• Joke van Vliet wint BNG Literatuurprijs

    Joke van Vliet heeft met haar tweede boek Niets is echt gebeurd (Querido, 2025) de BNG Literatuurprijs gewonnen. De prijs werd vanavond uitgereikt door juryvoorzitter Pieter Jeroense in de Amstelkerk in Amsterdam. De jury noemt het boek een ‘stilistisch begaafde, psychologisch gelaagde en trefzekere roman waarin de spanning flink wordt opgedreven’.

    Van Vliet is de eerste winnaar zonder de voormalig gehanteerde leeftijdsgrens die bij 40 jaar lag. De reden daarvoor is dat ‘leeftijdsdiscriminatie gewoonweg niet meer van deze tijd is. Schrijvers debuteren regelmatig op hogere leeftijd, waardoor hun literaire carrière ook later op gang komt.’

    Uit het juryrapport:
    ‘Niets is echt gebeurd
    laat ons, samen met de blinde kunstenares Daan den Dolen, tastend in het duister treden. Daan heeft zich teruggetrokken in haar flat en leeft in de overtuiging dat ze elk moment kan worden opgepakt. Met grote precisie schetst Van Vliet haar wereld, waarin Daan zowel door de kamers als haar herinneringen dwaalt. ‘Herinneren is terugkijken door een vergrootglas’, peinst ze, ‘bepaalde momenten uitgelicht en nauwkeurig bestudeerd, terwijl andere delen ongezien blijven.’ Kijken en zien – of juist níet zien – worden sleutelbegrippen. Wat gebeurde er met haar moeder, haar vader? Wat gebeurde er met het Kind?’ Lees hier het hele juryrapport.

    Van Vliet bouwt in deze roman voort op de thematiek uit haar verhalenbundel Wanneer de herten komen (2022). Deze werd geprezen om haar grillige, bijna surrealistische beeldtaal en stond op de shortlist voor de J.M.A. Biesheuvelprijs.

    Als winnaar van de BNG literatuurprijs ontvangt Van Vliet een geldbedrag van 15.000 euro en een sculptuur van kunstenaar Theo van Eldik.

    Overige genomineerden:
    Maarten Inghels – Hannibal & Gideon (Das Mag)
    Rik Zaal – Het land van Hrabal (De Arbeiderspers)
    Coco Schrijber – Het gezoem van bijna alles (Querido)

    De lezersjury (bestaande uit BNG-medewerkers) koos Coco Schrijber met Het gezoem van bijna alles, als winnaar. Schrijber mag een maand verblijven in het Roland Holsthuis te Bergen.

    Lees hier de recensie op Literair Nederland.

  • Zachte hand

    Een boek als een zachte hand. Kan dat? Ik ben daar gevoelig voor. Dat alles zonder oordeel wordt gepresenteerd, de auteur zich niet op de voorgrond dringt, het verhaal mij toekomt. Hoe de schrijfster op elke pagina een geschiedenis met zachte hand naar voren schuift. Hier, neem het, voor jou.

    Ook de moordaanslagen in Dublin worden op deze manier naar voren geschoven. En ik neem ze aan. Het is wel even slikken hoe nuchter, precies en meedogenloos het er staat. Dit is een knappe roman over het leven op een Iers eiland tijdens ‘The Troubles’ in 1979.

    ‘Joseph McKee loopt op zaterdag 9 juni in Belfast naar de slager, vlak bij de speelhal aan Castle Street waar hij een baan heeft als portier. Hij is vierendertig jaar, katholiek en werkt als vrijwilliger voor de IRA. Twee leden van Ulster Defence Association komen op een motor vlak naast hem rijden en schieten Joseph McKee vier keer in het achterhoofd, terwijl ze flink gas geven om de schoten te maskeren.’

    Als leesclub waren we ervan onder de indruk. Het meest indrukwekkende boek tot nu voor de leesclub gelezen, klonk er. We vroegen ons niet af wat de schrijfster ons wilde laten zien. We zagen het.

    Ik fietste langs de IJssel waarvan het water met de dag stijgt. Ik dacht aan een  jongen van lang geleden, denk jaren zeventig. Vriend van  de man (toen mijn vriend). Ze speelden schaak. Na elke zet smeerde de schaakvriend een stokbroodje voor zichzelf, waarna hij het mes in zijn mond stak, het door opeen geperste lippen naar buiten trok, in een bergje boursin stak. Toen was alles zacht. Ik bedoel, je hield je oordeel voor je.

    De moorden op het vasteland lijken het leven op het eiland niet te beïnvloeden. De Atlantische oceaan als buffer. De vrouwen bakken scones, er is room en appeltaart, er wordt whisky geschonken. De dertienjarige James vangt en vilt konijnen voor in de stoofpot.

    In de film The Banshees of Inisherin, dat speelt tijdens de Ierse burgeroorlog in 1923 op het kleine, (fictief) Ierse eiland Inisherin, hebben de eilanders ook genoeg aan hun hoofd om zich om een burgeroorlog te bekommeren. Twee vrienden maken elkaar het leven tot een hel, de enige huwbare vrouw verlaat het eiland om als bibliothecaresse te gaan werken. Van over het water worden rookpluimen waargenomen, de eilanders kijken elkaar aan, zeggen, ze schieten weer, en gaan verder. Dan het besef. Dat waar ook ter wereld, we uitzicht hebben op een oorlog, erlangs leven. Dit is schrijven in een nieuwe vorm, ver voorbij aan poëzie.

    James zegt voorbij de helft van het boek:

    ‘Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte.
    Ze was jonger dan mama.
    We praten hier niet over politiek, James, zei Michéal.
    Dat is toch geen politiek, zei James. Het is een feit. Er is een vrouw omgekomen bij een bushalte. Opgeblazen met een bom.’

    Er zijn alinea’s waarin zonder onderbreking van perspectief wordt gewisseld. Ik lees het, bewonderend. ‘James snoof om zijn longen vol te zuigen met de vreemde geur die ik de hele dag zou willen inademen, nooit meer naar buiten.’ Vanuit de verteller die beschrijft hoe James geuren (verf, terpentine) opsnuift, gaat het perspectief als vanzelfsprekend over naar James zelf. En ik neem het.

    Er kwam een berichtje voorbij over een gevierd Australisch schrijfster die haar literaire prijzen aan de oorspronkelijke bewoners van Australië geeft. Het voelde als belangrijks, ik kan het niet meer terugvinden.

    De Engelse kunstschilder, Lloyd en de Franse taalonderzoeker JP Masson, die aan proefschrift over de taal werkt,verstoren de orde op het eiland. James, de jongste bewoner van het eiland is gefascineerd van de schilder. Masson dwingt James haast om zijn Ierse naam, Séamus, te gebruiken. Al wat menselijk is komt in dit boek voor. Heimelijkheid, rivaliteit, verraad. Aan het eind is er een iemand die teleurgesteld wordt, een iemand die zijn belofte niet nakomt, iemand die in zijn vuistje lacht.

