• Hoop op hernieuwde aandacht voor: Wolf Solent

     

    Mathijs van den Berg hoopt op hernieuwde aandacht voor het magnum opus Wolf Solent van John Cowper Powys.

    Grootse roman over onmogelijke keuzes

    Wolf Solent uit 1929 is de meest succesvolle roman van de Britse schrijver, dichter en filosoof John Cowper Powys. In 1984 verscheen er voor het laatst een Nederlandse vertaling van bij De Arbeiderspers. Zoals zo vaak bij de grote ontdekkingstocht die lezen is ontdekte ik zijn naam bij toeval. Omdat Hugo Claus ergens in een interview Cowper Powys als een inspiratiebron noemde, ging ik naar zijn romans op zoek, waarna ik Wolf Solent, een gebonden boek van 741 pagina’s, via internet voor het luttele bedrag van vijf euro bij een antiquair op de kop tikte.

    Cowper Powys schreef het boek, dat zich in Engeland afspeelt, in de Verenigde Staten waar hij lange tijd woonde. Gezien de enorme precisie waarmee hij het platteland van Dorset oproept is dit een ongelooflijke prestatie. In een nawoord uit 1960, drie jaar voor zijn dood, noemt Cowper Powys Wolf Solent ‘een boek van Heimwee, geschreven in een vreemd land met de pen van een reiziger en het inkt-bloed van zijn vaderland.’ De roman is door en door Engels en behandelt universele thema’s.

    Een nieuw bestaan

    Wolf Solent is de naam van de hoofdpersoon, een vijfendertigjarige docent die tot voor kort geschiedenis gaf aan een kleine onderwijsinstelling in het centrum van Londen, waar hij woonde bij zijn moeder. Hij blijkt ontslagen na het spuien van ‘een stortvloed van woeste, smerige scheldwoorden tegen elk aspect van de moderne beschaving’. In het eerste hoofdstuk is hij met de trein op weg naar het platteland van Dorsetshire, dat hij vijfentwintig jaar eerder met zijn moeder verliet na allerlei schokkende ontwikkelingen rond zijn vader. Zijn relatie tot zijn dominante moeder en zijn losbandige, lang overleden vader – eveneens een geschiedenisleraar – speelt een belangrijke rol in het boek.

    In Dorsetshire heeft Solent dankzij bemiddeling van een invloedrijke neef van zijn moeder een betrekking gekregen bij de landheer van het dorp King’s Barton, Lord Urquhart, wiens literair assistent hij zal worden. De hoofdpersoon verkeert ondanks zijn existentiële gekweldheid in een opgewonden stemming nu hij naar zijn geboortegrond terugkeert, benieuwd naar wie hij allemaal zal ontmoeten en de aard van zijn werkzaamheden.

    Persoonlijke mythologie

    Op de eerste bladzijden wordt meteen gewag gemaakt van Solents bijzondere levenshouding. Van jongs af aan bezit hij namelijk de gewoonte ‘in zijn ziel te verzinken’ om de diepere werkelijkheid om hem heen te ervaren. Hij is alleen uit op bepaalde sensaties en heeft geen wereldse aspiraties. Zijn mythologie, zoals hij zijn levenshouding noemt, vormt de zin van zijn bestaan. ‘Zijn diepste persoonlijke trots – dat wat zijn overheersende levensillusie zou kunnen worden genoemd – [hangt] er volkomen van af.’

    Een idee dat met deze mythologie samenhangt is het gevoel deelnemer te zijn aan een kosmische strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’. Hij is diep getroffen door de wanhoop op het gezicht van een zwerver op Waterloo Station, dat hem blijft achtervolgen. Aan de andere kant door het eeuwige beeld van een grazende koe, dat een onschendbare rust uitstraalt. Solent put zijn kracht uit ‘het hart van de Natuur zelf’, die een tegenstelling vormt met ‘de monsterlijke Verschijning van de Moderne Technologie’. Vanuit zijn moralisme valt zijn nieuwe werk hem niet mee: het schrijven van een chronique scandaleuse van Dorset, een verslag van alle obsceniteiten die daar ooit zijn voorgevallen.

    Existentiële twijfel

    Alles wat Solent in de lijvige roman denkt en doet staat in het teken van zijn mythologie. Dat levert prachtige natuurimpressies op waarin de natuur in al haar verscheidenheid en zintuiglijkheid wordt beschreven en die een spiegel vormt van zijn ziel: ‘Hij had het gevoel of hij op dat uur van een of ander primitief levensgevoel genoot, dat niet verschilde van wat deze beknotte iepen voelden, terwijl de windvlagen tegen hun geribde stammen waaiden, of wat deze glimmende stinkende gouwe-bladeren voelden, waarvan de wereld beperkt was tot boomwortels en varenbladeren en vochtige, donkere modder.’ Maar Solent komt hierdoor ook regelmatig in botsing met de werkelijkheid en valt dan aan vertwijfeling ten prooi. ‘‘’Ben ik op de een of andere ontstellend ongeneeslijke manier soms onmenselijk?” dacht hij. “Is de genegenheid die ik voor menselijke wezens voel minder belangrijk voor me dan de schaduwen van bladeren en het stromen van water?”‘

    Maar dat laatste blijkt onwaar. Zijn verwarring is het grootst waar het de liefde betreft. Solent ontmoet twee jonge meisjes die hem beiden bekoren en klassieke tegenpolen zijn. Gerda, de eenvoudige dochter van een steenhouwer, is van een schoonheid ‘zo onthutsend dat ze alle normale menselijke betrekkingen in een oogwenk te niet leek te doen.’ Christie, de kleine, tengere, droomachtige dochter van een boekhandelaar is een geestverwant. Met de één heeft hij geweldige seks, met de ander kan hij goed praten. Hij trouwt met Gerda, maar Christie blijft hem bekoren. Overspel zou echter een overgave aan ‘het kwaad’ betekenen en een breuk met zijn mythologie.

