• Europese cruise onder ongelukkig gesternte

    Een tocht rond de Middellandse Zee in een cruiseschip. Voor velen staat dat gelijk aan een gedwongen verblijf in een vervuilende gevangenis, maar voor gemakzuchtige consumenten schijnt het de hemel op zee te zijn. In Die Erweiterung,  door Wil Boesten vertaald als De uitbreiding – de tweede Europa-roman van de Weense auteur Robert Menasse – vaart een Europees topgezelschap mee in het luxe deel van zo’n cruiseschip. Alle regeringsleiders van de Balkanstaten, de EU-ministers van buitenlandse zaken en andere vertegenwoordigers, plus hun ambtenaren. Dit op uitnodiging van de regering van Albanië, die de onderhandelingen wil beginnen over toetreding tot de EU en het gezelschap gunstig wil stemmen voor een aan de uitbreiding gewijde conferentie drie weken later in Poznań. Menasse baseert zich in De uitbreiding op een historische gebeurtenis, en wel het veto van Macron (en Rutte) in 2019 op de toetreding van Albanië. De spanning zal niet bedorven worden door te vertellen hoe de cruise afloopt.

    Zo er een Dichter des Vaderlands is, zou Menasse Schrijver van Europa kunnen zijn. Al decennia geldt hij als een warm pleitbezorger van een verenigd Europa. Verschillende essays en twee dikke romans heeft hij daaraan gewijd. En zojuist verscheen het essay, Die Welt von morgenMenasses Europa-project begon meer dan dertig jaar geleden, in 1992. Toen publiceerde hij de lange beschouwing over de Oostenrijkse identiteit, Das Land ohne Eigenschaften. Over het verleden van zijn land, de onprettige erfenis van het austrofascisme en de enthousiaste ‘Anschluss’ bij het Derde Rijk, plus de incompetenties van hedendaagse Oostenrijkse politici. Dat het land beter kon opgaan in een post-nationaal Europa was daarin vrijwel de automatische conclusie. 

    De titel verwees uiteraard naar Robert Musils Der Mann ohne Eigenschaften (1930-1933), vertaald door Ingeborg Lesener als De man zonder eigenschappen, (1988-1991). Aan deze voor Oostenrijkers iconische roman ontleende Menasse ook het thema voor Die Hauptstad (2017, door Paul Beers vertaald als De hoofdstad (2018). Bij Musil moet aan de vooravond van de Grote Oorlog het jubileum van de Oostenrijkse en Duitse keizers worden gevierd. Menasses ‘Big Jubilee Project’ moet dat van de Europese Commissie voorbereiden.

    Tweede Wereldoorlog nooit ver weg

    De hoofdstad werd bevolkt door verschillende EU-ambtenaren. Via het jubileum-project jagen zij hun ambities, dan wel hun ondergeschikten die de plannen moeten ontwikkelen en de boven hen gestelden die kunnen dwarsliggen, na. Het belangrijkste personage is de sympathieke Nederlandstalige Brusselaar die Auschwitz overleefde. Deze oude Joodse man, die telkens opduikt tussen de ambtelijke machinaties, overlijdt bij een islamistische aanslag. Hij was de beoogde overlevende die het EU-jubileum in Auschwitz moest symboliseren. Volgens een Oostenrijkse professor zou het voormalige kamp zelfs de hoofdstad van de EU moeten worden. Opmerkelijk is dat de Tweede Wereldoorlog nooit ver weg is bij Menasse. Ook in De uitbreiding komen veel verschillende personages voor – net als Balzac, waar Menasse in vaak naar verwijst – maar hij weet zijn verhaal wederom overzichtelijk te houden. Ten eerste omdat hij veel ruimte aan hun voorgeschiedenis besteedt, ten tweede omdat hij zijn scheppingen met elkaar verbindt via collegiale-, familiale- of liefdesrelaties.

    Ging De hoofdstad over Brussel, in De uitbreiding zoekt Menasse de periferie op. Polen en Albanië. De Poolse EU-ambtenaar Adam Prawdower was in de katholieke strijd tegen de communistische dictatuur de bloedbroeder van de huidige premier van zijn land, de conservatieve PiS-nationalist Mateusz. Adam is geschokt dat een andere bloedbroeder zich uit protest tegen het PiS-beleid in brand heeft gestoken. Wanneer hij Mateusz opzoekt in Warschau reageert deze cynisch en – Adam is Joods – antisemitisch. De premier heeft hun eed verraden en de consequentie daarvan is dat zijn bloedbroeder hem zou moeten doden.  Overigens is het katholieke Polen tegen de toetreding van Albanië omdat het een islamitisch land is.

    Verbeelding aan de macht

    Een belangrijk personage is de premier van Albanië, voormalig kunstschilder en sportheld die een dichter heeft benoemd tot cultuurhoofd. De verbeelding aan de macht bij Menasse. De dichter bedenkt na het veto van Macron en c.s. een zeer creatieve vlucht naar voren. Wanneer Albanië geen toegang krijgt tot de EU, streeft het naar een Groot-Albanië zoals dat zeshonderd jaar geleden bestond onder de vorst Skanderbeg. Het gegeven dat Skanderbeg tegen de Ottomanen vocht, kan in hun voordeel zijn. Ismail Fati, hoofd voorlichting heeft moeite met het feit dat de premier de helm van Skanderbeg daarbij op zijn eigen hoofd moet zetten. Hij heeft ook individuele problemen. Zijn ouders behoorden tot de ‘inner circle’ van dictator Enver Hoxha, waardoor hij een soort prinsje was en daardoor onder het nieuwe bewind enigszins verdacht. Daarenboven lijkt zijn verliefdheid voor een journaliste niet enthousiast te worden beantwoord.

    Net als bij De hoofdstad heeft De uitbreiding een thriller-laag. De helm van Skanderbeg met geitenkop bevindt zich in de Weense Hofburg en wordt gestolen. Omdat het hoofd van de premier groter is dan dat van zijn ‘voorganger’, laat hij in Tirana een passende kopie maken. Ook die wordt gestolen, wat leidt tot allerlei komische verwikkelingen. Al heeft de Albanese maffia weinig om te lachen. Een EU-collega van Adam Prawdower is de Oostenrijker Karl Auer, belast met de portefeuille Albanië. De Wener commissaris Franz Starek die de gestolen helm moet opsporen, blijkt zijn neef. 

    Dan zijn er de moeizame liefdesrelaties van Ismail Fati en de journaliste Ylbere Lenz, en die van Karl Auer en de Albanese ambtenaar Baja Muniq Kongoli. De laatste relatie kent het gebruikelijke, aanvankelijke ongemak van mensen uit verschillende culturen. Een gering Bouquet-reeks gehalte dus.

    Sluier als hommage Moeder Theresa

    De beschrijvingen van het dagelijks leven in Albanië zijn bijzonder boeiend. De inwoners blijken bijvoorbeeld geen bewonderaars te zijn van de VS, maar juist van de Bondsrepubliek. De voornaam Baja Muniq betekent bijvoorbeeld Bayern München. Grappig is de scene waarin Baja haar Oostenrijkse minnaar Karl Auer, Iraanse moslims laat zien die na het vrijdaggebed op een terras aan de overkant van de moskee een biertje drinken. De enige vrouwen met een hoofddoek die Karl tegenkomt zijn christelijk, als hommage aan de ultraconservatieve Moeder Theresa die oorspronkelijk uit Albanië kwam.

    Indrukwekkend is de Albanese ‘kanun’. ‘O ja, bloedwraak’, zegt Karl, maar het blijkt een erecode die ook gasten onder alle omstandigheden beschermt. Hierdoor lieten islamitische Albanezen tijdens de Duitse bezetting (gevluchte) Joden massaal onderduiken, (jammer dat Mona Keizer geen boeken leest). Zoals de Joodse grootvader van Yberle die als jongeman bij een boer was ondergedoken. De bezetters klopten aan de deur, maar zijn gastheer had de ‘Besa’ (belofte van eer, een Albanees cultureel gebod) gezworen en gaf de bezetter zijn zoon die later in een kamp overlijdt. Yberle viert nog elk jaar met haar familie de sterfdag van de boerenzoon. Zij wil meer weten over de toedracht en gaat vergezeld van Ismail naar het dorpje aan de grens waar ooit de gastvrije boer met zijn familie woonde. Onderweg horen ze gruwelijke verhalen over Servische ‘ordetroepen’ die daar aan het eind van de vorige eeuw op zoek naar gevluchte Kosovaren, het vee doodden en vrouwen verkracht hebben. In het dorp waren veel vluchtelingen uit Kosovo die samen met de dorpelingen door Servische mijnen invalide werden.

    Hoe alles mislukt

    Menasse laat impliciet de eed van de bloedbroeders uit het katholieke Poolse verzet echoën met de ‘Besa’ die de overgrootvader heeft gezworen over zijn gastvrijheid. Bij overtreding daarvan zou hij bloedwraak over zijn familie kunnen afroepen. Het einde van De uitbreiding is even somber als dat van De hoofdstad. Ylbere heeft niets naders over haar voorouders gevonden. Adam Prawdower wilde zijn bloedbroeder op het schip in de internationale schijnwerpers aanklagen. Lukt niet. Commissaris Franz Starek wist zeker dat hij daar het geheim van de gestolen helm zou ontraadselen. Neen. De Albanese premier en zijn helm? Mislukt. Over de belangrijkste oorzaak van die mislukkingen kan weinig gezegd worden, dat zou een spoiler betekenen. Tip: bewaar het kaartje met de vaarroute voor het allerlaatst.

    Op 6 juni kiezen de EU-landen een nieuw parlement en velen houden hun hart vast voor de uitslag. Meer radicaal rechts en nationalisme, precies waarvoor Menasse al jaren waarschuwt. Daarom lijken zijn boeken onder een zeer ongunstig gesternte te verschijnen. Zeker als het om de uitbreiding van de EU gaat. Dat Albanese cruiseschip, weliswaar ‘state of the art’ als het om duurzaamheid gaat, illustreert ook het onvermogen van landen die tot de EU willen toetreden en om zich in te leven in de publieke opinie. Cruiseschepen gelden voor steeds meer Europeanen als uiterst vervuilend en eerder als last voor de plaatsen die ze bezoeken – Amsterdam, Venetië, Barcelona, Mallorca – dan een lust. Albanië zelf pakt de toeristenindustrie ouderwets aan. De kust volstampen met betonnen kolossen en goedkope eettentjes, met als belangrijkste attracties de duizenden kleine bunkers die de paranoïde dictator Enver Hoxha ooit liet bouwen. 

    De wereld van morgen

    Albanië neemt sinds kort vluchtelingen op uit het Italië dat de onafhankelijke omroepjournalistiek wurgt. De politieke verhoudingen van het land lijken niet erg stabiel en de persvrijheid laat te wensen over. Albanië zou bovendien een ‘Erdoğannetje’ kunnen doen: wetten en maatregelen invoeren, zogenaamd om aan de EU-eisen te voldoen, maar die de facto de oppositie uitschakelen. In Georgië kiest de regering uiteindelijk voor een pro-Russische koers. Het door Poetin geteisterde Oekraïne wordt er niet democratischer onder. Illiberale regeringen zijn de baas in Hongarije en Slowakije. Polen leek bevrijdt te zijn van PiS, maar die partij werd opnieuw de grootste bij recente gemeenteraadsverkiezingen. Eenzelfde ontwikkeling is te zien in Slovenië. 

    In de Baltische landen en Kroatië dreigt al jaren radicaal-rechts met rechts te gaan regeren. In Zweden, waar de rechtspopulisten zelfs de grootste regeringspartij vormen, is dat al de praktijk, net als recent in Finland. En nu is Nederland aan de beurt. Als het grootste gevaar beschouwt Menasse in zijn recente essay Die Welt von morgen dan ook niet de groei van radicaal-rechts, maar de keuzes van rechts om uit opportunistische, machtspolitieke motieven met radicaal-rechts samen te werken. Zoals tegenwoordig Ursula von der Leyen met Marine Le Pen. Maar nog steeds wil Menasse dat de mensen in het Europa van de regio’s een ‘demos’ gaan vormen. Een gemeenschappelijke democratie en rechtsstaat, op basis van mensenrechten, gelijke randvoorwaarden en kansen voor allen die in Europa wonen en hun geluk proberen te vinden. We blijven met hem mee hopen.

     

     

     

     

     

     

     

     

  • Surinaamse verhalen toegankelijker maken voor Nederlandse lezers

    Velen kunnen door de Surinaamse literatuur kennis maken met Suriname, zijn inwoners, hun culturen en gebruiken. Voor personen van Surinaamse komaf en anderen die een binding hebben met het land, is het herkenning. En verscholen aspecten kunnen ontdekt worden. De Surinaamse identiteit wordt door de lokale literatuur namelijk gedeeld met de buitenwereld.

    In Nederland zijn enkele Surinaamse schrijvers bekend, zoals Michael Slory, Astrid H. Roemer en Cynthia McLeod, maar een groot aantal Surinaamse schrijvers zijn onbekend. Dat heeft onder meer te maken met de kwaliteit van het werk als originaliteit, structuur, ideeën en ook de taalhantering. Maar ook de gestelde taaleisen in Nederland, zoals het algemeen beschaafd Nederlands (ABN) en de Surinaamse zinsconstructies zijn uitdagingen. Dat kan de reden zijn dat Nederlandse uitgevers geen potentie zien in Surinaamse auteurs. Toch verdienen Surinaamse verhalen het om over hun eigen landsgrenzen gebracht te worden om zodoende deel uit te maken van de totale wereldliteratuur. Er zijn een aantal schrijvers die buiten Suriname uitgegeven zouden moeten worden. Zij worden genoemd in het boek Jaguarman van Raoul de Jong en in Dat wij zongen, samengesteld door De Jong, Julien Ignacio en Michiel van Kempen. Aangezien Suriname en Nederland een gedeeld verleden hebben en een gezamenlijke toekomst tegemoet gaan – als we kijken naar historische en culturele banden, gedeelde taal en het grote aantal verdeelde families over beide landen – is het belangrijk dat de Surinaamse literatuur overzee een plek krijgt. En er zijn meer verhalen in de Surinaamse literatuur te ontdekken dan enkel die over het slavernijverleden.

    De ontwikkeling van Surinaamse verhalen

    In Suriname werden tijdens het overgrote deel van de koloniale periode (1667-1975) verhalen en informatie onder de tot slaafgemaakten mondeling overgebracht, want slaven was het verboden te leren lezen en schrijven. Volgens onderzoek van de Surinaams taaldeskundige en surinamist Hein Eersel (1922-2022) werd in 1876 de algemene leerplicht ingesteld en werd het Nederlands als schooltaal ingevoerd. Andere talen werden uitgesloten van het onderwijs, wat inhield dat leerlingen hun moedertaal niet op school mochten spreken en de ouders min of meer gedwongen werden hun kinderen Nederlands te laten spreken. Deze maatregel heeft de tweetaligheid onder de bevolking sterk doen toenemen. Thuis, bij onder meer de nazaten van tot slaafgemaakten en de immigranten, werd het Sranantongo en de andere betreffende moedertalen gesproken. Dit zorgde ervoor dat er op de Nederlandse taal een variëteit ontstond, die verschilt op het vlak van uitspraak, woordenschat en grammatica van het Europese Nederlands. 

    In de afgelopen vijftig jaar werden boeken, geschreven in het Surinaams-Nederlands, steeds meer uitgegeven in Nederland. Zoals Sarnami, hai van Bea Vianen, uitgebracht in 1969 door Querido en Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, uitgebracht in 1995 door uitgeverij Conserve. Het opmerkelijke van Vianen is dat zij de eerste Surinaamse schrijfster is geweest wier debuutroman in Nederland is uitgegeven.

    De verhalen van deze schrijvers en anderen, hebben de Surinaamse literatuur gekleurd en behoren tot  de literaire canon van Suriname, mocht die er ooit komen. Volgens neerlandicus Hilde Neus worden er wel pogingen ondernomen om tot een Surinaamse canonlijst te komen, maar is er een probleem met het vaststellen van de criteria. Het leespubliek in Suriname is namelijk anders en Neus denkt dat de selectiecriteria meer in samenhang moet zijn met de structuur van de Surinaamse samenleving, op historisch, cultureel en ontwikkelingsniveau. Neerlandicus Jerry Dewnarain heeft enkele vragen geformuleerd, zoals aan welke eisen moet een boek voldoen om tot de Surinaamse canon gerekend te kunnen worden. Dewnarain deed dit voor zijn afstudeerthesis van de masters Nederlandse taal en cultuur waarvan hij de literatuurpoot heeft afgerond.

    Opvallend is dat Surinaamse literatuur de afgelopen jaren volop in de belangstelling staat in Nederland. Schrijvers met Surinaamse afkomst krijgen enorm veel aandacht. Raoul de Jong heeft dit jaar het Boekenweekessay geschreven. Met de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren in maart 2021 werd Astrid H. Roemer de eerste Surinaamse auteur die voor haar gehele oeuvre werd bekroond met deze prestigieuze literaire prijs. Bijdragen zoals de Ibisprijs van de Taalunie, opgezet in 2022, motiveren Surinaamse schrijvers ook om hun gedachtegoed neer te pennen en krijgen daardoor de aandacht van een groter publiek.  Deze ontwikkelingen zorgen voor positieve aandacht voor het land en voor motivatie waar de Surinaamse schrijvers verder op kunnen voortborduren.

