• Gaandeweg ontstond een biografie in gedichten

    Deze maand verscheen de dichtbundel Een spoor van mezelf van de Portugese dichter en schrijver Fernando Pessoa (1888-1935). Een keuze uit de orthonieme gedichten van Pessoa die hoofdzakelijk onder vele pseudoniemen (voor Pessoa-kenners: heteroniemen) schreef. De vooral als Portugees vertaler bekend staande Harrie Lemmens (dit jaar een van de zes genomineerden voor de Filter Vertaalprijs met zijn vertaling van Voor wie in het donker op mij wacht van António Lobo Antunes) is verantwoordelijk voor de keuze uit drie bundels en de vertaling. Het vertalen ontdekte hij tijdens zijn studie Nederlands. Zijn afstudeerscriptie maakte hij op grond van het boek van de Curaçaose schrijver Frank Martinus Arion. Afscheid van de koningin speelt in een fictieve staat in West Afrika. ‘Ik heb me toen bezig gehouden met de Afrikaanse literatuur en begon voor mezelf allerlei dingen te vertalen.’

    Literair Nederland sprak met Harrie Lemmens in zijn huis in een van de rustige buitenwijken  van Almere. Een gesprek over de dichtkunst van Pessoa – die volgens Lemmens van een bedrieglijke eenvoud is – over vertalen als langzaam lezen, over Portugese literatuur en hoe Lemmens, van oorsprong Neerlandicus, vertaler Portugees werd.

    Er wordt een pot thee gemaakt, er is Limburgse vlaai, ‘ik blijf per slot een Limburger’, zegt de in Weert geboren vertaler. We nemen plaats aan de grote tafel aan de tuinkant en terwijl Lemmens de thee inschenkt vertelt hij dat het idee om een bundel van Pessoa’s orthonieme gedichten uit te geven, al langer bestond. Het materiaal was aanwezig in drie delen, van elk vijfhonderd pagina’s. Hieruit maakte Lemmens een keuze van honderdnegen gedichten.

     

    Hoe ben je uit zo’n groot aanbod tot een keuze gekomen, wat was de leidraad?

    Al zijn gedichten zijn opgenomen in die bundels en een deel viel al af omdat het niet verder gaat dan een schets. In andere gedichten ontbreken woorden, zijn onaf. Voor de volledige gedichten heb ik me laten leiden door mijn gevoel. Geleidelijk aan merkte ik dat er zoiets als een autobiografie in gedichten ontstond. Door ze chronologisch op te nemen ontstaat er een lijn van zijn ontwikkeling. Uit zijn beginjaren, de jaren tien van de vorige eeuw, zijn heel andere teksten dan die uit de twintiger en dertiger jaren. Zijn werk uit de laatste jaren is directer, eenvoudiger ook. Hoewel eenvoudig hierin een verwarrende term is omdat het toch allemaal vrij ingewikkeld is wat hij schrijft. Het ontsnapt je steeds, als een glibberig iets dat als je het vast hebt, weer uit je handen schiet. Dat is zijn klasse, dat spel beheerst Pessoa als geen ander. Om over wezenlijke zaken als dood en leven, dromen en werkelijkheid bijna opgeruimd te schrijven. Uit zijn beginjaren is het werk veel barokker, toen speelde het symbolisme een grotere rol. Pessoa schreef in beelden, waarin verwijzingen zitten naar zijn eigen leven. Naar zijn kinder- of jongelingsjaren.

     

     

     

    Hoe ben je tot het vertalen van Portugese literatuur gekomen?

    Eind 1981 ben ik in Oost-Berlijn gaan werken. Daar ontmoette ik Ana (zijn huidige vrouw Iv/dG) die op hetzelfde taalbureau werkte als ik. Ik was vertaler Duits – Nederlands en zij vertaalster Duits – Portugees. In 1985 verhuisden we voor drie jaar naar Lissabon. Daar heb ik de Portugese taal geleerd. We spraken in Duitsland, Duits met elkaar. Zodra ik in Lissabon woonde en in contact kwam met Portugezen ben ik Portugees gaan spreken. Ook ben ik meteen de literatuur van het land gaan lezen. Het was in eerste instantie niet Pessoa die me aantrok, maar António Lobo Antunes. In een boekwinkel zag ik een boek van hem liggen met een soldatenhelm en speelkaarten op de omslag: Fado Alexandrino. Een lijvig epos over de jaren zeventig in Portugal en vier ex-militairen die gevochten hebben in de voormalige Portugese kolonie Mozambique. Ik ben begonnen het boek te vertalen, voor mezelf. Op die manier maakte ik me de taal en het boek eigen, vertalen is in eerste instantie lezen. Zo heb ik dat ook met De Judaskus van Lobo Antunes gedaan.

     

    Wat was het dat je aantrok in de schrijver Lobo Antunes?

    Het was puur instinctief dat deze schrijver me aantrok. Pas later kon ik zijn stijl beoordelen. Ik heb hem toen ook vrij snel, nadat ik een jaar in Lissabon woonde, voor het eerst ontmoet. Ik vertaalde hem nog niet voor een Nederlandse uitgever. Pas in 1991 mocht ik De Judaskus voor de toenmalige uitgeverij Amber vertalen. Henk Figee (1948-1994 Iv/dG) was daar redacteur en hij had dat boek ontdekt en vroeg mij het te vertalen. Er zouden meerdere boeken volgen maar toen stapte Figee over naar Van Nijgh & Ditmar en kon Lobo Antunes in eerste instantie niet meenemen. Figee dacht dat later te doen, maar een jaar daarna overleed hij vrij plotseling, wat zeer tragisch was.

    Pas in 1997 werd er weer werk van Lobo Antunes uitgegeven door Eva Cossee die toen bij uitgeverij Ambos werkte. Zij was getrouwd met Christoph Buchwald die in Duitsland de redacteur was geweest van Lobo Antunes en werk van hem had uitgegeven. Het handboek van de inquisiteurs, was het eerste deel van een vierluik dat bij Ambos uitkwam en sindsdien zijn al mijn vertalingen van Lobo Antunes daar verschenen.

    António Lobo Antunes was wel de eerste voltreffer uit de Portugese literatuur die mij persoonlijk raakte. Van Pessoa kende ik wel wat dingen, met Alvaro de Campos (een van de heteroniemen van Pessoa Iv/dG) en met het Boek der rusteloosheid was ik bekend. En eind jaren tachtig vroeg Theo Sontrop me of ik het Boek der rusteloosheid wilde vertalen. Het was voor mij een waagstuk want het was in feite de eerste literaire vertaling die ik vanuit het Portugees maakte. Daarvoor had ik enkel uit het Duits, Engels en Spaans vertaald. Daarbij moest ik de tweedelige Portugese uitgave terugbrengen tot een deel van ruim 300 pagina’s. Dat heb ik met veel plezier gedaan. Vijftien jaar na die eerste vertaling, in 2005, heb ik voor een deel die vertaling mogen herzien en aangevuld met wat toen de volledige uitgave was. Ook daarmee was ik heel blij dat te kunnen doen.

     

     

    In de jaren negentig heb ik nog een ander Privé Domein deel samengesteld Mijn droom is van mij, met meer autobiografische teksten (loopt naar de boekenkast om het deeltje te pakken) en daar staan ook een paar gedichten in, wijst hij terwijl hij het voor me neerlegt. Wim Hazeu heeft in de jaren negentig een Portugese bibliotheek gehad bij uitgeverij De Prom. Daarin verscheen een Spaanse biografie van Pessoa in vertaling van Barber van de Pol. Voor de gedichten die daarin stonden heeft ze voor een deel bestaande vertalingen van August Willemsen gebruikt en voor de andere gedichten heeft ze mij gevraagd. Toen heb ik ook nog de Triomfode van Álvaro de Campos vertaald voor het tijdschrift De tweede ronde. En een paar jaar geleden is nog de bundel De bedelaar en andere verhalen van Pessoa bij De Arbeiderspers verschenen.

     

    August Willemsen heeft Pessoa als vertaler geïntroduceerd in Nederland wordt jullie vertaalwerk ook wel met elkaar vergeleken?

    Dat weet ik eigenlijk niet. Misschien gebeurt dat nu, want er staan ook gedichten in die eerder door hem zijn vertaald. Ik ben uiteraard benieuwd of er vergeleken gaat worden. Juist vanwege de naam die Willemsen heeft. Dat vind ik wel een interessant fenomeen. Niet vanuit een soort rivaliteit tussen hem en mij, maar gewoon, wat de lezer ervan vindt.

     

    Is de Portugeestalige literatuur wezenlijk anders dan de rest van de Europese, de Nederlandse literatuur?

    Ik heb altijd in boeken en schrijvers gedacht, nooit zozeer in landen.

     

    Maar het experimentele en interpunctieloos schrijven, daarmee is Lobo Antunes in Portugal toch geen uitzondering?

    Nee, dat klopt. Violeta en de engelen van Dulce Maria Cardoso is een zin van meer dan tweehonderd bladzijden. Ook de eerste boeken van Saramago zijn experimenteel, tot hij zijn eigen stijl heeft ontwikkeld. Als lezer moet je het experimentele wel kunnen accepteren, dat geldt zeker voor Lobo Antunes. Misschien kun je zeggen dat in de Portugese literatuur de aandacht voor het construeren van mooie zinnen en beeldend proza groot is. Wat terug te voeren zou kunnen zijn naar de 17e eeuwse Jezuïet padre António Vieira. De grondlegger van het Portugese proza en een barok schrijver.

    Dat staat haaks op wat er in calvinistisch Nederland gebeurt, waar het een soort wet lijkt  alles zo karig en kaal mogelijk op te schrijven. De Vlaamse literatuur komt wel enigszins overeen met de Portugese. Zet Claus tegenover Hermans en je ziet het verschil. Daarmee zou je het kunnen vergelijken. Maar goed, het is moeilijk daar in het algemeen iets over te zeggen. Wat ik wel merk is dat, en dat komt misschien door social media, de Portugese literatuur zich steeds meer verhoudt tot hoe hier geschreven wordt. Van uitgevers hoor ik dan ook: je brengt niets nieuws, we hebben zulke schrijvers al.

     

    Zeg je hiermee dat vertalen van buitenlandse schrijvers alleen maar zin heeft als het wat nieuws brengt?

    Dat is natuurlijk niet helemaal zo. Neem bijvoorbeeld het boek Met bloed doordrenkte baard, van de Braziliaanse schrijver Daniel Galera dat ik 2014 vertaald heb. Over een zweminstructeur die zich terugtrekt in een badplaats in het zuiden van Brazilië om allerlei problemen in zijn leven op te lossen. Problemen waar ook jonge mensen in Nederland mee te maken hebben. Het is interessant te lezen hoe iemand hiermee omgaat in Brazilië bijvoorbeeld, op een andere plek in de wereld. Een aantal jaren geleden was er een VPRO radioprogramma over literatuur van de BRI-landen (Brazilië, Rusland en India). Daar kwam ook aan de orde dat vertalen niet alleen gaat om literatuur te vertalen die het verschil tussen culturen laat zien, maar ook wat er tussen verschillende culturen overeenkomt.

     

    Je hebt inmiddels meer dan honderd boeken vertaald, is het belangrijk om in contact te staan met de schrijvers van die boeken?

    Ja, ik vind dat wel belangrijk hoewel ik heel sporadisch vragen stel over een vertaling. Als vertaler moet je het toch zelf oplossen. Meestal gaat het om het Nederlands en niet om wat er staat. Bij de vertaalprijsuitreiking laatst in Utrecht, gaf ik een voorbeeld van zo’n samenwerking tussen schrijver en vertaler. Ik had eens, in de jaren tachtig, een vraag over een bepaalde passage in een boek van Christoph Hein dat ik aan het vertalen was. Toen ik hem tegenkwam in Lissabon, waar Hein op bezoek was om een voorstelling van zijn stuk Die wahre Geschichte des Ah Q bij te wonen, legde ik hem dit voor en zijn reactie was: ‘Ach ist doch Scheiße, schmeiss es raus’. Dat gaf voor mij aan dat je een boek niet als te heilig moet beschouwen.

    Een ander voorbeeld is de vertaling van De bekentenis van Lúcio van Sá-Carneiro, een tijdgenoot van Pessoa. Een roman die boordevol zit met beelden en synesthesieen. In sommige passages  heb ik in de vertaling, als er vier adjectieven in stonden er een uitgehaald. In het Portugees kon het wel, die vier maar in het Nederlands niet. Die vrijheid heb je als vertaler. Soms doe je een boek onrecht door het letterlijk te vertalen. Terwijl je het juist in ere houdt door het niet helemaal letterlijk te doen. En dat is een beetje schipperen. Hoe breng je het boek zo over op de Nederlandse lezer dat die hetzelfde ervaart als de Portugese lezer. Dat is niet te bereiken met een op een vertalen.

     

    Er is een nawoord opgenomen over Pessoa en zijn werk, in hoeverre was dit nog nodig?

    Over Pessoa is natuurlijk al veel geschreven maar ik wilde toch iets duidelijk maken over de opbouw van de gedichten en iets over zijn leven vertellen. Er zijn lezers die hem al kennen, maar ook lezers die met dit boek voor het eerst kennis zullen maken met Pessoa. En omdat er zoveel over hem verschenen en uitgegeven is, hebben we het nu zo opgelost door te verwijzen naar andere nawoorden, en naar het boekje Het Ik als vreemde van Willemsen. En ook door de chronologieen op te nemen die bij het Boek der rustelozen is opgenomen. Om de lezer toch enige houvast te geven.

     

    Wat kenmerkt deze bundeling, waarom zouden we het moeten kopen?

    Ik denk om twee redenen. De ene is om de eenvoud waarmee Pessoa moeilijke dingen verwoordt, de geraffineerdheid waarmee hij dat doet, waardoor je vaak op het verkeerde been wordt gezet. Alsof je een afslag gemist hebt. Hij is ook een soort meester van het syllogisme, een soort sofisme wat ie doet. Redeneringen waarvan je denkt dat het niet helemaal klopt, en dan toch weer wel. Maar dan moet je er wel wat dingen bij denken of je juist van dingen bevrijden. Het tweede waarom je het zou moeten lezen, is de buitengewone rijkdom aan beelden in zijn gedichten. Zijn vermogen om als het ware een soort foto’s te maken. Dat is geweldig. Het grappige is dat Lobo Antunes Pessoa niks vindt. Maar voor mij zijn er veel overeenkomsten tussen hen. Een daarvan is het vermogen om beelden te maken. Dat is ook een van de grote krachten van Lobo Antunes, in een paar woorden een beeld neerzetten. Maar ook in de thematiek, in de wijze waarop ze dingen behandelen, zitten grote overeenkomsten. Ook Clarice Lispector heeft raakvlakken met Pessoa. Dat zit in het formuleren, in hoe ze de dingen zegt. In die zin kun je wel spreken van een Portugeestalige literatuur.

     

    Er is ook een online magazine voor Portugeestalige literatuur opgericht?

    Ja, dat is Zucamagazine. De behoefte een soort platform te hebben voor Portugeestalige literatuur was er al lang. Een plek waar uitgevers en lezers terecht kunnen om zich te oriënteren op de Portugeestalige literatuur. Het is gekoppeld aan fotografie, tekst en beeld is een kenmerk van Zucamagazine. Het biedt ons de ruimte om de ontwikkelingen in de literatuur te presenteren die gaande zijn en uitgevers te laten zien wat er zoal rond gaat.

    Enkel dagen na het interview, de bundel ligt al bij de drukker, mailt Harrie Lemmens me een gedicht van Pessoa dat zich in de krochten van zijn computer verscholen hield.

    Vanuit de plooien van de donkere nacht
    schudt mij ineens een spook met harde hand
    klaarwakker, en ik tuur met al mijn kracht
    maar zie niets, nergens, aan geen enkele kant.

    In mijn hart daalt echter onverwacht
    een angst die ik nog niet heb overmand
    als van een troon omlaag en oefent macht
    uit over mij, de stomme dwingeland.

    En plompverloren voel ik dan mijn leven
    aan een touw van onbewustzijn zweven
    in een duistere hand die mij geleidt.

    Ik voel dat ik niet meer ben dan de schaduw
    van een wezen waar ik bang van gruw,
    en dat ik niet besta, net als de donkerheid.’

     

    Het gedicht had  zeer goed in de bundel gepast, laat Lemmens weten, het geeft voor hem nog eens aan dat een keuze maken uit de gedichten van Pessoa een luxeprobleem is.

     

    Foto: Ana Carvalho


    Fernando Pessoa, Een spoor van mezelf / samenstelling en vertaling Harrie Lemmens / De Arbeiderspers

     

     

  • Een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven


    Eind jaren negentig werd de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk (1962) in de Nederlandstalige literatuur geïntroduceerd door vertaler Karol Lesman. Inmiddels zijn er drie romans en een verhalenbundel van haar bij De Geus verschenen. Haar laatste boek, De Jacobsboeken in vertaling van Lesman, behelst een geschiedenis van maatschappelijke en religieuze omwentelingen eind achttiende eeuw in Midden-Europa, een tijd waarin de verlichting zich aandiende maar oude waarden en geloven nog sterk leefden. De Jacobsboeken volgt het waargebeurde verhaal van sekteleider en zelfverklaard messias Jacob Frank (1726-1791), gesitueerd in de achttiende-eeuwse Poolse samenleving. Voor het boek reisde Tokarczuk in de voetsporen van Jacob Frank door Midden-Europa en doorzocht vele papieren archieven. Aan de hand daarvan reconstrueerde ze Jacob Franks leven en een deel van de assimilatie geschiedenis van Midden-Europa.

    Jacob Frank is de oprichter van een egalitaire commune en bekeerde vijftienduizend joden tot het frankisme, een door hemzelf bedachte mix van joodse en christelijke elementen. Hij was een omstreden figuur, naast zijn charismatische uitstraling was hij arrogant, een ruziezoeker en een manipulator. De Jacobsboeken kent vele verhaallijnen en vertelt een complexe Poolse geschiedenis. Gelukkig is het in een dusdanig heldere en open stijl geschreven dat je met gemak met de schrijfster mee de geschiedenis in gaat.
    Het is een boek dat Tokarczuk moest schrijven, zo vertelt ze, omdat de mengkroes aan culturen en religies gelijkenissen laat zien met de tijd waarin we nu leven. Voor wie het boek leest, zal op verschillende punten de overeenkomsten gewaar worden.

    In Polen was De Jacobsboeken een groot succes (ruim 150.000 verkocht), al volgde er ook een haatcampagne naar aanleiding van Tokarczuks optreden voor de Poolse tv waar ze openlijk kritiek uitte op de Poolse samenleving. Hoe de Polen hebben bijgedragen aan de jodenvervolging. Daarbij verwees ze naar de ­pogroms tijdens en na de Tweede ­Wereldoorlog. De bedreigingen vanuit Pools nationalistische hoek namen dusdanige vormen aan dat haar uitgever het nodig achtte haar enige tijd te beveiligen.

    Maar dit is niet waar de schrijfster om bekend wil staan. De bedreigingen, die hoofdzakelijk online geuit werden, vindt ze het noemen niet waard. Ze spreekt liever over hoe zich steeds weer een nieuw boek aandient en hoe ze met haar schrijven mensen in beweging wil brengen. Eind maart was Olga Tokarczuk in verband met de publicatie van De Jacobsboeken in Nederland. Literair Nederland sprak met haar op een zonnige vrijdagmiddag in het Ambassade hotel in Amsterdam.

     

    Er is weinig over Jacob Frank bekend, hoe kwam u hem op het spoor?

