• David Sedaris – Wanneer je omringd bent door vlammen

    Een paar weken lichtheid

    Het omslag van de nieuwe verhalenbundel van David Sedaris is enigszins afschrikwekkend. Je ziet een skelet met een sigaret tussen de tanden. Het lijkt een wat misplaatste vorm van reclame te zijn van de anti-tabaklobby, maar volgens het binnenwerk komt dit beeld van een schilderij in het Van Gogh-museum. Niettemin slaat het wel degelijk op het laatste, voor zijn doen erg lange, verhaal van Sedaris in Wanneer je omringd bent door vlammen waarin hij verslag doet van zijn pogingen om te stoppen met roken.
    In zekere zin lijkt dit verhaal op een ander verhaal van Sedaris uit Ik ooit mooi praten waarin de auteur pogingen doet om Frans te leren wanneer hij met zijn vriend in Parijs gaat wonen. Nu gaan ze enkele maanden naar Japan en het afkicktraject van de sigaret wordt gecombineerd met een cursus Japans. Natuurlijk is David niet de meest getalenteerde cursist uit de klas.
    ‘Ik ben gecharmeerd van Sang Lee, het zeventienjarige Koreaanse meisje dat op de tweede rij zit. Eigenlijk is ‘gecharmeerd’ waarschijnlijk niet het goede woord. Het gaat verder dan dat: ik heb haar nodig, ik heb iemand nodig die slechter is dan ik, iemand op wie ik neer kan kijken. Omdat dit de beginnersklas is, verwachtte ik niet dat iemand het hiragana-alfabet zou kennen. Misschien één of twee karakters, maar zeker niet het hele ding. Toen bleek dat iederéén het kende, iedereen behalve ik en die kleine domoor Sang Lee, was ik behoorlijk van streek.’
    David Sedaris heeft maar één hoofdpersoon en dat is hijzelf. De schrijver, maar ook de onhandige loser. Af en toe heb je het idee dat hij een beetje aan het schmieren is, als hij bijvoorbeeld een verhaal vertelt over de spin waaraan hij zo gehecht is geraakt dat hij hem vanuit het vakantiehuis meeneemt naar Parijs. ‘Kijk, de Eiffeltoren!’ Daarentegen zijn de familieverhalen weer net goed van toon evenals het verhaal over de bazige buurvrouw die David en zijn vriend hadden toen ze in een appartementencomplex in New York woonden. Navertellen van die verhalen leidt tot niets, want het gaat niet om een clou of een bepaalde opbouw. Je duikt even in een bepaald aspect van het leven van de schrijver en dan ga je weer verder. Ik moet ook de neiging onderdrukken om veel te citeren, want op elke bladzijde staat wel een mooie zin, een grappige opmerking of ironische wijsheid. Niet doen, trakteer je zelf en koop dit boek.
    Je moet Sedaris met mate tot je nemen. Eén verhaal per dag. De lichte humor van zijn verhalen geeft je als lezer ook enige lichtheid mee. Wanneer je omringd bent door vlammen geeft je dan een paar weken plezier.

    Coen Peppelenbos

    DAVID SEDARIS: Wanneer je omringd bent door vlammen. Vertaling Boukje Verheij. Lebowski, Amsterdam, 302 blz. €19,90.

