• Fotosynthese 13 – Boekmutilatie

     

    Vijf kinderen met een boek. De fotograaf zal in 1918 dit beeld zorgvuldig gecomponeerd hebben want zo gegroepeerd en aandachtig lezend zul je kinderen niet snel aantreffen zonder enige regie van buiten af. Toch schijnen de kinderen het niet onplezierig te vinden. Op een andere foto uit 1935, te vinden op de site van Het Geheugen van Nederland, ziet lezen eruit als een taaie plicht. Zo’n veertig kinderen buigen zich over een boek – een enkeling kijkt naar de fotograaf. Aan de zijkant van het lokaal staan twee vrouwen die als cipiers toezien.
    Gezamenlijk lezen zal in die tijd vooral functioneel bedoeld zijn geweest. Ik herinner mij in dit verband een zin die ik aanstreepte in Ik ben dynamiet van Sue Prideaux waarin ze Nietzsche, als criticus van zijn tijd, laat zeggen dat het verband tussen intelligentie en eigendom blijkbaar om snelle educatie vraagt. Zo kan er met grote vaart een geldverdiener worden geproduceerd: ‘De mens wordt slechts de afgemeten hoeveelheid cultuur vergund die verenigbaar is met de belangen van het gewin’. Hij waarschuwde anderhalve eeuw geleden al, maar het (neo)liberalisme is er doof voor.

    De staande vrouwen op de foto uit 1935 doen vermoeden dat orde handhaven hoger in het vaandel stond dan het aanmoedigen tot genieten. Er zal nauwkeurig op zijn gelet of er geen ezelsoren in de pagina’s kwamen, dat er niet in werd getekend, dat het lezen geruisloos verloopt en bladzijden voorzichtig worden omgevouwen.

    Toen ik zou oud was als deze kinderen woonde ik in een klein katholiek dorp. Er was een parochiebibliotheekje waarin je niet zelf in de kasten mocht neuzen. Een juf aan de balie taxeerde wat goed voor je was. Ik kreeg boekjes mee over de jeugdige Jezus, al vroeg had ik kennis genomen van het leven van een zekere Damiaan, een Belgische pater die met lepralijders werkte. En er was een stripboek: over Bernadette Soubirous, die in Lourdes Maria zag verschijnen toen ze hout aan het sprokkelen was. Ik las de boeken onbekommerd om de opgedrongen keuze. Ik genoot van het wonder dat letters woorden vormen, woorden zinnen en zinnen verhalen en dat ik ze kon ontsleutelen; naar de ethiek erachter vroeg ik niet. Toe al leerde ik boeken te koesteren, boodschappers die ik met respect behandelde. Ze waren zo belangrijk in mijn kinderleven dat ze welhaast deel werden van mijn identiteit. Een boek vertegenwoordigt geestelijk houvast, is een deel van het leven en een toegang tot ongekende werelden. 

    Een aanslag op een boek is geestelijke terreur. Wie herinnert zich niet het hartverscheurende tafereel uit Ciske de Rat waarin zijn moeder het boek verscheurt dat Ciske heeft gekregen van zijn invalide vriend Dorus (ik gebruik bewust in één zin hartverscheurend en boek verscheurend). De fatale gevolgen zijn bekend voor wie het boek kent. 
    Een ander voorbeeld van een dergelijk optreden van ouders is te vinden in Otmans zonen van Peter Buwalda. Als de kinderen Egon en Frida ruziën om Pluk van de Petteflet, scheurt hun vader het boek ‘met een verbeten gezicht langs de rug in twee stukken’ en gooit het in de open haard. En in De verboden tuin van Wessel te Gussinklo wordt Ewout het slachtoffer als zijn moeder zijn moeizaam bij elkaar gespaarde Dick Bosboekjes vernielt. Deze ouders hebben blijkbaar in de gaten hoe ze hun kind in het hart kunnen raken: door de deur naar de buitenwereld dicht te trappen.

    Ik kan er plaatsvervangend woest om worden. Zo ga je niet om met kinderen die van boeken houden. Ook niet met boeken zelf trouwens. Geert Wilders wist hoe hij gelovige moslims kwetste toen hij in de film Fitna door een ingemonteerd geluid de suggestie wekte dat de Koran werd verscheurd. En onlangs nog dacht een NRC-lezeres Tommy Wieringa in het hart te kunnen raken toen zij naar eigen zeggen en als wraak op een column van Wieringa over het Forum voor Democratie, alle romans van hem die ze had, zou verscheuren.

    Op de middelbare school mocht je zelf de boeken uitzoeken. Het leidde tot nieuwe ontdekkingen, nieuwe kennis. Helaas waren er ook teleurstellingen als ik weer eens op een boek stuitte dat gemutileerd was: pagina’s uitgescheurd of platen uit geknipt. Soms viel iemand door de mand als zijn werkstuk verfraaid bleek met een illustratie die iemand anders nu juist in zijn boek had gemist.

    Uit de literatuur zelf ken ik in elk geval één voorbeeld van een dergelijke wandaad: in de magisch-realistische roman Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino, waarin de Lezer en de Lezeres een bepaald boek niet meer kunnen bemachtigen. Omdat er maar één exemplaar van bestaat hebben studenten, zoals één van hen zegt, ‘dat onder elkaar verdeeld, het was een nogal omstreden verdeling, het boek is in stukken gescheurd, maar ik geloof echt dat ik het beste stuk bemachtigd heb’.
    Aanranding van boeken is onvergeeflijk, en er blijkt veel meer te worden gescheurd dan ik verwachtte.

    Ik heb het niet over een tekening van tekenaar Stefan Verweij, waarop een man zijn boek dichtslaat en het met de uitroep ‘Uit!’ in de open haard gooit. Inderdaad: het is een spotprent! Maar dat zelfs iemand als Marsman een dergelijke wandaad beging, vind ik ongelooflijk. Arthur Lehning schrijft in H. Marsman, de vriend van mijn jeugd dat de door mij toch hooggeachte dichter in 1934 in een Spaanse trein elke bladzijde van een roman van Albert Helman die hij gelezen had uitscheurde en naar buiten gooide. En hij blijkt niet de enige. In een interview in NRC Handelsblad van 29 maart 1991 vertelt Frits Bolkestein dat hij alle pagina’s die hij had gelezen in Moby Dick hetzelfde lot toebedeelde: weg door het raam. 

    Dergelijk vandalisme zou Helene Hanff en Frank Doel een gruwel zijn geweest. Zij correspondeerden jarenlang met elkaar, hij de antiquarische boekhandelaar van Marks & Co in Londen en zij schrijfster in Pennsylvania op zoek naar zeldzame boeken. Hun brieven tintelen van liefde voor boeken. Het is allemaal beschreven in Charing Cross Road 84. Ik herken hun liefde voor boeken.

    Hoopvol denk ik dat er op zijn minst toch wel een paar kinderen in die leeszalen van 1918 en 1935 zullen zijn geweest die een sprankje van dat gevoel beleefden, dat ze bevriend raakten met een boek en bij wie het in hun leven latere nooit zou opkomen ze te mishandelen.

     

    Lees hier over nog een vernielzuchtige boeklezer op Renzo Verwers blog.
    Afbeelding: Frans Ferdinand van der Werf (1903-1984).


