwarte-Pieten-kwestie. De Nederlandse maatschappij zei over racisme: ‘Ja, maar dat is opgelost.’ En rond 2008 waren moslims een groot doelwit in het nieuws en de politiek. Salomé en haar zus groeien op in die periode, maar kennen bijvoorbeeld in hun vader ook niet de meest spraakzame persoon die deelt wat hij heeft meegemaakt. Hij zegt gewoon: ‘Als ze slaan, sla je maar terug.’ Dat gaat uit van een bepaalde gelijkwaardigheid, die voor zijn dochters niet geldt. Daar is hij blind voor maar tante Céleste ziet het wel. Door die ongelijkheid te benoemen hoopt zij de boosheid in Salomé te temperen, haar woorden te geven voor wat ze voelt, want de methode van haar vader werkt overduidelijk niet.’


    Vind je Salomé een slachtoffer?

    ‘Ja, in sommige gevallen. Maar niet alléén. Als het gaat om het pestgedrag, is zij slachtoffer van Paul en Salvatore. Als je iemand echter tot niks dan slachtoffer reduceert ontneem je die persoon zijn agency* en menselijkheid. Net zo goed als wanneer je stereotypeert en demoniseert. Salomé slechts een slachtoffer te noemen, maakt haar eendimensionaal. En daarmee worstelen gemarginaliseerde personen nu juist altijd, dat ze oppervlakkig worden neergezet. Het eerste boek van Toni Morrison, The Bluest Eye, gaat over een meisje dat in elk opzicht slachtoffer is van haar omgeving. Morrison gaf aan dat ze probeerde in dit boek alle personages, en dus alle personages die de hoofdpersoon Pecola teleurstellen of afwijzen, zo menselijk mogelijk te houden. Dan kan de lezer namelijk niet zomaar wegkomen met gevoelens van medelijden of veroordeling, maar juist de eigen medeplichtigheid in die systemen voelen. Als auteur moet je altijd zoeken naar volledigheid, wil je over dit soort thema’s schrijven. Dat probeer ik te doen. Daarom wilde ik van Salomé een zo realistisch mogelijk personage maken.’


    Hoe deed je dat?

    ‘Ik ben in de huid van iemand in die leeftijd gekropen, onder andere door diepte-interviews af te nemen bij twee jongeren die in jeugddetentie hebben gezeten. Tijdens mijn onderzoek en kijkend naar documentaires over jeugddetentie viel me op hoe apart zestienjarigen zijn. Volwassen genoeg om bepaalde zaken in het leven te begrijpen, en in sommige opzichten echt een kind. In ontwikkeling. Ik zelf was op die leeftijd heel stellig, wat ik herkende in de jongeren. Bij coming-of-age-verhalen vind ik sommige personages ongeloofwaardig vroeg wijs. Salomé is zeker intelligent, maar ook een beetje lomp. Heeft acties waarvan je denkt: ‘Dit had je nou juist níét moeten doen!’ Maar dat is lógisch, ze is zéstien. Dat wilde ik zo geloofwaardig mogelijk maken. Misschien had ik als zestienjarige dezelfde gevoelens als nu, maar destijds had ik er het vocabulaire niet voor die te uiten. Dus ik moest een stap terug doen en Salomés taal eigen en echt maken.’


    Aan het begin van Confrontaties gebruik je het motto ‘I am against all the major plots’ van Deborah Levy. Vanwaar dit motto?

    ‘Mij hielp dat motto om tijdens het schrijven het verhaal bij het kleine te blijven. Het is mijn eerste grote werk. Confrontaties wordt weliswaar voortgedreven door de plot, maar de plot zélf is niet groots. Er gebeurt veel in het hoofd van Salomé, maar weinig daarbuiten. Het draait om de gedachten van een complexe, interessante tiener. Grote delen van de vertelling bestaan uit flashbacks en mijmeringen. Daarom was dat motto voor mij verwachtingsmanagement naar de lezer toe. Hoewel het boek wel dynamisch is.’


    In elk geval roept Confrontaties veel vragen op. Waarom ontbreken in het boek expliciete hoofdstukaanduidingen, nummeringen en titels?