    Kleurrijke personages

    De roman bevat een waaier aan excentrieke personages die stuk voor stuk gaan leven. Zoals Selena Gault, een lelijke oude vrijster en voormalige minnares van zijn vader, die de enige man die haar als vrouw zag door dik en dun verdedigt. Of de vriendelijke gentleman Darnley Otter, tevens collega op de school waar Wolf op een gegeven moment – tot zijn enorme verveling – gaat lesgeven. Diens wereldvreemde, cynische broer Jason schrijft duistere gedichten. De dorpspredikant ‘Malle Valley’ stinkt altijd naar gin. De obscene landheer en zijn ongrijpbare, boomlange knecht vormen een opmerkelijke combinatie. Om er maar een paar te noemen. Het is alsof je op de set van Midsomer Murders rondloopt. En overal zijn er schandalen, of in ieder geval geruchten.

    Dan zijn er nog de doden. Solents voorganger Redfern is plotseling gestorven. Zal dit lot Wolf als zijn opvolger ook treffen? De roman staat bol van de suggestie, in de beste Britse Gothic traditie, van grafroof tot zelfmoord in het donkere, stille water van Lenty Pond. De belangrijkste dode is Solents vader, ‘de ouwe Reus’, die op het kerkhof begraven ligt en tot wiens ‘zelfvoldane, grijnzende’ schedel Solent zich regelmatig richt. Met deze schuinsmarcheerder moet hij in het reine zien te komen, net als met zijn eigengereide moeder die hem naar Dorset is gevolgd. Na veertien maanden getob komt Solent tot belangrijke inzichten.

    Prachtige volzinnen

    Cowper Powys heeft een machtige stijl, die voortreffelijk vertaald is door Jacob Groot. Het boek staat vol zinnen die je – zoals bij alle grote literatuur – wilt aanstrepen of hardop voorlezen: ‘Een dergelijke ongewone schoonheid was een bijzondere gave, zoiets als het genie van een dichter, en zou het vermogen moeten hebben een meisjeshart tegen de wrede schijnbewegingen van de liefde te beschermen.’ ‘Vervolgens drongen de blauwe lobelia’s en de halmen van donkergroen gras die zijwaarts tegen de rand van bruine teelaarde leunden, alsof een faun ze met zijn vederlichte voet had vertrapt, zijn bewustzijn binnen met de heldere openbaring dat de natuur in zeker opzicht zoveel zuiverder was dan alle menselijke bedenksels […].’ ’Naast de stalknechten die hen [de paarden] leidden zagen de beesten er zo machtig en smalend uit dat Wolf, bij het naderen van deze processie, het hele menselijke ras heel even in een vernederend en smadelijk licht zag, en het zich voorstelde als een slag duivelsknappe apen die een lage, listige streek hadden aangewend om veel edeler dieren dan zijzelf tot slaven te onderwerpen, zonder dat die daar verder iets slaafs door kregen.’

    Wolf Solent is een roman over liefde en dood en over de onmogelijke keuze tussen goed en kwaad, lichaam en ziel. Een lucide boek met een enorme intellectuele diepgang en van een grote poëtische kracht. Cowper Powys is in verband gebracht met schrijvers als Thomas Hardy en Dostojevski en werd in Nederland bewonderd door onder meer Louis Lehmann, Simon Vestdijk en Willem Brakman. Wolf Solent is een magistrale roman die absoluut beschikbaar moet blijven voor de literaire lezer.

     


    Dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op heruitgave/hertaling/hernieuwde aandacht. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

  • Hoop op heruitgave: Retour Rome

    Soms kan ik terugverlangen naar de tijd waarin een goed geschreven boek als La Modification van Michel Butor (1926 – 2016) kon verschijnen als een formeel experiment ingekaderd in een strak gestructureerde plot. Het verscheen in 1957 en kwam zeven jaar later als Retour Rome in een vertaling van C.N. Lijsen in het Nederlands uit als Literaire Reuzenpocket van De Bezige Bij. Achtenvijftig jaar later zou deze titel best weleens herdrukt mogen worden.

    De Franse titel (la Modification) geeft al aan dat het om een Verandering gaat. En een vorm van verandering zal zich zeker gaan voltrekken in het hoofd van de zakenman van middelbare leeftijd Léon Delmont, vanaf het moment dat hij in Parijs op de trein stapt met bestemming Rome. Hij is getrouwd met Henriette en woont met zijn gezin in Parijs. Voor zaken reist hij regelmatig naar Rome waar hij ook een maîtresse genaamd Cécile heeft. Maar dit keer reist hij om een persoonlijke reden naar Rome: hij wil Cécile vertellen dat hij een baan voor haar heeft gevonden in Parijs en dat hij Henriette voor haar zal verlaten. Tegen het einde van de roman, dat wil zeggen tegen de tijd dat hij in Rome is aangekomen, is hij echter 180 graden van gedachten veranderd: een leven met die minnares gaat het niet worden, hij blijft bij zijn huidige vrouw. Enfin, het klinkt misschien als een synopsis van een saai, voorspelbaar boek. Maar dat is het dus niet. Het is namelijk zo’n soort boek dat niet makkelijk te verfilmen is omdat de manier waarop het verteld is zoveel rijker is dan het navertellen ervan. Dit boek stelt de reis niet alleen boven zijn bestemming, maar toont dat het reizen zelf de bestemming doet veranderen.