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

     

  • Fotosynthese 12 – Wedden op het verkeerde paard


    Adam: There is something that holds us together, something that has no word—
    The Serpent: Love. Love. Love.
    Adam: That is too short a word for so long a thing.

    Back to Methuselah Part 1, Act 1

    In 1922 lopen twee acteurs van de repetitiezaal van hun theater naar een fotostudio om een promotiefoto te laten maken voor het toneelstuk Back to Methuselah waarin ze beiden spelen. Ze zijn hoopvol gestemd, dit worden nu al The Roaring Twenties genoemd, hun stad is waar ze willen zijn, ze komen van het Amerikaans platteland en hebben al een filmcarrière achter de rug.

    De fotograaf toont hen de rekwisietenkast en ze maken snel hun keuze. De heilige familie is een iconische verzameling van steeds drie mensen, een vader, een moeder en een kind. Het is een model voor de christelijke familie, maar geestig is dat de ironie er al vroeg ingebakken zit: Jozef is immers niet de vader van het kind. De echte vader mag niet getoond worden, van God maak je geen afbeeldingen. Deze foto is ironisch op vele fronten. In de eerste plaats is deze heilige familie natuurlijk geen familie. Eleanor Woodruff en Stanley Howett hebben voor zover bekend geen relatie gehad. In de tweede plaats is het kindje in haar armen al jaren dood en netjes geprepareerd en waarom dan met zulke warme verwachting bezien? In de derde plaats is het kindje misschien een samengesteld skeletje van mensenschedel en apenarmen? Wat valt er te geloven aan deze foto? 

    In de Library of Congress bevindt zich een enorme verzameling glasnegatieven van George Grantham Baine (1865 – 1944). De man verdiende zijn sporen in de nieuwsfotografie maar verzamelde van alles en had een fotostudio. De meeste van deze negatieven zijn gemaakt in die studio in New York in de jaren ’10 en ’20 van de vorige eeuw. Zo ook deze foto. Eleanor Woodruff 1891 – 1980 denkt, oh ironie, op deze foto aan het begin van een nieuwe carrière te staan. Ze is een van de leading ladies van de vroege film en heeft een aardige carrière achter de rug als ze in 1922 al haar laatste film speelt: A Pastboard Crown. Ze stapt namelijk over naar het theater maar raakt daarmee eigenlijk onmiddellijk uit zicht, ze is op een zijspoor beland. Een zijspoor dat ze overigens wel opmerkelijk lang bewandelt. Er is nauwelijks iets te vinden over haar behalve haar overlijden in 1980 in Princeton. Ze heeft 58 jaar op het op deze foto vastgelegde moment kunnen terugkijken. Heel haar leven, voor zover gedocumenteerd, speelt zich alleen hiervoor af. Haar man Dorsey Richardson was economisch adviseur van Kennedy. Van Kennedy is een van de veel geciteerde opmerkingen de volgende: ‘You see things; and you say, “Why?” But I dream things that never were; and I say, “Why not?”’
    Dit blijkt een citaat uit Back to Methuselah te zijn. Zou er een etentje in de late jaren vijftig zijn geweest waar Eleanor het voor John F. uit het hoofd citeerde?  

    George Bernhard Shaw wedde in zekere zin ook op een verkeerd paard. De nobelprijswinnaar won in 1925 de prijs voor zijn rijk oeuvre en vond Back to Methuselah zijn sterkste tekst, een verzameling van vijf toneelstukken rond het thema vooruitgang en een lang leven. Het is gedeeltelijk science fiction. Het zou denkelijk zijn snelst vergeten werk worden.  En het is voor de New Yorkse uitvoering van dit stuk dat Woodruff haar filmcarrière stopzet en aan het toneel gaat. 

    Het stuk wordt in 1922 geproduceerd door het  New York Theatre Guild en opgevoerd in het Garrick Theatre aan Bleecker Street in wat nu Greenwich Village is. Shaw etaleert in zijn stuk een lamarckiaanse visie op de mensheid die op zijn beurt ook al weer op zijn retour is, Darwin doet steeds meer opgeld en de gedachte dat je de wereld verbetert door overerfbaar goed gedrag was al in 1922 niet houdbaar meer. Het is wel een fundgrube voor historische, filosofische verwijzingen deze reeks stukken. In 1961 promoveert ene H.M. Geduld met een werk van 1400 pagina’s over Back to Methuselah. Zou Eleonor het gelezen hebben?

    Geheel in stijl met zijn positie in dit heilig gezin is er over Stanley Howett 1886 – 1959 vrijwel niets bekend. De jaartallen vond ik omdat hij een ‘man van’ is. Als acteur en regisseur, schopt hij het niet verder dan een voetnoot hier en daar. Trouwt met Eve Balfour, eveneens een actrice wier cinematografie in de vroege jaren ’20 stopt. Ze dachten misschien dat het nooit wat zou worden met film. Zij overlijdt in Birmingham, Engeland, waar hij in de jaren vijftig nog een paar toneelstukken regisseert. Denkt hij ooit nog terug aan dit verstild moment van devote aandacht voor wat voorbij gaat? Of is dit zo’n foto die ook door de afgebeelde personages onmiddellijk vergeten is? Een te kort moment in een te lang leven.

    ‘Life is too short for men to take it seriously.’


    Back to Methuselah, Part 2


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: George Grantham Baine

  • Fotosynthese 11 – Gluurder

    Klik op de foto om de achtergrond te zien.


    In één scène werd de film Le Charme discrets de la bourgeoisie (1972) van Luis Buñuel samengevat. Ik meen aan het einde. Meer dan 40 jaar geleden zag ik die. Een groep mensen loopt over een weg in de richting van de camera. Ze lopen, er gebeurt verder niets. Het gaat om de manier waaróp ze lopen, verdeeld over de breedte van de weg, alleen maar met zichzelf bezig, onderlinge desinteresse, geen enkel persoonlijk contact. Het sociale onvermogen van de bourgeoisie.
    In 2000 werd het honderdste geboortejaar van Buñuel herdacht. Er werd mooi over hem gesproken: ‘Buñuel was een groot Spanjaard, hij was een getuige en profeet van zijn tijd.’ Dat was praten achteraf. Zijn films stonden lang op een zwarte lijst in Spanje, hij werd gezien als een uitlokker van schandalen. Maar hij toonde slechts de waanzin van de beschaving.

    Deze foto doet me denken aan die film. Er staan mensen te wachten, nette mensen zo te zien. De man rechts heeft zijn aktetas neergezet en hijst zijn broek op. Of de vrouw die daarnaast staat bij hem hoort, betwijfel ik. De vrouw midden in het beeld vestigt de aandacht op zich, wellicht onbedoeld. Lange vrouw, lange jurk, hoge hakken. Gaan ze naar een bruiloft? De vrouw rechts heeft een cadeau onder haar arm, er staat een plantje op de grond. Met elkaar vormen die mensen geen groep. Ze staan op een kade, een schip ligt aangemeerd.
    De fotograaf hoort er niet bij. Hij of zij staat achter een raam, de vage strepen in het beeld zijn vermoedelijk van opwaaiende vitrage. Hij bespiedt. Staat er een verdachte bij dat groepje dat geen groepje is, moet iemand in de gaten gehouden worden? De fotograaf houdt zich onzichtbaar.