  • Dimitri Verhulst – Godverdomse dagen op een godverdomse bol

    Formuleerkunst als kermisattractie

    Sinds De helaasheid der dingen ben ik een fan van de schrijver Dimitri Verhulst. Nog maar vrij recent dus. Toen de aankondiging kwam dat zijn laatste boek met de door de Bond tegen het Vloeken ongetwijfeld niet met gejuich ontvangen titel Godverdomse dagen op een godverdomse bol voor niets bij de nieuwste Humo zou zitten, heb ik iemand die toch in Vlaanderen moest zijn, opdracht gegeven dat weekblad met het boek voor me te kopen. Je bent Hollander, dus je gaat voor de koopjes.
    Gelukkig maar, want als ik de 18,95 had betaald die voor de winkeleditie neergelegd moet worden dan had ik me zwaar bekocht gevoeld. In oktober ben ik begonnen met lezen en op tweede kerstdag had ik het boek eindelijk uit. Omdat ik me er toe dwong. Er zit geen plot in het boek, er is geen verhaallijn (tenzij je de ontwikkeling van de mensheid een verhaallijn noemt), er zijn geen personages (tenzij je de mensheid een personage noemt). Bijna elke zin is van het type ‘Boem paukeslag’, zie mij eens formuleren. Dodelijk vermoeiend. Willekeurig voorbeeld op bladzijde 104:
    ‘Waarlijk alles heeft ’t over voor een hotelkamer met balkon in het koninkrijk der hemelen. ’t Verzamelt zich massaal rond eentje die uit de dood is opgestaan als was hij opgestaan uit een zaterdagse kattenslaap, echt waar, en die zich vlijmscherp herinnert hoe de landerijen er aan de andere kant van het bestaan bij liggen. In het Land Van Subiet. Een oosten van hagelballen en sneeuwstormen en een westen van onuitblusbare vlammen. Dampen van ondraaglijke stanken, duisternis die de plaats ruimt voor verblindend licht. Gejank en geklaag in smeulende schachten. Hete tangen die van alle kanten opdoemen om te pietsen en te knijpen.’
    En dat 186 bladzijden lang. Formuleerkunst als kermisattractie.

    Nee, dan de Humo! Wat een geweldig blad is dat. Daar vallen al onze bladen bij in het niet. Een stuk groter dan het boek van Verhulst, twee bladzijden minder, maar met een gevarieerde en interessante inhoud. In het Verhulstnummer een interview met Arnon Grunberg die ook een column in het blad heeft (evenals Herman Brusselmans en Jan Mulder). Leuk rubrieken. Reportages en interviews die langer dan twee pagina’s mogen duren. Als ik in Vlaanderen woonde, zou ik me meteen abonneren.

    Coen Peppelenbos

    DIMITRI VERHULST: Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Contact, Amsterdam, 186 blz. €18,95.

  • Lernert Engelberts – Echte slechte mensen

    Een continue dreiging

    ‘Constant liet een pocketboek zien dat hij uit de boekenkast had gegrist. Om te bewijzen dat het van hem was liet hij de penomtrek van de penis zien, die hij in elk boek dat hij uitleende maakte.’ Wie het omslag van de verhalenbundel Echte slechte mensen ziet, weet waar het ontwerp (van Sander Plug) op gebaseerd is. Ik weet niet of het omslag mensen afschrikt of aanlokt, het lijkt in ieder geval een statement te zijn, evenals het roze papier waarop de bundel gedrukt is. Butt-roze, om precies te zijn, genoemd naar de kleur van het eigenzinnige gayblad.
    Met deze en andere grappen (zo heet de hoofdpersoon van het eerste verhaal naar de pornoster Ralph Woods) wordt het boek in de homoseksuele hoek gezet. Het zou jammer zijn als de bundel ook in die hoek zou blijven, want de acht verhalen verdienen een groot publiek.
    Engelberts, die vooral bekend is als regisseur en dichter, schetst totaal uiteenlopende levens in deze verhalen. Een jongen in Amerika, een jongeman in Londen, een jonge vrouw (die verliefd wordt op Michel Houellebecq) in Amsterdam; de personages lijken niet zoveel met elkaar te maken te hebben. Ook de verhalen verschillen van toon, van meer klassiek vertellend tot een uitgewerkt filmscript. Het verhaal ‘Samen doodgaan’ bestond eerst als scenario voor een korte tv-film (nog te zien op de site van de auteur). Een kwaadaardige recensent zou zeggen dat de verhalen bijeengeharkt zijn, maar ik vind ze door deze variëteit juist uitdagend voor de lezer. Deze auteur kan blijkbaar vele registers bespelen.
    Er hangt een continue dreiging in de verhalen op de loer. Er gaat iets mis, maar we weten nog niet wat. In het verhaal ‘De onschuldige’ wordt Mark valselijk beschuldigd van de moord op een oudere man die hem uit een kroeg heeft opgepikt. Abusievelijk, want de jongen wordt voor een hoer aangezien. Als hij doorheeft wat hem overkomt, laat hij de taxi stoppen en de man blijft alleen achter. Later die nacht wordt de man vermoord en de sporen leiden onherroepelijk naar Mark. Hij komt vrij dankzij een valse getuigenis van een buurvrouw die Mark een alibi verschaft. Dan krijgt het verhaal een wending. Een politieagent blijft met Mark naar dezelfde kroeg gaan om te kijken of ze de echte dader kunnen pakken. Je krijgt de neiging om de plot te verraden, omdat die er in wezen niets toe doet, maar er ontstaat een broeierige sfeer die extra spanning geeft aan het verhaal.
    Misschien is dat wel een van de constanten in de verhalen. Je blijft als lezer op je hoede omdat je niet weet welke kant het verhaal op gaat. Dat vindt deze lezer in ieder geval erg prettig. En het is ook wel eens prettig om lekker lopende dialogen te lezen, in plaats van die gewrocht literaire. Nu maar hopen dat de uitgever deze auteur achter de broek gaat zitten. Graag meer verhalen, graag een roman. In ieder geval meer.