    Wie dit boek aanprijst, prijst automatisch de schrijfstijl van het boek aan. Het opent in medias res met de opvallende stijl van de tweede persoon enkelvoud: in het Frans ‘vous’ en ‘jij’ in de Nederlandse vertaling. Deze vorm maakt dat de lezer wordt meegesleurd, zo niet zelf betrokken raakt in het zelfreflectieve denkproces van de hoofdpersoon Delmont. De gedetailleerde beschrijving van zijn treincoupé, zijn medereizigers, al wat hij door het raampje buiten waarneemt, zijn dagdromerijen, dat alles mengt zich met herinneringen aan eerdere ontmoetingen met Cécile in Rome en in Parijs. Er is geen alwetende verteller. De focus beperkt zich tot wat de hoofdpersoon tot zich door laat dringen aan waarnemingen en daarmee gewekte herinneringen. Het verhaal ontwikkelt zich dan ook puur op basis van observaties en associaties, zonder dat de innerlijke gedachtestroom van de hoofdpersoon in zijn totaliteit wordt onthuld. Terwijl de treinreis vordert, wordt de lineaire ontwikkeling van de reis onderbroken door kleinere episodes uit het verleden of ingebeelde toekomstige momenten met Cécile of met zijn vrouw Henriëtte. Gaande de reis komt hij tot de overtuiging dat laatstgenoemde eigenlijk zoveel beter bij hem past dan zijn minnares. Cécile hoort bij Rome, maar zijn vrouw en zijn leven horen bij Parijs. De zekerheid zijn vrouw te verlaten is gedurende de reis via twijfel omgeslagen in de zekerheid bij zijn vrouw te blijven. Hij maakt het plan om met zijn vrouw Rome te gaan bezoeken bij wijze van een tweede huwelijksreis. Voordat hij in Rome uit de trein stapt, stelt hij dat de twee steden hun geografische afstand moeten bewaren. Zijn uiteindelijke doel is veranderd: hij is van plan om in een boek de ervaring van zijn mentale reis en besluitvorming vorm te geven. De toon slaat op het allerlaatst om van de jij-vorm naar de ik-vorm. Alsof de auteur uit de huid van zijn hoofdpersoon is gekropen en nu namens zichzelf voor de dag komt. Het boek dat hij besluit te schrijven, en waarvan hij de vorm al in zijn hoofd heet, is eigenlijk het boek dat, de lezer in handen heeft.

    Een waardig boek dat een traditioneel afgebakend plot combineert met een bijna postmoderne zelfreflectie. Het experimentele ervan dient zich zo natuurlijk aan dat de lezer nauwelijks zal hebben gemerkt dat de leestijd van dit ruim 270 pagina’s tellende boek ongeveer gelijk is aan de vertelde tijd waarin het verhaal van de treinreis van Parijs naar Rome zich afspeelt, namelijk even lang als de reële reis Parijs – Rome volgens het toenmalige spoorboekje, te weten bijna 24 uur.


    Gedurende de zomer van 2022 schrijven verschillende recensenten van Literair Nederland speciale bijdragen over boeken die in hun ogen een herdruk of vertaling verdienen. Albert Hogeweij houdt een pleidooi voor een herdruk van Retour Rome of een nieuwe vertaling van het origineel: La Modification.

  • Hoop op heruitgave: De koning van het puin

     

    Els van Swol zou graag De koning van het puin van Judicus Verstegen opnieuw uitgegeven zien worden.

     

    VOLLEDIG MENS WORDEN

    Tijdens mijn studie kreeg ik opeens de geest en kocht op één dag meteen maar liefst vier boeken van de schrijver Judicus Verstegen (1933-2015). Waar ik het geld als student vandaan haalde, is mij een raadsel. Hoe ik opeens op het spoor van Verstegen kwam iets minder. Het had waarschijnlijk te maken met een opmerking van docent Kees Fens (1929-2008) die een jaar daarvoor over Verstegen had gepubliceerd. Er zal een trigger zijn geweest tussen de thematiek van Verstegen in het verlengde van het existentialisme waar ik mij, zoals veel negentienjarigen, mee bezighield.
    Die vier boeken waren zijn debuut de roman Legt uw hart daarop, de verhalenbundel Een zon bij nacht, een boek dat verschillende genres overschrijdt, De vloek van het schema en tenslotte nog een verhalenbundel, De koning van het puin.

    De schrijver Judicus Verstegen

    Ik beperk mij hier tot die laatste bundel, maar eerst: wie was Verstegen eigenlijk méér dan de man die aanleiding gaf tot ophef rond een al dan niet vermeende sleutelroman (De koekoek in de klok, 1969) en de schrijver met een treurig levensverhaal? Ik ontleen enkele gegevens aan het proefschrift van Susanne Janssen: In het licht van de kritiek (1994).
    Verstegen werd in 1935 in Den Helder geboren. Hij studeerde scheikunde en was werkzaam als chemicus in Nederland, Noorwegen en Israël, waar hij ook fotografeerde. Zijn foto’s worden bewaard in het Literatuurmuseum. Als schrijver debuteerde hij in 1967 in Maatstaf. Van 1967-1982 verschenen dertien romans of verhalenbundels van hem. Daarna werd het stil. Op zijn vijftigste werd hij opgenomen in psychiatrisch centrum Willibrord in Heiloo. Hij overleed in 2015.