    Mijn oma woonde twee hoog in Rotterdam en buiten bij het raam van de woonkamer hing een spionnetje, zo’n spiegel waarmee je vanuit de kamer kon zien wie er voor de deur stond. Als er gebeld werd rende ik naar het raam, hield me onzichtbaar voor degene die had aangebeld en bracht al fluisterend verslag uit: ‘Hij draagt een grote hoed, ik kan zijn gezicht niet zien…’ Ik waakte ervoor niet te lang in het spiegeltje te kijken uit angst opgemerkt te worden. Iemand via een spiegel bekijken dat doe je niet.
    Het was in de tijd dat ik mijn eerste detectives las. Bespieden was toen een eenvoudige zaak: een man in een lange jas en een hoed op stond de krant te lezen. Af en toe liet hij de krant zakken.
    Als je betrapt wordt op bespieden ben je een gluurder. Als je bespied wordt door iemand die je na aan het hart ligt, voelt dat als verraad.
    De Hongaarse schrijver Péter Esterházy schreef de roman Harmonia Caelistis (2004), een verhaal over de geschiedenis van zijn familie waarin zijn vader geschetst werd als een man uit één stuk. Even na de publicatie van dit boek werden onverwacht de staatsarchieven geopend. Toen hij in een dossier las over zijn familie herkende hij het handschrift van zijn vader. Die was al vanaf 1956, de Hongaarse opstand, een verklikker. Verraden worden door je vader is als een dreun in je gezicht, zo moet Esterházy dat gevoeld hebben. Hij schreef direct daarna een nieuwe roman: Verbeterde editie.

    Maar de tijd van de detectives op de hoek, de verklikkers met hun dossiers, de afluisteraars zoals in de film Das Leben der Anderen, lijkt achter ons te liggen. We worden elk moment bespied, onze verplaatsingen zijn simpel via onze telefoon te traceren, we passeren dagelijks camera’s met gezichtsherkenning. Je hebt daar geen toestemming voor gegeven, je kan je afvragen of je gezicht nog wel van jou is. In China is George Orwell’s 1984 al lang en breed ingehaald. De drone is niet meer het leuke speeltje om de buurman in de tuin op de hoek te filmen, dat kunt u in de documentaire National Bird gaan zien. Ons, aangeprate, gevoel van onveiligheid heeft ons recht op privacy geheel verdrongen.
    Toch staat vandaag de dag een fotograaf nog ouderwets te gluren achter de vitrage. Zoals de voyeuristische Johan Roodenhuis dat deed in Else Böhler, Duits dienstmeisje (1935) van Vestdijk. Vanachter het raam ziet hij haar: ‘…het meisje van Erkelens, dat daar plotseling aankwam, onwezenlijk groot en statig als een koningin [..]. Ik sprong  op en volgde haar zo ver ik kon met de ogen. Mij kon ze niet zien door de vitrage.’
    Op de omslag van dit boek (7e druk, 1976) een tekening van een spionnetje waarin je het dienstmeisje ziet. Liggend, haar hoofd afgewend, de benen wijd, naakt met uitzondering van haar losgeknoopte schort dat elk moment weg kan waaien. Net als Roodenhuis bespied je haar. Je bent een gluurder.

     


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan. Deze rubriek wordt verzorgd door verschillende medewerkers van Literair Nederland.

    Fotograaf: onbekend

     

  • Fotosynthese 10 – Welkom thuis


    Op een markt langs de Elbe bij Dresden vond ik deze foto. Uit een tijdschrift geknipt en neergelegd in een plastic mapje. De vrouw achter de tafel wilde hem niet verkopen, maar alleen tentoonstellen. Zoiets zei ze. Toen ik een 5 eurobiljet uit mijn portemonnee haalde, duwde ze het mapje in mijn richting met een gebaar van neem-maar-mee. Het geld wilde ze niet. Op een kaartje dat bij de foto lag stond met blokletter: ‘KRIEGSHEIMKEHRER’. De foto intrigeerde me, maar ik weet niet meer waarom. Misschien vanwege het woord ‘Kriegsheimkehrer’ en de beladen geschiedenis van Dresden. Daarom dacht ik eerst dat het Duitse soldaten waren op de foto, maar het zijn Engelse. Ze dragen hun uitgaanstenue. Ja, zo noem je dat. Zelfs als je het meest afschrikwekkende hebt gezien en gehandicapt bent voor het leven, ga je naar huis in je uitgaanstenue.
    Foto’s van terugkerende Duitse soldaten werden minder gemaakt, de verliezer liet zich niet graag fotograferen. In 1924 maakte de Duitse kunstenaar Ernst Friedrich het (foto)boek Krieg dem Kriege! Een van mijn dochters, ze was toen een jaar of zes, haalde dit boek uit de boekenkast en rende na het bekijken van de eerste foto overstuur de tuin in. Ze zag de pijn van anderen en durfde die avond niet meer te gaan slapen.

    We zien vooral (onder)officieren op de foto. Hoe hoger je rang, des te groter je pet, des te langer je jas. De jongen voorop is soldaat, denk ik. Hij is onderscheiden met een rozet, zijn linkerarm is hij kwijt maar zijn trots niet. Toen hij de Grote Oorlog in ging was hij nog kind. Het oorlogsenthousiasme was groot, veel  jongemannen gaven zich vrijwillig op, Engelse dorpen liepen leeg. Maar wat doet die man met bolhoed daar in het midden? De enige die glimlacht alsof hij een onderonsje heeft met de fotograaf en daarmee ook met ons als kijker. Charlie Chaplin was in die tijd razend populair. Er bestonden ‘Charlie Chaplin look a like’- wedstrijden, ook in het leger. In platgeschoten dorpen aan de frontlinie in Noord Frankrijk werden te midden van de ruïnes in een schuur, of wat daar nog van restte, de Chaplin-films vertoond. Zijn film Shoulder Arms (1918) verscheen vlak voor de wapenstilstand die tot vrede leidde. Een film als een parodie op de Amerikaanse oorlogsfilm en de retoriek van de patriotten. Nu nog op YouTube te zien.

    Welke kunstenaars maakten deel uit van de Kriegsheimkehrer? De Engelse officier-dichter Siegfried Sassoon was een van de bekendste. ‘Net mijn laatste sinaasappel opgegeten, ik kijk uit op een zonverlicht plaatsje van de Hel’, noteerde hij in 1916 in zijn dagboek. In 1937 schreef hij zijn memoires. Tijdens de oorlog moedigde hij zijn vriend/medeofficier Wilfred Owen aan door te gaan met dichten. Eervol sterven voor je vaderland vond Owen een leugen:

    ‘Dubbelgevouwen, als bejaarde bedelaars onder zakken,
    met knikkende knieën, hoestend als oude wijven,
    vloeken wij ons door het slijk.’

    Owen sneuvelde in de dagen dat Shoulder Arms verscheen.

    Het begrip ‘War Poets’ ontstaat, in het Engels, alsof er alleen gedichten van de winnaars waren. Geert Beulens corrigeert met het boek Europa Europa! (2008) dit beeld. Hij maakt duidelijk dat niet alleen Sassoon en Owen war poets waren, maar dat op het hele Europese continent dichters hun stem lieten horen, inclusief de Duitsers.

