• Een versregel is genoeg om een hele wereld op te roepen

    Met haar nieuwste bundel Rennen naar het einde van honger, lijkt Esther Jansma ervoor gekozen te hebben om zowel daders als slachtoffers van groot en klein leed te portretteren. Ze richt zich daarbij niet alleen op mensen, maar ook op dieren en bomen. Ze doet dit zonder een oordeel te vellen, ze constateert en beschrijft slechts. Maar juist doordat ze heel inzichtelijk weet te maken waar het wezenlijk om gaat, zijn haar gedichten scherp als een foto. Bovendien schuwt ze het maatschappelijk engagement niet door actuele gebeurtenissen weer te geven. Zo dicht ze bijvoorbeeld over mensen die vluchten vanwege een natuurramp die hun huis dreigt te doen instorten, maar ook over vluchtelingen die door oorlog uit hun land verdreven werden. Ze geeft een stem aan degenen die het overkomen is, maar ook aan de toeschouwers die langs de zijlijn staan en toekijken. Het zouden politieke gedichten zijn geworden als Jansma stelling had genomen, maar deze bundel is geen pamflet, maar een impressie. Jansma kiest haar beeldspraak zorgvuldig en ook de constructie van haar gedichten is heel doordacht.

    Bewaren van het verleden

    Jansma gaat in de eerste afdeling Waar het begint uit van het opgeven van de oude vertrouwde positie die mensen hebben ingenomen en die haaks staat op de noodzaak van bewegen en veranderen. Ze doet dit aan de hand van een gedicht over een boom, die al eeuwen begraven ligt onder het zand. ‘[…] ze is niets en doet niets / dan steeds verder en zachter / wegraken uit haar bestaan.’ Pas als de boom wordt uitgegraven, verandert ze ‘en zij stopt met iets zijn wat  vergaat’. Opvallend is dat Jansma de boom als vrouwelijk wezen beschrijft. Ze is dan ook de enige dichter in Nederland die dendrochronoloog is: een archeoloog die zich bezighoudt met de datering van bodemvondsten aan de hand van groeiringen. Het kan geen toeval zijn dat veel van haar gedichten te maken hebben met het benoemen van herinneringen en het bewaren van het verleden.

    In de afdeling De verandering staan sterke gedichten die beschrijven hoe mensen van huis en haard verdreven worden. Jansma kiest haar woorden zo zorgvuldig dat ze een willekeurige periode uit het verleden verbinden met het heden. Zo laat ze zien dat er in de lange geschiedenis van de mensheid nog steeds niets veranderd is. Oorlog, vernietiging en stromen vluchtelingen zijn universeel en van alle tijden, net als onbegrip en vreemdelingenhaat. Ze heeft daarvoor geen grote woorden nodig:

    ‘Beleid van wormen en aarde

     Ze leggen hun jas naast de weg en gaan liggen.
     Ze vertellen hun lichaam dat dit een hier is.
     Ze wuiven elkaar de troost dat dit mag toe.

     Ze mompelen over mensen en plaatsen die niemand meer kent –
     de namen ontsnappen uit hun monden als damp
     die nergens kan neerslaan, geen enkele dorst lest –
     en ze gaan slapen. En morgen weer en daarna weer.

     Niet ongerust zijn, zegt iemand bij een radiator,
     na een tijdje vermageren ze, binnenkort zijn ze papier,
     wat foto’s in een oude krant die door de wind
     omhoog gegooid smeekbeden ritselend verdwijnt.’

    Bijzonder emotioneel

    Van het gedicht ‘Hier en daar’ is de inhoud niet meer anoniem, maar verwijst naar bestaande maatschappelijke groeperingen, al noemt Jansma geen namen: een groep terroristen verkracht na het gebed een tiener, ‘- de boog / kan niet altijd gespannen blijven, het is nu pauze.’, terwijl in het witte huis de bewoner zich druk maakt over het feit dat de kristallen kroonluchter te klein is. ‘Wegwerpkindertjes’ is een afdeling met gedichten over mishandeling, misbruik, onthechting. Hoewel Jansma met ingehouden versregels niet nadrukkelijk het leed oproept, zijn deze gedichten bijzonder emotioneel. Ze laten een diepe indruk na. In het gedicht ‘Je kunt aan van alles denken’ verbindt de dichter via de titel in de eerste strofe het heden van een mishandeld kind met de slachtoffers van concentratiekampen uit het verleden: ‘Op een stoel gesmeten, je haren geroofd. / Jouw hoofd, jouw straf. Had je maar / niet moeten bestaan.’