    ‘Er zit geen statement achter. Voor mij voelt een afbakening onnatuurlijk. Confrontaties bevat zeer korte hoofdstukken, flashes uit Salomés leven. Aanvankelijk nummerde ik de hoofdstukken, maar daardoor werd de onderbreking tussen de scènes te hard. Dus ik wilde de lezer meer meenemen met Salomés vertelritme, zodat hij er snel doorheen raast. Daarom wilde ik geen scherp onderscheid maken tussen hoofdstukken, beelden of fragmenten. Ik wilde dat het een soort brij werd, zoals Salomé dat meemaakt.’


    Welke opvatting over, of lezing van Confrontaties verraste of bevreemdde je?

    ‘Op twee manieren ben ik verrast geweest door de receptie ervan. Ten eerste typeerden nogal wat recensenten het werk als een heel ernstig boek, een ‘aanklacht tegenover een racistisch systeem’. Dat begrijp ik ook, maar dat is een best serieuze en eenzijdige interpretatie. Voor mij bevat het boek veel luchtigheid en humor. Van veel lezers kreeg ik dat ook geregeld terug, maar geen enkele recensie die ik erover las, noemde het.

    Ten tweede haalde Rasit Elibol mij aan in De Groene Amsterdammer, in een essay over ‘imposter syndrome’**. Dat schijnt onder mensen van kleur die op hoge posities terechtkomen of veel positieve aandacht voor hun werk ontvangen, vaak voor te komen. Dat deed mij veel, omdat hij mijn werk eervol vermeldde. Ik hou van zijn stukken, dus dat voelde als erkenning.’


    Ik kan me voorstellen dat bepaalde vragen ook een zekere focus leggen op datgene wat je ‘imposter syndrome’ in de hand werkt. Zo ben je weliswaar half-Kameroens, maar ook half-Zeeuws. Naar dat laatste wordt waarschijnlijk niet vaak gevraagd.

    ‘Terwijl dat gedeelte prominent aanwezig is in Confrontaties, mag ik wel zeggen.’


    Hoe?

    ‘Aan mijn oma, de moeder van mijn moeder dan, moet ik vaak denken omdat ik haar gedrag onbewust nastreef in het schrijven. Onverbloemd kunnen spreken, zij was erg direct. Niet altijd vriendelijk, maar daarin wel liefhebbend. Ze geloofde in wederzijds respect en beet regelmatig op haar tong, doorzag mensen scherp, voelde zich niet altijd geroepen om brandjes te blussen, maar kon daarin heel grappig zijn. Consistent eerlijk. Soms vervelend, maar het kan mooi zijn. Ik probeer dat in mijn werk ook.’


    Komt jouw oma dan bijvoorbeeld terug in tante Céleste, een vrouw die de confrontatie niet schuwt?

    ‘Nee, dan koppel ik mijn oma nog eerder aan Salomés zus, vanwege haar eerlijkheid, of eigenlijk botheid. Het zit wel in haar familie, heel spaarzaam zijn met uitingen van liefde. Toch voel je dat er een absolute genegenheid is.’


    Wie zijn inspiratiebronnen geweest bij Confrontaties?

    ‘Altijd als ik die vraag beantwoord, heb ik het gevoel dat ik lieg. Dat ik het aanpas aan wat het beste oogt. Deborah Levy uiteraard. Zowel haar motto als het motto van OutKast zegt veel over waardoor ik me heb laten inspireren. Ik heb ook veel Marguerite Duras gelezen. Haar stijl is scherp, kort, krachtig en poëtisch. Mijn boek is ritmisch geschreven en dat kun je koppelen aan mijn voorliefde voor hiphop. De cadans die in het boek zit, voedt de stem van Salomé, die heel erg ‘Fuck it’ kan zijn, alsof ze aan het freestylen is.’


    Hoe heb je die muzikaliteit erin gekregen?

    ‘Ik had nog nooit een roman geschreven. Wel worstelde ik ermee dat ik niet wist waar het verhaal naartoe zou gaan, als ik de juiste toon niet had. Het leek alsof de plot eerder voortkwam uit de toon, dan andersom. Het eerste element waaruit het verhaal is ontsproten, was Salomés stem. Maar de gebeurtenissen in het boek werden mij pas duidelijk, als ik eerst de juiste cadans te pakken had, haar energie. Schrijvenderwijs ontdekte ik wie zij is, waardoor ik haar ontwikkeling steeds moest bijsturen en herzien. In de plot heb ik dan ook ontzettend zitten rommelen. Mijn vriendin Lotte, die altijd met mij meeleest, zei: ‘De laatste versie is zó anders dan drie, vier versies eerder.’ Ik heb tot het laatste moment voor mijn toenmalige redacteur, Jasper Henderson, dingen veranderd. Tot op het laatst was ik zoekende naar wat er met haar zou gebeuren en hoe haar stem zou reageren.’


