• Ik wil begrijpen wat er staat en waarom het er staat


    Met De wedergekeerden van Georges Perec (1936-1982) leverde Guido van de Wiel op de palindroomdatum 22.02.2022 zijn tweede vertaling af van deze auteur. Zijn eerste was ’t Manco in 2009. De romans zijn lipogrammen, teksten waarin bepaalde letters niet voorkomen: in La Disparition uit 1969 gebruikte Perec de letter E niet en in Les Revenentes uit 1972 is de E juist de enige klinker die gebruikt wordt. De omzetting naar het Nederlands kostte Van de Wiel in beide gevallen jaren werk. Bij een kop koffie in een café in Driebergen vertelt hij er vol enthousiasme over.

    We hebben vóór onze afspraak al aardig wat mails gewisseld omdat we beiden groot liefhebber zijn van de belangrijkste vertegenwoordiger van OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle), de Franse schrijversgroep die zich bij het schrijven vooraf beperkende regels of dwingende afspraken (contraintes) oplegt in de overtuiging dat je daarmee nieuwe creativiteit aanspreekt. OuLiPo is nog springlevend en staat weer volop in de belangstelling door de roman Anomalie (2020) van Hervé Le Tellier, die de huidige voorzitter is van OuLiPo. Die werd in Frankrijk bekroond met de Prix Goncourt en genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2022.

    Vertalen is voor Guido van de Wiel (1972) een bijbaan. Van beroep is hij organisatiepsycholoog. Toch ligt daar voor hem de link naar de literatuur: ‘Van jongs af wilde ik al schrijver worden en voor mijn studie twijfelde ik tussen Nederlands en psychologie. Ik koos voor psychologie omdat die studie me zou helpen personages te ontwerpen met hun drijfveren en motieven. Toen ik daarin afgestudeerd was rolde de bal de kant op van managementtrainingen en organisatieadviezen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en de schrijfdrang kreeg vorm in managementboeken die ik nu vooral als ghostwriter voor anderen schrijf’.

     

    Toen kwam het literaire werk op je pad en ben je gaan vertalen. Hoe gebeurde dat?

    ‘Dat kan ik me nog vrij precies herinneren. Dat was rond 2000. Toen las ik Code van Simon Singh, een prachtig boek over geheimschriften en ontcijferingen in de geschiedenis. In dat boek neemt Singh een pagina uit de Engelse vertaling van La Disparition op. Dit doet hij om te laten zien hoe letterfrequenties werken en hoe die bij sommige teksten vervormd kunnen raken: dat is van belang bij het kraken van sommige geheimschriften. De meest voorkomende letters in het Frans zijn achtereenvolgens E, S, A, R, T, I, N, U, L, O en C.

     

    Perec maakte zelfs een gedichtenbundel waarin hij alleen die elf gebruikte plus steeds een letter die hij als joker kon inzetten.

    Ja, dat is het werk La Clôture [afsluiting]. Een ander werk, Ulcérations [verzweringen] bestaat uit gedichten die achtereenvolgens steeds alleen maar uit deze elf meest voorkomende letters uit het Frans bestaan.
    De E komt dus het meest voor en Perec koos ervoor juist die letter niet te gebruiken in La Disparition. Ik was vrijwel meteen bezig met de vraag of die tekst ook in het Nederlands om te zetten zou zijn. Dat werd uiteindelijk ’t Manco’.

    De aantrekkingskracht van Perec was voor Van de Wiel echter niet louter het spelen met woorden en letters, maar de combinatie van het tragische en het speelse in zijn werk. Dat spelen is het OuLiPo-element en het tragische heeft te maken met het verlies van zijn ouders en van zijn Joodse afkomst. Wat Perec met die woordspelletjes doet staat in dienst van zijn vaak autobiografische verhaal.

     

    De prominentste vertegenwoordigers van OuLiPo zijn naast Perec volgens mij Raymond Queneau, Italo Calvino en recent ook Le Tellier. Allemaal schrijvers die binnen hun contraintes óók serieuze maatschappelijke thema’s aan de orde stellen. Dat die het meest gelezen worden en vertaald zijn zal geen toeval zijn.

    ‘Jazeker. Wat mij bij Perec in ieder geval opvalt, is dat hij zichzelf tot inzet heeft gemaakt van de literatuur die hij schreef. Dat merk je. Door die inzet van zichzelf overstijgt hij het niveau van een taalspel. Anders zou het een zoekplaatje of een puzzel blijven en dan blijft het een dun geheel. In ’t Manco bijvoorbeeld hebben meerdere verdoemde personages een tatoeage in de vorm van een E (de verboden letter) op hun arm staan. Dat is een duidelijke verwijzing naar het nummer dat je in Auschwitz op je arm getatoeëerd kreeg. Laten we niet vergeten dat Perecs moeder naar datzelfde Auschwitz gedeporteerd werd’.

     

    In de pdf-bestanden die lezers van ’t Manco en De wedergekeerden van internet kunnen downloaden besteed je erg veel aandacht aan de autobiografische betekenis van namen en woorden die Perec in die romans gebruikt.

    ‘Dat is een beetje het gevaar van het vrijgeven van die pdf’s. Die zijn eigenlijk ontstaan als verantwoordingswerken voor mezelf. Ik heb ze toch beschikbaar gesteld zodat lezers die dat willen kunnen nazoeken hoe ik te werk ben gegaan. Juist omdat het mijn eigen notities zijn staan er nog veel hypotheses in, beginnende gedachten over mogelijke betekenislagen. Soms heb ik die zelf ook weer verworpen of is er geen sluitend bewijs voor. Daarom vind je vaak de vermelding ‘discutabel’. Als ik die bestanden als boek uit zou laten geven zouden waarschijnlijk veel van die discutabele veronderstellingen er uit gaan. Ze zijn te vergelijken met de directors cut, de versie van een film waarin je kunt zien wat de regisseur uiteindelijk heeft weggelaten’.

    Van de Wiel voelt zich als vertaler verplicht om zo goed mogelijk te begrijpen wat er staat en waarom het er staat. Als leuk voorbeeld noemt hij het bergdorpje Besse-en-Chandesse dat in De wedergekeerden Besse-en-Chendesse is geworden: ‘Je zou kunnen denken dat het een willekeurige naam is die Perec bruikbaar vond vanwege de vele e’s. Maar hij deed bijna niets willekeurig, dus ga je zoeken. En dan blijkt het een klein plaatsje van nog geen 1.500 inwoners te zijn waar de groep ‘Nicolas Bourbaki’ werd opgericht. Dat was een soort wiskundige tegenhanger van OuLiPo. Het is natuurlijk leuk zo’n duiding met de lezer te kunnen delen’.

     

    Je vertelt in de pdf’s hoe je te werk bent gegaan. Gedurende het vertalen van De wedergekeerden begon je lijsten van Nederlandse woorden aan te leggen die alleen een E als klinker hebben. Hoe werkte je met die lijsten?

    ‘Het aanleggen van die lijsten zorgde ervoor dat ik de vertaling kon verrijken met al het E-idioom dat het Nederlands kent. Neem een ietwat aangepaste uitdrukking als “Ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” [net als Perec past Van de Wiel soms klinkerelisie toe zoals hier in het voorzetsel “in”]. In de eerste vertalingen van mijn tekst kwam een paar keer de zinsnede “ze verdween” voor. Dan is het verrijkend om op één plaats dit alternatief “ze bleek ’n geen velden en wegen te bekennen” te gebruiken. Dat is wat ik het satureren van de tekst ben gaan noemen. De lijsten vormden zo een extra bron: naast de tekst van Perec en de letterlijke vertaling ook het E-Nederlands op zichzelf. Die extra bron kon ik integreren, maar wel alleen als dat bleef passen bij de brontekst zelf’.

     

    In ’t Manco staan ook E-loze ‘vertalingen’ van beroemde gedichten. Daarmee had je zelfs nóg een bron, namelijk de oorspronkelijke versie van die poëzie. Ik kan me voorstellen dat dat tegelijk weer een moeilijkheidsfactor is omdat je ook trouw moet blijven aan de oerversie van zo’n gedicht.

    ‘Ik heb inderdaad ook de oorspronkelijke gedichten bestudeerd, om te zien op welke plekken Perec daarvan afweek: waren dat thematische keuzes of keuzes ingegeven door de contrainte, bijvoorbeeld? Verder heb ik bij die gedichten – overigens net als de Duitse en de Engelse vertaler – nog een rigoureuzere keuze gemaakt. Ik heb enkele van de Franse gedichten die Perec gebruikt vervangen door Nederlandse gedichten die juist in óns collectieve bewustzijn zitten. Zoals alle Fransen regels kennen van Rimbaud of Baudelaire, zo kennen alle Nederlanders wel Voor wie ik liefheb wil ik heten van Neeltje Maria Min of Het uur U van Nijhoff of Denkend aan Holland van Marsman. Zo heb ik die dan ook lipogrammatisch geïntegreerd in ’t Manco. Ik vind dat ik daarmee trouw blijf aan Perec die zijn schrijven zag als een spel met de lezer. Ik maak als vertaler dat spel geschikt voor het Nederlandse publiek. Bovendien gaan die Nederlandse gedichten over vormen van gemis en dat past weer binnen de thematiek ’t Manco’.

     

    Ik las dat je mogelijke volgende projecten een vertaling van Cent mille milliards de poèmes van Queneau en Alphabetical Africa van Walter Abish betreffen. Dat lijken me teksten waarin het meer gaat om de contrainte dan om de inhoud. Wat zijn het voor teksten?

    ‘Ik ben over mijn vertaling van de gedichten van Queneau nog lang niet tevreden. Het oorspronkelijke werk is een bundel van tien sonnetten waarvan je in plaats van een pagina elke regel afzonderlijk kunt omslaan zodat weer een nieuw gedicht ontstaat waarin één regel is veranderd en de andere dertien regels gelijk zijn gebleven.
    Met Alphabetical Africa ben ik een stuk verder. Ook daar vormt de contrainte de motor van een bizar verhaal, waar gek genoeg ook plaats is voor een juwelenroof, net als in De wedergekeerden. Abish schreef een tekst waarvan alle woorden in het eerste hoofdstuk beginnen met de letter A, in het tweede met een A of B, in het derde met A, B of C enzovoort. Op de helft van het boek heb je even alle letters van het alfabet tot je beschikking; daarna ga je in omgekeerde richting zodat het laatste hoofdstuk weer alleen woorden kent die met een A beginnen. Door deze vormbeperking begint het verhaal achtereenvolgens in Angola en Burundi. Halverwege het boek komen Zambia en Zanzibar pas aan bod’.

     

    Die vertaling kent weer zijn eigen uitdagingen?

    ‘Zeker, want als Abish het in het derde hoofdstuk over “Chad” heeft, de Engelse benaming voor Tsjaad, dan kan ik dat land, vanwege de veranderende beginletter, nog niet noemen. Daar moet ik dan bijvoorbeeld grijpen naar “Centraal-Afrika”.

    Ik heb nu de eerste acht en de laatste vijf hoofdstukken van Abish af omdat die me het moeilijkste leken vanwege de beperkte woordenschat met de voorgeschreven beginletters. Hoe verder ik in het midden zit, hoe groter het vocabulaire is waaruit ik kan putten. Toch is het niet helemaal zo dat ik het vertalen van dat middenstuk als gemakkelijker ervaar. Als de teksten meer mogelijkheden krijgen gaan mijn verdiensten als gewoon vertaler een rol spelen. Ik ben bedreven geworden in het vinden van oplossingen voor allerlei gemankeerde teksten; ik voel me juist senang als er zeer beperkte mogelijkheden zijn. Als ik ineens alle taal ter beschikking heb put ik uit een reservoir waaruit alle vertalers, ook degenen die daar veel beter in zijn dan ik, putten. Voor mij is dat daarom een moeilijkere uitdaging. Ik ben daarom geneigd voor het vertalen van dergelijke teksten de samenwerking te zoeken’.

    Van de Wiel komt met een primeur. Hij heeft inmiddels de vertaling van de twee korte monovocalistische teksten van Perec ook af: What a Man! waarin de enige klinker de A is, en Morton’s Ob, met alleen de O. Beide stukken schreef Perec in het Engels. Ze zijn te kort voor een afzonderlijke boekuitgave, dus gaat de vertaler nog met de uitgever in conclaaf over andere publicatiemogelijkheden. Het zou een onderdeel kunnen worden van een verzameld werk of anders moet je misschien denken aan een bibliofiele uitgave.

     

    Van de Wiel wil graag nog iets kwijt over het bijzondere van het werken met lipogrammen: ‘Perec doet met de lipogrammen iets extra-ordinairs, iets buitengewoons, terwijl hij juist meester is van het infra-ordinaire: hij wilde zich juist van het alledaagse bewust zijn waar we normaal aan voorbij lopen. Het kostte even voordat ik doorhad, dat hij juist met het extraordinaire van een lipogram ook het infra-ordinaire van taal bloot weet te leggen. Doordat je bepaalde letters uitsluit valt er ineens een ander licht op alle woorden die je wel gebruikt. Als ik zeg: “Het speelde hem parten”, dan zal niemand lang stilstaan bij die uitdrukking. Maar op het moment dat ik in De wedergekeerden schrijf: “Het speelde hem delen”, dan weet iedereen dat ik een synoniem voor parten gebruik. Tegelijkertijd zet die herschrijving je aan het denken over wat dat “parten” in de oorspronkelijke uitdrukking eigenlijk betekent. Door de lipogrammatische taal ga je nadenken over je gewone taalgebruik; je wordt je bewuster van allerlei betekenislagen. Waarom kun je wel zeggen dat iemand “voor spek en bonen” meedoet, maar niet dat iemand meedoet “voor bonen en spek”?
    Voordat hij zich aan La Disparition zette had Perec last van een writer’s bloc. De contraintes die hij zich oplegde voelde hij juist als een bevrijding’.

     

    La Disparition is vertaald in minstens tien talen, maar Les Revenentes pas in drie. Is de reden daarvoor de moeilijkheidsgraad of misschien dat La Disparition inhoudelijk een betekenisvoller verhaal heeft?

    ‘Ik denk dat je op beide veronderstellingen een antwoord kunt geven. Ik vermoedde zelf dat de vertaling van Les Revenentes  een moeilijk leesbaar eindresultaat zou opleveren. In het boek komt een  menukaart voor; in het begin leek het me goed genoeg om een geheel andere menukaart samen te stellen, als deze maar Nederlandse e-woorden van gerechten bevatte, zoals lekkerbekjes en zee-egel. Pas later lukt het me om de Franse menukaart ook gewoon letterlijk te vertalen. Ik moest eerst zelf blijkbaar het E-Nederlands beter onder de knie krijgen. Misschien weerhoudt het idee dat je maar één klinker tot je beschikking hebt vertalers in andere landen.
    Maar het inhoudelijke verschil is er ook. La Disparition is literair gezien een veel rijker verhaal dan Les Revenentes. Zo bevat ’t Manco complete hervertellingen van werken van Thomas Mann, Herman Melville en Edgar Allan Poe. Toch staan deze beide lipogrammatische romans – naast uiteraard Perecs magnum opus Het leven een gebruiksaanwijzing – op de lijst van 1000 novels everyone must read die The Guardian in 2009 publiceerde. Perec heeft Les Revenentes zelf trouwens wel eens afgedaan als een niemendalletje. Dat ben ik absoluut niet met hem eens als je ziet welke niveaus er allemaal in zitten. Het was voor hemzelf misschien een tussendoortje, maar je herkent er duidelijk de hand van de meester in’.

     

    Hoe is het volgens jou gesteld met de bekendheid van Perec voor het brede publiek in Nederland? Vormen zijn lezers niet een betrekkelijk kleine wereld van liefhebbers?

    ‘Dat vind ik lastig te zeggen. De Arbeiderspers heeft Perec al decennialang echt omarmd en doet veel moeite om zoveel mogelijk van hem in vertaling uit te brengen. Daardoor neemt de bekendheid van zijn werk wel toe, net als het aantal lezers’.
    ‘Ik denk dat er in groter verband wel iets aan de hand is met zogenaamde klassieke literatuur. Daar zakt misschien de aandacht wat voor weg. Maar ik hoop dat het net zo gaat als je in de muziek wel ziet. De aandacht voor Jimmy Hendrix herleefde weer – grotendeels bij een nieuwe fanschare – toen recensenten Prince met Hendrix gingen vergelijken. Zo zou de aandacht voor OuLiPo best eens kunnen groeien door het grote aantal lezers van Anomalie van Le Tellier. Daardoor zou zo maar een nieuwe groep Perec kunnen gaan (her)ontdekken. Ook mijn vertaling van Les Revenentes kan hier een steentje aan bijdragen. De wedergekeerden is, ondanks zijn experimentele opzet, in korte tijd toch ook al op weg naar een tweede druk. Lipogrammatische teksten blijven tot de verbeelding spreken: ik heb gemerkt dat het boek mensen prikkelt om teksten te schrijven zonder E, met alleen maar de E, of om op andere manieren met contraintes aan de slag te gaan’.

     

     



     

    Foto: Tijmen Ballieux

  • Ik laat gebeurtenissen graag nieuwe verbindingen met elkaar aangaan

     

    Als ik iets te vroeg in de zon voor het atelier van schrijver Emily Kocken sta te wachten komt ze al aanlopen. Er volgt een gesprekje in het Engels met de postbode, heel kort omdat we snel aan de slag willen; daarna moet ze weer door om celloles te geven. ‘Leuke man’, zegt ze over de postbode: ‘Ik neem normaal de tijd om naar zijn verhalen te luisteren.’
    We gaan de lange gang in van een grote werkplaats met aan weerszijden kleine afgesloten atelierruimtes en een gemeenschappelijk keukentje. Het gebouw telt drie verdiepingen en biedt onderdak aan tientallen beeldend kunstenaars en schrijvers en enkele architecten. Kocken deelt haar ruimte met collega-kunstenaar Eva Eland. Zelf is ze er op maandag en vrijdag, de collega op de andere werkdagen. De werkruimte is sober ingericht. Ik had verwacht beeldend werk van haar te zien, maar dat is keurig opgeborgen. Kasten, één tafel, een paar stoelen. Dat is het. ‘Ik vind het heerlijk om hier te werken. Ik kan me er goed concentreren’, zal ze later zeggen.

    Emily Kocken is beeldend kunstenaar, cellist en schrijver. Na acht jaar conservatorium trad ze wel op, maar geeft nu alleen nog celloles. Vanmiddag spreken we uitsluitend over haar literaire werk. Ze zet koffie en pakt de croissants uit die ze heeft meegebracht.
    Aan de hand van haar biografische gegevens komen we al snel op het schrijfproject waar ze nu mee bezig is, Adoptica:  ‘Het wordt een boek over adoptie, een mix van essayistiek en persoonlijke verhalen. Hoe het er precies uit gaat zien weet ik nog niet. Aanvankelijk vormde mijn eigen adoptie en die van mijn man, ook geadopteerd, de aanleiding, maar ik weet niet of ik dat er in ga meenemen. Ik voer nu een keer per maand een gesprek met een andere geadopteerde en ik merk dat dat heel goed werkt voor mijn researchproces’.

    Emily Kocken werd in 1963 geboren in New York en geadopteerd door Nederlandse ouders die toen nog in Amerika woonden. Haar leven als adoptief kind was niet altijd gelukkig. ‘Die gesprekken hebben in zoverre invloed op mezelf dat ze mijn eigen situatie relativeren’.

     

    Adoptica heeft dus met je eigen leven te maken. Geldt dat ook voor je eerdere boeken?

    ‘In mijn werk zitten altijd wel autobiografische thema’s. Witte vlag, mijn debuut, heeft voor een deel met mijn leven te maken. En in mijn tweede roman De kuur heeft Yves Altman wel iets van mijn vader; voor de verhoudingen binnen die familie Altman heb ik ook uit mijn eigen leven geput. Maar dat biografische is nooit expliciet’.
    Al pratend komen we op de aflevering van De Gids uit april 2020 met het thema ‘Pijnlijke woorden’. Daarvoor schreef Kocken het verhaal Je moeder! ‘Ja. Met uitroepteken’, zegt ze lachend. ‘Dat verwees naar een situatie die ik als kind heb meegemaakt op het schoolplein in Brabant waar we woonden. Ik was toen elf. Ik was er fier op dat ik geadopteerd was, maar andere kinderen vielen me erop aan dat ik niet eens echte ouders had. Dat werd een hele scène. Ik denk dat in het schrijven van dat verhaal de kiem ligt van het plan voor Adoptica’.

     

    Je bent pas op late leeftijd begonnen met schrijven. Je debuut Witte vlag verscheen toen je vijftig was. Hoe ontdekte je dat je dat wilde?

    Witte vlag was in 2013 mijn romandebuut, maar daarvóór publiceerde ik al verhalen in literaire tijdschriften. En schrijven heb ik altijd gedaan, als kind al. Als ik op de middelbare school naar mijn leraar Nederlands had geluisterd, was ik Nederlands gaan studeren. Wie weet hoe het dan gelopen was?’
    Er is meteen herkenning. We vertellen elkaar onze herinneringen aan de leraren die ons liefde voor literatuur bijbrachten.
    Ik zeg dat ik haar romans gedurfde boeken vind. Ik vind ze prachtig maar op een bepaalde manier behoorlijk complex. ‘Je moet wel bereid zijn precies te lezen en niet gemakzuchtig zijn’, zeg ik. ‘Als kennissen me wel eens vragen of ik ze een goed boek kan adviseren voor een vakantie ben ik niet snel geneigd ze bijvoorbeeld De kuur naar het strand mee te laten nemen’.

    Ze reageert tamelijk fel:  ‘Wil je dat niet meer doen! Je doet er schrijver en lezer mee tekort. Als je enthousiast bent draag je toch je enthousiasme over en ga je niet beoordelen of iemand het boek wel aankan. Het is mijn taak als schrijver, maar ook die van jou als recensent, om mensen in contact te brengen met verbeelding en hun wereld te vergroten. Maar je ondergraaft ook jezelf: waarom zou je niet iets aanbevelen dat je zelf goed vindt? Ik ken het wel hoor. Het is een beetje Nederlands. Ik merk dat in mijn beeldend werk ook. Kunstenaars worden in Nederland snel in het defensief gedrongen. Alsof ze moeten verantwoorden dat ze iemand lastig vallen. Bah!’