    ‘Dat was heel toevallig, in een kleine boekhandel in het noorden van Polen vond ik een oud boek en ik realiseerde me direct, toen ik het begon te lezen, dat ik  iets heel belangrijks in handen had. De eerste vraag die ik mezelf stelde, toen ik over hem gelezen had, was: Waarom ken ik dit verhaal niet, heb ik nooit over deze man gehoord? Waarom werd deze man niet in de geschiedenisboeken genoemd? Tijdens mijn zoektocht naar zijn leven, ontdekte ik drie redenen waarom er niet over Jacob Frank gesproken en geschreven is. De orthodoxe joden, waar hij vanaf stamde, waren er niet in geïnteresseerd, voor hen was Jacob Frank een verrader. Voor de katholieke Poolse geschiedenis was het ook geen prettig geschiedenis want de katholieke kerk speelde een nogal belangrijke rol in het drama van de sekte van Jacob Frank. De derde reden is dat de nazaten, de achter- achterkleinkinderen van deze gemeenschap met succes assimileerden in de Poolse samenleving. Ze waren er niet happig op om te weten of ze van joodse afkomst waren in het licht van het heersende antisemitisme in Polen. Een geschiedenis dus die met succes onder het kleed geveegd werd.’


    U bent geen historicus, waarom dan toch een  historische roman?

    ‘In eerste instantie wilde ik er een essay over schrijven. Maar er zaten zoveel verhaallijnen in, zoveel avonturen dat ik besloot een historische roman te schrijven. Ik heb heel veel onderzoek moeten doen voor dit boek en moest mezelf ook voorbereiden op het schrijven van een historisch boek. Het was niet alleen nodig me in het leven van Jacob Frank te verdiepen, maar ook in de achttiende eeuw van Europa en Polen, het begin van de verlichting. Het boek gaat dus ook over de verlichting, het verhaal van sociale emancipatie, een idee dat me erg aantrok.’


    Wat trok u aan in Jacob Franks levensverhaal ?

    ‘Jacob Frank en zijn volgelingen waren textielhandelaren tussen Europa en Turkije. Het waren arme mensen maar ze klommen op tot aan de top van de samenleving. Toen hij stierf was Jacob Frank een Baron van Offenbach. Hij had zich de titel gekocht, het was dus niet legaal, maar hij werd wel behandeld als een aristocraat. Dat idee, te komen vanaf de bodem van de samenleving en te eindigen aan de top, is zeer ongebruikelijk voor die tijd. Dat vond ik een interessant uitgangspunt. Net als de religieuze context van het verhaal. Je moet je voorstellen dat deze mensen eind achttiende eeuw leefden tussen twee beschavingen, drie religies en vele talen. Het doel van Jacob Frank was uiteindelijk te assimileren tot de katholieke gemeenschap van Polen.’


    Over Jacob Frank bestaan verschillende beelden, de een omschrijft hem als een verschrikkelijke man en anderen vinden hem zeer sympathiek. Er zijn zelfs fysieke verschillen, hij wordt omschreven als een klein lelijk mannetje en als een imposante knappe verschijning.

    ‘Ik vond in de archieven vele verschillende beschrijvingen van Jacob Frank. Veel beschrijvingen zijn vanuit verschillende zienswijzen gemaakt. En dat is ook het wonder van de literatuur, over hetzelfde onderwerp wordt heel anders geschreven. Een goed boek laat zien dat de realiteit vanuit verschillende oogpunten gezien kan worden, wat aantoont dat de werkelijkheid gecompliceerd is. Er is niet één werkelijkheid en ook niet zoiets als een zwart/wit situatie. Het is heel zelden dat je kunt kiezen tussen zwart en wit. Het is altijd gecompliceerder, het verhaal van Jacob Frank is zeer veelzijdig.’


    Wat was uw relatie tijdens het schrijven tot Jacob Frank.

    ‘Ik had een zeer ambivalente relatie tot hem. Aan de ene kant voelde ik me tot hem aangetrokken, maar hij was ook een psychopaat, manipuleerde zijn mensen, noemde zichzelf de messias en vertoonde zelfs crimineel gedrag. Psychologisch gezien een uiterst gecompliceerd figuur. In het boek heb ik hem nooit direct beschreven, altijd indirect door de ogen van de ander.’


    Als sekteleider onderhield Jacob Frank openlijk seksuele relaties met zijn volgelingen en propageerde de vrije liefde, voor die tijd een nogal opmerkelijk gegeven.

    ‘Tijdens het schrijven van dit boek heb ik ook een studie gemaakt van de psychologie van de sekte. Om te begrijpen hoe dit in zijn werk ging, wat de mechanismen van een sekte zijn. Gedeelde seksualiteit in een sekte is bedoeld om iedereen met elkaar te verbinden en te vermengen om zo een eigen groep van mensen, een soort van consistentie te creëren. Veel van de volgelingen van Frank waren slim, intelligent maar ze verafgoodden hem ook. Ze gaven hun leven voor hem, en dat is een van de mechanismen van een sekte. Ze konden niet meer zonder hem. Dat was vooral te merken toen Jacob Frank in Offenbach verbleef en een van de aristocraten hem daar een kasteel schonk om ook daar een gemeenschap te vormen.’


    Was er aan het begin van dit omvangrijke project direct een uitgever geïnteresseerd?

    ‘Het was een boek dat ik hoe dan ook moest schrijven. Als ik nu terugkijk, weet ik niet meer hoe ik het deed, het was een zware taak. Ik schreef er zes, zeven jaar aan. Met een onderbreking, want toen ik er middenin zat, diende zich een persoonlijke crisis aan. Voor het schrijven van zo’n omvangrijk boek heb je tijd en geld nodig. Vooral aan geld ontbrak het me. Ik heb toen ik halverwege de roman was een detective geschreven om aan geld te komen. Ik had nog nooit een detective geschreven, het was een prettige afwisseling. Daarna kon ik weer verder met De Jacobsboeken.’


    U was in 2007 in Amsterdam als Writer in Residence waar u het laatste stuk van De rustelozen schreef, ook een boek over verscheurde levens. Is er een overeenkomst tussen dat boek en De Jacobsboeken?

    Ze kijkt verheugd. ‘Inderdaad, ik heb hier het einde van De rustelozen geschreven. Voor dat boek heb ik ook veel onderzoek gedaan. Ik heb goede herinneringen aan die tijd, op de vloer van het appartement spreidde ik alle bladzijden uit om een overzicht te krijgen. De rustelozen en De Jacobsboeken zijn wel twee heel verschillende boeken, maar een kiem voor het boek is daar ontstaan. De rustelozen is een constellatieroman en door de verschillende verhaallijnen is het ook wel een complexe roman.’


    In De Jacobsboeken worden karakters als ooggetuigen opgevoerd. Zijn alle karakters aan de geschiedenis ontleend of zijn er ook die door u bedacht zijn?

    ‘Het boek kent drie vertellers die door mij bedacht zijn. Sommige karakters, die al bestonden, heb ik uit de geschiedenis gehaald, zoals Jacob Frank uiteraard. Als schrijver paste ik een methode toe om tussen de historische figuren en feiten mijn eigen karakters te kunnen creëren. Om de afstand en de ruimte ertussen te vullen. Maar het hele boek is gebaseerd op historische feiten. Alleen om het verhaal verteld te krijgen, heb ik nieuwe karakters gecreëerd.’


    Zoals Jenta, die in de proloog wordt opgevoerd en die zich door tijd en ruimte kan verplaatsen. Het lezen over haar voelt als een ingenieuze zet om het boek te kunnen beginnen.

    ‘Zonder Jenta had ik het verhaal niet kunnen vertellen, ik ben haar veel verschuldigd ook al is ze een door mijzelf bedacht karakter. Ze is mijn favoriete verteller en in de proloog overkomt haar iets waardoor ze bijna doodgaat maar weer terugkeert met als gevolg dat ze dan de gave bezit uit zichzelf te kunnen treden. Zo kan ze door de tijd reizen en krijgt ze het overzicht over heden en verleden. Jenta weet alles van iedereen, kan de gedachten van de andere karakters lezen. Ze was een grote hulp bij het schrijven.’


    Leven er in Europa nog nazaten van Jacob Frank?

    ‘De sekte viel uit elkaar na de dood van Jacob Frank in 1791 en veel van zijn volgelingen emigreerden naar Polen. Ze assimileerden daar en leefden als Polen. Veel van ons, de Polen, zijn geworteld in die gemeenschap van Frank. Voor zover ik weet ontmoeten ze elkaar nog wel eens maar alleen in het geheim. Er wordt gezegd dat er tot aan de twintigste eeuw een grote bibliotheek van frankisten zou zijn die tijdens de oorlog vernietigd is. Er is wel bewijs dat de nazaten van Frank vrij actief waren tot aan het begin van de twintigste eeuw.’


    Wat heeft u het meest geïntrigeerd in deze geschiedenis?

    ‘Dat in Europa volkeren, religies en landsgrenzen constant in beweging zijn geweest, iets waar we nu niet zo bij stilstaan. Mijn eigen familie komt uit Podolië, een streek in Oost-Europa dat in 1945 in handen kwam van Rusland, en waar ook Jacob Frank geleefd heeft. Alle Polen werden gedwongen hun huizen te verlaten en kwamen in Neder-Silezië terecht waar tot dan toe alleen Duitsers woonden die daar verwijderd werden en de Polen die uit uit Podolië verdreven waren, trokken weer in die verlaten huizen. Dat laat De Jacobsboeken ook zien, dat het niet alleen van deze tijd is dat culturen en volkeren zich vermengen. Het boek gaat ook over assimilatie. ’


    Hoe is het om over dit boek te praten nu het al zo lang uit is?

    ‘In zekere zin is dit boek oud voor mij. Na dit boek heb ik een bundeling met korte verhalen gepubliceerd, ik schrijf nu compleet andere dingen. Ik herinner me dat toen ik dit boek af had, ik compleet leeg was. Het voelde als was het mijn laatste boek en dat ik nooit meer zou schrijven. Ik voelde me werkelijk uitgeput. Nu na vijf jaar is die verbondenheid niet meer zo groot en dat vind ik prima.’


    Achterin het boek schrijft u dat het spoor van de nazaten van Jacob Frank die naar Polen trokken, stof is voor een volgend boek. Is dat te verwachten?

    ‘Dat was mijn idee, om over de negentiende eeuw te schrijven en het spoor te volgen van de nazaten van Jacob Frank. Maar ik was ook wel helemaal klaar met het onderwerp en ik denk niet dat ik er nog op terugkom. Ik had tijd nodig om van dit boek los te komen. Ik heb vorig jaar een boek met korte verhalen gepubliceerd in Polen en dan is er nog de detective die ik tijdens De Jacobsboeken heb geschreven.’


    Waardoor bent u gaan schrijven?

    ‘Door te lezen! Ik heb altijd veel gelezen. Na mijn werk als psycholoog besloot ik rond mijn dertigste het schrijven uit te proberen. Ik prijs mezelf gelukkig dat ik in mijn levensonderhoud kan voorzien met wat ik het liefste doe. Ik ben altijd op zoek naar verhalen om te vertellen, zo ben ik ook het verhaal van Jacob Frank tegengekomen. Het opnieuw creëren van karakters, ontwikkelingen, het houdt mijn geest open, all the time.’

     

     

     

     

     

     

     

     

    De Jacobsboeken Olga Tokarczuk / 920 pagina’s / vertaling Karol Lesman / De Geus


    Noot: De detective en haar laatste verhalenbundel waren op het moment van dit interview nog niet vertaald. De rustelozen, vertaling Greet Pauwelijn en De laatste verhalen, vertaling Karol Lesman verschenen bij De Geus.

    Foto auteur: Jacek Kolodziejski

     

  • Alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties

    Schrijver en bedenker van de BerberBibliotheek Asis Aynan (1980) groeide op in Haarlem  en verhuisde voor zijn studie filosofie naar Amsterdam. Van huis uit was hij niet bekend met het gebruik van boeken, toch werd lezen van literatuur en schrijven van boeken iets dat hem bovenmatig op dreef bracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd debuteerde hij met Veldslag en andere herinneringen, in 2010 verscheen Ik, Driss, (een feuilleton voor het NRC samen met Hassan Bahara) en in 2014 Gebed zonder eind. Verder schrijft hij columns (Trouw) en essays voor de papieren media en geeft hij les aan de Hogeschool in Amsterdam. Literair Nederland bezocht de schrijver in zijn bovenwoning aan een van de (korte) grachten in Amsterdam.

    Wanneer ik het huisnummer heb gevonden en de twee treden naar de voordeur heb genomen, hoor ik iemand roepen. Als ik op kijk, zie ik Asis Aynan in het open raamkozijn op de eerste verdieping. Dat hij de deur voor me zal openen. Even later klinkt een elektronische zoemer, waarna ik de deur openduw. Een lange trap voert naar een op maat gemaakt appartement. Asis Aynan maakt thee; en er is witte wijn. We lopen van de keuken door de kleine overloop naar de woonkamer. Op de grond langs de muur staan honderden boeken gestapeld, tot ruim anderhalve meter hoog. Allen met de bladerkant naar voren. Een andere muur is gevuld met boekenkasten waarin volgens een eigen systeem de titels staan opgesteld. Tijdens het gesprek staat Aynan geregeld op om een exemplaar uit de kast te halen.

    Een gesprek over het schrijven van een migrantenfeuilleton, over het begrijpen en verdwijnen van taal, het geschreven woord, boeken, bibliotheken, verhalen en waar het echte leven zich ophoudt.


    Ik, Driss
    gaat over Marokkaanse jongemannen die een droom hadden en hun familie achter zich lieten. Hoe kwamen jullie op het idee en waarom was het gesitueerd in de jaren zeventig?

    ‘Ik wil je eerst vertellen dat ik deze week op een middelbare school een lezing gaf. Ik las een stukje voor uit Ik, Driss. Ze vroegen me, ‘Waarom schrijf je daarover? (migrantenlevens Iv/dG). Ik vertelde dat mijn vader naar Nederland was gekomen omdat hij honger leed en omdat de koning van Marokko niet zo aardig was en dat mijn vader hier in een hondenbrokkenfabriek kwam te werken. Op het moment dat ik “hondenbrokkenfabriek” zeg, komt er een hond binnenlopen. Die leerlingen vonden dat geweldig, dachten dat het een act was, dat die hond naar binnen was gestuurd. Ik was helemaal van mijn a propos en dacht: ‘Van wie is die hond?’ Ik had wel opeens de aandacht van die leerlingen. En dat magische van wat er gebeurde past wel bij het boek over Driss. In de tijd die ik met Hassan Bahara aan Ik, Driss, werkte was voor mij een  magische tijd. Hij was in 2006 gedebuteerd met Een verhaal uit de stad Damsko en ik een jaar later met de verhalenbundel Veldslag, toen we elkaar ontmoetten.’

    Dan wil Aynan eerst iets over de Marokkaanse verhalenverteller Mohammed Mrabet vertellen, die met zijn roman Liefde met een lok haar is vertegenwoordigd in de BerberBibliotheek. Hij wijst naar zijn boekenkast, naar het plankje waarop de boeken van Mrabet verzameld zijn.

    ‘In 2009 heb ik Mrabet ontdekt en ik werd betoverd door zijn verhalen. Er was één personage in zijn verhalen, Driss Tafersiti en ik dacht, hoe vet zou het zijn als we dat personage naar Nederland laten emigreren. Naar het Nederland van de jaren zeventig, de tijd van de gastarbeiders. Hassan en ik hebben veel gepraat over hoe dat zou zijn: een sprookjesfiguur uit de Marokkaanse literatuur naar IJmuiden laten komen. Niet naar Kanaleneiland in Utrecht dat veel in het nieuws was omdat daar altijd wat gebeurde, maar specifiek naar IJmuiden. Dat is Nederland op zijn lelijkst maar ook weer zo dat het aantrekkelijk is. Zo is Ik, Driss ontstaan.’

    Je geeft nog steeds lezingen over het boek. Staat het op de leeslijst voor scholieren?

    ‘Nee, het staat niet op de leeslijst. Dat zou wel iets zijn. Misschien als er een nieuwe druk komt, er moet echt een nieuw boek komen. Dat zou iets voor de uitgever zijn. Maar inderdaad, het zou mooi zijn als het op de leeslijst komt.’

    Wanneer ontstond het idee om een BerberBibliotheek op te zetten?

    ‘In de tijd dat ik aan Driss werkte, leerde ik Hester Tollenaar kennen. Zij was net afgestudeerd als vertaalster. We zaten wel eens in het theatertje en dichterscafé Perdu. Dan dronken we rode wijn aan de bar en toen ontstond het idee voor een  BerberBibliotheek. We dachten aan de Russische bibliotheek van Van Oorschot en ook aan een vriend van mij (dichter Mohamed Chacha Iv/dG). Hij leeft niet meer maar staat ook in Vallende tijd, het laatste deel van de BerberBibliotheek. Chacha zette in de jaren negentig uitgeverij Izouran (wortels Iv/dG) op. Hij gaf Riffijnse boeken uit in de Riffijnse taal. Het was de taal die we thuis spraken. Toen ik voor het eerst een boek in de Riffijnse taal zag, was dat heel onwerkelijk. Ik wist niet dat je de taal van mijn ouders kon lezen (pakt een boek met glanzend donkerblauwe omslag en witte Latijnse tekens daarop uit de boekenkast en houdt het me voor). Letterlijk vertaald staat er: “Breek het taboe zodat de zon kan gaan schijnen”. Van mijn ouders heb ik meegekregen dat Berbers geen geschreven taal heeft. De taal waarmee ik ben ik opgevoed, is voor mij een orale taal. En de indoctrinatie dat het geen geschreven taal kan zijn, is zo groot, dat ik een taboe in mezelf moest doorbreken. Ik heb mezelf inmiddels aangeleerd het te kunnen lezen. Het gekke was dat ik Arabische leestekens kan lezen, dat heb ik jong geleerd in de moskee. Ik kan het lezen maar begrijp het niet. Ik begrijp de Berberse taal, maar kon het niet lezen. Daar zit voor mij mijn schrijverschap, alles wat ik doe is opgehangen aan contradicties.’


    Welk soort tegenstrijdigheden?

    ‘Ik zal je een voorval vertellen. Ik ging deze week joggen in het Westerpark. Vaak hangen boven dat park politiehelikopters, dat is heel normaal boven Amsterdam. Maar terwijl ik daar rende, vroeg ik me opeens af: “Stel je nou voor dat ze iemand zoeken met zwart haar, donker uiterlijk.” Dat ben ik, die daar nu aan het rennen is. Maar ik bedacht ook, “Gelukkig heb ik wel een hysterisch gekleurde joggingbroek aan, dat is mijn redding. Met zo’n broek zouden ze me nooit aanhouden.” Terwijl dat zo door me heen gaat, komt een politieagent op een motor naast me rijden. Hij kijkt me van opzij aan, ik kijk terug en zie hem denken “Dat is ‘m niet”. De politieagent draait om en rijdt weg. Ik was verbaasd maar begreep ook dat ik als verdacht persoon bekeken werd. Dan gebeurt daar iets, en daar ben ik in geïnteresseerd als het om verhalen of literatuur gaat.’


    Denk je dat de BerberBibliotheek van enig belang kan zijn voor migranten in Nederland?