    Zijn debuutroman Legt uw hart daarop kreeg voldoende aandacht. Janssen telt tien recensies: vijf in landelijke- en vijf in regionale bladen. Alle tien ‘overwegend positief’. De auteur ontving er twee (regionale) prijzen voor: de Debuutprijs van de Groot-Kempische cultuurdagen en de Debutantenprijs van de gemeente Hilvarenbeek 1968. Bij herlezing komt het boek mij inmiddels helaas wat gedateerd over.

    Janssen constateert dat sommige recensenten na 1970 niet meer op Verstegens nieuwe publicaties reageerden. Zo vielen ze tussen wal en schip. Ook het ontbreken van interviews in literaire tijdschriften en bijlagen heeft hier volgens haar aan bijgedragen.
    Een uitzondering leek Joris van Casteren te worden. Hij bezocht Verstegen in Heiloo. Bijna, want Van Casteren mocht de kamer niet in; hij zou Verstegen naar eigen zeggen maar storen bij het schrijven. Van Casteren memoreert het voorval in zijn boek Zeg mijn lezers dat ik doorschrijf (2006), portretten van vergeten schrijvers. 

    De verhalen van De koning van het puin

    De negen verhalen in De koning van het puin hebben als gemeenschappelijke noemer verlies op allerlei mogelijke manieren.
    Het eerste, beklemmende verhaal is een oorlogsverhaal dat in de verste verte niet onderdoet voor de vele, bekendere verhalen over de Tweede Wereldoorlog. Het gaat onder meer over een fabriek die soldaten niet prijs willen geven – nog akelig actueel. Er restten alleen puin, doden en zwarte melk; een reminiscentie aan het gedicht Todesfuge van Paul Celan.
    In het tweede verhaal staan Harry en diens vrouw centraal. Hij wordt opgeroepen voor Vietnam, waar hij omkomt. Zijn vrouw weigert een begrafenis met militaire eer. Een eerlijk en indrukwekkend verhaal.
    Het derde verhaal stelt Mozes Mendel en diens kraai voor. Mozes had zijn gezondheid in Mauthausen verloren, daarna zijn vrouw en toen ook nog eens zijn kraai. Het verhaal geeft schrijnend weer hoe joden uit de kampen bij terugkomst in Nederland in de mallemolen van de bureaucratie terechtkwamen. Ook dat is op andere terreinen nog steeds actueel.

    In het vierde verhaal draait het om Henri en Eliza uit Frankfurt (Frankfort schrijft Verstegen), maar vooral ook over de verhouding tot Henri’s broer David. Op een dag besluit Henri naar Israël te emigreren. David zag het zionisme niet als een oplossing, omdat het onrecht doet aan anderen ‘die ons geen strobreed in de weg hebben gelegd’. Het verlies is in dit verhaal niet alleen het verlies van het bedrijf in Frankfurt en de dood van David, maar ook dat van de Arabieren, waarvan er een tegen Henri zegt dat hij hoopt ‘dat Allah in zijn wijsheid ons nog eens als broeders zal samenbrengen’. Een hoop die nog steeds leeft.
    Het vijfde verhaal. Een schrijver is gestorven. De ik-figuur, die geen hoge dunk van hem heeft, moet voor de krant een necrologie over hem inleveren. Hetzelfde thema als in het verhaal over Harry die in Vietnam omkwam duikt op: over waarheid en leugen. De chef van de krant vindt dat de journalist ‘niet meer in staat [is] tot objectief oordelen’ en stuurt hem met ziekteverlof. Dan gebeurt er iets verrassends.

    Het zesde verhaal gaat over de zoektocht van een vader naar een fonds dat de studie chemie van zijn zoon kan financieren, wat lukt. Omdat de mevrouw die het fonds beheert meent dat de zoon ook een ‘volledig mens’ moet worden, moet hij met een groep medestudenten De meeuw van Tsjechov instuderen. Volledig mens zijn of worden is, naast het centrale thema verlies, een belangrijk neventhema in het werk van Verstegen.
    Het volgende, zevende verhaal, is filosofisch van aard. Het gaat ten diepste over machteloosheid en machtswellust.
    Het op een na laatste verhaal, ‘Het onderzoek’, stelt een groep onderzoekers in Iran centraal. Qua sfeer doet het denken aan Nooit meer slapen van W.F. Hermans: pessimisme, angst en dood.
    Het laatste verhaal speelt zich daadwerkelijk af in het Noord-Scandinavië van Hermans. Een personage, Marvie, wordt bedreigd door haar vader. Met de ik-figuur vlucht ze, maar valt aan iets anders ten prooi. 

    Existentialistisch denken

    Meteen na het herlezen van vooral de eerste verhalen wist ik weer wat mij destijds zo in het werk van Verstegen moet hebben aangetrokken en nu wéér raakt: literatuur die als gezegd gedrenkt is in het existentialistische denken. Verlies zal mij als adolescent minder hebben gezegd, maar volledig mens worden des te meer. En filosofie sprak mij ook toen al aan.

    De verhalenbundel die in 1970 verscheen bij Querido is antiquarisch nog ruim verkrijgbaar (in bibliotheken aanzienlijk minder), maar een herdruk zou niet misstaan, hoewel Verstegens boeken later door De Bezige Bij werden uitgegeven. Verstegen was onmiskenbaar een groot schrijver en zijn nog steeds actuele thematiek van in ieder geval deze bundel spreekt ook heden ten dage nog aan. 


    Dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op heruitgave. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

  • Hoop op vertaling: Gwen Harwood – Collected Poems

    Collected Poems

    Boeken leiden je naar andere boeken, als stapstenen in een rivier. Ik las een boek van Guido van Heulendonk, Vrienden van de poëzie. Dit bevat vier verhalen over een kettingbrief van gedichten die in coronatijd aan diverse mensen verstuurd worden en hun levens beïnvloeden. In het eerste verhaal, Trisha, krijgt een man van een vroegere collega een gedicht toegestuurd van de Australische dichter Gwen Harwood, Barn Owl getiteld. Zonder het te citeren vertelt Van Heulendonk waar het over gaat: een meisje is boos op haar vader. Omdat ze zich met haar wrok geen raad weet, schiet ze een kerkuil neer. Maar de uil leeft nog. Ontzet van zijn bloedige verminking,  zeer plastisch en rauw beschreven, beseft ze wat ze gedaan heeft. De vader staat plotseling achter haar en draagt haar op de uil te doden: ‘End what you have begun’.

    Het is het eerste deel van het tweedelige gedicht Father and child. De pendant heet Nightfall, waarin de autoritaire vader oud is geworden en door de inmiddels volwassen dochter met liefde en mededogen beschreven wordt. Van Heulendonk vermeldt ook dat het gedicht een rol speelt in Julian Barnes’ The Sense of an Ending. Daar probeert een schooljongen het gedicht via Eros en Thanatos te verklaren, wat later de rode draad in het boek van Barnes blijkt te zijn. Titel en dichter van het gedicht over de ‘barn owl’ worden niet genoemd; Barnes nam blijkbaar aan dat iedereen wel wist welk gedicht hij bedoelde, maar ik had er geen idee van toen ik zijn boek las. Ik had – net als de verteller in Trisha – nog nooit van Gwen Harwood gehoord. Ik kende zelfs helemaal geen Australische auteurs, of anders wist ik niet dat ze Australisch waren. Alleen Nick Cave, die zijn poëzie op muziek gezet heeft, neemt een prominente plaats in op mijn lijstje van mensen wier werk ik niet kan missen. Maar van Harwood wilde ik meer lezen.

    Er bleek van haar niets vertaald te zijn in het Nederlands. Het was al een hele klus om überhaupt een bundel van haar te vinden, laat staan een verzamelbundel met haar complete werk. Uiteindelijk heb ik na lang zoeken een afgeschreven, beduimeld en gestempeld bibliotheekboek met de verzamelde gedichten gevonden in de bibliotheek van Diamond Valley in Brisbane, Australië: Collected Poems. De verzendkosten overtroffen vele malen de aanschafprijs. Maar ik was er dolgelukkig mee. Net zo blij als toen ik uit Amerika een eerste druk liet bezorgen van T.H. White, The sword in the stone, met daarin de hoofdstukken die in alle latere edities ontbreken.

    Gwen Harwood (1920-1995) mag dan hier onbekend zijn, in Australië is zij een literaire beroemdheid wier gedichten op middelbare scholen en universiteiten op de verplichte leeslijst staan. Er is zelfs in 1996 een literaire prijs naar haar vernoemd: The Gwen Harwood Poetry Prize. Het beste gedicht wint 2000 Australische dollar. Naast dichter was zij ook librettist; muziek speelde een grote rol in haar leven, wat ook in haar gedichten merkbaar is. Haar eerste gedicht verscheen onder een van haar vele pseudoniemen. Ze schreef onder meer namens Walter Lehmann, Francis Geyer, die als Hongaarse vluchteling schreef over ballingschap, en Timothy Kline. Dit was een jonge anti-oorlogsveteraan van de Vietnamoorlog. Ze hield ervan om een masker te dragen, zei ze in een interview uit 1970: “I like disguises, I like wigs and beards.” Haar bekendste vrouwelijke pseudoniem was Miriam Stone, een verongelijkte
    huisvrouw die klaagde over haar bestaan als echtgenote, huisvrouw en moeder. Hiermee brak zij al vroeg een lans voor alle vrouwen die nooit hadden durven toegeven dat niet elke vrouw gelukkig is met keuken en kinderen. Bovendien liet ze zien dat zij als ‘dichter-huisvrouw’, zoals ze in de media genoemd werd, zelf meer dichter dan huisvrouw kon zijn.

    In the park

    She sits in the park. Her clothes are out of date.
    Two children whine and bicker, tug her skirt.
    A third draws aimless patterns in the dirt
    Someone she loved once passed by – too late
    to feign indifference to that casual nod.
    “How nice” et cetera. “Time holds great surprises.”
    From his neat head unquestionably rises
    a small balloon…”but for the grace of God…”
    They stand a while in flickering light, rehearsing
    the children’s names and birthdays. “It’s so sweet
    to hear their chatter, watch them grow and thrive, ”
    she says to his departing smile. Then, nursing
    the youngest child, sits staring at her feet.
    To the wind she says, “They have eaten me alive.”

    Haar meestal lange gedichten zijn buitengewoon melodieus en lenen zich voor voordracht. Haar onderwerpen zijn gekozen uit de filosofie, de Europese poëzie – waarbij soms een echo van W.H. Auden is te horen – en de muziek. Bovenal put zij echter uit de verrukkingen en de frustraties van het dagelijkse leven met haar huwelijk en haar vier kinderen: intimiteit, verlangen, plezier, melancholie, grimmigheid, felheid met scheutjes boosaardigheid. Haar poëzie is zeer aards en kan onverwacht humoristisch zijn te midden van de ernst, zoals ze ook een algemene beschrijving plotseling een zeer persoonlijke draai kan geven. Haar liefde voor muziek maakt haar gedichten vormvast en metrisch, het eindrijm is zo subtiel dat het pas bij herlezen wordt opgemerkt. De interpunctie is zeer zorgvuldig en overdacht aangebracht. De traditionele vormen doorbreekt ze vaak door een andere spreker te introduceren in het gedicht. Haar poëzie is intelligent, romantisch en sarcastisch tegelijk, met scherpe hoekjes en weerhaakjes.