    Sommige boeken zijn een voorrecht om te lezen. Een boek als een zachte hand waarmee de geschiedenis van Ierse kolonisatie door de Engelsen (en hoe dat uit de hand is gelopen) gepresenteerd wordt. Dat ik Audrey Magee bij het dichtslaan van dit boek intens bewonder.

     

     

    De kolonie / Audrey Magee / vertaling Lette Vos / 390 blz. / uitgeverij Oevers (2025)


    Inge Meijer is een pseudoniem. Zij schrijft over wat ze leest en haar beweegt.

     

     

  • Daniël Vis wint Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026

    De juryleden Roelof ten Napel en Vicky Francken beoordeelden 140 ingezonden poëziebundels verschenen tussen 1 november 2023 en 1 november 2025, waaruit een shortlist van zes titels werd samengesteld uiteindelijk Aan wie, deze offers van Daniël Vis als winnaar gekozen werd.

    Daniël Vis (1988) is dichter en schrijver. Van zijn hand verschenen eerder de poëziebundels Crowdsurfen op laag water, Insect redux en Het weefsel. In 2022 verscheen zijn eerste roman: Een woelend lichaam. Voor zijn poëtisch oeuvre ontving hij in 2021 al de Frans Vogel Poëzieprijs.

    Uit het juryrapport: Aan wie, deze offers is een even meditatieve als lijfelijke bundel over de plek die iemand inneemt tussen zijn voor- en nageslacht. ‘Ben ik te jong/ om hierover te spreken?’, vraagt een stem die het heeft over het uitgeputte verlangen naar een kind, over de manieren waarop we onze ouders in onze geliefden terugvinden, over het genot, de intimiteit, de wanhoop en de spijt van samenzijn. ‘Hoe verhoudt zich spijt/ tot een natuurverschijnsel?’ De mystieke richting die Vis met zijn vorige bundel insloeg, krijgt hier een diep individuele, doorleefde textuur. Er wordt een reis gemaakt, er worden goden aangeroepen, er worden rituelen uitgevoerd. Aan wie, deze offers gaat over hoe het verlangen naar leven op ons kan gaan wegen en hoeveel moeite het kan kosten om dat verlangen te omarmen.’

    Overige genomineerden waren:
    * Mischa Andriessen, Pieta (Querido)
    * Esther Jansma, We moeten ‘misschien’ blijven denken (Prometheus)
    * Marc Kregting, De vriendelijke mens (het balanseer)
    * Yasmin Namavar, Verblijf (Uitgeverij Jurgen Maas)
    * Peter Verhelst, Nachtatlas (De Bezige Bij)

    De prijsuitreiking vindt op zaterdag 21maart ca 16.00 uur plaats in in Dat Bolwerck te Zutphen. Dan ontvangt Daniël Vis uit handen van Sjoerd Wannet, wethouder cultuur van Zutphen, een Aan de prijs is een bedrag van € 1.250 en een bronzen beeltenis van Ida Gerhardt gemaakt door Herma Schellingerhoudt verbonden.

    Vorige prijswinnaars waren: Kees ’t Hart (2000), Anneke Brassinga (2002), Lloyd Haft (2004), Astrid Lampe (2006), Nachoem M. Wijnberg (2008), Alfred Schaffer (2010), Henk van der Waal (2012), Pieter Boskma (2014), Peter Verhelst (2016), Menno Wigman (2018, postuum), Marieke Lucas Rijneveld (2020), Anne Vegter (2022) en Piet Gerbrandy (2024).

     

     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Irwan Droog
    Credit foto Daniël Vis

  • Tegen een stootje kunnen

    Mijn afspraak liep uit, 10:00 uur werd 10:15, werd 10:25 uur. Er was een spoedbehandeling. Vanuit de behandelkamer hoorde ik de tandarts zeggen, ‘Dit kan even pijn doen.’ Een vrouwenstem klonk, ‘Oh, ik kan wel wat hebben. Ik heb vijf kinderen gebaard.’ Op een toon van, wat dacht je, ik kan wel tegen een stootje hoor.

    Het was maandagochtend, ik zat in de wachtkamer van de tandartsenpraktijk in mijn vorige woonplaats. Vanuit de stad was ik er met de intercity, daarna met de stoptrein heen gereisd. Ik had een boek mee. Van Dis over zijn liefde voor een vrouw die hij veertig jaar deelde met een ander (de Ander genoemd). Een liefdevol boek, al wekte het ook enige wrevel. De onderdaan en vereerder in de persoon van de schrijver in relatie tot zijn geliefde. Daar kon ik niet goed tegen op die koude maandagochtend. Zo steriel, afstandelijk, en soms die toon van het jongetje dat nooit had gedeugd. Ik wilde maar niet betrokken raken bij hun levens, hun liefde. Er ontbrak een bepaalde waarachtigheid.

    Misschien kwam het door dat andere boek, Monsterlijk Moederschap van Jozefien Van Beek dat ik had gelezen, hele stukken opnieuw gelezen. Een zoektocht naar wat een vrouw beweegt een kind te willen, naar de relatie moeder en kind. Wat haarzelf bewogen heeft een kind te willen. De kern van dit essay is haar moeder, die haar alleen opvoedde en zegt dat zij het gelukkigste is dat haar is overkomen. En dat ze dat niet van zichzelf met betrekking tot haar kind kan zeggen. Het boek zwerft al weken door het huis. Het lag op de keukentafel toen mijn oudste dochter er was. Toen ik het zag liggen vond ik de titel opeens confronterend, als beledigend. En dat je soms niet weet wat je moet vinden van jezelf, als moeder.

    ‘De eerste keer dat ik heel duidelijk voelde dat ik een kind wilde, was in 2016 in New York.’, begint Jozefien Van Beek haar essay. Hoe dwingend het verlangen van een vrouw naar een kind kan zijn, onontkoombaar (kent een man, een jongen zulke verlangens naar het vaderschap?).

    Ik zag mezelf als vrouw zonder kinderen. Reizend naar Berlijn, Lissabon, Londen, elke dag (vooruit) schrijven aan iets. Als Frida Vogels, de godganse dag achter mijn werktafel (dit is geromantiseerd, ik weet het). Geen gehoor geven als er iemand voor de deur staat, enkel brood, appeltjes en noten eten. Toch had ik die kinderwens, vurig ook. Ik werd de vrouw die jaarlijks twee keer met trein en bus naar Friesland vluchtte. Zeulend met een typemachine, schrijfpapier, boeken. Na ontheemde dagen, alles weer terug naar huis bracht. ‘Als ze bij hen is, is ze niet zichzelf; als ze niet bij hen is, is ze niet zichzelf; en dus is het even moeilijk om je kinderen achter te laten als het is om bij ze te blijven.’, citeert Van Beek Rachel Cusk. Niemand laat zijn eigen kind alleen (toch?), zong Willy Alberti ooit.

    Een gedachte die me bekruipt tijdens het lezen: als we nu stoppen met ons voort te planten, wordt het leven van vrouwen er dan beter op? Natuurlijk weet ik beter, maar toch.