    ‘Migreren is een vermoeiende bezigheid. Ik wil de Nederlanders niet lastig vallen met Riffijnse poëzie. Wil niet steeds uitleggen dat Berbers geen Arabieren zijn en niet per definitie moslim zijn en dat we een eigen literaire traditie kennen. Als je teveel praat over je eigen traditie, je eigen taal dan ben je al gauw een nationalist. De eerste grote romanschrijver Apuleius, ( ± 150 na Chr. Iv/dG) is een Berber. Ik vond het zo’n leuke ontdekking, dat mijn ouders niet uit een of ander gat kwamen waar alleen maar honger en oorlog heerste. In culturele zin hebben zij ook bijgedragen aan deze wereld.


    Hoe draagt het bij aan de achtergrond van migranten?

    ‘Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ik – Hafid Bouazza noemt dit hoe ik hier kan landen – met mijn achtergrond, hier mijn weg mee kan vinden. Ik zeg niet dat Apuleius iets aan mijn achtergrond heeft bijgedragen. De koran is vele malen meer van invloed geweest op mijn leven. Dat kerkvader Augustinus, die ook een Berber was, ontdekte ik toen ik filosofie ging studeren. Daarvoor had ik nooit van hem gehoord. Ik vind dat leuke historische feiten. Het enige wat ik hoorde over onze achtergrond was: Hassan is de koning en daar moet je voor uitkijken. De islam is onze religie en God is de baas en daar moet je voor uitkijken. En dat is je vader, daar moet je ook voor uitkijken. Mijn achtergrond, daar was niet veel aan, maar er was wel veel angst. Het was de bedoeling dat de cultuur waaruit ik kom, zou verdwijnen. Zoals dat met veel culturen en talen is gebeurd in Europa.

    ‘Ik weet dat ik uit een cultuur kom die geen boeken heeft, geen taal kent die erkend wordt en op het punt van verdwijnen staat. Wat ik kon doen was naar Marokko gaan om er tegen te protesteren. Maar daar zou ik het niet lang volhouden want de koning is een dictator en ik zou binnen een dag opgepakt worden. Maar ik wilde wel mijn verantwoordelijkheid nemen. En dat is door die boeken uit te geven. En dat is door die Berber boeken uit te geven. Ik ben er trots op dat dit is gelukt, dat we dit hebben kunnen doen. Wat erbij komt is het willen verrijken van de Nederlandstalige literatuur. De BerberBibliotheek is heel positief ontvangen. Onder andere Wim Brands en Mathijs Deen hebben zich hiermee bezig gehouden. Aan media-aandacht heeft het niet ontbroken. Nu het er is, zal het zijn weg verder wel vinden. Ik ben er heel positief over.’


    Wat was het moment waardoor je bent gaan lezen en wat waren je ontdekkingen in de Nederlandse literatuur?

    ‘Mijn held uit mijn jeugd is Evert Hartman. Ik las zijn boek Gegijzeld toen ik elf was. Ik vond het fantastisch. Mijn broers namen ons mee naar de bibliotheek. We hadden een gezin met negen kinderen en als mijn oudste broers ons mee namen naar de bibliotheek, ontlastten ze mijn moeder. In de bibliotheek waren mevrouwen die het leuk vonden om je wegwijs te maken. Voor mij is literatuur begonnen als uitje met mijn broers. Kruistocht in spijkerbroek, Oosterschelde dat ben ik toen gaan lezen.


    Hoe kwam je in een huis zonder boeken in aanraking met de Berber literatuur?

    ‘Toen ik twaalf was, las ik voor het eerst Hongerjaren van Mohamed Choukri. Dat was al vertaald en verschenen bij Novib Wereldvenster. Mijn broers haalden het uit de bibliotheek. Het was een super spannend dat boek, hoeren en snoeren, honger, gekte en dan die rauwe taal. Het was een uitgebeende taal, daardoor ook makkelijk te lezen, Toen begreep ik er niet veel van maar dat boek is mijn hele leven bij me gebleven. In 2007 heeft Van Gennep het opnieuw uitgegeven, bij Novib was het een bulkboek, er werden 50.000 exemplaren gedrukt. Toen zijn er bij Rainbowpockets ook nog eens drie drukken verschenen. Voor de BerberBibliotheek hebben we het opnieuw laten lezen en vertalen. Er zijn nog veel fouten uitgehaald. Binnenkort komt er trouwens een tweede druk bij de BerberBibliotheek. Het is gewoon een everseller.’


    Wat is de magie van Hongerjaren waardoor het nog steeds gelezen wordt? Welke titels zijn ook opmerkelijk te noemen.

    ‘Choukri’s  laatste boek Gezichten is stilistisch gezien zijn mooiste boek. Hongerjaren is als een vulkaanuitbarsting, als gestolde lava. Choukri komt uit grote armoede, toen hij dat was ontgroeid, wilde hij laten zien dat hij geen analfabeet is, dat hij gelezen heeft. Hij noemt veel Franse schrijvers in Gezichten. Emile Zola, Jean Genet en William Burrough. Dat was wel belangrijk voor hem. Hongerjaren is mijn lijfboek, ik kan hele passages uit mijn hoofd citeren. Maar een schrijver als Ibrahim al-Koni, (van wie Goudstof is opgenomen in de reeks Iv/dG), dat is echt een kathedraal van een auteur. Hij heeft een oeuvre van meer dan negentig boeken over één thema. Elk boek gaat over de woestijn, de Sahara. Ik zal je iets laten zien. (Hij loopt naar een ander vertrek en komt terug met een omvangrijk Engelstalig boek.) Dit is het magnum opus  van Ibrahim, hij is een echte schrijvers schrijver, niet met Mrabet te vergelijken.

    Wisten jullie van tevoren welke titels er zouden worden opgenomen in de BerberBibliotheek?

    ‘De eerste twee titels hadden we al toen we begonnen. Daarna was het al snel duidelijk welke er verder in zouden komen, tien klassieke romans. Maar daar kwam tussendoor De geschiedenis van mijn leven van Fadhma Aïth Mansour Amrouche, een katholieke Berbervrouw. We wisten, als we dit nu laten liggen wordt het nooit vertaald. Met dit boek konden we aangeven welk een grote rol het katholicisme speelde in die streken voordat de islam daar kwam. En het laatste deel Vallende tijd was ook niet gepland. We wilden daarmee de actualiteit een stem geven. In de streek waar ik vandaan kom wordt weinig proza geschreven, maar poëzie des te meer. Ik ben alle grote dichters weer gaan lezen en kwam uit bij deze vier dichters, Mohammed Chacha, Ahmed Ziani, Fadma el Ouariachi en Mimoun el Walid. De gedichten zijn geschreven tussen eind jaren zeventig en begin jaren negentig en hebben nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik wilde hiermee de lezer laten zien waar de Marokkaanse mensen vandaan komen. En wil je begrijpen wat er in een land gebeurt, dan moet je niet de krant lezen, maar de dichters van dat land. Deze generatie dichters laat een schreeuw om emancipatie en vrijheid horen. Er is weinig hoop in Marokko, en ik vind het hoopvol dat dat dat nu zichtbaar wordt. Poëzie die een beetje tegenwicht biedt aan de leugen, zonder de pretentie te hebben dat het de waarheid vertelt.’


    De boeken van Mohammed Mrabet, waarvan Liefde met een lok haar in de reeks is opgenomen, zijn door de Amerikaanse schrijver Paul Bowles geschreven. Wat is hun verhaal?

    ‘Paul Bowles heeft vijftig jaar in Marokko gewoond, in Tanger. Dat was een vrijplaats voor alles in de jaren zestig, voor drugs, drank, vrouwen. Er werden daar veel internationale deals gesloten, maar ook gehandeld in jongens en meisjes. Op die plek kwam Paul Bowles terecht. Mrabet werkte voor hem, was zijn chauffeur, zijn kok. Bowles was aan het einde van zijn schrijverschap. Je zou kunnen zeggen dat de pen van Bowles was opgedroogd en daar was Mrabet die niet wist hoe hij een pen moest gebruiken maar die verhalen had. Daar ontstond de samenwerking tussen hen. Soms weet je in die verhalen niet waar Bowles en waar Mrabet is.’


    Heeft iemand dat kunnen checken?

    ‘Ik ben bij Mrabet op bezoek geweest in Marokko. Hij is nu tachtig jaar. In Liefde met een lok haar hebben de Amerikaanse hoteleigenaar en de jonge Marokkaanse chauffeur een seksuele relatie. Toen ik hem bezocht, vroeg ik of hij homo was, dat ontkende hij stellig. Mrabet gaf Bowles de schuld dat hij de indruk wekte dat ze een relatie hadden. Mrabet kan heel goed verhalen vertellen. Alles wordt een verhaal, wat ik af en toe wel ergerlijk vond. Dan vroeg ik hem hoe dat dan ging met die verhalen, hoe ze ontstaan. Hij vertelde dat er elke ochtend een vis hem kwam opzoeken, “die vertelt mij een verhaal en het enige wat ik hoef te doen is dat verhaal door vertellen”. Ik zei, “Nu even serieus.” Toen zei hij, “Iets anders kan ik je niet vertellen.” Ik was wel echt in de ban van die man. Ik heb hem toen ook naar Nederland gehaald en Wim Brands heeft hem geïnterviewd bij het Crossing Border Festival in 2009.’


    Wat heeft Mrabet aan zijn publicaties overgehouden aan roem, inkomsten?

    ‘Bowles speelde ook wel een spelletje met de lezer. Toen het debuut van Mrabet in de jaren zestig bij Gallimard in Frankrijk werd gepubliceerd, was er een recensent die er zelf van droomde bij die uitgever te publiceren. Toen kwam daar Mrabet, die hem volledig onbekend was. In zijn recensie voor Le Monde schreef  hij: “Mrabet bestaat niet. Hij bestaat alleen in het hoofd van Paul Bowles.” Uiteindelijk bracht dat alleen maar meer succes, Bowles zei niets.

    Mrabet heeft zich altijd goed kunnen redden. Nu zegt hij wel: “Het zijn allemaal dieven.” Er is wel gesjoemeld met zijn boeken en vertalingen. Maar dat kun je niet allemaal op het conto van Bowles schrijven. Het was interessant bezig te zijn met die twee, de schrijver en de verteller. Uiteindelijk is het ook niet boeiend waar de een begint en de ander eindigt. Er is veel gedocumenteerd over die tijd, Bowles schreef dagboeken, daar is veel in terug te vinden. Belangrijk is dat ze samen literatuur hebben geschreven.’


    In een eerste interview in 2012 over de BerberBibliotheek bij Wim Brands op de radio was er sprake van een grote migratieroman die je zou willen schrijven. Leeft dat nog?

    ‘Die gaat er nu nog niet komen. Maar ik denk er wel aan. Ik zou daarvoor eerst weer meer moeten gaan schrijven. Enerzijds zit ik te veel in mijn columnhoek en mijn docentschap. Ik ben wel blij dat de BerberBibliotheek nu gestopt is, nu kan ik nog meer een breuk forceren om richting die migratieroman te gaan.

    Wij zijn tussen alleen witte Nederlanders opgegroeid, en dat vind ik wel jammer. Ik had geen contact met mijn achtergrond. Maar de andere kant daarvan was dat we daardoor heel hard moesten migreren, ons aanpassen. Ik ben zelf nooit gevoelig geweest voor argumenten als, “Ja, Meneer. Wat ben ik nou? In Nederland ben ik een Marokkaan en in Marokko ben ik een Nederlander.” In Marokko was ik gewoon een verwend kind, met een horloge, en schoenen die niet kapot waren. Er wordt gesproken over tussen twee culturen opgroeien. Dat kan niet, je groeit ‘in’ twee culturen op. Tussen betekent dat de culturen los staan, en de persoon in een vacuüm leeft. Sartre zei het zo: “woorden zijn ook daden.”’

     

     

    Kijk hier voor alle titels van de BerberBiblitheek
    Uitgeverij Jurgen Maas

    Foto door: Friso Spoelstra

     

     

  • Deze prijs is een compliment aan de Roemeense letteren en een kroon op mijn werk

     

    Vertaler en schrijver Jan Willem Bos (1954) vertaalde meer dan vijfentwintig romans, verhalen- en poëziebundels uit het Roemeens. Ook publiceerde hij talloze artikelen, schreef enkele nonfictie-boeken over Roemenië en maakte woordenboeken Roemeens-Nederlands en Nederlands-Roemeens. Voor zijn hele vertaaloeuvre ontvangt Jan Willem Bos deze week de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, een prijs die door het Prins Bernard Cultuurfonds al sinds 1955 wordt uitgereikt. Literair Nederland sprak met de gelauwerd vertaler en omdat deze in het buitenland verbleef, gebeurde dit via een mailwisseling.

    Het bekendste en belangrijkste werk van Jan Willem Bos als literair vertaler is het drieluik Orbitor (Verblindend) van Mircea Cărtărescu. Drie onderling samenhangende romans die verschenen onder de titels De wetenden (2010), De trofee (2012) en Het onmetelijk mausoleum (2015). De jury van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs was het unaniem eens met de keuze van Jan Willem Bos als winnaar en meende: ‘Met de trilogie heeft niet alleen de schrijver zelf, maar ook zijn Nederlandse vertaler een kroon op zijn werk gezet.’


    Waar bevindt u zich op dit moment, bent u voor de literatuur op reis?

    Indirect wel… Ik verblijf met mijn echtgenote aan de Costa Brava, waar we een maandje overwinteren om in alle rust te schrijven, te lezen en te vertalen. We mogen daar gebruik maken van het huis van Steinar Lone, de vertaler van onder andere Mircea Cărtărescu’s werk in het Noors.


    Was het een prijs die u begeerde?

    Ik ben natuurlijk enorm verguld om de Martinus Nijhoff Vertaalprijs te krijgen, de ‘prijs der prijzen’ voor een literaire vertaler zoals een collega het noemde. Het is een geweldig blijk van erkenning en waardering voor mijn hele loopbaan en dat kan ik niet anders dan zeer bevredigend betitelen. Ik zou het niet zo stellen dat het een prijs is die ik begeerde, maar wel eentje van de categorie ‘zou het niet geweldig zijn als…’ Tijdens een boekenavond in de bibliotheek van het Letterenfonds op 27 november 2018, waar ik met andere boekenliefhebbers van gedachten wisselde over de door mij vertaalde roman Sinds tweeduizend jaar van Mihail Sebastian, stond juryvoorzitter Maarten Asscher op en begon allerlei buitengewoon vriendelijke dingen over mij te vertellen. Ergens halverwege zijn toespraak viel bij mij het muntje. Dat er vervolgens iemand achter mij verscheen met een dienblad met glazen champagne, kwam zeer goed uit, ik kon op dat moment wel een borrel gebruiken.


    Wat betekent deze prijs voor de Roemeense literatuur?

    De jury noemde in het verkorte rapport mijn vertaling van de 1480 bladzijden lange trilogie Orbitor van Mircea Cărtărescu de kroon op mijn werk, maar ik hoop dat er nog vele kronen en kroontjes volgen, ondersteund door de stimulans die deze prijs absoluut is. Ik ben van mening dat de Roemeense literatuur nog veel moois te bieden heeft en meen dat deze prijs ook een compliment aan de Roemeense letteren in het geheel is.

    Sinds 1981 bent u vertaler, was de politieke situatie in die jaren aanleiding om Roemeense literatuur te gaan vertalen: ofwel wat heeft u gewonnen voor de Roemeense literatuur?

    Nee, ik kan niet zeggen dat de communistische dictatuur een reden is geweest om Roemeense literatuur te gaan vertalen. Wel is het zo dat de Roemeense literatuur, die heel interessant is, van mij een literatuurliefhebber heeft gemaakt. En vanuit mijn belangstelling en liefde voor die literatuur kwam ook de behoefte om deze te delen met anderen. Zo ben ik al in mijn studententijd begonnen Roemeense literatuur – in eerste instantie gedichten en korte verhalen – te vertalen. Dankzij mijn toenmalige professor, Sorin Alexandrescu, heb ik contact gekregen met uitgeverij Meulenhoff, waar mijn eerste vertalingen zijn verschenen. Vanuit diezelfde wens om ‘mijn Roemenië’ met anderen te delen, heb ik ook zelf veel over het land geschreven, een handvol boeken en zo’n honderdvijftig artikelen.


    Dat maakt nieuwsgierig,
    wat maakte Roemeense schrijvers voor u zo interessant, wat was de klik? Veel van de huidige schrijvers komen voort uit een dictatuur, direct of indirect.

    Toen ik Roemeens begon te studeren, aan het begin van de jaren zeventig, bestond de dictatuur zo’n dertig jaar. Dat betekent dat er twee eeuwen Roemeense literatuur was van voor die tijd – en dan heb ik het nog niet eens over de periode van dooi tijdens de jaren zestig. Bovendien zijn er ook tijdens de jaren van het communisme, censuur of niet, prachtige boeken geschreven, die nog steeds waardevol zijn. Er was een belangrijke bloeiperiode van Roemeense literatuur aan het einde van de negentiende eeuw en ook de periode tussen de twee wereldoorlogen was voor de letteren heel rijk. Ik dook in de Roemeense literatuur als onderdeel van mijn ontdekkingsreis naar Roemenië – geschiedenis, cultuur, stedelijk leven, boerencultuur, enzovoort. En die ontdekkingsreis heeft geen eindbestemming.


    Wat was uw eerste kennismaking met de Roemeense literatuur?

    Ik las tijdens mijn studententijd – en herlees soms ook – met veel plezier de romans uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Sommige daarvan zijn ook in die jaren in het Nederlands verschenen (vertaald via een andere taal, het Duits of het Frans), zoals Răscoala van Liviu Rebreanu, vertaald als Opstand der boeren. Een van mijn favorieten was Patul lui Procust (Het Procrustesbed) van Camil Petrescu, dat ik ettelijke malen heb herlezen.

    Roemenië werd lange tijd als het zwarte schaap van de Oost-Europese literatuur gezien. Vorig jaar werd Sinds tweeduizend jaar van Mihail Sebastian in de Schwob Leesclub besproken. Zijn dat ontwikkelingen waar u blij mee bent?

    Dat de Roemeense literatuur het ‘zwarte schaap’ is, zou ik niet voor mijn rekening nemen, maar ik kan niet ontkennen dat ze nog onvoldoende is doorgebroken. Er zijn wel de nodige successen te noteren, die mijn medestrijder voor de Roemeense literatuur Jan Mysjkin en ik hebben geboekt. Jan vertaalde de afgelopen jaren de briljante romans van Max Blecher (1909-1938) in het Nederlands en ik heb zelf ook succes gehad met de trilogie Orbitor [De Bezige Bij] van Mircea Cărtărescu. De eerste twee delen werden genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. Ook het in 2016 bij Pegasus verschenen Boek der fluisteringen van Varujan Vosganian is zeer lovend besproken in de pers en ik heb begrepen dat de derde druk ervan bijna is uitverkocht. Dit boek, een semi-autobiografische roman gebaseerd op de familiegeschiedenis van de Armeens-Roemeense Vosganian, is een echte aanrader. Ook het succes van Sebastian is zeer verheugend. Ik hoop natuurlijk dat deze successen – plus het feit dat de Martinus Nijhoff Vertaalprijs aan mij is toegekend – meer uitgevers over de streep zal trekken.


    U vertaalde zo’n vijfentwintig romans uit het Roemeens, waren er lastige vertalingen bij? Ik denk aan titels waarvan de auteur niet meer leeft om te kunnen raadplegen, zoals met uw laatste vertaling van Mihail Sebastian.