    Authenticiteit behouden

    De Surinaamse literatuur is zeker aan verdieping toe. Verhalen zijn voor verbetering vatbaar qua vertelstructuur en zinsformulering, maar er moet voor gewaakt worden dat de authenticiteit van de Surinaamse verhalen niet verloren gaat. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Het Surinaams-Nederlands heeft namelijk bepaalde woorden en uitdrukkingen die andere betekenissen kennen of gewoon een andere context dan in  Nederland en dat wordt in veel gevallen als ‘fout’ gezien. Bijvoorbeeld het woord ‘tof’ betekent in Nederland fijn of gaaf, maar in Suriname betekent het moeilijk en zwaar. Daarin zullen zowel de schrijvers als redacteuren of uitgevers compromissen moeten bereiken, want niet altijd moet een zin of woord veranderd worden omdat het in eerste instantie als ‘verkeerd’ wordt gezien.  Als schrijver wil je dat de lezer jouw teksten zo juist mogelijk ervaart.

    Volgens Robby Parabirsing, voorzitter van de Schrijversgroep ’77 – de actiefste, grootste en oudste schrijversorganisatie in Suriname – en beter bekend onder zijn schrijversnaam, Rappa, kan de kwaliteit van de Surinaamse verhalen ook verbeterd worden door onder meer (jonge) Surinaamse schrijvers tot schrijven te stimuleren via schrijfwedstrijden met aantrekkelijke prijzen, zoals een geldbedrag en schrijf workshops. Het is verder ook belangrijk dat er in Suriname meer geïnvesteerd wordt in het ontwikkelen van schrijven door middel van cursussen en trainingen. Meer engagement met andere schrijvers binnen en buiten Suriname zal de literaire ontwikkelingen goed doen en zal alleen maar positief zijn voor de schrijver. Door op gerenommeerde en serieuze platforms zoals weblogs te publiceren, komt er tegelijkertijd een gedegen feedback op hun werk.

    Een goede schrijver worden

    Een goede schrijver hoeft niet succesvol te zijn, maar om een goede schrijver te worden, daar gaat veel tijd en moeite in zitten. In Suriname is het zeker een uitdaging een goede schrijver te worden. Maar door de slechte economische situatie in het land zijn velen eerder bezig  om het hoofd boven water te houden. Daarnaast heerst er niet echt een leescultuur en ouders die vroeger nog wel eens een boekje kochten voor hun kinderen, kunnen zich dat nu niet meer veroorloven. Waar scholen vroeger de opbrengst van de snoeppauze besteedden voor het aanvullen van hun mediatheek, kunnen zij dat nu niet meer doen. De grotere bibliotheken hebben geen financiële middelen om boeken aan te kopen. 

    In Suriname bereik je dus geen hoge verkoopcijfers wanneer je een boek uitbrengt. Dit kan een schrijver danig demotiveren. Verder krijgen schrijvers weinig ruimte  om hun visie te delen over onder meer de toestand in het land, de situatie in de wereld of andere belangrijke zaken die zij willen belichten. Dit in tegenstelling tot Nederland waar schrijvers wel de ruimte krijgen een bijdrage te leveren aan de opinievorming in de samenleving. Wegens gebrek aan financiële middelen worden er in Suriname ook weinig literaire activiteiten georganiseerd. Gelukkig lukt het de Schrijversgroep ‘77 nog om maandelijks een thema-avond te organiseren die in een bepaalde literaire behoefte voorziet. In het verleden is er een aantal uitwisselingsprojecten geweest tussen Suriname en Nederland zoals ‘Winternachten Tournee Suriname’ in 2004. Het zou interessant zijn als deze projecten weer worden opgestart of op een andere manier worden voortgezet. Los van het delen van inzichten tijdens zulke literaire events, zijn het ook goede momenten voor schrijvers om met elkaar te praten over elkaars werk.

    Meer produceren

    Volgens Robby Parabirsing (Rappa) is de Surinaamse variatie op het Nederlands via de Taalunie wel geaccepteerd, maar bij het doorsnee Hollands lezerspubliek nog niet zozeer.

    ‘In plaats van lesbrieven en allerlei projecten voor de opleiding Nederlands van het Instituut voor de Opleiding Van Leraren zou de Taalunie meer fondsen beschikbaar kunnen stellen voor bijvoorbeeld schrijfwedstrijden en/of workshops. Ik vond de ontmoeting met de Taalunie onlangs in oktober 2022, maar teleurstellend voor het stimuleren van het Surinaams-Nederlands als literaire taal en de activiteiten daaromheen. Ze focussen meer op die opleiding Nederlands, wel goed, maar ik merk weinig positief effect in de praktijk. Het merendeel van de studenten op de opleiding leert alles uit hun hoofd, om snel af te studeren en om flink wat uren te maken. Voor Nederlands maak je namelijk vier uren per klas op het Voortgezet Wetenschappelijk Onderwijs. Men kweekt geen taalwetenschappers en promotors van de Surinaamse literatuur. De geslaagden van de opleiding Nederlands versmallen juist de belangstelling voor het lezen van de Surinaamse literatuur in het Surinaams-Nederlands. Met poëzie is het nog erger gesteld. Let wel, dit geldt niet voor die enkelen die wel hun best doen dit te stimuleren, maar ze vormen een minderheid.’

    Er zouden meer Surinaamse verhalen in Nederland gepubliceerd moeten worden over de rijke Surinaamse cultuur, hun zienswijze op zaken zoals de gedeelde geschiedenis en het leven in Suriname. In een speciale Suriname editie van literair tijdschrift Tirade Prakseri, dat in november 2022 uitkwam, heeft het Nederlandse publiek als voorproefje kennis kunnen maken met bekende en onbekende Surinaamse schrijvers.

    Naar mijn mening moet er een tijd komen dat men niet meer om de in Surinaamse wonende schrijvers heen kan. Natuurlijk zijn er de boeken over Suriname die in het verleden geschreven werden door buitenlanders die er hebben geleefd en hun ervaringen hebben opgeschreven. Maar het wordt tijd dat Surinaamse schrijvers hun eigen inzichten over en ervaringen met hun land delen met de wereld en daarvoor de ruimte krijgen.

     

    Bronnen:

    • Scriptie Suriname in de Nederlandse Taalunie van Ruth Brandon
    • Expositie Surinaamse Schrijvers, De weg naar een onafhankelijke literatuur van het literatuurmuseum
    • Jerry Dewnarain, neerlandicus
    • Hilde Neus, neerlandicus

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Hij schrijft artikelen voor OneWorld en blogt voor Tirade.nu.

     

     

     

  • Interessante poging neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren


    Wat betekent de neerlandistiek nog in dit land en heeft een bundel van een hoogleraar in deze vakdiscipline een meerwaarde voor het begrijpen van de moderne literatuur? Jos Joosten, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen waagt zich aan wat volgens hem een vrolijk boek is. Hij is van mening dat de neerlandistiek leeft als nooit tevoren. Is de bundel, Hoera! Een boek, reden om de vlag uit te steken?

    Laten we vrolijk beginnen. Joosten toont zich een goed stylist die in vlotte zinnen zijn verhaal vertelt waarbij hij zich richt tot een breed publiek waarbij hij onnodige vaktermen vermijdt. Hij besteedt aandacht aan de historische ontwikkeling van de studie Nederlands, levert zeventien besprekingen van romans en gedichtenbundels en buigt zich over actuele vakwetenschappelijke discussies. Dat is heel wat in een gering aantal pagina’s.
    Het merendeel van deze bundel is gevuld met besprekingen van romans en dichtbundels. Het betreft onder meer boeken die volgens hem ten onrechte onderbelicht zijn gebleven en andere die onverdiend en in overvloed die aandacht wél kregen. Hij ziet in deze besprekingen af van zijn rol als wetenschapper. Een criticus oordeelt en een wetenschapper analyseert. Joosten oordeelt hier te kust en te keur.

    Joosten is ongenadig in zijn afwijzing. Enkele veelvuldig bewierookte of onder publiciteit bedolven schrijvers sabelt hij met veel plezier neer. Met rake diskwalificaties omschrijft hij zijn afschuw van romancier Thierry Baudet: ‘James Last is de literatuur binnengemarcheerd’, maar ook gelauwerde auteurs als Jan Siebelink: ‘een drol met een strik erom’, Dimitri Verhulst: ‘sneue mix van zelfbeklag en puberbravoure’ en Saskia Noort, die hij – hoe dodelijk voor een literaire thrillerschrijver – ‘de totale-onwaarschijnlijkheidsbokaal’ uitreikt, moeten het ontgelden. Deze affakkelparade wekt sterk de lachlust op en geeft een vergelijkbaar genoegen als een tekst van Jeroen Brouwers over schrijvers in de jaren zeventig. 

    Aantrekkelijke broodjes om in te bijten

    Maar Joosten kan ook heel goed prijzen. Het werk van enkele door hem geprezen schrijvers schotelt hij voor als een erg aantrekkelijk broodje waarin je meteen wilt bijten. Schrijvers als Simone Atangana Bekono, Hannah van Binsbergen, Hanna Bervoets en ook (hoe onverwacht) Kluun krijgen van hem een positief oordeel. Zeer lovend is hij in het bijzonder voor het werk van de Tilburgse auteur en kunstenaar Nick J. Swarth. Joosten kan zijn enthousiasme voor Swarths roman De plasserparadox niet voor zich houden en smijt meteen al in de tweede alinea van zijn uitgebreide bespreking de conclusie op tafel: ‘(…) wat heeft Swart een tof boek geschreven!’

    Hij vindt de roman van Swarth schitterend. Waarom? Volgens hem voldoet Swarths roman in alle opzichten aan een aantal door hem geformuleerde criteria. De roman is volgens hem geschreven in een stijl die schittert en meesleept, het boek openbaart iets over aspecten van de hedendaagse wereld en Joostens eigen wereld ziet er na lezing anders uit dan voorheen. Hij is óók van deze roman gecharmeerd omdat hij zich erin herkent. De uitzichtloze wereld van een groep jongeren in Tilburg in 1980 die Swarth als onderwerp heeft gekozen, doet hem sterk denken aan zijn eigen studententijd in Nijmegen, waar hij betrokken was bij de oprichting van een afdeling van de PSP-jongeren.

    Gek genoeg noemt hij ‘herkenning’ van ondergeschikt belang bij de beoordeling van een roman. Is dat wel zo? Zou Joosten als hij een corpsstudent was geweest in Groningen de roman evenzeer hebben bejubeld? Is het niet juist vanwege de herkenning dat Joosten juist deze, door velen veronachtzaamde roman, de hemel in prijst? Hoe terecht zijn oordeel ook is, – Swarth schreef een interessante roman – het is wel een oordeel dat veel over Joosten zélf zegt. De wetenschapper en criticus Joosten kan bij het lezen zijn eigen persoonlijkheid niet uitvlakken. 

    Controversiële opvattingen

    In de bundel zijn drie artikelen opgenomen waarin hij vakwetenschappelijke discussies aanroert. Om maar meteen op zijn Joostens met de deur in huis te vallen: zijn opvattingen zijn controversieel en dagen uit tot een weerwoord. Joosten constateert dat ‘steeds vaker kwesties buiten de literaire tekst relevant en urgent worden.’ Het ‘Merlijnse dogma’ (= het werk, het werk en niets dan het werk) wordt niet langer algemeen beleden. Met name vragen omtrent de verhouding literaire werk en      persoonlijke leven van de schrijver worden tegenwoordig veelvuldiger gesteld. Een artikel gaat over de vraag wat het nut is van schrijversbiografieën.

    Dit thema wordt onder meer behandelt aan de hand van Vierspan: Over biografieën en het schrijven ervan, van schrijversbiograaf Jan van der Vegt. Joosten vindt deze studie ‘amusant’ maar heeft er verder geen goed woord voor over. Van der Vegt beweert dat biografen hun werk doen om aan de behoefte van de lezers te voldoen. Dat is natuurlijk een erg magere verantwoording voor het genre. Om nu op grond van zo’n zwakke verdediging het genre meteen naar de prullenbak van nutteloze zaken te verwijzen, zoals Joosten doet, is echter even dom als de medische wetenschap af te wijzen omdat Willem Engel onzin debiteert over Covid. 

    Joosten beweert dat een schrijversbiografie vrijwel niks toevoegt aan de strekking, inhoud of interpretatie van het werk van de schrijver. Ook hiervoor gebruikt hij voorbeelden die niet sterk zijn. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat de relevantie is van de dwangmatige onanie van Gerrit Achterberg voor de interpretatie van zijn werk en wat we leren over het werk van Adriaan Roland Holst, als we weten dat hij leed aan allerlei ‘private ongemakken’. Als de schrijversbiografie niet meer biedt dan deze petite histoire is deze inderdaad op zijn hoogst belangwekkend voor soapliefhebbers. Maar valt er dan niets méér over de waarde van een schrijversbiografie te zeggen? Heeft Joosten dan nooit een schrijversbiografie gelezen die de moeite waard is? Blijkbaar niet.

    Komt dat wellicht, omdat hij meer geïnteresseerd is – in navolging van de Franse socioloog Pierre Bourdieu – in de vraag wat op enig moment gezien wordt als literatuur en wie zich ermee bezighielden dan met de vraag wat de relatie is tussen de schrijver en het werk dat hij schreef. Ja, als je interesse niet ligt bij de schrijversbiografie, maar bij de vraag hoe men in een bepaalde periode over literatuur denkt, is dat vergelijkbaar met iemand die minder geïnteresseerd is in een krantenartikel over de spitspositie bij Ajax, omdat hij zelf keeper is.

    Een schrijversbiografie is hartstikke interessant als de biograaf een poging doet het werk te verbinden met de schrijver in zijn totale leefwereld. Uiteindelijk is het wel de persoon van de schrijver, gevormd door opvoeding, ervaringen en invloeden die dit werk geschreven heeft. Hij leeft in een eigen complexe historische biotoop die bestaat uit vele elementen. Het literaire werk is niet uitsluitend een product van die biotoop en wordt ook niet als een kant-en-klare boodschap door de schrijver ontvangen en doorgegeven, zoals Mozes overkwam op de Sinaï met de wetten voor het volk van Israël. Het is het resultaat van zijn omgang met de wereld, misschien is het schrijven van een roman wel een soort van overlevingsstrategie, om met de Engelse auteur Tim Parks te spreken. 

    Vermenging fictie en non-fictie

    Joosten laat in een ander artikel duidelijk merken dat hij grote moeite heeft met de vermenging van feiten en interpretatie, van fictie en non-fictie in de recente schrijfcultuur. Volgens hem is het literaire pact tussen schrijver en lezer in de laatste jaren verbroken. Dit pact houdt in dat de lezer van een fictioneel werk ervan uit mag gaan, dat de ik in het boek niet dezelfde is als de schrijver. Werkelijkheid en fictie zijn twee werelden, die niet ongestraft met elkaar vermengd mogen worden. Dat pact staat volgens Joosten op springen, doordat lezers opvattingen van personages in romans opvatten als de opvattingen van de schrijver zelf. Dat is echter niet alleen iets van de laatste jaren. Die fout maakte de criticus Aad Nuis al in de jaren tachtig in zijn bespreking van Mystiek Lichaam, het meesterwerk van Frans Kellendonk. Hij noemde de roman antisemitisch, omdat er een jood in voorkwam die niet bepaald een voorbeeldig leven leidde en geen sympathiek personage was.

    Volgens Joosten nemen schrijvers het zelf ook niet meer zo nauw met dat onderscheid. Zo verdedigde Philip Huff zijn roman onlangs door te zeggen dat het allemaal waar gebeurd is. Joosten laat zich kennen als een purist die wars is van allerlei hybride vormen in de huidige schrijfcultuur, waarin iedere willekeurige Nederlander tot schrijver wordt gebombardeerd, als zijn verhaal maar echt gebeurd is. En daar valt zeker wat voor te zeggen. Ook andersom geldt dat. Iemand die non-fictie schrijft mag van Joosten niet rommelen met de feiten.

    Hij neemt Willem Otterspeer, de biograaf van W.F. Hermans, kwalijk dat hij het genre van de biografie vermengt met dat van de historische romancier. Wanneer Otterspeer door andere kenners van zijn onderwerp gewezen wordt op feitelijke onjuistheden in zijn biografie beroept hij zich erop dat hij een creatieve (literaire) schrijver is, met andere woorden: hij mag zelf bepalen wat hij als feiten ziet. Het door elkaar mixen van feiten en verbeelding in een biografie, dat ziet Joosten juist, moet vermeden worden. Een biograaf die fantaseert in een biografie schrijft in feite een historische roman.

    Afkeer van moderne trends

    Joosten heeft een interessante poging gedaan om de neerlandistiek op een vrolijke manier te introduceren. Zijn recensies zijn meesterlijk, maar zijn weergave van enkele discussies binnen de neerlandistiek is nog geen reden de vlag te hijsen. Joosten neemt standpunten in, signaleert trends en stelt overal vragen bij, maar is dat dan de bijdrage van een hoogleraar in de neerlandistiek aan de moderne letterkunde? Het resultaat van al die jaren intensieve omgang met de moderne Nederlandse letterkunde, van lezen, onderzoek, schrijven, uitwisseling met studenten en vakgenoten? 

    Het is zeer de vraag of Joosten met zijn afkeer van moderne trends wel diep genoeg graaft. Het lijkt wel of hij een helder standpunt inneemt, maar het is wel heel erg vreemd dat hij in de bundel niet ingaat op het begrip autofictie. Hij ziet blijkbaar niet in dat alle fictie in feite autofictie is. Hij gelooft niet in de waarde van schrijversbiografieën, terwijl hij, in navolging van de door hem hooggewaardeerde Bourdieu, nog wel beweert dat hedendaagse kunstenaars zich rekening dienen te geven van hun speciale positie als autonome kunstenaar van wie de vrijheid van expressie op het spel staat: ‘Met het opkomen voor hun individuele eigenheid, komen ze juist op voor de meest universele waarden.’ Van het bijzondere naar het algemene dus. Was het niet Connie Palmen die zoiets dergelijks zei, door de mond van Ted Hughes in Jij zegt het? Maar over Palmen spreekt Joosten niet in deze bundel. 