     

    Bepaalde werkwijzen komen in elk van je drie romans voor. Je begint met een 0-de hoofdstuk, aan het slot neem je een verantwoording op en locatie en tijd zijn heel precies bepaald. Witte vlag speelt in 2010 in Amsterdam, De kuur in Amsterdam en Davos in 2014 en Lalalanding in Parijs in 1953. De lezer herkent daardoor veel gebeurtenissen die feitelijk kloppen. Waarom is dat?

    ‘Ik heb het nodig om zo specifiek en concreet te zijn. De feiten moeten kloppen. Ik lees daarom kranten uit die jaren, bekijk spullen uit die tijd, gebruik plattegronden. Ik moet zelf naar die plekken toe. Ik moet er wandelen en in gebouwen komen die ik in de roman gebruik. In De kuur  bijvoorbeeld speelt het World Economic Forum een rol. Dat gebouw mag je normaal niet in, maar het is me toch gelukt. Ik breng met die controleerbare feiten een basisstructuur aan maar daarbuiten neem ik alle vrijheid. Ik laat gebeurtenissen verbindingen met elkaar aangaan die er in werkelijkheid nooit zijn geweest. Ik speel er mee’.

    Soms krijgt ze iets in de schoot geworpen, zoals  een vermelding die ze toevallig vindt op een site die er wat obscuur uitzag; daarop werd geschreven over een verzwegen bombardement door de geallieerden in 1944 op het treinstation van Porte de la Chapelle in Parijs. Daarbij werd de Renaultfabriek die er vlakbij lag verwoest. In Lalalanding maakt ze van de vader van de hoofdfiguur Jean Rodin een arbeider die daardoor zijn werk bij Renault kwijtraakte.
    ‘Dat bombardement is inderdaad een weggemoffeld feit, maar ik vond het in kranten uit die tijd terug. Het is dus wel degelijk een historisch gegeven. Ik vind het spannend omdat te deconstrueren, uit zijn verband te halen, zodat feit en fictie door elkaar gaan lopen’.

    Ze pakt haar laatste boek dat voor ons op tafel ligt in de hand. ‘Ik was afgelopen week in Parijs in verband met een schrijfopdracht; dat was voor het eerst sinds ik er verbleef om aan Lalalanding te werken. Ik heb de buurt weer opgezocht waar het zich afspeelt, nu met het boek in mijn hand’. Ze straalt erbij. ‘Franse vrienden vroegen me waarom er nog geen Franse vertaling is. Ik heb ze uit moeten leggen hoe moeilijk het is om als niet prijswinnende auteur een boek vertaald te krijgen’.

     

    In je boeken zijn sommige prominente personages naamgenoten van beroemde kunstenaars. In Witte vlag draagt Henry’s vrouw Elzbieta de achternaam Różewicz net als de Poolse dichter Tadeusz Różewicz en in Lalalanding heeft Jean Rodin dezelfde achternaam als beeldhouwer Auguste Rodin. Waarom doe je dat?

    ‘Ik vind het leuk om hun werk op een bepaalde manier te laten opduiken in het boek. Het zijn geen toevallige keuzes. Ik hou erg van de poëzie van Tadeusz Różewicz. Sommige zinnen in mijn roman zijn geïnspireerd door zijn werk en de titel ‘Witte vlag’ komt uit een gedicht van hem. Ik heb dat zowel in Nederlandse vertaling als in het Pools opgenomen. Bovendien schrijft Tadeusz Różewicz vaak over een vorm van eenzaamheid die ik ook in Elzbieta heb gestopt.
    In Lalalanding kun je in de houding en de beschrijving van de fysiek van Jean beelden van Auguste Rodin herkennen. Ik vind het grappig om daarmee te spelen. Daarnaast heeft het te maken met mijn interesse in namen. Wat zegt zo’n naam? Ik kom daarmee weer op dat spelen met feiten en verbeelding. De naam van de beeldhouwer Rodin roept meteen iets bij je op, maar de Jean Rodin uit de roman komt uit een heel ander milieu. Daardoor ontstaat toch iets spannends’.

     

    In De kuur speelt op de achtergrond De Toverberg van Thomas Mann een grote rol en in Witte vlag is dat het werk van Joseph Beuys. Je bewondert beiden, maar hoe de kunstenaar Henry in Witte vlag Beuys probeert te imiteren en hoe Yves in De kuur met Mann loopt te koketteren is bespottelijk. In mijn ogen zijn die Henry en Yves een soort mislukte epigonen die hun eigen leegte maskeren en geen enkele zelfreflectie hebben. Drijf je de spot met die types?

    Ze lacht hartelijk: ‘Je herkent die mensen toch wel? Er lopen in onze wereld heel wat van die figuren rond. Kijk alleen maar naar politici, en je vindt ze ook ook onder schrijvers en in de beeldende kunst. Maar ik laat hopelijk tegelijk zien wat het gedrag van die mensen voor effect heeft op anderen. Henry bijvoorbeeld maakt zijn toch intelligente vrouw Elzbieta op die manier behoorlijk kapot. Ik heb helemaal geen feministische roman willen schrijven, maar ik laat op een bepaalde manier wel zien hoe dat gedrag ten opzichte van vrouwen werkt. De voorbeelden liggen in de geschiedenis voor het oprapen en ze zijn er nog steeds’.

     

    Ik verbaasde me erover dat Elzbieta die relatie zo lang volhoudt. In haar schoenen staand zou ik Henry al veel eerder het huis uit gebonjourd hebben.

    ‘Ik zet het natuurlijk wel aan. Het zijn beelden die ik oproep. Het is een creatie van mij. Die moet geloofwaardig zijn. In elk geval geloofwaardig voor mij. Daar mag een lezer anders over denken’.

    Dat brengt ons op de dood van André Vérité. In Lalalanding verongelukt die collega van Jean. Hij valt van een balustrade naar beneden. Was het een ongelukkige val? Was het zelfmoord? Zat de baas van Jean, Emmanuel Lumière, erachter? Ik kwam er als lezer niet uit, maar opper dat Lumière de meest verdachte is. ‘Dat is geen rare veronderstelling’, reageert ze. ‘Mijn man dacht meer aan Jean als de killer. Ik laat het ook open. Ik ga het niet uitleggen’.

     

    Waar begon een boek als Lalalanding voor jou? Had je eerst de vorm, waarin het spel met letters à la Perec belangrijk is, of was er eerst het verhaal van het Seinemeisje?  

    ‘Dat weet ik heel concreet. Je weet vast dat ik in 2019 voor de Museumweek het Kunstgeschenk Huh? Aha! Duh heb geschreven. Het gaat over drie studenten die op een ironische manier door een museum lopen. Daarna kwam al vrij snel het zusje van Jean, Odilette, bij me in beeld die in de roman een ingewikkelde, bijna incestueuze, relatie krijgt met haar broer. En al snel daarna zag ik de vader van Jean voor me, de man die in de verwoeste Renaultfabriek gewerkt had, omdat ik iets met het oorlogsverleden  wilde doen zoals ik dat hoorde van mijn adoptievader. De vorm met veel witregels en een poëtische opzet ontstonden toen ik in die tijd Raymond Queneau weer las, één van de leden van OuLiPo (de schrijversgroep waartoe ook Perec behoort). Dat was trouwens nog maar het begin van het schrijfproces; daarna heb ik nog verschillende versies gemaakt’.

     

    Hoe ga je om met je twee vakgebieden, schrijven en beeldende kunst? Hou je daar een strikte scheiding tussen aan? Hoe bereik je dat je op elk vlak honderd procent geconcentreerd bent?

    ‘De periodes waarin ik schrijf of kunst maak liggen niet per se vast, maar ik plan mijn werk wel. De afgelopen maanden heb ik alleen maar geschilderd. Dan heb ik eigenlijk helemaal geen tijd voor zo’n schrijfopdracht waarvoor ik de afgelopen dagen in Parijs was.
    Thuis heb ik niet echt een werkkamer om te schrijven. Dat doe ik af en toe ook hier. Daar voel ik me goed bij. Het is niet zo dat ik in mijn hoofd steeds wordt lastig gevallen door ideeën voor beeldend werk als ik hier schrijf of andersom. Het is hier kaal, stil. Er is geen raam naar buiten. Weinig wat me afleidt dus. Ik kan goed plannen en me dan ook aan een planning houden. Het moet ook. Anders gaat het ten koste van wat ik doe. Soms lopen de twee terreinen in elkaar over want Adoptica zal niet alleen uit schrijfwerk bestaan. Ik schilder voor dat project ook. Dat heeft te maken met mijn biologische ouders die allebei ook schilderden’.

     

    Lees hier de recensie van Lalalanding.
    De verschijning van Adoptica wordt verwacht in 2024.

    Foto: Géraldine Jeanjean


     

     

     

     

     

     

     

  • Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt

     

    Jos van Hest (1946) is dichter, redacteur, presentator en geeft poëzielessen aan basisschoolkinderen. Hij presenteerde vele literaire evenementen, waaronder sinds 2004 het maandelijkse Open Podium voor bekende en onbekende schrijvers in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Gedichten van hem zijn te vinden bij uitgeverij Plint op kaarten, posters en kussenslopen.Hij publiceert regelmatig in Dichter, het poëzietijdschrift van Plint voor kinderen van 6 tot 106 jaar. Onlangs stelde hij met zijn man, Jan ter Heide en Plint uitgeefster Mia Goes het poëzieboek Dood gewoon hemelen samen en werd er werk van hem opgenomen in verzamelbundels waaronder Een wonder prachtig dier van uitgeverij Ploegsma. Op jonge leeftijd debuteerde hij met de bundel Tegen beter weten (1968). In 2010 werd hij voor zijn inzet voor cultuur geridderd in de Orde van Oranje-Nassau. Wie is deze man, die zich volop inzet om poëzie onder de aandacht te brengen, schrijvers stimuleert en begeleidt en kinderen poëzie laat beleven.


    Het is een mistige dag als ik de trein naar Amsterdam neem. Halverwege is er een seinstoring, ik vrees te laat te komen. ‘Komt goed’, appt Van Hest me. Ik krijg, ook via de app, instructies hoe ik, eenmaal aangekomen, moet fietsen vanaf Centraal Station naar de Stadhouderskade, bij welke brug ik mijn fiets kan stallen. 

    Aan de lange tafel in de keuken drinken we eerst thee, er is cake. Een verdieping hoger is de werkkamer, een ruimte, groot als een bescheiden danszaal. Aan de voorkant staat een werktafel voor het raam met uitzicht op de gracht. Eén lange wand, zo’n tweeënhalve meter hoog, is boekenwand. Verspreid door de ruimte stapeltjes boeken, dichtbundels op stoelen, tafeltjes, op de vloer, ook in de gangen trouwens. Wie dit huis betreedt, ademt poëzie. 

    Voor we aan tafel plaatsnemen, laat Van Hest me op zijn computer een afbeelding zien van de herdenking van de Februaristaking bij de Dokwerker. Jaarlijks worden basisschoolkinderen betrokken bij de herdenking met kunst- en poëzielessen. Van Hest is als poëziedocent verbonden aan dit project. Op de afbeelding is een indrukwekkende groep beeldjes te zien. Elk kind maakte een van die beeldjes, geïnspireerd op het beeld van de stakende Dokwerker. Sommigen staan met opgeheven armen, springen, of staan op een been, houden spandoeken vast.

    ‘Uiteindelijk schrijven ze dan een gedicht, en ik vertel ze dan dat zij het schrijven, maar dat het het beeld is dat spreekt. Als je het woord ‘ik’ opschrijft, dan ben jij dat niet, maar het beeld. Dan krijg je hele mooie regels als, “Ik strijd voor de vrijheid! / Oorlog is een harde storm / Ik hoop dat ik weer thuis kom.” Tijdens de herdenking zijn de kinderen met hun ouders uitgenodigd. Ze zetten hun beeldje bij het monument en er worden gedichten voorgedragen. Jaren geleden, toen Job Cohen nog burgemeester was, was er een Turks meisje dat haar gedicht voordroeg voor de burgemeester. Ze kwam samen met de burgemeester op de foto. Haar ouders waren apetrots. Het gaat dan ook over hen, weet je, deze herdenking wordt ook deel van hun geschiedenis.’

     

     Zou je zelf poëzielessen op school gehad willen hebben toen je jong was?

    ‘Ik had zeker iemand gehad willen hebben die toen tegen me gezegd had, “Je moet het gewoon opschrijven. Je moet niet twijfelen.” En als je twijfelt, ook dan gewoon opschrijven. Later kun je altijd kijken wat er weg moet of wat erbij moet. Want een gedicht is eigenlijk nooit af. Hugo Claus ging bij een nieuwe druk van een bundel al die gedichten weer langs en dan vond ie dat het toch weer anders moest.’

     

    Wanneer begon je zelf te schrijven?

    ‘Na de lagere school ging ik naar het gymnasium Augustinianum in Eindhoven, een school voor zoontjes van notabelen en doctoren. Ik kwam uit een heel ander milieu, ik wist niks van huiswerk. Op de lagere school was ik gewoon goed in alles, het ging vanzelf. Ik dacht dat het op het gymnasium ook zo zou gaan. Maar daar werd ik als jongen door de Augustijnen ontzettend slecht behandeld. Het was een vreselijk jaar, ik bleef zitten. Toen ging ik naar het Van der Puttlyceum. Dat was een nieuwe school, er waren maar twee jaargangen boven mij. Na drie weken schreef ik een stukje voor de schoolkrant en een maand later zat ik in de redactie. Daar ben ik mijn hele schooltijd in gebleven.’

     

    Schreef je in die tijd ook al poëzie ?

    ‘De leraar Nederlands gaf mij een bundel, die heb ik nu nog, een bloemlezing, ik weet even niet meer hoe die heet, maar die ging ik toen lezen. En Bert Schierbeek, Remco Campert, die dunne bundeltjes van De Bezige Bij. We hadden ook het boek Literaire kunst, van Lodewick, daarin werden allerlei stijlfiguren behandeld met voorbeelden. Dat vond ik fantastisch, en dat ging ik dan zo’n beetje uitproberen.’

    Op jonge leeftijd won Jos van Hest een poëziewedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen. De prijs werd uitgereikt in Brussel. Het werd zelfs op de radio, in het nieuwsbericht van het ANP uitgezonden dat de dichter J. van Hest de poëziewedstrijd had gewonnen. 

    ‘In de jury zaten toen Hubert Van Herreweghen en Jos De Haes. Van Herreweghen is voor kenners wel een naam, maar hij is nooit zo doorgebroken in Nederland. Na die prijs raakte ik in contact met Ad den Besten, die had in 1949 de Windroos reeks voor poëzie opgericht. De vijftigers, Simon Vinkenoog, Hans Andreus, Remco Campert verschenen in die serie. Het was een heel belangrijke reeks voor jonge dichters, en daar mocht ik toen in publiceren. 

    Achteraf denk ik dat ik toen te vroeg gedebuteerd ben. Ik was ook veel te verlegen om door te gaan, gedichten te sturen naar literaire tijdschriften. Ik weet nog dat Kees Fens mijn debuut besprak, samen met andere debuten. Hij had twee regeltjes voor mijn bundel over. Hij vond het wel aardig, maar echt niet bijzonder. Hij vond het geloof ik meer een snoepwinkeltje, zoiets. Ja, dat greep mij wel aan toen.’

     

    Dacht je er wel over om dichter te worden?

    ‘Op een bepaalde manier wel ja, maar lange tijd had ik er ook groot ontzag voor. Nu pas, nu ik weer publiceer in tijdschrift Dichter, en ook alleen maar als mensen ernaar vragen, zeg ik dat ik dichter ben. Dat heeft heel lang bij mij geduurd. Ik vond dat wat ik deed een beetje uitproberen was en de naam dichter niet verdiende.’ 

    Er was enige aarzeling om een tweede bundel te publiceren. Vogelverschrikkers van Kimolos verscheen in 1982, veertien jaar na zijn debuut.

    ‘Die tweede bundel heeft heel lang op zich laten wachten omdat ik het niet wist. Het wonderlijke is dat ik in mijn leven heel veel mensen heb gestimuleerd, en dat doe ik nog steeds. Onder andere via het Open Podium. Ik zit in de redactie van Open reeks en ben redacteur van een aantal dichters, maar ik ben nooit iemand tegengekomen die mij stimuleert. Er waren wel mensen die zeiden, “Wanneer komt er weer eens een bundel.” Maar ja, dat waren mensen die te dicht bij me stonden. Dus ik ben een beetje terughoudend over eigen werk. Ik relativeer het ook wel door te denken, “ach, het stelt allemaal niet zoveel voor, dus waarom zou je.” Van anderen vind ik wel dat het wat voorstelt, en ook dat het altijd beter kan. Er zijn gradaties in de dichtkunst, er zijn er die goed zijn, en er zijn er die beter zijn.’

     

    Vind je dat iedereen poëzie kan maken?

    ‘In gesprekken met deelnemers aan het Open Podium, vraag ik altijd waarom ze willen schrijven. Ik ben benieuwd naar het ploeteren, de smoezen en uitvluchten die ze gebruikt hebben, uitstelgedrag. Daar kan ik op een waarderende manier enorm naar luisteren. De deelnemers aan het Open Podium zijn een mengeling van bekende dichters en mensen die hun eerste gedichten hebben geschreven en dat komen voordragen. Niet alles is goed, maar ik ben niet van het afkatten, door afkatten is niemand groot geworden. In kunstopleidingen is het een adagio om leerlingen eerst af te breken en dan weer op te bouwen. Ik ben niet van die richting. Maar dat wil niet zeggen dat ik alles goed vind. Het is niet gauw goed, het kan altijd beter.’

     

    Hoe werkt dat voor jezelf, dat altijd beter moeten?

    ‘Omdat ik hoge eisen stel aan mijn eigen werk, werkt dat niet, omdat ik te kritisch ben. Daarom is het zo fijn dat ik in Dichter publiceer, dat is een podium waar ik me thuis voel. Hoewel het onderscheid tussen kinder- en volwassen poëzie wel moeilijk is. Het is vaak heel artificieel, een kunstmatige scheidslijn, over bepaalde dingen die bij het volwassen leven horen, schrijf je niet voor kinderen. En kinderen zien allerlei lagen in een gedicht niet, dat begrijp ik wel, maar daarom moeten ze er wel inzitten, ook in kinderpoëzie. Er mag ook iets onbereikbaars in doorklinken. Daar zijn kinderen heel gevoelig voor. Tegen de kinderen in poëzieles zeg ik vaak, “Je mag ook dingen opschrijven die je zelf niet snapt.” Dat zijn vaak hele goede dingen, het is nooit alleen maar eenduidig.’

     

    Wat betekent poëzie voor jou, ben je er elke dag mee bezig?

    ‘Ik geloof in de werking van poëzie. Ik lees iedere dag poëzie, het hoort bij mij. En ik geloof in de verbeeldingskracht van taal. In taal kun je zeggen waar het om gaat, of althans, kun je dat het dichtst benaderen. Het is ook wel dubbel, ik geloof in de poëzie van deze wereld, maar ook in die van de wereld die daar achter zit. De dichter Van Collem, hij is nu niet meer bekend, schreef, ‘Oneindig is de taal van het heelal / voorbijgaand zijn de woorden van de mensen.’ Dan denk ik, dat is het. Die tegenstelling in zo’n tweeregelig gedicht vind ik heel treffend.’

     

    Is poëzie ook iets wezenlijks?

    ‘Nu kan ik aankomen met dingen als, het houdt je overeind, geeft je nieuwe hoop, een medicijn tegen de slechtheid in de wereld, enzovoort. Maar dat zijn frases, dat is het niet. 

    Ik begeleid al jaren een poëzie leesgroep. We lezen de nieuwste bundels van bekend of onbekend talent. Niets ten nadele van Nijhoff, Achterberg en de vijftigers, maar die lezen wij niet in deze leesgroep. Dat doe ik omdat veel mensen wel de oude dichters kunnen lezen, maar de nieuwe niet, omdat ze die te moeilijk vinden. Vooraf lees ik de bundel en haal er gedichten uit die in mijn ogen belangrijk zijn voor de bundel. Vaak is dat het eerste en het laatste. Dat is de compositie van een bundel die, net als een muziekstuk, “Bam”, ergens mee begint, en eindigt met een catharsis. Zo kunnen bundels ook in elkaar zitten. Ik lees zo’n gedicht dan hardop. Daarna mag iedereen iets over het gedicht zeggen, alles mag. Ook dingen als, het gedicht heeft geen titel, of, het rijmt nergens alleen de laatste twee regels, of, dat woord ken ik niet. Zo maken we een soort plattegrond van het gedicht. Vaak nodig ik ook de dichter zelf uit. Die mag erbij komen zitten en niets zeggen, gewoon kijken wat er met zijn gedicht gebeurt.’

     

    Dat komt heel dicht bij de dichter zelf, wordt het dan niet te persoonlijk?

    ‘De dichters vinden het zelf heel bijzonder om erbij te mogen zijn. Een schrijver maakt zelden mee hoe een gedicht landt  in een lezershoofd. Meestal willen lezers weten wat de dichter erbij gedacht heeft. Maar het gaat niet om wat de dichter ermee bedoeld heeft, maar om de interpretatie van de lezer. Er is niks ergers dan een dichter die zijn gedicht gaat uitleggen. Een dichter hoort een gedicht te schrijven, niet een uitleg te geven. Ik hou ook niet van critici die zo goed weten wat er fout of goed is aan een gedicht. Vroeger werd op de middelbare school gevraagd, “Wat bedoelt de dichter met…?” Waarschijnlijk bedoelde de dichter niks, en wat hij bedoelde heeft hij opgeschreven. Poëzie betekent: vrijheid voor de lezer om eigen keuzes te maken, vrijheid om geraakt te worden.’

     

    Denk je op dit moment nog wel eens aan een bundel samenstellen?