    Coen Peppelenbos

    LERNERT ENGELBERTS: Echte slechte mensen. De Harmonie, Amsterdam, 244 blz. €15,-

  • Aleksandar Hemon – De dagen van Lazarus

    Op 2 maart 1908 meldt de negentienjarige Lazarus Averbuch ? een Russische jood die vanwege de pogroms zijn vaderland is ontvlucht ? zich bij het huis van George Shippy, hoofd van de politie in Chicago. Als Lazarus hem een brief overhandigt, wordt hij door Shippy zonder pardon doodgeschoten omdat hij een staatsgevaarlijke anarchist zou zijn. Het incident laat Lazarus’ zus Olga ontredderd achter in een stad die gebukt gaat onder etnische en politieke spanningen.

    Honderd jaar later raakt een Amerikaanse schrijver van Bosnische afkomst geobsedeerd door deze waargebeurde geschiedenis. Samen met zijn vriend Rora, een fotograaf uit Sarajevo, reist Brik in de voetsporen van Lazarus Averbuch naar Oost-Europa. En daar raken de verhalen van Lazarus en Olga, Brik en Rora onvermijdelijk met elkaar verweven.

    In De dagen van Lazarus smeedt Aleksandar Hemon het schijnbaar onbeduidende verhaal van een voetnoot in de geschiedenis en dat van een hedendaagse immigrant om tot een scherp portret van onze tijd en de wereld waarin we leven.

    Vertaald door Peter Abelsen

  • 'Welkom' nieuwe bundel Willem Jan Otten

    Poëzie vormt het grondakkoord van Ottens oeuvre. Dat zijn literair werk romans, toneelstukken, essays over uiteenlopende onderwerpen en opiniërende artikelen telt, laat het primaat van zijn poëzie onverlet. Welkom bevestigt dit opnieuw.

    Willem Jan Otten publiceerde onder meer de romans Een man van horen zeggen, De wijde blik, Ons mankeert niets en Specht en zoon (bekroond met de Librisprijs 2005). Voor zijn gehele oeuvre ontving hij in 2000 de Constantijn Huygensprijs.

    Mijn dag begon met trachten te vergeten
    wie ik toen ik droomde was: een molecuul
    geflipperd door het onherinnerde heelal.

    Willem Jan Otten
    Welkom ISBN: 978 90 282 40 988
    72 blz, €14, 90

  • Een huiveringwekkend beeld van het onderwijs

    De vaderfiguur in Knielen op een bed violen gaat in zijn jonge jaren het vak van kweker leren in Den Haag. Daar woont hij een tijd op kamers aan de Laan van Meerdevoort. Diezelfde Laan, volks en statig, vormt het decor voor de nieuwe roman van Jan Siebelink, Suezkade. Aan die kade woont de hoofdpersoon Marc Cordesius en op de lange Laan van Meerdervoort gaat hij werken als docent Frans aan het Descartes-gymnasium.

    Er zitten nogal wat verhaallijnen in deze roman. De moeder van de hoofdpersoon is op jonge leeftijd voor zijn ogen ontvoerd. Nooit heeft hij haar teruggezien. Zijn vader speelt geen rol in het boek, wel zijn oma, maar die is net overleden. Vandaar dat Marc het grote, lege huis aan de Suezkade ontvlucht om aan een school te gaan werken. Op die school is hij in het begin een graag geziene figuur vanwege zijn belezenheid. De rector stelt alles in het werk om met hem bevriend te raken, maar moet tot zijn spijt zien dat Marc direct vriendschappelijkere gevoelens heeft voor een nogal recalcitrante collega.