    Een van die Duitsers was August Stramm, hij dichtte en publiceerde al voordat de Grote Oorlog begon. Toen hij soldaat werd schreef hij met het wrede enthousiasme dat zo kenmerkend was voor die tijd: ‘Kracht is heerlijk kracht Nu wachten we op de vijand wachten wachten hij gaat  komen hij moet komen dat willen we willen niets anders meer…’ Maar al in 1915 is zijn toon veranderd:

    ‘Driftkrijg

    Ogen schichten
    Je blik knalt stuk
    Heet
    Overstroomt bloeden me
    En
    Drenkt
    Geulen zee.
    Je flitst en schicht.
    Levenskrachten
    Laaien
    Schimmel waant om
    En
    Stikt
    En
    Stikt.’

    Voor August Stramm was er geen welkom thuis. Twee maanden na de publicatie van dit gedicht sneuvelde hij aan het Russische front.

     

    Fotograaf: onbekend


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Fotosynthese 9 – Het dak op


    Het is geen sneeuw, maar folie om het dak te beschermen tegen lekkages, denk ik. De vrouw staat vaak op het dak in de wijk Manhattan, meestal in de ochtend. Ze oefent een tekst, die ze in haar hand heeft. Het papier verdwijnt bijna in de witte achtergrond. Na een kwartier verandert ze van houding. Ze recht haar rug, aan de beweging van haar armen is te zien dat ze zingt.
    Haar buurman had er genoeg van, vermoed ik.  Al die oefeningen met aaa’s, oe’s en eee’s in een appartement met bordkartonnen muren. Je kan het dak op, zal hij gedacht hebben. Ik verblijf ook ik zo’n gebouw. Een kamer van vijf bij vijf met kitchenette, die van de buren grenst aan het hoofdeinde van mijn bed. Elke ochtend om 6.30 uur hoor ik boter sissen in een koekenpan, in het appartement naast mij begint de dag met ham and eggs.

    Bijzonder die armgebaren bij het spreken en het zingen. Lichaamsbewegingen en gebaren waren er eerder dan de spraak. Een angstige uitdrukking op het gezicht en met gestrekte arm wijzen naar de rand van het bos was voldoende. Pas later kwam daar de taal bij: pas op, daar is een beer.
    ‘Waarom zingt mijn vrouw in een koor?’ vraagt Steven Mithen in The singing Neanderthals (2005) zich af. Is zingen en muziek iets van de moderne mens of oeroud? En wat voor geluid maakten de Neanderthalers? Ze zaten toch niet alleen maar te zwijgen of te grommen en te brommen. In zijn onderzoek ontdekte hij dat klanken niet alleen een functionele bedoeling hadden, geef mij dat stuk vlees eens door, maar ook bedoeld zijn om emoties op te wekken en daarmee groepsgenoten aan je te binden. En met die klanken ontstond zingen en muziek om met de goden te communiceren.
    Heel veel later, rond de 17e eeuw, meende de Rooms Katholieke kerk dat gesprekken met  God een mannenzaak was. Vrouwen – immers een verleidelijk object – mochten niet meer op het theaterpodium staan, laat staan bij het altaar in de kerk.

    De castraatzanger kwam op in die tijd. De man met de borstkas en de longen van een man, maar door de afwezigheid van het hormoon testeron met het strottenhoofd van een vrouw. Gasparo Conti was er zo een. ‘Als hij zingt, houdt iedereen op met ademhalen. Tijdens een optreden in Covent Garden in Londen stopt zelfs het orkest met spelen, zo zeer zijn de musici onder de indruk van zijn kunsten. Een altviolist loopt tenslotte snikkend het podium op om de zanger langdurig te omhelzen. ‘Toen zweeg als laatste het klavecimbel’, lezen we in De virtuoos (1993) van Margriet de Moor, “Het orkest huilde. En het hele publiek huilde ook.”‘

    Zijn er veel zangers onder de romanschrijvers? 

    Ik vermoed dat de hersenen van een klassieke zanger geheel anders functioneren in vergelijking met die van een romanschrijver zoals bijvoorbeeld A.F.Th. van der Heijden. Die overigens qua uiterlijk wel op een operapodium zou passen. Hersenen die muzikaal getraind zijn kunnen beter luisteren, dat is wel aangetoond. Maar of (roman)schrijvers goede luisteraars zijn – ik zag onlangs een interview met Peter Buwalda – betwijfel ik.

    Het komt wél eens voor dat een zanger ruzie met een schrijver krijgt. Zoals in 2013 zanger Peter Koelewijn een rectificatie eiste in de nog onverkochte exemplaren van de roman De helleveeg, een deel van A.F.Th. van der Heijdens romancyclus De Tandeloze Tijd. Zijn familie werd in dat verhaal als een stelletje losers neergezet en zijn moeder beticht van ‘aborteuse praktijken’.

    Koelewijn trok aan het kortste eind. Het zou kunnen dat de rechter hem gewezen heeft op het verschil tussen literatuur en werkelijkheid. Ik zie de rechter voor me, hoe hij over zijn leesbril heen in de richting van Koelewijn kijkt en zegt: ‘Meneer Koelewijn, een vraag, toen u schreef aan de tekst ‘Kom van dat dak af’, stond er toen werkelijk iemand op het dak?’

    Foto: Hans Muiderman


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Fotosynthese 8 – Dichteres aan de kade


    Aan de IJsselkade in Zutphen staat sinds augustus vorig jaar een bronzen standbeeld van dichteres Ida Gerhardt (1905-1997). Het staat op het punt waar IJssel en Berkel samenkomen. Beeldhouwster Herma Schellingerhoudt maakte het slechts 1.65 meter hoge beeld. In De Stentor van 31 augustus wordt José van der Donk, secretaresse van Gerhardt, geciteerd. Zij vindt dat Schellingerhoudt haar goed getroffen heeft. ‘Ik herkende haar al toen ik alleen nog maar de rug zag, met die regenjas.’  De kenmerkende bril van Gerhardt heeft Schellingerhoudt afgebeeld als een soort vooruitstekende wenkbrauw. Mooi hoe zij Gerhardt in ‘brons vereeuwigd’ heeft. Toen de beeldhouwster in 2017 de opdracht kreeg voor het maken van het beeld, zei burgemeester Annemieke Vermeulen: ‘De betekenis van Ida Gerhardt voor onze stad is groot. Ze heeft de stad identiteit en kleur gegeven. Zutphen, Gerhardt en haar gedichten worden sterk met elkaar geassocieerd. Het beeld is een uiting van waardering en een waardevolle toevoeging aan de IJsselkade en Zutphen.’

    Op de kademuur achter het beeld van Gerhardt staat een van haar dichtregels: Er stond een kind op de kade. Het is afkomstig uit de laatste strofe van het gedicht Het schip. Het gedicht luidt als volgt:

    ‘Er kwam een schip gevaren;
    het kwam van Lobith terug,
    met grint en rivierzand geladen.
    Het richtte zijn boeg naar de brug.

    De scheepsbel was helder te horen,
    de brugwachter kwam al in zicht;
    een halfuurslag viel van de toren.
    Het schip voer door schaduw en licht.