    ‘Samen met de baby wordt het schuldgevoel van de moeder geboren.’ schrijft Van Beek. Ze verlangde zo hevig naar een kind dat het haar emotioneerde. Als haar zoontje geboren is, lijken de dagen eindeloos lang en heeft ze nergens tijd voor. ‘Ik moet zo vaak huilen. Ik ben zo moe.’ Ze vraagt zich af of haar zoontje haar haat, ‘Ik vraag het mij echt af’.  En dan. ‘Ik prijs me gelukkig dat mijn kinderwens zo oorverdovend was. Dat ik geen greintje twijfel had. En toch. Toch vraag ik me af of het een vergissing was, of ik misschien de grootste vergissing van mijn leven heb gemaakt.’

    Op dat punt, van verlangen naar het verlangde gekregen te hebben. Daar gebeurt iets, daar zit een wankel punt.

    Van Beek spiegelt haar verlangens, ervaringen en onzekerheden over het moederschap aan films (Rosemary’s baby, The lost Daughter), citeert Rachel Cusk, Vivian Gornick, Deborah Levi, Chantal Akerman waar het moeder en kind relaties betreft. Ze laat de literatuur spreken. Je laten aanzwengelen tot introspectie, nadenken over wat je ziet. Hoe waardevol dit is. Boeken en films (om dit samengebracht te zien) als reflectie op het moederschap. De waarde van dit alles. Lees, en lees nogmaals over ons (monsterlijk) bestaan als moeders, en waar het wringt. Dat de drang tot creëren en moederschap ten koste van wat dan ook wel samengaat, heeft Van Beek met dit essay bewezen.

     

    Monsterlijk Moederschap / Jozefien Van Beek  / uitgeverij Flaneur


    Inge Meijer schrijft over de boeken die ze leest.

     

  • Een kathedraal van woorden

    Onlangs was ik op een feest waar een literaire quiz werd georganiseerd. Gasten werd gevraagd hun favoriete roman te noemen en ik riep meteen Mystiek lichaam. Anderen riepen Nooit meer slapen en Oeroeg. Vervolgens was het de bedoeling dat de gasten zich groepeerden rondom de persoon die een voor hen bekende titel had geroepen. Van de honderd aanwezigen koos niemand voor mijn boek, behalve een man die zei dat hij alleen tuinboeken las.

    Op 7 januari jl. was het 75 jaar geleden dat Frans Kellendonk, de auteur van Mystiek lichaam, werd geboren in Nijmegen. Hij was een bijzondere jongen die al op jonge leeftijd promoveerde. Zijn werk trok direct de aandacht van literatuurliefhebbers. Hij werd niet oud, overleed in 1990 ten gevolge van AIDS. Op zijn rouwkaart stond: ‘Remember me, but forget my fate.’

    Na zijn overlijden werd het stiller rondom zijn werk. Bij tijd en wijle wordt er aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij de publicatie van zijn Verzameld Werk, zijn brieven en zijn biografie. Bij de plaatselijke boekhandel zijn zijn boeken niet op voorraad.

    Kellendonk is een van de weinigen die in mijn jonge jaren de godsdienstige traditie waarin hij opgroeide een plaats in zijn bestaan te geven. Daar was ik zelf ook volop mee bezig, met Kellendonk als mijn grote voorbeeld. Hij zag de cultuurhistorische betekenis van het christendom en had bewondering voor de schoonheid van de overgeleverde geloofswaarheden waarin hij zelf niet meer geloofde. In een interview met Vrij Nederland zei hij: ‘Het is gevaarlijk het verleden zomaar weg te willen vegen, er niks mee te maken willen hebben, en te willen doen alsof we zomaar opnieuw kunnen beginnen.’

    Een echte schrijver emigreert volgens Jos Palmen uit de familie en het land dat hem baarde. Kellendonk deed dat ook, maar hij wilde op een of andere manier daarmee verbonden blijven in het besef dat hij de traditie waarin hij opgroeide nooit helemaal opzij kon schuiven. Onderzoek doen naar de verbinding met de eigen traditie is overigens heel wat anders dan het verheerlijken van het verleden.

    Bij herlezing van Mystiek lichaam word ik opnieuw gegrepen door Kellendonks taalgebruik. Zijn stijl is hoekig en compact, barstensvol metaforen. Zo beschrijft hij niet bepaald vleiend een oude kunstcriticus: ‘Op zijn voorhoofd groeiden de wenkbrauwen in lange scheefgewaaide pollen, als op een oude vestingwal. Maar het afstotelijkst was de lobbes van een buik die bij hem op schoot zat. De gevlekte handen fladderden en bibberden er onderdanig omheen.’ Kellendonk is niet aardig voor zijn personages. Ze worden tot op het bot uitgekleed en in al hun naaktheid getoond.

    Het boek gaat over de familie Gijselhart, die herenigd wordt rondom de zwangerschap van dochter Magda. Daarvoor komt ook zoon Leendert na een mislukt avontuur in New York terug naar ‘De Doornenhof’. Magda wordt veelzeggend door de andere familieleden Prul genoemd. Van enig onderling mededogen is in deze familie geen sprake. Kellendonk maakt er een rariteitenkabinet van vol groteske figuren. Neem bijvoorbeeld de vrekkige, kille vader. Hij is een geldwolf, een pestkop, een racist, een naarling. Alles in en om hem verwijst naar metaal en steen. Een oude loods achter huis is volgestouwd met oud ijzer en sloopmateriaal. De auteur laat de perenbomen ‘glimmen als lantaarnpalen’. Het gras op vader Gijselharts erf lijkt ‘ijzervijzel’, het jonge boomblad ‘blikkert metaalachtig’. Vader telt zijn geluk in guldens en dubbeltjes. Zijn gezicht is gekreukeld als een oud bankbiljet. Alles is koud bij hem. Als hij ligt te slapen is zijn mond ‘als een kapotte deur opengevallen’. Het is erg verleidelijk met citeren door te gaan.

    In zoon Leendert tekent hij een homoseksuele mislukkeling. Zijn liefde wordt in de roman als parodieliefde betiteld. Hij wordt een seksuele ruimtevaarder genoemd die geen leven voortbrengt, alleen de dood. Hij noemt zichzelf ‘een Frankenstein in het seksuele’ en ‘een uitgebluste draak’. De ‘bloedkankerkliniek’ die hij moet bezoeken omdat hij aan AIDS lijdt, wordt door Leendert ‘Klein Transsylvanië’ genoemd.

    Spot is bij Kellendonk ook zelfspot, door enkele recensenten ‘zelfhaat’ genoemd. Hij sneed met de figuur Leendert in eigen vlees en ironiseerde zijn eigen opvattingen en geaardheid. Toen hij de roman schreef was al duidelijk, waar hij zelf aan leed. Ook dochter Magda en haar geliefde, de Jood Pechman (what’s in a name?), komen er niet best van af. Enkele recensenten beschuldigden Kellendonk zelfs van antisemitisme.