    ‘Er wordt me wel gezegd, “Je moet eens gaan verzamelen wat je hebt.” Soms denk ik, ze hebben gelijk, maar soms denk ik, nee hè. Ik heb wel werk voor meerdere bundels liggen, maar ik ben een enorme twijfelaar over mijn eigen werk. Ik ben nu gevraagd door uitgeverij Ploegsma om vier jeugdgedichten te schrijven voor een verzamelboek. Daar ben ik dan wel trots op, dat ik daarin kom. Maar ik ben ook heel trots op de dichters die in Dichter publiceren. Er is weinig podium voor jeugddichters, dit tijdschrift biedt dat gelukkig.’ 

    Van het tijdschrift Dichter verschijnen vier themanummer per jaar. Voor elke editite leveren zo’n vijfendertig dichters één of meerdere gedichten. Bekende dichters waaronder Erik van Os, Marieke Lucas Rijneveld, Ingmar Heytze, Remco Ekkers, of minder bekende als Jesse Laport, Monica Boschman, Katelijne Brouwer, Floor Tinga leveren geregeld een bijdrage. Zoals alle publicaties van Plint, is het tijdschrift een samengaan van beeldende kunst en poëzie. Uit het themanummer De liefde, prachtig geïllustreerd door Milja Praagman, komt dit gedicht van Jos van Hest, de dichter.

    ‘Liefje,

    Het spijt me het spijt me van vanmiddag
    ik had blij en gelukkig moeten zijn met jou
    in de zon op een bank maar ik was diep
    ongelukkig omdat ik wou dat je anders
    was het spijt me dat ik niet begreep wat
    je bedoelde en dat ik dat nu pas zie nu
    het te laat is en jij er niet meer bent ook
    dat spijt me verdrietig want ik dacht eerst
    dat het jouw schuld was ook al heb ik het
    ernaar gemaakt omdat ik dacht dat je
    eromheen draaide en niet eerlijk was
    en nu direct om de hoek zag ik je fiets
    en ik was zo vreemd blij maar je bent er
    niet omdat ik het ernaar gemaakt heb
    en nu het te laat is denk ik ook niet dat ik
    je ooit nog zie omdat ik zo erg was en
    toch is er een hoopje en dat hoopje

    schrijft je nu’

     

     


     

     

     

     

     

     


     

    Foto: Jan ter Heide

     

     

  • Een kunstenaar die steeds weer een ander boek maakt


    Mariët Meester (1958) groeide op in Veenhuizen, een gevangeniskolonie in Drenthe. Ze heeft samen met haar man, beeldend kunstenaar Jaap de Ruig veel gereisd. De sporen daarvan zijn in haar romans en non-fictie boeken terug te vinden. Sinds haar debuutroman Sevillana (1990) bouwde  ze aan een divers oeuvre, schreef columns en reisverslagen voor de Volkskrant en publiceert regelmatig essays en opiniestukken in de NRC. Twee van haar boeken, de roman Bokkezang (1994), en het non-fictieboek Tribune van de armen (2017), werden respectievelijk in het Russisch – en Spaans vertaald. Ze reisde twintig jaar lang jaarlijks naar Roemenië, leefde waar de Roma’s leefden en schreef daar twee reisboeken over, De stilte voor het vuur (1992) en Sla een spijker in mijn hart (2006). 

    Eerst dit: Midden jaren tachtig ontmoette ik in Deventer een jong stel dat met paard en wagen door Europa reisde. Ze stopten op de kade langs de IJssel op het moment dat ik met mijn kinderen wilde oversteken. De kinderen waren verrukt van de wagen, van het paard. Zij vertelde dat ze onderweg stukjes schreef voor een blad. Zij trokken verder, wij staken de weg over. Later vermoedde ik bij elk boek dat van Mariët Meester verscheen, dat zij het was geweest die we daar ontmoet hadden. In de mailwisseling voor een interviewafspraak werd mijn vermoeden bevestigd. 

    Voor Literair Nederland spreek ik haar op een middag in december. Ze ontvangt me op hun driehoog gelegen etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. De ruimtes zijn rustig en minimalistisch ingericht. Boven de schouw in de achterkamer herken ik de foto van de schrijfster met een (dode) zwaan die ze met beide handen bij de hals vasthoudt ter hoogte van haar borstbeen. Het zwanelijf sierlijk naar beneden hangend, haar hoofd met opgebonden haren afgewend. Het beeld stond ooit op de cover van haar roman De overstroming uit 2003. We nemen plaats in de woonkamer, er is thee, brokken chocola op een schoteltje. 


    Waarom reisden jullie toen met paard en wagen, waar kwam het idee vandaan? 

    ‘Ik zat begin jaren tachtig op de Academie voor Beeldende Kunsten Minerva en het vijfde jaar was een stagejaar, dat mocht je naar eigen idee invullen. We bedachten toen om zelf een woonwagen te bouwen en op reis te gaan. Onderweg zou ik dan werk voor de academie maken.’
    Ze laat foto’s zien van de wagen waar ze met haar vriend (nu man) op de bok zit. Ik herken het beeld, de wagen. Ik laat weten dat ik het toen een idyllisch geheel vond. ‘Maar het was ook afzien’, zegt ze. ‘Er was geen verwarming en ruzies waren onvermijdelijk. We leefden heel dicht op elkaar, dat was best heftig. Op een binnenwand van de wagen hebben we op een gegeven moment onze relatie geschilderd, veel boze, woeste koppen.’ 


    Schreef je toen ook al?

    ‘Tijdens die reis waren op een gegeven moment mijn boeken op en ben ik zelf gaan schrijven. Een van die verhalen stuurde ik naar een tijdschrift en dat werd meteen geplaatst. Ik kreeg er honderd gulden voor, dat stimuleerde me wel om door te schrijven.’ 


    Schrijven is dus uit nood ontstaan?

    ‘Oh nee, vanaf het moment dat ik op de lagere school leerde schrijven, wilde ik dat al. Maar als kind was ik verlegen, durfde niet te zeggen dat ik schrijver wilde worden. Wist ook niet wat je daarvoor zou moeten studeren. Toen ben ben naar de kunstacademie gegaan, dat heeft me wel geholpen. Daar leerde ik een bepaalde manier van kijken.’ 

    Uit de aantekeningen die ze tijdens haar reis halverwege de jaren tachtig maakte, ontstond een boek, Een spoor van paardenmest. De onlangs overleden Maarten van Dullemen wilde het publiceren. ‘Hij was de broer van Inez van Dullemen dus ik dacht, dat zit wel goed. Het waren dagboeknotities, maar hij deed geen redactie, publiceerde het zoals ik het had ingeleverd. Daardoor is het wel heel authentiek, maar ik vind het niet goed genoeg.’


    Je derde boek was de androgyne roman Bokkezang.

    ‘Het was heel intens dit boek te schrijven, het kwam uit het diepst van mijn ziel. Het gaat over het non-binaire, zoals het tegenwoordig wordt genoemd, en de manier van samenleven met dieren. Een roman waarin vrijheid, behoud van waardigheid, wellust en androgynie een rol speelden. Ik heb het ingeleverd bij Tilly Hermans die toen bij Meulenhoff redacteur was. Nadat ze het gelezen had zei ze, “Dit is beter dan het meeste dat ik binnen krijg.” Later hoorde ik dat ze met het manuscript juichend door de uitgeverij had gelopen, “Dit gaan we groot maken.” Maar de pers begreep er niets van, ze vonden het een raar boek. Het was er de tijd niet voor, terwijl ik toen dacht, “Dit is het beste dat ik in me heb.” De recensies die er kwamen, waren wel positief. Later is het bij De Slegte beland en zelfs daar (lachend) liep het niet.’ 

    ‘Maar’ zegt ze, ‘het is goed gekomen. Tien jaar later werd het ontdekt door een Russische hoogleraar die het vertaalde en werd het in Rusland uitgegeven. Er kwam een presentatie in St. Petersburg en het boek liep daar heel goed.’

    Daarna verscheen De eerste zonde, een ‘coming of age’ roman over een pubermeisje dat opgroeit in de gevangeniskolonie Veenhuizen. Ze helpt een gevangene die ontsnapt is zich te verbergen, brengt hem eten en kleren, wordt verliefd op hem.

    ‘Dat was toch wel een reactie op hoe Bokkezang ontvangen werd. Dat het niet begrepen werd, daar was ik wel van geschrokken. Daardoor ging ik een lichter boek schrijven. Maar het past ook wel bij me, dat ik steeds iets anders schrijf. Mijn toenmalige uitgever Maarten Asscher zei eens tegen me, “Jij doet bij elk boek iets anders, je zoekt steeds weer nieuwe dingen uit. Dat kan voor de lezer wel eens lastig zijn.” Maar dit is mijn manier van schrijven, ik kan niet anders. Ik ben een kunstenaar, het interesseert me niet om steeds hetzelfde de toen.’


    Wat schrijf je het liefst, fictie of non-fictie?

    ‘Fictie schrijven is wel moeilijker, maar ik doe het liever. Het is voor mij echt kunst. Maar als ik alleen fictie zou schrijven, dan zou ik teveel opgesloten zitten. Voor non-fictie ga ik op onderzoek uit, naar Amerika bijvoorbeeld, zoals ik voor het boek De Mythische oom heb gedaan, of naar Spanje, voor De tribune van de armen.’ 


    In een documentaire over de gevangeniskolonie zei je dat je daar heel gelukkig was. Dat had te maken met de ‘lammeren en de leeuwen’ die daar bij elkaar woonden. Wat bedoelde je daarmee?

    ‘Er waren daar geen contrasten, je zag die gevangenen elke dag, het hoorde erbij. Je zag dat het gewone mensen waren, je leefde in een soort symbiose met elkaar. Die eenheid vind ik heel bijzonder. In het echte leven heb ik daar wel moeite mee, dat er geen eenheid is. Daar vormde je met elkaar een gemeenschap. Ik ben altijd nog teleurgesteld hoe mensen polariseren, ook nu in deze corona tijd. Dat vind ik verschrikkelijk, dan denk ik, “leef je eens een beetje in de ander in.”’

    Begin 2020 verscheen haar achtste roman, Pingping, waarin de protagonist van de een op de andere dag breekt met haar oude leven en op zoek gaat naar een eenvoudiger leven. Een mooie gebonden uitgave met leeslint, op de titelpagina een met de hand ingekleurd vogeltje, gedrukt in een eenmalige oplage van duizend stuks. Samen met haar man, richtte ze voor deze uitgave uitgeverij Caprae op. Voor een schrijver die doorgaans haar boeken publiceert bij bekende uitgevershuizen als Meulenhoff, Balans en De Arbeiderspers, een opmerkelijke zet.  


    Waarom wilde je dit boek zelf uitgeven?

    ‘Dat was puur vanwege het onderwerp. Het boek gaat over iemand die wil uitzoeken of je minder geld kunt uitgeven en toch ‘rijker’ kunt leven. Zij maakt zich zorgen over ons leefklimaat en wil echt stappen nemen om het klimaat zo min mogelijk te belasten. Ik wilde kijken of ik dat ook in de manier van publiceren kon doorvoeren door de oplage beperkt te houden. Zoiets kon alleen rendabel zijn met een eigen uitgeverij. Het was misschien wel wat naïef, want iemand van Boekblad riep, “Hoe kun je dat nou doen, je zit bij De Arbeiderspers?!” Daar had ik niet aan gedacht, dat mensen zouden denken dat De Arbeiderspers me niet meer wilde. Maar het was een bewuste keuze. Gelukkig werd het een succes. En het was heerlijk alles eens zelf te kunnen bepalen, het omslag, lettertype. Jaap en ik hebben die kennis in huis, voor ons was het een kunstproject.’


    Wat is een van de belangrijkste dingen geweest in je schrijversleven?

    ‘Ah, dat was toch wel mijn deelname aan een zesweekse reis door Europa, de Literatuurexpres. Dat was in 2000, een literaire reis van Lissabon, via Scandinavië naar Rusland en terug via Berlijn. Dichter Serge van Duinhoven en ik waren uitgenodigd namens Nederland. Het was een project van voormalige Oost-Duitsers, Literatur Werkstatt. Ze hadden meer dan honderd schrijvers uit heel Europa bij elkaar gebracht en een speciale trein gereserveerd. 

    Per land werd er een fragment uit de roman die je vooraf had ingestuurd, voor je vertaald. Ik had Bokkezang gekozen. We traden eerst op in Lissabon. Arie Pos, Portugees vertaler, had vooraf een fragment daaruit vertaald. We gingen onder andere naar Madrid, de Baltische staten en St. Petersburg. Het was razend interessant maar zes weken was ook wel lang. Voor het cultuurkatern van de Volkskrant heb ik tijdens die reis een zestal columns geschreven. Ik kreeg een mobieltje van de krant, een van de eerste mobieltjes. Dan stuurde ik via mijn laptop en die mobiel, mijn stukjes door. Ik heb aan die reis goede herinneringen en vele schrijversvrienden uit allerlei landen overgehouden.’


    Binnenkort verschijnt er een autobiografisch boek van je. Wat was de aanleiding om die te schrijven?

    ‘Het was in 1994 dat ik al besefte dat ik wel wat bijzonders heb beleefd tijdens mijn jeugd in die gevangeniskolonie, en dat ik dat maar eens moest opschrijven. Ik ben toen gaan zitten en heb alles genoteerd wat in me opkwam uit die tijd. Veel later sprak ik er met Marcel Möring over, hij zei, “Je niet kunt doodgaan zonder het verhaal, zoals het was, een keer verteld te hebben.” Alles wat ik in 1994 heb genoteerd, heb ik nu als basis voor dit boek, Koloniekind kunnen gebruiken. Herinneringen vervormen door de jaren heen, en ik was blij dat ik dit materiaal van zesentwintig jaar geleden had.’


    Hoe was het om daarover te schrijven?

    ‘Het mooie is dat door dit boek alles bij elkaar komt. Je oeuvre wordt als het ware helemaal rond. Elk boek van mij is anders, al zit er wel een bepaalde lijn in. Met dit boek ga ik terug naar de basis. In het eerste hoofdstuk beschrijf ik bijvoorbeeld hoe ik als vijfjarige over een lange rechte laan fiets. In de epiloog merk ik op dat er in al mijn boeken wordt gefietst, dat ook dit boek begint en eindigt met fietsen.’ 

    ‘Het was een besloten gemeenschap, het hele dorp was afgesloten met driehonderdvijftig bordjes ‘Verboden toegang’. De meeste mannen daar liepen in een zwart uniform. Er waren bewakers met een karabijn schuin op de rug. Als wij visite kregen werd dat van tevoren aangevraagd. Je kon niet zomaar bezoek ontvangen. 

    Het waren allemaal brave ambtenaren die daar werkten. Voor mij waren die gevangenen razend interessant. Al schrijvend aan Koloniekind, heb ik ontdekt dat zij mijn rolmodellen waren. Ik begin nu te zien, door dit laatste boek, waar mijn thematiek vandaan komt.’


    Je vader woont nog in Veenhuizen, hij is drieënnegentig. Heb je met hem over dit boek gesproken?

    ‘Nou, (lachend) hij wil hier niet zoveel over weten. Ik heb hem wel veel gevraagd over hoe het vroeger was, zonder te vertellen dat het voor een boek was. Later heb ik hem verteld  dat er een boek komt over die tijd. Dat hij er ook in voorkomt en op het omslag staat. Hij vond het goed. “Ik zie het wel,” was zijn reactie. Hij weet dat ik respectvol te werk ga. Mijn redacteur noemde het een liefdevol boek, dat was wel een opluchting.’

     

     


     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    Koloniekind, Opgroeien in het gevangenisdorp Veenhuizen van Mariët Meester verschijnt in april bij uitgeverij De Arbeiderspers.


    Kijk voor haar gehele oeuvre op Mariët Meester.nl.

    Foto auteur: Jaap de Ruig

     

  • Een fascinatie voor grensgangers


     

    Els van Swol (1952) blogt sinds 2012 op haar eigen website over muziek, toneel, film, literatuur, filosofie, beeldende kunst en nog veel meer, kortom over alles wat raakt aan cultuur en cultuurgeschiedenis. Wat haar boeit zijn de tegenstelling tussen goed en kwaad en de kunstenaars die zich op de grens daarvan bewegen. 

    Minimaal een keer per week plaatst ze op haar website een blog. Sinds 2015 schrijft ze recensies voor Literair Nederland. Ze recenseert eveneens voor NBD Biblion, een organisatie die bibliotheken ondersteunt en het lezen wil bevorderen, en voor cultuurwebsite 8WEEKLY. Daarnaast schreef zij zeven boeken, waarvan Tien boeken, tien deugden, over Philippe Claudel, een paar maanden geleden verscheen.

     

    Wat drijft jou om te schrijven? Je produceert best veel.

    ‘Ik heb zelf niet het gevoel dat het veel is. Van de recensies, ook voor Literair Nederland, hangt het af van met welke andere zaken ik nog bezig ben, een cursus of zo, of van wat ik toegestuurd krijg. Alleen voor 8WEEKLY schrijf ik iedere maand. Ik bezoek dan een tentoonstelling en vertel er wat over. En ik schrijf voor Kerk in Mokum, een tijdschrift voor kerk, cultuur en samenleving van de Protestantse Kerk Amsterdam. Ik ervaar het niet als veel schrijven, het is een hobby. Wat mij drijft is creatief bezig zijn. Zo heb ik ook als vrijwilliger een keer per maand een muziekclubje waar ik dan een lezing geef. Ik duik in de muziekgeschiedenis, zoek van alles bij elkaar over een bepaald muziekstuk of een componist, vertel er wat over en hoop dat mensen dan zeggen: Wat heb ik een heerlijke middag gehad. Soms gaan ze een cd kopen van een componist waar ze voorheen nooit van hadden gehoord. Dan is mijn middag goed.’ 

    Els van Swol deed de opleiding tot muziekbibliothecaris aan de vroegere Frederik Muller Academie en studeerde later Kunst en Cultuurwetenschappen bij de Open Universiteit. Daar was muziek een vak, net als beeldende kunst, literatuur, filosofie en cultuurgeschiedenis. Ze studeerde af op het filosofische Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel. Van Claudel was ze zo onder de indruk dat ze zelf een boek over hem en tien van zijn romans ging schrijven: Tien boeken, tien deugden (2021). 

    Wat trok je aan in zijn boeken, wat is de gemene deler?

    ‘Hij schuurt. Er zit een soort dialectiek in. Goed en kwaad, licht en donker, in een vaak heel bloemrijke taal. Die schuurt met het thema waar hij over het algemeen over schrijft, het kwaad, en dat vind ik interessant. Dat is de gemene deler die mij in een kunstwerk aanspreekt, in boeken, muziek of wat dan ook. Ook in beeldende kunst ja. Ik herinner me dat ik voor het eerst met vakantie in Vlaanderen was. Het regende, ik had te weinig boeken bij me en ging een boekwinkel binnen. Toen is mijn liefde voor de Vlaamse literatuur geboren. Zowel de beeldende kunst die je daar ziet als de literatuur zijn wat rauw. Die heeft ook heel bloemrijke taal en toch schuurt het. Die twee kanten zitten ook in Claudel, en trouwens ook bij Shakespeare, waar ik ook een groot fan van ben, dat komische en het tragische. Componisten als Carl Nielsen en Francis Poulenc hebben het ook. 

    Zelf ben ik een boek over Claudel gaan schrijven omdat ik het zo interessant vond wat hij schrijft. Er waren toen tien romans van hem vertaald en ik dacht, tien is een mooi getal, wat kan ik daarmee? Toen stuitte ik toevallig op het boekje Tien waarden om in te geloven van Bernard Luttikhuis en heb ik dat als kapstok gebruikt voor de boeken van Claudel, zodat er een mooie structuur ontstond en mijn verhaal meer werd dan een uittrekselboek.’

    Een ander boek van Van Swol is Mythe, mysterie, mystiek, (2019), een “kennismaking en een in memoriam” over de in 2016 overleden theoloog Henk Vreekamp, die zichzelf ook wel als “heiden christelijke” voorganger omschreef.  

    Wat was de aanleiding om dat boek te schrijven?

    ‘Er was een studiedag in de synagoge in Zwolle over het werk van Vreekamp die toen een jaar eerder overleden was. Ik kende hem en zijn vrouw en ik kende de serie van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij – die inmiddels door KokBoekencentrum wordt uitgegeven – en het leek me leuk om Vreekamp daarin te laten opnemen. Aan zijn vrouw heb ik gevraagd: zou je medewerking willen verlenen als ik voorstel om dat te gaan schrijven? Dat vond ze enig. Ik kreeg de volle medewerking, maar heb zijn archief niet mogen raadplegen omdat zij erop stond dat het echt alléén mijn visie op zijn werk was die ik zou weergeven. Daarom wilde ze ook niet dat ik een hoofdstuk Receptie zou toevoegen, waarin ik in zou gaan op reacties op zijn werk anders dan die van mijzelf. Verder was het een hele leuke samenwerking. Nee, ik heb niet overwogen om het dan maar niet te schrijven, ik wilde het toch graag doen.’

    Uit dat boek en uit andere van je teksten blijkt dat je nogal wat Bijbelkennis hebt.

    ‘Die heb ik niet bij de Open Universiteit opgedaan, het is altijd mijn persoonlijke interesse geweest. En dan voornamelijk de joodse uitleg van de Bijbel, waar Vreekamp ook erg sterk in was. Ik heb in verschillende commissies op dat terrein gezeten, kerkenraadcommissies en zo, ben er altijd wel mee bezig geweest. Als puber niet, ik ben wel christelijk opgevoed, maar keek toen kritisch naar de kerk. In Leeuwarden, waar ik een tijd gewoond heb, ging ik praktisch niet naar de kerk. Maar toen mijn ouders daar ook kwamen wonen ging ik samen met mijn vader, dat was gezellig.’  

    Vanwaar de interesse voor de joodse kant van de Bijbel?

    ‘Die is meer concreet, de joodse uitleg van de bijbel, meer op het aardse gericht. Geen dogma’s van dit of dat moet je geloven, gewoon praktisch doen, het geloof in praktijk brengen, letterlijk. Daar gaat het in het jodendom om, er handen en voeten aan geven. In het Hebreeuws zijn woord én daad een en hetzelfde woord: dabar. “Geen woorden maar daden” klinkt daarom in mijn oren dus vreemd. Denk aan de zeven werken van barmhartigheid: hongerigen voeden, dorstigen water te drinken geven, vreemdelingen opnemen, naakten kleden, zieken bezoeken, gevangenen bezoeken en doden begraven. Het gaat erom de wereld beter te maken.’

