• Herman de Coninckprijs 2024 voor Robin Block

    Robin Block kreeg op 21 maart, Wereld Poëziedag, voor zijn vierde dichtbundel Handleiding voor Ontheemden de Herman De Coninckprijs 2024 toegekend. De jury sprak van een ‘magisch reisverslag’ en ‘avonturenroman’ in poëzie.

    En ook: ‘Waar in het eerste gedicht de stem van een voorvader door de keel van de dichter galmt, blijkt gaandeweg vooral die van de oermoeder belangrijk: een oermoeder die is weggekrast op foto’s, een leven leefde van verzwegen leed. Het moment dat de dichter haar naam vindt is een van de hoogtepunten van deze bundel’.

    Robin Block (1980) is een dichter, muzikant en performer, die zowel in Nederland als in Indonesië vele kunstwerken en voorstellingen op zijn naam heeft staan. Met zijn poëziefilm Manual for the Displaced won hij het Nederlands Poëziefilmfestival en diverse internationale prijzen. Van zijn hand verschenen de bundel Bestialen, het tweetalige In Between, Di Antara en Handleiding voor Ontheemden.

    Aan de prijs is een bedrag van € 7.500 verbonden.

     

    Lees hier de recensie van Handleiding voor ontheemden.

     

  • We leerden pas in 2022 echt naar Rusland kijken

    Tijdens de Russische oorlog in Oekraïne ‘kon je de Russen er zo tussenuit pikken’, schrijft Oksana Zaboezjko in haar essay Mijn langste boektournee. Ze geeft een voorbeeld: ‘In Charkiv verraadden ze zichzelf doordat ze in plaats van het stadhuis het stadtheater wilden bestormen, waarmee ze een fout van Praag 1968 herhaalden, toen Sovjettroepen vanuit dezelfde logica het Nationale Museum onder vuur namen: de macht zal zich vast in het mooiste gebouw ophouden’. Verderop vertelt ze nog hoe de Russen in 2022 haar land binnentrokken met landkaarten uit 1985 waarmee ze door bagger ploeterden in plaats van over nieuwe snelwegen. Bovendien hadden ze proviand bij zich die al zeven jaar over de houdbaarheidsdatum was.
    Deze voorbeelden zouden prima gepast hebben in Dit volk heeft zijn God op aarde, een bundel getuigenissen over Rusland, samengesteld door Hans Driessen, Michel Krielaars en Eva Peek.

    De inleiding van deze bundeling noemt de Russische inval van 24 februari 2022 niet voor niets al in de eerste regel en pikt daaruit op: de gruwelijke wreedheid van de Russen, ‘hun klungeligheid, hun slechte informatiepositie, de ondermijnende corruptie en de verwondering over de gelatenheid waarmee zoveel Russen gehoorzaamheid toonden aan hun leiders’. In de volgende alinea betogen de samenstellers dat we daar niet verbaasd over hoeven te zijn omdat die manifestaties al lang rode draden in de Russische geschiedenis zijn.

    Ooggetuigen

    Die stelling werken zij in de inleiding verder uit. De 152 getuigenissen (dagboeken, brieven, verslagen van verhoren enzovoort van Russen zelf en van diplomaten, schrijvers en journalisten van elders), die in het boek zijn opgenomen laten daar overvloedige bewijzen van zien. Toch is er iets opmerkelijks aan de introductie van dit boek. Ze laat namelijk vooral zien hoe we de geschiedenis beschrijven vanuit onze eigentijdse ogen. We kijken terug door de gekleurde bril van onze eigen herkenning.

    Dit volk heeft zijn God op aarde is grotendeels een herdruk van Ooggetuigen van de Russische geschiedenis uit 2007. Alle 126 stukken uit die uitgave staan – met af en toe wat redactionele wijzingen – ook in deze nieuwe verzameling. De 25 toegevoegde recentere stukken bestrijken de jaren 2008 (de Russische inval in Georgië) tot 2023 (het verhaal van een Oekraïense jongen die uit bezet gebied werd gedeporteerd). In de inleiding bij Ooggetuigen uit 2007 vallen echter niet de typeringen als klungeligheid, slechte communicatie of corruptie. Toen schreven de samenstellers (destijds zonder Eva Peek) nog: ‘Wil men met alle geweld een rode draad in de Russische geschiedenis zien, dan valt te denken aan de angst van de machthebbers voor hun onderdanen en aan de afschuwelijke gevolgen daarvan’.

    Galg

    Met deze signalering in verschillende kleuren in Ooggetuigen en Dit volk heeft zijn God op aarde zij niet gezegd dat de inleidingen elkaar tegenspreken. Ze laten echter wel zien hoe we onze schijnwerpers anders zijn gaan richten door het optreden van Rusland in Oekraïne. Je gaat de 126 stukken die in Ooggetuigen al stonden ineens anders lezen. Wat de klungeligheid betreft bijvoorbeeld kon je het verslag van de executie van veroordeelden van de Dekabristenopstand in 1826 bij lezing in 2007 nog afdoen als een kolderieke anekdote: de executie moest volgens de tsaar ’s morgens om vier uur plaats vinden, maar dat lukte niet omdat de koetsier met de galgpalen op weg naar de executieplaats vast was komen zitten; toen de galgen eenmaal in grote haast waren ingegraven bleken ze zo hoog dat de touwen met de strop te kort waren; toen dat werd opgelost door de veroordeelden op bankjes te laten staan bleken de touwen bij drie misdadigers te slap (ze braken) en op zoek naar vervangend touw bleek de winkel waar het gekocht moest worden nog gesloten te zijn.
    Nu we sinds de inval in Oekraïne meer voorbeelden van klungeligheid hebben krijgt dit incident ineens een bredere betekenis.