    Kellendonks Mystiek lichaam is een stilistisch meesterwerk dat mij, ook bij de zoveelste lezing, geen moment verveelt. Kellendonk zei eens: ‘De stijl is het lichaam van de schrijver. Daarin komt zijn persoonlijkheid tot uitdrukking.’ Hij onthult in deze roman zijn nietsontziende blik op de mensheid, maar ook op zichzelf. De auteur opent vele taalregisters en maakt van zijn laatste roman een kathedraal van woorden. Lees en geniet, zodat zijn tragische leven niet voor niets is geweest.

     

     


    Michiel van Diggelen publiceerde o.a. Ab Visser – Biografie (2013) en de historische roman Hendrik Peter Scholte. Momenteel werkt hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

  • Gevangen in het ijs

     

    In mijn boekbesprekingen bezie ik boeken het liefst als kunstobjecten, met esthetische en stilistische kenmerken die een bepaald effect bij mij als lezer teweegbrengen. Maar de kennis die ik tijdens mijn studie Scandinavische literatuurwetenschap heb opgedaan over Deens-Groenlandse literatuur, maakt nog altijd dat ik Deense boeken over Groenland eerst en vooral zie als culturele objecten: producten die zijn voortgekomen uit een bepaalde literaire traditie en binnen een zekere culturele context.

    Toen ik De kolde flammer van de Deense Knud Sønderby las, bekeek ik dat boek dan ook min of meer uit automatisme door een culturele lens. De Nederlandse vertaling van de gelauwerde klassieker uit Denemarken verscheen in 2023, precies 80 jaar na de publicatie van het origineel. Het boek werd in Nederland met een nogal lauw enthousiasme ontvangen en baarde maar weinig opzien. Bovendien maakt volgens de twee recensies die verschenen – in Het Parool en het NRC – ‘de liefde’ het hoofdonderwerp van deze roman uit. De besprekingen richten zich vooral op de ontwikkelingen die zich tussen de twee hoofdpersonages voltrekken en de gevolgen die hun omstandigheden hebben voor hen als koppel. Het perspectief van het boek als cultuurobject komt zo goed als niet aan de orde.

    Een rijke traditie van literatuur over Groenland

    In Koude vlammen vertrekt fotograaf Kristian voor een jaar met zijn vrouw Vera vanuit Kopenhagen naar een afgelegen Groenlands dorp. Het kost Kristian en Vera moeite om te wennen aan de veranderde leefomstandigheden en in hun zoektocht naar geluk komt hun huwelijk al snel op de tocht te staan. De verhaallijn in Koude vlammen is, hoewel met kundige hand beschreven, maar weinig spectaculair of origineel.

    Wat mij betreft schuilt de grootste literaire verdienste van Koude vlammen in de omgeving waar het boek zich afspeelt. Die omgeving bindt het boek namelijk aan een buitengewoon rijke en al bijna 200 jaar oude traditie binnen de Deense letteren: de Deens-Groenlandse migratieliteratuur. Met die term verwijst cultuurhistoricus Ebbe Volquardsen naar Deenstalige boeken waarin een Deense protagonist voor langere tijd naar Groenland vertrekt om aldaar, met wisselend succes, te integreren in de Groenlandse samenleving.

    Sinds de jaren 2000 wordt de Deens-Groenlandse migratieliteratuur – bijvoorbeeld die van schrijvers zoals Iben Mondrup en Kim Leine – gekenmerkt door een vrij radicaal antikoloniale stem als het gaat om de historische en hedendaagse banden tussen Denemarken en Groenland. Die antikoloniale kijk komt op uiteenlopende manieren tot uiting: stereotypen over de inheemse bevolking worden ontkracht, en het traditionele narratief, waarin de Groenlandse samenleving wordt weggezet als ouderwets en primitief, wordt ondubbelzinnig weersproken. Over het algemeen zijn de hoofdpersonages van deze boeken solidair met de Groenlanders en steunen zij hen actief in hun strijd voor onafhankelijkheid van Denemarken. Zo laat Rasmus Theisens boek Andre hunde (Andere honden, tot op heden niet in het Nederlands vertaald) zien hoe een Deense protagonist zich, zij aan zij met de Groenlanders, inspant om de macht van een Deense vastgoedmagnaat in een Groenlands dorp te ondermijnen.

    Subtiel tegendraads

    Koude vlammen stamt van ver voor het begin van die antikoloniale trend in de Deense migratieliteratuur over Groenland. Het is dan ook niet vreemd dat dit boek niet onder de antikoloniale Deenstalige literatuur kan worden geschaard. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk uit het feit dat de Inuit-personages in Koude vlammen bijna allemaal aan de Denen ondergeschikte rollen vervullen. Op die manier stelt het boek een sociaal overwicht tentoon van de Denen over de Groenlanders die nergens kritisch aan de kaak wordt gesteld. Daarbij zijn de Groenlandse karakters stuk voor stuk bij-personages; het zijn de Denen die centraal staan.

    Toch is het duidelijk dat Sønderby niet bepaald een hoge pet op heeft van de Denen die zich op Groenlands grondgebied bevinden. Hij zet de Denen in Groenland neer als personages die niet in staat zijn te denken buiten de hen bekende kaders en die er daardoor niet in slagen zich aan te passen aan hun Groenlandse omgeving. Die starheid komt bijvoorbeeld tot uiting in het feit dat zij zich in allerijl vastklampen aan de etiquette die zij kennen van thuis. Ook staan de Denen erop de hun bekende functietitels, zoals ‘assistent’, ‘dokter’, ‘schilder’ en ‘ingenieur’, te handhaven, zonder dat zij daar baat bij hebben in de Groenlandse realiteit.

    Een sluimerend ongeluk

    Het is duidelijk dat het handhaven van de Deense maatschappelijke kaders in Groenland niet bepaald tot gelukkige levens leidt. De dynamiek onder de Denen in het dorp benauwt Vera en Kristian en maakt hen met de dag ongelukkiger. In hun buitenechtelijke vrijages met andere dorpelingen zoeken Vera en Kristian de grenzen van de sociale etiquette op, om zich aldus een wrang gevoel van vrijheid toe te eigenen.

    En het heeft er alle schijn van dat Kristian en Vera niet de enige Denen zijn die in Groenland met een groot ongeluk te kampen hebben. De manier waarop de verpleegster er prat op gaat dat Kristian haar, in een dronken bui nota bene, vergelijkt met een van de personages uit Dumas’ De drie musketiers verraadt hoe ongelukkig zij in werkelijkheid is. En hoewel de vrouw van de opziener haar man vertelt dat zij op haar gelukkigst is wanneer zij door het raam in de woonkamer naar buiten kijkt, wekt de dwangmatige manier waarop zij de Deense dorpelingen in de gaten houdt de indruk dat zij koortsachtig probeert grip te krijgen op een plek waar zij in werkelijkheid geen vaste grond onder de voeten krijgt.

    Het ongeluk dat bij iedereen sluimert zorgt voor onderlinge vijandigheid en sociale spanningen. Wanneer hun relatie op den duur volledig is bekoeld, realiseren Kristian en Vera zich dat ‘het niet slechter krijgen dan anderen’ het hoogst haalbare is voor hen. Zij hebben geen idee hoe zij hun eigen geluk kunnen vinden in Groenland.