    De muzikaliteit loopt synchroon met Salomés gevoelsleven?

    ‘Ja, dat moest één-op-één kloppen. Het ritme en de muziek bepaalden de plot, en haar ontwikkeling.’


    Welke vraag over dit boek heb je nooit gehad, maar zou je wel graag wíllen krijgen?

    ‘Niet per se een vraag, maar iets anders. Ik vind het interessant dat het personage Frits meteen door iedereen keihard wordt veroordeeld, terwijl ik denk: het is nu juist zo’n personage bij wie je moet nagaan: heb ik ook ooit op deze manier in het leven gestaan of ben ik zo weleens met iemand omgegaan? Ik vind het veelzeggend als mensen zo keihard doen van: ‘Vreselijke vent, alles wat er mis is met de maatschappij.’’


    Dan reken je je zelf automatisch tot de groep die alles doorheeft.

    ‘Ja, dat je gelooft: ik ben in elk geval niet zó slecht. Ik denk juist dat vervelend genoeg iedereen zich wel eens als ‘een Frits’ heeft gedragen. Dat is het confronterende. Dat je totaal blinde vlekken hebt voor je eigen privileges of voor die van een ander. Dat vind ik wel grappig.’


    Toch maak je hem ook sympathiek. Hij probeert toenadering te zoeken.

    ‘Salomé is duidelijk niet gecharmeerd van hem. Als lezer kun je dan snel met haar meevoelen, in de trant van: ‘Lekker voor je.’ Terwijl ze soms ook superonredelijk tegen hem is, wat wel te begrijpen valt. Frits heeft wel een bepaalde soort macht, maar ook weer niet zo veel. Zijn blinde vlek is natuurlijk dat hij zich niet bewust is van de consequenties van zijn tv-programma, waar hij een beetje jolig is ingestapt. Dat kan hij wel goedpraten door te zeggen dat het ongelukkig is ge-edit, maar zo onschuldig is het reisprogramma natuurlijk niet en hijzelf ook niet. Dat is de tragiek van Frits, omdat hij zich dit maar niet realiseert.’

    Bekono besluit met de opmerking dat Frits, net als Céleste, een mozaïek van indrukken is. Hij bevat allerlei ‘bits and pieces’ van wat wij zelf zijn, gezien hebben, kennen, waar we om lachen en wat we veroordelen. Want ook dat leert Confrontaties ons: hoe confronterend is het wel niet dat we ons ergeren aan wie wij ten diepste zelf zijn?

     

     

     

     

     

     

     

     


    * Agency: term uit de sociologie. Betekenis: de handelingsmogelijkheid van een individu.

    ** Imposter syndrome: diepgewortelde overtuiging niet te voldoen aan de verwachtingen van anderen en jezelf, waarbij bovendien de angst bestaat te worden ontmaskerd als een bedrieger. Dit negatieve zelfbeeld wordt gekenmerkt door zelftwijfel, een gevoel van ontoereikendheid, ondanks een hoge opleiding, relevante ervaring en tastbare successen.

     

    Foto: © Bianca Sistermans

  • De band tussen vader en zoon als rode draad in tweede boek

     


    ‘Suriname is mijn basis,’ zegt schrijver en dierenarts Chris Polanen. ‘Ik ben hier geboren en heb hier van mijn tiende tot mijn twintigste gewoond. Ik ben weliswaar naar Nederland vertrokken waar ik inmiddels veertig jaar woon, maar ik voel me nog heel erg verbonden met Suriname. Mijn moeder woont er nog, familie, vrienden en kennissen. Suriname betekent nog steeds veel voor mij. De basis van mijn schrijven is altijd het verlangen naar Suriname geweest. Als ik schrijf, schrijf ik vanuit deze plek. De hoofdpersonen, de gebeurtenissen, die zijn altijd gesitueerd rond mijn ouderlijk huis of in deze buurt, Paramaribo Noord.