    Met boegbeeld en naam kwam het nader,
    de ophaalbrug ging omhoog;
    een deining liep door het water
    dat tegen de schoeiing bewoog.

    Er stond een kind op de kade
    -ik was het, ik was nog klein-
    het had niets meer nodig op aarde
    om volkomen gelukkig te zijn.’

    Gerhardt schreef over deze Hanzestad ook eens de zin ‘Hoezeer heeft deze kleine stad allure’. Op meerdere gevels in Zutphen zijn teksten van haar te vinden. Ze werd geboren in Gorichem en overleed in Warnsveld. Waarom staat haar standbeeld dan in Zutphen? Wat was haar speciale band met de stad? Was zij ‘volkomen gelukkig’ in Zutphen?

    Het antwoord is te vinden in de bundel Dolen en dromen uit 1980, over o.a. een herfstwandeling in Zutphen en langs de IJssel. Bij de presentatie van de bundel zei Gerhardt: ‘Dolen en Dromen’ is geen hommage aan Zutphen, ondanks mijn gehechtheid aan deze stad; en evenmin een hommage aan een harer burgers. /…/ Het gedicht gaat over een wijze van ervaren die de mens soms – bij hoge uitzondering – ten deel mag vallen: het bekende en vertrouwde opent zich voor hem. Het onthult zijn wonderen en verborgen samenhangen en geeft nochtans zijn laatste geheimenis niet prijs.’

    Deze ervaring beschrijft ze in het betreffende gedicht als volgt: ‘Anderhalf etmaal ben ik omgegaan / -mijzelf ontkomen, eindelijk mijzelf- / dolend en dromend in een kleine stad, / waar àlles stem kreeg, àlles open ging. / Steeds wetend: zó kan het maar / éénmaal zijn’.

    Het was om deze mystieke ervaring dat Ida Gerhardt van Zutphen en de IJssel hield. De stad Zuthpen is trots op deze dichteres. Met het bronzen beeld, de teksten in de stad en de speciale Ida Gerhardt wandelingen wordt de herinnering aan haar én haar poëzie levend gehouden.

     

    Foto: Evert Woutersen


    In deze rubriek vernoemd naar Rudy Kousbroeks genre-idee Fotosynthese, gaan beeld en tekst een verbinding aan.

     

  • Fotosynthese 7 – Terugkijken, een moreel probleem


    De Griekse geschiedschrijver Herodotos was een groot reiziger, die de volkeren die hij ontmoette beschreef en was daarmee één van de vaders van de etnografie. De neiging volkeren te willen onderzoeken is enerzijds begrijpelijk, maar heeft toch ook heel vaak in een kwaad daglicht gestaan. Persoonlijk heb ik foto’s uit de laat 19e eeuw en de vroege 20e eeuw van landen en volkeren altijd heel fascinerend gevonden, maar ik moet mijn voorkeur dienaangaande ook wat nauwkeuriger gaan bevragen, vindt onder meer Gloria Wekker in een gesprek met Lex Bohlmeijer op De Correspondent podcast. Ook het aloude gevoel van een zekere nostalgie wanneer ik naar oude Woodbury & Page foto’s kijk, ondermeer in Rob Nieuwenhuys’ schitterende fotoboeken Komen en blijven. Tempo Doeloe – een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870 – 1920, en Baren en oudgasten met dezelfde ondertitel, zijn aanleiding daar beter over na te gaan denken.

    De twee maal dat ik langere tijd in Indonesië verbleef ervoer ik als een vreemd en intens soort thuiskomen. Ik herinner mij een dag van aankomst op Java, nabij Bogor wat vroeger Buitenzorg heette. Ik zat op een balkon en rookte een gebietste sigaret met zicht op een rivier met rijstvelden ervoor, bosschages erachter, de warmte was aan het minderen, we zaten hoog dus meer een lenteachtige temperatuur. Ik was thuis. Iets dergelijks ervoer ik overal op Java, Sulawesi, maar ook in Suriname en op de Antillen. Onze geschiedenis met deze gebieden is op zijn minst problematisch. De landen waren gekoloniseerd als wingebieden en we hebben veel rijkdommen verworven over de ruggen van generaties inwoners en tot slaaf gemaakten die we voor werk daarheen vervoerden. Nostalgie naar die tijd is niet zo heel anders dan nostalgie naar bijvoorbeeld hoe veilig het was op straat in Duitsland in 1943. Veilig vast wel, maar voor wie? Een mooie tijd voor weinigen en een hel voor velen. Kijken naar beelden die daarmee samenhangen moet dus gepaard gaan met meer dan één gevoel, nostalgie is niet voldoende, minstens problematisch, spijt of zeker een bewustzijn van de misstanden is noodzakelijk en noodzakelijker geworden. Hoe politiek correct dat ook klinkt. Politiek correct blijft beter dan moreel incorrect.

    Waar kijken we naar op deze foto? We kijken naar Bronisław Malinowski op de Trobriand Islands. Het is al veelzeggend dat ik u van deze vijf mensen maar één naam kan leveren. En dat ik u niet hoef uit te leggen wie van deze mannen die naam draagt. Malinowski was een antropoloog die rond de Eerste Wereldoorlog lange tijd op deze eilanden verbleef voor onderzoek naar ruil en handelsgewoonten van de andere mensen op dit beeld. Ik zal u weinig kunnen meedelen over zowel deze cultuur als over deze Poolse antropoloog. Deze foto staat voor mij voor een grote hoeveelheid etnografisch materiaal die mij interesseert en waarbij ik steeds beter zal moeten nagaan waarom eigenlijk, en op welke wijze ik naar deze beelden moet kijken.

    Foto’s van tot slaaf gemaakten zijn nog weer iets anders, foto’s van meetsessies waarbij negentiende-eeuwse ‘wetenschappers’ informatie verzamelen om theorieën bevestigd te zien en te doen kloppen met hun vooroordelen, hebben al langere tijd iets wrang pijnlijks. Ik zeg niet dat we van deze foto’s af moeten. Zo min als we van beelden van wat wij gewend waren zeehelden te noemen af moeten, maar het verhaal van een nieuw inzicht moet erbij verteld worden. Deze foto’s kijken terug, niet terug in de tijd, maar terug naar ons. Ze zeggen iets over ons verleden en de morele verschuiving die heeft plaatsgevonden, maar nog altijd niet volledig doorgevoerd is. Getuige het ‘lopend juridisch handboek met doorgevoerde scheiding in het haar op het achterhoofd’ Theo Hiddema van ‘Forum voor Democratie’. Eloquentie zonder begrip. Hij beweert anno 2018 dat ras en intelligentie een verband hebben. Een echo uit een wit en zwart verleden.

    Wanneer je naar een vroeg etnografische foto kijkt dan zie je een ongewenste situatie, die bestaan heeft. Je kunt naar aspecten ervan nostalgisch zijn, maar je kunt dat niet doen zonder die nostalgie te problematiseren. Europeanen onderzochten veel, maar met veel verkeerde uitgangspunten en met veel verkeerd resultaat. Kijken naar zo’n foto is voor mij tegenwoordig terugkijken de camera in, het oog van de fotograaf in en het brein van de fotograaf-onderzoeker.