    Het lesgeven gaat Marc bijzonder gemakkelijk af. Hij verzwaart de stof en de leerlingen vinden dat juist erg leuk. Een bijzondere positie krijgt Najoua, een meisje met een allochtone achtergrond (met dat gegeven wordt verder niets gedaan) dat zich erg aanhankelijk gedraagt ten opzichte van Marc, alhoewel er van seks geen sprake is. Het meisje lijdt naarmate de jaren voorbijgaan in steeds ergere mate aan anorexia; zo erg zelfs dat zij opgenomen moet worden. De liefde van Marc voor haar blijft tot het einde en alle andere vrouwen die hij tegenkomt in het boek wijst hij af. Of de situaties die bijna tot seks leiden worden erg gênant. Het is niet moeilijk om verlatingsangst of bindingsangst als reden voor aan te voeren en die is direct te herleiden op zijn verdwenen moeder. Als op het eind Marc ‘Mamma-Najoua’ op het bord heeft geschreven dan is dat wel wat al te expliciet. We hadden al genoeg aanwijzingen in die richting, bijvoorbeeld een blind zwerfkatje dat aankomt lopen en die door Marc uitvoerig geknuffeld wordt; hoe duidelijk schrijf je een verwijzing naar Oedipus op?

    Interessanter en leuker om te lezen is het beeld dat Siebelink schetst van het huidige onderwijs. Het onderlinge machtsvertoon van docenten, de nietszeggende vergaderingen, de nietszeggende toespraken van de rector, de schrikbarende achteruitgang in leerstof, de hemeltergende mondelingen (‘Marc bekeek intussen de boekenlijst, die opende met L’avare van Molière, alleen het eerste bedrijf. Van de twintigste eeuw waren twee boeken gelezen: Le silence de la mer van Vercors en Le petit prince van Antoine de Saint-Exupéry. Dit was zes gymnasium.’), de akelige rapportenvergaderingen, de jaloezie en de haat. Marc zondert zich steeds meer af van de rest van het lerarenkorps en krijgt zelfs een noodgebouw tot zijn beschikking waar hij zijn eigen onderwijsparadijs kan bouwen. Eigen leerstof, boeken in het lokaal en tegen de officiële richtlijnen in behandelt hij zelfs de subjonctif. Het lijkt vermakelijk, het klinkt grotesk allemaal, maar Siebelink schetst een realistisch beeld van de teloorgang van het huidige onderwijs. Bijna alle scènes die op school spelen, herken ik, inclusief deze:
    ‘Waarom staan die dozen hier?’
    ‘Ze zijn afgeschreven door de bibliotheek. De dozen worden voor de collega’s in de hal neergezet. Wie er wat van zijn gading in vindt, mag dat meenemen. Wat overblijft komt in de oudpapiercontainer.’

    Misschien zitten er wat losse eindjes in dit verhaal en misschien zie je de noodlottige afloop van verre aankomen (een verhaal als dit kan moeilijk een gelukkig einde kennen) en misschien is Suezkade minder vanuit een innerlijke noodzaak geschreven dan Knielen op een bed violen, als men over tweehonderd jaar deze roman opduikelt onder het stof in een der laatste bibliotheken dan zal men een huiveringwekkend precies beeld krijgen van het onderwijs aan het begin van de eenentwintigste eeuw.

    Coen Peppelenbos

    Jan Siebelink: Suezkade. De Bezige Bij, Amsterdam, 382 blz. €19,90.

    Eerder verscheen op Literair Nederland deze recensie van Karel Wasch over hetzelfde boek.