    De Bijbelteksten die je onder andere aanhaalt in het boek over Vreekamp en ook in dat over Claudel, en die ook wel in je blogs voorkomen, ken je die uit je hoofd?

    ‘Bij Claudel heb ik heel weinig aangehaald en met enige schroom, want ik was me erg bewust van het feit dat hij humanist is. Maar door die opvoeding zit er zoveel bagage dat er al snel een koppeling met zo’n tekst in me opkomt. En soms heb ik ook wel eens een klepel waar ik de klok even voor moet opzoeken. Leve het internet hè. 

    Nee, de allernieuwste vertaling van de Bijbel heb ik niet gekocht. Dat wordt te gek ook. Ik heb er laatst iemand uit horen voorlezen, vond ik wel mooi, maar om nou nog weer een vertaling te kopen… Ik heb er al een paar en ben geen theoloog. Ik heb een paar jaar Ivriet gedaan, het moderne Hebreeuws, en kan in het oude Hebreeuws sommige dingen wel plaatsen. Over vertalingen zijn hele hetzes gevoerd. Dan denk ik, ja ach…’ 

    Je schreef ook twee boeken over muziek, waaronder Dialoog in muziek (Panta Rhei, 1997) over de invloed van de joodse muziek op de westerse muziekgeschiedenis. Hoe zit dat precies?

    ‘Die invloed is er, vanf het Gregoriaans, tot nu toe. Maar dat weten weinig mensen, eigenlijk heel vreemd. De invloed kwam vanuit wat we nu Israël noemen naar hier, mensen gingen over en weer. Bij Monteverdi zijn er veel invloeden, die zat in het getto in Venetië en heeft daar de joodse muziek gehoord. Er zijn ook twintigste-eeuwse componisten die zich bewust hebben laten beïnvloeden, niet-Joodse componisten. Je kunt het soms horen, in bepaalde uitvoeringstradities van het Gregoriaans die daar echt op gestoeld zijn en bij Monteverdi in bepaalde versieringstechnieken. Je vindt de invloed ook terug in de getallensymboliek in allerlei werken van J.S. Bach. Vervolgens bij de joods-christelijke componist Mendelssohn-Bartholdy, in werken van Schubert en vooral in Russische muziek van met name Rimski-Korsakow en Sjostakovitsj.’ 

    Je schreef ook een boek over je moeder.

    ‘Het is een biografie van mijn moeder. De titels van de hoofdstukken zijn ontleend aan de delen uit Dieterich Buxtehude’s cantate Membra Jesu Nostri. Mijn vader en ik hoorden dat stuk tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, niet lang nadat mijn moeder was overleden. Het maakte een verpletterende indruk. Vandaar de keus voor de hoofdstuktitels als kapstok voor de indeling. In het boekje kijk ik door de ogen van mijn moeder naar de kunst waar zij van hield: beeldende kunst, (binnenhuis)architectuur, literatuur, klassieke en jazzmuziek. Ik probeerde deze voorliefdes psychologisch te duiden. Op deze manier ontstaat ook een tijdsbeeld en gaat het ook over kunstgeschiedenis. En bepaalde kanten van het karakter van mijn moeder ben ik al schrijvende steeds beter gaan begrijpen.’ 

    Voor Shakespeare heb je een grote liefde. Wanneer is die ontstaan en wat trekt je in hem aan?

    ‘Dat was in 1993. Ik zat tv te kijken, zapte wat en toen kwam er een opvoering van Hamlet voorbij, opgenomen in het Hilversumse raadhuis onder regie van Dirk Tanghe en Berend Boudewijn. En toen was ik verkocht! Ik dacht, dit is wel zo iets moois! Ik heb Shakespeare natuurlijk op de middelbare school gehad, maar toen drong het nog niet zo tot me door, het hoorde gewoon bij de les. De opvoering was zo mooi gedaan dat ik er meer van wilde weten. Sindsdien ga ik altijd als Shakespeare ergens opgevoerd wordt. Ik ben gek genoeg om er ook voor op reis te gaan. Vrienden van me zijn ook grote fans, we delen die liefde. Een van hen is een Engelse toneelspeler. Ze sturen weleens linkjes door over opvoeringen in Engeland en dan ga ik daar ook naar kijken. Het is een totaal andere opvoeringstraditie dan in Nederland. Het grootste verschil zit er misschien in dat Engelse regisseurs meestal dichter bij het origineel blijven en Nederlandse niet altijd. De eerste opvoering van een Shakespearestuk vond in Nederland pas halverwege de negentiende eeuw plaats. Bovendien kent Nederland regisseurstoneel: de visie van een regisseur op een bepaald stuk is nadrukkelijk aanwezig. Het is heel leuk om kennis te nemen van dat verschil. 

    Ik ben ook een paar keer in Stradford-upon-Avon geweest, maar heb daar geen opvoering bijgewoond. Wel in Londen. Wat me trekt is misschien toch ook wel weer die dialectiek, goed, kwaad, tragedie, komedie ineen. En het mengen van dingen. Grensgangers zijn het eigenlijk, dit soort kunstenaars en in die verschillende stijlen. Dat is denk ik wel een kenmerkend woord.’

    Je blogs op je website zijn heel verschillend. Soms zijn het recensies, soms boekaankondigingen of een verhaal over iets anders, met veel boektitels en auteursnamen. Heb je die associaties allemaal paraat?

    ‘Soms moet ik wel wat nazoeken, maar iemand heeft ooit tegen me gezegd: “Dat is een hele leuke soort kortsluiting in jouw hersenen.” Dat vond ik het mooiste compliment dat ik ooit gehad heb. Wanneer ik over literatuur aan het schrijven ben, schiet me vaak meteen een schilderij te binnen of een stuk muziek. Dat is de cultuurwetenschap in praktijk gebracht. Ik denk dat ik dat altijd heb gehad, door de studie misschien aangewakkerd. Maar het zat altijd al in me.’ 

     

    Lees hier de recensie van Els van Swol

    En kijk hier voor Els’ Blogs.


    Foto: Nori Rutgers-Dekker

     

  • Zinnen die blijven hangen


    Op 12 december jl. won Puck Füsers de schrijfwedstrijd van Write Now! Puck is 19 jaar, studeert en werkt in Maastricht en schrijft gedichten. Over haar winnende gedichten schreef de jury o.a.: ‘De prijswinnende inzending is een experimentele tekst, die het menselijke nooit uit het oog verliest.’

    Voor Literair Nederland sprak ik Puck telefonisch op een moment dat de eerste opwinding over het winnen van de prijs een beetje gedaald was en zij weer druk was met het leven van alledag.


    Hoe gaat het met je na het winnen van Write Now!?

    ‘Ik heb de eerste dagen op een wolk geleefd, nu ben ik weer een beetje geland’.
    Puck vertelt dat ze vorig jaar de derde prijs in de voorronde van Venlo had gewonnen met gedichten die ze vrij impulsief had ingestuurd. Maar die prijs was zo’n stimulans dat ze deze keer dacht: ‘ik ga meer mijn best doen.’ Dus begon ze in maart, lang voor de deadline in oktober, al met schrijven.


    Heb je het werk van de anderen gelezen?

    ‘We ontvingen het werk van de andere finalisten pas na de prijsuitreiking, dus ik had vooraf geen idee wat de rest had ingestuurd. Ik had wel al de voorronde-inzendingen kunnen lezen van degenen die de eerste prijs in de voorrondes hadden gewonnen. Ik vond het mooi, het was goed geschreven en van hoog niveau.’
    De finalisten hebben elkaar ontmoet op de dag van de uitreiking. ‘Het waren supertoffe mensen; het was een hele gezellige dag. Ik had niet verwacht dat ik zou winnen, dus ik was superrelaxed. Ik hoop dat we met elkaar contact houden.’


    Sinds wanneer schrijf je gedichten en schrijf je ook proza?

    ‘Dat is eigenlijk geleidelijk begonnen, zo’n 3 à 4 jaar geleden, maar sinds een jaar of 2 doe ik dat wat structureler. Ik heb ooit wel verhalen geschreven, maar daarin kwam ik nooit tot de top; ik bleef hangen in de beschrijving van situaties. Ik ben poëzie gaan schrijven omdat ik merkte dat er zo nu en dan zinnen bleven hangen. Vanuit die zinnen schreef ik dan verder. Ik las zelf eigenlijk nog geen poëzie toen. Wel had ik een leraar op de middelbare school die ons zo nu en dan poëzie liet lezen. Ik merkte toen dat ik dat wel leuk vond. Daarna ben ik zelf op zoek gegaan, in eerste instantie op internet. Nu lees ik wel veel, bijvoorbeeld van Marieke Lucas Rijneveld, Maxime Garcia Diaz en Levina van Winden. Voor mij geldt dat veel lezen bijdraagt aan mijn schrijven.’


    Veel van jouw gedichten gaan over opgroeien in een digitaal tijdperk. In je gedichten lees ik een zacht kritische ondertoon, klopt dat?

    ‘Veel mensen benadrukken het negatieve van internet. Maar internet kan ook verbindend en democratiserend zijn. Ik wil daarin graag genuanceerd zijn. Natuurlijk zijn er negatieve effecten; ik zie dat ook wel om me heen, en ik benoem het natuurlijk in mijn gedichten. Maar ik wil nu ook weer niet zeggen dat het internet ons alleen maar kwaad kan doen. Ik denk dat het vooral belangrijk is om tot een soort realistische weergave te komen, om te zien wat er nu écht gebeurt als we onszelf omringen met de online wereld. En dat is meestal niet alleen goed of slecht, maar een combinatie van beide.’


    Schrijf je met een bepaalde doelgroep voor ogen?

    ‘Nou, nee, daar ben ik tijdens het schrijven niet mee bezig. Ik hoop dat mijn gedichten voor veel mensen toegankelijk zijn, maar ik schrijf vooral vanuit mezelf en daarmee is het natuurlijk wel generatiegebonden en meer toepasselijk voor mijn generatiegenoten. Maar als mensen bepaalde begrippen niet herkennen, kunnen ze die altijd op Google opzoeken natuurlijk.’


    Uit de serie van acht gedichten publiceren we het gedicht ‘breuklijnen’. Wat kan je vertellen over dit gedicht?

    ‘Dit is het laatste gedicht dat ik voor de finalereeks geschreven heb. Het was de afsluiting. Het voelde als een soort uitademen en deed me terugkeren naar de realiteit.
    Voor de deadline was ik obsessief bezig geweest met de wedstrijd. Dat vond ik niet fijn; normaal laat ik een gedicht liggen en neem dan een tijdje afstand. Dat kon nu niet. Dat was heel intens. Door het schrijven van ‘breuklijnen’ hervond ik mijn rust, het gevoel dat ik had paste daarbij en dat had ik nodig. Toen wist ik ook: “nu is het goed”. Ik heb het ingeleverd en kon het loslaten daarna.’

    ‘breuklijnen’

    iemand die je vraagt of de weg nog heel is, geen blauwe plekken heeft

    het glinsteren van een ochtend waarvan je niet weet
    hoe er aan te beginnen, wachten tot het wegsijpelt
    je kunt het vliegen noemen en verrast kijken

    je kunt de scherven oprapen, je fantasie gebruiken

    iemand die je vraagt wat je vandaag hebt aangericht,
    niet willen zeggen: schade.
    de schaamte van niet op zoek gaan naar wat weerkaatst
    in het licht, gewoon het leggen van je wang tegen de aarde

    voelen wat nog koud is en hoe lang dat zo zal blijven

    zien hoe de zon opkomt zoals de zon wel vaker opkomt
    daar gewoon niet tegenop kunnen
    de auto zo vol met haar parfum dat zelfs je adem naar haar ruikt

    uitblazen
    niets vragen
    toch antwoorden verzinnen

     

    Op de website van Write Now! staat dat deze prijs voor zowel winnaars als finalisten vaak de kickstart betekent van een schrijfcarrière. Wat zijn jouw ambities?

    ‘Ik schrijf heel veel. Ik ben altijd wel bezig met een gedicht, dagelijks. Ik kan dat niet zomaar uitzetten. Maar elke dag schrijven, betekent natuurlijk niet elke dag een goed gedicht. Mijn werk aanbieden aan een uitgeverij lijkt me heel fijn, maar voordat ik dat ga doen wil ik me eerst verder ontwikkelen. Wel wil ik mijn gedichten aan literaire tijdschriften gaan aanbieden, in de hoop dat ik daar een podium krijg.’

     

    Kennismaken met het werk van Puck Füsers kan via de website van Write Now! Daar staan onder de titel ‘Wat je niet weg kunt klikken’ haar acht winnende gedichten.
    Overigens staan daar ook de ingezonden teksten van Keet Winter en René Mets, de nummers twee en drie van de wedstrijd.
    Een nadere kennismaking met Puck kan al binnenkort. Op 9 januari aanstaande is ze als prijswinnaar van Write Now! een van de gasten die optreden op Frontaal, een literair evenement dat deze keer online is en live wordt gestreamd.

     

    foto: Salih Kiliç

     

  • Er is niet een waarheid in dit verhaal


    Veertien jaar geleden verscheen van de Duitse schrijfster Julia Franck de bestseller Der Mittagsfrau (De middagvrouw). Het boek werd vertaald in zevenendertig landen en won de Deutscher Buchpreis. In 2011 verscheen Rücken an Rücken (Rug aan rug), over een familie in Oost-Duitsland in de jaren vijftig en zestig, vanuit het perspectief van een broer en zus, kinderen nog. Toen bleef het tien jaar stil, tot onlangs Werelden uit elkaar in vertaling van Els Snick verscheen. De schrijfster die de gedachte over zichzelf te schrijven walgelijk vond, schreef een autobiografische roman over opgroeien in een disfunctionerend gezin in het Duitsland van de jaren zeventig en tachtig.

    Julia Franck (1970) wordt geboren in Oost-Berlijn, op achtjarige leeftijd verhuist ze met haar moeder en drie zussen (waarvan een haar tweelingzus) naar West-Berlijn, waar ze eerst negen maanden in een vluchtelingenkamp worden opgevangen. Haar moeder schrijft vanuit het kamp alle vrijescholen in Duitsland aan voor een plek voor haar drie oudste dochters. Ze worden aangenomen op een Steinerschool in Sleeswijk-Holstein en de moeder krijgt in die omgeving een leegstaande boerderij toegewezen. Ze leven van een uitkering. Moeder, een getroebleerde actrice, ligt veel in bed of verzorgt met ongewone genegenheid de geiten, kippen en varkens die ze bij het huis houden. ‘s Morgens staan de oudste kinderen alleen op, zorgen voor het kleine zusje en lopen vijf kilometer naar school. ’s Avonds koken ze hun eigen avondeten met wat er voorhanden is. Er is veel ruzie in huis, niemand wordt terecht gewezen, huilen is uit den boze.

    In haar twee voorgaande romans De middagvrouw en Rug aan rug onderzoekt Julia Franck respectievelijk de familieverbanden van haar vader en van haar moeder. Het zijn fictieve verhalen gebaseerd op biografische gegevens van haar ouders. In Werelden uit elkaar onderzoekt ze de wereld waarin zij zelf opgroeide. Een autobiografische roman waarin veel sporen uit de twee genoemde romans bij elkaar komen. Er lijken dingen in elkaar te schuiven, een geheel te vormen. Naast een boek over de schrijfster zelf, is het ook een verhaal over de manier waarop we iets opbouwen uit onze herinneringen en hoe we die herinneringen bevragen.

    Julia Franck was in oktober in Nederland voor haar boekpresentatie van Werelden uit elkaar. We ontmoetten elkaar in een bovenzaal op de eerste verdieping van het Goethe Instituut in Amsterdam. 


    Wat heeft u in de tien jaar tussen u laatste boek en Werelden uit elkaar gedaan?

    ‘Het is niet dat ik heb stilgezeten. Toen ik tweeënhalf jaar geleden aan Werelden uit elkaar begon had ik drie romans onder handen die ik vervolgens niet afmaakte. Het waren fictieve romans met compleet verschillende onderwerpen. In een van die romans probeerde ik te schrijven over de natuur zonder er een individu, een mens in voor te laten komen. Dat was moeilijk en ik realiseerde me dat ik geen boeken kan schrijven zonder personen erin. Op dit moment in ieder geval niet. Maar ik weet niet precies wat er gebeurde toen ik begon te schrijven over dit zeer persoonlijke onderwerp, over ‘Auseinander’ (uit elkaar). Ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden realiseerde ik me voor het eerst dat ik misschien in staat was te schrijven over de meest intieme, meest persoonlijke ervaringen uit mijn leven. Naar mijn idee was het nodig dat ik ouder werd, om met meer ervaring en meer afstand er tegen bestand te zijn deze ervaringen tot onderdeel van een boek te maken. Ook om deze ervaringen uit het verleden, een ander leven van ‘Behind the Wall’  aan te kunnen. Elk schrijven is een beslissing te schrijven vanuit een bepaald perspectief.’


    Vanuit welk perspectief heeft u dit boek geschreven?

    ‘Het is een boek geworden over hoe we onze herinneringen bevragen. Hoe respecteren we onze herinneringen maar ook dat wat je vergeten bent. Te schrijven over mijn jeugd is tevens een poging aan een mozaïek te bouwen waarin de herinneringen aan de verhalen die ons verteld zijn door familie of vrienden ook worden opgenomen. Te reflecteren op die verhalen, maar ook brieven van vrienden uit die tijd, mijn eigen dagboeken en die van mijn vader waren belangrijk om mijn herinneringen weer te geven. Mijn interesse lag in het schrijven met al die verschillende materialen.’

    Werelden uit elkaar is een mooi gecomponeerd boek geworden over opgroeien in een vrouwenfamilie, vaders en grootvaders ontbreken. Kinderen worden aan hun lot overgelaten. Het zijn de jaren zeventig en tachtig, de jaren van de seksuele revolutie, leve de vrijheid. Franck schrijft, ‘In mijn herinnering is er geen enkele gebeurtenis waarbij Anna (de moeder, Iv/dG) pedagogisch, streng of boos optrad. Het woord grens had voor haar alleen te maken met de scheiding van de twee Duitse staten.’ Dat haar grootmoeder Inge, een vrouw met een sterk karakter, niet meer leefde, maakte het voor Franck eenvoudiger over haar eigen leven te schrijven, maar ook, benadrukt ze, ‘Ik moest ouder worden, ook om met mijn eigen dagboeken te kunnen omgaan. Ik schreef die dagboeken toen en kan het nu pas lezen.’


    U begon op u twaalfde met dagboekschrijven en werd een nogal obsessief dagboekschrijfster.

    ‘Het was voor mij de enige betrouwbare relatie die ik in mijn jeugd ontwikkelde, mijn dagboek was alles voor me. Als ik schreef, kwam er altijd een volgende zin, en nog een. Dat gaf me zekerheid. Ik dacht er niet aan te schrijven over dingen die zo duidelijk voor me waren. Ook niet dat ik wat ik schreef later zou gebruiken. Ik schreef omdat het een uitweg was uit het leven waarin ik zat. Achteraf is het altijd een streven te schrijven over dingen die diffuus zijn, die niet zo gemakkelijk te begrijpen of te verklaren zijn. Ik wilde ook die beelden die toegedekt waren laten zien, zonder verdere uitleg. Herinneren heeft de intentie iets te verklaren, iets uit te leggen, te interpreteren. Te doen alsof er een regel, een structuur voor is om te vertellen hoe ons leven was. Het is veel interessanter die kleine tussenruimtes te vinden, het onbeschrevene te vinden.’ 


    In hoeverre was het anders om dit boek te schrijven vergeleken met uw vorige boeken?

    ‘Ik was gewend aan de opbouw van een roman, waarin ook biografische details zaten, maar waarin de karakters onder mijn regieaanwijzingen werden gecomponeerd. Met dit boek wist ik vanaf het begin dat ik op vele manieren  over mijn eigen verhaal zou kunnen schrijven. Er is niet één manier om het verhaal van mijn leven te vertellen, er is niet één waarheid in dit verhaal.’


    U bent in Oost-Duitsland geboren, op achtjarige leeftijd verhuisde u tegen u zin naar West-Berlijn.

    ‘Ik was daar opgegroeid, al onze familie en vrienden waren daar. Een typisch verlangen van een kind is te blijven waar ze is, als het niet al te slecht is. Omdat er geen visionair ideaal is van een ander leven, van een andere wereld aan de andere kant van de muur. Later, in mijn tienerjaren, toen ik wel een visionair beeld begon te ontwikkelen, kreeg ik langzaamaan een idee over een leven buiten mijn moeders huis. Er ontstond in mij het sterke gevoel dat ik niet hoorde in het leven waarin ik zat. Ik was ervan overtuigd dat ik daar weg moest.’


    Als dertienjarige ging u bij vrienden van uw moeder in Berlijn wonen. Hoe was het om uw tweelingzusje te moeten achterlaten?

    ‘Ik voelde me schuldig dat ik alleen aan mezelf dacht. Maar ik wilde me niet verantwoordelijk voor haar voelen. Ze was altijd achter me, liet me nooit met rust. We waren niet gelijkwaardig, ik moest haar beschermen. Daarvoor voelde ik me niet sterk genoeg, het was een rol die ik niet aan kon. Ik voelde me ook verantwoordelijk voor mijn moeder en mijn jongste zusje. Maar ik kon dat niet meer. Ik ontwikkelde dwanghandelingen, kreeg wratten aan mijn handen en angst voor alles. Ik vroeg me af waar het met mij naartoe moest, ik wilde verdwijnen.’


    Hoe was uw relatie met u moeder?

    ‘Mijn moeder en mijn grootmoeder, waren geen zorgende vrouwen. Om daarop te reflecteren, zoals ik in mijn boek doe, moest ik ook ouder worden. Niet per se vijftig, maar toch… Toen ik drieëntwintig was, ontwikkelde er zich wel een bijzondere relatie met mijn grootmoeder. Ik begon haar vragen te stellen, hoe het was toen ze jong was en de oorlog uitbrak. Hoe het was om uit Duitsland weg te moeten, door haar Joodse moeder naar Italië gestuurd te worden. Daar ontmoette ze een jonge kunstschilder met wie ze niet mocht trouwen vanwege de raciale wetten van de nazi’s. Mijn grootmoeder had nooit nagedacht over haar Joods zijn, ze was een bourgeois, een geassimileerde Joodse vrouw. Pas door de nazipolitiek kwam het besef bij haar dat ze er niet bij hoorde. Om diezelfde reden werd ze niet toegelaten tot de kunstacademie. 