    Godheid

    Dat geldt voor veel stukken. Wat we nu via onze TV-schermen zien als gebrekkige communicatie in het Russische leger, slechte voorbereiding, onderschatting van de strijd, wreedheid zoals in Boetsja, enzovoort blijkt parallellen te hebben in de geschiedenis, die meer zijn dan incidenten. Er lijkt een aantal factoren beslissend als oorzaak daarvan.
    Ten eerste is dat de status van de leider die zich als een soort onfeilbare god presenteert, daarin gesterkt en gelegitimeerd door de innige band met de orthodoxe kerk (de titel Dit volk heeft zijn God op aarde – ontleend aan een reisverslag van de Franse markies de Custine uit 1839 – verwijst ernaar). De gevolgen zijn een volstrekte zelfoverschatting door de heerser (Catharina de Grote, de tsaren, Stalin, Poetin) en een slaafse volgzaamheid van intimi die uit angst voor hun eigen hachje geen kritiek durven te leveren.
    Een tweede reden is de aanhoudende desinformatie en propaganda onder het eigen volk. Daardoor kunnen veel Russen, die generaties lang niets anders hebben gehoord, de oprechte overtuiging hebben dat hun leider slechts hun land verdedigt tegen fascistische staten die uit zijn op vernietiging van Rusland.
    En een derde factor lijkt te zijn dat iedereen uiteindelijk alleen voor zichzelf zorgt, wat leidt tot corruptie, vriendjespolitiek, behagen van de leider en ontlopen van verantwoordelijkheid.
    Er rijst een beeld op van een bevolking (uitzonderingen daargelaten) die van zijn individualiteit is beroofd en dus van zijn vermogen verantwoordelijkheid te voelen of eigen initiatief te ontplooien. Het is de beste voedingsbodem voor een dictatuur.

    Traditie

    Poetin heeft, dat alles in aanmerking genomen, waarschijnlijk geen moment getwijfeld aan zijn idee dat de ‘speciale operatie’ in Oekraïne in een paar dagen gepiept zou zijn. Maar hij kwam een volk tegen dat, in de woorden van Olesya Khromeychuk in De dood van een soldaat verteld door zijn zus ‘geen traditie [heeft] van het vereren van zijn politieke leiders. In tegenstelling tot in Rusland verliezen de politici de steun van hun teleurgestelde electoraat zodra ze hun beloften niet nakomen’.
    Dat wij er nu pas aan toe zijn zo naar Rusland te kijken heeft er alles mee te maken dat de oorlog voor ons begon op 22 februari 2022. Maar voor Oekraïeners zelf was hun land al veel langer in oorlog met de imperialistische noorderbuur; al in 2017 toen Rusland de regio’s Donbas en Loegansk inpikte (de broer van Khromeychuk stierf in die gevechten); al in 2014 toen de Krim werd bezet; al eeuwen eerder zelfs.
    Zoals Oksana Zaboezjko in Mijn langste boektournee, en eerder al in haar bundel Zussen, op soms woedende toon duidelijk maakt: wij in het Westen keken heel lang naar Oekraïne door Russische ogen. Wij zijn volgens veel Oekraïense schrijvers in februari 2022 pas wakker geschud en durven nu pas het eigene van hun land en het ware gezicht van Rusland te zien.
    Wie de bundeling in 2007 las deed dat als een toeschouwer op afstand, een buitenstaander. Sinds de inval in Oekraïne is onze betrokkenheid veel en veel groter. Het is daarom terecht dat Dit volk heeft zijn God op aarde verschijnt. Niet alleen omdat er recentere stukken zijn toegevoegd, maar ook omdat het boek ons bewust maakt van de inwerking van onze eigen actualiteit en angsten op onze kijk naar het verleden.

     

  • Hanteerbare grote gevoelens

    Ester Naomi Perquin laat in deze vijfde bundel zien hoe sterk haar dichterschap zich heeft weten te handhaven sinds het verschijnen van haar debuutbundel in 2007. Want ook Ongevraagd advies is weer een ijzersterke verzameling van gedichten over de meest uiteenlopende onderwerpen, maar altijd vol verrassingen en originele beelden. Perquin schrijft over alledaagse dingen, maar bekijkt die net vanuit een ander oogpunt dan de meeste mensen doen.

    Verwondering ligt aan de basis van haar observaties, maar niet de verwondering over waar mensen toe in staat zijn, want dat wist ze allang. Dingen die ze geleerd heeft ‘in de loop van de jaren’ somt ze op in het allereerste gedicht, dat geen titel heeft meegekregen: ‘het verschil tussen verwond en verwonderd’ en het mooie ‘de kleefkracht van gedachten’, maar aan het eind van het gedicht blijkt er nog genoeg te vragen over. En aan het eind van je leven weet je nog niets, zekerheid bestaat niet. Er is alleen een ‘Zekerheid waarvan je levenslang onzeker bent.’
    Veel gedichten gaan over tegenstellingen, tussen arm en rijk bijvoorbeeld, maar ook tussen de manieren waarop mensen hun leven inrichten. Iedereen is anders, leeft anders en denkt dat zijn manier van leven de enige juiste is. In het gedicht ‘Hoogste tijd’ staat:

    Mensen die fout zitten, liever geen mening hebben,
    die twijfelen of absoluut gelijk gaan krijgen;
    laat ze allemaal, in hemelsnaam,
    lang en hoorbaar zwijgen.

    Eigen waarheid

    Daarom is de titel Ongevraagd advies zo mooi gekozen: iedereen die zijn eigen waarheid voor de werkelijkheid houdt, wil een ander daarvan overtuigen. Ook de dichter zelf bezondigt zich daaraan: Perquin was Dichter des Vaderlands van 2017 tot 2019 en veel van haar gedichten die ze in die functie geschreven heeft, bevatten een mening ten aanzien van een politiek gebeuren. Haar gedicht ‘Ongevraagd advies’ schreef ze in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart 2017 en het is ook in deze bundel opgenomen, met de bekende laatste strofe: ‘Maar geef één stem weg. Nooit de macht.’
    De grootste ongevraagde raadgever is echter de moeder:

    Zoals ze in je praat en dingen vindt,
    dwars door je eigen woorden klinkt, vaak ongevraagd,
    doe je haar nou wat opzij, je hebt toch ogen, waarom
    moet dat nou zo open, die mouwen staan
    je raar en doe een das om als het waait.