    Being in the World

    Alone behind the wheel
    half-stupid with fatigue
    I fell briefly asleep
    on the Midland Highway. God
    or someone slapped my life
    back in my empty hands
    before metal shaped my ends.
    Now there’s iron in my soul.
    Iron in my tongue, too,
    clapping against the skull.
    Somebody, something loves me
    enough to keep me here.
    Let my enemies take care.

    Een dierbaar boek onder de aandacht brengen is zoiets als busladingen vol toeristen naar een tot dan toe onbekend eiland brengen, in de hoop dat de ongerepte staat niet zal worden bezoedeld door achtergelaten afval, luide popmuziek of op elke straathoek een McDonalds. Of zoals een kind, dat zijn grootste schat laat zien op een bedje van watten in een mooi versierd doosje, hoopt dat de volwassenen niet schouderophalend zullen zeggen: o, een knikker. Toch riskeer ik graag deze onderschatting. Van harte hoop ik dat Harwood meer in de belangstelling komt te staan in Nederland. Haar volledige werk omvat 368 gedichten en 13 libretto’s; een goede vertaler zou van de gedichten een tweetalige uitgave kunnen maken. Gwen Harwood verdient het om herinnerd en geliefd te worden.

    Anniversary

    So the light falls, and so it fell
    on branches leaved with flocking birds.
    Light stole a city’s weight to swell
    the coloured life of stone. Your words
    hung weightless in my ear: Remember me.
    All words except those words were drowned
    in the fresh babbling rush of spring.
    In summer’s dream-filled light one sound
    echoed through all the whispering
    galleries of green: Remember me.
    Rods of light point home the flocking
    starlings to wintry trees, and turn
    stone into golden ochre, locking
    the orbit of my pain. I learn
    the weight of light and stone. Remember me.

     

     


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de zomerrubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, omdat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

     

    Collected Poems
    Auteur: Gwen Harwood
  • Hoop op vertaling: Taipei jen

    Taipei jen (Taipei people)

    Jongens van glas (Crystal boys) van Pai Hdien-yung is een cultboek. Maar als je het werkelijke meesterwerk van deze Taiwanese schrijver wil lezen dan kom je toch uit op Taipei people (Taipei jen). De Engelse vertaling stamt uit 1982, elf jaar na de eerste Chinese editie, en de auteur zelf heeft een grote bijdrage aan de vertaling geleverd. Op het omslag een aanbeveling van Henry Miller ‘A master of portraiture’, en in het voorwoord een vergelijking met Dubliners van James Joyce. Er is een groot verschil met het boek van Joyce: de mensen die in Taipei people geportretteerd worden zijn emigranten.

    Als in 1949 het vasteland van China in handen komt van Mao Zedong en de communisten, vlucht een grote groep Chinezen, in het kielzog van de vorige machthebber, Tsjang Kai-Sjek, naar Taiwan. Over deze mensen gaat Taipei people, emigranten die in de setting van een nieuwe stad, Taipei, ook terugblikken op hun leven in China. Oude soldaten en voormalige staatslieden, courtisanes (hier sing-song girls genoemd), weduwen, een homoseksuele filmregisseur, Taipei people is een boek rijk aan karakters.

    In veertien verhalen krijg je een doorsnede van een generatie die veel verloor en een nieuw leven, met vallen en opstaan, moest opbouwen. Die emigratie, van China naar Taiwan, met consequenties overigens voor de lokale bevolking, biedt in het klein de problematiek die heden ten dage grote groepen mensen ervaren die door politieke omstandigheden hun land verlaten. Overigens hoop ik dat een Nederlandse vertaling net zo inventief mag zijn als de Amerikaanse. In het verhaal ‘Ode to Bygone Days’ gebruikten de vertalers bijvoorbeeld het dialect van het Amerikaanse zuiden om de taal van twee oude vrouwen, klagend over wat voorbij is, weer te geven.

    Welke oplossing, denk ik dan nieuwsgierig, zou een vertaler naar het Nederlands kiezen? En wat wordt de titel? Taipeinezen of Mensen van Taipei of gewoonweg Emigranten, om maar alvast wat suggesties te doen, of iets geheel anders? We hebben zulke goede vertalers van het Chinees naar het Nederlands, er is toch wel iemand of een duo dat dit grootse boek zou willen vertalen?

     

     


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    Taipei jen (Taipei people)
    Auteur: Pai Hdien-yung
  • Hoop op vertaling: Fifty Sounds, Crying in H Mart en The Undercurrents

    Fifty Sounds

    Welke boeken verdienen een vertaling? Ik ben enthousiast over een essayistisch sub-genre, dat vooral in de Engelstalige literaire wereld aan populariteit wint: een boeklang essay verpakt als memoires van de schrijver, met een specifiek onderwerp als kruiwagen voor de vertelling. Dat is een mondvol dat hopelijk duidelijker wordt met de volgende drie voorbeelden. Alle drie zijn het boeken die een Nederlandse vertaling zouden verdienen.