    Niemand zo blij als Chris Polanen om voor de tweede keer in Suriname zijn boek 
    Centaur te presenteren. De eerste keer was eerder dit jaar voor een kleine groep vanwege de toen geldende Covid-19 maatregelen. De schrijversavonden zijn weer hervat na de pandemie. Deze keer wordt het boek voor een grotere groep gepresenteerd tijdens de tweede thema-avond van de Schrijversgroep ‘77 in Tori Oso.

    Niets te verwachten

    Centaur gaat over de student Gili die droomt van een grote liefde en van studeren in Nederland. Van zijn vader, een populaire politicus en playboy die niet naar zijn kinderen omkijkt, hoeft hij niets te verwachten. Zijn enige kans: als springruiter met de oude hengst Norbert meedoen aan een wedstrijd om met het prijzengeld zijn studie te kunnen betalen. In de aanloop naar de wedstrijd ontmoet hij niet één, maar twee vrouwen die zijn leven volledig op zijn kop zetten en kan hij niet langer geheim houden dat hij Norbert beter aanvoelt dan gewoon is voor een ruiter en zijn paard. Als zijn vader wordt opgepakt na een bomaanslag op het regime blijkt dat Gili en hij elkaar meer nodig hebben dan ze durven toegeven.

    Ik ben in 1983 vertrokken naar Nederland,’ zegt Polanen. ‘De universiteit ging hier dicht. Alles stortte zo’n beetje in, veel studenten gingen weg. Ik heb dit boek gesitueerd in het Suriname van 1990, maar de hoofdpersoon die een student is, in dezelfde positie van de jaren tachtig gezet. Hij zit op de universiteit, er gebeurt niks, hij weet dat hij voor een goede toekomst naar Nederland moet om te studeren. En daarna hoopt hij terug te komen. Ik heb geprobeerd dat gevoel van die tijd te beschrijven. Van “hoe voelden mensen zich en wat zagen ze als mogelijkheden”. Ik heb ook dingen uit andere tijden toegevoegd. Mijn eerste boek Waterjager was een experiment. Ik ben eraan begonnen, maar ik wist niet precies wat ik kon en wat het zou worden. En ik wilde een heftig boek schrijven over waar veel conflict was, een harde maatschappij, een fictieve maatschappij, en dat is gelukt. Dit boek geeft een realistischere maatschappij weer, maar ik heb mezelf ook als schrijver ontwikkeld. Ik weet wat ik kan als schrijver, wat een beetje de stijl is waar ik naartoe wil. Dit boek bevat veel meer humor, veel meer romantiek en ik zie het ook als onderdeel van mijn ontwikkeling als schrijver.’

    De band van vader en zoon

    In ontspannen sfeer lunchen we bij de Gadri naast Fort Zeelandia, langs de Surinamerivier waar het lekker waait, de zon zijn tanden piert en wij veilig onder een parasol zitten met om ons heen toeristen die genieten van Switi Sranan (lekkere Surinaamse hapjes). Polanen vertelt dat Centaur een deels autobiografische roman is. De hoofdpersoon Gili, een afspiegeling van hem, probeert ondermeer een relatie met zijn vader op te bouwen, de vader van Polanen. 

    ‘Als je een roman schrijft moet je heel diep gaan en je nergens voor schamen. Zolang je probeert stoer te doen of probeert dingen te verbergen word je nooit een goede romanschrijver. Je moet alles blootgeven. Dat is een van de geheimen van een goede roman en dat heb ik hier ook gedaan. Mijn gevoelens over mijn vader zijn ambivalent. Ik ben wel trots op hem, hij was een bijzondere man, hij was een goede dichter en een heel charismatische en intelligente man. Maar ik voelde ook een bepaalde boosheid tegenover hem omdat hij eigenlijk nooit naar mijn moeder en mij heeft omgekeken. Dus beide dingen heb ik gebruikt, zonder iets achter te houden.’