    Dit gedicht schreef Perquin voor de Boekenweek van 2019, die als thema ‘De moeder de vrouw’ had. Toch hoop je dat het gedicht ‘Gebed voor een arts’ ook over de moeder gaat: ‘Er zijn nog heel veel mensen over. De meeste hebben/ wij niet nodig. De meeste kunnen wij best missen,/ maar niet deze, dokter. Deze niet.’

    Geweld en barmhartigheid

    De dood komt regelmatig om de hoek kijken in de gedichten. Geweld is nooit ver weg, maar pas als het dichtbij komt, krijgt het een gezicht. Er wordt een beer doodgeschoten, de visboer ‘heft zijn mes’ in het schitterende gedicht ‘Ochtend’, er is een ontmoeting met de dood in de tram, waar hij zich verstopt heeft in alle passagiers en er is een moordenaar, die een petje met Mickey Mouse erop opraapt van de grond en goed zichtbaar over een hek hangt: ‘Dit is vindbaar, denkt hij. Dit is vindbaar./ Vandaag heb ik iets goed gedaan.’ En er is het gedicht ‘Verwijt’, waarvan de eerste strofe luidt:

    Dat je dood bent wil ik wel geloven, maar geen
    verjaardagskaart of telefoontje als ik ben verhuisd
    -geen poging tot contact- vind ik
    getuigen van slecht ouderschap.

    Perquin schrijft met mededogen en barmhartigheid over mensen die moeite hebben met het leven, de buitenbeentjes. Ze merkt een omslag in kleinigheden en alledaagsheden op die een ander misschien zouden ontgaan. De moordenaar was er al een voorbeeld van, maar ze beschrijft ook een vrouw die een bord voor haar raam zet met de namen van mensen die ze dood wil maken. In een prachtig gedicht, ‘Gebed voor een engerd’, vertelt ze over een bejaarde potloodventer, die geen vrouw meer angst kan aanjagen nu hij oud en vervallen is, maar die nog steeds ‘De hunkering naar korte rokken, blote schouders, zomerbries’ kent: ‘[…] Ach God,/ als dit uw schepping is; bescherm zijn broze ziel.’ Perquin kijkt naar de ons omringende wereld, verwondert zich, maar velt geen oordeel over wat afwijkt. 

    De vier afdelingen van de bundel dragen titels die uit de gedichten geciteerd zijn: Zet geen misdrijf voor je raam, Praat niet als het om vertragen gaat, Geloof alleen nog woorden, Loop in de schemering naar huis. In de derde afdeling gaat het naar verwachting over woorden, taal en dichterschap. In het gedicht ‘Verzamelde definities van poëzie’ komt ze tot de conclusie dat poëzie uiteindelijk niet in een definitie te vatten is. Slechts een gedeelte van wat poëzie is, is zichtbaar, maar de rest moeten we zelf invullen. Perquin vergelijkt het heel mooi met een kat:

    Dat het een kat is, moeiteloos bewegend door een stad
    waar niemand woont, door wijdvertakte, leeggelopen
    straten en dan zijn kop niet eens maar vaak zijn staart,
    waar je nog een punt van ziet vlak
    voor hij de hoek om slaat.

    Humor

    Over haar eigen dichterschap vertelt ze in het gedicht ‘Een kamer’, waarin de werkelijkheid botst op de poëzie en het dagelijkse leven haar vaak verhindert om daadwerkelijk haar dichter-zijn te ontplooien. Humor en wanhoop komen samen als ‘de vuile was op metaforen’ ligt en ‘nu ik lego zoek en veters strik’ ‘het belang van één gevonden woord volstrekt lachwekkend is’. Ze besluit het gedicht met de veelzeggende versregel ‘[…] raap je sokken van mijn ziel.’ De humor valt ook af te lezen aan het gedicht ‘Tellen’:

    D. kijkt graag vogels, ik mag mee. Kijk, zeg ik,
    een bonte ekster. Nou, zegt D.,
    dat is een Vlaamse gaai.

    En daar, bij de waterkant, zit een jonge
    wintertaling. Nou nee, zegt D.
    Dat is een smient.

    Verrijkend is het, vogelkijken. We zijn pas
    net begonnen en we hebben er
    al vier gezien. 

    Perquin is niet alleen goed in haar beeldspraak, ze weet ook haar enjambementen treffend aan te brengen, zodat ze een dubbele betekenis geven aan de afgebroken versregels. Haar taal is ritmisch, soepel en toegankelijk. Geen grote woorden, wel grote gevoelens, maar die worden zodanig verpakt dat ze hanteerbaar zijn en voor iedereen herkenbaar. De vele lagen en de dubbele bodems die ze in haar gedichten aanbrengt maken haar poëzie tot een genot om te lezen en te herlezen voor zowel beginnende poëzieliefhebbers als voor degenen die hoge eisen stellen aan poëzie. Ongevraagd advies, als het van Ester Naomi Perquin komt kun je het onmogelijk naast je neerleggen.