    Enerzijds kon mijn grootmoeder er heel open over spreken, maar er was ook een diep verborgen pijn in haar over het verlies van haar verloofde, over de vraag waarom hij in maart 1945 op die trein is gegaan. Het was bijna het einde van de oorlog en hij kwam door een ongelukkig ongeval om het leven. Dat maakte haar tot een ongehuwde weduwe, maar ze had geen rechten, er bleef haar niets over van hun relatie.’

    Het lijkt of de geschiedenis zich in de vrouwelijke lijn herhaalt. Francks grootmoeder verloor op jonge leeftijd haar geliefde door een ongeluk, haar moeder verloor haar geliefde broer op jonge leeftijd door zelfmoord, en Franck zelf verloor op jonge leeftijd haar geliefde, Stephan. Ze woonden samen toen hij door een vrachtwagen werd overreden. In het boek beschrijft ze het overweldigende gevoel niets meer te hebben, niets waardoor gezegd kan worden, ‘hij was van mij’. 


    Was de ontmoeting met Stephan het begin van geluk dat een tragedie werd?

    ‘Toen ik Stephan ontmoette, was er een geweldig gevoel van geluk. Hij was heel zeker over zijn liefde voor mij, dat was zo nieuw voor mij. In die tijd had ik ook een relatie met een ouder iemand, een filmmaker. Ik voelde geen noodzaak te moeten kiezen. Maar ik voelde ook een grote onzekerheid. Ik vond het moeilijk me over te geven aan zijn liefde, ik had nooit ervaren hoe er van je gehouden kon worden. Ja, het was tragisch dat hij verongelukte. Maar ik moet nu denken aan de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie. Aan haar essay Trauer ist das Glück, geliebt zu haben, dat onlangs verschenen is. Over de dood van haar vader tijdens de pandemie, en dat rouwen ook betekent dat er is liefgehad. En dat blijft.’


    U beschrijft een voorval dat speelde tijdens uw tienerjaren, u werd bestolen door twee klasgenoten.

    ‘Het voorval zelf was ik vergeten. Tot ik het in mijn dagboek las. Op die manier zijn mijn dagboeken mij ook van dienst geweest. Ik was ontsteld te lezen hoe ik reageerde. Ik paste op een huis van iemand, er was geld aanwezig om eten voor de kat te kopen. Er kwamen twee klasgenoten op bezoek en na hun vertrek was het geld verdwenen. Ik voelde me gekwetst, maar ook schaamde ik me voor hen, dat ze dit gedaan hadden. Ik voelde geen woede dat ze me bedrogen hadden. Ik kon niet boos worden. Toen ik het teruglas was het interessant voor me te zien hoe verlegen, hoe onzeker ik was. Ik verzon zelfs verhalen hoe het geld weggeraakt zou kunnen zijn om hen te ontlasten. Het bewerkstelligde een integriteit tussen het meisje dat ik was en de vrouw die ik nu ben.’

     

    In de proloog van Werelden uit elkaar schrijft Julia Franck: ‘Hoe nieuwsgierig we ook naar elkaar zijn en hoe graag we elkaar ook willen ontmoeten, het is juist het andere en de zienswijze van de ander die ons fascineren, de ander van wie we willen houden of die we ook willen minachten. Het is precies datgene waarin onze individualiteit tot uiting komt. De vreemdelinge ben ik zelf.’ Een fascinerende passage die door het hele boek blijft meeklinken.

     

     

     

    Foto: ©Matthias Bothor


     

     

     

     

     

     

     

    Werelden uit elkaar / Julia Franck / vertaling Els Snick / 320 blz. / Uitgeverij Wereldbibliotheek

     

  • Ik wil mensen meeslepen, maar ga niet op mijn hurken zitten


    Sandra Langereis won onlangs de Libris Geschiedenis Prijs voor haar lijvige boek,
    Erasmus. Dwarsdenker. Het was de tweede keer dat ze met een biografie voor deze prijs was genomineerd. In 2014 miste ze hem voor De woordenaar, maar riep De Volkskrant de biografie van drukker Christoffel Plantijn uit tot de beste biografie, en Trouw tot het beste geschiedenisboek van dat jaar. Momenteel bereidt ze zich voor op een biografie van Eise Eisinga (1744-1828), bekend van zijn Planetarium in Franeker.
    Langereis studeerde geschiedenis aan de UvA en promoveerde daar in 2001 cum laude. Ze doceerde vroegmoderne geschiedenis aan die universiteit en aan de Leidse universiteit, tot ze als fulltime onderzoeker met Erasmus’ biografie aan de slag ging.
    Hoe kwam ze tot de keuze voor de gebiografeerden? En wat maakt dat haar boeken zo geprezen worden? We ontmoeten elkaar voor een gesprek in Theater Lux in Nijmegen. 


    U schrijft zo beeldend dat ik onderweg naar dit filmtheater bedacht dat Erasmus op basis van uw biografie zo zou kunnen worden verfilmd.

    ‘Ik kan me voorstellen dat u dat denkt. Bij het schrijven heb ik voor mezelf een soort scenario’s getekend. Ik maakte bijvoorbeeld een plattegrond van het klooster waarin Erasmus opgroeide: waar lag de tuin, waar de brouwerij, hoe was de indeling? En vervolgens hoe moet hij zich daarin bewogen hebben. Zo heb ik voor zijn reizen uitgezocht hoe het Europese wegennet er in Erasmus’ tijd uitzag. Welke afstanden legde je per dag te paard af. Deed je dat stapvoets of in draf? Paarden werden vaak gehuurd, zoals je nu een auto huurt. Als je de rekening van de herberg moest betalen stond daar naast de kosten voor je bed en je maal ook de portie hooi voor het paard op. Als dat filmische beelden oproept ben ik daar blij mee. Maar ik heb dat niet voor het effect gedaan. Ik wilde duidelijk maken dat Erasmus’ intrede in het klooster betekende dat hij als adolescent een autarkische wereld binnentrad, een in zichzelf gekeerde wereld die niets te maken wilde hebben met het leven buiten de kloostermuren. En dat het enorm inspannende, tijdrovende en kostbare ondernemingen waren, al die tochten te paard van de volwassen auteur Erasmus naar Venetië, naar Bazel, noem maar op.’


    De meest tot de verbeelding sprekende boeken van u zijn De Woordenaar en Erasmus. Dwarsdenker. Maar uw eerste publicatie betrof een minder avontuurlijk figuur, de Nijmegenaar Johannes Smetius. Hoe kwam u bij hem terecht?

    ‘Voor mij was de ontmoeting met Smetius wel degelijk een avontuur. Hij leefde in de 16de en 17de eeuw, de tijd waarin de vroegmoderne geschiedschrijving die aan bronnenvermelding doet is uitgevonden. Ik kwam met hem in aanraking toen ik een onderwerp zocht voor mijn doctoraalscriptie. Ik bestuurde daarvoor oude drukken aan de UvA en ik zag dat Smetius literaire geschiedschrijving combineerde met archeologische bronnen. Hij controleerde het verhaal over de opstand van de oude Bataven in de teksten van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus aan de hand van archeologische vondsten, een beetje zoals Erasmus de overgeleverde Bijbeltekst controleerde aan de hand van eeuwenoude bijbelmanuscripten. Ik wilde op zo’n empiricus afstuderen.

    Ik heb toen veel tijd doorgebracht in het Gemeentearchief van Nijmegen, waar brieven van Smetius liggen. Daar bleken ze zelfs het manuscript nog te hebben van diens Nijmegen, stad der Bataven. Dat was heel uitzonderlijk, want in die tijd werden die na het drukken meestal weggegooid. Aan dat manuscript kon ik zien hoe het schrijven van Nijmegen, stad der Bataven evolueerde. Smetius plakte bijvoorbeeld notities over nieuwe archeologische vondsten in dat manuscript en stelde dan zijn tekst bij. Ik ben geïnteresseerd in de genese, de ontstaansgeschiedenis van teksten, in de ontwikkeling van het denken van auteurs, en in het effect van hun teksten op de maatschappij. Literatuur- en wetenschapsgeschiedenis is voor mij zoveel meer dan het bestuderen van gepubliceerde teksten alleen.’


    Loopt er een lijn van Smetius naar uw latere biografieën? Is er een grondthema dat steeds terugkeert?

    ‘Wat Smetius, Plantijn, Erasmus en mijn volgende onderwerp Eise Eisinga, alle vier gemeen hebben is een ongelooflijke ambitie en bevlogenheid. Het zijn cultuurmakers die zo geloven in de opdracht die ze zich gesteld hebben dat ze hun leven ernaar inrichten en er tal van opofferingen voor over hebben. Hun werk laat heel goed zien wat het belang is van literatuur en wetenschap voor de geschiedenis en de maatschappij. Het geeft mij troost om te zien wat cultuurmakers daar voor over kunnen hebben.’


    Hoe kon u vaststellen dat maatschappelijke veranderingen een effect waren van wat Erasmus deed?

    ‘Dat weet ik omdat ik veel kon vinden over de receptie van zijn teksten. Wat het effect van Erasmus’ geschriften was, valt bijvoorbeeld op te maken uit de vele brieven die hij kreeg. Daarin stond natuurlijk kritiek wanneer de afzenders orthodoxe theologen waren. Maar ik ga in mijn boek ook in op de brieven die hij kreeg van fans, gewone gelovigen, mannen en vrouwen. Ik heb uitgezocht wat voor vrouwen dat waren: abdis Clara Pirckheimer bijvoorbeeld, die dagelijks in Erasmus las. Of Margarethe Peutinger, de erudiete echtgenote van een Augsburgse stadssecretaris en moeder van volwassen kinderen, die thuis in haar eigen Bijbel aantekenende hoe een bijbeltekst volgens Erasmus gelezen en gecontroleerd moest worden. Erasmus liet die lezers zien dat de Bijbel mensenwerk was en dat de evangelisten en apostelen bijvoorbeeld retorische technieken gebruikten om hun boodschap over te brengen.’ 


    Om weer even naar onze tijd te springen zou Erasmus antivaxxers die zich op de Bijbel baseren op andere gedachten hebben kunnen brengen?

    ‘Jazeker. Veel van zijn lezers volgden hem in zijn boodschap dat je wel degelijk spiritueel bezig was als je de Bijbel kritisch las. Daarmee bedreef je geen ketterij, integendeel.’


    Waarom wilt u nu in het leven en werk van Eise Eisinga duiken? Het is een andere eeuw (de 18de en 19de) en met de natuurwetenschappen een heel ander wetenschapsveld dan dat waarin u zich tot nu toe bewoog.

    ‘Eisinga’s tijd is niet helemaal onbekend terrein voor me, want in Breken met het verleden (uit 2010, onder andere over de sloop van de Valkhofburcht in Nijmegen in 1795 tijdens de stichting van de Bataafse Republiek, A.A.) schreef ik ook al over die tijd. De Renaissance en de Verlichting vind ik erg boeiend. Het zijn mijn favoriete tijdvakken. Ik zoek na de eeuwen van Plantijn en Erasmus die uitdaging van een nieuwe periode en een nieuw wetenschapsgebied ook wel op, omdat ik niet in herhaling wil vallen. Toen Eisinga in Franeker zijn Planetarium bouwde deed hij dat als reactie op een manifest van een dominee. Die had in 1774 in de bijzondere conjunctie van planeten een aanleiding gezien om de ‘ontsloping van het heelal’ en het in de Bijbel voorspelde ‘einde der tijden’ aan te kondigen. Daartegenover wilde Eisinga met zijn geweldige kennis van astronomie zichtbaar maken dat God, de  ‘Grote Klokkenmaker’, juist harmonie in het heelal had verzekerd. Eisinga stelt mij in de gelegenheid om me te buigen over de spanning tussen natuurwetenschappen en geloof. Dat maakt hem interessant: dat hij in 1774 een educatief Planetarium bouwde dat in feite al een blauwdruk presenteerde van wat orthodoxe scholen nu intelligent design noemen.’


    Bij de uitreiking van de Libris Geschiedenisprijs tijdens
     het geschiedenisprogramma OVT, werd gezegd dat Erasmus een ‘vergeten schrijver’ is. U zei zelf dat we hem in Nederland niet goed kennen. Toch hoorde ik één van uw kinderen bij de uitreiking zeggen dat hij wel les had gehad over Erasmus. Hoe erg is het met die onbekendheid?

    ‘Het hangt er vanaf op welke school je zit. Volgens mij is Erasmus op de meeste middelbare scholen een onbegrepen figuur. Welke leerling, of leraar, kan goed uitleggen waar de historische Erasmus nu eigenlijk precies voor staat? Hij heeft iets met tolerantie te maken, verder komen veel mensen in Nederland niet. Hij schreef de Lof der zotheid, dat is bij aardig wat mensen wel bekend, maar dat hij ook met de Bijbel bezig is geweest en vooral om die reden in zijn eigen tijd geliefd was en tegelijkertijd gehaat werd door zowel katholieke inquisiteurs als protestantse leiders als Maarten Luther, is vandaag de dag vergeten. Mijn zoon David, die u dat hoorde zeggen, zat drie jaar op een gymnasium en daar heeft hij inderdaad een leraar gehad die over Erasmus als humanist en vertegenwoordiger van de Renaissance vertelde, maar dat is niet op alle scholen zo. Het is grappig dat David, toen ik zelf nog nauwelijks aan mijn biografie was begonnen, mij vertelde dat de opgestoken middelvinger van Erasmus komt. Dat leek me toen erg onwaarschijnlijk, maar toen ik de Adagia, de spreekwoordenverzameling van Erasmus, ging lezen kwam ik het daar tegen. Davids leraar had het denk ik gevonden in de vertaling door Jeanine De Landtsheer.

    Op de Nederlandse basisschool wordt geschiedenis, als er een gediplomeerde leraar voor de klas staat met in achtneming van wat er allemaal in het onderwijs is wegbezuinigd, gegeven op basis van de Canon van Nederland. Ik noem dat een ‘verkleuterd’ uitgangspunt. Hoe droevig het is gesteld met Erasmus op school zag ik eens in het tv-programma, De Beste Vrienden Quiz, een kennisquiz voor achtste-groepers. Er werd gevraagd naar de naam van een ‘wereldberoemde schrijver’ uit Nederland. Er kwamen steeds meer hints, zoals ‘hij is de schrijver van De lof der zotheid’ en ‘er is een beroemde Rotterdamse brug naar hem genoemd’. Het antwoord dat toen geroepen werd was Rembrandt.  Erasmus zit niet, of niet goed in de verhalen van leraren. En ik moet zeggen dat het met de Wikipedia- pagina over hem, het voor docenten niet aantrekkelijk is om hun leerlingen daarover een opstel te laten schrijven. Ik hoop dat geschiedenisleraren mijn biografie van Erasmus gaan lezen. Dat is een biografie en een geschiedenisboek inéén, waarin je niet alleen Erasmus, maar ook de eeuw waarin hij leefde op een compleet nieuwe manier leert kennen.’


    We hadden het al over het filmische karakter van uw biografie over Erasmus. Vindt u zich naast historicus en wetenschapper ook schrijver? 

    ‘Poeh. Even denken. Ik blijf wetenschapper, al probeer ik zo boeiend mogelijk te vertellen. Ik wil lezers wel meevoeren en ik gebruik verteltechnieken om dat te bereiken. Maar nogmaals, ik ben niet uit op effectbejag en ik ben wars van gaten dichten door fictie. Ik schrijf geen publieksboek en ik ga niet op mijn hurken zitten voor de lezer. Ik doe geen concessies op inhoud. Ik wil mijn lezers zoveel informatie geven dat ze met mij kunnen meedenken en zelf doordenken. Daarvoor moet ik ze wel eerst beetpakken.

    Ik heb naar aanleiding van mijn boek over Erasmus vaak nagedacht over mijn eigen schrijverschap. Ik kom uit een arbeidersgezin waar boeken zeldzaam waren, ik vroeg altijd een boek voor mijn verjaardag en was verder aangewezen op de bibliotheek. Ik was op de lagere school al gefascineerd door taal, schreef stukjes voor de schoolkrant en maakte boeken, ook stripboeken. Ik hield van strips. In mijn studentenjaren volgde ik ook colleges bij Historische Letterkunde en kreeg ik te maken met studenten uit hoogopgeleide gezinnen, mensen met universiteitsdocenten als ouders, die vertelden dat ze als kind thuis geen strips mochten lezen. Ik heb als kind van die strips kunnen opsteken hoe je een pakkend verhaal opbouwt. Elk plaatje moet iets beeldends en iets taligs hebben en aan het eind van de pagina moet een cliffhanger zitten. Oorspronkelijk verschenen strips als feuilleton in kranten en tijdschriften en kwam de volgende pagina pas een week later. Daar keek je naar uit.

    Ik probeer zo te schrijven dat de lezer dóór wil. Ik wil niet dat de lezer alleen het hoofdstuk over De lof der zotheid opzoekt en doorneemt en dan het boek dichtslaat: nee, ik wil de lezer 700 pagina’s lang vasthouden, zodat hij of zij uiteindelijk over álle werken die Erasmus schreef mijn verhaal heeft gelezen. Ik wil bereiken dat de lezer ook mijn uitgebreide verhaal over Erasmus’ nogal abstracte Bijbeluitgaven, of over Erasmus’ volstrekt onbekende bijbelse Parafrasen wil lezen. Ik moest aan die strips uit mijn jeugd denken toen ik tijdens het schrijven van Erasmus’ biografie mijzelf verraste door ergens een uitroepteken en een vraagteken na elkaar te zetten als uitdrukking van gespeelde verbazing, in de geest van Erasmus. Dat is in wetenschappelijke literatuur not done. Maar in dit boek over Erasmus durfde ik dat wel, zo’n experimentje met alledaagse humoristische interpunctie geeft de speelsheid van Erasmus’ eigen ongekunstelde literatuuropvatting heel goed weer. Ik gebruik in dit boek over hem ook literaire technieken die in wetenschappelijke literatuur ongebruikelijk zijn. Ik durf gerust een grap in te lassen of onverwachte vertelperspectieven te gebruiken. Dat deed Erasmus zelf namelijk ook.’


    Dat viel me inderdaad op. Ik raakte in de proloog in de war omdat u hem in de eerste zin meteen sprekend opvoert op een moment dat hij al dood was. Het bleek te gaan om een houten beeld van hem dat u een stem geeft.

    ‘Die verwarring wil ik ook. Hebt u gezien dat ik voorin een motto heb staan uit The Marx Sisters van Willem de Wolf? Dat is een acteur en tekstschrijver die ik erg bewonder. Ik ga graag en vaak naar theater waarin de spelers hun eigen teksten spelen, bijvoorbeeld De Koe, het gezelschap van Willem de Wolf. In The Marx Sisters is hij de acteur die een rol speelt en tegelijk de schrijver die op het toneel plotseling uit die rol stapt en schrijver Willem de Wolf is. Een heel subtiele, heel intellectuele, en ook heel geestige techniek die hem in staat stelt commentaar te leveren op zijn eigen stuk: best moeilijk te volgen voor een doorsnee theaterbezoeker, daar moet je een geoefend kijker van dit soort toneel voor zijn. In mijn Proloog probeer ik iets vergelijkbaars uit.

    Erasmus speelde zelf ook met rollen. Hij voerde zichzelf in een tekst als Tegen de barbaren bijvoorbeeld op als Erasmus, om zich vervolgens door één van zijn fictieve personages ter verantwoording te laten roepen. Ik laat in mijn Proloog een houten beeld van Erasmus tegen de biograaf zeggen: “Terug nu naar het echte verhaal! Voor zover dat kan dan. Er loopt zoveel door elkaar heen. Wat wordt het nou: geschiedschrijving of niet? (…) Hoeveel lagen wil je een verhaal geven, Langereis! Blijf eens simpelweg bij de feiten, mijn feiten. End fiction. Try fact! Laat mij anders liever zelf het woord doen”.  Het is een speelse en geestige maar ondertussen wel degelijk literair geïnformeerde manier om de lezer alert te maken op het feit dat dit geen rechttoe rechtaan biografie is van Erasmus, en dat deze biograaf van de lezer verwacht dat die mee puzzelt en meedenkt. Erasmus probeerde zijn lezers ook te leren hoe tekst werkt, hoe een schrijver zijn publiek stuurt.’


    In uw nawoord bij De woordenaar schrijft u dat het een feest was om uitgerekend dat boek te schrijven met twee kinderen die leerden lezen.  Wat bedoelt u daarmee?

    ‘Mijn boeken over Plantijn en Erasmus gaan voor een groot deel over leescultuur. Ik stelde in De woordenaar al vast dat de alfabetisering in de Lage Landen behoorlijk hoog was dat was in de tijd van de Renaissance eigenlijk alleen in Noord- en Midden-Italië en in de Lage Landen het geval. Ik was aan het denken over alfabetisering juist toen mijn kinderen leerden lezen. Ik kon dat van zeer dichtbij meemaken omdat ik bij hen op school leesmoeder was en hele klassen hielp bij de elementaire leeslessen door bijvoorbeeld met de kinderen te ‘flitsen’. Ik vond het fascinerend te zien hoe lees- en schrijfontwikkeling gaat. Die berust deels op talent en deels op scholing. De verschillen in individueel leertempo en leerniveau blijken in de eerste klassen meteen enorm. Toch leren uiteindelijk alle kinderen lezen en schrijven, ook kinderen met minder talent. Maar die enorme tempoverschillen in de eerste jaren maken dat sommige kinderen hun aandacht al heel snel kunnen verleggen van, bijvoorbeeld, het technisch uit elkaar houden van spiegelbeeldige letters als b en d naar inhoudelijker aspecten van het lezen en schrijven. Dat vergrootte mijn inzicht in de moeilijke vraag in hoeverre talent en scholing belangrijk waren voor de prilste ontwikkeling van een schrijver als Erasmus.’