    Eigenlijk zijn alle romans lastig om te vertalen, omdat je bij ieder werk de juiste toon moet zien te treffen, maar natuurlijk bieden bepaalde boeken meer uitdagingen dan andere. Hoewel het werk van bijvoorbeeld Cărtărescu heel lastig te vertalen is, heb ik hem maar een paar dingen gevraagd, en dan ging het bijna altijd over zogeheten realia, elementen uit de wereld waarin het verhaal zich afspeelde die bij mij niet bekend waren – bijvoorbeeld een verwijzing naar het werk van een dichter. De moeilijkheid ligt eigenlijk eerder – en dat is zo bij alle vertalingen die ik heb mogen doen – in het Nederlands dan in het Roemeens. Eenvoudig gezegd: ik weet wat er in het origineel staat, maar hoe zet ik dat om in het Nederlands? Sebastian lijkt bij eerste lezing geen moeilijke tekst en ook niet moeilijk om te vertalen, maar ik moet toegeven dat ik er enorm in heb zitten knoeien. Zelfs nadat de persklaarmaker van de Bezige Bij de tekst had bekeken, en helemaal geen onaardige dingen over mijn vertaling zei, heb ik hem toch nog een keer helemaal kritisch bekeken en veel dingen veranderd. Mijn grootste probleem is het vertalen van dialect en, bijvoorbeeld, boerentaal. Ik kan geen Moldavisch boerendialect in het Drents omzetten. Niet alleen ken ik, als Amsterdammer van huis uit, geen Drents of welk Nederlands dialect dan ook, maar het eindresultaat kan nooit bevredigend zijn omdat ieder dialect van een andere taal én in een ander land volledig andere gevoelswaarden heeft.


    De meest internationaal bekende Roemeense schrijver van dit moment is Mircea Cărtărescu. Heeft u een jonge Roemeense schrijver op het oog die hem kan evenaren?

    Er zijn veel jonge en oudere jongere schrijvers in Roemenië – en niet te vergeten in Moldavië – die heel interessante boeken schrijven, maar ik zou geen naam durven noemen van iemand van de jongere generatie die echt boven zijn of haar collega’s uitsteekt. Het kost een paar jaar om een goed boek te schrijven, en die zijn er gelukkig volop, maar het neemt een heel schrijversleven in beslag een goed oeuvre op te bouwen. Soms zijn er ook jonge schrijvers die een prachtig boek schrijven en dan valt het volgende werk weer wat tegen. Ik vind dat bijvoorbeeld Dan Lungu (geb. 1969), Filip Florian (1967), Bogdan Suceava (1969) en Lucian Dan Teodorovici (1975) een Nederlands publiek verdienen. Deze zijn allemaal wel in, onder andere het Frans, Duits en het Engels vertaald, maar wachten nog op een geïnteresseerde Nederlandse uitgeverij.


    U heeft ook woordenboeken Roemeens-Nederlands en Nederlands-Roemeens gemaakt. Voldeden bestaande woordenboeken niet voor een literair vertaler?

    Er waren eigenlijk helemaal geen woordenboeken voor het Roemeens, afgezien van een paar kleine zakwoordenboeken, en zeker geen vertaalwoordenboeken. Het Nederlands-Roemeens woordenboek is voortgekomen uit een initiatief van de Taalunie en het VU om woordenboeken te maken voor middelgrote Europese talen waarvoor in Nederland geen goede tweetalige woordenboeken bestonden: Roemeens, Hongaars, Grieks, Deens, Servisch, Pools… Ik maakte deel uit van het team dat uiteindelijk het Nederlands-Roemeens woordenboek heeft samengesteld. Omdat het project, om allerlei redenen, moeizaam verliep en het niet duidelijk was of er ooit nog een tweede deel, het Roemeens-Nederlandse deel, zou komen, ben ik daar toen zelf mee begonnen, gewapend met de ervaring en de kennis die ik had opgedaan bij het werk aan het eerste deel. Beide delen zijn toen bij uitgeverij Pegasus verschenen. Ik heb wel voor de grap gezegd dat ik het Roemeens-Nederlands woordenboek heb gemaakt omdat ik het nodig had bij mijn vertaalwerk, maar het is eigenlijk wel een beetje waar.


    Sinds kort bestaat er een vertaaltijdschrift, PLUK dat een podium biedt aan pas afgestudeerde vertalers. Hieruit blijkt dat jonge vertalers staan te trappelen om aan de slag te gaan.

    Ik ken het tijdschrift en de mensen die er met zoveel inzet aan werken en weet ook dat er wel vooruitzichten zijn voor de publicatie van een Roemeense vertaling op de korte termijn. Er waren eigenlijk geen opvolgers in zicht voor Jan Mysjkin en ondergetekende, maar sinds kort hebben we een jong talent ontdekt dat heeft aangegeven belangstelling te hebben voor het vertalen van Roemeense literatuur en de eerste stappen in die richting heeft gezet. Het vergt natuurlijk een enorme inzet om daarmee aan de slag te gaan, want je moet niet alleen goed Roemeens kennen, het is onontbeerlijk dat je ook de Roemeense literatuur kent en dat je ook Roemenië kent. Het vertalen van literatuur is een uitdaging maar is tegelijkertijd zeer bevredigend en het biedt je de kans om diep door te dringen in een andere cultuur.

     

     


    De Martinus Nijhoff Vertaalprijs is een Cultuurfondsprijs en werd al aan zo’n negentig vertalers uitgereikt, waaronder ook vertalers die de Nederlandse literatuur (Jan Wolkers, Harry Mulish en Annie M.G. Schmidt) naar een andere taal vertaalden. In 1955 was Aleida G. Schot de eerste die voor haar vertalingen van onder meer Poesjkin, Toergenjev, Lermontov, Gogol, Tsjechov de Martinus Nijhoff Vertaalprijs ontving. Aan de prijs is een bedrag verbonden van 35.000 euro.

    Vertalingen van Jan Willem Bos

    Foto: Jan Dirk van der Burg

     

  • Ik heb mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler

     


    Het driehonderdste Privé-domein deel is het brievenboek, Joseph Roth en Stefan Zweig, Elke vriendschap met mij is verderfelijk, Brieven 1927-1938. Hoewel de correspondentie door beide schrijvers gevoerd werd, zijn in het brievenboek maar enkele brieven van Stefan Zweig te vinden. De Joods-Oostenrijkse journalist en schrijver Joseph Roth (1894-1939) heette lange tijd een ‘Writers writer’ te zijn. In de afgelopen tien jaar is daar verandering in gekomen, onder meer door publicaties over en vertalingen van zijn werk door Els Snick. Dat begon ruim tien jaar geleden met de vondst van een zeer oude uitgave van de roman Job, op de boekenmarkt op het Spui in Amsterdam. Hoewel Els Snick al eerder werk van Joseph Roth had gelezen, werd ze tijdens het lezen van Job gegrepen door zijn herkenbare en consequente stijl waarop ze besloot te promoveren op het werk van Roth. In 2011 verscheen haar proefschrift Joseph Roth en zijn bemiddelaars in de Lage Landen. In 2014, ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van het overlijden van Joseph Roth, richtte ze samen met enkele Roth-vrienden het Joseph Roth Genootschap voor Vlaanderen en Nederland op.

    In de tweede week van februari was Els Snick (1966) In Nederland voor de presentatie van het brievenboek bij boekhandel Scheltema. Een mooi moment om haar te spreken. We ontmoeten elkaar bij Grand Café 1e Klas op het centraal station Amsterdam. Voor de herkenbaarheid zou ik een gele sjaal dragen, maar die had ik in de haast de trein te halen thuis aan de kapstok laten hangen. Dus nam ik het brievenboek onder mijn arm en liep het Grand café binnen. We herkenden elkaar op hetzelfde ogenblik: ik haar aan het tafeltje waarop verschillende boeken van Roth en aantekenbriefjes, zij mij door het brievenboek.

    Els Snick kent de biografie van Joseph Roth van voor naar achter en weer terug en toont zich een enthousiast verteller. Haar ogen beginnen te schitteren zo gauw ze over het werk en leven van Roth begint. Elke vraag roept een verhaal op dat haast onstuitbaar vertelt wordt.


    Wat was de reden om voor de Duitse taal te kiezen in een land waar Frans de tweede taal is?

    ‘Na de middelbare school heb ik een jaar in Brussel toneel gestudeerd. Veel theaterliteratuur was in het Duits uitgegeven en dat las ik allemaal. Mijn ouders waren ook wel gericht op de Duitse cultuur. Ik ben opgegroeid met Duitse componisten en met respect voor de klassieke Duitse cultuur. Ik was jong in de tijd van New Wave en Punk en las Kafka. De Duitse literatuur vond ik heel mooi. Misschien ook het gevoel dat ik daarmee een niche kon bespelen die niet zo gewild was. Het wekte om een vreemde reden bij veel mensen een afkeer op. Als ik op de vraag wat ik deed, ‘Duits’ zei, dan kon men geschokt reageren.’


    Door het beeld vanuit de Tweede Wereldoorlog?

    ‘Precies. Ook goede vrienden van mij, die echt links waren, zeiden dingen over Duitsers die ze nooit zouden tolereren als dat over willekeurig welke buitenlander dan ook gezegd zou worden. Dat fascineerde me, hoe er op gereageerd werd.
    In Belgïe is het wat moeilijker een uitgever te vinden voor Duitse literatuur dan in Nederland. Mijn eerste publicaties heb ik bij Bas Lubberhuizen, die ook een grote liefhebber is van Joseph Roth, uitgegeven. Lubberhuizen gaf in 1984 al een boekje uit over Joseph Roth in Nederland. Dat ontdekte ik toen ik voor mijn onderzoek naar het leven van Joseph Roth in Oostende (hij verbleef daar lange tijd, Iv/dG), stuitte op het verhaal van Roth in Nederland, door Lubberhuizen.
    De allereerste keer dat ik over Roth heb gesproken was in het kleine winkeltje van Lubberhuizen, voor een paar liefhebbers. Ik stond op een ladder, wijnglas in de hand, en de mensen om mij heen. Iemand vroeg, “Wanneer gaat u daar een boek over schrijven”. Ik zei, “dat weet ik niet”. Toen zei Bas Lubberhuizen, “Kom maar eens langs.” En zo is het dan gegaan.’


    Was het een moeilijke taak deze brieven te vertalen?

    ‘Het was een grote klus. Ik ben er toch wel acht tot negen maanden mee bezig geweest. Wat me het meeste werk heeft gekost is de voetnoten inkorten. Omdat ik het werk van Joseph Roth zo goed ken, wist ik wat ik kon weglaten. Zo’n tweehonderd bladzijden aan bijlagen en voetnoten heb ik weggelaten. Indirect ben ik jarenlang aan het voorbereiden geweest, heb veel van hem vertaald, over hem gepubliceerd. Als dit brievenboek mijn eerste kennismaking met Roth was geweest, had ik veel langer moeten zoeken. Zijn biografie ken ik helemaal dus ik weet wanneer hij die en die brief geschreven heeft, met welke roman hij intussen bezig was. Maar ook zijn taal ken ik daardoor goed, ik heb daarin mijn eigen stem gevonden als zijn vertaler. De meeste brieven in het boek zijn van Roth, de brieven van Zweig zijn verloren gegaan. Hij hield niets bij. Zweig hield alles bij, had een archief, Roth was een zwerver.’


    Wie zijn de bezorgers van de brieven?

    ‘Frederieke, de ex-vrouw van Stefan Zweig, was tijdens de laatste dagen van Joseph Roth in 1939 bij hem in Parijs. Ze heeft na zijn overlijden al zijn teksten verzameld. Een groot deel is terecht gekomen in het Leo Baeck Institute in New York. Zij heeft ook een selectie gemaakt van zijn brieven. Er waren brieven aan haar gericht, die ze dus niet heeft bewaard. Dat prikkelt soms de fantasie over de relatie tussen hen, sommigen denken dat er sprake was van liefde.
    De bezorgers van de Duitse versie van het brievenboek in 2011, waren de Amsterdamse Roth specialiste Madeleine Rietra en de Leipzigse Roth bibliograaf Rainer Joachim Siegel. Madeleine Rietra werkte in de Koninklijke Bibliotheek en had toegang tot veel materiaal van Roth. Ze heeft twee Duitse boeken uitgegeven met briefwisselingen van Roth met zijn Nederlandse uitgeverijen. Het is weinig bekend dat Madeleine Rietra veel onderzoek heeft verricht voor het notenapparaat.
    Na de oorlog is er tamelijk veel uitgegeven van Joseph Roth. In de jaren zestig zijn zes delen verzameld werk en de brieven uitgegeven. Dat is toen nogal slordig gebeurd. Rietra heeft bijvoorbeeld ontdekt dat daar brieven in stonden waarvan maar één beschreven kantje van de brief was opgenomen, de achterkant van de brief was niet daarin meegenomen.’


    Wat tekende de verbondenheid van deze twee Duitse schrijvers?

    ‘Als gevluchte joden hadden ze natuurlijk het jodendom als verbindende factor, dat was de rode draad in hun vriendschap. Toen Stefan Zweig in 1936 schreef aan de symbolische Joodse legende, De verborgen kandelaar, had hij Roth nodig. Roth was veel beter thuis in de Oost-joodse volkse tradities, en ook het jiddisch kende hij beter dan Zweig. Hoe weinig belijdend ze ook waren, ze gingen nooit naar de synagoge, maar ze deelden de cultuur en het lot van de joden in Europa. In de brieven gaat het veel over het Europa dat uit elkaar valt. Ook de onzekerheid van Zweig als schrijver komt daarin naar voren. Het gaat met Zweig bergaf, hij pleegt tenslotte in 1940 zelfmoord. Ooit was hij wereldwijd beroemd en dan slaat het om, dat maakte hem onzeker. Hij vraagt raad aan Roth en deze schrijft heel openhartig: ‘Je moet schrappen, je moet minder adjectieven gebruiken.’ Zweig zocht bij hem erkenning en Roth vertelde hem dan dat hij in Nederland mensen had ontmoet die zijn boeken geweldig vonden.’


    Op we
    lk vlak schuurde het tussen hen.

    ‘Zweig hield zich altijd op de vlakte wat openlijke kritiek tegen de nazi’s betrof. Roth deed het tegenovergestelde, die stond met zijn voeten in de modder om mensen te helpen. Richtte vluchtelingen comités op en als hij geld had, deelde hij het uit aan mensen die nog armer waren dan hij zelf. Hij vond al die bezwaren van Zweig, over stoppen met drinken en dat hij in een normaal huis moest gaan wonen, onzin. Die brieven van Zweig gaan veel over Roth’s alcoholisme.’


    In zijn brieven na 1933 komt Roth als een getormenteerde man naar voren. Hij wordt wantrouwig naar uitgevers, vrienden. Zijn brieven aan Zweig worden ruzieachtig.

    ‘Dat is niet helemaal vreemd. Toen hij in 1933 ervoor koos uit Duitsland te vluchten, stond hij op het punt een succesvol schrijver te worden. Als vluchteling is hij afhankelijk van anderen geworden. En ja, in die brieven zeurde hij altijd maar om geld, om een goed woordje bij uitgevers. Dat is dan misschien ook wel weer het nadeel van het inkor

    ten van die voetnoten, want daaruit blijkt dat hij wel belazerd werd. Al die Joodse schrijvers zochten contact met uitgevers in het buitenland die Duitse boeken wilden uitgeven, zoals Querido in Amsterdam. Maar er werd ook gesjoemeld met die contracten. Zo ontdekte Roth dat zijn contract voor De Radetzkymars verkocht was aan een maatschappij in Zwitserland. Daar heeft hij nooit een cent van gezien. Hij had dus wel reden om zich verlaten te voelen, wantrouwig te zijn. En door zijn alcoholisme, werd zijn aura van onbetrouwbaarheid natuurlijk groter. Dan was er de gewoonte elkaar te ontmoeten als ze beiden in dezelfde stad waren, Berlijn of Parijs. Als Zweig in 1938 in Parijs is en Roth niet heeft opgezocht, kan Roth dat niet begrijpen en ontstaat er een breuk. Er komen nog een paar brieven maar de toon is dan een stuk killer. Daarna stokt de briefwisseling.’


    Op het persoonlijke vlak is het een pijnlijke relatie merk je uit hun brieven.

    ‘Joseph Roth had een ellendig leven. Hij had vreselijke pech met zijn eerste vrouw, (Friedl Reichler, werd een paar jaar na hun huwelijk voor de rest van haar leven in een instelling voor geesteszieken opgenomen, Iv/dG). Dan schrijft Zweig op een bepaald moment aan hem dat hij hem zijn ellende benijdt. Ik denk dat Roth hem heeft geschreven over een bepaalde scene in de roman Job, waarin de dochter des huizes waanzinnig wordt, gebaseerd op zijn ervaringen met zijn vrouw. Zweig schrijft, ‘Want waar moet ik het altijd maar vandaan halen. Mijn leven verloopt zo vlekkeloos. Ben je je er wel van bewust dat die ellende ook een cadeau is?’ Het is een wat eigenaardige reactie. Natuurlijk kon Roth al die ervaringen gebruiken in zijn romans. Hij kende het nachtleven, prostituees enzo. Maar als Zweig schrijft dat hij hem benijdt, weet ik niet hoe dat voor Roth aanvoelde.’


    Het werk van Roth wordt nog steeds actueel genoemd. Is dat om de vluchtelingen thematiek?

    ‘Neem het essay Juden auf Wanderschaft uit 1927, (Joden op drift, 2016 vertaling Els Snick, IvdG). Als je daarin Oost-joden vervangt door Syriërs, dan gaat het gewoon over nu.
    Op het moment ben ik een boek aan het vertalen met reportages over Albanië uit 1927 en Italië uit 1928. in Italië kwam Mussolini aan de macht. Het gaat over Europa dat na de Eerste Wereldoorlog overeind probeert te blijven, er zijn spanningen op de Balkan. Het nieuwe staatje Albanie wordt bedreigd door Italië en Joegoslavië dat later Servië wordt. Als je dat leest, lijkt het over vandaag te gaan. Over corruptie in Albanië, de mafia, Amerikanen die daar proberen de markt te verov

     

    eren, met scheermesjes van Gillette bijvoorbeeld. Ongelooflijk actueel. Over Mussolini vertelt Roth dat als hij door de straten van Italië loopt er overal afbeeldingen van Mussolini zijn, en in de kranten de censuur. Zoals nu met Trump is gebeurd, die door fakenieuws aan de macht kwam.’


    Na tien jaar met Joseph Roth te zijn bezig geweest, ben je nog iets nieuws op het spoor gekomen?

    ‘Omdat er zo weinig brieven behouden zijn van Zweig aan Roth, is er de keuze gemaakt om in deze uitgave brieven van Zweig – waarin hij over Roth aan derden schrijft – op te nemen. Dat is wel verhelderend, hoe anderen over Roth spreken. Dat is nog harder dan Zweig doet in zijn brieven. Over zijn alcoholisme, zijn gemoedstoestand, je krijgt daardoor wel een vollediger beeld van Roth. En de naam van een Vlaams meisje, waar Roth in 1931 in Antibes een affaire mee had, heb ik kunnen achterhalen.
    In die eerste brievenuitgave was haar naam verkeerd gespeld. Er was daardoor niets over haar te vinden. Roth beschrijft haar in een brief als de dochter van een burgemeester uit Brugge. Toen heb ik alsnog die familie kunnen achterhalen. Het was een opstandig meisje uit adellijke kringen. Als haar ouders over deze relatie horen, wordt ze binnen een jaar uitgehuwelijkt aan een Brusselse zakenman en krijgt in vijf jaar tijd vijf kinderen. Ze dronk en mishandelde haar kinderen. Drie van die kinderen zochten een jaar geleden contact met mij. Ze dachten dat het om een relatie met Stefan Zweig ging. Een van die kinderen heeft alles van Zweig gelezen, in de hoop een spoor van zijn moeder daarin te vinden. Hij ging zelfs naar Brazilië om het graf van Zweig te bezoeken. Toen bleek het dus om Roth te gaan. Ze wisten niet van het bestaan van die brieven waarin Roth over ‘die kleine’ schrijft. Ze hebben die brieven toen gelezen.’