  • Reynaert de Vos met illustraties door Mance Post

    De vos wordt voor het gerecht gedaagd; er zijn vele ernstige aanklachten. Eerst probeert hij zich te onttrekken, vrezend voor de doodstraf; als hij ten slotte toch verschijnt, weeft hij een web van listen waarin alle andere dieren verstrikt raken. Hij ontkomt. De levendige, kernachtige taal, de soepele, ongekunstelde versificatie, de soms grove, soms subtiele humor en de ongezouten kritiek op de mensenmaatschappij hebben de Reynaert gemaakt tot onze meest geliefde klassieker van voor Erasmus. Van Willem weten we alleen dat hij in de dertiende eeuw werkte, waarschijnlijk in Gent. Ard Posthuma heeft veel vertaald, proza en poëzie, vooral uit het Duits en het Oudfrans (Het lied van Roeland, De graal). Mance Post heeft een schitterende staat van dienst als illustratrice van kinderboeken. Haar werk is vaak bekroond, laatstelijk met de Max Velthuijs Prijs.

    isbn: 978 90 253 6391 8
    omvang: 200 bladzijden
    uitvoering: Paperback
    nur: nur 302
    prijs: € 22.95

  • Dichten in twee talen – Vierde Dag van de Friese Literatuur

    Op 15 november 2008 vindt in Amsterdam voor de vierde keer de ‘Dag van de Friese Literatuur’ plaats. Het feestelijke programma staat in het teken van tweetaligheid. De dichters en schrijvers Tsead Bruinja, Arjan Hut en Albertina Soepboer lezen voor uit zowel hun Friese als Nederlandstalige werk en praten over de voor- en nadelen van tweetaligheid. Verder is er een programma-onderdeel met werk van Tiny Mulder, de ‘éminence grise’ van de Friese dichters. Daarnaast wordt de nieuwe, uitgebreide editie van de Spiegel van de Friese poëzie gepresenteerd. Teake Oppewal, een van de samenstellers, zal het boek aanbieden aan Abram de Swaan, taalsocioloog en P.C. Hooftprijswinnaar.

    Net als de eerste uitgave bevat ook de tweede editie Nederlandse vertalingen van alle opgenomen gedichten. Het belang van tweetalige bundels als Spiegel van de Friese poëzie en de eerder dit jaar verschenen bundel Het goud op de weg (samensteller Abe de Vries) komt aan de orde in een discussie tussen de samenstellers van beide boeken. Hylke Tromp verzorgt een lichtvoetige bijdrage getiteld ‘Het Goud en de Spiegel’. De muziek is van de Friese band Souldada, en het programma wordt gepresenteerd door Karen Bies van Omrop Fryslân.

    Met o.a. Abram de Swaan, Albertina Soepboer, Tsead Bruinja, Arjan Hut, Tiny Mulder, Abe de Vries, Hylke Tromp, Teake Oppewal, Karen Bies, Bert Looper en Souldada

    Zat. 15 nov. Amsterdam

    Plaats: De Rode Hoed, Keizersgracht 102, Amsterdam, www.derodehoed.nl
    Datum: zaterdag 15 november 2008
    Tijd: 14.00 ? 17.30 uur
    Toegang: gratis

    Zie ook www.nlpvf.nl en www.tresoar.nl

    Organisatie: het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds in samenwerking met het Fonds voor de Letteren, Stichting Lezen, Tresoar, Provincie Fryslan en uitgeverij Meulenhoff.

    Spiegel van de Friese poëzie (Meulenhoff) – Samenstelling door Pier Boorsma, Teake Oppewal en Geertrui Visser

    Gebonden / 416 Pagina’s
    ISBN 9789029083577
    € 29,90
    In 1994 verscheen de Spiegel van de Friese poëzie, het eerste complete overzicht van de Friese poëzie van de zeventiende eeuw tot heden. Sindsdien heeft de Friese poëzie een stormachtige ontwikkeling doorgemaakt. Vele nieuwe talenten dienden zich aan, dichter-performer Tsjêbbe Hettinga maakte met zijn fenomenale poëzievoordracht indruk in binnen- en buitenland en de klassieke dichter Obe Postma vond ruime waardering in de rest van Nederland. Friese dichttalenten als Cornelis van der Wal, Anne Feddema, Albertina Soepboer, Tsead Bruinja en Elmar Kuiper gaven acte de présence op Poetry International in Rotterdam.

    Deze nieuwe editie bevat ruim 300 gedichten, zowel in het Fries als in het Nederlands. Sommige daarvan tonen duidelijk de verwevenheid met de Friese cultuur: Abe Lenstra, elfstedentocht, zeilen, kaatsen, het commitment met de Friese taal, het leven op het platteland en het Friese landschap ? het is allemaal in deze bloemlezing terug te vinden. Nieuw is ook dat nu de officiële tekst van het Friese volkslied uit 1874 is opgenomen, in een indrukwekkende vertaling van Harmen Wind.