    Van de vijftien winnaars van de Libris Literatuur Prijs hebben er drie geen eigen lemma in Wikipedia. Daar bent u er één van.

    ‘Die andere twee zijn zeker ook vrouwen.’


    Dat zijn Bart van de Boom en Roelof van Gelder. Waarom dacht u dat het vrouwen zouden zijn?

    ‘Omdat vrouwelijke cultuurmakers behoorlijk onzichtbaar zijn. Ik had het er een keer over met Neel Korteweg, de kunstenares van wie het Erasmusportret op het omslag van mijn boek is. Zij heeft dezelfde ervaring in de kunst als ik in de wetenschap.’


    Heeft u dan niet de behoefte de biografie van een vrouw te schrijven?

    ‘Ik ben niet in die zin een feminist (ze lacht). Mijn bijdrage aan het feminisme is dat ik bewijs dat een radicale historicus net zo goed een vrouw kan zijn. Ik beweeg me op terreinen die vaak het domein van mannen zijn. Er valt daarin voor vrouwen nog het nodige te winnen, er is nogal eens sprake van scepsis. Misschien wel afgunst zelfs. Mijn missie is eenvoudigweg dat ik me niet laat ontmoedigen en zeker niet laat intimideren.’

     

    Foto © Geert Snoeijer


     

     

     

     

     

     

    Erasmus. Dwarsdenker / Sandra Langereis / De Bezige Bij (2021)

     

  • Je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet

     

    In april van dit jaar debuteerde Vincent Merjenberg (1983) met de roman De grijzen, waarin hij op afgepaste toon het verhaal vertelt van onder de grond gevonden lichamen, graven die steeds maar weer opduiken. Er zijn de vluchtelingen die onderduiken of zich voortbewegen door een schimmige, mystiek aandoende stad, er is de jonge journaliste Lena die bij een krant wordt aangenomen om onderzoek te doen naar die gevonden lichamen. En er zit een boek in het boek, een soort sprookje van een fictieve schrijver die zich langs de randen van het verhaal begeeft. De grijzen is een knap geconstrueerde roman die de lezer uitdaagt verder te kijken dan wat er zo op het oog wordt aangenomen. 

    Op een zonnige dinsdagmiddag spreek ik Vincent Merjenberg bij hem thuis in de  Kinkerbuurt in Amsterdam over zijn boek. Hoe het is om te debuteren nadat je vier jaar aan een boek hebt gewerkt. Merjenberg studeerde Nederlands en werkte jaren bij een uitgeverij. Tot het begon te kriebelen, er moest iets anders gebeuren. Hij wilde schrijver worden, fulltime, en besloot er een jaar voor uit trekken om te kijken of het lukte. Hij begon met korte verhalen te schrijven, en een reeks columns voor Literair Nederland. Zijn eerste verhaal werd gelijk gepubliceerd in De Gids. 

     

    Had je voor je besloot te gaan schrijven al eens wat geschreven?

    ‘Nee, eigenlijk niet. Dus toen ik begon met schrijven, heb ik me een bereikbaar doel gesteld: een kort verhaal. Dat heb ik opgestuurd naar De Gids waarin het gepubliceerd werd. Toen dacht ik, als dit lukt ga ik verder. Toen heb ik nog wat verhalen geschreven, tot ik aan deze roman begon. Ik ben nogal fanatiek aangelegd, dus het is algauw alles of niets. Ik zag dan ook niet zo gauw hoe ik het schrijven naast een baan zou doen.’

    Om te schrijven wordt er tijd gereserveerd, in de ochtend moet er minstens vier uur achtereen gewerkt worden. Maar er is ook een kind, en een partner die onregelmatig werkt waardoor het schrijfschema nog wel eens afwijkt. 


    Heb je er al die vier jaar steeds aan door geschreven?

    ‘Toen mijn zoontje geboren werd, heeft het een maand of drie, vier stilgelegen.  De eerste twee jaar heb ik het hele verhaal  zo’n beetje lineair geschreven. De tweede helft van de tijd was ik vooral bezig met schrappen en herschrijven. Soms schreef ik een week niet, maar in mijn hoofd bleef ik er wel mee bezig’


    De roman begint met de vondsten van al die lichamen onder de grond, hoe kwam je op het idee?

    Een paar jaar geleden las ik een krantenartikel over een vrachtwagen op weg van Griekenland naar Duitsland. Die vrachtwagen werd langs de snelweg aangetroffen vol dode lichamen van mannen, vrouwen en kinderen. Later zijn er opnames gevonden van telefoongesprekken tussen de chauffeur en zijn opdrachtgever. Dat de mensen in de vrachtruimte aan het stikken waren. De chauffeur werd aangeraden de vrachtwagen achter te laten langs de weg. Het is een afschuwelijk verhaal, maar het intrigeerde me ontzettend.’


    Waarom raakt je dat?

    ‘Ik denk dat ik wil begrijpen hoe mensen ertoe in staat zijn hun moraal opzij te zetten en op zo’n kwaadaardige manier misbruik maken van de wanhoop van anderen. Wat beweegt hen daartoe? Daar gaat mijn boek over. Ik merk dat mijn aandacht bij gruwelen, zoals misdaden in de Tweede Wereldoorlog, uitgaat naar de daders. Hoe komen mensen tot zulke dingen. Ik geloof niet dat het allemaal psychopaten zijn. Het zijn mannen zoals ik. Ik geloof en ben bang dat iedereen onder bepaalde omstandigheden overal toe in staat is. Wat mij interesseerde was dat deze mensen zoveel moeite doen om hun smokkelwaar naar de overkant te brengen. Want je loopt een enorm risico door met zo’n vrachtwagen met mensen door Europa te rijden. Smokkelaars zijn natuurlijk volkomen verknipt, maar toch komen ze hun afspraken na. Daarnaast ben ik ook nieuwsgierig waarom dit me boeit, waarom ik me in daders kan en wil verplaatsen.’


    Heb je dit in je boek gebruikt, ben je in de rol van een dader gekropen?

    Dat is eigenlijk wat mijn hoofdpersoon, de journaliste Lena doet. Het onderzoek dat zij doet, is ook wel de zoektocht die ik zelf heb gehad bij het schrijven. De zoektocht naar wat ik nou eigenlijk wil vertellen, wat is eigenlijk de waarheid?’

    De roman is in korte korte stukken geschreven, er zijn verschillende verhaallijnen die hier en daar in elkaar overlopen, en dan zit er ook dat boek in, van de schrijver Onalov. Die schrijver krijgen we niet echt te zien, daar wordt alleen door anderen over gesproken. Als lezer ga je laag voor laag door het verhaal heen, ontdekt betekenissen die er ingenieus in verwerkt zijn.


    Hoe heb je dit er allemaal in aangebracht. Is dat organisch gegaan of werkte je met een schema?

    ‘Aan het begin had ik wel een plan, ik wist een paar dingen waarmee het begon, een symbolische stad waar vluchtelingen aankomen en weer verder trekken. Een oude man die zich dingen herinnert en een jonge,ambitieuze vrouw die dingen wil weten. En een fictief verhaal waar de waarheid in zit, en dan die lichamen die onder grond zitten. Het zijn dingen die als inspiratie opkomen en daar moet ik het dan mee doen, daar hou ik aan vast.’


    Er is weinig decor aangebracht in de roman, was dit opzet?

    ‘Ik ben er niet aan ontkomen, en eigenlijk ben ik daarmee een beetje overstag gegaan, om mijn personages toch wat karakter mee te geven, wat achtergrond, en aan het einde van het boek de boel weer bij elkaar te trekken. Ik had het misschien nog liever helemaal open gelaten. Het had nog extremer gekund.’

    Wie les krijgt in schrijven leert dat je personages kenmerken moet meegeven, iets herkenbaars zodat de lezer zich ermee vereenzelvigen kan. Merjenberg kiest hier duidelijk niet voor, hij laat zijn personages zonder veel omlijning zijn roman binnen. 


    Waarom die keuze om veel weg te laten?

    ‘Denk aan Paul Auster, aan zijn wat meer schematische romans, de New York trilogie bijvoorbeeld. Of hoe hij schrijft over een man op een bed in een kamer. Auster schrijft filosofisch-symbolische romans. Ik wil mezelf niet met hem vergelijken, maar De grijzen is ook vooral een symbolische roman.’ 


    Was je eigenlijk tevreden met het eindresultaat van het boek?

    ‘Nee, helemaal niet. Ik weet wel dat ik dit boek niet beter had kunnen schrijven dan hoe het nu is. In die zin is het perfect. Dit is het en ik sta er helemaal achter. Het is het soort boek dat ik wilde schrijven. In die zin ben ik er wel blij mee. Maar je bent zo lang met zo’n boek bezig, en als ik dan sommige zinnen teruglees! Als ik nu ga bladeren kom ik zo tien dingen tegen waarbij ik denk: “Oh, dat had anders gemoeten”.’


    Is het moeilijk afstand te nemen van je eigen werk?

    ‘Toen het verscheen was het al een hele tijd af, omdat het vanwege Corona wat was uitgesteld. Toen heb ik het nog eens helemaal gelezen en lukte het me aardig het met wat afstand te bekijken. Toch blijf ik het spannend vinden wat anderen ervan vinden. Nu nog, voordat je binnenkwam overvalt het me, denk ik, ‘Oh, ze heeft het gelezen, wat vindt ze ervan?’ Toch een soort schaamte.’

    ‘Maar die schaamte is eerlijk gezegd een beetje dubbel. Want die mening van buitenaf heb ik wel nodig. Want zelf kan ik niet beoordelen of het wat is. En tegelijkertijd is er, als het verschijnt, een klein stemmetje dat fluistert, “stel je toch eens voor dat het een succes wordt?” Naast de schaamte is er dus ook een soort zelfvertrouwen. De allereerste reactie op het boek was een bespreking van Jan van Mersbergen. Hoe mooi hij het vond. Dan gaat er toch even door me heen, “Stel dat iedereen het zo goed vindt!” In die zin zijn alle reacties, zelfs de positieve, best vermoeiend (lachend).’


    D
    at het nog aan je blijft trekken?

    ‘Ja, dat. Over het geheel ben ik trots dat het boek er is. En dan gaat het vooral over het afmaken van een boek. Uiteindelijk is het heel onbevredigend als een boek af is. Er zijn weinig mensen waarmee ik over het boek praat zoals wij dat nu doen. Het is fijn als iemand het boek goed gelezen heeft. Zelfs als iemand niet enthousiast is, zoals in een recensie in Trouw. De recensent noemde het een deels geslaagde “ontheemde, non descripte roman”. Hoewel ik natuurlijk, (lachend) liever had gehad dat daar stond, “Ren nu naar de boekhandel”, was ik er in die zin wel blij mee dat hij op hetzelfde spoor zat als hoe wij het er nu over hebben.’


    Heb je er dan wel eens aan getwijfeld of het boek af zou komen?

    ‘Ja, voortdurend! De eerste twee jaar werd het alleen maar steeds langer en steeds slechter vond ik. Op een gegeven moment ligt er iets voor je, heb je al die ballen in de lucht. Veel dingen hadden nog niet zoveel met elkaar te maken maar je weet gevoelsmatig dat het er allemaal in moet. Dat je dat bij elkaar moet krijgen. Dan denk je opeens, waar ben je nou mee bezig? Dan ga ik aan mezelf twijfelen. Terwijl dat tegelijk een stuwende kracht werd, dat  je je eigen inspiratie serieus moet nemen. Want zo begon het, er komen een paar dingen in me op en daar moet je mee aan het werk. En dan komen die momenten dat je je afvraagt: waarom hou ik daaraan vast? Waarom wil ik Überhaupt een boek schrijven? Zodra dat gebeurt wordt schrijven moeilijk. Dus je moet je eigen verhaal serieus nemen en jezelf niet.’


    Werd je geïnspireerd door andere schrijvers om te gaan schrijven, of wilde je gewoon schrijven?

    ‘Dat laatste eigenlijk. Mijn leven stond heel lang in het teken van boeken. Bij de uitgeverij en ook tijdens mijn studie Nederlands, was het ook wel intimiderend zoveel schrijvers om je heen, zoveel goeie schrijvers. Ik heb nooit genoeg zelfvertrouwen gehad om gewoon te gaan schrijven. Wel gedacht, als ik het ga doen, ga ik het ook helemaal doen, niet zomaar erbij. Ik denk dat ik daarom ook pas relatief laat ben gaan schrijven. Pas een paar jaar geleden had ik er vertrouwen in een boek te kunnen schrijven.’


    Hoe begon je aan je eerste verhaal dat werd opgenomen in De Gids?

    ‘Dat was “Het verhaal”, over een redacteur bij een uitgeverij die een verhaal toegestuurd krijgt dat over hem gaat. Dan heb ik één zin, één gegeven, en dan begint het: Waarom dan, wat voor man is dat dan? Hieruit moet ik een verhaal bij elkaar verzinnen. Als ik het op die manier benader, kom ik er wel uit. Tot nu toe hou ik altijd vast aan dat allereerste gegeven: ik word er nieuwsgierig van, en het beperkt me op de juiste manier. 


    Is er een maatschappelijk thema dat je aanzet tot een verhaal?

    Het gaat mij echt om het vertaal, en om de manier waarop een verhaal verteld kan worden. Het is meer een zin, een gegeven dat me aanzet tot schrijven, de thema’s uit de echte wereld komen er vanzelf wel bij. Zoals in de vorm van een krantenartikel zoals over die vrachtwagen met vluchtelingen langs de snelweg. Mijn meningen over dit soort dingen komen dan ook weer in het boek. Ik hou van boeken met een gebruiksaanwijzing, niet met een boodschap.’


    Het gaat dus niet over vluchtelingenproblematiek?

    ‘Omdat ik vluchtelingen een rol geef in mijn boek, wordt al gauw gedacht dat het daarover gaat. Maar het gaat mij om het verhaal waar een twist in zit. Ik hou van onbetrouwbare vertellers: wat hebben ze te verbergen? Op een bepaalde manier is het gewone leven een aanzet tot de dingen waarover ik schrijf, maar het is niet een vooropgezet plan.’


    In je verhalen en ook in je debuutroman zit een ontregelende ondertoon. In een column (voor LN) schreef je over je zoontje, een baby nog die, als de vader op de crèche komt, was meegenomen door een ander. Dat je die gedachte als jonge vader durft toe te laten?

    ‘Om een verhaal te schrijven over hoe mooi het vaderschap is, vind ik het interessanter een verhaal te vertellen die de donkere kanten van het ouderschap belichten. Dat ik er wel eens over fantaseer vrouw en zoon achter te laten en heroïneverslaafde te worden in een buitenwijk van Hanoi is inspirerender dan schrijven over hoe schattig mijn zoontje Roodkapje zingt.


    Zijn er schrijvers die je tijdens het schrijven inspireren?

    ‘Alle schrijvers die ik lees, ten goede en ten slechte, zijn waardevol voor me. Tijdens het schrijven lees ik veel. Patrick Modiano bijvoorbeeld, wat hij schrijft lijkt op geen enkele manier op wat ik doe, behalve dat hij ook iets probeert. In zijn boeken gebeurt helemaal niets. Alles wordt met een zwaar melancholische toon vertelt, eigenlijk zijn al zijn boeken een beetje hetzelfde. Een man vindt in een oude jas een adres en gaat daar naartoe en daar herinnert hij zich dat ie daar dertig jaar geleden ook was, dat hij daar een meisje leerde kennen die Debbie heette. Dan gaat hij Debbie zoeken, maar die leeft niet meer, dan is het boek afgelopen. Er gebeurt helemaal niets maar tegelijkertijd zit daar zo’n essentieel levensgevoel in. Je verleden willen vasthouden, alsnog dingen willen begrijpen. Melancholie met een hoofdletter M.
    Modiano is een schrijver dat als ik daar een alinea van lees denk: Man, als ik toch ooit eens zo’n volstrekt originele toon zou kunnen vinden!’ 

     

     

    Foto: Fjodor Buis


     

     

     

     

     

     

     

    Vincent Merjenberg / De grijzen / 332 blz. / Atlas Contact

  • Een boek maak je altijd samen

    Elte Rauch van Uitgeverij HetMoet is geen reguliere uitgever. Ze kiest voor literatuur met een stuwende kracht en blijft liever klein en persoonlijk dan dat ze mee zou gaan in de commerciële ratrace. Kwaliteit staat bij het uitgeven voorop en Rauch peinst er niet over daarvan af te wijken. 

    Een platbodem uit 1927, gelegen aan het Oosterdok in de Amsterdamse museumhaven, is het onderkomen van HetMoet, de enige varende uitgeverij in Nederland. Op de zonnige dag dat ik aan boord van de lage, bruinhouten woonboot stap komt hond Robin me tegemoet, blaffend, want ze weet nog niet of ik goed volk ben. Uitgever Elte Rauch stelt haar gerust. Manoeuvrerend over de smalle ruimte langs de kajuit loop ik naar voren waar Elte me opwacht en het trapje af gaat naar de gezellige woonruimte, half onder de waterlijn. Er staat een tafel met een laptop, lp’s langs de wand, een kachel, een zitbank, stoelen en kussens en een keukenblok, alles wat nodig is voor een prettig thuis. Het zonlicht valt door de ruiten. Hond Robin wordt door manlief meegenomen voor een wandeling. 

    Elte Rauch (1980) maakte in een vorige baan een bloemlezing van het werk van een Nederlandse schrijver, alsmede een jubileumuitgave. Ze ontdekte dat ze het hele proces van samenwerken met drukker, vormgever en uitgeverij ontzettend leuk vond, vooral omdat iedereen zo gepassioneerd te werk ging.

    Ze ontmoette Simon Mulder, dichter en artistiek leider van Stichting Feest der poëzie (organisator van onder meer poëzie- en muziekevenementen), die graag een bloemlezing wilde maken van het werk van Henriëtte Roland Holst, in 2019 honderdvijftig jaar eerder geboren. De twee verzamelden wat mensen om zich heen die Roland Holst nog hadden gekend of veel van haar wisten en besloten: ‘We gaan het doen.’


    En zo ontstond HetMoet?

    ‘Ik werd geconfronteerd met kanker en dacht, ik kan hier gaan zitten wachten maar ik kan ook een boek maken en me bezighouden met poëzie en literatuur die me altijd al, mijn hele leven kracht hebben gegeven. Ik zette alles op alles om dit boek te maken, met de mensen die erbij betrokken waren. Het werd een prachtige biografische bloemlezing. Niet iedereen kent Henriëtte Roland Holst meer, dus we hebben een boek gemaakt waarin mensen niet alleen met haar werk kennismaken, maar ook met haar als persoon. Simon Mulder noemde haar een “hipster avant la lettre”. Ze was vegetarisch, politiek geëngageerd, wat voor een vrouw in die tijd niet zo gewoon was. Er kwam net een boek uit van Rosa Luxemburg, een vriendin van haar met wie ze ook had geschreven, van wie ook een gedicht in onze bundel staat.’ Het resultaat was De zachte krachten zullen zeker winnen, de eerste uitgave van HetMoet, waarmee Rauch zich inmiddels had geregistreerd.


    Waar komt de naam HetMoet vandaan?

    ‘Het was een beetje een grapje naar DasMag, ze konden er gelukkig om lachen. Ik zei nee, het moet. Mijn vader, hij leeft niet meer, heeft het logo, het mammoetje ontworpen. Dat was een schot in de roos. De literatuur die wij uitgeven heeft ook die stuwende kracht, een beetje eigenwijs, een beetje tegendraads, creatief. Ik ben absoluut geen reguliere uitgever, ga mijn eigen weg. De kern van de uitgeverij is dat het boeken zijn die moeten. Ook boeken waarvan wij vinden dat ze weer de aandacht moeten krijgen, of weer moeten worden vertaald, of soms vanwege een speciale of memorabele gelegenheid.’ 

    Wij, betekent bij Rauch alle mensen met wie ze samenwerkt. De redacteuren, vormgevers en drukkers verdienen in Rauchs ogen evenveel aandacht als de schrijver en kunnen net zo goed als zijzelf suggesties voor uitgaven doen. Binding met alle medewerkers is belangrijk en ‘prettig omdat iedereen er uiteindelijk net zo gepassioneerd in staat als ik.’

    HetMoet wil klein blijven en geeft boeken uit zonder commerciële instelling en in series zoals Open Archief, Biografische Bloemlezingen en de Singersteek Serie. De boeken worden mooi gedrukt en vormgegeven, de omslagen in boekdruk gedrukt en zijn vaak handgebonden.

    ‘Open Archief zijn boeken die ook moeten en die meer over actuele thematiek gaan,’ vertelt Rauch, ‘bijvoorbeeld Over ziek zijn, met onder meer het gelijknamige essay van Virginia Woolf. We maken nu een Engelse uitgave waarin de Nederlandse teksten van Lieke Marsman en Mieke van Zonneveld in het Engels worden vertaald en waarin nog meer bijdragen worden opgenomen, zoals van Nadia de Vries. Ik werk veel met agenten en schrijvers en kleine uitgeverijen in Ierland en Engeland.’


    Het is nogal divers, wat je uitgeeft. Hoe komt die keuze tot stand?

    ‘Iemand komt met een idee, ik kijk of het binnen ons fonds van de drie series past. Als het daarin past, dan zeg ik meestal ja. Uiteraard moet het wel een bepaalde literaire kwaliteit hebben. Samen met onafhankelijke redacteuren kijk ik daarnaar, ik beslis er niet alleen over. De series ontstonden om de uitgeverij en de boeken duidelijk te profileren. Ik kies er niet voor om alles wat los en vast zit uit te geven. Ik wilde iets ethisch neerzetten, iets ambachtelijks en iets eigenwijs. Misschien wat heftige woorden, maar daardoor werd ik wel gedreven. Ik ga een beetje mijn eigen gang. Ik ben niet bang voor nieuwe en ook niet voor klassieke literatuur, maar de uitgaven moeten wel op een bepaalde manier gerepresenteerd worden. Zo zijn mijn eerste drukken binnen Open Archief altijd hard back. Dan zul je altijd de eerste druk herkennen. De boekjes uit de Singersteek Serie zijn jubileum- of gelegenheidsuitgaven. De naam van de serie komt van de wijze waarop ze zijn gebonden: zonder rug en genaaid met een naaimachine. Je krijgt dan wel kritiek, zo van, ‘het heeft geen rug’. Nee, het heeft geen rug. We hebben nu al een hele serie en op een gegeven moment herken je ze wel.’