     

  • Alleen beschuitjes op het geborduurde kleedje

    Op 16 december 1920 schrijft Rilke aan zijn geliefde ‘Merline’ dat hij flink bezig is geweest om zijn correspondentieachterstand weg te werken: ‘Denk je eens in (ik heb ze vanochtend geteld) ik heb 115 brieven geschreven (…) geen enkele van minder dan vier bladzijden, en veel van acht of zelfs twaalf kantjes, vrij klein geschreven. (Natuurlijk reken ik daarbij niet al wat naar jou is gestuurd, dat is geen schrijven, dat is ademen door middel van de pen)’.
    Hoewel Rilke geen tijdsbestek noemt waarbinnen die epistolaire activiteit zich afspeelde, is wel duidelijk dat hij vaak in de pen klom om relaties en vrienden brieven te sturen. Daar zijn er erg veel van bewaard gebleven. In 1939 was voor de (toen bekende) totale collectie al een Duitse uitgave in zeven delen nodig. De titel Verzamelde brieven van Rainer Maria Rilke die dit jaar in Nederlandse vertaling (369 pagina’s) uitkwam is dus op zijn zachts gezegd nogal pretentieus.

    Deze Verzamelde brieven zijn een bundeling van vijf eerder tussen 1929 en 1993 in Nederlandse vertaling verschenen edities van brieven aan steeds één geadresseerde. Maar Rilke schreef er veel meer. Bovendien bevat het hoofdstuk met brieven aan ‘Merline’, maar een selectie van wat hij haar stuurde.

    Kappus

    De vijf brievencollecties staan in chronologische volgorde in vijf hoofdstukken. Of die chronologie iets duidelijk maakt over de ontwikkeling van Rilke’s correspondentiestijl in de loop der tijd is moeilijk te zeggen. Het valt op dat in het eerste hoofdstuk de teksten van de brieven aan een jonge dichter (uit 1903 en 1904) afstandelijker zijn dan die aan ‘Merline’ (van 1919 tot 1922), maar dat zal waarschijnlijk ook te maken hebben met de geadresseerde. De jonge dichter uit het eerste hoofdstuk bijvoorbeeld is Franz Kappus, een nu totaal vergeten man, die een bewonderaar van Rilke was en zijn eigen kansen op eeuwige roem wilde vergroten door steeds nieuwe verzen aan zijn grote voorbeeld ter beoordeling voor te leggen. Rilke had er geen hoge dunk van, maar draait er in zijn brieven aan Kappus eigenlijk steeds omheen. Hij wilde hem niet kwetsen en Kappus had goed tussen de regels door moeten lezen om door te krijgen dat Rilke geen dichterscarrière voor hem zag zitten. Dat besef lijkt bij de jonge dichter niet te zijn doorgedrongen.

    ‘Mijn tedere’

    Heel anders zijn de brieven in het laatste hoofdstuk aan ‘Merline’. Zo noemde Rilke zijn toenmalige liefde, de Duitse kunstschilder Baladine Klossowska; haar troetelnaam was de vrouwelijke vorm van de tovenaar Merlijn uit de Arthursagen. Die teksten zijn, hoewel soms wat gedragen, af en toe zelfs speels en laten meer van de persoon van Rilke en zijn dagelijkse leven zien. Begint hij zijn brieven aan haar in augustus 1919 nog met ‘Lieve Mevrouw’ en ‘Lieve Mevrouw en vriendin’, een jaar later is dat ‘Lieve, o lieve’ en nog later ‘Mijn lieve, mijn tedere’. Tussen troostende woorden aan haar als ze in slechte doen is, beschouwingen over het wonder van de natuur en filosofieën over het menselijke gedrag, staan de bijna puberaal-sentimentele teksten als (Rilke is dan al dik 40): ‘Ik heb steeds het zakdoekje dat doorweekt was van je tranen bij me; ik draag het mee als symbool dat je tranen altijd op mijn hart zullen opdrogen’ of de mededeling dat hij op het kleedje dat ze voor hem heeft geborduurd alleen beschuitjes legt; ‘brood zou te zwaar zijn voor je geborduurde blaadjes en je met bloemetjes versierde naam’.
    Zo kneuterig is natuurlijk niet alles wat hij ‘Merline’ schrijft. Intrigerender is dat het lijkt dat hij zijn Baladine het liefst maar de hele dag bij zich heeft, terwijl hij haar in werkelijkheid op afstand houdt, of zoals Jean Pierre Rawie in zijn Woord vooraf schrijft: ‘Het is dat je een groot dichter veel vergeeft, maar anders zou je toch oordelen dat hij haar aan het lijntje heeft gehouden’.

    Slap aftreksel

    In deze Verzamelde brieven staan meer ontboezemingen aan een vriendin. Het tweede hoofdstuk bestaat uit de brieven aan ‘Benvenuta’ – zoiets als de vrouwelijke vorm van het Italiaanse ‘Welkom’ – waarmee hij de concertpianiste Magda von Hattingberg aansprak. Omdat in dit hoofdstuk ook brieven van Magda zelf zijn opgenomen valt des te meer op dat Rilke het liever over zichzelf heeft dan echt op haar in te gaan.  ‘Opmerkelijk is hoe de twee langs elkaar heen praten’, stelt Rawie vast. De brieven die Rilke schrijft zijn nogal theatraal en pathetisch en in literair-historisch opzicht niet bijzonder interessant. Zo noemt hij Proust een ‘zonderlinge Franse schrijver’, maar licht hij die opvatting niet toe.

    Het meest interessant is de in het derde hoofdstuk opgenomen brief van een jonge arbeider aan een zekere V. Waarschijnlijk is het een gefingeerde brief (uit 1915) waarvan de schrijver en de geadresseerde dezelfde persoon zijn, namelijk Rilke zelf. In de brief rekent Rilke af met de manier waarop de kerk God en Christus heeft misbruikt: ‘Wat een waanzin toch om onze gedachten op een hiernamaals te richten terwijl de aarde toch boordevol  is met taken, verwachtingen en dingen die op ons op toekomen. Wat een bedrog om ons het zicht op de aardse verrukkingen te benemen, en ze dan achter onze rug aan de hemel te verkopen’. Rilke heeft het helemaal gehad met het ‘steeds slappere aftreksel van de kruidendrank die – naar men zegt – uit de eerste tere blaadjes van dat christendom bereid is’.