    Ook in de afdeling Dit is niet een giraffe gaat het over mensen die nergens bij horen, buitengesloten zijn, geen vaste grond onder de voeten hebben. In het vierluik ‘Al die herinneringen’ probeert een lyrisch ik het verleden achter zich te laten en opnieuw te beginnen, maar moet daarvoor veel van zichzelf opofferen. Identiteit en imago lijken elkaars tegenpool te zijn.
    Jansma heeft vaak aan een versregel genoeg om een hele wereld op te roepen en de lezer daar midden in te trekken. ‘Ze mocht het weer slaan van zichzelf. / Ze denkt dat het een hersenschudding heeft.’ Of neem het gedicht ‘De wind steekt op’, dat net als het bekende gedicht van Remco Campert, ‘Iemand stelt de vraag’,  steeds met ‘iemand’ begint. De eerste regel luidt, ‘Iemand zegt: dat een olifant zoals jij uit míj kon komen.’ Maar waar bij Campert het stellen van vragen tot verzet leidt, is daar bij Jansma geen sprake van. 

    Eén gedicht onttrekt zich aan het algemene thema en is zacht en teder, in ‘Kattebel’ is sprake van geluksgevoelens. Ook het eindgedicht spreekt van hoop, ‘wij hebben in alle variaties al samen bestaan, ooit / zijn we er weer, zitten we hier aan precies deze tafel / te lachen, want het heelal is een lichaam dat ademt.’ Een nieuwe kans lijkt, ondanks alle ellende,  hiermee te worden aangeduid voor een niet klein te krijgen mensheid.

    Stem van schuldeloze slachtoffers

    Esther Jansma heeft in deze bundel gedichten samengebracht die op een onnadrukkelijke manier aangrijpend zijn. Ze roept situaties op waarbij geen uitleg nodig is. Ze registreert niet alleen, ze geeft schuldeloze slachtoffers een stem die net zo luid klinkt als die van de schrijnende berichten in de media. Als symbool van alle onderdrukking, marteling en moord, kiest ze niet voor een lam, wat voor de hand zou liggen, maar voor een kalf, wiens huid tot perkament gemaakt is.

    ‘Gebedenboek

     Ik werd van mijn karkas gestroopt, te weken gelegd
     in een snelstromende beek, met ijzer geschraapt,
     op een rek gespannen, met puimsteen en kalk gepolijst,
     op maat gesneden, in elkaar genaaid en vol bezweringen
     gezet tegen ontelbare ondenkbaar ellendige eindes.

     Ik werd voor mijn moordenaars een plattegrond,
     een partituur van hoe men om genade hoort te smeken.
     Zo dwing ik ontzag af voor mijn godsvruchtige slachters.
     Maar ooit was het anders, drukte ik me eenvoudig
     tegen de eeuwige warmte van mijn moeder en sliep.’

    Rennen naar het einde van honger is een tragische titel, want wie zegt dat het einde daarvan bestaat? En of de mensen die deze gedichten bevolken, die eindstreep halen? Jansma geeft ze wat hoop, maar niet veel.

     

     

  • Verzamelde gedichten na tachtig jaar écht verzameld

    De schrijver J. Bernlef heette in werkelijkheid Henk Marsman. Toen hij in 1959 debuteerde met de gedichtenbundel Kokkels koos hij ervoor om te schrijven onder pseudoniem. Hij deed dit om elke verwarring met de toen overbekende dichter H. Marsman (1899-1940) te voorkomen. De dichteres Lieke Marsman – in januari 2021 benoemd tot Dichter des Vaderlands – schrijft onder eigen naam. Het is blijkbaar voor Lieke geen serieus risico meer om te worden verward met haar ooit zo beroemde naamgenoot. Diens reputatie is verbleekt, zijn naam is uit het collectieve geheugen weggezakt. Ook al is en blijft Marsman de schrijver van ‘Het gedicht van de eeuw’, waartoe zijn ‘Herinnering aan Holland’ in het jaar 2000 verkozen werd. 