  • Botho Strauss, Mikado

    Een man betaalt losgeld voor zijn ontvoerde echtgenote, maar de vrouw die bij hem terugkomt, kent hij niet. In een ander verhaal wordt een crime passionnel gepleegd – met een vertraging van twintig jaar. Of er is het verhaal van de machtsstrijd onder mannequins nadat een van hen een nieuwe manier van catwalk-lopen heeft bedacht.

    41 verhalen en verhaaltjes telt deze bundel, evenveel als de stokjes in het mikadospel. En net als bij mikado kun je het ene verhaal niet lezen zonder rekening te houden met alle andere. Het is adembenemend wat er in deze korte, soms heel korte verhalen allemaal gebeurt. Alleen een werkelijk groot schrijver met een enorme verbeeldingskracht als Botho Strauss kan zo spelen met taal en vorm. En al dat vertelplezier gebruikt Botho Strauss om te laten zien hoe wankel het menselijk bestaan is.

    Uit het Duits vertaald door: Nelleke van Maaren
    paperback
    13×21 cm.
    160 pagina’s
    ISBN 9789028422650

    prijs € 16,50

  • Nieuwe Tirade

    De redactie van Tirade kocht op een veiling 13 koffers, die hun werkzaam leven beëindigden, eenzaam en verlaten ronddraaiend op de bagageband op Schiphol. Van wie waren deze koffers en waarom bleven ze staan en werden ze nooit opgehaald? 13 schrijvers kregen een koffer van een onbekende thuis. Het leidde tot poëzie, korte verhalen, essays, beschouwingen en een prozagedicht.

    ‘Hoe kwam een Paraguyaans meisje, op vakantie in Ierland aan een Russische Maxime? En waarom waren sommige kledingstukken verpakt in doorzichtige plastic zakjes?’ vraagt Hans den Hartog Jager zich af. Maarten Asscher: ‘Na enig determineren, oog in oog met het breed lachende, deels met ritselende korreltjes gevulde schepsel, kom ik tot de conclusie dat het ondanks zijn vaalgroene kleur om een nijlpaard gaat.’ Ester Naomi Perquin wordt zeer persoonlijk met de eigenaresse van haar koffer. ‘In een hoek van de kamer stond haar rugzak. “Als je nu niet weggaat mis je de trein,” zei ik. Ze haalde haar schouders op. Er was iets in haar blik dat me ongemakkelijk maakte.’ Menno Wigman ontkomt niet aan de douane:‘“Und was machen Sie sonst noch?” Vernedering op vernedering. Hij sloot mijn koffer en vroeg of ik mijn armen in de lucht wilde steken’. ‘Jakie werd geboren op Super Tuesday,’ schrijft Sanneke van Hassel. Verder met Miek Zwamborn, Ton Rozeman, Edwin Fagel, Roos Ouwehand, Martin Vesseur, Erik Menkveld, Vonne van der Meer en Martijn Meijer: ‘Wat zeggen je boeken over wie je bent? Heb je geen eigen smaak als je een kast vol bestsellers hebt? Welke boeken iemand leest, zegt weinig over wie hij is.’

    Meer op www.tirade.nu

  • Arthur Japin – Zoals dat gaat met wonderen

    Toespraak gehouden bij de presentatie van het Privé-Domein-deel Zoals dat gaat met wonderen van Arthur Japin, als hij me gevraagd had een toespraak te houden en als er een presentatie was geweest

    Geachte aanwezigen,
    Arthur Japin heb ik voor het eerst ontmoet in 1998 of 1999. De precieze dag weet ik niet meer, want ik houd geen dagboek bij. De zwarte met het witte hart was net uit en net begonnen aan de triomftocht die Arthur over de hele wereld zou voeren. Het interview vond plaats in Westerbork. In de zaal zaten meer dan honderd vrouwen. Toen al. Het gesprek ging gemakkelijk. Er was, denk ik, echt contact. Na afloop wilde ik de schrijver ten afscheid zoenen, maar ik zag er maar vanaf. In plaats daarvan gaf ik hem een Tzum, met de vraag of hij een keer de rubriek ‘Het Schetsboek’ wilde vullen. In vliegende haast vertrok hij naar de trein. Ik en de mensen van de organisatie om me heen wisten dat we een bijzondere avond hadden meegemaakt, maar we konden niet benoemen waar het aan lag.
    Op de lange terugweg naar Groningen deelde ik aan twee vriendinnen Drentse turfjes uit, truffelachtige chocolaatjes die ik van de organisatie had gekregen. Lekker en knapperig, maar mij net iets te wee.
    Twee dagen later kreeg ik een mailtje van Arthur. Of ik die turfjes al had gegeten. Hij was er een beetje misselijk van geworden en toen hij opnieuw in het zakje keek, begreep hij waarom: er kropen maden in rond.
    Bij ons was het zakje leeg gegeten tijdens de autorit.