    Palmen maakte in de romans van haar eigen lot evenzovele plots die door honderdduizenden werden gelezen. Haar werd verweten dat zij haar eigen leven exploiteerde in haar boeken. Maar dat doet iedere schrijver toch, ook de meest autonome schrijver kan in zijn werk niet verder springen dan de polsstok van wat zijn persoonlijkheid aankan. Een literaire schrijver heeft de mogelijkheid om een eventueel betekenisloos en vormloos lot om te zetten in een betekenisvol plot. De echte kunstenaar maakt zijn eigen biotoop, zijn eigen wereld, gedachten, gevoelens, emoties en ervaringen tot een literair kunstwerk dat voor lezers herkenbaar is. Het zal bewondering en literair genoegen opwekken als dat kunstwerk aan het algemeen menselijke raakt en aan de meest universele waarden.

     


    Hoera! Een boek, over Nederlands en Nederlandse letterkunde van nu / Jos Joosten/224 blz. / AFdH uitgevers

     

     

  • Arsène Lupin en het geheim van de gezelligheid

    Op Netflix is de serie Lupin te zien, over een hedendaagse man (gespeeld door Omar Sy, bekend van Intouchables) die de beroemde gentleman-inbreker Arsène Lupin uit de boeken van Maurice Leblanc bewondert en navolgt. Meer dan in de Franse brontekst is er in deze serie ruimte voor sociale kritiek en het gegeven dat het hoofdpersonage in de serie, anders dan in de boeken, zwart is, geeft ook enigszins de gelegenheid om racisme te thematiseren. De boeken van Maurice Leblanc (1864-1941) over Lupin verschenen in de eerste decennia van de twintigste eeuw en waren gesitueerd in het toenmalige heden. Voor de vroeg-21ste eeuwse mediaconsument fungeren deze boeken als bronnen om zich in het verleden van een eeuw geleden te verdiepen. Destijds waren de teksten van Leblanc zeer populair en er zijn vele heruitgaven/adaptaties van- en vervolgen op verschenen.

    Voor de koffietafel

    De recente heruitgave bij het Davidsfonds, is er een voorbeeld van. De tekst van Leblancs eerste boek (1905) is uit het Frans vertaald door een anonieme vertaler en voorzien van illustraties door Vincent Mallié. Het massieve boek op groot formaat oogt als een koffietafelboek met harde kaft, goudopdruk, leeslint en kleurenillustraties, de laatste vaak paginagroot. Hoewel het boek niet erg prijzig is, kan diegene die het aanschaft er toch een zekere welstand mee uitdrukken (het prijskaartje ligt er immers niet bij op de koffietafel). Wie het op zijn of haar koffietafel neerlegt toont dat hij of zij visueel geletterd is en belangstelling heeft voor eigentijdse omgang met klassiekers uit het verleden. Rond de koffietafel schept men gezelligheid. In wat volgt komt de kwestie aan bod hoe in deze uitgave, een samengesteld cultuurproduct, gezelligheid wordt geconstrueerd, als vorm van burgerlijke retoriek.

    In de negen opgenomen verhalen is Lupin een mysterieuze man die optreedt als gentleman-inbreker. De aanduiding ‘gentleman-inbreker’ komt voor in de titel van het boek en is essentieel om dit cultuurproduct te begrijpen. Lupin is een sympathieke boef die zijn misdaden aankondigt en de wet steeds te slim af is. Hij steelt van de rijken. Anders dan Robin Hood spendeert hij zijn inkomsten voor een belangrijk deel aan zichzelf en zijn levensstijl, minder aan de armen. Hij lijkt in de tekst van Leblanc geen grote idealist en de lezer leeft niet met hem mee als mens van vlees en bloed, maar eerder als een soort natuurverschijnsel van charmante arrogantie dat noodzakelijkerwijs altijd wint.

    De verhalen zijn aardig opgezet, al is de hedendaagse lezer een plottwist en verrassende wendingen wel gewend. Niet veel lezers zullen van verbazing achterover vallen bij de onthullingen van de clous. Op de website tvtropes.org wordt het personage van Leblanc beschouwd als een zogenoemde ’trope codifier’, namelijk als het standaardtype van de gentleman-boef. Andere voorbeelden uit de populaire cultuur (zoals The Saint, Simon Templar en Flambeau uit Father Brown) verwijzen op de een of andere manier naar Lupin. Op tvtropes.org noemt men een aantal narratieve elementen van dit culturele cliché:  ‘Calling Cards, being a Master of Disguise, announcing his crimes ahead of time, fighting evil criminals, and displaying a general romantic attitude’. De gentleman-boef is een standaardtype in het culturele narratief van de Westerse wereld. Soms modelleren ook mensen uit de werkelijkheid zich naar dergelijke verhalen, zoals in Nederland de kunstvervalser Geert-Jan Jansen. ‘Life imitates art’, schreef Oscar Wilde ooit.

    Burgerlijkheid

    In de culturele antropologie spreekt men van het vreemd maken van het vertrouwde en het vertrouwd maken van het vreemde. Het narratief dat Leblanc biedt, is een voorbeeld van het laatste: de ongrijpbare Lupin wordt door de verhaalstructuur vertrouwd gemaakt, hij is consistent in zijn onvoorspelbaarheid en wordt in zekere zin zo ook onschadelijk gemaakt. Lupin is geen revolutionair, maar iemand die wil functioneren in de burgelijke werkelijkheid, als gentleman. Hij onderschrijft bijvoorbeeld de ideologie van Frans nationalisme als hij de overdracht van militaire kennis aan een buitenlandse mogendheid voorkomt. Lupin kleedt zich als een gentleman, praat als een gentleman en handelt binnen zijn gekozen waardenpatroon (hij zou nooit iemand vermoorden om zijn doel te bereiken en is soms galant ten opzichte van vrouwen) als een gentleman. In die zin, representeert hij de Franse burgerlijkheidscultuur van het begin van de twintigste eeuw en daarvoor. 

    Het Franse burgerlijke type is vergelijkbaar met het ridderlijke type uit de Britse cultuur. Verschil is dat het in Frankrijk meer gaat om vermogenden en hoger opgeleiden uit de middenklasse die dankzij hun verkregen status goed menen te handelen en dat het niet per se mensen betreft die hun status ontlenen uit het gegeven dat zij geboren zijn in een adellijke familie. Het gaat dus om de eigen verdiensten, eerder dan om de vermeende verdiensten van de voorvaderen. Dit meritocratische besef, belangrijk in liberale opvattingen aangaande de maatschappij, komt terug in de persoon van Lupin, die succesvol is in de burgerlijke maatschappij door zijn grote vernuft en zijn capaciteiten, niet door zijn afkomst, waarover bijna alles onduidelijk is. Lupin speelt een spel met zijn schimmige afkomst en meet zich in de verhalen allerlei aliassen en ook adellijke titels aan, die (althans door hem) niet helemaal serieus worden genomen. Deze beeldvorming (in de verpersoonlijking van het personage Lupin) over de meritocratie is te verklaren uit het verloop van de Franse geschiedenis, sinds de Franse Revolutie, waarin de cultuur van de adel met zijn geboorterecht een kopje kleiner werd gemaakt.

    Verhalen tot vermaak van het volk

    De oorspronkelijke verhalen over Lupin werden geplaatst in het familietijdschrift Je sais tout. Dit geïllustreerde blad wilde wetenschappelijke kennis populariseren. Het verkondigde het burgerlijke voouitgangsgeloof, een geloof dat bleek uit een fascinatie voor het menselijk vernuft en de vooruitgang die dit mogelijk maakte. De Lupin-verhalen verschenen in het blad als vorm van populair vermaak, als onderdeel van de Franse feuilletontraditie. Dergelijke vervolgverhalen over terugkerende personages waren heel geschikt om lezers de bladen te laten blijven lezen. Het plaatsen van feuilletons paste dus in de commerciële strategie van tijdschriften en kranten. Daarom waren zulke verhalen eerder vermaak, dan onderdeel van al te opzichtige strijd voor verandering. De teksten over Lupin, tonen eerder de bevestiging van de status quo dan dat ze oproepen tot (nieuwe) revolutie. Uiteindelijk conformeert deze gentleman zich aan de normen van de Franse burgerij, juist omdat hij er zo graag deel vanuit wil maken, wat blijkt uit zijn gedrag en taligheid in de omgang en uit zijn hang naar financiële welstand. In die zin past het verhaal bij het opvoedkundige karakter van een groot deel van de Franse media destijds, die hun lezers (ook die uit de ‘lagere klassen’) het burgerlijke ideaal voorhielden.

    De schrijver Leblanc was aanvankelijk een tamelijk progressieve vrijdenker, maar mede door het succes van zijn personage Lupin, conformeerde hij zichzelf aan het burgerlijke waardenpatroon, dat  Leblancs  eigen status van self made succesverhaal weerspiegelde. Dit succesverhaal werd ook erkend van officiële zijde; Leblanc ontving van de overheid het Legioen van Eer, de hoogste Franse onderscheiding

    De waarden en narratieven die naar voren komen in de Lupinverhalen zijn die van de getemde verandering: Lupin is uiteindelijk (narratief) onschadelijk gemaakt, doordat hij het leven in de gegoede klassen waardeert, zich er niet tegen afzet, maar binnen deze klassen functioneert als sympathieke schelm; de uitzondering die de burgerlijke regel bevestigt. 

    Genoeglijke stijl

    Niet alleen de thematiek, maar ook de gekozen schrijfstijl past hierbij. Een genoeglijke stijl, ironisch, met een vleugje humor, maar uiteindelijk niet heel literair. Daarmee past deze wijze van verwoording bij het niet zo gelaagde karakter van de verhalen: onder de oppervlakte treffen we niet zoveel aan. Dit is geen stilistiek met daaronder subtekstualiteit. Leblanc beschrijft zonder poespas wat er gebeurt en dat is het dan ook. Vergelijkbare auteurs als Leblanc zijn G.K. Chesterton (van Father Brown) en Godfried Bomans. Deze genoeglijkheid is burgerlijk en gezellig. We zien geen experimentele ontregeling, maar de wil om te behagen. De lezer wordt het stilistisch niet moeilijk gemaakt, waardoor het vernuft van Lupin centraal staat en niet het literaire experiment, want dat verlangden de feuilletonlezers niet van de schrijver.

    Het woord gezellig viel al. Sommigen zullen gezelligheid als iets typisch Nederlands zien (ze zeggen dan ook dat gezelligheid als concept niet vertaalbaar is), maar in werkelijkheid kennen alle burgerlijke culturen in het Westen er varianten van. Zo heeft Denemarken het bijna identieke fenomeen ‘hygge’ tot exportproduct gemaakt, vermarkt. In Frankrijk kennen ze ‘convivialité.’ Een online woordenboek geeft de volgende omschrijving: ‘Caractère positif des relations entre personnes. Caractère amical, joyeux, des réunions ou repas communs.’ Dat is vergelijkbaar met ‘onze’ gezelligheid, al ligt in Nederland meer de nadruk op knusheid. Het genoegen ontlenen aan gedeelde positieve ervaringen en vieringen onder genot van een drankje (van koffie tot wijn of bier) lijkt vrij universeel, in ieder geval in verburgerlijkte samenlevingen. Ook de gezelligheid onder ‘lagere’ klassen kan overigens als burgerlijk worden gezien, als gezonken cultuurgoed. 

    Het genoemde genoeglijke aspect kan stilistisch geconstrueerd worden in teksten. De genoeglijke stijl van Leblanc blijkt bijvoorbeeld uit een passage als deze, over de door hemzelf aangekondigde ontsnapping van Lupin op pagina 42: ‘De publieke belangstelling was intussen niet afgenomen. Elke dag werd er nieuws verwacht over zijn ontsnapping. Het werd bijna gehoopt, omdat iedereen gek op hem was, gek op zijn geestdrift, vrolijkheid, veelzijdigheid en raadselachtige leven. Arsene Lupin moest gewoon ontsnappen. Dat was onvermijdelijk en kon niet anders. Iedereen was zelfs verbaasd dat het zo lang duurde. Elke dag vroeg het hoofd van de politie aan zijn secretaris: ‘Is hij nog niet weg?’
    ‘Nee, meneer.’
    ‘Dan gebeurt dat morgen wel’

    Dit is geen tekst die moeilijk te interpreteren is: zo wordt drie maal vermeld dat Lupin wel moest ontsnappen, wat onvermijdelijk was en niet anders kon. De lezer wordt ook nog eens uitgelegd waarom Lupin zo populair was, omdat het lezerspubliek dit anders zou kunnen missen. De opsomming (‘geestdrift, vrolijkheid, veelzijdigheid’) is een behaaglijke, stilistische tool die niet veel vraagt van de lezer. De weergave van het gesprekje tussen het hoofd van politie en zijn secretaris is wat kneuterig, het is een gesprek tussen vriendelijke, onschadelijke mensen over iemand die ze onverholen bewonderen, idealiseren. Het is een vroeg voorbeeld van fancultuur, het plaatsen van sommige mensen op een voetstuk, als een soort edelen (niet van geboorte, maar van verdienste) in een burgercultuur.

    Hybridisch cultuurproduct

    De uitgave van het Davidsfonds is een mengvorm van twee soorten media. De klassieke tekst werd voorzien van  hedendaagse tekeningen die zowel verwijzen naar vroeger als naar eigentijdsheid. Ten eerste wordt naar vroeger verwezen, omdat er veel aandacht is besteed aan het weergeven aan de uiterlijkheid van het Belle Epoque. Ten tweede is er de verwijzing naar het heden omdat de tekeningen een losse zwierigheid uitdrukken, die we associeren met de hedendaagse artistieke kinderboekillustratie. De tekeningen zijn van de stripkunstenaar Vincent Mallié, maar het ontstane cultuurproduct is geen strip of graphic novel, maar een rijk geïllusteerd verhaal. 

    Hoewel onze cultuur zich van een cultuur van het woord richting een cultuur van het beeld lijkt te ontwikkelen, kleeft aan het geïllusteerde boek voor sommigen nog het etiket ‘voor kinderen’. Dit was vroeger, in de negentiende eeuw en zeker voor de verspreiding van reproduceerbare fotografie, anders. Toen tekeningen, etsen en gravures een rol speelden in de retorische strategie van tijdschriften om hun volwassen lezers op te voeden tot oppassende burgers, door hen te verleiden met beelden die spanning en behaaglijk gemaakte sensatielust uitdrukten. Het publiek werd verleid tot aankoop met de beelden en verleid tot conformisme met de boodschap.

    De  illustraties die bij de oorspronkelijke feuilletonverhalen verschenen, ook die in de vroege twintigste eeuw, moesten de lezers de tekst intrekken. De vragen die ze opriepen zouden in de tekst worden beantwoord, de honger naar spanning zou worden gestild. Het doel van Mallié is enigszins vergelijkbaar in de zin dat zijn fraaie tekeningen vragen oproepen en de lezer de tekst intrekken, maar ook afwijkend omdat zijn illustraties gelaagdheid uitdrukken, anders dan in pulp illustraties. Door de gebruikte speelse stijl en gelaagdheid, met name door het gebruik van visuele ironie, is erbij Mallié sprake van artisticiteit. Deze ironie weet de tekenaar te bereiken door te spelen met het principe van redundantie, waarin beeld en verhaal hetzelfde uitdrukken.

    Mallié geeft in zijn tekeningen ironisch commentaar op de tekst van Leblanc. In de tekst wordt bijvoorbeeld het personage ‘Herlock Sholmes’ opgevoerd (het gebruik van de correct gespelde naam lag rechtentechnisch moeilijk). Diens uiterlijkheid wordt getypeerd door waarnemers in het verhaal: Ze waren een beetje teleurgesteld over zijn burgerlijke uiterlijk dat sterk afweek van het beeld dat ze van hem hadden. Hij had niets van de romanheld, het raadselachtige en listige personage waar je aan denkt bij de naam Herlock Sholmes.’ 

    Het spel van de tekenaar

    In zijn tekeningen heeft Mallié aan Sholmes precies het iconische uiterlijk van de Britse detective weergegeven, met pijp, ouderwetse hoed en ruiten overjas, een uiterlijk dat we kennen uit talloos veel depicties van Holmes, eerder dan uit de brontekst. Zo speelt de tekenaar steeds een spel met de verwachtingen van de kijklezer: in de illustraties wordt soms al verklapt welk personage de ‘master of disguises’ Lupin is, terwijl de lezer dit aanvankelijk nog niet verondersteld wordt dit te vermoeden. De illustraties zijn zo een ironische variant op de ooit door de taalwetenschapper David Skilton beschreven negentiende-eeuwse problem pictures, waarin een enigmatische prent een verborgen narratieve werkelijkheid vertegenwoordigde. 

    Tevens gaat het in de prenten van Mallié om een vorm van nostalgiseren: het actief aanbrengen van nostalgische effecten. Niet alleen door de thematische inhoud (het Belle Epoque is een bron voor veel nostalgiserende uitingen), maar ook door het kleurgebruik. We zien veel oranje, bruin en sepia. Kleuren die, tezamen gebruikt, geassocieerd kunnen worden met ouderwetse fotografie, met het soort foto-albums die te koop worden aangeboden op rommelmarkten. Het gebruik van sepia drukt ouderwetsheid uit en ook de esthetiek van het vroegere. Deze esthetiek connoteert op zijn beurt een gevoel van zoet verlies: vroeger, veronderstelt men, was alles mooier en volkomener. Gezelliger ook. Minder complex en bedreigend.

    De achttiende-eeuwse schrijver Gotthold Ephraim Lessing was niet zo weg van wat hij als hybride producten beschouwde: mengvormen van tekst en beeld. Voor hem moesten verschillende culturele vormen niet gemixt worden, omdat ze elkaar zouden bederven of contamineren in plaats van elkaar te versterken. Het (latere) fenomeen strip zou Lessing niet hebben kunnen waarderen en het verschijnsel geïllustreerd boek vond hij ook niets. 