    Ik kan mijn interesse in deze beelden niet laten ophouden te bestaan. Maar ik kan wel de hiddemaatjes achter de camera’s ontdekken, hun armzalig misverstand.


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

  • Fotosynthese 6 – Uitzicht op eeuwig leven

     


    ‘Het is beter zonder geloof, veel beter,’ zei Franca Treur eens in een gesprek – na de verschijning van Dorsvloer vol confetti – met Jan Siebelink en Maarten ’t Hart, eveneens van hun geloof gevallen schrijvers.

    Zelf kom ik uit een enerzijds socialistisch- en anderzijds anarchistisch nest. Waar geloven in een god gezien werd als een teken van zwakheid, alsof je niet op eigen benen kon staan, de verantwoording uit handen gaf. Een hiernamaals bestond niet en reïncarnatie was te oosters. Hoewel ik me kon vinden in de reïncarnatiegedachte, was er de  teleurstellende kant aan het hele idee dat je je niets meer herinnerde van je vorige aardse leven. Toch bewonder ik mensen die hun leven inrichten naar de regels en wetten van een geloofsovertuiging.

    Bloeiende rozenstruiken

    De afgelopen jaren verbleef ik regelmatig voor korte of langere tijd in Londen. Op mijn wandelingen door de straten van Hackney zag ik deze kerk in Shrubland Road, vlakbij London Fields. Over het trottoir aankomend, loop je er op een drie meter afstand voorlangs. In tegenstelling tot alle huizen die dan al gepasseerd zijn en die geen enkele indruk maakten, dringt deze kerk zich aan je op – springt als het ware naar voren – waarbij de neiging een stap opzij te doen, achterwaarts de straat op te lopen om het bouwsel ten volle te kunnen bekijken, een logisch gevolg is. Het brede gebouw – als een graanschuur met een voorportaal en toren – deed een indruk ontstaan van achterliggende akkers en katoenvelden. De witte verf, ruw en mat,  leek er op een achternamiddag met een stel evangelisten in opperbeste stemming tegenaan gestreken te zijn. Het blauw van de kozijnen vertoonde zich langs de randen tot in het wit. Een zendingskerk zonder context. Het stond er als de welbekende vlag op een modderschuit. Nergens in de straat vond het enige aansluiting; niet in architectuur, materiaal of kleur. Alleen de rozenstruiken – die bloeiden zoals alleen Engelsen rozen kunnen laten bloeien – trokken het geheel het straatbeeld in.

    Anders willen zijn

    Een kerk zoals je die in Mississippi of Alabama verwacht maar niet in Hackney, waar elke ruimte precies bemeten is en de huizen per verdieping bewoond worden. De kerk werd als tijdelijk project gebouwd in 1858 van gegalvaniseerd golfplaat en hout. Het koste alles bij elkaar £1250. Maar alles wat tijdelijk is, blijkt vaker voor de eeuwigheid bestemd. In 1971 werd de kerk eigendom van de liefdadigheidsbeweging ‘Sight of Eternal Life Church’, een evangelische sekte met een sterk zendingsgevoel. Met ‘Zicht op het eeuwige leven’, is het de oudste non-conformistische kerk van Engeland geworden. Ja, daar moet je niks meer aan doen en gewoon laten staan.

    De term non-conformistisch werd in Engeland  in 1662 in gebruik genomen om te verwijzen naar protestants-christenen die zich niet ‘conformeerden’ aan de gebruiken van de Anglicaanse Kerk. Deze andersdenkenden kenmerkten zich door het bepleiten van radicale, soms religieus separatistische meningsverschillen tussen hun kerk en de staatskerk. Zo bezien waren mijn voorvaderen in zekere zin ook non-comformisten; zij scheidden zich af van de niet-gelovigen door nog meer, erger, sterker niet te geloven en werden socialist of anarchist. Zij streefden de norm voorbij en separeerden zich van de samenleving. Altijd die drang anders te willen zijn, beter, groter, kleiner, strenger.

    De dicht gestapelde grijswitte wolken op de achtergrond van de foto doen ook denken aan de cover van het boek Wise Blood, van de Amerikaanse schrijfster Mary Flannery O’Connor, bekend staand als Gothic novelist. Haar karakters kenmerken zich door een twijfelachtige moraal. In Wise Blood keert een jonge veteraan na de Tweede Wereldoorlog terug naar Zuid Amerika. Hij keert zich af van het geloof en richt de ‘Kerk zonder Christus’ op. Hij predikt  het niet-bestaan van God en Christus en het irrelevante van zonde, vergeving en schuld. Op zoek naar volgelingen – die hij niet vindt – radicaliseert hij. En dan weet je het wel.
    Dan geloof ik wel dat je zonder geloof beter af bent.

    De kerk aan Shrubland Road staat overigens weer te koop, voor 3 miljoen ponden.

     

    Foto: WassinkLundgren


    In deze rubriek, die naar Rudy Kousbroeks genre-idee Fotosynthese heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet als achtergrondfoto van de website. Fotosynthese is een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan.

    Bewaren

  • Fotosynthese 4 – De vreugde van de menigte


    Propaganda voldoet aan wetmatigheden, een ervan is dat voor twijfel geen rol is. In de vele, vele Chinese propagandafoto’s die je in China tot zeer recent zag, zoek ik dan ook altijd naar een heel klein detail dat op te vatten valt als verholen kritiek. Noodzakelijk onmogelijk, maar ontdoe je maar eens van een gewoonte als deze.

    Er is, verscholen Schermafbeelding 2016-05-16 om 12.30.18achter de dame met het blauwe vest echter een dame zonder glimlach, een bijzonderheid. Een ander opvallend verschijnsel in deze propagandafoto is de samenstelling van de groep. Op veel dergelijke posters moet een eenheid gesuggereerd worden door de diversiteit van de bevolking. Je ziet dus vaak een staalkaart van bevolkingsgroepen, China is tenslotte een enorm land waarin door de communisten, en voor hen, door de keizers een twintigtal grote etnische groepen bijeengehouden worden. Op zulke posters zie je er dan gewoon van de grootste bevolkingsgroepen steeds 1 lachend naast de ander staan. ‘Wij werken aan een mooi Communistisch China’ lijken ze te suggereren, en dat gaat boven etniciteit.

    Maar op deze poster zie je die verscheidenheid niet, bovendien is er geen groot verschil in leeftijden. Zou het een poster zijn van een vrouwenorganisatie?

    Ook de zicSchermafbeelding 2016-05-16 om 12.30.37htbare rijkdom van de dames is opmerkelijk, ik zie twee polshorloges, verschillende armbanden en oorbellen. Het is een feestdag, de kleren van de dames zijn feestelijk, het is geen kledij waarmee je in een fabriek werkt, of op het land, waar arbeiders en boeren toch de meest geportretteerde bevolkingsgroepen zijn op propagandafoto’s. De bloemen en de ballonnen suggereren ook een feest, een 1 mei-parade? De dag van de arbeid en de dames staan naar een optocht van arbeiders of eerder legereenheden te kijken?

    Dat laatste lijkt mij het waarschijnlijkst. Hoewel het Chinese leger ook divisies voor vrouwen kent geeft de rijkere uitstraling en de redelijk jeugdige leeftijd de indruk van ‘vrouwen van’ een hoger regiment militairen.