    Onlangs verscheen in de meestal tweetalige Singersteekserie, Het gif/Le poison van Charles Baudelaire, die dit jaar 200 jaar geleden geboren werd. Rauch nam contact op met vertaler Peter Verstegen die bereid was zijn favoriete decadente gedichten van Baudelaire uit te kiezen voor een mooie bloemlezing in de serie.  

    ‘Ik heb er vierhonderd van laten drukken. Ze zijn best goed verkocht in de boekhandels. Net als bij Roland Holst heeft Stichting Feest der poëzie er een programma aan gewijd – door corona een beetje anders – met muziek, theater, film, voordracht en een heuse poëziebar. Er wordt van alles uit de kast gehaald om die poëzie neer te zetten. Baudelaire is blijkbaar nog populair genoeg. Sommige boekhandels hadden een hele Baudelaire-tafel ingericht, zoals Atheneum. Bij zo’n uitgave is het criterium: hoe urgent is het, moet het, moet het nu? Ja, dit moest nu.’

    ‘Het boek Ik kies Elena (uit de serie Open Archief) is onder de coronawolk terechtgekomen. Het is het debuut van schrijver en essayist Lucia Osborne-Crowley. Niet alle Nederlanders lezen gemakkelijk Engels en dit boek zou ook een meisje van vijftien moeten kunnen lezen, daarom heb ik het laten vertalen.’


    Hoe kwam je op het idee van deze uitgave?

    ‘Ik was op een literair festival in het boekdorp Hay-on-Wye, waar ik lang heb gewoond en het boekje viel me gewoon in handen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en dacht, heel intuïtief, dit moet ik uitgeven. Er was destijds een discussie gaande over misbruik binnen de sportwereld, vooral bij turnmeisjes. Daar gaat dit boek ook over. Maar het is geen slachtofferboek, het gaat voornamelijk over haar herstel. Wat voor mij heel belangrijk is in dit boek, en ook bij mijn andere uitgaven, is de dialoog met de wereld en de literatuur. Osborne-Crowley las de boeken van Elena Ferrante, de poëzie van Rupi Kaur en andere krachtige literatuur en daaruit putte zij kracht in haar hersteltijd. Ze gaven haar bijna een sense of being. De dialoog tussen de literatuur en het leven zelf is een soort dialectiek die dan ontstaat. Ik vind dat heel erg krachtig en mooi en dit soort literaire non-fictie is in Nederland nog vrij onpopulair. Met andere schrijvers ben ik bezig om die in Nederland een plek te geven. Bijvoorbeeld Nadia de Vries schrijft zo ook, of Lieke Marsman. Dat is een van mijn criteria. Ik geef geen zelfhulpboeken uit of “mijn verhaal in zestien delen”, het moet die beweging, dat reiken naar literatuur hebben.’

    Elte Rauch schreef zelf in 2020 in het kader van 75 jaar bevrijding, Vormen van vrede, korte verhalen met herinneringen aan haar Indische familie en de Tweede Wereldoorlog.

    ‘Daar maak ik geen sport van hoor, om eigen werk uit te geven. Nu gebeurde het gewoon zo. Ik gaf het samen uit met de vertaling van de Jiddische dichter Mordechai Gebirtig, de boeken horen ook echt bij elkaar. Er waren een documentaire en een podcast aan gekoppeld, allemaal over 75 jaar bevrijding.’ 


    Er komt nu ook weer een jubileumuitgave aan?

    ‘Ja, een ontzettend leuke opdracht van het Nias (Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences, A.M.) over writers in residence, ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Nias. Met schrijvers als Tommy Wieringa, Hagar Peters en Lieve Joris, totaal zo’n dertien auteurs die schrijven over het thema Belonging, ergens bijhoren, thuiskomen. Het Nias wil een authentieke uitgave, iets wat mooi gedrukt is. Ik werk samen met beeldend kunstenaar Octavie Wolters, zij maakt de omslagillustratie, in linosnede. Ik ken haar via mijn drukker, een van de laatste der Mohikanen die nog in boekdruk drukt.’ 

    Rauch doet alles zelf. Ze heeft geen apart kantoor maar werkt thuis. Met een armgebaar geeft ze aan dat zich achter in het ruim een bibliotheek en een werkkamer bevinden. Daar ligt ook de voorraad boeken van HetMoet opgeslagen. In het voor- en najaar wordt er gevaren.

    ‘We zijn net weer terug. Rotterdam, Gouda, over de IJssel. Dan maak ik ook contact met lokale boekhandels. Heel soms komen er ook schrijvers langs of wordt er aan boord voorgedragen. We doen kleine evenementen, niet te groot want we wonen hier ook. We vervoeren de boeken, hebben altijd literatuur aan boord en dat promoten we. Ik heb aanvankelijk veel hulp gehad van het collectief De Vrije Uitgevers die mij ook met bepaalde drukkers hebben verbonden. Maar ik ga heel intuïtief af op wat ik zelf prettig en mooi vind.’


    De meeste mensen kunnen zich waarschijnlijk niets voorstellen bij een varende uitgeverij. Zijn de eerste contacten die je legt met boekhandels?

    ‘Ja. Ik heb bijvoorbeeld een heel leuk contact met boekhandel ’t Spui in Vlissingen. Die volgen ons op de voet. Als we daar zijn kom ik altijd wat brengen. Op 5 mei hadden ze een stapeltje Vormen van vrede neergelegd. Ik kom uit Zeeland, dus dat vonden ze extra leuk. Het is allemaal low key. Ik woon en werk hier, we zijn geen evenementenboot, maar het is een mooi en romantisch idee dat je je eigen boeken onder zeil vervoert. Als varende uitgeverij is het leuk om iets te doen met andere literaire activiteiten.’ 

    Voor een vaartocht deelt Rauch het plan daarvoor op sociale media en stuurt af en toe een nieuwsbrief uit waarin de aanlegplaatsen worden vermeld. Vorig jaar had ze een boek met gedichten van de Zeeuw P.C. Boutens uitgegeven, in Zeeland kwam een dichter deze gedichten aan boord voordragen.
    Volgend jaar gaat HetMoet samenwerken met de Vrijbuiter uit Zierikzee, ook een zeilende platbodem en Rauch wil ook een zomer-zeil- schrijfcursus aanbieden. Deelnemers moeten dan een ‘Mammoetje’ (een manifest, gedicht, essay) schrijven waarvan het beste stuk online gepubliceerd wordt.


    Is zo’n uitgeverij met heel specifieke uitgaven rendabel?

    ‘Ik ben wel met een uitstervend beroep begonnen. Daar maak ik me nog wel eens zorgen over. Er wordt weinig gelezen in Nederland en de omloopsnelheid van boeken is niet bij te houden. Ik ga daar ook niet in mee, ik ga niet mee in die commerciële ratrace want dat haal ik niet in mijn eentje. Mijn boeken zijn tijdloos en ik bied ze steeds opnieuw aan. Het is nog niet rendabel en elke keer als ik quitte speel denk ik, hé, ik heb niets verloren, ik kan weer een boek maken. Collega-uitgevers zeggen: het is veel te duur, je moet het daar en daar laten drukken. Maar het is mijn keuze dat het om het boek en het proces gaat en de kwaliteit die daaraan vastzit. Daar wijk ik niet vanaf zolang ik mijn boterham kan betalen. Ik blijf liever klein, kwalitatief en persoonlijk bereikbaar. Die ambitie houd ik voor ogen.’

    ‘Ondertussen is het verdomde moeilijk om je hoofd boven water te houden in de grote boze boekenwereld, bij wijze van spreken. Ik kan het me niet veroorloven een tafel op de beurs te huren. Ik moet het hebben van initiatieven, leg veel contacten met culturele podia zogauw het weer kan, zoek de mensen op. Sociale media vind ik zelf niet belangrijk maar voor mijn bedrijfje is het een manier om zichtbaarheid te genereren. Mijn ambitie is klein zijn, maar wel zichtbaar. Dat is wel een uitdaging. Er wordt zóveel gepubliceerd, ik heb daar een dubbel gevoel bij. Er komen wel drieduizend boeken per maand van de pers. Waar gaat dat heen? Ik lig niet met Herman Koch-achtige stapels bij Scheltema, maar ik bel Scheltema wel op met de vraag: kunnen we een keer iets doen in de boekhandel?’


    Het is niet meer bij te houden wat er allemaal uitkomt.

    ‘Nee, precies. Ik ga me daar ook niet aan meten want dan word ik gek en kan ik wel stoppen. Een vriendin van me die een keer met ons meevoer, zei: alles vertraagt hier. En zo is het. In Gouda gingen we de haven uit, dat is een kwartier lopen en wij deden er met de boot anderhalf uur over. Omdat we door sluizen moesten, wachten, onder bruggen door, weer wachten. En ik hou daarvan! Ik hou van die vertraagdheid en het accepteren daarvan. Daarin zit zo’n kwaliteit van leven. Dat heb ik ook met mijn boeken. Een essay van honderd jaar geleden combineren met essays van nu, daar zit een tijdcapsule van een eeuw in en toch is het met elkaar in gesprek. Dat komt doordat we erbij stilstaan, het blijft actueel. Ziek zijn is nou eenmaal ook een thema, of je het nou leuk vindt of niet. Ik wil juist stilstaan bij dingen die er al zijn en bij dingen die nog moeten komen, op een soort ontluikende en zachtaardige manier. Niet snel, snel en nu, en veel.’ 

    ‘Ik heb ontzettend veel geluk gehad, heb een beetje subsidie gekregen van het Letterenfonds. Het is moeilijk om daar tussen te komen als kleine uitgeverij. Ik vind het ook ontzettend sportief van het Letterenfonds, dat ze een kleine maar kwalitatieve uitgeverij hebben gezien tussen alle paperassen. Ik ben ze daar dankbaar voor. Ik ken daar niemand maar geef ze wel aandacht in mijn nieuwsbrief en op sociale media. Want alleen kan ik het niet, een boek maak je altijd samen. Aan de mensen achter de coulissen wil ik ook meer zichtbaarheid geven, de vertalers, de redacteuren, de illustratoren. Die zijn voor mij bijna net zo belangrijk als de auteur. Wat de vormgever van de serie Open Archief altijd doet is dit:’ Elte Rauch pakt het boek Over ziek zijn, haalt het papieren omslag met de tekening van Virginia Woolf eraf en toont de harde kaft, waarop dezelfde tekening nogmaals gedrukt is. ‘Dat vind ik zo’n mooi detail! Heel chic. Het was niet mijn idee, maar van boekontwerper Steven Theunis van Armée de Verre bookdesign. Geweldig hè!’

     

    Uitgeverij HetMoet

     

     

    Fotograaf: Guido Benschop

     

  • Een eerste zin hoeft niet altijd goed te zijn

     

    Verhalenschrijfster Roos van Rijswijk (1985), debuteerde in 2016 met de roman Onheilig waarmee ze de Anton Wachterprijs won. Onlangs verscheen De dwaler, een verhalenbundel met een dystopische en surrealistische inslag.

    Roos van Rijswijk (1985) studeerde Nederlandse taal & Cultuur en Literatuurwetenschap. Ze is literair recensent voor het NRC, interviewt schrijvers en is schrijfdocent aan de Schrijversvakschool Amsterdam. Voor Literair Nederland zocht ik haar op in Amsterdam waar ze een zolderkamer in een voormalig zusterhuis bewoont. Bovenin het trappenhuis word ik opgewacht. Door een lange gang en ruime keuken komen we in de gemeenschappelijke woonkamer. Er ging wat mis, de schrijfster trok de thermostaat onbedoeld van de keukenmuur, die wil ze er nu weer even aanmaken. Er is iets met de temperatuur, in de woonkamer staan de ramen open. Op tafel staat de thee klaar. We spreken over de sfeer in haar verhalen, hoe ze ontstaan en hoe een roman zich (wel/niet) laat schrijven, zich ontwikkelt. Over eerste zinnen, de tijd waarin we leven en de fascinatie met spookverhalen. 


    Hoe gaat het, na de publicatie van je verhalenbundel?

    ‘Buiten het gebruikelijke pandemie chagrijn, gaat het wel goed. Het opgesloten zitten en de constante zorg om familie, inkomsten en de vraag of de wereld wel weer wordt zoals we hem kenden, dat houdt me wel bezig.’


    Komt dat ook in je verhalen terecht, die bezorgdheid?

    ‘Sommige verhalen waren al voor de pandemie geschreven, sommige tijdens. De twee laatste verhalen schreef ik september vorig jaar. Het was toen heel warm en er waren veel bosbranden. Dan krijg ik al gauw een soort apocalyptisch gevoel. Dat is wel mijn aard, en daar word ik ook wel een beetje weemoedig van.’ 


    In een van je verhalen gaat een man op het trottoir liggen omdat hij zo moe is van het leven, hij vergroeit met de omgeving. Hoe kom je daarop?

    ‘Dat verhaal schreef ik in een periode dat ik al heel lang heel moe was, als ik dan over straat liep dacht ik wel eens, zal ik hier gewoon gaan liggen? Dat doe je natuurlijk niet, maar als schrijver heb je het geluk dat je er wel over kunt schrijven. Ik heb het verhaal vrij vlug geschreven, voelde me ook aanzienlijk beter daarna. Ik had het niet verwacht, maar het is wel het eerste verhaal waar iedereen over begint. Misschien omdat het gevoel herkenbaar is, dat je erbij wilt gaan liggen.’


    Gebruik je vaker ervaringen van jezelf voor je verhalen?

    ‘De laatste twee verhalen zijn autobiografisch. Ik heb ook echt met mijn moeder die wandeling over begraafplaats Zorgvlied gemaakt. Mijn moeder kreeg aan het begin van de pandemie een hartaanval, het was niet helemaal zeker of ze het zou redden. Alles was toen net helemaal dicht. Dan fietste ik door zo’n dichte stad dagelijks naar het ziekenhuis. Nu, een jaar later, is ze er weer helemaal bovenop. Toen dat met mijn moeder gebeurde, was dat ook de eerste keer dat ik weer op de fiets stapte. Ik kon heel lang niet meer fietsen, iets tussen tussen gekheid en overspannen zijn. Dat alles heeft veel impact op me gehad.’ 

    ‘Dat ik met mijn moeder over Zorgvlied liep, daar ben ik over gaan schrijven. Een verhaal waar ik al die dingen heb ingestopt, maar wel net anders natuurlijk. Ik heb gevraagd of ze dat goed vond. In het verhaal wordt ze bijna doodgereden door een AH bezorger. En zelf ben ik lang niet zo gek geweest als in dat verhaal, en die stoet van moeders, geesten van voorouders die daar verschijnen, is natuurlijk verzonnen. In het allerlaatste verhaal loop ik als personage rond, niet een op een, maar ik ben er wel.’


    Je beginzinnen hebben een bepaalde urgentie, zoals ‘Je moet je fiets binnen zetten.’ Is dat bewust? 

    ‘Het verhaal “Een zee” begon wel met de eerste zin, “Ze had de zee nog nooit gezien”. Maar het begon ook met een idee. Als ik schrijf kom ik er gaandeweg achter wat ik aan het doen ben, de eerste drie alinea’s zijn een soort voorwerk. In veel boeken over schrijven is het toch wel een tip dat je eerste zin lezers moet trekken. Terwijl ik denk, als de lezer al begonnen is met lezen, dan wil die ook best een paar alinea’s doorlezen. Bij korte verhalen wil je natuurlijk wel snel weten waar het over gaat. Maar dat je met een eerste zin de lezer moet trekken? Je bent geen reclameschrijver. Er is niets op tegen, maar het is beter je niet al te veel met de lezer bezig te houden.’


    Werk je een idee eerst uit op papier?

    ‘Ik vind het een heerlijk idee om met pen en papier te schrijven, maar ik ben er te ongeduldig voor. Toen ik pas met schrijven begon en nog niet zo snel kon typen, schreef ik liever met de hand. Maar zo gauw mijn typesnelheid op denksnelheid lag, typte ik alleen nog. Toen ik het verhaal ‘Zorgvlied’ schreef, deed ik mee aan een onderzoek van het Huygens Instituut over het schrijfproces van schrijvers op een computer. Er zijn veel oude manuscripten met de hand geschreven, met doorhalingen en dan zie je hoe zo’n verhaal geschreven is, met alle kladversies erbij. Nu deden ze onderzoek naar hoe dat digitaal gaat. Toen het onderzoek gestart werd, kon ik eerst helemaal niet schrijven omdat elke toetsaanslag geregistreerd werd. Van de weeromstuit begon ik een soort schaduwadministratie bij te houden, ging ik met de hand schrijven (schaterende lach).’


    Je schreef ook een verhaal over het uploaden van het bewustzijn van iemand die dood is, hoe kom je daar op?

    ‘Ik wilde een modern spookverhaal schrijven. Toen dacht ik, wat is nu de modernste variant van een geest die we kennen? Naar hoe je het geheugen en bewustzijn van de mens kunt bewaren is al veel onderzoek gedaan. Er bestaan al een soort chatrobots van mensen die dood zijn, naar aanleiding van hun posts op social media. Ik heb onderzocht of zo’n chatrobot werkelijkheid kan worden, nu blijkt dat die dus al bestaan. Het inscannen van hersenen  in relatie met het ‘bewaren’ van iemands brein, is ook onderzocht. Ik heb me helemaal verloren in dat onderzoek, toen moest er nog een gegeven zijn, een verhaal. Ik was er wel over uit dat het iemand moest zijn die zijn bewustzijn bewaart en vervolgens een soort klopgeest wordt. Toen dacht ik aan wat het ergste is dat je kan overkomen, en dat is toch wel je eigen kind bijna de dood injagen. Ik heb wel gepuzzeld met de vraag, wat wil zo’n personage? Over dit verhaal heb ik heel lang gedaan, ik moest er verschillende vormen voor vinden.’


    Wat heb je met spookverhalen?

    ‘Als schrijver vind ik het interessant dat een spook geen lichaam heeft. Het is een mens, maar ook weer niet. Een spook roept veel emoties op; angst, weemoed, verdriet, of liefde. Je kunt er ontzettend veel kanten mee op. Maar wat het voor de schrijver moeilijk maakt is dat een spook oneindig is. Ik heb wel eens geprobeerd een roman te schrijven vanuit een geest. Mike McCormack (Ierse schrijver / Dag der zielen Iv/dG) heeft het gedaan, een verhaal vanuit een gestorven man. Dat lukt mij dus niet, omdat het nooit stopt, een geest is oneindig. Ik heb zelf geen aanleg voor geloof in het hogere, maar als iemand mij vertelt dat hij een geest heeft gezien, geloof ik dat wel. Ik vind het geweldig dat mensen zingeving vinden in het ontastbare.’


    Was schrijven een keuze?

    ‘Als kind las ik puur als tijdverdrijf. Later werd ik geraakt door de poëzie van Leo Vroman. Maar ik had nooit het idee dat iemand zomaar schrijver kon worden. Er waren mensen die boeken schreven en mensen die ze lazen, zo zag ik het. Dat je die schrijver zou kunnen zijn, kwam niet bij me op. Ik schreef wel heel graag. Vanaf mijn zestiende schreef ik voor een theatergroep. En toen ik op mijn vierentwintigste ging studeren, schreef ik columns voor het universiteitsblad. Maar nog steeds dacht ik niet, ik ga schrijven. Pas nadat ik een kort verhaal geschreven had, dacht ik, Oh, dit kan gewoon.’

    Toen het verhaal ‘Een zee’, dat in bewerkte versie ook in de bundel staat, werd opgenomen in literair tijdschrift Revisor, werd Roos van Rijswijk benaderd door verschillende uitgevers. 

    ‘Daar schrok ik wel van. Ik dacht, wat heb ik nou aan mijn broek hangen. Ik ben wel met verschillende uitgevers gaan praten, maar ook gezegd dat ik het nog niet wist, dat ik eerst wilde afstuderen. Uiteindelijk ben ik bij uitgeverij Querido terecht gekomen. En afgesproken dat ik me zou melden als ik dacht daadwerkelijk een boek te kunnen schrijven.’


    Ging het gelijk om een roman?

    ‘Ik heb nog gevraagd of het een verhalenbundel mocht zijn, maar daar werd niet heel juichend op gereageerd. Ik snap ook wel waarom, verhalen verkopen gewoon niet goed. Met deze verhalenbundel wist ik ook dat het geen verkoopknaller zou worden. Zelfs als ik hier een prijs mee zou winnen, dan nog zal het niet een ‘warme broodjes boek’ worden. Het is geen populair genre. Het meest gehoorde argument is, ‘Ik wil zo graag verdwijnen in een roman.’ Pleitbezorgers van het korte verhaal vergelijken het dan weer met een serie op Netflix kijken. Dan denk ik, Nee! Korte verhalen vraagt echt wel wat meer dan een serie kijken. Maar goed, toen ik een idee had voor een roman, heb ik weer contact opgenomen. En dat is uiteindelijk Onheilig geworden.’


    Hoelang heb je daaraan gewerkt?

    ‘Dat is moeilijk te zeggen, ik heb er niet elke dag aan gewerkt. Ik moest ook gewoon voor een inkomen zorgen. Ik werkte toen in een boekhandel, daarmee kwam ik niet rond, wat op zich een tragisch gegeven is. Daarna ben ik op een kantoor gaan werken, vier dagen per week. Toen Onheilig uitkwam, had ik genoeg gespaard om een half jaar te overleven. (Lacht) Wel op water en brood hoor. Nadat ik gedebuteerd was, ben ik gaan freelancen, begonnen met interviews, recenseren.’


    Je won er de Anton Wachterprijs mee.

    ‘Ja, dat was fantastisch natuurlijk. Ik wist al een beetje hoe de literaire wereld in elkaar stak, dat je als debutant nergens op moet hopen, en dat deed ik ook niet. Ik vond het überhaupt al geweldig dat ik een boek af had. Ik ben een notoire ‘niet afmaker’ van projecten. Dus daar was ik al zo mee in mijn nopjes. Het boek werd ook goed ontvangen, en toen won ik ook nog die prijs.’