    In de huidige tijd zien we veel voorbeelden van ‘hybridisering’: mengvormen van verschillende disciplines, zeker ook op het internet. Het hybride product van Leblanc en Mallié is niet alleen een vermenging van kunstvormen (tekst en beeld),  maar ook van perioden (de tekst stamt van meer dan honderd jaar geleden en de illustraties uit het heden) en van mentaliteiten, zoals burgerlijkheid in de tekst en de hedendaagse ironiecultuur in de illustraties.

    Conclusie

    Het boek van het Davidsfonds is aldus geladen, of ‘encoded’ met verschillende en elkaar ondersteunende boodschappen. Het is een ‘cultural tool’ (een term van psycholoog James V. Wertsch), een cultuurgereedschap, dat op diverse wijzen te beschouwen valt. Het gaat zoals gezegd om een koffietafelboek. Dat is het materiële aspect ervan, inhoudelijk kan men het boek met zijn redundantie van woord en beeld als een bron zien waaruit men kennis kan opdoen over de uiterlijkheden of de materialiteit van het Belle Epoque. Hiernaast kan men kijken naar de mentaliteit of de ideologie die deze cultural tool uitdrukt. En ook kan men zich verdiepen in de stijl en andere taalkundige eigenschappen.

    Dit hybride cultuurproduct drukt in zijn vorm (koffietafelboek), in zijn ideologische inhoud (burgerlijkheid), in zijn thematiek (onderhoudende, maar niet wereld veranderende schelmenstreken), in zijn genoeglijke schrijfstijl (kneuterigheid) en in zijn tekeningen (nostalgisering) steeds een aspect van gezelligheid uit.

    Gezelligheid is een verschijnsel dat in omgevingen actief geconstrueerd kan worden. Men kan gezelligheid opzoeken (denk aan het commerciële concept van de de bruine kroeg als huiskamer van de samenleving). Het gaat niet om  iets waardoor je overvallen wordt. Je kunt het fenomeen bewust of onbewust scheppen. Je hult jezelf dan in een kleed van sociale huiselijkheid. Gezelligheid is vooral iets dat ontstaat als je de juiste anderen om je heen verzamelt. Deze anderen kunnen ook romanpersonages zijn die je meevoeren naar een wereld die zowel vertrouwd als exotisch anders (maar niet bedreigend) is of lijkt. 

     

     


    Bronnen

    1. Baetens, e.a. (red.)  Culturele studies. Theorie en praktijk (Nijmegen 2009)
    2. de Bodt (red.), De verbeelders. Nederlandse boekillustraties in de twintigste eeuw (Nijmegen 2014)
      D. Chandler, Semiotics. The basics (Abingdon 2017)
    3. Couégnas, Fiction et culture médiatique à la Belle Epoque dans le magazine Je sais tout (?1905-1914?) (openedition.org)
    4. Skilton, ‘Complex meanings in illustrated literature, 1860-1880’, S. Grennan en L. Grove (red.) Transforming Anthony Trollope. (Leuven 2015) 89-106.
    5. V. Wertsch, Voices of collective remembering (Cambridge 2002 )
    1. Skilton, ‘Complex meanings in illustrated literature, 1860-1880’, S. Grennan en L. Grove (red.) Transforming Anthony Trollope. (Leuven 2015) 89-106.
    2. V. Wertsch, Voices of collective remembering (Cambridge 2002
      Wikipedia Maurice Leblanc

     

     

  • Fotosynthese 23 – Waiting for Bobby


    Een gezin staat in de houding, zeven mensen kaarsrecht, armen gestrekt langs het lichaam en de blik vooruit. De drie jongens in het rijtje, vanaf links de nummers twee, vier en vijf, lijken ons schuin aan te kijken. Ze zien de fotograaf en loeren onder de voor hun ogen hangende haren door recht in de lens. Halfnaakte lichamen, mager en vervuild. Pa in z’n besmeurde werkpak, nametag op de linkerborst, zojuist weggelopen uit de garage. Hier staat een nauwkeurig geregisseerde erehaag langs de spoorlijn New York City – Washington DC, ergens tussen de plaatsen Elkton en North East in de staat Maryland. Het is ongeveer kwart over vier in de middag, 8 juni 1968.

    Drie dagen eerder, op 5 juni even na middernacht, werd presidentskandidaat Robert F. Kennedy neergeschoten in het Ambassador Hotel in Los Angeles. Later die dag overlijdt hij aan zijn verwondingen. Amerika is in shock. Zes jaar na de aanslag op zijn oudste broer, president John F. Kennedy en slechts twee maanden na de moord op dominee Martin Luther King is de verontwaardiging en ontgoocheling enorm. De zware rouw die daarop volgt dompelt het land onder in apathie. Dit is een dieptepunt voor progressief Amerika.

    Begrafenistrein

    Het lichaam van Robert Kennedy wordt van Los Angeles naar New York City gevlogen waar een rouwdienst wordt gehouden in de St. Patrick’s Cathedral. Na de ceremonie wordt de kist met het lichaam per trein naar Arlington National Cemetry bij Washington DC vervoerd, een reis van 365 kilometer die ongeveer vier uur zou moeten duren, maar uiteindelijk acht uur wordt. Deze zogenaamde funeral train vormt sinds de moord op Abraham Lincoln in 1865 een bijzonder eerbetoon bij staatsbegrafenissen. 

    Fotograaf Paul Fusco mag als geaccrediteerd verslaggever mee in de laatste wagon van de funeral train, die verder wordt bevolkt door schrijvende pers en hoogwaardigheidsbekleders. In de trein wordt niet gefotografeerd, Fusco maakt zich vooral zorgen over het vinden van een goede plek later die dag op de begraafplaats. Wanneer de trein de donkere tunnels van het New Yorkse spoorwegnet uitrijdt, ziet hij tot zijn verbazing dat de stations zijn bevolkt door tientallen, soms honderden mensen. Grote groepen op de perrons, op de naastliggende rails en zelfs bovenop de overkapping. Ze kijken naar de trein in een soort verstilling, er is nauwelijks geluid behalve de ratelende cadans van de langsrijdende trein. De gezichten van de toeschouwers zijn getekend door emotie: berusting, ernst, woede, verdriet, wanhoop. Hier en daar een betraand gezicht, jonge mannen krampachtig saluerend, enkele vrouwen geknield en met gevouwen handen. Er worden borden omhoog gehouden met teksten als ‘So Long Bobby’. 

    Familie-op-rij

    Fusco pakt zijn camera en begint vanuit de rijdende trein foto’s van de toeschouwers te maken. Hij merkt al snel dat de stroom rouwenden niet stopt. De mensen staan overal en langs de hele route. Stations zijn overvol maar ook in de straten van arme buurten en in de achtertuinen van luxe villa’s staan mensen klaar om de trein langs te zien komen. Op een verlaten zandpad in een langsglijdend panorama zit een jongen met zijn vriendin op de buddyseat van zijn geparkeerde motor. Ze roken een sigaret en kijken nonchalant in de camera, uiterlijk onaangedaan maar hun overtuigde aanwezigheid in deze leegte zegt genoeg. 

    Van de honderden foto’s die Fusco maakte, blijft het beeld van de familie-op-rij het langst hangen. Ze staan in een groene wereld terwijl de achtergrond in onscherpte voorbijraast. Het is de geprogrammeerde opstelling, de gezichten, de tragiek die toch ook ruimte laat voor trots: this is America! Precies dat Amerika is een verdeeld land dat probeert om te gaan met de naoorlogse euforie van 1945, met de dramatische strijd in Vietnam, met de tegenstellingen zwart-wit, arm-rijk, flowerpower hip tegenover gedegen conservatief. Op deze foto valt de wanhoop van het moment samen met het vertrouwen op betere tijden. Ondanks de bittere armoede, de spaarzame kleding, de besmeurde kinderen is er hoop op andere tijden, op meer, op een klein stukje geluk. En dat is precies waar Bobby voor stond.

    Snikhete dag

    Het gezin is vanmorgen opgestaan met de gedachte aan de komende gebeurtenis. Het nieuws is snel verspreid: de trein zal hier vanmiddag langskomen! Pa naar z’n werk, de kinderen spelen in en om het huis. Het is een snikhete dag met een constante dreiging van naderend onweer. Om drie uur staan ze gezamenlijk langs het spoor en voert pa zijn vooraf bedachte plan uit. Hij zet zijn familie van groot naar klein langs de rails, op ongeveer gelijke afstand van elkaar. En dan is het wachten geblazen.

    De trein is vertraagd door de vele mensen langs en op het spoor, op veel trajecten wordt stapvoets gereden. Als de kinderen zich beginnen te vervelen is pa onverbiddelijk: staan blijven, allemaal! In de verte nadert langzaam de trein. Als pa het sein geeft, blijven de kinderen als versteend staan. Door de ramen van de een-na-laatste wagon zien ze in een flits de kist met de vermoorde politicus. Strak verpakt in stars and stripes. In de laatste wagon is een bovenraampje opengedraaid – de lens van een fotocamera steekt naar buiten.

     

    Fotograaf: Paul Fusco


    Fotosynthese is een door Rudy Kousbroek geïnitieerd genre waarbij beeld en tekst een verbinding aangaan.

    Scrol verder naar boven om de hele foto te zien.

     

  • De magie van de moderniteit – Walter Benjamin en de verbeelding van de stad


    Wie Walter Benjamins Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaald door Hans Driessen in 2015 ) openslaat, zal in eerste instantie denken te maken te hebben met een nostalgische tekst: in het (door de uitgever voor de gelegenheid met foto’s geïllustreerd)  boekje biedt Benjamin tal van indrukken uit zijn grootsteedse jeugd, waarmee hij iets toont van het effect van een betoverende moderniteit op de kindergeest. In een woord vooraf spreekt Benjamin van ‘heimwee’ en ‘een gevoel van hunkering’.  Maar is er werkelijk sprake van nostalgie? 

    De Duitse cultuurfilosoof en literatuurcriticus Walter Benjamin (1892-1940), is tegenwoordig veel beroemder dan tijdens zijn leven, een leven waarin hij niet de academische erkenning kreeg die hij verdiende. Benjamin schreef over een veranderende wereld en een veranderende omgang met cultuur in het moderne bestaan. Hij had belangstelling voor zowel hoge cultuur (hij vertaalde Proust en Baudelaire en schreef over Goethe) als voor populaire cultuur. Zijn essay over de teloorgang van de uniciteit van het kunstwerk in tijden van mechanische reproduceerbaarheid geldt als klassiek. Het is een ambivalente tekst waarin Benjamin niet louter positief of negatief is over het verloren gaan van de ‘aura’ van het origineel.

    Benjamins meest ambitieuze onderneming was het onvoltooid gebleven ‘Arcades project’ (Das Passagen-Werk), waarin hij de veranderingen in het Parijs van de negentiende eeuw documenteerde, als een archeoloog van de moderniteit. Hij heeft daarin aandacht voor ontwikkelingen die de basis vormden voor de moderne twintigste-eeuwse maatschappij, waarin hijzelf leefde. Lezen in de door Benjamin genoteerde impressies en  verzamelde teksten is als schatgraven in de mentaliteit van de door hem opgeroepen negentiende eeuw.

    Benjamin was geboeid door herinnering en door de relatie tussen herinnering en moderne geschiedenis. In dit montage-essay komen veranderingen in de negentiende eeuw en jeugdherinneringen op de drempel van de twintigste eeuw aan bod. Benjamins Kinderjaren in Berlijn is geprezen om de literaire stijl, die echter wel wat van de lezer vergt.  Het zijn geen memoires in de strikte zin van het woord, het gaat eerder om een verzameling thematische hoofdstukjes waarin hij  indrukken geeft van zijn jeugd rond 1900. 

    Kinderjaren in Berlijn, dat oorspronkelijk stamt uit de jaren dertig, bevat vignetten over deze jeugd in wat toen de meest moderne stad van Europa was en sinds enige decennia de hoofdstad van het Duitse keizerrijk. Benjamin was een kind van rijke ouders en groeide op in een geassimileerd Joods gezin. Later in zijn leven was hij  bevriend met de Joodse denker en Kabbalawetenschapper Gershom Scholem (1897-1982), wat voor hem een voedingsbodem was voor de religieuze kant van zijn marxistisch getinte materialisme. Zo ontstond een wonderlijke mengeling van mentaliteiten.

    Montage

    Benjamin was bevriend met Bertolt Brecht (1898-1956). Deze sociaal bewogen schrijver experimenteerde met de fragmentarische montagetechniek in zijn literaire werk en Benjamin onderging er de invloed van, zoals onder meer literatuurwetenschapper Nicolas Whybrow laat zien in zijn boek Street scenes.

    In de moderne techniek van de montage werd de geconstrueerdheid van kunstzinnige uitingen niet verdoezeld, maar op de voorgrond geplaatst. Dit leverde bij Brecht onder meer theater van vervreemding op, waarbij de toeschouwers werden gedwongen na te denken over wat fictie is, in plaats van er gevoelsmatig door overdonderd te worden.
    In enkele werken van Benjamin speelt de montage een rol, zeker ook in Kinderjaren in Berlijn.  Het is geen als coherent gepresenteerde chronologische autobiografie. Het gaat Benjamin er in deze thematische fragmenten om steeds een ander stukje van de verbeelding van een opgroeiend kind in de grote stad te tonen. Belangrijker lijkt het voor Benjamin iets over de recente moderniteit te zeggen dan over zijn eigen psyche in ontwikkeling. 

    Creatief (on)begrip

    In wat volgt gebruik ik de methode van creatief (on)begrip die Benjamin zelf ook hanteerde in zijn interpretatie van Karl Marx, die hij volgens sommigen niet helemaal doorgrond heeft, maar volgens anderen overtroffen heeft in inzicht. Hoe het ook zij: Benjamin blijkt een veel interessantere denker dan Marx. Door zijn stijl, door zijn omgang met de moderniteit met kinderlijke verbeelding en door zijn ambivalentie.

    Ik put uit het ideeënreservoir dat het oeuvre van Benjamin is, een aantal termen die ik plaats onder de noemer creatief (on)begrip. Deze herinterpretatie wil ik voltrekken met de uit zijn Passagen-Werk geputte begrippen fantasmagorie, oergeschiedenis, helletijd, droomstad en magische encyclopedie. Vervolgens ga ik in op de raakvlakken in Kinderjaren in Berlijn met het verschijnsel nostalgie. Tot slot behandel ik de ambivalentie die spreekt uit de meeste teksten van Benjamin.

    Fantasmagorie

    Benjamin zag de fantasmagorie als een bedrieglijk wensbeeld of  een fetisj-achtig object dat de moderne consument verblindt. Men kan dan denken aan de inrichting van warenhuizen als musea van consumptie of aan elektrisch ‘feeëriek’ verlichte huizen. Maar ook aan de gedecoreerde etalages van winkels van middenstanders vol uitgestalde muziekdozen met miniballerina’s en automaten met de suggestie van een perpetuum mobile. Benjamin beschrijft hoe hij tijdens bezoeken aan een tante een ‘grote glazen kubus’ kreeg voorgezet, ’die een hele levende mijn bevatte waarin zich kleine mijnwerkers, houwers, opzichters met karren, hamers en lantaarns stipt in de maat van een uurwerk bewogen.’ Hij was betoverd, zoals alleen een kind betoverd kan zijn, een ervaring die zo mooi is, dat sommige volwassenen heel hun leven op zoek blijven naar deze staat van naïeve ontvankelijkheid.

    Bij een bezoek aan het Berlijnse ‘keizerpanorama’, een vorm van stereoscopisch amusement met 3Delementen, populair aan het begin van de twintigste eeuw, ging de jonge Benjamin op in andere streken en landen die getoond werden. ‘Zo wilde ik op een middag voor het transparant van het stadje Aix met mezelf overleggen of ik ooit gespeeld had op het plaveisel dat door de oude platanen van de Cours Mirabeau wordt bewaard.’
    Hier zien we een mengeling tussen moderniteit en het irrationele. De methode om andere realiteiten  te tonen was gebaseerd op wetenschappelijke principes, de werking ervan op de kindergeest duidelijk niet.

    Oergeschiedenis en helletijd

    Benjamin verbleef na een door politieke omstandigheden ingegeven vertrek uit Berlijn, onder meer in Parijs. Volgens twintigste-eeuwer Benjamin was Parijs in de negentiende eeuw de hoofdstad van de wereld. 

    Wie in teksten uit het recente verleden op zoek gaat naar het kleine leven van gewone mensen en wie rommelt op de vuilnisbelt van hun materiële en immateriële herinnering, vindt er overblijfselen van de oertijd van de moderniteit, meende Benjamin. Hij zag de moderne tijd van de negentiende eeuw deels als een helletijd, een nachtmerrie waaruit de volgende generaties moesten ontwaken, juist door het verleden in het heden te incorporeren.

    In zijn essay Dialectics at a standstill schrijft Rolf Tiedemann over het ‘stratum of material, the alluvium of the recent past’ dat de kern vormde van hetgeen Benjamin ‘opgroef’ in de Parijse bibliotheek tijdens zijn arbeid aan Das Passagen-Werk. Benjamin wilde – door zich niet te richten op de grote mannen, maar op het leven van gewone mensen – in de negentiende eeuw iets blootleggen van de helletijd die de negentiende eeuw volgens hem was, de nachtmerrie die aan het heden waarin Benjamin leefde, de jaren dertig voorafging. Toen Parijs niet meer de plek was waar alles gebeurde, maar Berlijn. 

    Het verschil tussen Das Passagen-werk en Kinderjaren in Berlijn is niet alleen dat er een andere tijd en stad in behandeld worden, maar ook dat Benjamin in dat laatste werk een koppeling maakt met zijn persoonlijke herinnering. In beide projecten gaat Benjamin op zoek naar de wortels van de moderniteit.