    Oprechte gevoelens

    De schijnheiligheid waarmee de Denen zich in Koude vlammen door het leven in Groenland bewegen, doet denken aan de onoprechtheid die Alberto Moravia in zijn roman De onverschilligen centraal stelt voor het uitwerken van zijn personages, die tot de welgestelde adel in Italië behoren. Net als in Koude vlammen wordt in De onverschilligen getoond hoe de obsessie met het behalen van meer sociaal kapitaal dan anderen de zoektocht naar het persoonlijke geluk in de weg staat. Beide boeken laten zien dat de hyperfocus op uiterlijk vertoon van deze klasse aan hun levenswijze een allesoverheersende betekenisloosheid verleent.

    Maar waar Moravia’s personages opgesloten zitten in een milieu dat zij zelf in stand houden, worden de hooghartige Denen in Koude vlammen geconfronteerd met een groep mensen die wel degelijk een zinvol bestaan leidt. De liefde en het verdriet van de inheemse bevolking gaat door merg en been; hun gevoelens zijn oprecht, onnavolgbaar en intuïtief. Wanneer de vrouw en het kind van Groenlander Ringsted ziek worden en uiteindelijk overlijden, verbittert Ringsted volkomen. In een gesprek tussen Ringsted en Kristian legt Kristian de vinger precies op de zere plek: ‘Jij kunt tenminste nog aan ze denken. Jij kunt blij zijn met hoe jullie het hadden. Er zijn mensen die verder van hun vrouw verwijderd zijn terwijl ze nog leven, dan jij op dit moment van de jouwe bent.’

    Koude vlammen laat zien hoe de Deense personages het spartelend proberen te rooien in een omgeving die zij absoluut niet de baas zijn. Sønderby is kritisch op de Deense aanwezigheid in Groenland door te laten zien dat die voor de Denen zelf noch voor de Groenlanders profijtelijk is. Maar het boek verbergt die kritiek achter de verhaallijn tussen Kristian en Vera. Misschien deed Sønderby dat bewust, om te voorkomen dat het boek ten tijde van de oorspronkelijke publicatie in 1943 al te veel stof zou doen opwaaien. Destijds waren de antikoloniale stemmen in het Deense culturele landschap immers nog niet zo duidelijk hoorbaar. Maar door het stellen van de vraag wat de Denen daar in Groenland eigenlijk te zoeken hebben, voorafschaduwt het boek een antikoloniaal sentiment dat pas later in de Deens-Groenlandse migratieliteratuur tot volle bloei zou komen.

     

     


    Bjorn Lichtenberg studeerde taal- en literatuurwetenschap in Utrecht en Amsterdam. Hij werkt als bureauredacteur bij een typografisch bedrijf in Utrecht. Ook schrijft hij boekrecensies, essays en korte verhalen die hij publiceert op zijn blog: bjorninschrijfland.nl.

     

  • De lift

    De lift in het ziekenhuis gromt en spert zijn kaken open als een monster uit een verhaal van Stephen King. Ik moet naar de vijfde verdieping, omdat mijn man daar is opgenomen, maar ik durf niet. Lang geleden heb ik een weekend vastgezeten in een gammele lift. Op een zaterdagochtend wilde ik iets ophalen uit het gebouw waar ik toen werkte. Er was geen alarmknop in de lift en mobieltjes bestonden nog niet. En omdat ik alleen woonde, was er niemand die zich afvroeg waar ik bleef. Pas op maandagmorgen werd ik bevrijd, toen ik allang gek geworden was in het donker en de stilte, zonder enig begrip van tijd. Ik hield er claustrofobie aan over, die zelfs na langdurige therapie nooit verdwenen is. Het blijft een van mijn grootste angsten die zich ’s nachts manifesteert als een klamme nachtmerrie waaruit ik schreeuwend wakker word. Ik heb liften sindsdien altijd weten te mijden, maar als ik nu de trap neem naar de vijfde, zullen ze me ergens tussen de derde en vierde verdieping moeten oprapen.

    Bij de lift in het ziekenhuis sta ik minutenlang besluiteloos te kijken. Dan zie ik een jonge vrouw in een rolstoel. Zij heeft geen andere keuze dan met de lift te gaan. Ik overwin mijn schroom en vraag haar of ze me wil helpen. Maar ze hoeft niet met de lift, zegt ze, ze blijft gewoon op de begane grond. Misschien ziet ze mijn ontreddering, want ze zegt vriendelijk dat ze me toch wel naar boven wil brengen. Ik vraag of ze eerst wil gaan, dan haal ik diep adem en zet een stap in de lift. Terwijl ik me vastklamp aan de reling en naar de grond staar, breekt het zweet me aan alle kanten uit. Het lijkt uren te duren, mijn spieren staan strak en ademhalen gaat moeizaam. Om me heen bulderend geruis en duisternis. Als ik een bevrijdend ‘ping’ hoor, stort ik me door de open deur van de lift naar buiten, snakkend naar adem. Maar de vrouw roept me terug, dit is pas de derde verdieping, er heeft iemand van buiten op de knop gedrukt. Trillend over mijn hele lijf moet ik me opnieuw vermannen, naar binnen stappen, me overleveren aan de lift die op een dodencel lijkt. Op de vijfde verdieping struikel ik bijna huilend naar buiten.

    Stel je niet aan, zegt mijn rationele brein elke keer. Er gebeurt niets, die lift gaat duizend keer per dag op en neer. Maar mijn bange hart zet zijn hakken in het zand en schreeuwt zich geluidloos buiten zinnen. Zelfs het gedicht van Vaandrager kan ik niet lezen zonder dat paniek mijn keel dichtschroeft.

    ‘Aangekomen op de vierde

    Wat is er veranderd op deze m²?
    Er zijn maanden over heen gegaan.
    En leveranciers en hoeveel
    onbevoegden?

    Wat is er veranderd dat deze schacht
    steeds vaker weigert?

    Nog steeds geen gebrek aan beleefdheid:
    Gaat u voor en men vraagt zelfs
    welke knop men mag indrukken voor mij.’

    Maar voor nu: rug recht, opgewekt naar binnen, niets laten merken. ‘Hallo lief, hier ben ik weer, hoe gaat het vandaag met je?’

     

    C.B. Vaandrager (uit: Met andere ogen, 1961)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.

     

     

     

  • Waar verhalen zich ophouden

    Vrouwen doppen hun eigen boontjes ze slaan er niet op los. Die zin zat in mijn hoofd toen ik wakker werd. Gisteren, naast een jonge vrouw in de auto, mijn jongste dochter. We gingen naar Twente een houten vloer uitzoeken.  Ze zei in een land te leven waar vrouwen geen ruimte kunnen innemen of ze worden vermoord. In mijn woorden dan. Zonder die mannen die een vrouw het licht niet gunnen, blijft er genoeg over voor vrouwen om behoedzaam met de openbare ruimte om te gaan. Ik mijd bepaalde plekken als ik alleen door het donker fiets, scan in twee blikken een treincoupé. Uit gewoonte. Het gevoel dat iets me op de hielen zit.