    Hoe zou je zelf Joseph Roth als persoon omschrijven?

    ‘Door mensen die hem gekend hebben werd hij omschreven als een sympathieke en charmante man, maar ook als iemand met nare kantjes als je ruzie met hem kreeg. Hij voelde zich snel in het nauw gedreven als men niet op zijn wensen inging. Hij kon ook overdrijven: het geld had hij niet alleen voor zichzelf nodig maar voor ‘hele negerstammen ‘ die hij zogenaamd moest onderhouden.
    Ik denk dat zijn karakter sterk getekend was door de drank. Hij kwam op voor zijn principes en sloot geen compromissen. Hij schreef de dingen altijd heel goed op. Ondanks de drank was hij een wakkere geest, dat is ongelofelijk. Als je bedenkt dat De legende van de Heilige drinker, dat mooie boekje dat hij op het einde van zijn leven, als hij al bijna dood is door de drank, heeft geschreven. Ondanks de alcohol, bleef hij trefzeker formuleren, dat is het werk van een kunstenaar.’

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto: Annie Boedt

  • Hero Hokwerda over Griekse literatuur en Nikos Kazantzakis

    Gesprek met een toegewijd vertaler

    Terwijl bijna iedereen Homeros kent of tenminste van zijn Ilias en Odyssee gehoord heeft, is de moderne Griekse literatuur voor de meeste lezers onontgonnen gebied. De dichter Konstantínos Kaváfis geniet enige bekendheid en vanwege Zorba de Griek doet de naam Nikos Kazantzakis ook nog wel een belletje rinkelen, maar dan houdt het voor velen op.
    Hero Hokwerda probeert daar als vertaler al bijna veertig jaar verandering in te brengen. Sinds 1979 heeft hij meer dan vijftig Griekse schrijvers in Nederland geïntroduceerd. Recent verscheen Kapitein Michalis, zijn derde (her)vertaling van een roman van Nikos Kazantzakis.


    Net als hun collega’s in de meeste West-Europese landen zijn Nederlandse uitgevers nooit uitzonderlijk geïnteresseerd geweest in de moderne Griekse literatuur. Terwijl die literatuur volgens vertaler Hero Hokwerda (1949) het ontdekken meer dan waard is. ‘Zij is mooi en zij heeft iets te zeggen.’

     

     

    Leuren met literatuur

    Hokwerda droeg veel van de titels die hij vertaalde zelf aan bij potentiële uitgevers. ‘Het is niet zo dat uitgevers bij mij op de stoep staan met boeken die ze vertaald willen hebben. Ik moet er zelf achteraan zitten en ermee leuren.’ Niet al zijn keuzes en aanbevelingen bleken bij uitgevers in de smaak te vallen: ‘Dode schrijvers verdwenen van de stapel, verhalenbundels waren niet in trek: er bleef al snel niets meer over.’

    ‘Of een uitgever zelf iets met Griekenland heeft, is vaak doorslaggevend. In de tijd dat Maarten Asscher directeur was bij uitgeverij Meulenhoff kostte het relatief weinig moeite om daar belangstelling te wekken voor een roman of voor verhalen.’ Toen Maarten Asscher vertrok, bleek Meulenhoff zelfs geen belangstelling meer te hebben voor de al voltooide vertaling van de novelle Gioconda van Nikos Kokantzis, waarvoor het contract al getekend was.
    Gioconda werd vervolgens de kern van een bloemlezing – Gioconda. De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Een bloemlezing – die in 2004 verscheen bij Ta Grammata, een uitgever die nadrukkelijk ‘het bevorderen van de kennis van en liefde voor de Griekse literatuur in het Nederlands taalgebied’ tot doel heeft. Hokwerda is als redactiesecretaris en vertaler nauw betrokken bij het fonds.


    Grote Griekse thema’s

    Hoewel Hero Hokwerda klassieke talen studeerde, heeft hij zich altijd gericht op het moderne Griekenland. Hij ziet het hedendaagse Griekenland niet als een uitloper van de klassieke oudheid en moderne schrijvers niet alleen maar als erfgenamen van Homeros, maar hij realiseert zich dat velen dat onderscheid tussen historische tijdperken niet maken en dat de Grieken zelf hoe dan ook een speciale band met de oudheid hebben, alleen al door de taal en doordat zij in hetzelfde gebied wonen.
    Hokwerda is kieskeurig als het gaat om de boeken die hij vertaalt: ‘Ik wil boeken vertalen die iets over Griekenland zeggen. Die inzicht geven in hoe Grieken hun land en hun verleden beleven, én hoe ze omgaan met de uitdagingen van de tegenwoordige tijd.’

    Dat betekent dat hij bijna automatisch uitkomt bij romans en verhalen over onderwerpen die een belangrijke rol spelen in de recente Griekse geschiedenis: de beide wereldoorlogen, de ‘Grote Catastrofe’ in 1922, toen de Turken Izmir veroverden en de Griekse bevolking de stad en Turkije moest verlaten, en de Griekse Burgeroorlog (1946-1949).
    Hoewel er in zijn ogen geen Grote Griekse Roman verschenen is over één van deze onderwerpen – ‘misschien zitten ze daarvoor te vast in hun verleden’ – zou Hokwerda graag Η ζωή εν τάφω (‘Leven in het graf’) van Stratis Myrivilis (1890-1969) vertalen. ‘Je kunt die roman zien als de Griekse equivalent van Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque. Het gaat over de loopgravenoorlog op de Balkan.’
    Ook Το Κιβώτιο (‘De kist’) van Aris Alexandrou (1922-1978) verdient het om vertaald te worden. ‘In deze roman krijgt tijdens de Burgeroorlog een groep partizanen de opdracht een kist met iets belangrijks van a naar b te verslepen. Aan het eind van hun “overlevingstocht” blijkt de kist leeg. Het is een existentialistische roman. De vrijdenker Alexandrou beperkt zich niet tot een eenzijdig beeld van de burgeroorlog.’
    Of die vertalingen er komen, hangt ook weer af van de bereidheid van een uitgever om een financieel risico te nemen, want ‘eigenlijk kan het publiceren van vertaalde Griekse literatuur niet uit’.
    Dat de Griekse overheid het vertalen van Griekse literatuur niet langer financieel ondersteunt, speelt daarbij een rol. ‘Het wachten is nog steeds op de herstart van wat je het “Grieks letterenfonds” zou kunnen noemen.


    Eerste integrale vertalingen Kazantzakis’ drieluik

    Voor het idee om drie romans van Nikos Kazantzakis (1883-1957) opnieuw te vertalen, vond Hero Hokwerda in Koen van Gulik van Wereldbibliotheek – daar verscheen in het verleden al werk van Kazantzakis – een geïnteresseerd uitgever. Van Gulik kende Kazantzakis uit de boekenkast van zijn ouders.
    Het recent verschenen Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) (1955, vertaling 2018) vormt samen met Leven en wandel van Zorbás de Griek (1946, vertaling 2015) en Christus wordt weer gekruisigd (1952, vertaling 2016) een drieluik. In tegenstelling tot vroeger werk van Kazantzakis gaan deze romans over ‘echte, levende mensen en niet langer in de eerste plaats over abstracte ideeën’.
    De drie romans werden eerder – door verschillende vertalers voor verschillende uitgeverijen – vertaald in het Nederlands, maar Hero Hokwerda is de eerste die Βίος και Πολιτεία του Αλέξη Ζορμπά, Ο Χριστός Ξανασταυρώνεται en Ο Καπετάν Μιχάλης rechtstreeks op basis van de definitieve, integrale tekst uit het Grieks vertaalde.

    Dat het werk van Kazantzakis aanvankelijk via een omweg de Nederlandse lezer bereikte, lag niet alleen aan het feit dat er – ook toen, in de jaren vijftig en zestig – maar weinig Nederlandse vertalers het Nieuwgrieks machtig waren. ‘Zeventig jaar geleden werd er toegewerkt naar de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan Nikos Kazantzakis. Kazantzakis werkte daar graag aan mee. Hij vond het eigenlijk niet meer dan terecht dat hij die Nobelprijs zou krijgen.
    Met name Max Tau, een Duits-Noorse literair agent, spande zich in om het werk van Kazantzakis in allerlei West-Europese talen vertaald te krijgen. Daartoe stelde Kazantzakis vaak nog voorlopige versies van zijn romans beschikbaar. Die nog niet definitieve teksten werden in het Duits vertaald, en daaruit weer in het Engels en Zweeds, en via die vertalingen in het Nederlands.’

    Wie die eerste vertalingen van H. Edinga, André Noorbeek, H.C.M. Edelman vergelijkt met die van Hokwerda zal de nodige verschillen opmerken. Die zijn niet alleen maar terug te voeren op het via-via vertalen en de inzichten en gekozen oplossingen van de diverse vertalers – Hokwerda: ‘met name de Zweedse vertaler heeft het nodige toegevoegd en weggelaten’, maar dus ook met de nog onvoltooide staat waarin de romans die vertalers bereikte.

     

    De tale Kazantzakis’

    Nikos Kazantzakis behoort tot de toonaangevende schrijvers van Griekenland, maar de houding van het Griekse (lezers)publiek is ambivalent. ‘Hij wordt veel vereerd, voor sommigen is hij zelfs een goeroe, maar moderne Grieken kunnen ook moeite hebben met de toeristische en folkloristische sporen die het gevolg zijn van het succes van Zorba de Griek, de film van Michael Cacoyannis met Anthony Quinn als Alexis Zorbas. Al Kazantzakis kan er natuurlijk niets aan doen dat al die taverna’s voor toeristen “Zorbas” heten. En in de roman zit zoveel meer dan in de film.’

    Een vanuit literair oogpunt belangrijker bezwaar dat tegen Nikos Kazantzakis ingebracht wordt, is zijn taal. Kazantzakis gebruikte de Kretenzische variant van de dimotikí, de op de spreektaal geënte versie van het Grieks. ‘In de vertaling is dat makkelijk. Dan hoef je je niet aan zijn Kretenzisch gebonden te voelen. Ik vertaal zijn Kretenzisch in gewoon Nederlands, maar Grieken zitten wel vast aan de taal van Kazantzakis.
    Die taal was in zijn tijd modern, en was ook zeker als modern bedoeld, maar intussen is het voor veel Grieken een heel ouderwets, gedateerd taalgebruik, dat ook niet altijd even goed meer begrepen wordt.’
    Hero Hokwerda heeft geen moment overwogen om te zoeken naar een Nederlandse equivalent van Kazantzakis’ Kretenzisch. Zijn stijl bleef hij vanzelfsprekend wel trouw: ‘Kazantzakis schrijft heel levendig, heel direct, en rauw ook soms. Dat moet natuurlijk wel overgebracht worden.’

     

    Dichter en denker

    Hoewel Nikos Kazantzakis zeker in Nederland vooral bekend is als schrijver van romans, zag hij zichzelf in de eerst plaats als dichter en als denker. ‘De romans heeft hij maar een beetje als bijzaak beschouwd. Door het schrijven van romans bevrijdde hij zich als het ware van zichzelf. Dan was hij op vakantie uit  zijn “hogere bevlogenheid”. Dan hoefde hij niets van zichzelf.’

    ‘Gelukkig maar, want hij heeft een paar heel mooie romans geschreven, denk ik dan’, laat Hero Hokwerda erop volgen. Want het werk dat Kazantzakis zelf als de kern van zijn oeuvre beschouwde – zijn toneelstukken en zijn poëzie, waaronder zijn opus magnum: Οδύσεια (1938), een episch gedicht in 33.333 verzen bedoeld als vervolg op dé Oydysee van Homeros – is aan Hokwerda niet besteed.
    ‘Het ging hem bij de Οδύσεια ook om het werk als poëzie, maar het was vooral een kapstok om zijn ideeën aan op te hangen. Het is me in meerdere opzichten te groot. Het gaat niet alleen om het aantal bladzijden en het aantal regels. Het is mij te hoog bevlogen. Het is te veel. Daar ben ik te nuchter voor, ben ik bang.’

     

    De Kretenzer Kazantzakis

    ‘Nikos Kazantzakis zag zichzelf als Kretenzer én als wereldburger. Hij reisde veel, vestigde zich her en der, maar het Kretenzische heeft hij nooit losgelaten, ook in zijn werk niet. Het historische verhaal van “Zorbas” speelt op de Peloponnesos, maar dat heeft hij getransponeerd naar Kreta. Christus wordt weer gekruisigd speelt in Klein-Azië, maar is toch ook heel Kretenzisch, en in Kapitein Michalis keert hij terug naar het Kreta van zijn jeugd.
    Zelf zei hij dat alles wat hij schreef doortrokken is van de “Kretenzische blik”. Hij gaat daarbij terug naar de Minoërs, naar de stier-springende jongelingen op een muurschildering in Knossos. Zoals die jongens met de stier spelen, wat toch tamelijk gevaarlijk is, zo gaat de Kretenzer met de dood om: die ziet hij met open ogen tegemoet.’
    Het is de houding die Kapitein Michalis kenmerkt, die moet kiezen tussen vrijheid en dood, een houding die ook Alexis Zorbas en sommige personages uit Christus wordt weer gekruisigd niet vreemd is.

    Op de motieven van kapitein Michalis is het een en ander af te dingen. ‘Kapitein Michalis wordt meestal gezien als vrijheidsstrijder, maar het is wel een rare vrijheidsstrijder. Kreta lijkt hem niet zoveel te kunnen schelen, het gaat hem eigenlijk meer om zichzelf. Eigenlijk heeft kapitein Michalis de Kretenzische zaak verraden. Er zijn anderen, waaronder Polyxingis, op wie kapitein Michalis neerkeek, die kraniger aan de zaak van Kreta vasthielden.’

    ‘Kazantzakis was zelf ook een vat vol tegenstrijdigheden. Hij wilde eigenlijk dolgraag een man van actie zijn, maar zijn actie was het schrijven. Hij heeft moeite gehad zich daarmee te verzoenen. Eigenlijk is Leven en wandel van Zorbás de Griek zijn verzoening met die tweeslachtigheid. De personages Alexis Zorbas en “de schrijver” vertegenwoordigen de twee kanten van zijn persoonlijkheid.’

     

    Vrijzinnige denkbeelden

    Dat het graf van Nikos Kazantzakis zich in Iraklion op een bastion bevindt dat stamt uit de Venetiaanse tijd en niet op een kerkhof is het gevolg van een controverse met de Grieks-Orthodoxe kerk, die de denkbeelden van de schrijver hekelde. Inmiddels is hij min of meer gerehabiliteerd, en werd hij ter gelegenheid van zijn zestigste sterfdag op verschillende manieren geëerd, ook van kerkelijke kant.
    Kazantzakis had zijn eigen kijk op religie en wereld. ‘Er zijn mensen die geneigd zijn om hem als atheïst te bestempelen, maar dat is mijn ogen onzin. Hij was op een vrijzinnige wijze orthodox. Kazantzakis verwierp het idee van een persoonlijke God en het idee van opstanding uit de dood en een leven in een hiernamaals.
    Op basis van zijn eigen inzichten probeerde hij een godsdienst te ontwerpen, en hij heeft het ideaal gehad om, toen hij in 1914 naar de berg Athos ging, ook daadwerkelijk een nieuwe godsdienst te stichten. Dat zou ongetwijfeld een moderne godsdienst zijn geweest, zonder persoonlijke God en hiernamaals. Het hele leven speelde zich volgens Kazantzakis op aarde af.’

    ‘De vrijzinnige manier waarop Nikos Kazantzakis omgaat met het godsbegrip en het lijden en de dood – onderwerpen waar iedereen mee kan zitten of in elk geval mee te maken kan krijgen – is nog steeds actueel. Zijn worsteling met deze algemeen menselijke onderwerpen zou ook tegenwoordig veel mensen moeten kunnen aanspreken. Bovendien richtte Kazantzakis zich niet alleen op de verlossing van het individu. Hij had ook uitgesproken ideeën over het “verlossen” van de samenleving. Zoals de mens als individu door alle mislukking, nederlaag en dood heen zich telkens weer moet oprichten op de weg naar het hogere doel, dat is de strijd voor de weg omhoog, zo moet ook de samenleving dat; ook daar is elke mislukking tegelijk een nieuw begin op de eindeloze weg omhoog.’

     

    Voor Hero Hokwerda zit het vertalen van het werk van Kazantzakis er na Kapitein Michalis (Vrijheid of dood) voorlopig op. Zijn volgende vertaling is overigens al zo goed als klaar: Hitlers geheime dagboek van Charis Vlavianós. ‘De roman speelt in 1923, 1924 als de putsch mislukt is, Hitler in de gevangenis zit en zijn proces uitbuit om er weer helemaal bovenop te komen.’
    De roman zal in 2019 verschijnen, hoogstwaarschijnlijk bij Ta Grammata.

     

    Foto Hero Hokwerda: © Eva Overbeeke.

    Recensies van van Nikos Kazantzakis op Literair Nederland:
    Leven en wandel van Zorbás de Griek.
    Christus wordt weer gekruisigd.
    Kapitein Michalis  (Vrijheid of dood).

     

     

  • Het is mooi als het nog een kant op kan

    De Portugese fotografe Ana Carvalho (1952, Porto) is van oorsprong vertaler. Ze vertrok halverwege de jaren zeventig naar Berlijn waar ze Thomas Mann en Ernst Jünger in het Portugees vertaalde. Later, toen ze in Nederland woonde, vertaalde ze Adriaan van Dis, Hugo Claus en Judith Herzberg. Sinds tien jaar is ze fotografe en sinds twee jaar vormgeefster bij Zuca-magazine, een online tijdschrift voor vertaalde Portugeestalige literatuur waar ze samen met haar man, vertaler Harrie Lemmens, invulling aan geeft. Op 13 juni, de dag dat Fernando Pessoa 130 geleden in Lissabon geboren werd, verschijnt het fotoboek Het uurwerk van de ziel van Ana Carvalho.

    Het uurwerk van de ziel is een keuze uit de gedurende twee jaar wekelijks gepubliceerde korte citaten uit het Boek der rusteloosheid door Fernando Pessoa in vertaling van Harrie Lemmens, begeleid met een foto van Ana Carvalho op Zuca-magazine.

    ‘Een dialoog’ merkt Ana Carvalho op als we in Utrecht tegenover elkaar aan tafel zitten bij restaurant De Rechtbank. ‘Mijn foto’s zijn geen illustraties maar gaan een dialoog aan met literaire teksten.’

    Literair Nederland ging met haar in gesprek over Portugese literatuur, foto’s voor boekomslagen en waar haar inspiratie vandaan komt.

     

    Zijn de foto’s er eerst en wordt daarbij een tekst gezocht of is een tekst het uitgangspunt?

    ‘De foto’s maak ik veelal zonder opdracht. Ik ben doorlopend aan het fotograferen. In Portugal heb ik een paar jaar geleden een catalogus van mijn werk gemaakt met teksten van Antonio Lobo Antunes, een hommage aan de schrijver. De teksten zijn er al en vormen het uitgangspunt. Mijn laatste fotoboek was wel een opdracht, van de stad Póvoa de Varzim bij Porto. In dat boek heb ik een beeld van de stad geschetst in verbintenis met de zee met de titel MarTerraMar (ZeeLandZee). Omdat de zee belangrijk is voor de economie en cultuur van de stad. De citaten van Pessoa voor Zuca-magazine waren er natuurlijk al en daar zocht ik een foto bij. Bij zijn zinnen pasten mijn meer abstracte foto’s.’