    Een oergeschiedenis van Berlijn in de moderniteit is Benjamins Kinderjaren in Berlijn misschien, een beschrijving van een ‘helletijd’ echter allerminst. We zien in Benjamins beschrijving zowel de blik van het zich verwonderende kind als die van de volwassen Benjamin, dertig jaar later. Het gaat om een mengeling van vertedering over het magisch wereldbeeld dat hij vroeger aanhing en van ontzag voor een leven dat onherroepelijk verloren is gegaan.

    Droomstad

    Benjamin schrijft dat hij zijn best heeft gedaan ‘de beelden te pakken te krijgen waarin de ervaring van de metropool haar neerslag vindt in een kind uit de burgerlijke klasse.’ Deze beelden ‘missen nog de vaste vormen zoals die al eeuwenlang in het natuurgevoel tot beschikking liggen van herinneringen die op het platteland zijn doorgebracht. Maar de beelden van míjn kinderjaren in de grote stad zijn misschien in staat in hun binnenste latere historische ervaring al bij voorbaat vorm te geven.’ Het stadse leven lijkt fundamenteel af te wijken van het bestaan op het platteland. Maar had het ook een andere impact op een opgroeiend kind?

    Het is deze mogelijk andere impact die Benjamin in kaart brengt. Over het dwalen door Berlijn als kind schrijft hij: ‘In een stad de weg niet kunnen vinden zegt niet veel. Maar in een stad verdwalen, zoals je in een bos verdwaalt- daar heb je scholing voor nodig. Dan moeten straatnamen tegen de verdwaalde spreken als het kraken van dorre twijgen, en moeten kleine straten in het binnenste van de stad het uur van de dag voor hem even duidelijk weerspiegelen als een dal in de bergen.’ 

    De stad was en is het landschap van de mens, een landschap dat betoverd zou kunnen worden door de visie die er door de receptieve  waarnemer aan werd en wordt gekoppeld. 

    Magische encyclopedie

    Benjamin omschreef zijn Passagen-Werk als een magische encyclopedie van de moderniteit. Ook in Kinderjaren in Berlijn verbond Benjamin de objecten van het moderne leven met het magische wereldbeeld van het begaafde kind. Zo schreef hij over de telefoon: ‘Het kan aan de constructie van de apparaten of de herinnering liggen- maar zeker is dat de geluiden van de eerste telefoongesprekken me anders in de oren klinken dan de huidige. Het waren nachtgeluiden. Geen enkele muze vermeldt ze. De nacht van waaruit ze kwamen, was dezelfde als die voorafgaat aan elke echte geboorte. En de stem die in de apparaten sluimerde was een pasgeborene’  Benjamin verleende objecten een bezielde status, zo blijkt uit passages als: ‘Hier heersten meubels die, op grond van de eigenzinnigheid waarmee ze de ornamenten van tal van eeuwen in zich verenigden, overtuigd waren van zichzelf en van hun duurzaamheid.’ 

    In de geest van de opgroeiende Benjamin was betovering een vervuldheid van de magie van de moderniteit. In de Berlijnse dierentuin was er een nijlpaard ‘dat zijn pagode bewoonde, als een toverpriester die op weg is met lijf en leden te versmelten met de demon die hij dient’. In deze Zoologischer Garten was ook ‘een profetische uithoek. Want zoals er planten zijn waarover verteld wordt dat ze het vermogen bezitten om ons in de toekomst te laten kijken, zijn er plaatsen die deze gave bezitten. Het zijn meestal verlaten oorden, of ook boomtoppen die tegen muren staan, doodlopende straten waar geen mens zich ooit ophoudt.’ 

    Zo toont Benjamin vele omgevingen en interieurs die volgens hem representatief waren voor de ervaring van een opgroeiend burgerkind in het vroeg-twintigste eeuwse Berlijn.

    Nostalgie

    Sommige passages in Kinderjaren in Berlijn zijn ronduit nostalgisch. Ze bieden een idealiserende kleuring van het verleden. Zo lezen we: ‘In onze tuin stond een verlaten tuinhuisje. Ik hield ervan vanwege zijn veelkleurige ramen. Als ik binnen van ruit tot ruit liep, veranderde ik: ik kleurde als het landschap dat nu eens vlammend, dan weer verstoft, nu eens smeulend, dan weer weelderig in het raam lag.’ Benjamin vervolgt iets verder: ‘Op een dag braken de kleuren uit dit fonkelend vlechtwerk los en stortten zich op mij – ik voel nog steeds de zoetheid waarmee mijn oog zich volzoog. Het was de zoetheid van de chocolade waarmee ze meer in mijn hart dan op mijn tong wilden smelten’ 

    Dergelijke zintuiglijke passages zijn sterk persoonlijk, al is het misschien niet de nostalgie van een hele generatie gegoede burgers uit de voortijd van het interbellum, zoals Benjamin beoogde te beschrijven. Het is stadsnostalgie die lijkt af te wijken van andere vormen van nostalgie, bijvoorbeeld het arcadische verlangen naar ongereptheid.  

    Deze stadsnostalgie viert juist de ‘gereptheid’, die toont dat de materiële voortbrengselen van de mens, gebouwen, werktuigen, speelgoed, prachtig kunnen zijn en gekoppeld kunnen worden aan het geestelijke. Benjamin maakt in zijn tekst iets duidelijk over de kinderlijke geest dat (misschien) universeel is: de relatie tussen objecten en het magische. Zo is een hedendaagse kleuter nog altijd bang voor de kleren op een stoel die in het duister van zijn slaapkamer tot monsters kunnen worden. Het afscheid nemen van dit magische wereldbeeld, dat dus ook bleef bestaan in de moderniteit, is volwassen worden. De koppeling van de moderniteit aan het irrationele komt misschien voort uit een basisbehoefte van de mens om voor even weer in het nostalgische domein van de jeugd, of van de jeugd van de mensheid, te verkeren, de tijd voor de onttovering. Misschien beantwoordt die neiging  tot betovering van de moderniteit aan een nostalgische oerbehoefte.

    Ambivalentie

    Aan de ene kant betreurde Benjamin wat er verloren was gegaan aan de moderniteit, zoals de aura van uniciteit van het kunstwerk, aan de andere kant is zijn fascinatie voor de fantasmagorie van de moderniteit zo groot en ook haast religieus getint, dat je vermoedt dat hij vatbaar was voor de schoonheid van het moderne, als dit tenminste bezwangerd was door de kinderlijke blik.

     Voor sommige mensen is het bladeren door een kunstboek met reproducties, die de aura van oorspronkelijkheid hebben verloren, bevredigender dan een gang door een museum langs de originele werken. Juist het moderne wonder van de reproductie heeft  iets magisch: maak je als kijklezer van een kunstboek niet ook kennis met iets als de kern of visie van de kunstenaar? Is dit bladeren minderwaardig, alleen omdat het om reproducties gaat? En zo rijzen er bij bestudering van Benjamin meer vragen op: is het natuurlijk om techniek en wetenschap aan het irrationele te koppelen?  En: is het stadse leven in de moderniteit fundamenteel afwijkend van het landelijke boerenleven of reageert de stadse mens feitelijk niet anders op veranderingen en op het niet-bevattelijke dan de agrariër of dorpeling uit het premoderne verleden?

    Dergelijke vragen roept het hele oeuvre van Benjamin op.  Een oeuvre dat in een literaire, maar niet altijd toegankelijke stijl geschreven is, een verslag van een eeuwig opgroeiende mensheid in de wereld van de moderniteit.

     


    Olivier Rieter is historicus. Hij promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij publiceerde onder meer in Neerlandia, Pictures Science , Volkskunde en de reeks AO-boekjes en werkt aan een roman over het schemergebied tussen nostalgie en trauma.

     

     

     

    Literatuur

    1. Benjamin, Kinderjaren in Berlijn rond 1900 (vertaling H. Driessen, 2015)
    2. Benjamin, The Arcades Project (1999)
    3. Boscagli en E. Duffy, Joyce, Benjamin and magical urbanity (2011)
    4. During, Modern Enchantments: The Cultural Power of Secular Magic(2002)
    5. McBride, The chatter of the visible: montage and narrative in Weimar Germany (2016)
    6. Eiland, W. Jennings. Walter Benjamin a critical life (2014)
    7. Hamilton, Walter Benjamin’s Berliner Kindheit um 1900: Longing, Enchantment and the Material Subject’ in Journal Life writing 15 (2018), 369-383
    8. Martens, The promise of memory: childhood memory and its objects in literary modernism (2011)
    9. Tiedemann, ‘Dialectics at a standstill’ uitleiding in W. Benjamin, The Arcades Project (1999)
    10. Whybrow, Street scenes, Brecht, Benjamin and Berlin (2004)

    https://plato.stanford.edu/entries/benjamin/

     

  • Bruno Schulz en de kleur van de herinnering

    De Joods-Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) was een meester van de mythische herinnering. Zijn verhalen, zijn beschrijvingen, zijn impressies, gehoorzamen niet aan de natuurwetten. Hij verzet zich in de dunne verhalen roman De kaneelwinkels en andere werken tegen de rationaliteit van de moderne tijd met zijn verwetenschappelijking, technologisering en vooruitgangsgeloof. Locaties kunnen van plaats veranderen in het universum van Schulz, hij koppelt geuren aan kleuren, feeëriek licht aan de jeugd. Schulz’ proza is poëtisch tot in het extreme. Wie houdt van een strakke plot of van uitgebeende taal, zal niet vatbaar zijn voor de bekoring van Schulz’ beeldspraak. Zijn taal is taal uit een wereld die verdwenen is, een wereld die te lokaliseren is in Drohobycz, een Poolse provinciestad (nu gelegen in Oekraïne), maar vooral ook in het hoofd van de literator. De schrijver zelf noemde De kaneelwinkels een autobiografisch werk.  De lezer beleeft de stad van Schulz’ jeugd, ervaart zijn herinnering en vooral de vervorming van deze herinnering.

    ​‘Life imitates art’ schreef Oscar Wilde ooit. Zo ervoer men in de negentiende eeuw mistflarden pas werkelijk toen deze waren vastgelegd op de doeken van schilders, of toen ze in literatuur werden beschreven. Daarvoor werden ze als het ware niet waargenomen. Wie het verleden door de bril van Schulz beziet, ziet schoonheid die mogelijk meer in diens geest zat dan in de stad van zijn jeugd. Tijd en ruimte zijn in deze teksten ondergeschikt gemaakt aan wat literatuurwetenschapper Karin Dulaimi de ‘Schöpfungsordnung’ van Schulz noemt. In het oeuvre van Schulz domineert het fantastische, hij herschiep het verleden van de provinciestad van zijn jeugd net zolang totdat het voldeed aan zijn wensen.

    Symbolist en expressionist

    Schulz is weleens een symbolist genoemd, maar ook een expressionist, een magisch realist of een auteur horend bij de brede stroming van het modernisme in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het modernisme was een reactie op het moderne leven, de moderniteit. Modernisten hadden aandacht voor zaken als het onvolmaakte aspect van de moderniteit, voor de vervreemding ervan. De literator en politicus André Malraux stelt dat er in moderne kunstvormen sprake is van het scheppen van een alternatieve wereld door afwijzing van de werkelijkheid. Dit mechanisme is aanwezig in Schulz’ proza. De afwijzing zit hem in de vervorming, in het herscheppen van het verleden, van de kindertijd, als reactie op de onvrede over het leven in en om de volwassen schrijver, die onder meer kampte met eenzaamheid.

    ​Veel bewonderaars worden geroerd door wat Schulz zijn ‘spirituele genealogie’ en ook wel een ‘mythologisch delirium’ noemt. De aandacht voor Schulz in het proza van diverse auteurs, van John Updike tot Jonathan Safran Foer en David Grossman is niet onopgemerkt gebleven. Men mijmert erover wat Schulz nog meer had kunnen betekenen in de Europese literatuur als zijn leven anders was gelopen.
    In dit stuk wil ik twee aspecten van Schulz’ oeuvre die nog niet veel besproken zijn onderzoeken: zijn gebruik van kleuren om sfeer te scheppen en, daarmee verband houdend, de kwestie of zijn teksten over een jeugd, die in relatie staat tot de zijne, nostalgisch zijn, of dat men deze teksten anders moet typeren.

    Mythisch oerland met een historische laag

    De literatuurwetenschapper Krzystof Stala gaat (erg) beknopt in op het gebruik van kleuren door Schulz en scheert in zijn panoramische dissertatie over representatie in het oeuvre van Schulz langs het begrip nostalgie.
    Zoals opgemerkt zal een liefhebber van objectieve natuurwetenschappelijke duiding van het leven mogelijk problemen hebben met Schulz’ teksten. Wetten, grenzen en hiërarchieën worden volgens Dulaimi aan de laars gelapt.  Neem de volgende passage waarin het jonge hoofdpersonage door zijn ouders om een boodschap is gestuurd:

    ‘Nadat ik een paar stappen had gedaan, merkte ik dat ik zonder jas was. Ik wilde omkeren, maar even later leek dat onnodig tijdverlies, aangezien de nacht helemaal niet koud was, integendeel, zij was geaderd in stroompjes wonderlijke warmte, die ademtocht van een onechte lente. De sneeuw was samengetrokken in witte schapenwolkjes, in een onschuldig en lieflijk vlies dat naar viooltjes rook. In net zulke schapenwolkjes was de hemel opgelost, waarin de maan zich verdubbelde en verdrievoudigde en in die vermenigvuldigingen al haar fasen en standen toonde. De hemel legde die dag de constructie van zijn innerlijk bloot in vele, als het ware anatomische preparaten, die de spiralen en nerven van het licht, de doorsneden van de bleekgroene nachtmassa’s, het plasma van de ruimte, het weefsel van de nachtelijke dromerijen toonden.’

    Universele herinneringen

    Het gaat Schulz veel meer om een beschrijving van zijn kneedbare werkelijkheid dan om het uitdiepen van de persoonlijkheid van de personages, die als fantastische creaturen worden neergezet. Het zou gaan om antipsychologisch proza (Dulaimi 193) In die zin sluit zijn werk meer aan bij de mythische, archetypische wereld van tijdgenoot Carl Gustav Jung, dan bij die van Sigmund Freud. Schulz schrijft: ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat de wortels van de individuele geest, indien ver genoeg achtervolgd, uiteindelijk in een soort mythisch oerland verdwijnen. Dat is de laatste bodem en verder kan men onmogelijk komen.’

    Het verschil met de archetypische oerbeelden van Jung, die zonder culturele beïnvloeding zouden worden overgeërfd, is dat het mythisch oerland van Schulz wel een soort historische laag van het persoonlijk ervarene kent. Het oerland van Schulz is strikt individueel, alleen hij had het zo kunnen beschrijven als hij deed, terwijl  er bij Jung sprake is van universele herinneringen van heel de mensheid, die in zekere zin tijdloos en ahistorisch zijn. Volgens Dulaimi wordt iemand pas werkelijk mens in het oeuvre van Schulz als de ‘Seinsituation’ van de werkelijkheid wordt overschreden. (62) Met zijn kunst vormt Schulz de natuur tot schoonheid, dwingt hij zijn woorden tot symboliek. Toch zijn er ook auteurs die zelfs de strikt persoonlijke mythologie van Schulz als iets universeels zien. De Russische filosoof Nicolas Berdyaev meende dat iedere mens een microkosmos is, waarin een schat van mythisch materiaal verborgen gaat. In iedere mens is als het ware een ahistorische ‘geschiedenis’ van heel de mensheid terug te vinden, als men er maar diep genoeg naar zou graven. Het werk van Schulz wijkt van dergelijke universele mythevormen af omdat hij het verbindt met een Heimat die daadwerkelijk op de kaart is terug te vinden: een ingeslapen provinciestad.

    Reservoir van indrukken

    ​Schulz beschrijft een wereld die verdwenen is en die hij niet zozeer tot leven wil wekken, als wel aanpassen aan zijn behoeften tijdens het schrijven. Zijn jeugd is voor hem het reservoir van indrukken, die hij als volwassene steeds opnieuw vormgeeft:

    ‘Ik weet niet hoe we in onze jeugd tot bepaalde beelden komen die voor ons van beslissende betekenis zijn. Ze spelen de rol van die draden in een oplossing waaromheen voor ons de betekenis van de wereld kristalliseert’ Hij schrijft verder: ‘Zulke beelden vormen een programma, ze leveren ons het kapitaal van de geest, dat heel vroeg in de vorm van intuïties en halfbewuste gewaarwordingen wordt gegeven. Mijns inziens zijn we de rest van ons leven bezig die inzichten te interpreteren, ze in de gehele inhoud die we verwerven te ontrafelen, ze in ons intellect te verwerken, in alles wat we kunnen omvatten. Die vroege beelden geven de grenzen van de creativiteit van de kunstenaar aan.’

    ​Wie het werk van Schulz leest, waarin elke zin een kunstwerk op zich is, waant zich een archeoloog van de geest, die betekenislaag na betekenislaag opdiept, de verborgen oerbetekenis, de essentie van woorden en beelden. Werelden worden woorden en woorden worden werelden (Stala 81). Dit doet je vergeten dat het beschrevene ook een relatie heeft met de geografie van de werkelijkheid.

    Galicië en Kakanië 

    De landstreek Galicië (niet te verwarren met de Spaanse regio), waarin Drohobycz ligt maakte gedurende de jeugd van Schulz deel uit van de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Dit was geen eenvormige natie maar een samenraapsel van vele volkeren die met wisselend succes bestuurd werden. Het rijk werd door Robert Musil in zijn Der Mann ohne Eigenschaften ‘Kakanië’ genoemd. Er was sprake van een kakofonie van talen, religies en gemeenschappen.

    ​Galicië, dus deel van ‘Kakanië’ is een land van wonder en betovering in het proza van Schulz, het is een imaginair land, veel eerder dan dat de historische realiteit wordt getoond.  De beschrijving van de Galicische nacht en rijke vegetatie zouden voor een regionale sfeer zorgen (Budurowycz), maar het is toch vooral de kleuring door de geest van Schulz die het landschap bijzonder maakt.