    In Fifty Sounds (Fitzcarraldo, 2021) vertelt Polly Barton haar wordingsgeschiedenis als vertaalster Japans aan de hand van vijftig onomatopoëtische Japanse uitdrukkingen. De beschrijving van haar worsteling met het Japans is even geestig als ontwapenend. ‘Een zintuigelijk bombardement’ noemt ze haar eerste ervaringen met de taal, waarvoor ze al gauw een obsessie ontwikkelt. Ze is nog jong en onbekend met de Japanse cultuur als ze naar het land wordt gestuurd om daar Engelse les te geven. Door kleinere en grotere blamages krijgt ze door hoe vaak ze ernaast zit, niet alleen met haar beginselen van het Japans maar ook met haar gedrag. Als ze inziet hoe zeer de taal verbonden is met de onmogelijk ingewikkelde culturele codes van het land, bijt ze zich twee keer zo hard erin vast. Dat verleent Fifty Sounds een universele strekking als een verhaal over wat het is te leren leven in een cultuur die ver af staat van wat je gewend bent.

    Fifty Sounds
    Auteur: Polly Barton
    Uitgeverij: Fitzcarraldo, 2021

    Crying in H Mart 

    De tweede essay-memoires die ik graag in een Nederlandse vertaling zou willen zien, zijn Crying in H Mart (Alfred A. Knopf, 2021) van Michelle Zauner, beter bekend als de voorvrouw van de Amerikaanse indiepopband Japanese Breakfast, die op 26 oktober 2022 in Paradiso in Amsterdam optreedt. Vooral pakkend is het eerste deel van het boek dat oorspronkelijk als een zelfstandig essay verscheen in The New Yorker. Daarin beschrijft Zauner hoe Koreaanse Amerikanen hun heimwee weg eten in de Aziatische supermarkt. Misschien zijn ze Koreanen van de tweede generatie, net zoals Zauner, die een Koreaanse moeder heeft. Hun smachten naar Koreaanse gerechten vertelt over een onverzadigbaar verlangen naar een thuis, een verlangen dat Zauner met ze deelt als ze voet probeert te vatten in New York. Zomers reist ze naar familie in Seoul, waar ze een thuisgevoel krijgt als ze de thuisgemaakte kimchi van haar tante proeft. Kimchi, gefermenteerde groente en onmisbaar in de Koreaanse keuken, staat symbool voor Zauners relatie tot haar Koreaanse familie zoals de onomatopoëtische klanken synoniem zijn voor Bartons verhouding tot het Japans  – soms plezierig, vaak ingewikkeld en altijd kostelijk.

    Crying in H Mart 
    Auteur: Michelle Zauner
    Uitgeverij: Alfred A. Knopf, (2021)

    The Undercurrents

    In vorm meest traditioneel essayistisch is het derde boek, The Undercurrents van Kirsty Bell (Fitzcarraldo, 2022). Bell opent haar verkenning van het heden en het verleden van Berlijn met een kleine, maar hardnekkige huishoudelijke ramp: een lekkend dak. Dat lek groeit gaandeweg tot eenzelfde soort afmetingen als Zauners kimchi en Bartons onomatopoetica: het onthult voor Bell andere, grotere rampen in haar persoonlijke leven even goed als in de de geschiedenis van Berlijn, haar gekozen woonplaats. Op dat moment woont ze er al een geruime tijd en meent ze een stabiel gezinsleven te leiden. Toch ontstaan er barsten – of lektranen – en valt haar huwelijk uiteen. Als een gescheiden moeder met twee jonge kinderen komt ze voor een werkelijkheid te staan die haar ogen opent, ook voor de stad zoals die geworden is. Vanuit haar raam kijkend gaat ze op zoek naar de zichtbare en onzichtbare sporen die het verleden in Berlijn en daarmee ook in haar appartementsgebouw heeft achtergelaten. Lek of geen lek, die kennis verandert haar verhouding tot het huis – en tot haarzelf.


    Dit is een speciale bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op vertaling. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.

    The Undercurrents
    Auteur: Kirsty Bell
    Uitgeverij: Fitzcarraldo, (2022)
  • Hoop op heruitgave: Jens Munk

    Huub Bartman houdt een pleidooi voor een herdruk van Jens Munk van Thorkild Hansen.

    Een Deense Odyssee

    4 juni 1620

    Daar ik heden de hoop heb opgegeven nog langer op deze wereld te zullen voortleven, bid ik uit de naam van God, dat indien er christelijke mensen naar hier komen, zij mijn arme lichaam met dat van de anderen in de aarde willen begraven, zich beloond wetend door God in de hemel, en dat dit verslag mijn Genadige Koning zal worden toegezonden, opdat mijn arme echtgenote en kinderen misschien nog enig voordeel kunnen hebben van mijn tragisch lot en erbarmelijk verscheiden. Een goede nacht aan de wereld en moge mijn ziel in Gods hand rusten.

     Jens Munk

    Een documentaireroman

    Jens Munk is een 17e eeuwse Deense ontdekkingsreiziger, die in opdracht van koning Christiaan de Vierde in 1619 op zoek ging naar de noordwestelijke doorgang naar Indië. Zijn beide schepen, de Eenhoorn en de Lamprei, vroren vast in het ijs van de Hudsonbaai. Vrijwel iedereen vond daar de dood. Alleen Jens Munk wist in de zomer van 1620 op het nippertje met twee bemanningsleden op het kleinste schip, de Lamprei, na een barre en bizarre ontsnappingstocht, te ontkomen en de weg terug te vinden naar Denemarken. Verder is er weinig over de lotgevallen van Jens Munk en zijn mannen bekend. Toen Thorkild Hansen met griep op bed lag en op de radio het testament van Munk hoorde voorlezen werd hij gegrepen door het tragische lot van deze zeeman en besloot er een boek over te schrijven, een documentaireroman. Dat is een roman, waarin getracht wordt de historische gebeurtenissen zo authentiek mogelijk te reconstrueren. Er bleek echter weinig informatie over Jens Munk voorhanden te zijn. Het boek dat hij wilde schrijven zou moeten worden aangevuld met gegevens over de 17e eeuw uit andere bronnen. Desondanks liep hij vast met zijn verhaal. Hij besloot deel te nemen aan een archeologische expeditie en op zoek te gaan naar de overwinteringsplaats van Jens Munk in de Hudsonbaai. Dit Munkehavn werd wonderlijk genoeg gevonden! Ze troffen er resten aan van de Eenhoorn en diverse gereedschappen. Door deze expeditie en met name de barre terugtocht was Hansen in staat om zijn boek af te maken.