    Noten

    Rilke is hier duidelijk en stellig, veel meer dan in de andere brieven in deze verzameling. In dit stuk sleept hij de lezer mee terwijl die bij andere teksten nog wel eens verdwaald wil raken door Rilkes omzichtigheid en zelfs gedraai. Af en toe komt hetgeen hij schrijft nogal cryptisch en ongrijpbaar over: ‘Ik verbaas me slechts zo bot over de maan en verdenk hem van wanordelijkheid bij zijn hemels gedrag, – zo is een ieder van ons de wereld ongelijk ver toegenegen. Ik zou het niet door list en spionage aan de weet willen komen, nee, – alleen zo voortdurend uit aanschouwing en vreugde overal de wet binnengaan, want daar heeft men een lichte tred en bestaat geen vermoeienis’.

    Een punt van kritiek op Verzamelde brieven mag zijn dat de bundel enigszins gemakzuchtig is samengesteld. De bezorger/uitgever heeft volstaan met de letterlijke overheveling van de eerdere afzonderlijke uitgaven naar deze editie zonder daar eerst nog een kritisch oog overheen te laten gaan. Daardoor is een kans gemist om de hier en daar stroperige vertaling op te poetsen en iets te doen aan het notenapparaat. Die noten zijn er alleen bij de Brieven aan Benvenuta, maar omdat ze letterlijk zijn overgenomen uit de uitgave van 1993 zijn daarin verwijzingen naar de oorspronkelijke paginanummers en naar foto’s blijven staan die in deze bundeling niet zijn opgenomen. Daarentegen passeren in de Brieven aan ‘Merline’ namen en gebeurtenissen waar de lezer misschien ook wat annotaties van dienst hadden kunnen zijn, maar die ontbreken hier nu juist.

     

     

  • Waar mooie initiatieven en poëzie elkaar ontmoeten – deel 2

    Vorige week twitterde Dichter des Vaderlands Lieke Marsman het volgende: ‘Lieve mensen, ik vraag dit niet lichtzinnig: HELP MIJ hier een succes van te maken. Vanaf vandaag zamel ik geld in voor @AYAzorgnetwerk en @MBuuf. AYA biedt jonge mensen met kanker (zoals ik) brede en leeftijdsspecifieke zorg.’

    ‘Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu’
    Lieke Marsman

    Marsman wilde dus geld ophalen voor AYA, een zorgnetwerk dat speciaal is opgericht voor jongvolwassenen met kanker. Dat vervolgens binnen vierentwintig uur het streefbedrag gedoneerd zou worden en al snel meer dan tienduizend euro opgehaald werd, overtrof ieders verwachtingen. Marsman is ontzettend dankbaar en geroerd door alle gulle giften. Maar omdat het nut zo groot is en hulp noodzakelijk hoopt de dichter dat een nieuw streefbedrag, € 15.000 euro, ook gehaald kan worden.

    Het enorme spandoek dat ter ere van Marsmans inauguratie als Dichter des Vaderlands werd onthuld met daarop bovenstaande dichtregel wordt hergebruikt door een Haags atelier, Mijn Buuf, dat er mooie tassen, etuis en sleutelhangers van maakt. Afhankelijk van de hoogte van uw gift, krijgt u als dank een van deze producten cadeau.
    Mijn Buuf is een atelier dat een werkplek biedt aan vrouwen met een migratieachtergrond.

    Voor meer informatie en uw donatie: ga naar Voordekunst.nl

     

  • Write Now! winnaar Rotterdam bekend, nog zeven voorronden te gaan

    Write Now! is een belangrijke literaire schrijfwedstrijd voor jongeren in Nederland en Vlaanderen, de lat ligt hoog. Ruim achthonderd jongeren deden dit jaar mee. In tien regio’s vinden voorronden plaats waaruit een winnaar naar voren komt die doorgaat naar de finale. De regionale winnaars moeten in drie weken tijd een nieuwe tekst schrijven waarmee ze dan de finale ingaan. En dan komt het erop aan of de schrijver in dop zich kenbaar maakt.

    Op 2 mei vond de voorronde in Rotterdam plaats. Uit 120 inzendingen kwam Laurens M. Besselsen (23 jaar) met de gedichtenreeks  Ooit gaan mijn uitgezwete poriën met pensioen als beste uit de bus. Hierbij een klein fragment uit de reeks.

    ‘dokter, nu mijn moeder dood is
    weet ik niet meer tegen wie te liegen
    dat ik veilig thuis ben aangekomen’

    De jury was onder de indruk van de ‘spannende en originele beelden, (…) de geheel eigen toon en zienswijze die in [de] poëzie doorklonk en (…) de manier waarop de gedichten (…) via slimme verwijzingen met elkaar verbonden werden.’ De jury in Rotterdam bestond uit: Lotte Lentes (auteur, juryvoorzitter Nederland), Anne-Fleur van der Heiden (schrijver) en Maaike Pleging (redacteur bij Lebowski Publishers).


    Laurens (l. op de foto) won in deze voorronde 250 euro aan boekenbonnen en op 30 juni staat hij met veertien andere schrijvers in spe in de finale.

    Nog zeven voorronden te gaan:

    7 mei Leuven (B) en Eindhoven
    8 mei Gent (B)
    9 mei Utrecht
    13 mei Venlo
    14 mei Antwerpen (B)
    15 mei Nijmegen

    De hoofdprijs van Write Now! 2019 bestaat uit een MacBook, een schrijfopleiding bij de Schrijversacademie of bij Creatief Schrijven, optredens bij Geen Daden Maar Woorden Festival en Tilt Festival en een publicatie.

    Vorige winnaars van Write Now!waren onder meer Lize Spit, Niña Weijers, Maartje Wortel en Marijn Sikken.