    Een anoniem en tragisch leven

    Schulz’ psyche werd gevormd en steeds opnieuw hervormd door zijn band met deze Heimat. Het was de stad van zijn jeugd die de grondstof van zijn neiging tot vertekende herinnering leverde.
    Schulz was naast schrijver ook beeldend kunstenaar. Hij was een vereenzaamde tekendocent aan een plaatselijk gymnasium en begaf zich niet veel in literaire contreien, maar kreeg wel erkenning van zijn vakgenoten. Schulz was zijn leven als Jood niet zeker toen de nazi’s zijn geboorteplaats bezetten. Hij werd uiteindelijk vermoord door een SS’er.

    ​Het werk van Schulz maakt duidelijk dat een gevoel van persoonlijke onvolkomenheid en eenzaamheid kan worden gekanaliseerd tot schoonheid. Freud zou het over sublimatie hebben.
    Schulz’ magnum opus, dat bijna voltooid was, heeft, net als hij zelf, de oorlog niet overleefd. Als er meer van Schulz’ werk bewaard was gebleven en hij ook langer had kunnen scheppen, had hij mogelijk behoord tot de allergrootsten van de Europese literatuur. Dit gegeven, gevoegd bij zijn niet vervulbare seksuele wensen en fantasieën maken van hem een tragische figuur.

    ​Dulaimi ziet diverse tegenstellingen die naar voren komen in de psyche van Schulz. Ze spreekt van de begrippenparen: eenheid-veelheid, ik-wereld en tijdelijkheid-ruimtelijkheid. De grenzen ertussen worden in het proza van Schulz steeds overschreden. De werkelijkheid neemt volgens haar in Schulz’ werk slechts schijnvormen aan, als scherts of spel. Of als aanpassing van het individu aan de werkelijkheid (80). En omgekeerd: een aanpassing van de werkelijkheid aan het individu. Stala onderscheidt nog andere tegenstellingen, te weten ‘subject-object, truth-fiction, imitation-creation, repeatability-unchangeability, matter-form, matter-idea’ (9). Hier is vooral het verschil tussen materie en vorm en idee interessant: de geest van Schulz betovert objecten en de natuur tot meer dan ze zijn.

    De rol van de vader

    ‘Wanneer vader in grote ornithologische compendia las en de kleurige tabellen ombladerde, leek het of die gevederde fantasmata daaruit opvlogen om de kamer met hun fleurige fladderen te vullen, met vlokken purper, flarden saffier, groenspaan en zilver. Onder het voeren vormden ze op de vloer een kleurig en golvend bloembed, een levend tapijt dat uiteenviel als iemand onvoorzichtig binnenkwam, dan uiteenvloog in bewegende bloemen, klapwiekend in de lucht, om vervolgens in de hoogste regionen van de kamer een plekje te vinden’, zo lezen we in De kaneelwinkels. Het boek leest, onder meer, als een lofzang op de fantasie van de vader die de saaiheid van het leven in een Poolse provinciestad net zolang verkleurde voor het hoofdpersonage en zijn familie tot er wonderlijke schoonheid ontstond. In de beschrijving van Schulz is sprake van mythische herinneringen aan een verleden dat nooit werkelijkheid is geweest, maar dat een betoverend effect heeft op de lezer. De vader is of wordt vogel, schorpioen en  magiër. De fixatie op de vaderfiguur toont mogelijk dat de hoofdfiguur zich niet heeft los kunnen maken van diens invloed en in zekere zin in zijn jeugd is blijven hangen. Er is ook een soort vermenging van de psyche van de hoofdfiguur (die in verband staat met Schulz als kind) en de vader.

    ​Schulz wordt weleens vergeleken met Kafka, niet alleen omdat transformatie een rol speelt in het werk van beiden, maar ook om de betekenis die wordt toegekend aan de vaderfiguur. Het verschil tussen de twee zit hem in het deels ophemelende karakter van Schulz’ werk, als hij de jeugd uitvergroot en wonderlijk maakt. Kafka zal niet snel met nostalgie in verband worden gebracht.

    Schildering in woorden

    De dichter W.B. Yeats heeft ooit een verband gelegd tussen vorm en kleur en emoties: ‘Because an emotion does not exist, or does not become perceptible and active among us, till it has found its expression, in colour or in sound or in form, or in all of these, and because no two modulations or arrangements of these evoke the same emotion, poets and painters and musicians, and in a less degree, because their effects are momentary, day and night and cloud and shadow, are continually making and un-making mankind.’  Dit proces van herscheppen en emotionaliseren zien we ook in het oeuvre van Schulz, die veelal kleurwoorden gebruikt om een sfeer te creëren van bonte schoonheid. Hij beschrijft bijvoorbeeld een tuin uit het domein van de jeugd als volgt:

    ‘Daar was een grote verwilderde, oude tuin. Hoge perenbomen, wijd vertakte appelbomen stonden hier en daar in imposante groepen, gehuld in zilveren geritsel, in een schuimend net van witte schitteringen. Het gras, welig, wanordelijk en ongemaaid, bedekte het golvende terrein met een donzige mantel. Er groeiden gewone weidegrassen met vederpluimpjes als aren, de fijne filigreinen  van wilde peterselie en wortel, ruwe gerimpelde blaadjes van hondsdraf en dovenetels ruikend naar munt, taaie, glanzende weegbree met spikkels roest en oprijzend in trossen van dikke rode grutten. En dit alles, vervlochten en donzig, was doordrenkt van een milde lucht, gevoerd met blauwe wind en verzadigd van hemel. ‘

    Schulz spreekt van ‘zilveren geritsel’, ‘witte schitteringen’, ‘dikke rode grutten’ en ‘blauwe wind.’ (59) De kleurenwereld van Schulz moet men in kleine dosissen tot zich nemen. Wie er teveel van achterelkaar leest, wordt meegevoerd in een werveling van gevoelstinten die imponeren, maar door zijn bontheid te overdadig kan werken. Misschien komt een dergelijke leeservaring voort uit een cultuur van dedain voor kleur. Volgens de kunsthistoricus John Gage was in westerse samenlevingen een veelheid aan kleur een teken van weinig raffinement; zwartwit fotografie wordt nog altijd als meer kunstzinnig gezien dan kleurenfotografie.

    Pigmentbeeld en kleurwoord

    Dat neemt niet weg dat veel schrijvers bewust met kleur spelen. Zo wilde Gustave Flaubert de kleur paars uitwerken in Salammbo en grijs in Madame Bovary. De plot was daaraan ondergeschikt. Het ging hem om het oproepen van beelden en sfeer in de hoofden van de lezers. ‘The image is the poet’s pigment’ schreef Ezra Pound ooit. En wanneer het pigmentbeeld wordt verbonden met een kleurwoord is er sprake van dubbele kleuring. Er is dan in zekere zin sprake van het plaatsen van een hyperbolisch uitroepteken bij de gekozen beelden, wat sobere stilisten als een ‘te veel’ zullen typeren. Als men de volgende passage leest, raakt men zowel doordrongen van de kracht en pracht van het proza van Schulz, als van de tekortkomingen, doordat hij geen maat lijkt te kunnen houden in zijn kleurimpressies:

    ‘Door de diepblauwe bekleding met het gouden patroon was het donker en fluweelachtig in de kamer, maar in het koper van de lijsten van de schilderijen, de deurklinken en gouden sierranden trilde ook hier nog een echo van de vurige dag, hoewel gefilterd door het dichte groen in de tuin.’

     

    Recensent Reinjan Mulder brengt de sfeer van het werk van Schulz in verband met de schilderijen van de Joodse voormalige shtel-schilders Caïm Soutine en Marc Chagall. Met name de kleurige vervormde landschappen van Soutine roepen inderdaad een sfeer op die vergelijkbaar is met die van Schulz’ bonte beschrijvingen waarin de werkelijkheid tot iets anders wordt gemaakt dan ze was, waarin vooral gevoel en sfeer belangrijk zijn en waarin alles vertekend is, niet uit onvermogen, maar omdat deze vertekening voor de schepper zowel essentieel als persoonlijk is. Ook in het werk van Chagall gaat het duidelijk niet om naturalisme, denk aan het niet-perspectivische karakter ervan, maar wel om nostalgie naar een verloren Joodse cultuur. Anders dan Soutine en Chagall liet Schulz zijn roots niet achter zich; hij begaf zich niet veel buiten zijn geboortestad en stond enigszins los van de Poolse en literaire traditie, al correspondeerde hij wel met diverse schrijvers, onder wie Thomas Mann. Waar Soutine en Chagall nostalgisch waren naar hun geboorteland na emigratie (het ging dan mede om een afstand in plaats), blikt Schulz, die niet veel reisde, terug op het andersoortige verleden (een afstand in tijd).


    Nostalgie een veelvormig verschijnsel

    ​Ik wil de omgang met grenzen, belangrijk in het werk van Schulz, in verband brengen met nostalgie. De behoefte aan begrenzing kennen veel nostalgische mensen, zij willen hun ervaringswereld beperkt houden, omdat de wereld in zijn totaliteit hen teveel prikkels toezendt. In het werk van Schulz worden grenzen overschreden, er is sprake van een bewuste transformatie van het verleden en van de mensen die dit verleden bevolkten. In die zin lijkt zijn oeuvre in eerste instantie niet nostalgisch. Ook het gegeven dat de geheugensporen in de geest van Schulz in diens artistieke verwerking ervan worden overgroeid met nieuwe betekenissen en fantasieën, zoals Stala laat zien (69), lijkt daarop te wijzen.

    ​Maar misschien is het schijn die bedriegt.  Nostalgie is een veelvormig verschijnsel met vele varianten en definities. Ik onderscheid vier, deels overlappende, nostalgische wijzen van het op je in laten werken en herwerken van het verleden: in sommige nostalgische omgang met ‘vroeger’ is ten eerste sprake van het reduceren tot de geïdealiseerde ‘essentie’door het schrappen van storende elementen. Ten tweede worden soms zaken toegevoegd om tot een vervolmaakte ‘verbeterde’ versie van ‘vroeger’ te komen. Een derde vorm is het vervormen of het maken van iets andersoortigs op basis van wat echt geweest is. Een vierde nostalgische manier om te ‘nostalgiseren’ is hercontextualiseren, waarin elementen uit het vroegere een nieuwe samenhang wordt gegeven (denk aan een museum). In het werk van Schulz is, mijns inziens, sprake van het derde type: het gaat bij hem om een extreme vervorming of vertekening van het verleden, in de vorm van hallucinaties, fantasieën, droombeelden, uitingen van quasirealiteit en poëtisering (Stala 98). Het is een strikt persoonlijk ‘vroeger’ waarover Schulz niet had kunnen schrijven als hij er geen herinneringen aan zou hebben. Het gaat om individuele nostalgie, die meer over de psyche van Schulz zegt dan over het leven van de Joden in de Shetl.

    Het verleden inkleuren

    Bij Schulz is volgens Dulaimi het liquideren van een gebrek in het heden door middel van vervormende herinnering belangrijk, iets wat ze ‘Gegenwartsverdrängung’ door  transformatie van het verleden noemt. Deze zou anders functioneren dan bij Proust die vooral tot herinterpretatie zou komen. Bij Schulz had zijn poëtische proza een functie in het omgaan met eenzaamheid, verveling en het alledaagse.

    Het als onvolkomen ervaren van het eigen heden is een van de factoren die tot nostalgie kan leiden. Deze onvolkomenheid kan teruggaan op veranderingen in de leefomgeving, waar in Drohobycz sprake van was, maar er kan ook sprake zijn van onvolkomenheden in het karakter van een nostalgicus met een neiging tot regressie. Schulz transformeert en voegt kleur toe aan het verleden, eerder dan dat hij het terug wil brengen tot zijn essentie. Ook dat is nostalgie. Schulz is een schepper die de werkelijkheid van het verleden in het heden aanpast aan zijn eigen noden. In artistiek opzicht is zijn visie op zijn Heimat belangwekkender dan de verleden werkelijkheid van de Poolse stad zelf. In alle literatuur is sprake van vertekening, maar voor Schulz’ proza geldt dit in extreme mate.

    Kleurenrijkheid

    In het werk van Schulz is het visuele heel belangrijk, hij was niet voor niets ook beeldend kunstenaar. In stijlhandboeken heeft men het bij het beschrijven van auteurs als Schulz wel over ‘word painting’ of men spreekt van (met een meer negatieve lading): ‘bloemrijk taalgebruik.’ Deze kleurenrijkheid, zowel letterlijk als figuurlijk, staat, naast het mythische aspect, centraal bij mijn typering van het oeuvre van Schulz. In heel het verzameld werk in de rijke vertaling van Gerard Rasch, wordt naar mijn smaak een interessante koppeling gemaakt tussen mythologie en nostalgie, tussen collectieve, universele en individuele herinnering. Er is mij geen andere auteur bekend die precies die koppeling zo overtuigend maakt als Schulz.

    ​Zintuiglijkheid en vertekening, het compenseren van een onvolkomen heden en het putten uit esthetiserende jeugdherinneringen, maken zijn teksten nostalgisch. Maar Schulz heeft zijn werk ook een fantastische lading meegegeven, die op het eerste gezicht niet nostalgisch is. Toch spreekt ook uit dit kleuren van het verleden, een verlangen naar de wereld van het kind, het kind dat nog irrationeel mocht zijn. Het stilistisch arsenaal van de volwassen Schulz is natuurlijk veel rijker dan dat van een kind. Zo ontstaat een complexe mengvorm van herinnering en verbeelding, van persoonlijke geschiedenis en persoonlijke mythologie, van regressie en schoonheid.

     

    Olivier Rieter promoveerde in 2018 op onderzoek naar nostalgie. Hij is nu onder meer bezig met het schrijven van een essaybundel over de relatie tussen literatuur en nostalgie. Dit essay is daar onderdeel van.

     

     

     


    Gebruikte literatuur

    69. Adams, ‘Intertextuality and the trace of the other: specters of Bruno Schulz’, in Symbolism 12/13, 49-69.
    70. Budurowycz,  ‘Galicia in the Work of Bruno Schulz’
    71.  Van Campen, Gekleurd verleden. Verhalen over het geheugen van de zintuigen(Utrecht 2012)
    72.  Van Deel, ‘Eeuwig op zoek naar het mytisch oerland’, www.trouw.nl
    73.  Dulaimi, Der Mythosbegriff im Werk von Bruno Schulz(München 1975)
    74.  Ellmann en Ch. Feidelson jr, The modern tradition. Backgrounds of modern literature(New York 1965)
    75.  Gage, Colour and meaning. Art, science and symbolism(1999)
    76   Lukas, ‘Mythos, Archetyp und Translation. Die Prosa von Bruno Schulz im Kontext der Ideen von Thomas Mann und Carl Gustav Jung,’
    77.   Mulder, ‘Het ijzeren kapitaal van de geest; De zelfverloochenaar Bruno Schulz’ (nrc.nl/nieuws/1992)
    2.   Müller-Funk, P. Plener en C. Ruthner ‘Kakanieen revisited: das eigenen und das fremde (in) der Osterreichischen literatur,’
    3.   Schulz, Verzameld werk. Vertaald door Gerard Rasch (Amsterdam 1995, vierde druk 2006)
    4.   Stala, On the margins of reality. The paradoxes of representation in Bruno Schulz’s fiction (Edsbruk 1993)
    (wikipedia)

     

  • Literaire kritiek en vergeten critici

    Er zijn heel wat proefschriften over literaire kritiek geschreven. Het bekendste is wel de doorwrochte dissertatie van J.J. Oversteegen waarin de opvattingen over literatuur rond Forum (1931-1935) zijn geanalyseerd. Behalve de poëtica van Ter Braak en  Du Perron – de voormannen van het tijdschrift – en hun medestanders komt de visie van hun opponenten ter sprake. De literaire recensenten en essayisten in het interbellum – zo is te lezen in Oversteegens boek uit 1969 – keken elkaar voortdurend op de vingers. Talloze polemieken werden gevoerd zoals de pennenstrijd tussen vrijdenker Ter Braak en de katholiek Van Duinkerken.

    We kunnen die jaren tussen de wereldoorlogen misschien wel de tijd van de literaire verzuiling noemen. Katholieken hadden hun eigen tijdschrift en ook protestanten evengoed als de ethisch humanisten rond Dirk Coster. Een verzuiling die ervoor zorgde dat telkens wanneer men elkaar in de haren vloog ‘de letteren knetterden ’ (om met Jeroen Brouwers te spreken).

    Wie de literaire geest in onze literatuur vergelijkt met die van na pakweg 2000 kan niet anders dan een schrikbarend verschil constateren. Zelden nog worden polemieken gevoerd nu de kolommen voor boekbespreking almaar ingeperkt zijn. Evenmin is er nauwelijks plaats voor diepgravende recensies.
    In het interbellum was dat gelukkig anders. Naast tijdschriften als Forum en Opwaartsche wegen, het orgaan van de protestanten, waren er ‘algemene’ tijdschriften voor ‘boekenvrienden’ zoals Den Gulden Winckel en Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift. De recensenten bemiddelden als het ware tussen auteur en lezer en gaven zich met hart en ziel aan die taak over. Ze wezen de weg in boekenland dat niet minder dan tegenwoordig dagelijks met nieuwe uitgaven werd overspoeld.

    Over dit type kritiek in het interbellum verscheen onlangs de boeiende Groningse dissertatie van Ryanne Keltjens. Boekenvrienden heet haar studie en is gebaseerd op de recensies van drie vergeten maar in hun tijd gezaghebbende critici: Gerard van Eckeren, Anthonie Donker en Roel Houwink.