    Er is een verhuizing op handen, vloeren moeten gelegd, muren gesausd, het huidige huis ontmanteld. Ik probeer mezelf te vangen terwijl ik gaande ben. Ik bedoel, er is opeens zoveel betekenis in de dingen om me heen. We zijn onderweg (de man en ik) naar de dochter die meegaat een vloer uitzoeken. Herinneringen aan mijn onzichtbaarheid van Rebecca Solnit in mijn tas. Niet dat ik het eruit zal halen. Ik ken mezelf. Maar in deze dagen van verandering houdt dit boek me bij de les. Spotify speelt Green Eyes van Kate Wolf. Ik zing mee, ‘Green eyes they don’t miss a thing’. Zeg de man hoe mooi dit is. Dan zingt ze, ‘You don’t throw a word away’, waarmee ze de zwijgzaamheid van haar man bezingt. Ik zie er een verhaal in maar waar begin ik. Zwijgzame mannen geven me een ongemakkelijk gevoel, maar als Kate Wolf erover zingt, smelt ik. Ik kijk naar de man achter het stuur en denk, doe maar, zwijg maar.

    Dat ik dingen gemist heb en alles al eens geschreven werd. Er beweegt iets. Solnit schrijft, ‘In de meest traditionele en akelige vorm komt een vrouw neer op een grote verdwijntruc, op jezelf wegcijferen en de mond snoeren om mannen meer ruimte te geven in een wereld waarin je bestaan als een aanval wordt gezien.’ Dat veel geografische plekken naar mannen zijn vernoemd. Niet dat die namen moeten verdwijnen. Het feit dat vrouwen niet genoemd werden en wij het niet zagen, is wat ze wil benadrukken. Ik lees het gretig.

    Deze week wordt er aandacht voor meer veiligheid op straat voor vrouwen gevraagd. Angst maakt weerloos, zei mijn dochter nog. Ook daar zie ik een verhaal in. Als ik nu eens begin.

    Later die dag bekeken we het huis voor de tweede keer. Dat de afmetingen van de verschillende kamers van het appartement kleiner leken dan ze zich in mijn hoofd hadden voorgedaan. Dat achter de woorden, ‘ze slaan er niet op los’, mannen staan die erop los slaan. Geweld als taal om duidelijk te maken dat iets niet bevalt. Daarover zou ik een essay willen schrijven, om dingen uit te zoeken.

    Solnit citeert een dagboekfragment van de toen negentienjarige Sylvia Plath. ‘Dat ik als vrouw geboren ben is mijn grootste tragedie. Ja, mijn brandende verlangen om me te mengen onder wegwerkers , zeelieden en soldaten, onder stamgasten in de kroeg – deel uit te maken van zo’n groep, anoniem, en te luisteren en te registreren – het wordt allemaal verhinderd door het feit dat ik een meisje ben, een vrouw die altijd het gevaar loopt aangerand of verkracht te worden. Mijn vurige belangstelling voor mannen en hun levens wordt vaak ten onrechte uitgelegd als de wens om hen te verleiden of als uitnodiging tot intimiteiten.’ Ook dit wordt gretig en met herkenning gelezen. Solnit over intimidatie en geweld tegen vrouwen als onderdeel van een systeem. Lees haar, (gebiedende toon).

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en schrijft over wat zich in de kantlijn van haar leven afspeelt en de boeken die ze leest.

     

     

  • Charlotte Van den Broeck wint Boekenbon Literatuurprijs 2025  

    De Boekenbon Literatuurprijs werd dit jaar gewonnen door Charlotte Van den Broeck met haar boek Een vlam Tasmaanse tijgers (Arbeiderspers). De jury noemde ‘Charlotte […] een absolute aanwinst voor het genre van de zoekende en onderzoekende non-fictie’. In Een vlam Tasmaanse tijgers volgt Van den Broeck de gang van de uitgestorven Tasmaanse tijger. Haar reis brengt haar van dierentuinen en natuurhistorische collecties op tal van plekken in Europa tot in Australië en diep in de bush van Lutruwita/Tasmanië. Ze waagt zich op een van de grootste hedendaagse mijnenvelden: het gebied tussen waarheid, wetenschap en verhaal. Het gaat over de verhalen die overleven en fabels die misschien wel waar zijn. En over onze omgang met dieren in een interessant historisch perspectief. De juryleden ‘roemen haar vasthoudendheid en haar stilistische brille’.

    Wat opvalt, weer volgens de jury, is hoeveel ruimte ze laat voor anderen in het boek. Letterlijk en figuurlijk. ‘Net als in haar prozadebuut Waagstukken zien we hier een dichtende journalist aan het werk. Charlotte toont zich een kundig schrijver van non-fictie, die tegelijkertijd resoneert met de dichter die ze is. In een tijd van fake news biedt Een vlam Tasmaanse tijgers nuance en een uiterst knap verhaal. Het laat bovendien zien wat voor onderzoek er aan het boek voorafging’.

    De overige genomineerden voor de Boekenbon Literatuurprijs waren:
    Janna Coomans – Dievenland (De Bezige Bij)
    Bert Natter – Aan het einde van de oorlog (Thomas Rap)
    Tijl Nuyts – Grondwerk (Atlas Contact)
    Sheila Sitalsing – Waar ik me voor schaam (De Bezige Bij)

    De Boekenbon Literatuurprijs wordt toegekend aan het beste Nederlandstalige literaire boek (fictie als non-fictie) van het jaar en wordt jaarlijks toegekend door een jury van recensenten, boekverkopers en docenten uit Nederland en Vlaanderen. Dit jaar werden er 524 boeken ingestuurd. Aan de prijs is een bedrag van 50.000 euro verbonden.

    De jury bestond dit jaar uit:
    Gunay Uslu (juryvoorzitter) – voormalig staatssecretaris Cultuur en Media
    Steven van Ammel – boekhandelaar bij Passa Porta in Brussel
    Willem Bongers-Dek – algemeen directeur van Vlaams-Nederlands Huis deBuren
    Jenneke Harings – Neerlandicus en werkzaam in de literaire sector als o.a. adviseur, programmamanagement
    Sebastiaan Spiekerman – Neerlandicus
    Margot Vanderstraeten – schrijver, journalist
    Bernice Vreedzaam – dichter, schrijver en boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel

     

     

     

  • Nationalistische humbug

    Laatst wandelde ik met twee vrienden bij camping Het Zinkviooltje in Epen, vlakbij de Geulrivier. Zinkviooltje? Een van de vrienden wist te vertellen dat het een geel bloempje is dat zich in de loop van de tijd heeft aangepast aan de enorme hoeveelheden zink die in dit gebied door de rivier zijn meegenomen. Het zink werd gewonnen in een mijn vlak over de grens in het nu Belgische Kelmis. We reden ernaartoe. De mijn ligt in een gebied dat na de Franse Tijd betwist werd tussen het Duitse Rijk (Pruisen) en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. En dat allemaal vanwege een zinkmijn die veel geld zou kunnen opleveren. En niemand wilde toegeven. Daardoor werd het een compromis: een neutraal staatje, genaamd Neutraal Moresnet, een taartpuntje van 3,44 vierkante kilometer ten zuiden van Vaals. Een vrijstaat zonder munt, zonder schoolplicht, zonder belastingen en zonder gerechtshof. Er werd alcohol gestookt, gesmokkeld en veel gedronken. Iedereen die iets op zijn kerfstok had vluchtte erheen. Het werd een paradijs voor dienstweigeraars. Op 4 augustus 1914 was het afgelopen met de neutraliteit toen Duitse troepen het gebied binnentrokken.