    Schermafbeelding 2016-05-16 om 12.31.14De karakters zeggen volgens mijn vertaalprogramma De Vreugde van de menigte, wat een schitterend voorbeeld is van een ander aspect van propaganda: benoem slechts dat wat volstrekt zichtbaar en voor de hand liggend is.

    Tenslotte, de datering van deze foto? De mode is natuurlijk anders dan in het Westen, maar ook weer niet zo erg verschillend, vreemd genoeg. Ik zou zeggen -eind 60, begin 70. Wat de poster in het hart van de Culturele Revolutie plaatst. De wrangste tijd van de recente Chinese geschiedenis. En maar lachen. Zijn de shawls voor toewuiven, of uitwuiven? Als er een colonne militairen uitgewuifd wordt, dan gaan die wellicht orde op zaken stellen in een buitengewest, waar herplaatste bevolkingsgroepen tegen hun herplaatsing in opstand zijn gekomen, of men gaat intellectuelen vermoorden of in kampen stoppen.

    In de algemeenheid van de propagandaposter gaat veel informatie verloren. Een ding blijft altijd bestaan: de wrange bijsmaak is ingebakken in de mooie kleuren, mooie dames, glimlachen, bloemen en kleurige shawls en frivole ballonnentrossen.

    De dame zonder glimlach is dan opeens het enige mooie, hoopvolle, de toekomst van China.

     

    (Achtergrondbeeld komt uit: The Chinese Photobook, From the 1900s to the Present, een verzameling fotoboeken. Curated by Martin Parr and WassinkLundgren 


    Dit was een bijdrage over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

  • Fotosynthese 3 – De relativiteit van het beeld


    Aangezien deze rubriek geïnspireerd is door het werk van Rudy Kousbroek (en dan met name zijn Fotosynthese-serie: Opgespoorde wonderen, Verborgen verwantschappen en Het raadsel der herkenning), is het niet meer dan logisch om hier ook stil te staan bij zijn werk. Kousbroek liet zich inspireren door een foto, schreef er dan een eigen verhaal bij. Na het lezen van zijn beschouwing, kijk je anders naar de foto, op zijn manier. Gelijk wordt de blik van de lezer op de foto gericht en zoekt men naar wat Kousbroek zag – de boodschap achter de afbeelding. Ik moet zeggen dat niet alle foto’s van Kousbroek zo sprekend voor mij waren als de verhalen die hij ernaast plaatste, soms zag ik het gewoon niet en was het voor mij slechts een foto. Dat doet de vraag rijzen: hoe moeilijk kan een foto zijn?

    De achtergrondafbeelding van deze keer is greep uit de beeldbank van het Gemeente Amsterdam Stadsarchief (http://beeldbank.amsterdam.nl/beeldbank). Een stel zwart-wit prenten willekeurig bij elkaar geplaatst, maakt niet uit welke, en je krijgt gelijk het gevoel dat de beste verhalen onbeschreven verloren gaan. Foto’s die je doen nadenken over hoe de wereld veranderd is, zoals een luchtballon op de Wereldtentoonstelling. Daar hebben duizenden mensen zich staan vergapen aan iets waar wij nu de schouders over ophalen. 8e79ca1a-99ea-4187-8b0b-f22452fb6400

    In de collectie zijn ook opmerkelijke portretten te vinden van wat destijds eigenzinnige mensen moeten zijn geweest, zoals een man die tegendraads zijn hond op schoot neemt voor de nette portretfoto. 689bfa41-2ba0-40fd-71bc-b60501ea6ca9En zelfs tamelijk ‘saaie’ of ‘simpele’ taferelen kunnen met wat uitleg interessant worden. Neem de foto hieronder, een man die wat aan het klussen is? Nee, deze man is niet zo maar een klusser, hij is ambachtelijk bezig met het vervaardigen van een onderdeel van wat later bekend zal worden als de Gouden Koets. Elk onderdeel van de koets waarvoor hij verantwoordelijk was heeft hij met veel aandacht en toewijding gemaakt. Het zal een hoogtepunt zijn geweest in zijn carrière, zo niet het toppunt. a4b6eac0-6a4d-f635-4af0-38a317a313c7Zijn naam staat er niet bij, zoals zovelen is hij anoniem de geschiedenis ingegaan.

    En zo zijn twee uren voorbij gevlogen, gewoon door in het archief te duiken, want puur door de hoeveelheid foto’s die beschikbaar zijn, zijn er altijd wel intrigerende foto’s te vinden, alhoewel ze (voor mij) telkens leiden tot een misschien wat deprimerend besef van relativiteit – de wereld vergeet de levens die ons voorgingen. Onbekende gezichten, nietszeggende namen en obscure gebeurtenissen…
    Misschien is dat wel de kunst van Kousbroek, hij kijkt naar oude foto’s en komt niet (zoals ik) op het punt uit dat de geschiedenis relativiteit brengt waardoor persoonlijke verhalen verloren gaan. Kousbroek brengt het verleden opnieuw tot leven, zelfs als de foto niet zoveel zegt.

    Een andere auteur die een bijzonder opbeurende toon weet te geven aan de door hem gebruikte beelden is Jonathan Safran Foer in zijn Extreem luid en ongelooflijk dichtbij. Daarin wordt de wereld gezien door de blik van een jongetje. De foto’s die hij erbij heeft gekozen, bijvoorbeeld van een sleutelgat van een deur, zorgen ervoor dat benadrukt wordt hoe een kind de wereld ziet –de meest onbenullige en kleine dingen spreken tot de verbeelding. Foers verhaal, hoe mooi ook, speelt zich echter af aan het begin van deze eeuw (specifiek na 9/11), hij duikt dus niet heel erg de geschiedenis in en de foto’s zijn meer ondersteunend voor het verhaal. Bovenal benadrukt het de manier waarop het personage tegen de wereld aankijkt, de afbeeldingen staan er niet bij om het verhaal meer waarachtigheid te geven.

    Kortgeleden ontdekte ik weer een nieuwe grootmeester van het fotoverhaal, William Boyd. Zijn recent verschenen werk De vele levens van Amory Clay, verhaalt over het leven van Amory Clay met beeldmateriaal. Het is geschreven als een historische roman die gebaseerd is op een bestaand figuur en suggereert dat hij de foto’s erbij heeft gevonden. Niets is minder waar; de foto’s waren de aanleiding om een prachtig verhaal te schrijven met een fictief karakter. Het verschil met Kousbroek is dat hij de suggestie wekt dat de foto’s bij de de realiteit van zijn hoofdpersoon horen. Hij verwijdert alle mogelijkheid om als lezer zelf iets anders te zien, het is Amory Clay, niet een onbekende vrouw die toevallig op de foto staat. Kousbroeks prenten zijn het begin van zijn verhalen, Boyds verhaal is uit de foto’s ontstaan.