     

  • Op de dijk


    Wat doet een mens als hij mijmerend op de dijk zit. Hij telt de schepen, zoekt in de verte naar de plek waar het land ophoudt en het water begint. En of dat eiland een eiland is of een landtong. Of de schepen, zo ver weg zijn ze, naar het noorden of het zuiden varen, naar je toe of van je af. Of dat ze stil voor anker liggen. Het anker, ‘een eerlijk ruw stuk ijzer dat meer onderdelen telt dan het menselijk lichaam ledematen heeft,’ schreef Joseph Conrad.

    Je kijkt even weg van zee of sluit je ogen als spelletje met jezelf. Een minuut doe je dat, beslist niet langer. Je kijkt opnieuw naar de horizon en zoekt naar veranderingen in het beeld dat je je van zonet herinnert. Het schip met de twee zeilen is nu dichterbij. “‘Schip’ is vrouwelijk, een kapitein kan er smoorverliefd op zijn,’ zegt Conrad, ‘en het schip herkent de zwakte van haar man.’”

    En ineens hoor ik, ver weg in mijn gedachten: ‘Scheveningen drieënzestig, Scheveningen drieënzestig. Hoort u mij? Over.’ Het is midden in de nacht, ik ben een jaar of twaalf en heb die avond mijn eerste transistorradio afgebouwd. ‘Scheveningen drieënzestig, drieënzestig! We hebben niets van u vernomen. Over.’ Een echo uit een andere tijd. Er werden mij, op mijn kamertje vlakbij zee, geheimen van vermissing meegedeeld.

    Ik loop naar beneden waar mijn camper staat, op deze prachtige plek achter de dijk bij Upleward. Er wordt gewerkt. Vrachtwagens van de firma Berg rijden af en aan met zand. ‘Kann Berge versetzen’ staat erop de zijkant.

     

    Een groot gedeelte van mijn leven (ik heb bijna altijd op loopafstand van het strand gewoond) heb ik een dijk ervaren als een noodzakelijk kwaad dat mijn uitzicht in de weg stond. Nu besef ik, onverwacht, dat de dijk niet alleen een hindernis maar ook een symbool van verwachting is.

    Die avond zit ik er weer. Het silhouet van een wadloper steekt af tegen de spiegelende vlakte van het net niet droge wad. Een echtpaar komt naast mij zitten, zij maakt een selfie met achter haar de ondergaande zon, kijkt op haar telefoon, scrolt en swipet. Ze wijst naar mijn notitieboekje.

    ‘Mag ik u wat vragen?’ zegt ze. ‘Wat schrijft u op? Er gebeurt hier toch niks?’

     


    Hans Muiderman reist graag langs de Wadden. Hij bezoekt niet alleen de eilanden maar ook de kustgebieden tot waar de zeeklei ophoudt en het hogere land begint. Zijn reizen gaan van de Kop van Noord-Holland tot het midden van Jutland in Denemarken. Hij reist niet in die volgorde maar ‘springt heen en weer’.

     

     

     

    foto: Anneke van Kroonenburg

     

  • Anarchie

    Ik had er een mailtje over ontvangen. Dat het dinsdag met de post bezorgd zou worden. Ik had me er maanden geleden – online – op geabonneerd zonder te weten wat het zou worden. Dat kwam door de namen die er aan verbonden waren en die andere tijden deden herleven. Maar vooral wakkerde het de weemoed aan, naar toen verschillende bladen nog een eigen stem hadden. Naar boekenbijlagen waar je het hele weekend mee deed. Toen het weekend nog zin had. Je las je het weekend in, beginnend op vrijdagavond, met de opinies en de boeken. Nu hap snap ik van alles wat mee via – het platgeslagen – socialmedia. Ik mis de boekbesprekingen zoals ze die in de London Review of Books nog kennen. Besprekingen waarin je verdwaalt, meegaat, verder graaft dan je zelf zou komen en daar dan een weekend of een week op teren kon. Waarin de kritieken je konden doen huiveren omdat je aspiraties had. Nu huivert niemand meer, is hooguit verongelijkt.

    voorpagina_nummer1Dinsdag viel het – met een lichte plof – op de mat, dubbelgevouwen, in cellofaan verpakt en veelbelovend. Het bracht een gevoel van sensatie teweeg. Alsof ik iets ongekends in handen had. En dat was ook zo want niet eerder werd in Nederland een krantje uitgeven door oud journalisten die een tegengeluid wilden laten horen. Die geen honorarium voor hun stukken ontvangen en schrijven over dingen waar ze plezier in hebben. Willekeur lijkt  een voorwaarde, anarchie het gevolg. Mijn grootvader was anarchist. Geen makkelijk man. Met bulderende stem schoof hij elke vorm van gezag opzij. In de oorlog kwam dat van pas. En ik stelde me opeens voor dat het zo gevoeld moest hebben als je in tijden van oorlog een verzetskrantje kreeg toegespeeld. Iets in handen te hebben dat tegen de keer in ging.

    Deze nieuwe krant ‘Dwars met een glimlach’ zal het helemaal hebben. Oh oh, die verwachtingen Een toon van bevrijding en woorden waardoor de moed voor even weer wordt opgevijzeld. Ik lees me van, woord van de redactie – over het hoe en waarom van deze krant – tot de achterpagina via het essay De comeback van het nepnieuws. Een stuk over peilingen en Petra van Alten interviewt Lucas Waagmeester – correspondent van de NOS en opvolger van Bram Vermeulen- in Turkije. Door de rubriek Achterwaarts heen naar Boeken. Korte stukken, ach, wat een korte stukken over boeken! Een stukje A.L. Snijders, een column van Dresselhuys met veel verongelijktheid. Ik lees, proef en keur en ben er nog niet over uit wat Argus – die alles ziet – me te bieden heeft. Als die boekenrubriek nu maar wat meer om het lijf had! Dan zou het in tegenwicht met de andere bijdragen, wel wat zijn. Vooreerst kom ik de week wel door op de bijdrage van Ingrid Hoogervorst – over de roman van Christophe Boltanski, interview van Van Alten, Snijders altijd en de rubriek Makkelijk praten.