    De vloek

    Het heeft geresulteerd in een heldenepos vergelijkbaar met een Griekse tragedie. In de Middeleeuwse machtsstrijd tussen de adel en de koning, schaarde opa Jens zich achter de koning, waardoor hij zich de eeuwige haat van zijn adellijke kompanen op de hals haalde. Dit werkt door in het levensverhaal van vader Erik die, door zijn militaire successen in dienst van de koning ook de jaloezie van de adel opwekte. Dwars tegen de in die tijd heersende strenge moraal van de Deense Reformatie in, woonde Erik samen met een burgermeisje, die hem twee kinderen schonk, Jens en Niels. Verstoten door de adel en uiteindelijk opgesloten in een naargeestige kerker maakte vader Erik in 1594, na een vergeefs beroep op de koning, een eind aan zijn leven. Jens groeide, onder eenvoudige omstandigheden, op in het huis van zijn moeder in Kopenhagen. Hij was vast van plan de goede naam van de familie in ere te herstellen. Hij wist zich op te werken tot een gerespecteerd zeeman, voor de duvel niet bang, en had, met wisselend succes, fortuin gemaakt in de handel.

    Doorwerking van de vloek

    In het begin van de 17e eeuw was Kopenhagen een bloeiende havenstad en centrum van het koninkrijk Denemarken dat in die tijd ook Noorwegen, delen van Noord-Duitsland en Zweden, IJsland en Groenland omvatte. De jonge koning Christiaan de Vierde was een ambitieus man. Hij wilde van Denemarken de onomstreden heerser maken over de noordelijke wateren. Hij richtte de Deense Oost-Indische Compagnie op en deed onderzoek naar een noordoostelijke en noordwestelijke route naar Indië. Hier kruiste zijn weg die van Jens Munk en zien we de kracht van de adellijke vervloeking opnieuw in werking. De koning heeft oog voor de bijzondere kwaliteiten van Jens Munk als zeeman, terwijl Jens Munk, zich koesterend in de beschermende aandacht van de koning, een mogelijkheid ziet zijn adellijke status te herwinnen en zo de eer van zijn familie te herstellen. Tot ongenoegen van allerlei adellijke heren belast de koning het liefst Jens Munk met de realisering van zijn plannen om een noordelijke doorvaart te vinden. Toch kan de koning de adel niet altijd trotseren en is hij gedwongen regelmatig de ambities van Jens Munk te matigen. Zo werd hem in 1619 op het laatste moment het gezag ontnomen over een expeditie naar Ceylon via Kaap de Goede Hoop, een expeditie die volledig was voorbereid door Jens Munk. Als een soort troostprijs mocht hij met slechts twee schepen proberen om de noordwestelijke doorvaart te vinden. De afloop van deze tocht weten we.

    Een absurde held

    Thorkild Hansen is erin geslaagd van Jens Munk een Deense Odysseus te maken, zijn leven lang op zoek naar huis. Voor Odysseus was dit Ithaka, voor Jens Munk eerherstel voor zijn familie. Net als Odysseus maakt Jens Munk talloze avonturen mee: gevechten met piraten, minachting door adellijke parvenu’s, schipbreuk en echtelijke ontrouw. Hansen is duidelijk gegrepen door de psychologische en filosofische thematiek van de grote Griekse tragediedichters, namelijk dat de mens altijd gebonden is aan de draden van zijn lot zoals gesponnen door de schikgodinnen. Verzet hiertegen heet hybris en wordt gestraft door de goden. Deze bestraffing kan generaties lang doorwerken. Zo heeft de familie Munk telkens weer het lot getart door zich niet te houden aan de conventies behorend bij haar maatschappelijke voorbeschikking, resultaat van een goddelijke ordening. Maar het zijn niet alleen de klassieken die Thorkild Hansen bij het schrijven van zijn boek hebben geïnspireerd. Ook het absurdisme van zijn filosofische mentor, Albert Camus, speelt een rol. Camus meent dat het menselijk lijden het gevolg is van de vergeefse pogingen van de mens om het leven zin te geven. Zij die dit blijven doen zijn ‘absurde helden’.

    Prachtig!

    Schoonheid vraagt om schoonheid. Dit is een wetmatigheid. Zo is het meesterwerk van Thorkild Hansen rijk voorzien van prachtige illustraties in de vorm van oude kaartjes en prenten. Centraal hierin staat een afbeelding van een oorlogsfregat van Christiaan de Vierde, waarvan uitvergrote details verspreid over het boek te vinden zijn. Lezen en kijken vormen zo een natuurlijke synthese. Prachtig!

     


    Dit is een bijdrage in het kader van de rubriek Hoop op heruitgave. Gedurende de zomer van 2022 zullen onze recensenten bijdragen leveren over boeken die zij opnieuw onder de aandacht willen brengen, of waarvan ze vinden dat ze het waard zijn om heruitgegeven of vertaald te worden.