     

    Hoe ontstaat een beeld zoals deze verfspuwende kraters?

    ‘Ik ensceneer nooit voor een foto. Deze foto maakte ik op een bouwplaats. Ik fotografeer graag op plaatsen waar gewerkt wordt. Ook op scheepswerven. Dit is nadat er een kwast is uitgeschud tegen de muur. Wat ik erin zag is een soort vallen, vallende druppels maar dan zonder beweging.’


    Wat is de aantrekkingskracht van een bouwplaats?

    ‘Bouwvakkers hebben een bepaalde structuur van werken. Ik heb er verschillende stillevens gemaakt. Dan staat er een emmer, de kwasten, een potje. Alles zetten ze klaar voor ze aan het werk gaan. Dat heeft mijn interesse en dat fotografeer ik. Ik fotografeerde in Portugal eens een muur op een bouwplaats. Tegen de schilder zei ik, “Dat is kunst wat je daar maakt.” Toen zei hij: “U moet straks nog eens komen, dan is het nog veel mooier.” Maar ik vind het mooi als een werk nog niet af is, zodat het nog alle kanten op kan. Een strak geschilderde muur heeft niets meer te vertellen. Wat ik doe met fotografie is de werkelijkheid in fictieve beelden vangen. Als ik een deur zie, zie ik geen deur maar de vorm van een deur. Composities van vorm, ruimte en kleur.

     

    Hoe kom je tot deze vorm van beelden maken, was er een eerste keer?

    ‘Ik maak zintuiglijke foto’s. Ik fotografeerde altijd al veel, maar niet zozeer de gewone foto’s die je in een album plakt. Wat ik zoek zijn de sporen van de tijd, de vergankelijkheid van de dingen. Ik voel me aangetrokken tot beelden die iets anders laten zien dan wat het in werkelijkheid is. Ik was een keer in een kelder waar een trap op een onmogelijke plek zat, de traptreden en de geometrie van dit alles trok me aan. Dat werd mijn eerste abstracte foto. Ik werk veel met diagonalen, contrast, licht en schaduw en dat met de sporen van de tijd. De tijd vind je in verschillende lagen terug in een beeld. Dat kan een deur zijn met afgebladderde verf, een affiche aan de muur dat er al jaren hangt, roestige schepen. Imperfectie is wat ik interessant vind en fotografeer. Het zijn sporen die spontaan ontstaan zijn, dat breng ik in beeld.’

     

    Is er wel eens een moment geweest dat je op zoek ging naar een bepaald beeld?

    ‘Toeval is een belangrijk aspect in mijn werk. Ik ga niet op zoek, ik loop rond en dan treft me iets. Net als Picasso zei: “Ik zoek niet, ik vind.” Dat is zoals ik werk, ik kom het tegen, ik zoek het niet op. Ik zie bijvoorbeeld sporen van slijtage op een muur en maak er een foto van. Maar dan zie ik daarnaast iets dat veel interessanter is. De beste foto zat waar ik niet zocht. Ik fotografeer geen composities, ook mensen fotografeer ik als objecten van een compositie, als personages in een verhaal. Het is dat wat ik zie en fotografeer wat het wordt. Ik hoef het niet in te kaderen of te bewerken, het enige wat ik soms doe is kleur toevoegen.’

     

    Zoals een schrijver notities maakt, maakt Ana Carvalho doorlopend aantekeningen met haar fototoestel. Net als de notities van een schrijver, is niet alles bruikbaar. ‘Ik kies uit wat er het beste in past, in dialoog met een tekst.’

    De laatste jaren leverde ze de afbeeldingen voor verschillende boekomslagen, zoals voor de in het Nederlands verschenen romans van Eduardo José Agualusa, Raduan Nassar en Dulce Maria Cardoso.

     

    Is het anders om een foto bij een boek te zoeken dan bij een enkel citaat?

    ‘Meer dan dat ik foto’s maak, maak ik afbeeldingen. Een fotograaf maakt de keuze van portret- of documentaire fotografie. Bij mij gaat het om het detail, om kleur en de vorm. Ik heb een eigen stijl ontwikkeld. In Het uurwerk van de ziel is uitgegaan van een enkele zin en daar heb ik een beeld bij gezocht. Voor een boekcover is dat anders, dan zoek ik een beeld dat een reactie is op het hele boek, dat het verhaal moet weergeven. Voor de hommage aan Lobo Antunes heb ik voor een heel oeuvre beelden gezocht. Dat is duidelijk moeilijker. Ik heb dat toen in drie hoofdstukken ingedeeld: personages, scenario’s en geheugen.’

     

    Er komen weinig mensen op je foto’s voor, waarom is dat?

    ‘De foto’s die ik maak zijn fictie, net als literatuur. Ook mensen zie ik als fictieve personages. Laatst maakte ik een foto van een vrouw die haar hand naar het achterhoofd van een man beweegt. Ze zaten op een bank, ik zag ze van achteren. De zon scheen en ik fotografeerde hen op het moment net voor haar hand op zijn hoofd neerkwam. Dat is het dus, een hand die in de lucht blijft, dat is een verhaal. Je weet niet of zij überhaupt haar hand op zijn hoofd legt of weer terugneemt. En dat is fictie. Zo’n foto maak ik zo snel dat ik niet aan alles denk wat ik er in eerste instantie in zie. Als in een flits zie ik de huizen op de achtergrond, de brug en de twee personages op de bank. In basis is alles daar, de kijker kan er een verhaal van maken. Als ik iets zie, moet ik het direct kunnen fotograferen. Maar zelfs een foto die onscherp is, kan goed zijn. Kan ik gebruiken voor een tekst.’

     

     


    Past het bij deze tijd deze snelle manier van fotograferen?

    ‘Vroeger was er niet veel keus in het maken van foto’s. Je moest werken met de apparatuur die er voorhanden was. Met een digitale camera werkt het sneller, en dat past heel goed bij mij, hoe ik de werkelijkheid in fictieve beelden zie. Snel kunnen reageren is belangrijk voor mijn werk.’

     

    Welke kunstenaars hebben je geïnspireerd?

    ‘Het begon met het constructivisme in de schilderkunst. Ik herinner me dat ik in het Van Abbemuseum was en daar werk zag van de Russische kunstenaar El Lissitzky. De kleuren en de vormen, het was een openbaring voor me. Een ander moment was in een kerk in Rome waar een schilderij van Caravaggio hing. Het was er donker, ik kon het werk niet goed zien. Toen deed een bezoeker een munt in een apparaat en scheen er opeens licht. Het rood uit het schilderij sprong op me af. Ik heb het schilderij niet kunnen zien, alleen dat rood. Het was overweldigend en had een grote impact op me. Het enige dat echt indruk op me maakte van dat hele schilderij. Rood is zo rood bij Caravaggio, zo fel. Toen werd rood mijn kleur, wilde ik het gebruiken. Ook film noir is voor mij belangrijk geweest. De foto met de twee personages en de hand bijvoorbeeld is voor mij als een still uit een film, een fragment. En natuurlijk de fotograaf Cartier-Bresson, die werkte veel met schaduwen, lege plekken in het beeld.’

     

    Welke Portugese schrijver heeft veel voor je betekend?

    ‘Lobo Antunes was toentertijd voor mij echt een ontdekking, zoals voor veel Portugezen. Hij heeft de werkelijkheid zo goed beschreven, de koloniale oorlog, de revolutie. Bijvoorbeeld in De pracht en praal van Portugal, een heel sterk boek, en Fado alexandrino. Zijn stijl spreekt me erg aan. En ook José Saramago, hoewel niet alles van hem me aanspreekt, maar Memoriaal van het Klooster, heeft sterke beelden.’

     

    De titel van het boek ‘Het uurwerk van de ziel’ doet denken aan een citaat van Pessoa.

    ‘Nee, het is geen citaat van Pessoa. Ik was wel aan het werk voor een expositie van Pessoa over Rusteloosheid, toen het beeld daarvoor ontstond. Ik zette zinnen van Pessoa op papier en knipte die uit. Ik had ze op de tafel uitgespreid. De uitgeknipte woorden lagen over elkaar heen en het woord alma (ziel) was zichtbaar en daarnaast mijn horloge. Dan zie ik de grafische vorm erin en maak een foto. Daarna heb ik er kleur in aangebracht en dat werd de cover. In het Portugees is het ‘O Relógio da Alma’.

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

    Het uurwerk van de ziel (uitgeverij Koppernik).
    Deze link verwijst naar de site van Ana Carvalho.

     

     

  • In haar boeken zijn vrouwen de held en is geluk van ondergeschikt belang

    De Amerikaanse schrijfster Amy Bloom (1953) publiceerde sinds 1991 drie verhalenbundels en drie romans. Haar vierde roman Witte huizen, vertaald door Paul Syrier, verscheen afgelopen week. Amy Bloom was in Nederland en Literair Nederland sprak met haar over geluk, over de onbelichte kanten van een leven, over de mogelijkheden als schrijver en over vrouwen als middelpunt in de literatuur.

    Witte huizen gaat over de liefdesrelatie van de first lady van het Witte huis, Eleanor Roosevelt met de journalist Lorena Hickok eind jaren veertig. Een relatie die aan het licht kwam nadat de biograaf Blanche Wiesen Cook in 2016 met haar biografie van Eleanor Roosevelt kwam.

    Het is zaterdagmiddag 26 mei als we elkaar ontmoeten in het Ambassade Hotel aan de Herengracht in Amsterdam. Buiten is het tropisch warm en binnen staan de kannen water met schijfjes citroen klaar.

     

    De lezer zou kunnen verwachten dat Witte Huizen over Eleanor Roosevelt gaat maar het is het leven van journalist Lorena Hickok (1893-1968) dat centraal staat. Wat was zo bijzonder aan deze vrouw en deze relatie om er een roman over te schrijven?

    ‘Hun liefdesrelatie bood mij de kans over een liefdesrelatie te schrijven van twee vrouwen op middelbare leeftijd. Het was een gepassioneerde relatie. Ze ontmoeten elkaar op latere leeftijd en hebben elkaar eigenlijk nooit meer losgelaten. Dat is wat me raakte in deze geschiedenis. Ze hebben elkaar nooit echt laten gaan ook al zijn ze na vier jaar uit elkaar gegaan, ze bleven met elkaar in contact. Over Eleanor zijn zoveel boeken geschreven. Van Lorena Hickok wist niemand wie ze was, waar ze vandaan kwam.’

     

    Buiten het beschrijven van deze verborgen liefdesrelatie, komen er nogal uitzonderlijke figuren in de roman voor, zoals in de passage waar Lorena als dertienjarige, min of meer als wees in een circus wordt opgenomen.

    ‘In die tijd was een circus dat voor drie dagen in de stad kwam een groot evenement. De mensen wilden vermaakt en geschokt worden. Mensen met een afwijking, zoals het alligator meisje in het boek en Gerry die half man, half vrouw was, maakten hun afwijking groter dan die was om te shockeren. Ik heb dit erin geschreven als een soort spiegelbeeld voor de tijd die Lorena later beleeft in het Witte huis, wat ook een soort circus was waar het leven werd uitvergroot.’

     

    Uw vorige roman Wij geluksvogels is ook gesitueerd in de veertiger jaren. Wat is er zo belangrijk aan die jaren?

    ‘Ik schrijf over de twintiger jaren tot de late jaren veertig omdat het de decennia van de grote veranderingen zijn. Alles nam een vlucht. Terugkijkend zie je dat in die jaren de zaadjes gepland zijn voor grote culturele veranderingen. In de jaren na de oorlog, de jaren vijftig, is er een terugval en wordt alles weer onderdrukt. Daarna is er weer tijd voor culturele veranderingen. In Amerika geven we steeds opnieuw een zwaai aan de slinger waardoor de dingen naar de donkere kant draaien, er een zware crisis volgt, culturele terugval, tot de zon weer door de wolken breekt. Ik hoop dat dit  altijd zo zal blijven gaan en dat de zon binnenkort in Amerika weer door de wolken breekt.’

     

    In die roman is een meisje van elf jaar dat uit de bibliotheek biografieën verslindt van vrouwen als Jeanne D’Arc, Marie Curie, Carla Barton. Wat is uw fascinatie met deze vrouwen?

    ‘Ik ben ten eerste geïnteresseerd in mensen en daar schrijf ik over. Als klein meisje las ik veel, net als Eva in Wij geluksvogels. Ik las Tales of two Cities van Dickens maar begreep niet alles. Als kind leer je om de dingen, die je niet begrijp, heen te lezen. Nu als schrijfster, ben ik in de gelegenheid vrouwen tot het middelpunt van mijn verhaal te maken. Het was Dickens die zei: “Whether I shall turn out to be the hero of my own life, or whether that station will be held by anybody else, these pages must show.” Dat spreekt me erg aan en in mijn verhalen zijn vrouwen de helden.’

     

    Uw verhalen worden niet kant en klaar opgediend. De lezer moet actief het verhaal blijven construeren.

    ‘Dat klopt. Ik schrijf over de dingen zoals ze zich in het leven voordoen, ik wil het niet gladstrijken of overzichtelijk maken want zo is het echte leven ook niet.’

     

    In Wij geluksvogels en in Witte huizen krijgen de personages het nogal voor hun kiezen, mensen worden bruut behandeld, worden verlaten of lopen zelf weg. Is geluk iets waarnaar gestreefd moet worden?

    ‘Ik weet niet echt wat het betekent, gelukkig zijn. Iedereen streeft ernaar maar er is geen licht zonder het donker. Mooie en afschuwelijke dingen gebeuren nu eenmaal, zo is de wereld en zo zijn mensen. Als je heel veel van iemand houdt, zal dat ook mistroostigheid en teleurstelling met zich meebrengen. Ik schrijf niet over geluk. Ik zie mezelf als een schrijver die over het leven schrijft, de ups en downs, wat je op je pad tegenkomt en wat je daar van maakt, van dat leven. Daar schrijf ik over. Ik geloof dat het Robert Frost was die in een gedicht zei: “Happiness makes up in height for what it lacks in length”. Geluk duurt nooit lang.’

     

    En het geluk van Eleanor en Lorena?

    ‘Hun liefdesrelatie duurde vier jaar. Ze eindigen niet als twee oude dames samen op de veranda. Maar dat wil niet zeggen dat hun relatie een vergissing was. Of dat ze er spijt van hebben. Het was wat het was. Niet alles heeft een perfect einde.’

     

    In de roman is Eleanor vluchtig in haar contacten en heeft ze problemen met haar kinderen.

    ‘Ja, dat was zwaar voor haar. In haar positie zou ik het ook moeilijk hebben gevonden met die kinderen. Ze waren dol op hun vader en zij stond in de schaduw.
    Eleanor zocht buiten haar familieleven altijd naar iemand voor wie ze kon zorgen, dat was een behoefte van haar. Vaak een man, die man had dan een vrouw aan wie ze zich hechtte. Maar in haar verdere leven heeft ze nooit meer een liefdesrelatie gehad zoals met Lorena. Ik denk dat Lorena meer voorbereid was op een leven alleen dan Eleanor was. Lorena kon beter accepteren dat de relatie niet ging zoals ze beiden gehoopt hadden. Zij ging weer schrijven, ze publiceerde nog vijf boeken nadat hun relatie was beëindigd.’

     

    Aan het einde van het boek zegt Lorena: ‘Niemand heeft ooit een verhaal over Eleanor en mij geschreven.’ Is het de schrijver die daar spreekt of Lorena?

    ‘Ik begrijp wat je bedoelt. Lorena is natuurlijk een schrijver, een journalist. Op dat moment is het haar eigen observatie. Er heerste in die jaren in Amerika zo’n grote afkeer van homoseksuele relaties, dat het Eleanor en Lorena in feite beschermde. Niemand zou durven zeggen ‘de first lady is lesbisch en dit is haar geliefde’. Het ergste was dat er toespelingen gemaakt werden. Maar in die tijd wilde niemand de journalist zijn die deze vermoedens zou openbaren. Het Witte Huis zou hen dat niet in dank afnemen.
    Van Missy (Marguerite Alice LeHand, 1896-1944 Iv/dG) was bekend dat ze meer dan alleen de secretaresse van Roosevelt was. De pers schreef over haar als zijn ‘charmante secretaresse’. In die tijd waren de meeste journalisten mannen. Die rekenden het hem niet aan dat hij een intieme relatie onderhield met zijn secretaresse. Ze was geliefd bij de media. En Lorena zag dat en dacht, niemand zal ons zo zien, als geliefden. Dat was enerzijds pijnlijk, niet gezien te worden. Maar aan de andere kant, ze konden hun leven samen delen omdat ze niet gezien werden.’

    Dan herinnert Bloom zich iets: ‘Een van de mooiste dingen die me laatst overkwam toen ik een lezing gaf, was dat twee vrouwen, ver in de tachtig, naar me toe kwamen met een stapel exemplaren van White Houses en zeiden: ‘Wij willen graag dat u deze boeken signeert. Een voor elk van ons en een voor elk van onze dochters. Wij zijn al vijftig jaar samen.’ En toen zei de oudste van de twee: “Het is goed gezien te worden.” En dat maakte mijn dag.’

     

    In hoeverre zijn er feiten verwerkt in de roman? Als Missy een beroerte krijgt en verdwijnt uit het Witte huis bijvoorbeeld.

    ‘Ik wilde de geschiedenis niet interpreteren maar me aan de feiten houden. Missy werkte twintig jaar voor Roosevelt toen ze een aantal beroertes kreeg waarvoor ze eerst behandeld werd in het Witte Huis. Ze was verlamd, kon niet meer praten. De president bezocht haar één keer en zag haar daarna nooit meer. Hij is bezorgd over haar maar schuift haar verzorging af op Eleanor. En Eleanor geeft de zorg weer door aan Lorena. En dan geef ik Lorena de mogelijkheid om te zeggen, en dat is fictie: ‘Jij en ik zijn arbeidersmeisjes die zichzelf terugvinden in een paleis. Wij zijn niet zo verschillend.’

     

    Ik hoorde in een interview dat u volgende boek over Marie Curie zou gaan?

    Ze lacht: ‘Ik vind haar een buitengewoon indrukwekkende vrouw. Alleen al het feit dat er drie Nobelprijzen in haar familie zijn. Twee voor haar zelf en een voor haar dochter. Maar ik voel me ook aangetrokken tot een van de eerste vrouwelijke cowboys, Annie Oakly. Ik weet niet of ze hier bekend is. Ze was een groot scherpschutter en is een van de belangrijkste figuren van West-Amerika geworden. Dat is dus een innerlijke strijd tussen mijn Europese kant (Blooms voorouders komen uit Europa Iv/dG) en mijn Amerikaanse kant. Zeker is wel dat het een roman wordt met een vrouwelijk personage uit de geschiedenis. Maar eerst zal ik, als ik terug ben  in Amerika, aan de slag gaan met het schrijven van een script voor Witte huizen dat als miniserie in Amerika zal worden uitgebracht.’

    Bloom neemt de Nederlandse vertaling van haar boek van de salontafel. ‘Al mijn boeken zijn vertaald door Paul Syrier. Ik heb nog nooit met zo’n fijne vertaler gewerkt. Hij is de enige vertaler die mij belt als hij twijfelt over de juiste intentie van een zin, een gezegde. Hij legt het altijd aan me voor.’

    Bij het afscheid: ‘We zullen zien wie er in mijn volgende boek voorkomt, Annie Oakly of Marie Curie.’