    Twee publicaties, een recente en een ‘gedateerde’, verdienen eveneens om voor het voetlicht te worden gebracht. Kort vóór de verschijning van Boekenvrienden verraste Emma Crebolder met de gedichtenbundel Opsnuiven. De meeste verzen vertrekken vanuit een geurgewaarwording die meevoert naar het (verre) verleden, de tijd die Crebolder in vorig werk via andere ingangen heeft aangeboord. Ter illustratie een ‘poëticaal’ gedicht, een gedicht met een literatuuropvatting zoals een criticus die in een boekbespreking zou hebben kunnen neerleggen:

    ‘Ruiken is vooral aan geluid
    en witte schemer diep in
    onze hersenstam gedreven.
    Soms ontwaken de geuren
    van meconium en biest die
    de boreling omvingen. Odeur
    ontwaren van darmpek en
    moedervocht is woordeloze
    taal ontginnen die
    uitweg zoekt in poëzie.’

    Boekenvrienden herlezen graag hun lievelingsboeken, die lang niet altijd bij iedereen bekend zijn. Hoeveel prachtige oeuvres zijn er niet in de Nederlandse literatuur met slechts een klein lezerspubliek? Oeuvres die veel meer aandacht verdienen maar niet in de ‘algemene’ smaak vallen. Het gaat hier niet louter om literatuur met ‘lagen’ of subtiele en betekenisvolle verwijzingen. Familieberichten van Chantal van Dam verscheen in 1999 en kreeg bijval van critici in weekbladen en landelijke kranten. In deze ‘gelaagde’ en toch toegankelijke roman is net als in de gedichtenbundel van Emma Crebolder tijd een hoofdmotief.

    Ook in haar ander werk, Het maggischip met eveneens een familiegeschiedenis, vloeit verleden over in heden. Zo schrijft zij: ‘Nog altijd word ik, als ik op een perron sta te wachten en er raast een trein voorbij, meegenomen naar een klein Italiaans station in de jaren zestig.’ Zulk associatief verband in een doodgewone zin met een herinnering is ook (onopvallend) aangebracht tussen (grotere) tekstgedeelten. In Van Dams verhaalwerkelijkheid hangt alles samen en ontmoeten we een herschapen wereld. Een kenmerk van ‘echte’ literatuur en tevens een te weinig gehanteerd kritisch principe in de uitgedunde boekenkolommen anno 2018.

     

     

  • Over wederzijds onbegrip

    Op 23 maart 2016 presenteerde de Wit-Russische schrijfster en Nobelprijswinnares Svetlana Alexijevitsch in de oude Lutherse Kerk in Amsterdam haar nieuwste boek De oorlog heeft geen vrouwengezicht. Michiel Krielaars leidde het gesprek. Svetlana Alexijevitsch is geen romanschrijfster in de klassieke zin van het woord. Zij is vooral onderzoeksjournalist. Op basis van talloze gesprekken met mensen uit alle hoeken en gaten van de voormalige Sovjet-Unie probeert zij te laten zien wat de Sovjet-Unie met hun leven gedaan heeft en hoe de post-Sovjetmens tracht te overleven in het huidige Rusland. In dit bijzondere boek laat zij, middels honderden interviews, vrouwen aan het woord komen die een minder heroïsch beeld schetsen van de Tweede Wereldoorlog dan gebruikelijk is in de verhalen van de veteranen. Zij ondergraaft daarmee de mythische status die het optreden van het Rode Leger nog steeds heeft bij de Russen en die er bij scholieren met de paplepel wordt ingegooid. In haar eerder verschenen boek Het einde van de rode mens slaat zij getuigen aan het woord over hun leven tijdens en na de Sovjet-Unie. Haar grote verdienste is dat zij gewone mensen aan het praten krijgt, iets dat bepaald niet gebruikelijk is in Rusland. Het beeld dat daar uit oprijst, stemt haar allerminst vrolijk. Zij schetst een somber scenario als het gaat om de toekomstige ontwikkelingen in Rusland.

    Teleurgestelde verwachtingen
    In haar gesprek met Krielaars maakte zij duidelijk dat men in het westen vaak weinig begrijpt van de mensen in Rusland. Hoewel de ineenstorting van de Sovjet-Unie onvermijdelijk was en waarschijnlijk een goede zaak, was het daarna niet voor alle inwoners een feest. In het westen dacht men dat de markteconomie economische voorspoed zou brengen en dat de vrijheid van meningsuiting door iedereen omarmd zou worden. Zo genoot Gorbatsjov met zijn perestrojka en glasnost een grote populariteit in het westen. In Rusland wilde men al snel niets meer van hem weten. Hem wordt verweten de Sovjet-Unie te hebben verkwanseld. Hij is verantwoordelijk voor het verlies van de Oekraïne (met daarbij de Krim) en vele andere gebieden. Hij heeft de eigenwaarde van veel Russen te grabbel gegooid. Svetlana Alexijevitsch kwalificeert de aanhangers van de perestrojka, waartoe zijzelf indertijd ook behoorde, als een club romantische intellectuelen die in geen enkel opzicht de wil van het volk representeerde. Daar kwam zij tijdens haar vele gesprekken met mensen in alle uithoeken van het enorme Sovjetrijk achter. Haar werd duidelijk dat de mensen helemaal niet zitten te wachten op begrippen als vrijheid en vrijheid van meningsuiting. Zij leven in een perspectiefloze wereld en zijn slachtoffer van immorele graaiers, Oblomovs van het ergste soort: nietsnutten en gewelddadige dronkenlappen. En dat allemaal dankzij die vermaledijde markteconomie. Niet dat het onder het communisme veel beter was, maar toen konden de mensen in ieder geval nog trots zijn op Moedertje Rusland. Zij koesteren geen verwachtingen op een beter leven. Zij verlangen eigenlijk alleen maar naar brood en politieke stabiliteit en, ja….., herstel van eigenwaarde. Dit geldt zelfs voor vrijgelatenen uit de Goelag. Orlando Figes geeft hiervan in zijn boek Fluisteraars, leven onder Stalin indrukwekkende voorbeelden. Menig slachtoffer van Stalin blijkt, na zijn vrijlating, te behoren tot zijn grootste aanhangers.

    Russische identiteit
    Tegen intellectuelen heerst een groot wantrouwen. Die laten hun oren te veel hangen naar westerse propaganda, leveren kritiek op Stalin en dus op Rusland. Het zijn geen patriotten. Natuurlijk, er zijn wel dingen fout gegaan ten tijde van Stalin, maar hij was toch ook de leider in de Grote Vaderlandse Oorlog tegen Hitler. De grootheid van het Sovjetrijk, het respect dat dat rijk afdwong in de wereld en de overwinning op Hitler-Duitsland geeft de mensen een gevoel van trots en is een deel gaan vormen van hun identiteit. En Stalin is daar, ondanks al zijn feilen, de representant van. Westerse kritiek op Stalin geldt zonder meer als propaganda. Poetin heeft dat goed begrepen. Hoewel geen stalinist, werpt hij zich toch op als de hoeder van deze onder andere op de erfenis van Stalin gebaseerde identiteit.

    De film
    De film The Death of Stalin van de Schotse regisseur Armando Iannucci is gebaseerd op de Franse grafic novel La Mort de Staline van Fabien Nury en Thierry Robin. Hoewel de film feitelijk juiste informatie verschaft en de taferelen die zich rond het doodsbed van Stalin hebben afgespeeld werkelijk onthutsend zijn, blijft de impact daarvan op de toeschouwer toch beperkt. De mensen in de entourage van Stalin worden neergezet als een lachwekkend stelletje domme, gewetenloze schurken, moorddadig, onbekwame intriganten en hielenlikkers, Stalin zelf als een wrede Iwan de Verschrikkelijke. De film is knap gemaakt en zeker vaak komisch te noemen. Jammer dat er in de film met geen enkel woord gerept wordt over het feit dat de dood van Stalin heeft voorkomen dat er een door Stalin zelf opgezette grote anti-semitische pogrom heeft plaatsgevonden, terwijl er wel duidelijk aandacht is voor het feit dat alle bekwame artsen in Moskou, meestal joden, naar Siberië waren gestuurd, zodat er op het moment surprême geen deskundige medische hulp aan Stalin kon worden verleend. Omdat Iannucci wel begreep dat lachen om de hoofdrolspelers in dit drama niet zonder meer gepast genoemd kan worden, heeft hij overal waar mogelijk ook de wrede consequenties van hun optreden in beeld gebracht, waardoor je kunt spreken van een zwarte komedie.

    Lachen of huilen
    Toch doet het lachwekkende karakter van de film afbreuk aan de tragiek, namelijk dat een zo groot land zo lang geregeerd kan zijn door een zo moorddadig regime gebaseerd op een, misschien niet in beginsel, maar zeker wel in zijn uitwerking, perfide ideologie, waarvan Stalin slechts een abject uitvloeisel was. Na hem bleef het systeem gewoon voortbestaan. Misschien is daarom het lachen om Stalin en zijn kornuiten zo veel moeilijker dan lachen om Hitler en zijn trawanten? Het zijn eigenlijk ook onvergelijkbare verschijnselen. Met de val van Hitler kwam er een einde aan het nazidom, terwijl er vóór Stalin al een communistisch terreurbewind was in de Sovjet-Unie dat na Stalin gewoon voortduurde. Onder Stalin bereikte het wel zijn morbide dieptepunt. Lachen om Stalin en zijn kliek is dan ook een gewaagde onderneming. De gruwelen van het bewind van Stalin zijn nog lang niet verwerkt en zelfs nog niet in al hun perversiteit algemeen bekend, zeker niet bij de meeste Russen. Zijn slagschaduw is nog overal aanwezig. Daarnaast kan Stalin in Rusland nog altijd rekenen op een grote populariteit, zeker op het platteland en bij de oudere generatie. Bovendien is voor de meeste Russen Stalin de grote overwinnaar van Hitler in de Grote Vaderlandse Oorlog en geldt westerse kritiek op Stalin als een aanval op Moedertje Rusland zelf.

    Van Dostojevski tot Poetin
    Dit vijandbeeld kennen wij natuurlijk uit de tijd van de Koude Oorlog, maar heeft veel oudere wortels. Svetlana Alexijevitsch verwijst regelmatig naar Dostojevski, die niets moest hebben van westerse normen en waarden en sterk hechtte aan religie, nationalisme en de Slavische ziel. Dit komt vooral tot uiting in zijn meest politieke boek Boze geesten waarin hij alle westerse nieuwlichterij verkettert. In dit opzicht is het trouwens interessant te weten dat ook Soltzjenytsin diep teleurgesteld terugkeerde uit het Westen. Poetin en de zijnen hebben dit goed begrepen. Het koesteren van dit vijandbeeld is bewust politiek beleid en dekt veel binnenlandse problemen toe. Vandaar dat er in Rusland sprake is van een zekere rehabilitatie van Stalin met als gevolg dat deze film niet door de politieke beugel van het Kremlin kan en verboden is, omdat openbare vertoning van de film in Rusland wel eens zou kunnen leiden tot algemene verontwaardiging en het oplaaien van anti-westerse gevoelens. Misschien wil Poetin dat voorkomen!

     


     

     

     

  • Wat is (de) waarheid?

    De Colombiaanse schrijver Juan Gabriel Vásquez kan niet bepaald bogen op een enthousiaste ontvangst door de Nederlandse literatuurkritiek. Enkele jaren geleden liet Maarten Steenmeijer in de Volkskrant 1* noteren bij De reputaties, een voortreffelijke roman over een spotprenttekenaar in Bogota. De aangevoerde reden was dat de schrijver filosofisch leentjebuur zou spelen bij Javier Marías, een bewering die zonder nadere uitwerking bleef. Het nieuwste boek van Vásquez, internationaal zeer goed ontvangen en dit jaar in Nederlandse vertaling verschenen, werd op twee sterren getrakteerd door Ger Groot voor NRC. De ruim vijfhonderd pagina’s tellende roman wordt volgens de criticus geruïneerd door een eindnoot van de auteur, waarin staat dat ‘de lezer zelf verantwoordelijk is voor alle overeenkomsten met het ware leven die hij in dit boek wil vinden.’ Een uitvlucht, een getuigenis van slapte, zo concludeert Groot.

    Tijd om het daarom maar op te nemen voor Juan Gabriel Vásquez, want met De vorm van ruïnes schreef hij een meesterwerk dat een groot publiek verdient. Temeer omdat het verhaal niet alleen buitengewoon meeslepend geschreven is en knap geconstrueerd, maar ook nog eens erg relevant is in tijden van fake news en post-truth politics.

    Net als de rest van het oeuvre van deze Latijns-Amerikaanse auteur handelt het boek over het verleden van Colombia (zie ook dit stuk). In dit geval gaat het om twee aanslagen die de koers van het land verlegden: de moord op generaal Uribe Uribe in 1914 en die op de populaire politicus Gaitán in 1948. De officiële lezing is dat beide moordaanslagen zijn beraamd door enkelingen die op eigen houtje opereerden. Vergelijkbaar met de geboekstaafde waarheid dat John F. Kennedy werd vermoord door een lone wolf, Lee Harvey Oswald.

    De verteller van het boek (een rol waarin Vásquez zichzelf onder zijn eigen naam opvoert) komt in aanraking met mensen die de officiële versie van de geschiedenis niet aanvaarden. Zij blijven graven, op zoek naar een verborgen werkelijkheid. Eén van hen spreekt tegen het einde van het boek de volgende woorden uit:

    Er zijn andere waarheden, Vásquez. Er zijn waarheden die de kranten niet halen. Er zijn waarheden die niet minder waar zijn alleen omdat niemand ze kent. Wellicht speelden ze zich af op een vreemde plek waar journalisten of geschiedschrijvers niet komen. En wat doen wij ermee? […] Er bestaan zwakke waarheden, Vásquez, waarheden zo fragiel als een prematuur kind, waarheden die zich niet kunnen weren in de wereld van bewezen feiten, dagbladen, geschiedenisboeken. Waarheden die bestaan, ook al zijn ze in een rechtszaak ten onder gegaan of uit het geheugen van de mensen verdwenen. Of gaat u me nu vertellen dat de geschiedenis zoals we die kennen de enige ware is?’

    Welnu, deze roman poogt dit soort prille en kwetsbare inzichten over te leveren. NRC-recensent Groot had er niet verder naast kunnen zitten wanneer hij stelt dat het ‘Vasqúez uitdrukkelijk te doen is om onthulling van wat er werkelijk gebeurd is’. Van begin tot eind maakt de verteller juist duidelijk dat hij onzekere waarheden voor het voetlicht wil brengen, dat hij zelf niet eens overtuigd is van het verhaal dat hij schrijft. Ergens in het boek laat hij een personage anderhalve pagina vullen met beschuldigingen die beginnen met de formulering ‘het is waar maar ik kan niet aantonen dat […]’. De geschiedenis zoals die naar voren komt in De vorm van ruïnes blijft tot de laatste bladzijde betwistbaar, maar de goede verstaander heeft er genoeg aan. Enkele foto’s die in het boek zijn opgenomen dienen dan ook niet als bewijsstukken, zoals Ger Groot wil doen geloven, het zijn eerder relieken waarmee de verloren tijd tastbaar wordt gemaakt (analoog aan bepaalde fysieke overblijfselen waarop de verteller stuit tijdens zijn onderzoek).

    Vásquez trekt met deze roman dus openlijk aan het doek van de voorgefabriceerde werkelijkheid. Daarmee schaart hij zich nog niet aan de kant van degenen die hun alternatieve feiten van de daken schreeuwen. Het gaat bij hem niet om het lompe en gemakkelijk te ontmaskeren nepnieuws dat op sociale media welig tiert. De vorm van ruïnes beschrijft veel subtielere en verdergaande manieren waarop een samenleving gedurende decennia kan worden gestuurd door machtige individuen of instituten. Mensen die in staat zijn om datgene wat waar is maar niet aangetoond kan worden tot de algehele vergetelheid te veroordelen.

    Waarom dan nog die noot van de auteur aan het eind? Daarmee wil Vásquez zijn lezers er waarschijnlijk nogmaals op wijzen dat de waarheid niet op een presenteerblaadje komt, niet in deze roman en ook niet op de news feed van Facebook of in het journaal om acht uur. Het zou pas vreemd zijn als hij pretendeerde een panklare openbaring op te dienen. In plaats daarvan daagt hij uit om zelf kritisch te denken. Alleen zo kunnen ook wij in ons eigen verleden en in ons eigen land ongemakkelijke waarheden achterhalen en beschermen.

     

     

  • Hoe de boekenmarkt veranderde

    Toen ik in 2000 met vervroegd pensioen ging voelde dat óók als een bevrijding. In de voorgaande dertig jaar waren 12 titels van mijn hand verschenen, maar ik had ze moeten schrijven tijdens vakanties, in badkamers, berghokjes en ‘s nachts in de woonkamer. Het waren novellen, door de uitgever uitgewalst tot kleine romans van iets meer dan 100 pagina’s. Ze gaven me de naam van een zuinige schrijver, maar de werkelijkheid was dat ik het verhaal in 3 weken af moest hebben en het dus kort moest houden. Nu, op mijn 61ste, zou ik eindelijk tijd krijgen om royaal uit te pakken. Eindelijk zou ik mezelf ook schrijver gaan noemen, wat ik tot dan toe te pedant vond.

    Ik schreef de roman Eerlijk is Vals. Het kwam tijdens de Boekenweek van 2001 uit en in die week gaf Max Pam het in de Haagse Post een lovende recensie. Opgewekt deden mijn gade en ik de ronde langs de betere boekhandels in de binnenstad van Amsterdam. Maar noch Atheneum, noch Scheltema, noch De Bijenkorf hadden het op voorraad.‘Ja, sorry, daar had ik je op moeten voorbereiden,’ zei uitgever Vic van de Reijt. ‘Het is zeven jaar geleden dat je vorige boek verscheen. Dat is een hele generatie schrijvers, tegenwoordig. En een generatie boekhandelaren. Je bent niet meer bekend volgens onze vertegenwoordigers. Maar niet getreurd, je volgende boek gaat zeker beter.’