    Je schreef daarna verschillende korte verhalen, werkte aan kleine projecten, dacht je nog wel eens aan een roman schrijven? 

    ‘Ik heb wat turbulente jaren gehad, relatie verbroken, verhuisd naar een zolderkamer, maar ben wel steeds blijven schrijven. Maar om iets groters te maken, dat lukte me niet. Ik hoor wel eens van schrijvers die zeggen,”De eerste drie uur van de dag zijn heilig.” Maar het lukt mij niet om te schrijven als er honderd andere dingen zijn die me dwarszitten. Ik kan dat niet uitzetten. Dus ik moet heel erg mijn eigen bedje spreiden, en dat lukt niet altijd, maar wel steeds beter.’

    ‘Als ik schrijf wil ik niets aan mijn hoofd hebben, en dat is heel onhandig als je als freelancer werkt. Toen ik al een tijdje aan Onheilig werkte, stukje schrijven, weer weggooien, en op de helft was, ben ik een paar weken naar Duitsland geweest en daar heb ik het boek in één keer afgeschreven. Zo werk ik het liefst, me helemaal begraven in iets, als een soort maniak. Dan leef ik op een heel ongewoon ritme. Ik was ook gewoon vies en verwaarloosd na die weken. Maar het was heerlijk.’ 

    ‘Dat maniakale heb ik ook in mijn andere werk. Als ik een schrijver moet interviewen, sluit ik me op om alles van die schrijver te lezen. Alsof ik een expert moet zijn op het gebied van degene die ik ga interviewen. Wat natuurlijk helemaal niet hoeft!’


    Is het voor een schrijver een interessante tijd waarin we leven?

    ‘Ik vind de discussie over toe eigening heel interessant. Zou ik, als witte vrouw over een zwarte man kunnen schrijven? Ik weet het niet. Ik denk dat ik het niet zou doen omdat ik me niet genoeg kan verplaatsen in een zwart personage, dat personage loopt tegen bepaalde dingen aan waar ik nooit tegen aanloop. Maar ik ben er niet tegen. Als een witte schrijver vanuit een zwart personage schrijft vind ik het oneerlijk om te zeggen, doe maar niet. Het hangt er heel erg vanaf of het goed gedaan wordt. Maar ik weet ook niet of ik dat kan beoordelen. Ik vind het, zoals gezegd een interessante discussie die me er wel bewust van heeft gemaakt dat als je een personage niet beschrijft, de lezers ervan uitgaan dat het een witte man is rond de 30-40 jaar.’

    ‘Als schrijver ben ik me bewust dat ik wat kleur moet aanbrengen, en dan bedoel ik niet gelijk huidskleur, maar een soort reliëf, zodat er niet alleen een soort Matt Damons in rondlopen. Het is niet dat ik het er bewust inschrijf, het is wel meer in mijn bewustzijn gekomen.’


    Is de buitenwereld niet meer te negeren?

    ‘De thema’s en discussies die in deze tijd spelen zijn wel in mijn bundel terechtgekomen. Ik heb er wel een zekere diversiteit in aangebracht binnen mijn eigen comfortzone. In twee verhalen noem ik niet of het om een vrouw of man gaat. In twee recensies werd de protagonist van het titelverhaal ‘De dwaler’ verschillend ingekleurd. In het Parool was het een vrouw, de recensent in Trouw had er een jongen van gemaakt. Ik denk wel dat het voor schrijvers belangrijk is te weten hoe ze erin staan, erover nadenken. Sommige witte mannen roepen, “Mag ik dan helemaal nergens meer over schrijven?” Zo werkt het natuurlijk niet. Maar je kunt ook niet doen alsof de buitenwereld niet bestaat.’


    Uit je verhalen klinkt ook een zweem van fatalisme, waar komt dat vandaan?

    ‘Ik ben heel fatalistisch. ik denk al snel, wat heeft dit voor zin. Wat voor mij zin heeft, is kunst, maar om dat te maken moet ik wel eerst twintig drempels voor over. Als ik schrijf ben ik minder fatalistisch, maar het komt er wel in. Ik begin de bundel dan ook met het einde van de mensheid, dat vond ik wel leuk. En ik eindig met het einde van de literatuur (lacht hard), dat verhaal begint met, “Ik heb niets te vertellen. Alles wat er aan de hand is, is er al.”’


    Je bent schrijfdocent, schrijver, recensent en interviewer, wat heeft je voorkeur?

    ‘Als ik met het mes op de keel zou moeten kiezen, dan wel schrijver. Maar ik ben ook wel blij met de afwisseling. Schrijfdocent vind ik fantastisch om te doen en recenseren doe ik graag, maar ik zou wel meer tijd willen hebben voor schrijven.’


    Is er een schrijver, een boek waarvan je wenst zo te kunnen schrijven?

    ‘Oeh, heel veel. De dag van de zielen van Mike McCormack, dat had ik graag willen schrijven. Ik herlees bijna nooit iets, maar eens per jaar herlees ik Boven is het stil, van Gerbrand Bakker. En Faxen aan Ger van Mizee, vind ik geweldig, maar zou nooit zoiets schrijven. En Eva Meijer, die als schrijver zegt dat het altijd wel komt, dat schrijven. Dat zou ik ook wel willen. En ik zou heel graag een Gothic Novel willen schrijven, vrouwen spelen daarin een sterke rol. Ik vind het een heerlijk genre, zoals Shirley Jackson ze schrijft. Ik heb een heel plot liggen, ben er weken mee bezig geweest. Maar dan heb ik het plot, dan denk ik, nu weet ik al wat er gaat gebeuren, en schrijf er niet aan verder. (Lachend) Ik moet mezelf blijkbaar ook verrassen tijdens het schrijven.’

     

     

     


     

     

     

     

     

     

     

    Foto auteur: Herman van Bostelen

     

     

  • Als je Homerus niet hebt gelezen is je bagage te licht

     

    Schrijfster Mira Feticu (1973) groeide op in Roemenië tijdens de dictatuur van Ceaușescu (1967-1989). Als jong meisje schreef ze al gedichten, in 1993 debuteerde ze met een dichtbundel. Ze studeerde  Roemeense en Franse letteren en Vergelijkende literatuurwetenschap in Boekarest, waar ze later werkte als radiomaker. In 2001 werd ze met haar verhalenbundel Femei cu veverite (Vrouwen met eekhoorntjes) genomineerd voor de prijs van de Unie van Schrijvers uit Roemenië en voor de speciale Laurențiu Ulici-prijs. Aan de universiteit in Boekarest leert ze ook haar Nederlandse man kennen waarmee ze in 2003 naar Nederland komt.

    Na vijf jaar in Nederland ging Mira Feticu in het Nederlands te schrijven, in 2012 debuteerde ze met Lief kind van mij bij De Geus, een jaar later volgde De ziekte van Kortjakje. In 2019 verscheen haar grote roman Al mijn vaders bij uitgeverij Jurgen Maas en dit jaar kwam het non-fictie boek Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal uit  bij De Geus

    Voor Literair Nederland sprak ik de schrijfster via Zoom. We spraken over wat je achterlaat en wat je niet geworden bent. Over de boeken die ze hier schreef. Welke kansen een schrijver geboden worden in een nieuwe taal en de heftigheid in haar proza. Over haar worstelingen met de taal, heimwee dat nooit voorbij gaat, en is schrijven therapie of moet het meer zijn?


    Hoe was het voor jou om de Nederlandse taal te leren? 

    ‘Toen we naar Nederland kwamen was mijn dochter twee jaar. Ik vond het heel moeilijk te accepteren dat ze een taal zou gaan spreken die ik niet zou kennen. Dat ik de nuances van wat mijn dochter zegt, niet zou begrijpen. Dat was een verschrikkelijke gedachte. Mijn man sprak Nederlands met haar, ze leerde snel. Maar ik was tweeëndertig toen ik hier kwam, voor mij ging het moeilijker. Ik raakte geobsedeerd, was alleen maar met taal bezig. Ik moest Nederlands praten zodat mijn dochter zich niet hoefde te schamen voor mij. En via de Nederlandse taal kon ik weer literatuur schrijven. Het was voor mij de sleutel naar het leven, dat ik weer mee kon doen.’


    In Roemenië had je al enige erkenning verworven, hoe zag je het leven als schrijver in Nederland?

    ‘In Roemenië besefte ik niet hoe verwend ik was te kunnen schrijven in mijn moedertaal. Hier probeerde ik te schrijven wat ik niet kon zeggen, het echte werk. Ik leefde met woordenboeken, met vragen en steeds opnieuw schrijven, herschrijven. Mijn eerste boeken hadden drie versies. Van Joseph Conrad die van oorsprong Pools is, weet ik dat het bij hem automatisch ging. Bij mij was dat niet zo, bij mij was het een beslissing. Ik wist dat als ik wacht, ik te oud zou zijn om het te leren. Dus ik moest de sprong wagen, wat wel typerend is voor mijn leven. Sommige mensen zeggen, “Jij durft”. Maar ik zeg, “Niemand heeft mij geleerd daarover na te denken.” Ik ging gewoon voor de dingen. Zo heb ik dat ook met de Picasso gedaan, (over de teruggevonden (nep-)Picasso schrijft ze in Picasso’s keerzijde Iv/dG), met de emigratie. Ik ging gewoon. Ik volgde mijn man zonder te weten wat dit voor mij zou betekenen. Dat is mijn karakter, ik volg mijn hart, mijn instinct. Dat is niet altijd goed, ik betaal daar een rekening voor die ik mijn hele leven moet afbetalen.’


    Wat bedoel je met, ik betaal daar een rekening voor?

    ‘Als je emigreert leef je een tweede leven en laat je een onvoltooid leven achter. Het emigreren heeft mij veel goeds gebracht, ik heb veel kansen gekregen, maar er zijn ook veel dingen weggevallen. Ik ben totaal veranderd door de nieuwe taal, door de geografie. En het is moeilijk iemand anders te worden in hetzelfde leven. Af en toe spreekt de Roemeense geest in mij. Als mijn vader dan met Pasen belt, of ik zie op Facebook hoe vrienden Pasen vieren, dan denk ik aan mijn vorige leven dat zich daar afspeelde. Ik voel daardoor een pijn die ik mijn hele leven met mij mee zal dragen.’


    In je romans schrijf je over die pijn. Het is heel heftig. Zo nu en dan moest ik het boek even wegleggen. 

    ‘Dat heb ik van anderen vaak gehoord: “Mira, probeer minder heftige verhalen te vertellen want je laat de lezer schrikken.” Maar bij het schrijven gebeurt er iets in mij. Woorden en betekenissen komen vanuit mijn hoofd en mijn hart. Het personage Myra, (in Al mijn vaders Iv/dG) kan geen softe verhalen gebruiken. Ik heb een moeilijke jeugd gehad in Roemenië, wat ik pas besefte toen ik in Nederland kwam. Ik werd als kind weggerukt uit mijn dorp. Op het internaat waar ik werd geplaatst leek het huis van mijn ouders een paradijs, wat het helemaal niet was. Dat meisje dat heimwee heeft naar het paradijs, dat zit nog steeds in mij.’


    Is je derde roman, Al mijn vaders een afsluiting van deze periode? 

    ‘Ik zal hier nooit meer over schrijven. Het is mijn meest pijnlijke boek geweest om te schrijven. Ik werkte in een schuur bij ons vorige huis. Drie jaar lang bleef ik in die schuur, het was heel moeilijk voor mijn gezin. Bijzonder is dat ik door de nieuwe taal en geografie, toegang kreeg tot wat er toen speelde. Als kind probeerde ik me te redden zo goed als het ging, zonder te beseffen wat me allemaal overkwam. Ik had in mezelf iets uitgeschakeld om te kunnen overleven. Het was verschrikkelijk, ook pijnlijk, maar ik kon er opeens over schrijven. Niet dat ik mijn verleden door mijn boeken een plek kon geven. Maar toch, tijdens het spelen van Al mijn vaders (er is een toneelvoorstelling van gemaakt Iv/dG), met Hans Dagelet, gebeurde er iets. Ik werd  mij bewust van het kind in mij. Op het podium stonden twee foto’s van mij als kind. Voor ik op ging zei ik tegen die foto’s, “Nu gaan we weer vertellen.” Tijdens het spelen word ik weer het meisje dat ik was. Het meisje is daar, en we kunnen vertellen, zonder schaamte. En door dat spelen, ik ben geen actrice, het was allemaal nieuw voor mij, doet de wond minder pijn. Het krijgt een gezicht, dat je dan kunt zien dat het niet zo verschrikkelijk is.’


    Aan het eind van het boek schrijf je een lange brief aan de vader, een vergevingsgezinde brief.

    ‘Ik hou veel van mijn vader, elke dochter houdt van zijn vader. Omdat ik dat wist, en om mijn kind een vader te geven, heb ik mijn leven in Roemenië achter gelaten. Zodat mijn dochter niet op de verkeerde knieën zou gaan zitten zoals ik gedaan had. Daarom ben ik mijn man gevolgd, om mijn kind dat te besparen. Ik weet niet of ik daar goed aan heb gedaan. Ik deed het vanuit een obsessie, vanuit mijn trauma’s. 


    Je vader had ook willen studeren, hij hield van boeken maar kreeg niet de gelegenheid.

    ‘Mijn vader is een slimme man, maar ook een zwakke man. Als kind heeft hij veel geweld meegemaakt. Wij hebben allebei veel geweld meegemaakt (zucht diep). Ik kan hem nu begrijpen, ik ben nu oud genoeg om niet meer boos te zijn, niet meer zo gekwetst. Eigenlijk heb ik voor een deel de droom van mijn vader waargemaakt. Ik moest hard studeren. Gelukkig vond ik studeren leuk. Nog steeds moet ik tijd maken om te lezen, anders heb ik het gevoel dat ik niet mezelf ben. Zonder lezen en studeren heb ik het gevoel dat ik mijn tijd verdoe. Ik moet bezig zijn, iets nieuws maken, ideeën uitwerken.’

    Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal bestaat uit drieënveertig essayistische stukjes waarin Feticu schrijft over haar worsteling met de taal, de ontdekkingen en valkuilen, haar overwinningen daarin. Het laat zien wat het betekent als je een nieuwe taal moet leren, dat daarmee ook een nieuwe identiteit ontstaat. Sprankelende stukjes, die vertellen hoe het is om die nieuwe taal te gebruiken, gecorrigeerd, niet begrepen te worden. Deels is het boek ook een pleidooi voor het anders omgaan met nieuwkomers en het leren van een nieuwe taal. Ze pleit voor meer taalprogramma’s op radio en tv, voor zowel Nederlanders als nieuwe Nederlanders, om ze meer kansen te geven de taal op en top te kunnen gebruiken. 


    Hoelang heb je aan Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal gewerkt?

    ‘Ik heb dit boek in verschillende landen geschreven. In Italië, Zuid-Afrika en Roemenië. Maar ik kon alleen thuis in afzondering de juiste toon vinden. Afgezonderd van mijn gezin, dag en nacht alleen met mijzelf. Een column kan ik overal schrijven, maar met een boek is het alsof ik in een soort trance raak. Dat was met Liefdesverklaring ook zo.

    In Italië was ik in residentie en deelde een huisje met een andere schrijfster. Zij schreef op onregelmatige tijden en ik moest van mijzelf om 9 uur beginnen, om 14.00 uur een pauze en weer verder. Dan deed ik de deur van het huisje op slot omdat ik niet gestoord kon worden. Je moet mij met rust laten als ik schrijf, niet binnenlopen omdat je even iets wilt pakken, dat vind ik erg moeilijk.’


    Gaat het schrijven van non-fictie makkelijker dan een roman schrijven?

    ‘Bij een roman werk ik meer als een architect, ik denk in constructies, de verschillende onderdelen, de puzzel. Ik denk aan alle details die soms belangrijker zijn dan het personage zelf. Het is een metafoor, groter dan mezelf, een sisyfus werk, alles van die roman draag ik als een berg op mijn rug. Als ik non-fictie schrijf, is het alsof ik ergens ga zitten en begin te vertellen.’


    In Lief kind van mij zegt een oom, ‘Schrijven is eerst therapie en dan de American Dream’. Wat bedoel je hiermee?

    ‘Schrijven is creëren, is therapie om meer redenen. Het houdt je actief. Als ik drie pagina’s heb geschreven ben ik gelukkig, als ik vijf pagina’s heb geschreven, mag ik leven. Al schrijvende geef je een plek aan wat je hebt meegemaakt, maar om een trauma echt te verwerken moet je naar een therapeut. En misschien gaat de ‘American Dream’ over iets in jezelf, dat je weet dat je iets hebt opgebouwd. Maar schrijven moet meer dan therapie zijn. Het moet groter zijn, het moet de lezer boeien, het moet iets doen met de lezer.’


    Hebben jouw ouders een beeld van jou als schrijfster in Nederland?

    ‘Nee, dat beseffen ze niet. Als we bellen hoor ik wel eens dat ze iets via Facebook hebben gezien over mij. We leven in parallelle werelden, zij weten niets over mij. Het heeft geen zin om hen, dertig jaar later, iets over mijzelf te vertellen. Soms is het moeilijk te beseffen dat ze er over misschien tien, twintig jaar niet meer zullen zijn. Ik weet hoe mijn vader en moeder reageren, hoe ze denken, zich bewegen. Maar ik kan niet zeggen dat ik een vader en een moeder heb gehad.’


    Zou je deze boeken hebben geschreven als je in Roemenië was gebleven?

    ‘Sommige dingen kan ik alleen in het Nederlands schrijven. Alleen in het Nederlands kon ik zeggen, “Hij heeft mij naar zijn kamer gebracht”. Ik heb geprobeerd deze zin in het Roemeens te zeggen, maar dat is moeilijk. Het krijgt ook een andere betekenis in het Roemeens, ik moet mezelf verstoppen na zo’n zin. Ik leun op deze nieuwe taal, zij heeft mij kracht gegeven deze zin te zeggen. Het is heel interessant wat een vreemde taal met je doet. Ik dacht ook aan Nabokov, die eerst in het Russisch schreef, in de jaren dertig schreef hij in het Frans, en daarna, toen hij naar Amerika verhuisde, ging hij in het Engels schrijven. Pas op zijn vijftigste schreef hij Lolita. Dan vraag ik me af, wat was Nabokov zonder de Engelse taal. Dat vind ik ongelofelijk interessant.’


    Wat betekende literatuur voor jou?

    ‘Het leven was hard waar ik opgroeide. Alle dieren die we hadden aten we op, de kip, het varken. Eerst aaide je het varken op zijn buik en het volgende moment werd er een mes in zijn rug gestoken. Dat was hard voor een kind, er was geen medelijden. Dat vond ik wel in de literatuur. Homerus is ontzettend menselijk, over iedereen heeft hij iets moois te zeggen. Iets waardoor je begrijpt hoe die persoon was. Hij heeft medelijden met iedereen. Op mijn twaalfde kreeg ik Het verhaal van St Michele, van de Zweedse schrijver Axel Munthe. Dat boek heeft mijn leven veranderd, dat boek heeft mij geleerd dat ik niet de enige ben die niet tegen het doden van een varken kan. Schrijvers die ik in mijn kindertijd belangrijk vond, waren schrijvers die menselijkheid en zachtheid toonden.’


    Welke boeken blijven altijd bij je?

    ‘Ik vind houvast bij de klassiekers, Homerus, Cervantes en Dante. Hoewel Dante hard lijkt, toont hij ook medelijden. In de Divina commedia smeekt hij om woorden. Hij zegt, “Geef mij het juiste woord om dat te kunnen beschrijven.” Dante die smeekte om het juiste woord, wie ben ik om niet te smeken voor het juiste woord in het Nederlands? De grootste dichter van de Europese literatuur heeft dat gedaan, dan kan ik dat ook doen in een andere taal.’ 


    Hoe belangrijk is het deze klassiekers te lezen?

    ‘T.S. Elliot heeft eens gezegd dat wij niets zijn zonder onze voorouders, wij bestaan omdat onze voorouders hebben bestaan. Zo bestaat poëzie al vele eeuwen en schrijven we al 4000 jaar. Dit is belangrijk te weten. Je kunt geloven dat je door gewoon aan tafel te gaan zitten kunt beginnen met schrijven, dat alles uit je hoofd komt. Maar dat is niet zo, het komt uit je ervaring met lezen, uit boeken. En het feit dat je iets doorgeeft, je moet iets doorgeven.’


    Schrijven is lezen?

    Je moet de grote literatuur kennen. Als je Homerus niet gelezen hebt, is je bagage te licht. Dan heb je iets wat belangrijk is, niet meegenomen. Ik zie de literatuur als een tuin waarin grote bomen staan, maar ook sneeuwklokjes en gras. Ik wil graag in die tuin zijn. Niet als grote sequoia of baobab, maar belangrijk is dat je weet wat er allemaal in die tuin staat, dat je weet wat literatuur is. Zonder lezen kun je niet schrijven.’


    Taal is een getuige schrijf je in Liefdesverklaring. Waar wil jij van getuigen? 

    ‘Weet je, ik zal je iets vertellen wat ik nog nooit in een interview heb gezegd. Ik kom uit de armoede, voorbestemd geen kansen te krijgen, maar ik heb er veel gekregen. Daarvoor heb ik betaald met mijn gezondheid, ik doe alles om te schrijven, om te getuigen dat mensen zoals ik… Ik heb nog nooit verteld dat ik wil schrijven voor degenen die geen kans krijgen. Voor degenen die denken dat het niet lukt. Ik wil laten zien, dat hoe ik in Roemenië, uit de armoede kwam. Dat ik een fantastische baan bij de radio achterliet, hier opnieuw begon. Hier ben ik een buitenlander, ik zal de taal nooit perfect leren spreken. Toch wil ik laten zien dat het kan. Dat mensen zoals ik iets te zeggen hebben. Dat mensen zoals ik ook een rijkdom bezitten.’

     

    In Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal schrijft Mira Feticu: ‘De Nederlandse taal is voor mij wat voor de bouwvakker het hout, de stenen of het  cement is. Ik ben een bouwvakker in de Nederlandse taal en af en toe, midden in mijn boeken, bij vlagen, een ingenieur. Ooit zal ik volleerd ingenieur worden. Misschien ook architect.’

     

     

     

    Foto auteur: Irwan Droog