    Jozef Rixen woonde in dit gebied. Ik kwam hem op het spoor door het boekenweekessay Zink van David van Reybrouck. Hij gebruikt diens leven ter illustratie van de gebeurtenissen in dit gebied tussen 1915 en 1950. Jozef was het buitenechtelijk kind van een Duits dienstmeisje en een fabrikant in Krefeld. In haar eentje verhuisde ze van Duitsland naar het taartpuntje onder Vaals, waar Jozef in 1903 werd geboren. Toen de Duitsers in 1914 deze vrijstaat hadden veroverd, woonde hij opeens in het Duitse keizerrijk en was Berlijn zijn hoofdstad geworden. Toen de Duitsers in 1918 vertrokken hoorde het gebied bij België en werd Brussel zijn hoofdstad. Als jonge Belg vervulde hij in 1923 zijn dienstplicht in het Belgische leger. Drie jaar was hij gelegerd in Krefeld in het Ruhrgebied. Hij vormde een onderdeel van de troepenmacht die de Duitsers moesten dwingen de opgelegde herstelbetalingen te voldoen. In die tijd bezocht Jozef zijn biologische vader, maar die wilde niets van hem weten. ‘Er schmiss ihn raus, weil er die Belgische Militäruniform trug,’ zo sprak een familielid.

    Toen Jozef terugkeerde uit Duitsland werd hij bakker en stichtte hij een gezin. Hij kreeg elf kinderen. In die jaren probeerde de regering van België de Duitstalige gebieden in het Oosten aan Duitsland te verkopen. Daarmee wilde ze de wederopbouw van het eigen land financieren. Bewoners aan de oostgrens wisten inmiddels niet meer goed ‘van welk hout pijlen te maken,’ zoals Van Reybrouck het prachtig uitdrukt. Waren ze nu Duits of Belgisch? Waar lag hun loyaliteit nu ze handelswaar bleken tussen België en Duitsland? Die loyaliteit werd in mei 1940 maar al te duidelijk, toen Hitler ‘zonder veel omhaal’ het voormalige Neutraal Moresnet en de Oostkantons annexeerde. De inwoners kregen de Duitse nationaliteit en ontvingen een oproep voor de Wehrmacht.

    Zelfs bakker Jozef moest eraan geloven. Hij werd eerst ingezet als bewaker van Russische krijgsgevangenen en in september 1944 naar het front gestuurd om de Amerikaanse opmars in de Ardennen te stuiten. Voor het eerst van zijn leven stelde hij zich weerbaar op: hij deserteerde. Maar ook dat liep verkeerd af. Hij slaagde er nog wel in thuis te komen. Het gebied was inmiddels door de Amerikanen veroverd, maar Jozef werd bij thuiskomst gearresteerd door de Belgische ondergrondse omdat hij bij de Wehrmacht had gediend. Het verzet droeg hem over aan de Amerikanen die hem transporteerden naar Cherbourg. Daar verbleef hij zeven maanden als een van de miljoen Duitse krijgsgevangenen onder erbarmelijke omstandigheden. Na die tijd werkte Jozef nog een paar jaar, maar als vijftigjarige was hij totaal versleten. Hij bracht de rest van zijn leven achter de geraniums door. Van Reybrouck schrijft heel treffend: ‘Er zijn mensen in wier lichamen de geschiedenis zoveel lijnen trekt, krast en kerft, dat stilzitten, zodra het kan, nog de enige optie is.’

    Het leven van Jozef Rixen toont glashelder hoe de gewone burger een speelbal kan worden van de machthebbers. Jozef was verre van een nationalist, maar werd toch als soldaat voor het karretje gespannen van regeringsleiders die gebiedsaanspraken maakten. Het is van alle tijden. De machthebbers, of ze nu keizer Wilhelm II, Adolf Hitler of Vladimir Poetin heetten, veroveren, gerechtvaardigd door nationalistische leuzen, alle gebieden waar ze recht op denken te hebben. Wantrouwen tegenover deze nationalistische humbug blijft geboden. Want Jozef de bakker is het slachtoffer.

     

     


    Michiel van Diggelen, schrijver van een  Ab Visser – Biografie (2013) en van de historische romans over Hendrik Peter Scholte (Uitgeverij IJzer). Met Richard Tanke schrijft hij aan een biografie van verzetsman Arnold Douwes.

     

  • Een tijdsbeeld en hoe dat gaat

    Het eerste wat ik doe is bladeren, op zoek naar herkenbare portretten. Dean Bowen springt eruit als realistisch en goed gelukt zelfportret. En degenen die een foto maakten van henzelf, zoals K. Michel, en van Jente Posthuma, een naakt met koptelefoon op. Ik zie de moeilijkheid van sommige auteurs om een zelfportret te creëren. Adriaan van Dis legde een schakelketting in de vorm van een gezicht, tekende daar neus, mond en ogen in. Thomas Verbogt is niet te herkennen in het gekrabbelde postzegelformaat zelfportret, ook niet als je weet dat hij het is. Bij nader inzien herken ik Nadia de Vries wel in die in uit twaalf potloodlijnen opgetrokken Kubus. En ja, Joost Oomen zie ik ook wel in dat karikaturale tekeningetje.

    Literair tijdschrift De Revisor presenteert meer dan tachtig zelfportretten van schrijvers. Ik blader er zogezegd doorheen. Er zijn schrijvers waarvan ik wel hoorde, maar nooit iets las. Er zijn er waar ik nog nooit van gehoord heb. Deze portretten zijn een (her)kennismakingstocht.

    Daar,  een op de rug getekend persoon, lange haren, kat op rechterschouder. Ha, Rob van Essen. En Ingmar Heytze, nadat ik beeld en de daaronder geplaatste naam bij elkaar heb gebracht, zie ik het ook. En Sasja Janssen met dubbel s, haar kenmerkende bos haren in een paar potloodstrepen verbeeld, herkenbaar. En natuurlijk Lize Spit, een portret zonder gezicht, maar dan, dat opgestoken haar. Herkend worden aan de haardracht is een ding. Laatst kwam ik iemand van lang geleden tegen die zei me te herkennen aan mijn haren, onmiskenbaar herkenbaar.