    Begin 2003 verscheen mijn verhalenbundel Geluk is voor de dommen. Al in de eerste week jubelde Parool-recensente Daniëlle Serdijn erover en liet Theodor Holman in zijn column weten dat de verhalen verfilmd moesten worden. En ik mocht praten bij Kunststof, het veelbeluisterde radioprogramma. Helaas bleek dat ook dit boek weinig werd verkocht.
    ‘Ja, sorry, dat had ik je je misschien moeten vertellen,’ zei uitgever Vic van de Reijt, ‘korte verhalen, dat verkoopt al lang niet meer. Ik dacht dat je dat wel wist!’
    ‘Maar alles moet tegenwoordig toch snel en kort?’
    Vic haalde zijn schouders op. Uitgevers zagen de boekhandel als klant. Van lezers wisten ze eigenlijk niets.
    Eerlijk is Vals en Geluk is voor de dommen staan sinds een paar jaar op mijn website en zijn daar ruim 30.000 keer gratis gedownload. Lezers zijn dus ook voor mij nog makkelijk te vinden. Maar niet meer via de boekhandel. Wat is er gebeurd?

    Schrijvers krijgen een gezicht

    Tot de jaren zestig van de vorige eeuw bestond de schrijver uit zijn werk. Interviews met schrijvers waren zeldzaam en gingen niet over de persoon, maar over zijn boeken. De televisie bracht daar verandering in. Onder leiding van de Vlaamse schrijver Karel Jonckheere streden in de jaren 1961- 1963 twee schrijversteams tegen elkaar bij het uitvoeren van taalopdrachten, onder de titel ‘Hou je aan je woord’. Godfried Bomans, Victor van Vriesland, Aya Zikken, Hella Haasse en Harry Mulisch die er aan deelnamen, werden aanraakbaar, Bomans werd zelfs aaibaar. Schrijvers kregen een gezicht en een persoonlijkheid en die geest ging nooit meer terug in de fles. Harry Mulisch, Jan Wolkers, Gerard Reve en W.F. Hermans vonden elk hun eigen manier om publiciteit rond hun persoon te genereren en daardoor de verkoop van hun boeken te bevorderen. Andere schrijvers volgden. Steeds meer boekhandels nodigden schrijvers uit voor signeersessies, de literaire redacties van kranten en weekbladen ontdekten in de jaren 70 het schrijversinterview. Alleen Vrij Nederland’s Carel Peeters hield vol dat zijn boekenpagina’s over boeken moest gaan, al kon hij niet voorkomen dat Bibeb af en toe een schrijver van héél dichtbij (‘kijkt ineens verschrikt’) benaderde. Op radio en TV kwamen programma’s waarin schrijvers centraal stonden, inmiddels maakt de inbreng van schrijvers een integraal onderdeel uit van programma’s als DWDD en Pauw. Succesvolle auteurs krijgen de status van BN-er (en omgekeerd worden BN-ers door hun bekendheid vaak succesvolle auteurs).

    Top tien

    Literaire uitgeverijen werden in de jaren 70 en 80 geleid door literatuurkenners en -liefhebbers van het type Sontrop en Van Oorschot. Kwaliteit stond voor hen voorop al was het natuurlijk van belang ook een zo groot mogelijke oplage te halen. Maar als het niet lukte een naar hun mening goed boek aan het grote publiek te slijten gaven ze het volgende werk van die auteur zonder aarzeling óók uit. Sterker nog, tot diep in de jaren zeventig gold als regel dat heel goed verkopende boeken eigenlijk geen goede literatuur konden zijn, geen schrijver ging er publiekelijk prat op een bestseller te hebben. Daar begon op 5 oktober 1974 verandering in te komen toen schrijver G. Brands in zijn rubriek ‘Eerste mélange’ in de Haagse Post een Boeken Toptien plaatste. Dat markeerde het begin van de Toptien-markt die nu al decennia de boekenbranche beheerst.

    Dát de Toptien belangrijker werd, was vooral een gevolg van de toename van het groeiende aantal boektitels. Babyboomers waren vaak beter opgeleid dan hun ouders en lazen veel. Boeken haalden makkelijk een oplage van 3 á 4.000, mede dankzij de 900 exemplaren die de bibliotheken afnamen. Ook nam het aantal manuscripten toe dat uitgevers aangeboden kregen. De literatuur bloeide als nooit tevoren. Dat had ook nadelen. Kon een vlijtige lezer in de jaren 70 nog het gevoel hebben de literatuur te kunnen bijbenen, vanaf de jaren 80 was dat niet meer mogelijk. Zo werd de Boeken Toptien steeds belangrijker.

    Schaalvergroting

    Niet alleen de lezer kon de stortvloed van nieuwe titels niet meer aan, ook de boekhandel wist niet meer welke boeken het wel of niet goed zouden doen in het komende seizoen. Dankzij de snelle nalevering van het Centraal Boekhuis kon de boekhandel al tientallen jaren volstaan met het op voorraad nemen van één exemplaar van een nieuwe titel. Rondreizende kleine uitgevers knokten voor dat éne exemplaar want een boek dat niet zichtbaar was in de winkel bestond feitelijk niet. Maar nu werden er zoveel nieuwe titels uitgegeven dat er geen beginnen meer aan was om ze allemaal een plek te geven. Je wist als boekhandelaar één ding zeker: je bleef met een groot aantal winkeldochters zitten. Weggegooid geld! De individuele boekhandelaren verenigden zich in boekhandelsketens om meer druk te kunnen uitoefenen op uitgevers voor een wat hogere inkoopkorting en eventueel recht van retour.

    Toen die uitgevers zich ook verenigden en als concerns gingen optreden, stonden twee blokken tegenover elkaar. Ze vonden een oplossing die even simpel als lucratief was. De belangrijkste onzekere factor voor zowel uitgevers als boekhandel is natuurlijk de vraag of er loop zal komen in een boek. Beide partijen hebben belang bij het uitschakelen van die onzekerheid. In onderling overleg bepaalden de partijen welke titels het goed moesten gaan doen. Uiteraard de nieuwe titels van bekende auteurs, plus een beperkt aantal nieuwkomers. Die titels werden groot ingekocht door de boekhandel, de uitgevers adverteerden er voor, de pr-functionarissen zorgden voor interviews in bladen en op tv. En als de lezer zijn boekhandel betrad lagen ze in geordende stapels voor hem klaar. Logischerwijs werden dit de meest verkochte boektitels en kwamen ze dus in de Toptien terecht. Een beter voorbeeld van een self-fulfilling prophecy is moeilijk te bedenken, als oud-marketeer kan ik er bewondering voor opbrengen. Als collega-schrijver kan ik dat minder, want het betekende dat er in de boekhandel – uitzonderingen daargelaten – geen plaats meer was voor auteurs met een select publiek.

    Magere jaren

    Ondanks het succes van de Toptien-markt begon de boekenmarkt in de afgelopen jaren toch in zijn voegen te kraken. De voornaamste oorzaak: minder lezers. Het Sociaal Cultureel Planbureau laat al tientallen jaren zien dat elke volgende generatie minder leest dan de vorige. De concurrentie met andere vormen van vrijetijdsbesteding is toegenomen, vooral na de komst van internet. Het met pensioen gaan van de baby-boomersgeneratie (meer tijd om te lezen) zorgde voor een opleving in de periode 2005 – 2010 met als piek het jaar 2008 met een verkoop van ruim 50 miljoen boeken, exclusief de e-books. Daarna werd het minder en in 2016 bedroeg de verkoop nog maar ruim 40 miljoen, inclusief 2.7 miljoen e-books. Van de 945 boekhandels in 2007 waren er in 2014 nog 765 over (- 20%). Naar schatting van kenners blijven er uiteindelijk zo’n 500 over. Dat heeft er óók  mee te maken dat zowel uitgevers als boekhandelaren te laat gereageerd hebben op de digitale revolutie. Voor uitgeverijen was van oudsher de boekhandel de klant. Dáár verkocht je je titels aan. Maar e-boeken moesten rechtstreeks – en buiten de boekhandel om – aan de lezer verkocht worden en hoe deed je dat in vredesnaam? Ging dat dan niet ten koste van de papieren uitgave? Zou de boekhandel er geen schade door lijden?

    De uitgevers aarzelden zo lang dat ze nu voor de verkoop van hun e-uitgaven afhankelijk zijn van digitale boekhandels zoals Amazon en Bol.com die in het gat sprongen en nu hoge inkoopkortingen kunnen eisen, terwijl het ‘op voorraad’ houden van een e-book hen niets kost. Ook de boekhandelsketens hebben een kans laten liggen door te verzuimen gezamenlijk een digitaal verkoopkanaal op te zetten. En ten slotte: een weinig opgemerkte nieuwe concurrent van de traditionele boekhandel zijn websites als boekwinkeltjes.nl en antiqbook.com. Dankzij de digitale mogelijkheden hebben particuliere en zakelijke aanbieders van tweedehands-boeken hun aanbod kunnen verenigen in één gigabestand. De aankopen van tweedehandsboeken stijgt de laatste jaren en dat gaat natuurlijk ten koste van de omzet van de gewone boekhandel.

    Trend: onbeperkte keuze, oplage niet van belang

    De grote digitale boekhandels (ca 20% van de totale boekenomzet) hebben ook een ommekeer teweeg gebracht in het titelaanbod. Was in de boekhandel de schapruimte beperkt en het in voorraad nemen van ‘kleine’ titels te riskant, in de digitale boekhandel is de schapruimte onbeperkt en de etalage oneindig groot. Natuurlijk kon de lezer bij de gewone boekhandel altijd al elk bij het Centraal Boekhuis verkrijgbare titel bestellen, maar nu, in de digitale boekhandel zijn ze ook weer te zien, met omslag en flaptekst en vaak ook een inkijkexemplaar. En daarnaast is er van alle titels een e-book-versie, die je kan zien als de goedkope variant van het papieren boek, vooral in trek om mee te nemen op vakanties.

    Is de toptien-cultuur hiermee verdwenen? Uiteraard niet. De meeste lezers zullen blijven afgaan op de toppers. Maar de echte literaire snuffelaar kan nu naar hartenlust zijn gang gaan, ook titels met een beperkte oplage hebben hun plek in de nieuwe digitale wereld. Het Centraal Boekhuis biedt voor titels met een kleine oplage zelfs de mogelijkheid van ‘print on demand’ (boek op verzoek!) waarbij elk verkocht exemplaar apart wordt gedrukt. Risicovrij voor zowel  uitgever als boekhandel en slechts iets duurder. Ideaal voor debuten en dichters met een klein publiek.

    Maar de hamvraag: hoe te kiezen?

    Bij de uitgevers mindert het aantal literaire titels, maar het zijn er nog steeds meer dan 2000 per jaar en dus blijft het probleem bestaan dat geen lezer dit kan bijbenen. Kranten en bladen – die óók last hebben van het teruglopende aantal lezers – bezuinigen op pagina’s en publiceren aanzienlijk minder recensies dan voorheen. De bibliotheken – vroeger een vaste omzetbasis voor uitgevers én een etalage voor hun titels – bestellen nieuwe titels tegenwoordig mondjesmaat. Hoe vind je als lezer je weg in het aanbod? Webwinkels proberen er wat aan te doen door bij elke titel aan te geven welke ándere schrijvers gekocht werden door de kopers van dat boek. Wie dat bij Bol.com probeert met De Avonden van Reve, wordt geattendeerd op zowel de Max Havelaar als Eline Vere als Floddertje (Annie M.G. Schmidt). Dat helpt niet echt. Wat de lezer nodig heeft is een goede ‘boekenzoekmachine’ die op basis van zijn voorkeuren (favoriete schrijvers, favoriete onderwerpen, favoriete stijlvormen) een keuze aan oude en nieuwe titels oplevert.

    In het Engelse taalgebied zijn er al verschillende, zoals Goodreads, Yournextread, Whatshouldireadnext en Openingthebook. Ook in Nederland was er sinds oktober 2013 zo’n website, Nieuwzoet.nl geheten, waar de lezer een profiel van zichzelf kon invoeren en daarop gebaseerde leestips kon ontvangen. Nieuwzoet is er niet meer, het idee is nu opgepakt door Bookarang.com dat in 2017 van start hoopt te gaan. Verder is de Nederlandse lezer (voor zover mij bekend) aangewezen op Welkboek, een hulpmiddel dat bibliotheek.nl aanbiedt. Via Welkboek kan de lezer aangeven naar wat voor personage hij op zoek is (leeftijd, geslacht, afkomst), wat voor plot hij prefereert en via een schuifje kiezen in welke mate het aan welke 12 eigenschappen (vrolijk-verdrietig, voorspelbaar-onvoorspelbaar enz.) moet voldoen. Het is een aardig speeltje en levert ook best verrassende resultaten op. Maar hier wordt eigenlijk van de lezer gevraagd zelf een boek te schrijven dat hij zou willen lezen.

    Kom, uitgevers en boekhandelaren, zorg voor een goede boekenzoekmachine voor het Nederlandse taalgebied. De Toptien zal niet snel uit de boekhandel verdwijnen en dat is prima. Maar de nummers 11 tot en met 9999 maken alleen een kans als ze gevonden kunnen worden. Rechtstreeks door de koper op basis van zijn wensen en voorkeuren. Dát is de uitdaging voor de boekenbranche in deze digitale tijd.

     

    Dit artikel verscheen eerder in de 2e editie van het tijdschrift Argus (2017).

     

     

  • Een boek op verzoek

    ‘Een stokpaardje van mij’ schrijft Hans Vervoort over printing-on-demand. Hieronder zijn oproep aan de uitgevers in ons land om hun backlist verkrijgbaar te houden.

    Mail uw reactie naar redactie@literairnederland.nl

    Printing-on-demand als oplossing voor verdwenen titels

    door Hans Vervoort

    In de huidige boekenmarkt hebben nieuwe titels een levensduur van maar enkele maanden. En dat geldt dan alleen voor de auteurs die bekend genoeg zijn om door de boekhandel op voorraad genomen te worden. Want risico’s nemen doet de boekenbranche niet meer.
    Bij deze grote omloopsnelheid van titels is één categorie extra de klos: de oudere titels van nog levende schrijvers, de zogenaamde ‘backlist’. Ooit verkrijgbaar geweest, uitverkocht of in de ramsj geraakt en nooit meer herdrukt.
    Begrijpelijk, want in de traditionele uitgeverij is een boek pas rendabel bij een oplage van enkele duizenden. En dat haalt zo’n herdruk van een oude titel niet meer.
    Is het daarmee voorgoed verdwenen? Tot enkele jaren geleden wel. Maar dat hoeft niet meer.

    Afgezien van de mogelijkheid oude titels als ebook uit te brengen is er al jaren een mogelijkheid die eigenlijk nog veel te weinig gebruikt wordt door auteurs en hun uitgevers: de ‘printing-on-demand’-optie.
    Printing-on-demand is een druktechniek die het mogelijk maakt voor een redelijke prijs één of enkele exemplaren van een boek te drukken.
    Het Centraal Boekhuis biedt al enkele jaren deze mogelijkheid en meldt op zijn website dat meer dan 260 uitgevers er gebruik van maken en dat inmiddels 15.000 titels via print-on-demand te krijgen zijn.
    Vermoedelijk zijn dat vooral titels van zondagsschrijvers die via de daarvoor beschikbare ‘eigen beheer’-uitgevers hun werk in druk laten verschijnen.
    Van de professionele schrijvers is de backlist meestal een stille dood gestorven. Maarten ’t Hart bijvoorbeeld heeft zo’n 75 titels op zijn naam staan, waarvan er nog ca. 20 te krijgen zijn. Van Maarten Biesheuvels 30 boeken is nog slechts één titel te koop. Van Remco Camperts 70 titels nog acht.

    Wanneer gaat er bij de literaire uitgevers een lampje branden dat zegt: hé, met print-on-demand hebben we een oplossing voor onze backlist?
    Ik zag zelf dat licht een jaar geleden. Een reisboekenwinkel mailde me met de vraag of ik nog exemplaren had van mijn reisboek Retourtje Tropen. Het boek was in 2005 verschenen bij Nijgh & van Ditmar, in enkele jaren als ‘slowseller’ uitverkocht geraakt en niet herdrukt. Destijds een logisch besluit van uitgever Vic van de Reijt.
    Maar toen ik dit verzoek kreeg en zag dat er sinds enige tijd de nieuwe optie van ‘print-on-demand’ bestond besloot ik er een proef mee te nemen. Het vergde wat digitale behendigheid en de investering van € 12.50 voor een ISBN-nummer. Maar al na een week was de herdruk beschikbaar en – tot in alle eeuwigheid – te bestellen bij alle boekhandels en webwinkels als Bol.com.
    De publieksprijs? € 19.50 (254 pag.). Dat is duurder dan de uitgave van Nijgh & Van Ditmar in 2005: € 17.50.
    Dat het drukken van één exemplaar verhoudingsgewijs meer kost dan een duizendtal is logisch en dit prijsverschil viel me dan ook nog wel mee. Natuurlijk liep het niet storm bij de heruitgave, er zijn in een jaar enkele tientallen exemplaren besteld.
    Maar dat was voor ook mij niet het punt.

    Als je lang gewerkt hebt aan een boek, genoten hebt van het schrijven en plezierige reacties hebt gekregen van lezers en recensenten, dan is het moeilijk te verkroppen dat zo’n titel van de ene dag op de andere in het zwarte gat van de vergetelheid verdwijnt. Want zo voelt dat, als het niet meer te koop is.
    Ik zie print-on-demand dan ook als DE oplossing voor het in druk houden van oude titels van auteurs. Het kost weinig en levert noch voor de uitgever noch voor de boekhandel enig risico op.
    Want het boek wordt alleen gedrukt als het besteld is.

    DOEN, heren en dames uitgevers!

     

    www.hansvervoort.nl