     

     

     

     

  • Een blik in de spiegel

    Voelt u ook zo’n weerzin tegen Trump? Dat kapsel, die tronie, dat gebullebak? Zijn rijkdom, zijn wansmaak? Hoe is het toch mogelijk dat zo’n barbaar, enz. En Clinton had nog wel meer stemmen, enz. Nooit eerder zijn weldenkende mensen het zó met elkaar eens geweest. Op 20 januari is zijn inauguratie en dan wordt het menens.
    Lees eens het volgende citaat van George Orwell. Let op het jaar van publicatie. Hij heeft het over ‘nationalisme’ en daar bedoelt hij een heleboel dingen mee die wij ‘populisme’ noemen: blinde groepstrouw, blinde groepshaat, afkeer van feiten en afkeer van het vreemde. Trump. De onderbuik.

    ‘Wat betreft de nationalistische voorkeur en afkeer waar ik het over heb gehad, die behoren tot de aard van de meesten van ons, of we het leuk vinden of niet. Of het mogelijk is er vanaf te komen, weet ik niet, maar ik geloof dat het in ons vermogen ligt ze te bestrijden en dat dat in wezen een morele inspanning is.

    Het komt er om te beginnen op aan te ontdekken wie je werkelijk bent, wat je eigen gevoelens werkelijk zijn en vervolgens om rekening te houden met je onvermijdelijke bevooroordeeldheid. Als je Rusland haat en vreest, als je jaloers bent op de rijkdom en macht van Amerika, als je Joden veracht, als je een gevoel van  minderwaardigheid hebt jegens de Britse heersende klasse – je komt niet van die gevoelens af door er alleen maar over na te denken. Maar je kunt ten minste onder ogen zien dat je met die gevoelens behept bent en voorkomen dat ze je denken (‘mental processes’) besmetten.

    De gevoelsmatige impulsen waar je niet aan kunt ontsnappen, en die misschien zelfs noodzakelijk zijn om tot politiek handelen te komen, moeten toch kunnen bestaan naast een aanvaarding van de werkelijkheid. Maar dit vraagt, ik zeg het opnieuw, een morele inspanning (…)’

    Uit: Notes on Nationalism (1945)

    Zo’n morele inspanning leveren, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Steeds maar je onderbuik inhouden! De last van zelfcorrectie en weldenkendheid. Orwell zelf wist er alles van, overtuigd socialist als hij was, met de inborst van een Tory.
    Laten we daarom van 20 januari een bijzondere dag maken. Zodra we zijn opgestaan, posteren we ons voor de spiegel en kijken we onszelf langdurig en indringend aan. Liefst in ons eentje, dat verhoogt de intensiteit van de ervaring. En dan –  u moet wel even uw best doen – zult u geleidelijk aan, misschien vaag, misschien verblindend scherp, de gestalte van Trump ontwaren. Shit! Ben ik dat?

    Jawel. En pas als wij de primitieveling in onszelf durven zien en aanvaarden, zie Orwell, zijn we in staat te begrijpen dat politieke opponenten, hoe onbehouwen ook, geen aardedonkere vertegenwoordigers van het kwaad zijn waartegen wij, als zelfverklaarde hoeders van de Rechten van de Mens en van Artikel 1 van onze Grondwet, met zuiver blazoen ten strijde moeten trekken. Orwells ‘gevoelsmatige impulsen’ zijn menselijk, al te menselijk.
    Noem dat ‘het menselijk tekort’ of, als u dat sjieker vindt, ‘la condition humaine’. De kerken spraken vroeger van ‘erfzonde’, een geloofsartikel waar moderne christenen niet veel van moeten hebben. Het besef van onze onvolkomenheid (‘De mens is geneigd tot alle kwaad’) brengt ons echter tot grotere zelfkennis en vergroot onze realiteitszin en maakt ons juist daardoor minder Trumperig. Want laten we eerlijk zijn: voor we het weten lijken we in onze aversie jegens Trump, Le Pen, Wilders, enz. verdacht veel op de tegenstanders. Of bent ú daar niet bang voor?

    De Poolse filosoof Leszek Kolakowski, overleden in 2006, schreef eens naar aanleiding van het begrip ‘erfzonde’: ‘Voor ons verstand is twijfel het bewijs van onze onvolmaaktheid, niet de aanleiding ervan; tegelijkertijd verhindert hij dat het kwaad dat in ons is, zijn hele arsenaal aan mogelijkheden ontwikkelt. Datgene dat maakt dat wij ons pijnlijk bewust zijn van onze onvolmaaktheid, helpt ons minder onvolmaakt te zijn dan we anders geweest zouden zijn (…)’

    Verder merkte hij op: ‘Onnodig toe te voegen dat de duivel ook weet hoe hij de twijfel voor zijn karretje moet spannen, hoe er een excuus voor inactiviteit en inertie van te maken juist dan, wanneer standvastigheid en bereidheid tot het aangaan van een onzekere strijd nodig is.’
    Uit: Kan de duivel verlost worden? (1972, vertaling J. Minkiewicz)

    Die ‘onzekere strijd’ waar Kolakowski het over heeft, is er een die zowel innerlijk moet worden gevoerd als tegen externe tegenstanders, en heeft alleen kans van slagen als we Orwells ‘morele inspanning’ weten op te brengen en onder ogen zien dat we uit hetzelfde hout zijn gesneden als Trump. Laat u zich inspireren door de volgende regels van Leonard Cohen, afkomstig van zijn allerlaatste cd:

    say your Mea Culpa, which you gradually forgot
    year by year, month by month, day by day,
    thought by thought.