    Zou zo’n anekdote nu ook opgeschreven kunnen zijn door Arthur Japin? Ik waag het te betwijfelen. Misschien heeft hij er wel melding van gemaakt in zijn dagboek, maar om dit nu te publiceren? Gelukkig voor Tzum bleef het niet bij die turfjes-mail. Arthur schreef een Schetsboek en vond het genre zo leuk dat hij vaste medewerker van ons kleine literaire blad werd met zijn eigen rubriek ‘Carte blanche’. Grote stukken die in Tzum stonden, zijn nu terug te vinden in dit boek. Ik ben een beetje jaloers op dat boek. Ik had het zelf wel willen uitgeven. Niet omdat Arthur Japin inmiddels een grote naam is geworden, wereldwijd, maar omdat ik deze dagboekfragmenten, samen met zijn verhalen, tot zijn beste werk vind horen.

    Ik vind literatuur het interessants op het moment dat het persoonlijke leven van de schrijver het fictieve product (boek, gedicht, film etc.) raakt. In mijn ‘poëtica’ is dat het schimmige argument van de authenticiteit of de echtheid achter het verhaal. Onmeetbaar en daarom redelijk onwetenschappelijk, maar bij mij vaak wel de belangrijkste reden om een boek te waarderen. Bij de schrijver Japin kom je dan volledig aan je trekken, want hij is Kwasi, hij is Lemmy, Lucia, Granny. Het dagboek geeft je inzicht in het wordingsproces van de romans. Uitspraken die Arthur doet over zijn persoonlijke leven zie je later, soms jaren later terugkeren in zijn romans. De tweede notitie in Zoals dat gaat met wonderen stamt uit januari 2000 en gaat over een mier.

    Een mier loopt over de tegels van een keuken. Hij rolt een broodkruimel voort. Een vrouw vult een emmer. Ze pakt een schrobber en giet het water uit over de vloer. De mier ziet de vloedgolf op zich af komen.
    Niets is erger dan iets anders.

    Zeven jaar later zien we die mier weer opduiken in de roman De overgave. Dan worstelt de mier in een plas bloed en Granny kan op dat moment alleen maar overleven door haar aandacht te houden bij dit hele kleine leven.

    Een andere reden om van de dagboeknotities van Arthur te houden is dat er zoveel in gebeurt. Ik heb veel dagboeken gelezen en heus ik houd ook van die dagboeken waarin de schrijver om twaalf uur ontwaakt, een beschrijving geeft van zijn ontbijt, de moeilijke stoelgang en de hoeveelheid sigaretten en drank die hij gedurende dag consumeert, maar nog liever heb ik dan Japin die in Afrika en Amerika en Indonesië en god weet waar rondreist, mensen ontmoet, terecht komt in de meest vreselijke omstandigheden: vliegtuigen die getroffen worden door de bliksem; in een auto rondrijdend in Texas waar zo’n noodweer heerst dat het tot rampgebied verklaard wordt; in de Oekraïne toevallig de vergeten moeder van Poetin ontmoeten etc. etc. etc. Je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt om boeken te schrijven. Voor mij hoeft hij dat ook niet meer te doen. Ga de rest van je leven rondreizen en beschrijf die reizen. Heerlijke lectuur.