    Lang geleden, in 1977 plaatste de toenmalige redactie van De Revisor auteurs, verdeeld over twee nummers 79 zelfportretten van schrijvers. Veel schrijvers die toen meededen, zijn overleden. De nog te traceren schrijvers werden in de afgelopen drie jaar geïnterviewd over de voortgang van hun schrijversleven, het literaire veld waarin ze verkeerden. Sommigen publiceren nog steeds (Jan Siebelink,  Mensje van Keulen), de meesten werden uit de vergetelheid losgepeuterd. Soms met enige terughoudendheid, of uit vrees voor een hoestbui een ontmoeting niet zagen zitten. Tot ze, na vasthoudendheid van de interviewer toegaven, de interviewer binnen lieten en eenmaal de kelen geschraapt, niet meer van hun praatstoel loskwamen.

    In een terugblikkend perspectief kwamen vergeten en ondergesneeuwde schrijvers weer boven. Het ontroerde me, al raak ik de laatste tijd wel vaker ontroerd.

    Laatst keek ik op NPO gemist de film ‘Mijn moeder wil niet meer leven’ van Lev Avitan. Op een bepaald moment, in akte III, raakte ik ontroerd, kwamen er tranen. Gisteren keek ik de film opnieuw met mijn jongste dochter die ziek op de bank lag.  Weer raakte ik op hetzelfde punt ontroerd, die tranen. Als Avitan tot zijn moeder spreekt, haar terug wil halen uit de dood. En wat dat zegt, ontroering tot tranen toe.

    Van Avitan is naast een zelfportret een gedicht opgenomen. De kern van zijn teksten treft me in deze strofe,  ‘vriendschap maakt het bestaan van de staat overbodig / omdat het de toename van de capaciteit van een lichaam / om te raken en geraakt te worden exceptioneel cultiveert’.

    Ik herken Nikki Dekker en Jan Glas, samen op dezelfde pagina. Vrouwkje Tuinman heeft enkel aan het brilmontuur in dik aangezette zwarte lijnen, en de sterk gevormde mond genoeg om haar te zien verschijnen. Op de cover het zelfportret van Yentl van Stokkum, linksboven die van Leonieke Baerwaldt. Er is een goede gelijkenis. En Maartje Wortels getekende zelfportret doet denken aan de grillige tekening van Lidy van Marissing uit 1977.

    Cees Nooteboom over zijn zelfportret van toen: ‘Gewoon, zoiets wat je dan een keer doet. En dan op een dag komt er iemand naar je toegereisd om te vragen hoe en wat.’

    Deze nog. Het zelfportret van Obe Alkema is gemaakt via het ‘verbind de punten met elkaar’ tekenen. Wat er dan ontstaat. In elkaar verwarrende lijnen een onherkenbaar portret. Of zie ik  in die ‘verwarde lijnen’ toch iets dat de schrijver kenmerkt? Graag gelezen verhalen van twee schrijvers die ik niet kende, Corinne Heyrman en Eline van Wieren. Zij werden gezien.

    De tijd stilgezet met een zelfportret. Hoe alles nu gaat. En dat er over veertig jaar opnieuw iemand zich gedreven voelt deze schrijvers op te zoeken. Wie er dan nog schrijft, wie er nog een uitgever heeft. En wie van deze schrijvers heeft een onuitwisbare voetafdruk in de literatuur achtergelaten. Schrijven is een zaak van het hart, van overtuiging.

     

     

    De Revisor #45 HET ZELFPORTRET
    De prullenmand heeft veel plezier aan mij, Schrijversportretten toen en nu / Thomas Heerma van Voss / Das Mag (2025)


    Inge Meijer schrijft over de dingen die ze leest en het dagelijkse leven.

     

     

     

     

  • Het huis uit

    Ik heb een grote doos gevuld met boeken die mijn huis moeten verlaten. Ze zijn gelezen, gewogen en te licht bevonden. Het was geen eenvoudige beslissing: ik hou van mijn boeken alsof het mijn kinderen zijn, maar net als in de dierenwereld, waar vogeljongen door hun ouders over de rand van het nest worden gekieperd om ze te dwingen hun vleugels uit te slaan, hebben ook kinderen af en toe een duwtje nodig om de thuishaven te kunnen verlaten. Deze vergelijking loopt natuurlijk vreselijk mank, want waar het mijn boeken betrof, had ik zelf dat duwtje nodig.

    Je kunt niet alles bewaren, had ik mezelf voorgehouden, er komt een moment waarop het huis vol is. Dat die gedachte zelfbedrog is, dat weet ik ook wel. Amper een maand geleden was ik op een boekenmarkt tekeer gegaan alsof ik moest hamsteren voor barre tijden waarin boeken verboden zouden worden.

    Uiteindelijk had ik een keuze gemaakt. Wat inhield dat ik in eerste instantie elk afgewezen boek om en omdraaide, doorbladerde, er een stukje uit las. Kortom: ik wikte en woog of het wel verstandig was dit boek weg te doen. Zou ik er geen spijt van krijgen? Zou ik niet na een week de onstuitbare drang krijgen om juist dat ene boek weer eens open te slaan? Was het wel zo’n oppervlakkig lichtgewicht, of verdiende het nog een twee kans om zijn onvermoede diepte prijs te geven? Maar ik had de plaatselijke boekenmarkt voor het goede doel al gebeld om te vragen of ze de doos wilden komen ophalen. Ik kon niet meer terug.

    Hoe anders had een vriendin van me gehandeld, toen haar boeken het huis uit dreigden te puilen! Ze had ondanks haar hoge leeftijd een veel groter huis gekocht in België en was blijmoedig daarnaartoe verhuisd met haar vijf katten en al haar boeken. Liever de rompslomp van een verhuizing dan een van haar vele boeken te moeten missen. Ik had haar nog gevraagd wat ze doen zou als ook in het nieuwe huis de beschikbare ruimte op den duur niet meer voldoende zou zijn. Lachend had ze gezegd dat het zo ver niet zou komen, tegen die tijd lag ze net als haar boeken tussen de planken. En wat er dan met haar boeken zou gebeuren, zou haar onbekend blijven, daar hoefde ze zich dan ook nu niet druk over te maken. ‘Als wij er zijn is de dood er niet, als de dood er is, zijn wij er niet.’

    Slordige notities (25)

    Wat is poëzie
    zonder de wind en de regen
    en de zon waarin alles weer droogt?
    hier is alleen
    het betonnen licht
    van een lege kelder

    H.A. Gomperts

    Vanmorgen vroeg haalde ik de krant uit de brievenbus en ik was buitengewoon verrast toen ik een grote doos vol boeken in de gang zag staan. Ik werd er op slag blij van. Een fractie van een seconde later besefte ik dat ik vergeten was dat ik die er zelf gisteravond neergezet had.  Vandaag wordt hij opgehaald. In een opwelling heb ik er gauw willekeurig een uitgehaald, het waren de verzamelde verhalen van Tennessee Williams, die mogen dan voorlopig blijven. Mijn huis is nog groot genoeg.

     

    (uit: Tirade 200, 1974)


    Hettie Marzak is poëzierecensent en schrijft maandelijks een column voor Literair Nederland.