     

     


    Foto auteur: Elena Seibert

     

    Witte huizen
    Amy Bloom
    Vertaler: Paul Syrier
    Nijgh & Van Ditmar
    € 20,99

  • Woordnacht en literair gedreven initiatiefnemer Hans Sibarani


    In het weekend van 13 en 14 april gaat de derde editie van het Rotterdamse literaire festival Woordnacht van start. Waar andere grote steden als Den Haag, Amsterdam en Utrecht een lange traditie kennen met groots opgezette literaire evenementen, is Woordnacht een betrekkelijk jong maar ambitieus festival in ontwikkeling. Het concept voor dit festival werd in 2014 door initiatiefnemer en huidig festivaldirecteur Hans Sibarani ontworpen. Literair Nederland ging in gesprek met Sibarani over zijn ideeën en drive achter dit festival, over Rotterdam als literaire stad en over de betekenis van literatuur in deze tijd.

    We spreken af bij café Floor aan het Schouwburgplein in Rotterdam. Het is een zaterdag met zomerse intenties, de dag ook waarop de Marathon van Rotterdam gelopen wordt. Sibarani zit in de achtertuin van café Floor op het terras. Hij oogt een tikje vermoeid, zoals een organisator kan ogen wanneer de organisatorische afronding van een ambitieus festival zijn einde nadert. De grote lijnen zijn uitgezet, de invulling gedaan; nu nog de puntjes op de i.

    Eerst komen we te spreken over de Rotterdamse schrijfster Anna Blaman (1905-1960) die Hans Sibarani weer onder de aandacht bracht door in 2005 de Stichting ‘Ram Horna’ op te richten, vernoemd naar een wel zeer bijzonder verhaal van Blaman. Hij zette de schrijfster weer op de kaart van het Nederlandse literaire landschap. ‘Ze was weggezakt, niemand kende haar meer en dan is het heel fijn als iemand weer terug is. Ze is nu wel een icoon voor de stad.’
    Er was al een driejaarlijkse Anna Blamanprijs. In 2010 kwam daar het Anna Blamanmonument bij en de jaarlijkse Anna Blamanlezing, die nu onderdeel is van het festival. ‘In 2016 hebben we nog het proces tegen haar gereconstrueerd en opgevoerd in het Arminiusgebouw. Ik heb het typoscript bewerkt, Fred van der Hilst regisseerde en Anne Vegter speelde Blaman.’ Het ging over het tot een schandaal uitgelopen Boekentribunaal waarin Anna Blaman de gedaagde was maar waarin het niet over haar schrijverschap ging maar over haar seksuele geaardheid en gender.

    Vanwaaruit is dit literaire festival ontstaan?
    ‘Een paar jaar geleden werd in een Letteren-overleg geopperd: Rotterdamse schrijvers zouden ’s avonds hun werk kunnen presenteren. Maar alleen een keuze uit eigen werk lezen leek me een gemiste kans. Dus: Waarom geen festival? Het hing in de lucht. Ik heb toen een programmaconcept ontwikkeld waarbij er vanaf het Centraal Station tot aan in ieder geval de Witte de Withstraat, een route loopt met verschillende literaire activiteiten in verschillende instituten zoals het Goethe instituut, en Chabot museum. Het was ook belangrijk om naast Rotterdamse auteurs de literatuur naar Rotterdam te brengen. Het kreeg toen al de basisvorm die het nu nog heeft.’ In het tweede jaar werd stichting Woordnacht opgericht, het festival wordt nu met acht andere teamleden georganiseerd.

    Er zijn 13 verschillende locaties waar het festival zich afspeelt. Dat is veel.
    Sibarani knikt instemmend: ‘Dat is inderdaad het concept, meerdere locaties. Het is ook wel ontstaan vanuit het idee dat festivals steeds meer de rode loper gingen uitleggen voor hun bezoekers. Wij willen bezoekers juist kritischer maken, ze moeten zelf een keuze maken en het niet voorgeschoteld krijgen. Het aanschuiven bij een debat of interview kan voor de bezoeker veel opleveren. Maar ik ben me ervan bewust dat het keuzestress kan opleveren. En dan, denk ik, vooral vanwege de gelijktijdige programmering op 13 locaties.’

    Er zijn 70 schrijvers maar niet iedereen zit er in zijn hoedanigheid van auteur.
    ‘We hebben verschillende schrijvers gevraagd in een andere rol dan het publiek van ze gewend is. Er zit wel iets rechtvaardigs in als er een kant belicht wordt die anders nooit aan de orde komt bij een schrijver. Zo staat Raoul de Jong als lichtvoetig auteur bekend maar hij is ook een denker en dat komt minder naar voren. Hij kan vanuit een heel andere hoek vragen stellen aan Karin Amatmoekrim (in het programma De nooit gepeilde diepte).’

    In het vaste programma onderdeel Debutanten leidt dichteres Peggy Verzett het gesprek tussen een gevestigd auteur en een beginnend auteur. Dit jaar is Arthur Japin de gevestigde auteur en werkt Daan Doesborgh aan zijn debuut.
    Schrijver Kluun zit er niet om over zijn boeken te praten maar om zijn meningen over het boekenvak in een debat uiteen te zetten.
    ‘Kluun verwacht dat er niet meer gelezen wordt. Hij gelooft dat over een tijdje boeken een elitaire aangelegenheid zijn.’ Waarop Sibarani mij vraagt wat ik daarvan denk. Hij merkt dat mensen in zijn omgeving boeken wegdoen. In mijn omgeving zie ik juist dat meer jonge mensen aan het lezen slaan. Maar misschien wil ik dat liever geloven dan dat boeken zullen verdwijnen, of erger; lezen een elitaire aangelegenheid wordt. Het maakt in ieder geval nieuwsgierig naar de uitkomst van Het grote geld debat.

    Een deel van het programma draagt het thema postkoloniale literatuur. Waarom dit thema?
    ‘We zijn in de aanloop naar 70 jaar onafhankelijkheid van Indonesië, dan moeten we het nu ook als thema pakken. Er zijn veel maatschappelijke discussies die daarop aanhaken. De tijd is er dan opeens rijp voor om zo’n thema aan te snijden. Daarbij kan het koloniale tijdperk pas echt een plaats krijgen door postkoloniale literatuur. Ik vind dat literatuur handvatten biedt tot verdieping, tot een meer dimensionale manier van kijken, het debat meer relateert aan de realiteit. Ik hoop ook dat iets de discussie gaat overstijgen, dat het meer van twee kanten bekeken kan worden. Niet in de schuld blijven hangen maar op een of andere manier verder komen. Dat zou mooi zijn als postkoloniale literatuur dat kan bewerkstelligen. En ja, het is spijtig dat Alfred Birney er niet bij kan zijn. Hij heeft toegezegd maar kreeg een zware griepaanval en moest afzeggen. Er wordt natuurlijk naar gevraagd waarom hij er niet is.’

    Ligt achter dit festival als organisator ook een grotere missie om bezoekers meer met literatuur in aanraking te brengen?
    ‘Iemand vroeg me: ‘Moet je nu gelezen hebben om naar dit festival te gaan?’ De praktijk is dat mensen die lezen er wel heen gaan. Het kan zijn dat mensen die alleen Kluun hebben gelezen en op Woordnacht afkomen, daardoor de literatuur gaan ontdekken. Maar de verwachtingen moeten wel realistisch blijven. Een interview, een voordracht is mooi maar het mag ook meer zijn. Het zou mooi zijn als de achterkant van de literatuur zichtbaar wordt.’
    Sibarani over het slotdebat op de vrijdagavond, Andermans huid. ‘Mag bijvoorbeeld een man in de huid van een vrouw kruipen. Daar is discussie over. Wat vind jij, mag je als schrijver in de huid van een ander kruipen?’ Ja, stamel ik, verrast over de vraag. Het lijkt me onvermijdelijk. ‘Het heeft natuurlijk met vrijheid te maken. Voor het debat hadden we Adriaan van Dis en Karin Amatmoekrim en daar moest nog een derde bij. Ik kwam uit op Stephan Sanders, die nu een religieuze ontwikkeling doormaakt. Dat maakte het kloppend voor mij. Sanders zegt dat het voor hem te maken heeft met afkomst, identiteit en zijn adoptie: welke verhalen zijn van mij? In het slotdebat brengt Sanders die religieuze elementen er misschien wel in waardoor het een heel andere discussie kan worden.’

    Hoe is je eigen postkoloniale beleving en heeft de literatuur daarin iets betekend?
    ‘Ik heb er wel een ontwikkeling in doorgemaakt want ik kom ook uit twee culturen. Als je uit twee culturen komt is er de vraag waar je bij hoort. Eerst denk je ‘ik ben een mix’ en dat is het. Dan vraag je je af ‘ben ik de ene of de andere cultuur?’. Ik ben hier geboren en ben dus een Nederlandse Indo. Literatuur helpt me wel op  die manier dat ik vanuit een metafoor of als iets heel exact beschreven is een schok van herkenning kan krijgen.’

    Wat zijn je favoriete schrijvers?
    Sibarani lacht en vertelt over een avond met kerst, toen dit een vraag bleek om het ijs (in gezelschap) te breken. ‘Daar ontdekte ik dat mijn favoriete schrijvers bijna allemaal bij de letter B staan: Balzac, Baldwin, Blaman, Beckett, Bordewijk, Jan Cremer, Camus, Paul Bowles en Muriel Spark. Balzac en Bordewijk vind ik prachtig maar mijn meest favoriete schrijver is Paul Bowles. Een programma-onderdeel van Woordnacht is de graphic novel. Viktor Hachmang heeft Blokken van Bordewijk verstript. Dat is heel experimenteel geworden in de illustraties.’

    Poëzie op muziek en verstript
    Sibarani praat enthousiast over verschillende programma onderdelen. ‘Ik denk aan de gedichten van Peter Holvoet-Hanssen die op muziek zijn gezet. Die gedichten van Holvoet zijn heel associatief en ik ben heel benieuwd hoe dit zal uitpakken. Ik heb geen flauw idee.’ De voorstelling wordt uitgevoerd door vijf musici van AKOM, Patty Trossèl (La Pat) en de dichter zelf. Illustrator Gemma Plum heeft gedichten van Myrte Leffring verstript.
    ‘Van Myrte en Gemma heb ik het proces meegemaakt. En het viel me op dat ze er bij deze (3e) editie helemaal in zitten; je merkt gewoon dat er meer focus is tijdens dit festival. Vorig jaar was het ook goed, maar anders. Bij Gemma en Myrte was dit tijdens het proces te zien, dat ging met veel passie.’
    Leffring zal voordragen uit De tere bloemen van het verstand terwijl de verstripte gedichten getoond worden. Een genummerde exclusieve zeefdruk van een gedicht is ook te koop.

    Engagement in de Pauluskerk.
    ‘Je zoekt bij alle locaties toch wel een signatuur die erbij past. Wat ik mooi vind is dat er een appèl wordt gedaan op de spoken word dichters: het gaat om engagement en overstijgt het ego. Nu worden er brieven geschreven in het onderdeel ‘Dit is de nachtpost’. Uitgangspunt vormt het gedicht van W.H. Auden die de dynamiek toonde van de moderne Britse posterijen, This is the Nightmail.’ Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin zal zaterdagavond het programma in de Pauluskerk rondom spoken-word, literaire performance en engagement openen.
    ‘Performer Justin Samgar heeft eerder gedichten over krijgerschap gedaan op een soundtrack van Philip Glass (Mishima). Dat gaat hij opnieuw doen. Maar dan op de soundtrack van de film Jackie (over Jacqueline Kennedy). Dan krijg je een hele aparte performence. Het is heel spannend, heel bijzonder. Dat sluit de avond af.’

    Sibarani kijkt verwachtingsvol uit naar de verschillende programma-onderdelen, zoals de debatten en de onderdelen met het thema postkoloniale literatuur. Ook wordt er al een lijntje getrokken naar de volgende Woordnacht: ‘Voor volgend jaar lijkt het me mooi als er een Vlaams/Nederlandse uitgeversbeurs zou komen.’

     

     

     

     

    Woordnacht, 70 auteurs, 13 locaties, 2 dagen.

     

  • Poëzie is haar liefde, ze debuteerde met korte verhalen


    In 2017 debuteerden meer dan honderd Nederlandstalige schrijvers bij een gerenommeerde uitgeverij met een roman, poëzie- of verhalenbundel. Enkelen werden in de landelijke pers besproken of genomineerd voor een literaire prijs. Weinigen halen met hun eersteling een herdruk. Van velen blijft het debuut onopgemerkt. Wie van deze debutanten moet je in de gaten houden?

    Literair Nederland liet zijn oog vallen op Gerda Blees, zij debuteerde begin 2017 met de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet bij uitgeverij Podium. Een titel waarvan je wilt weten wat zich daarachter ophoudt. Tien verhalen die stuk voor stuk verbluffend goed geschreven zijn en je geregeld naar adem doen happen. Zo goed dat je wilt weten hoe ze dit gedaan heeft. Duidelijk is dat ze het detail niet schuwt en heeft ze een soort brutale flair in haar schrijven waarmee ze het onwaarschijnlijke als uiterst waarschijnlijk voorstelt. De lezer gaat er grif in mee; een overtuigend schrijfster.

    Gerda Blees (1985) publiceerde in de afgelopen jaren met enige regelmaat verhalen en gedichten in literaire tijdschriften (Kortverhaal, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn). In 2016 kreeg ze de (laatste) Nieuw Proza Prijs Venlo uitgereikt, een prijs voor het beste debuut in een Nederlandstalig literair tijdschrift. Ze won de prijs met ‘Zomerkroos’, dat in 2015 in Tirade werd geplaatst en in haar debuut als openingsverhaal is opgenomen. Toen ze in 2015 meedeed aan Poetry Slam, stuurde iemand van de organisatie een gedicht van haar naar uitgeverij Podium. Ze werd uitgenodigd voor een gesprek en zo kwam van het een het ander.

    Twee romans

    We treffen elkaar in café Broers aan het Janskerkhof te Utrecht. Terwijl Gerda Blees haar rugzak onder de tafel zet, er een bestelling wordt opgenomen en we onze stoelen  aanschuiven vertelt ze als in een ‘by the way’, dat ze ‘eerder twee romans heeft geschreven’. Waarop ik verbaasd vraag of die uitgegeven zijn.
    ‘Ik ben er wel mee langs uitgevers geweest maar niemand zag er wat in. Ik had bij een roman schrijven het idee van een lang uitgesponnen verhaal. Maar dat werkte natuurlijk niet. Uit die eerste roman, waarvan ik ook wel zag dat die niet goed was, is het verhaal ‘Naar het oosten’ gehaald en die tweede roman ligt nog in een la.’

    Ze vertelt het alsof het heel gewoon is om aan een roman een kort verhaal over te houden. En dat is het eigenlijk ook voor Gerda Blees. Schrijven is voor haar tevens een ontdekken waar haar kracht zit. De ambitie om eens een roman te schrijven, is met haar twee eerdere pogingen daarbij dan ook niet verdwenen.

    Heb je altijd de ambitie gehad om schrijver te worden?

    Als kind dacht ik er wel eens aan om kinderboekenschrijver te worden. Dat leek me wel wat. Ik zat altijd te lezen, veel van Roald Dahl, Paul Biegel, Thea Beckman. Ik schreef ook graag. Op mijn negende schreef ik eens het langste opstel van de klas. Ik herinner me nog dat dat opviel, maar had zelf niet het gevoel dat het bijzonder was. Op mijn twaalfde had ik met een vriendinnetje het idee opgevat een boek te schrijven.’

    Tijdens haar studie (Liberal Arts and Sciences, Communicatiestudies en Bestuurs- en Organisatiewetenschap in Utrecht), was er weinig tijd over om te schrijven.
    ‘Ik volgde wel schrijvers die aan Write Now! meededen, zoals Maartje Wortel. Maar na mijn afstuderen ben ik
    pas echt gaan schrijven.’

    Was er sprake van een onvermijdelijke drang om te schrijven?

    Ik heb eigenlijk altijd geschreven, voor de schoolkrant en op school. Ik wist ook wel dat ik daar iets mee wilde, maar ik dacht eerder in de richting van journalistiek of het schrijven van zakelijke teksten. Dat schrijven als kunstvorm zo goed bij mij past heb ik pas ontdekt toen ik na mijn studie mijn eerste serieuze verhalen en gedichten begon te schrijven. Dat ik taal kon gebruiken om dingen te verzinnen en te verbeelden was echt een ontdekking: ik had het niet achter mezelf gezocht. Het was alsof er een luikje in me open ging en dat luikje is niet meer dicht gegaan.’

    Hoe lang heb je aan deze verhalenbundel gewerkt?

    Ik heb een jaar vrij genomen om aan een reeks verhalen met als thema ‘niet denken aan de dood’ te werken. Ik had al een paar verhalen die in Tirade en Kortverhaal waren verschenen. De rest van de verhalen heb ik erbij geschreven”, vertelt ze op een toon alsof je dat zo even doet. Ik vraag of ze makkelijk schrijft.
    “Als ik eenmaal het idee heb voor een verhaal dan gaat het eigenlijk wel. Het concept schrijf ik altijd met de hand. Dan kan ik het tempo van mijn gedachten beter bijhouden. Daarna typ ik het uit, print het en schrijf veel woorden opnieuw, waarna ik het weer uit typ, print en woorden verander. Zo herschrijf ik een verhaal toch wel zo’n tien keer.’

    Waar komt de titel vandaan?

    ‘Ik had de titel ‘Aan doodgaan dachten we niet’, al bedacht maar dat vond de uitgever niet zo’n goed idee vanwege het woord ‘dood’ erin. Maar omdat ik een andere titel niet geslaagd vond, kwamen we uiteindelijk toch weer bij ‘Aan doodgaan dachten we niet’. In het laatste verhaal van de bundel ‘Regen en geen regen’, komt dit ook voor. Daar hebben ze het niet over de dood, daar dachten ze gewoon niet aan.’

    In elk verhaal in je bundel las ik ook een waarschuwing. In ‘Zomerkroos’ dat we onze kinderen niet uit het oog mogen verliezen en in ‘Echt vakwerk’, dat ouders niet te veel van hun kinderen mogen verwachten. Wil je iets aantonen met je verhalen?

    Ik heb niet echt een boodschap. Het is meer dat ik zelf iets wil ontdekken in mijn verhalen. Extreme situaties intrigeren me. Hoe komt iemand tot iets. Vaak kom ik daar al schrijvende  achter. Ik zit er bovenop, wil het onwaarschijnlijke van wat er gebeurt, zichtbaar maken.’

    Als ik zeg dat haar personages eenzaam zijn, klinkt ze verbaasd. ‘Zo heb ik er nog niet naar gekeken, dat ze eenzaam zouden zijn. Dat ze daarom de dingen doen die ze doen. Ik vind het meer dat ze buiten de norm vallen. Dat ze anders doen dan wat er normaal gesproken van iemand verwacht wordt.’

    Hoe ontstaan je verhalen?

    ‘Vaak begin ik met een personage of een bepaalde handeling. Het gegeven voor het verhaal ‘Op reis’ waarin een dochter haar terminale moeder onttrekt aan de medische zorg, las ik in de krant. De werkelijkheid was nog extremer dan in mijn verhaal, de dochter  in het artikel nam haar dode moeder mee naar een bos en liet haar daar achter. Een ander verhaal ‘Blauw, blauw’, over een vrouw die een baby wil en die op een gegeven moment steelt, begon met een gedachte, een voorstelling. Ik weet dan nog niet hoe het zal eindigen. Dat ontwikkelt zich tijdens het schrijven. Voor sommige verhalen, zoals bij ‘Echt vakwerk’, bedenk ik een achtergrond om te begrijpen waarom die ouders zo zijn. Ik hoef zo’n achtergrond niet uit te schrijven maar het helpt me wel om personages waarachtig neer te zetten.’