    Uit: Steer Your Way (2016, van de CD ‘You Want It Darker’)

    En dan ten strijde, want alleen met dromen en tranen à la Jan Terlouw komen we er niet. Overigens, wat denkt u dat Trump zélf in de spiegel ziet?

     

     

  • Beloften

    De dood en verkeerde keuzes zijn de definitieve punt achter alles wat nog enigszins een belofte inhield. Ik lette even niet op, ik was er niet. Had mijn spullen gepakt en vertoefde ergens anders. En alsof ik gestraft werd voor mijn afwezigheid stierf er een schrijfster waarvan ik nog een boek verwachtte, overleed de zanger die mijn eerst verliefdheid belichaamde en is de democratie in Amerika in een terminaal stadium geraakt. Leonard Cohen overleed nadat hij een nieuwe plaat had uitgebracht en  geopperd had toch wel 120 te willen worden. Helga Ruebsamen had nog een vervolg op haar roman Het lied en de waarheid willen schrijven. Het had er nog van kunnen komen, maar de dood haalde alles onderuit.

    In de jaren zeventig leerde ik een jongen kennen die enkel wilde samenwonen met een zwart geklede schone. Op zijn zolderkamer luisterden we tot diep in de nacht naar Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Door het donkere stemgeluid van de Canadese bard en zijn ondoorgrondelijke teksten werd ik verliefd op die jongen. Een jongen als een belofte. We gingen dat jaar samen naar een concert van Leonard Cohen in de Doelen in Rotterdam. We gingen met een bus en een groep vrienden die alles kenden van deze poëtische zanger. Blowend legden we de reis af.

    Dat hoorde bij de muziek van Leonard Cohen, een flinke joint  deed je alles begrijpen. Ik werd misselijk van de belofte van die avond en van de ongrijpbaarheid van liedjes als The Sisters of Mercy of Famous Blue Raincoat: ‘And what can I tell you my brother, my killer / What can I possibly say? /I guess that I miss you, I guess I forgive you / I’m glad you stood in my way.’ Nog weet ik niet waar het eigenlijk over gaat maar de uitwerking is zo sterk dat ik – telkens als ik er naar luister – de realiteit uit het oog verlies en geïnspireerd raak,  tot wat dan ook.

    Zoals het met de democratie in Amerika nooit meer goed zal komen, is het met mij en die jongen niks geworden. Ik was niet die in het zwart geklede schone. Dat het nummer Chelsea hotel een elegie voor Janis Joplin was, weet ik pas sinds kort. En dat Cohen een affaire met haar heeft gehad ook. Achteraf, als beloften niet meer meespelen, kom je altijd meer te weten, is alles helder en blijft er, als je niet oppast, niks over.
    Yes and lover, lover, lover, lover, lover, lover, lover Come back to me.

     

     

  • Onderstrepingen

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’ De dit jaar te vroeg overleden Wim Brands onderstreepte deze zin als enige in de verhalenbundel De meester van de Laërtes (1975) van F.C. Terborgh. Een deeltje uit de Salamander-reeks van uitgeverij Querido. Toen Wim Brands nog leefde, kochten wij als antiquariaat op regelmatige basis boeken bij hem in. Na zijn dood komt zijn bibliotheek deels bij mij terecht.

    ‘Men had zijn werk en rondom de vernietiging.’

    Snel concluderend kun je deze markering aanwijzen als een teken van hoe Wim Brands het leven, de wereld zag. Ergens denk ik dat dat ook zo was, als ik al enige aanspraak mag maken op een psychologische duiding van deze dichter en presentator. Ik vind het ook een mooie zin, in al zijn gruwelijkheid. Het geeft een absolute manier van leven aan. We werken, we leven en om ons heen is er de dood, de ondergang. Maar we werken door ondanks alles wat kapot is, kapot ging of kapot gaat. ‘Men ging er ook langs, het oog op de grond gericht, en recht vooruit, en negeerde de verwoesting, want zelfverdediging dwong ertoe’ (Terborgh). We zijn de ‘vuilnisroos’ naar de roman van Ben Borgart uit 1972.

    Ik denk dat Wim ook zo leefde. Wim wilde altijd door. Als ik op boekeninkoop bij hem was, vroeg hij altijd naar wat er nog allemaal stond te gebeuren in de winkel  – we hielden geregeld een literair avondje of een boekpresentatie – en: ‘Hoe is het nu met je?’ Nadat ik door een rare neuropathologische aandoening (Guillain-Barré Syndroom) in 2004 een tijdje niet kon werken en een paar maanden aan bed en rolstoel gekluisterd was, verbaasde het me dat hij dit jarenlang is blijven vragen: ‘En? Hoe is het nu met je?’ Ik denk dat Wim degene is geweest die dat het langst is blijven vragen. Als hij in de winkel kwam of als ik bij hem thuis over de vloer kwam: ‘Hee jongen, gaat het goed met je?’ Ik denk nu vaak terug aan die simpele momenten van aandacht, daar was Wim heel goed in. In De vijftig beste gedichten van Wim Brands schreef hij een opdracht voorin: ‘Voor Stefan, met wie ik via de boeken verkeer, Wim!’

    In den beginne was er een verhaal over vertrekken
    dat hij op een regenachtige maandagochtend
    vertelde.

    Hij huilde niet, jij ook niet, hij sprak alsof
    hij je wilde bedanken, jou, omdat er
    niemand anders was.

    En toen was hij dan echt vertrokken.
    Daar lag hij. Zoek mij niet, leek hij
    te zeggen, ik ben de woestijn in,

    naar het poolijs, op zoek naar God die
    uiteindelijk de beste verhalen kent;
    en mocht hij slapen

    dan weet ik dat hij ook dan
    onophoudelijk aan poëzie denkt.

     

    Uit: ’s Middags zwem ik in de Noordzee,
    Nieuw Amsterdam, 2014