    Arthur Japin is een moralist. Hij wil zijn publiek een les leren. En dat is dan ook nog vaak een positieve les. Dat is dubbel fout in de ogen van de moderne literatuurcriticus. De lezer moet zelf immers maar de lessen trekken en zelf een moreel standpunt innemen. In het begin stuurde ik wel af en toe een opmerking van die strekking naar Arthur. Of die zin en die zin niet geschrapt konden worden. Later ben ik ermee opgehouden. Arthur Japin had carte blanche, dan moet je hem dus niet iets gaan verbieden. Daarnaast begon ik me steeds meer af te vragen waarom ik ertegen was. Vooral, vermoed ik, omdat andere mensen ertegen waren. De schrijver heeft in onze samenleving al lang niet meer een positie waarin hij ‘wijze’ dingen mag en kan zeggen. Van dat podium is hij allang naar beneden getrokken. In die zin is Japin een ouderwetse schrijver gebleven. Hij heeft nog steeds maatschappelijke overtuigingen en politieke voorkeuren en hij deelt ze ook nog. Zo zie we zijn minachting voor het gedrag van oud-minister Herfskens die op bezoek is in Afrika en totaal geen belangstelling toont voor haar gastheren. Zo merken we dat Japin woedend wordt op al te gemakkelijke opinies na 9/11 en zelfs een regelrechte afkeer heeft van het ‘recht op kwetsen’ dat wordt opgeëist na de dood van Theo van Gogh. En in die minachting, woede en afkeer herken je vaak de motieven die (vaak) direct herleidbaar zijn uit zijn jeugd. Ik vind het wel prettig dat iemand tegengas geeft op het moment dat iedereen roept dat kwetsen mag. Moralistisch? Heel goed. Wel meer schrijvers zouden zich mogen uitspreken over politieke kwesties.

    Ben ik al over mijn tijd heen? Maar ik wil juist nog iets zeggen over de opbouw van het boek. Die vind ik ook uitgekiend. In interviews heeft Japin gezegd dat hij veel meer materiaal heeft dan hij nu publiceert. Ik weet dat een beetje vanaf de zijlijn. In sommige jaren zie ik ook wat hij weglaat. Hopelijk wordt ook dat nog eens gepubliceerd, want het dagboek zoals het er nu ligt, is me veel te dun, als ik nog wat kritiek mag spuien. Hans Warren had er wel vijf boeken uit gesleept en zo heel veel gebeurde er nu ook weer niet in diens leven.
    Wat ik knap vind aan het dagboek van Arthur is dat hij ernst en luim met elkaar in evenwicht brengt. Over die ernst is wel genoeg gezegd: die vind je in zijn stukken over zijn schrijverschap, de politiek en zijn jeugd. Onderbelicht zijn de komische kanten van het dagboek. Ik kan erg lachen om passages als deze:

    Zomaar een formule voor geluk.
    ‘Ik heb zo’n diep melancholiek zondagavondgevoel,’ verzucht ik.
    ‘Ik ook,’ beaamt Ben, ‘zo’n akelig zondagavondgevoel.’
    ‘Het is dinsdagmiddag,’ zegt Lex.

    Zoals dat gaat met wonderen staat vol met wonderen en passages vol zelfrelativering. Als hoofdredacteur en als gewone lezer beveel ik dit boek iedereen aan: het is prachtig, ontroerend en humoristisch. Arthur Japin is ook de enige schrijver die veel reacties oproept bij de lezers van het blad. Dat is vooral het geval op de momenten dat hij een aflevering overslaat. Dan krijgen we mailtjes dat ze Japin missen. Dat zegt genoeg, lijkt me.

    (Buiging / af)

  • Dandy?s, decadenten en fatale vrouwen

    Dandy’s en decadenten ? ze zijn zo Engels als fish and chips. Het begrip ‘decadentie’ voor een literaire stroming mag dan een Franse vondst zijn, toch keken Baudelaire en zijn navolgers naar de Britse eilanden voor hun bronnen. Zij verlustigden zich aan de Engelse dandy’s, de seksuele uitspattingen van Lord Byron en het rebelse atheïsme van Shelley.

    Dandy’s en decadenten van Martin Koomenonlangs verschenen bij uitgeverij Bas Lubberhuizen, is een uitvoerige studie en een naslagwerk over dandy’s, decadenten en fatale vrouwen, hun Engelse afkomst en de spanning tussen de stiff upperlip en de losbandige mores van de Britse dandy.

    Martin Koomen schreef naast thrillers en romans een tweetal veel geprezen gidsen, De literaten van de Linker Oever en Het literaire Dublin.