    Wie zijn je voorbeelden in de literatuur?

    Die vind ik vooral in de buitenlandse literatuur. Zo’n alwetende verteller als in het eerste verhaal (‘Zomerkroos’) heb ik ontdekt door Tolstoj te lezen. Bij zijn verhalen dacht ik: “Oh, dat kan je zo doen”. Schrijven alsof je erboven staat. Ik leer schrijven door te lezen. Ik lees ook graag schrijvers als José Saramago; De stad der blinden, Het jaar van de dood van Ricardo Reis. En Gabriel García Márquez en Milan Kundera, vertellers die duidelijk boven hun verhaal staan.’

    En de poëzie, waarmee je toch binnenkwam bij de uitgever?

    Hoewel ik er veel meer moeite mee heb een goed gedicht te schrijven dan een kort verhaal, werk ik graag aan gedichten. Het is niet eenvoudig, wordt niet veel gelezen en uitgeverijen zijn er niet altijd zo happig op. Toch blijf ik het schrijven. Poëzie is een liefde van mij. Binnenkort komt er ook een dichtbundel van me uit.’

     

    Binnenkort blijkt al heel snel te zijn. Donderdag 12 april verschijnt haar bundel Dwaalllichten bij uitgeverij Podium.

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: fotoBuffel

     

  • Karlijn Leenders programmeert jonge schrijvers voor publiek

    Dit jaar viert Geen Daden Maar Woorden Festival in Rotterdam zijn twintigste verjaardag. Op 14 oktober strijken schrijvers, spoken word-artiesten en muzikanten neer op diverse locaties aan het Deliplein op Katendrecht. Karlijn Leenders (1989) is sinds drie jaar, samen met Anouk Prins,  verantwoordelijk voor de programmering. Literair Nederland sprak met haar over het festival en de keuzes die zij maakt om jong talent en een jong publiek aan elkaar te koppelen.

    Tijdens Geen Daden Maar Woorden Festival (GDMW) staat het woord centraal. Het geschreven, het gesproken én het gezongen woord. Dat was twintig jaar geleden zo – Karlijn Leenders: ‘GDMW was één van de eerste festivals waar dwars door de disciplines heen geprogrammeerd werd’ – en dat is nog steeds zo. Waarin GDMW zich tegenwoordig nog onderscheidt van andere festivals die dezelfde succesvolle formule hanteren? Karlijn Leenders: ‘Wat ons uniek maakt, is dat we heel toegankelijk zijn.’

    Jonge schrijvers, jong publiek
    Toegankelijk is: toegankelijk voor een specifieke doelgroep. Anders dan de meeste festivals richt GDMW zich heel bewust op een jong publiek. Niet dat de al wat oudere lezer/luisteraar actief geweerd wordt, maar het is niet de bedoeling dat het festival een aanzuigende werking heeft op mensen die hun weg door  de letteren al helemaal uitgestippeld hebben. Op het affiche van GDMW dus geen schrijvers als Arthur Japin en Griet Op de Beeck, maar, dit jaar: Ariel Levy, Hanna Bervoets, Gerda Blees, Nhung Dam, Murat Isik, Marijn Sikken en Roos Vlogman. Met uitzondering van Hanna Bervoets schrijvers die bij het grote publiek nog niet zo heel bekend zijn, maar op het punt staan definitief door te breken.
    Karlijn Leenders: ‘De praktijk leert dat het publiek meegroeit met schrijvers. Bekende namen programmeren, betekent dat ook hun vaste publiek komt. Wij gaan voor een ander soort herkenning: een jong publiek en jonge schrijvers, dat gaat heel goed samen.’ Van een strikte scheiding tussen schrijvers en lezers is bovendien lang niet altijd sprake. ‘Een deel van ons publiek heeft ook schrijfambities en doet regelmatig mee aan schrijfwedstrijden. Tijdens GDMW staan ze oog in oog met auteurs die dezelfde weg gegaan zijn – Marijn Sikken en Roos Vlogman zijn Write Now!-winnaars – en het inmiddels gemaakt hebben.’

    Vanwege dat jonge publiek verhuisde GDMW drie jaar geleden, in het jaar dat Karlijn Leenders programmeur van het festival werd, van de Rotterdamse schouwburg naar het Deliplein. ‘De verhuizing naar het hippe Katendrecht heeft goed uitgepakt. De ambiance past heel goed bij de sfeer van het festival.’ Katendrecht is de plek waar Karlijn Leenders de opdracht die ze zichzelf stelt – ‘ik ga voor een frisse programmering met relatief onbekende namen. Auteurs die niet overal te zien zijn’- waar kan maken.

    Multi van alles maar literatuur corebusiness
    Karlijn Leenders: ‘De schrijvers die dit jaar op GDMW staan zijn talentvolle, veelbelovende auteurs die de literatuur van de toekomst vertegenwoordigen. Ze hebben zonder uitzondering allemaal al een behoorlijk eigen stem.’
    Zonder dat Karlijn Leenders daar veel moeite voor deed, vormen de schrijvers die zij uitnodigde ook een afspiegeling van de huidige generatie schrijvers, maar ‘de kwaliteit van hun boeken is bepalend. Ik programmeer niet bewust “multi-cultureel”. Wel vind ik het belangrijk dat er voldoende vrouwen op het festival staan. En dat via het werk van de optredende schrijvers diverse literaire genres aan bod komen.’

    Toegankelijk zijn,  heeft bij GDMW nog een kant: ‘Optredens zijn kort en op elk podium krijgen bezoekers een combinatie van de diverse disciplines te zien. Op elke locatie komt men dus in aanraking met het geschreven, het gesproken én het gezongen woord.’
    Ondanks dat multi-disciplinaire is literatuur de corebusiness van GDMW, dat net als De Inktaap, Write Now! en de Dag van de Literatuur onder de paraplu van Passionate Bulkboek valt. Karlijn Leenders: ‘Zo’n vijftig procent van het programma is puur literatuur, maar ook spoken word en de muziek hebben een uitgesproken literair karakter. We kiezen voor artiesten met inventieve, literaire teksten. Wat alle artiesten met elkaar gemeen hebben is hun liefde voor taal.’

    Opzettelijk engagement geen must
    Voor Karlijn Leenders is het engagement van schrijvers niet doorslaggevend. Literatuur kan veel, maar hoeft van haar niet per se iets: ‘Literatuur verbindt. Literatuur maakt empathisch. Literatuur verschaft nieuwe inzichten. Dat is allemaal waar, maar belangrijk is dat die literatuur dan wel gelezen wordt.’ En dat doen jongeren, in tegenstelling tot wat weleens beweerd wordt, constateert Karlijn Leenders: ‘Jongeren blijven lezen omdat ze herkenning vinden, maar ze lezen ook omdat ze verder willen kijken dan hun dagelijkse realiteit en op zoek zijn naar iets nieuws. In die behoefte willen wij voorzien. Als het goed is, zet een festival als GDMW waar je literatuur kunt beleven, aan tot (verder) lezen.’
    Net zoals literatuur geen vooropgezet doel hoeft te hebben, hoeft een schrijver dat van Karlijn Leenders ook niet. ‘Engagement mag, maar de kwaliteit van een literair werk hangt niet af van de mate waarin een schrijver zich uitspreekt over maatschappelijke kwesties. Aan de andere kant: als een schrijver de lezer aanzet tot denken – zoals Murat Isik met zijn realistische roman Wees onzichtbaar waarin zijn migrantenachtergrond een rol speelt of het magisch-realistische, licht absurdistische Duizend vaders van Nhung Dam over een vluchtelingengezin – is dat ook engagement.’

    De 20e editie van Geen Daden Maar Woorden Festival vindt plaats op 14 oktober. Voor meer informatie over het programma (incl. de spoken word-artiesten en de muzikanten), locaties en kaartjes: zie de site.

     

    De foto van Karlijn Leenders werd gemaakt door Vera Cornel.

     

  • Schrijven en het plezier van mooie zinnen

    Wat drijft iemand te willen schrijven, om schrijver te worden. Is het de romantiek of is het noodzaak? Er schijnen in Nederland een miljoen mensen te zijn die een boek willen schrijven, je kunt er een hard hoofd in hebben of gewoon gaan schrijven. Want met alleen ‘willen’ kom je er niet, de pen moet ter hand genomen worden en dan moet er nog een uitgever te vinden zijn die met je in zee wil. Uitgegeven te worden is één ding, opgepikt door de media en een lezersschare vergaren, een tweede. En niet elk boek wordt met eenzelfde enthousiasme ontvangen. Ook dat is bekend. Daarom een beginnend schrijver onder de aandacht.

    In gesprek met Ru de Groen (1957) die in 2014 debuteerde met de roman Anna. Ode aan een kattenstaart en in maart van dit jaar zijn tweede roman De zonen van De Farao uitbracht, beiden bij De Geus. In het dagelijks leven is De Groen zelf uitgever van jubileumboeken voor bedrijven bij Uitgeverij  Krikke Special Books. Daarvoor was hij jarenlang agent van kinderboekenschrijver Max Velthuijs en bedenker van de merchandising (Kids at Work) waar onder meer een reeks van Kikkers, Eenden en Varkens, spelletjes, posters, ansichtkaarten en bekers ontstond die dankbaar aftrek vond in boekhandels. Maar De Groen wilde meer dan het handelen in aanverwante artikelen van de literatuur.

    We treffen elkaar op een maandagmorgen in Arnhem bij café Momento ondergebracht bij cultuurhuis Rozet; hij vanuit een parkeergarage, wandelend door de stad, ik vanaf het station, hem opwachtend. Bij de entree bewondert hij het indrukwekkende gebouw, een bolwerk voor kunst, talen en de letteren. Op de vraag of hij het kon vinden antwoordt hij: ‘Jaja’, en er volgt iets over een verkeersomleiding en de gps die dat niet oppikte, ‘Maar je kunt gelukkig nog altijd de weg vragen. Je hebt altijd je mond nog,’ besluit hij. Met gerinkel van vaatwerk op de achtergrond en Indie muziek – mengeling van Twin Oaks en Norah Jones – uit de speakers, bestellen we twee cappuccino’s en een kan water.

    Hij wilde altijd al schrijven maar het kwam er niet van. Wel schreef hij liedteksten, en natuurlijk voor de uitgeverij, de jubileumboeken. Zoals laatst een boek over Grolsch dat 400 jaar bestond en waar familie van zijn vaderskant ook nog eigenaar van is geweest. Maar een roman schrijven werd op de lange baan geschoven. Tot hij enkele jaren terug als meelezer een beginnend schrijver adviseerde.  Tijdens het meelezen en overleggen over het manuscript, besefte hij, dat wat hij nu voor een ander deed, zelf wilde.

    ‘Het was op een maandagavond, 19.12 uur’, herinnert hij zich, als was het de markering van een belangrijk moment. Die avond begon hij te schrijven aan een verhaal dat zich al lange tijd en meerdere malen in zijn hoofd had afgespeeld. De aanleiding was een voorval zoals dat onder scholieren kan voorkomen.
    ‘Ik fietste met een vriendje door een straat toen er een meisje, gekleed in een plissé rokje en met een lange vlecht, aan kwam lopen. Dat vriendje riep opeens: ‘Hee! Pies Kattenstaart!’ Ik schaamde me daarvoor maar ik zei niets. Het is me altijd bijgebleven. En ook wat dit voor dat meisje betekend moest hebben want op school werd ze nog lang zo genoemd.’

    Uit deze herinnering ontstond zijn debuutroman Anna. Ode aan een kattenstaart, dat bovenaan de lijst belandde van ‘De debutanten top 5’ van best verkochte debuut bij boekhandel Athenaeum in Amsterdam. Dezelfde boekhandel waar hij in 1976 als student Nederlands voor de etalage stond en dacht: ‘Hier kom ik een keer te liggen.’

    De Groen heeft een optimistische instelling en praat makkelijk over zijn boeken en kan, niet alleen in zijn schrijven maar ook in zijn spreken, lichtelijk archaïsch genoemd worden. Om nu te zeggen dat hij aan een ‘hang naar vroegere tijden’ lijdt, is misschien teveel gezegd, maar dat er in zijn boeken geen mobiel verkeer zal voorkomen, is geen toeval.

    Hoe begin je te schrijven?

    ‘Ik schrijf ’s avonds, op het moment dat een ander op de bank gaat zitten om naar het nieuws te kijken, ga ik naar boven aan het werk. Ik begin pas aan een boek na een lange tijd van nadenken. Als ik dan begin te schrijven heb ik de grote lijnen al wel in mijn hoofd. Ik schrijf direct op de computer en begin met het laatste hoofdstuk. Ik moet weten waar ik naartoe schrijf, het is een soort ankerpunt voor me. Ik tik een pagina per dag. Pas daarna maak ik er goed Nederlands van in mooie zinnen. Dat is wat ik het liefste doe, mooie zinnen maken, daar zit mijn voldoening. De volgende dag hoef ik haast niet meer te herschrijven. Wat mij er niet van weerhoudt dat wel te blijven doen. Maar dat is meer polijsten. Tijdens het schrijven luister ik altijd en afwisselend, naar dezelfde muziek. Satie door Reinbert de Leeuw, Köln Concert van Keith Jarrett en Kind of Blue van Miles Davis en dat keer op keer. Het boek waar ik op dat moment aan werk, is geen moment uit mijn gedachten.’

    Wat betekent taal voor jou en welke schrijvers wekken je bewondering?

    ‘Taal is voor mij een eeuwig spel. Ik speel er de hele dag mee. Of dat nou in gesprekken, in mijn hoofd,  in mails of een sms is, ik ben altijd met woorden en taal bezig. Ik hou van pure stylisten als Gerard Reve en Nescio, Theo Thijssen, Elschot. Ik vind dat Reve een van de laatste werkelijke stylisten in de Nederlandse literatuur is.
    Maar ik lees ook graag biografieën en memoires. Dit jaar nog  Flaubert, Stefan Zweig, Thomas Mann, Paustovsky, Nabokov. Een roman die ik zou willen aanraden is Reunion van de Duits-joodse schrijver Fred Ullman. Daarin wordt alles samengebald in de laatste zin. Erg dun boekje, maar prachtig. Van de hedendaagse romanschrijvers vind ik Stefan Hertmans en Jan Vantoortelboom goed. Zal er wel mee te maken hebben dat hun verhalen veelal in het verleden spelen.’

    De zonen van De Farao  speelt in de jaren rond de Tweede Wereldoorlog en gaat over een bedrijf, sigarenfabriek De Farao, van een adellijke familie. Het bedrijf kent een roemrijk verleden maar na de tweede Wereldoorlog moeten de bakens verzet worden om het  te redden van de ondergang. Aan de tweeling Ewout en Jaap, zonen van de eigenaar de taak om die klus te klaren. Uiterlijk lijken de broers op elkaar in karakter zijn ze elkaars tegenpolen. Waar Jaap, de jongste, zich even miskend voelt als Kain uit de bijbel, een harde werker is maar geen dromen heeft, is Ewout de charmante bon vivant die binnen het bedrijf de kantjes er van afloopt.

    Pleeg je onderzoek voor je romans?

    ‘Mijn debuutroman speelde in Breda, waar ik ben opgegroeid en dus goed ken, daar kon ik zo over schrijven. Met mijn tweede, De zonen van De Farao was dat anders. Ik heb zelf ooit één keer gejaagd, (er is een jachtscene in het boek). Ik wist gelijk dat ik dit nooit meer moest doen, het is veel te aantrekkelijk. Ik heb de jacht, de sigarenfabriek, de oorlog en het studentenleven van Jaap dan ook vooral als decorstukken geplaatst.’

    De sfeer in het boek is goed weergegeven, specifieke tijdsbeelden en hoe het er in adellijke families aan toe gaat. Hoe heb je je ingeleefd in de karakters van de tweeling?

    ‘Ik ken het adellijke milieu alleen uit gesprekken met mensen die er deel van uitmaken. Toen ik Kids at Work nog had, werkten er in het magazijn in Leiden twee studenten, een graaf en een jonkheer. Tijdens de middagpauze vroeg ik hen de oren van het hoofd over omgangsvormen en dergelijke. En ik hoorde een keer op een feestje hoe een jongeman zich beklaagde over het feit dat hij aan alle mores en verplichtingen van de familie moest voldoen terwijl zijn oudste broer, als naamdrager alle credits kreeg. Ik wilde de fabriek en de oorlog alleen als decor, als aanzetten. Wel heb ik Hooggeboren van Ileen Montijn gelezen en Een schitterend isolement van Olga Majeau.’

    Werk je tijdens het schrijven met beelden, stereotypen?

    ‘De figuur van Jaap is gebaseerd op verschillende personen die ik ken. Mensen die nooit een beslissing nemen, het leven overkomt hen. Ze hebben geen ambities en schikken zich naar alles. Dat zijn mooie karakters om uit te werken. En daar kan ik dan herinneringen bij gebruiken zoals die van een man in een verzorgingstehuis die als een zombie in een stoel zat terwijl zijn vrouw hem vertelde hoe thuis de boel veranderd werd (aan het eind van het boek bevindt Jaap zich in een vergelijkbare situatie Iv/dG). En aan de filmacteur Marcello Mastroianni, die in al zijn films de rol van toeschouwer speelt, dat heb ik wel voor ogen gehad tijdens het schrijven. En een moeder van een vriendje, lag altijd in bed, wist niets van haar leven te maken (in het boek is een moeder die altijd in bed ligt of anders afwezig is). Dat blijft me bij en dat schrijf ik uit als ik het gebruiken kan.’

    In de klacht van de adellijke jongeman op dat feestje, zag De Groen een Ezau en Jacob verhaal, een Kain en Abel. Maar waar Kain, Abel doodde, sterft Ewout, de oudste van de tweeling, door een ongeluk.

    Waarom geen broedermoord?

    ‘Dat had ik eerst ook wel zo bedacht, maar later vond ik dat de relatie tussen Jaap en zijn broer, genuanceerder moest. Want pas als Ewout dood is, beseft Jaap wat zijn broer voor hem betekent. Dat hij, ondanks de kritiek die hij altijd op hem had, niet zonder hem kan. Arme Jaap, die niet met, maar ook niet zonder zijn broer kon leven.’

    Wat doet je schrijven, wat is je drijfveer?

    ‘De verhalen ontstaan in mijn hoofd. Ik heb veel verhalen in mijn hoofd en die moet ik opschrijven, het moet  eruit. Daarbij voel ik geen behoefte de lezer te onderwijzen of te wijzen op misstanden. Ik heb geen missie die ik vervullen moet met schrijven. Het gaat om het creëren van mijn romanpersonages. Ik wil ze leren kennen en zien optreden in relatie met andere personages en hoe ze omgaan met de situaties die ontstaan, dat is een spel dat ik al schrijvende graag speel.’

    Publiceren blijft te allen tijde een samenspel van lanceren op het juiste moment, de stand van de maan (wellicht) of de goede luimen van een recensent en vergeet niet de plaats van het boek in de boekhandel. Een idee voor een volgend boek is er in ieder geval al.
    “Gelukkig is schrijven voor mij geen lijdensweg. Ik vind het heerlijk om te doen.” De Groen is van mening dat blijven schrijven het beste is wat je kunt doen, zolang er zich verhalen aandienen om verteld te worden, blijft de schrijver schrijven.

     

    Voorjaar 2018 verscheen de novelle Een dagje in de stad van Ru de Groen.