    Controle over zijn vader

    Polanen kent zijn vader Pieter Polanen alleen van verhalen, hij heeft hem nooit bewust gezien. ‘Hij was bekend en ook wel berucht zou je kunnen zeggen. Het was logisch dat ik hem ooit in een roman naar voren zou brengen. Alleen, de vraag was hoe? Uiteindelijk besloot ik hem zo goed mogelijk te beschrijven, niet te veel fantasie op hem los te laten, maar alle verhalen die ik van hem ken te bundelen. Verhalen van mijn moeder, van vrienden en familie en dan zo goed mogelijk beschrijven wat voor persoon hij was. Daarmee gaf ik mezelf de kans om gesprekken met hem te voeren en te kijken wat voor relatie ik met hem zou hebben gehad als hij nog geleefd had. Hij is overleden toen ik zeven was en ik heb hem alleen als klein kind ontmoet. Ik heb dan ook geen herinneringen aan hem. Het was een logisch thema dat in het boek aan de orde zou komen. Ik heb het ook zo onderzocht dat het in een breder verband gezien kan worden; hoe is de relatie van Surinaamse vaders met hun zonen. Dat heb ik in mijn boek proberen uit te werken.”

    Het opbouwen van een relatie lijkt in eerste instantie niet gemakkelijk voor Gili aangezien zijn vader wordt gearresteerd voor een bomaanslag, net als de vader van Polanen. Echter, pas op het moment dat zijn vader in de gevangenis komt, is er een mogelijkheid om een relatie op te bouwen, omdat de vader nergens meer naartoe kan en niemand anders hem opzoekt. ‘Het moment dat ik mijn vader tijdens het schrijven in de gevangenis zette werd het schrijven ook makkelijker. Je zou kunnen zeggen dat ik toen eindelijk controle over hem had gekregen.’

    Heimwee

    ‘Ik ben puur gaan schrijven vanuit heimwee,’ antwoordt Polanen op de vraag vanwaar de passie om te schrijven komt. ‘Mijn remigratie was mislukt en op een gegeven moment ben ik gaan schrijven over Suriname. Ik had nooit gedacht dat ik schrijver zou worden. Ik begon met columns, over de mislukte remigratie, wat ik beleefde toen ik weer naar Suriname kwam, want ik kwam nog wel op vakantie. Ik schreef daarna een hele serie columns. Mensen waren enthousiast daarover. Dus ik ging ook meer columns schrijven voor de Waterkantde Parbode en de Ware Tijd. Uit die columns zijn de korte verhalen voortgekomen, verhalen die zich in Suriname afspeelden. Ik deed mee met schrijfwedstrijden en won meestal wel iets. Op een gegeven moment won ik de eerste prijs hier in Suriname bij de Ware Tijd Literair voor het kortverhaal ‘Carnaval’ dat zich afspeelt in Paramaribo Noord, bij de Brazilianen. En toen had ik zoiets van “Ik kan die roman ook wel schrijven”.’

    ‘Het schrijven van die eerste roman Waterjager kostte mij zes jaar. Dat was een struggle, want ik moest zoeken naar een eigen stijl, hoe bouw je die roman op, de personages en de sfeer. Het was een leerproces. De tweede roman ging al sneller en veel makkelijker.’

    In Nederland wint Polanen steeds meer terrein als schrijver van kleur. ‘De literaire wereld van Nederland is een witte wereld. Er zijn weinig schrijvers van kleur. Maar in deze tijdgeest is het een voordeel, men is op zoek naar verhalen van schrijvers met andere culturele achtergronden. Er wordt nu wel gedacht dat een Surinaamse schrijver interessant is.’

     

    Centaur / Chris Polanen / Lebowski Publishers / 352 pagina’s

     


    Centaur is één van de tien boeken die genomineerd zijn voor de prijs Beste Boek voor Jongeren in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig. De shortlist is samengesteld door een jury van volwassenen: ‘De diversiteit in personages is groot en dat geldt ook voor de auteurs. Die voldoen natuurlijk al langer niet meer aan het achterhaalde beeld van uitsluitend witte elitaire mannen van (voorbij de) middelbare leeftijd. De auteur van nu (x/v/m) is jong, oud, zwart, van kleur, wit, queer, hetero, cis en trans. Dit maakt de verhalen divers en zorgt ervoor dat steeds meer jongeren zich gerepresenteerd kunnen zien in de literatuur. Ontzettend fijn, ontzettend belangrijk en bovenal ontzettend terecht.’ Een jury van zes jongeren zal de twee winnende boeken bepalen en in september bekendmaken.

    Lees hier de recensie op Literair Nederland van Centaur.

    Foto: collectie Chris Polanen