    Binnen de hedendaagse literatuur is het een interessante ontwikkeling om te zien hoe men met afbeeldingen speelt. Vroeger zou een foto alleen bij een tekst geplaatst worden als de verbinding ermee evident was. De bedoeling was dan om de tekst feitelijkheid te geven, waarbij het beeld de lezer een nog beter idee geeft van wat er omschreven werd. Tegenwoordig is de literaire wereld gevarieerder. Naast foto-geïnspireerde verhalen zoals die van Kousbroek zijn er veel auteurs die vrijelijk spelen met de kracht van het beeld. De objectieve waarheid is tenslotte helemaal niet primair in de literatuur. Daarop kan men wel gelijk kritisch uitroepen dat zo de waarachtige werking van een foto op den duur wordt aangetast, maar dat is natuurlijk afhankelijk van hoe de lezer ermee omgaat. Het is niet alleen hoe je naar de foto kijkt, maar ook hoe je dat verwerkt. Persoonlijk, heb ik liever het hergebruik en de toeëigening van prenten van onbekende gezichten, dan dat zij helemaal verloren gaan – zelfs als ik hier en daar de boodschap van de foto mis.

     


    Dit was het derde verhaal over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl

     

  • Fotosynthese 2 – De bezegelde slavernij


    Een paar jaar geleden ontving ik een brief van een goede vriend met een bijzonder postzegelvel erop. Op een van de postzegels stond dit schilderij, De dans van de Tapuya indianen van Albert Eckhout. De zegels behoorden tot de collectie Grenzeloos Nederland & Brazilië; een speciale uitgave die tot stand kwam op initiatief van de Braziliaanse Ambassade. De Brazilianen gaven een setje uit over de Nederlandse periode in hun geschiedenis. Dat inspireerde op hun beurt TNT-post en zij gaven met Braziliaanse goedkeuring hun eigen reeks uit. Toch aardig van die Brazilianen om geen wrok meer te koesteren over dat kolonialistische verleden.

    De geschiedenis ligt achter ons, verbloemen of verbergen is niet goed, maar er trots op zijn gaat ons tegenwoordig toch wat ver. Zo was er een paar jaar geleden nog veel te doen over een standbeeld in Hoorn, van Jan Pieterszoon Coen, die in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) de slavenhandel bedreef in Oost-Indië. Het standbeeld staat er echter al sinds 1893, is sinds 1965 een rijksmonument en zodoende ook redelijk verzekerd van zijn plaats.

    Niet Jan Pieterszoon Coen, maar Johan Maurits (ja, die van het Mauritshuis) reisde namens de WIC (West-Indische Compagnie) naar Brazilië. Als gouverneur zette hij er suikerplantages op, maar hij bracht ook schilders en schrijvers mee, zoals Albert Eckhout en Zacharias Wagener, om de ontdekkingen aldaar wetenschappelijk vast te leggen. Eeuwen later staat het werk van deze onderzoekers op de postzegels die de historische relatie van Nederland en Brazilië eren.

    De beschrijvingen op de postzegels fascineerden me. Zoals het onderstaande citaat:

    ‘(c. 1640) “De Tapuya’s dansen helemaal naakt in een kring, waarbij zij angstaanjagende kreten uitstoten. Zij bewegen zich twee of drie uur lang, zonder ophouden, ordelijk achter elkaar aan. […] De Tapuya-mannen lopen ongelooflijk hard en springen helemaal naakt door dorens en distels, slaken verschrikkelijke kreten en vallen hun vijanden met groot rumoer aan en verslaan hen met ritmisch gezang en dansen”. Zacharias Wagener’

    Een feitelijke beschrijving uit die vervlogen tijd, die TNT-Post aanvult met onder meer: ‘Johan Maurits had een goede verhouding met deze stam en bracht zes van hen mee naar Holland en liet hen de fascinerende rituele dans uitvoeren.’

    Een goede verhouding? De Nederlanders waren slavenhandelaren en de bestuurders van het land, zo veel keus zullen deze mensen heus niet gehad hebben. Je leest die wegmoffelende beweging in hun woordkeuzes. Ja, een postzegel is ook te klein om daadwerkelijk recht te kunnen doen aan alle kanten van het verhaal. Bovendien wilden de Brazilianen in hun eigen collectie ook niet echt stilstaan bij de slavernij. Die kant van de geschiedenis is er nu eenmaal, we hebben gewoon geen onbevlekt verleden, maar laat dat de historische banden vooral niet te veel domineren. Desalniettemin is het enigszins sneu dat we ons, omwille van de culturele uitwisseling, slechts kunnen beroepen op deze ‘wetenschappelijke’ benadering. Men zag geen gelijken, men zag de inboorlingen als ondergeschikten en onbelangrijke wezens, als arbeidskracht en als soldaten die niet gemist zouden worden.

    Het journaal van BontekoeNederland is nu eenmaal groot geworden met de VOC en die economische bloeitijd betekende ook dat we cultureel actiever werden. In die periode, De Gouden Eeuw, zijn er prachtige (literaire) werken geschreven over dat VOC-leven, zoals het reisverslag van Bontekoe. Uit deze tijd zijn vele spannende avonturenverhalen overgeleverd, die het mogelijk maken om over de superioriteitsmentaliteit van toen te lezen; maar waarom zouden we dat goed willen begrijpen? Er gingen eeuwen overheen voordat het enigszins veranderde. Tweehonderd jaar later viel bijvoorbeeld in Multatuli’s Max Havelaar te lezen hoe de Javanen uitgebuit werden. Vooruitgang gaat traag.

    De tijden veranderen desondanks wel, en alhoewel we niet in staat zijn om een standbeeld weg te halen, zijnThe Sex Live of Cannibals we wel in staat ons besef te ontwikkelen. Op een postzegel verwijzen we er stilletjes naar. In de huidige reisliteratuur is de vroegere automatische minachting voor de autochtone bevolking bijna geheel verdwenen. De vreemdeling en diens rare gebruiken bieden juist iets dat we gemist hebben in Europa: denk aan het verfilmde boek Zeven jaar in Tibet van Heinrich Harrer of het (niet naar Nederlands vertaalde) The Sex lives of Cannibals van J. Maarten Troost (een Nederlandse Amerikaan). We mogen onszelf proberen te spiegelen aan de ander, zien verschillen en ontdekken tekortkomingen bij onszelf – de vreemdeling is een verrijking.

    Tegenover de moderne reisverhalen zijn die van vroeger niet echt meer realistisch te lezen als verhalen die nog iets over het individuele leven kunnen leren. De achterhaalde superioriteitsvisie wordt terzijde geschoven en men leest het slechts voor de avontuurlijke aard. Als we het al ergens anders om lezen, dan juist om neer te kijken op die meerwaardigheidsgevoelens – zodat we ons beter kunnen voelen dan de mensen die zich beter voelden dan anderen?

    PostzegelvelIk vraag me af wat er met Maurits’ dansers is gebeurd; dat heb ik nergens kunnen terugvinden. Zij hebben tenminste iets van een plek in de geschiedenisboeken – ze staan zelfs op Nederlandse postzegels –, dat kan van vele anderen niet gezegd worden.

     

     

     

     


    Dit was het tweede verhaal over de achtergrondfoto van de site. In deze rubriek die naar Rudy Kousbroeks mooie genre-idee ‘Fotosynthese’ heet, wordt informatie gegeven over de afbeelding die dienst doet (deed) als achtergrond bij deze website.
    Fotosynthese dus: een rubriek waarin beeld en tekst een verbinding aangaan. Heeft u ook een idee? Lever een achtergrond, met context, of lever context bij een achtergrond. Suggesties: redactie@literairnederland.nl