    Genoeg omtrekkende bewegingen. In poëtisch opzicht kende het vermaledijde corona-jaar 2020 een belangrijk en daverend slotakkoord, met de verschijning van de verzamelde verzen van H. Marsman, onder de titel Ik die bij sterren sliep. Dit kloeke boek telt ruim 750 pagina’s, inclusief uitvoerig commentaar, nawoord, verantwoording, aantekeningen, bibliografie en registers; meer dan 500 pagina’s zijn ingeruimd voor Marsmans poëzie. 

    Nieuwe Marsman, nieuw geluid

    Ik die bij sterren sliep biedt in verschillende opzichten gelegenheid tot een hernieuwde kennismaking. Op zichzelf is dat opmerkelijk, voor een dichter die al meer dan tachtig jaar dood is, van wie meerdere uitgaven bestaan van zijn Verzameld werk, van wie we het werk zouden moeten kennen uit bloemlezingen en een gedegen biografie en naar wie straten zijn vernoemd. Net als Slauerhoff, Ter Braak, Ina Boudier-Bakker en al die anderen is Marsman ‘een naam’ geworden. Uitgeverij Van Oorschot en tekstbezorger dr H.T.M. van Vliet komt de eer toe, deze gecanoniseerde Marsman volkomen nieuw te presenteren. 

    Wat wil namelijk het geval? Marsman was notoir onzeker over zijn werk, of in elk geval veranderde hij dikwijls van mening over de kwaliteit ervan. Meermalen in zijn korte leven herzag hij de door hem geschreven en gepubliceerde bundels poëzie en in 1938 – nog vóór zijn veertigste verjaardag – besloot hij tot de uitgave van zijn Verzameld werk in drie delen: poëzie, proza en kritisch werk. Het deel poëzie bevatte een gestrengelijk geselecteerd residu van in totaal ruim honderd gedichten, uit een veel groter corpus van eerder gepubliceerde verzen. En dat honderdtal gedichten – later aangevuld met de integrale bundel Tempel en kruis uit 1940, verschenen dus ná de uitgave van dat driedelige Verzameld werk – heeft sindsdien het beeld van de dichter Marsman bepaald: in de loop der jaren zijn er meer dan twintig drukken van de Verzamelde gedichten geproduceerd, wat van geen van Marsmans tijdgenoten kan worden gezegd. Maar gek genoeg ontbrak dus aan die zo vaak herdrukte Verzamelde gedichten veel van de door Marsman geschreven poëzie. 

    Volledige dichtwerk

    Hiermee werd door degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, tegemoet gekomen aan de wens van de dichter. Hij wilde dat de door hem gemaakte keuze uitgangspunt zou zijn en blijven, bij heruitgaven van zijn ‘verzamelde’ gedichten. Maar ja: toen Marsman die keuze maakte, en zijn vrouw en intieme vrienden liet beloven hiermee rekening te zullen houden, wist hij natuurlijk niet dat hij zo jong zou sterven en dat hij dus met de strenge keuze uit zijn gedichten zijn oeuvre beperkte en bepaalde.   

    Deze nieuwe uitgave van de verzamelde verzen brengt voor het eerst Marsmans volledige dichterlijke productie in een handzame uitvoering onder het bereik van een groot publiek. Dat kan nu gemakkelijk kennis nemen van de inhoud van de oorspronkelijke bundels en aldus de ontwikkeling volgen die Marsman heeft doorgemaakt. Bovendien zijn in dit boek ook alle gedichten te vinden die ooit alleen in tijdschriften zijn gepubliceerd, en óók de gedichten die überhaupt nooit eerder in druk verschenen zijn. Met name uit deze laatste, en dan vooral de tientallen verzen van de nog zeer jonge Marsman, rijst een dichtersfiguur op die inderdaad jong en schuchter is en tegelijk gedecideerd, driest en ambitieus. 

    Het gedegen commentaar bij elk afzonderlijk (!) gedicht van de ervaren tekstediteur dr. H.T.M. van Vliet, maakt het mogelijk de ontwikkeling van Marsmans poëtische oeuvre stap voor stap te volgen. Dit is overigens geen sinecure. Marsman nam soms hetzelfde gedicht (al dan niet bewerkt) in verschillende bundels op. En aangezien de verschillende bundels integraal in deze verzameling zijn herdrukt, komt het meermalen voor dat een gedicht twee keer in deze verzamelde verzen staat. Ook zijn bijvoorbeeld de rubrieken ‘Ongebundelde en nagelaten’ gedichten telkens in perioden verdeeld, zoals ook Marsman zelf zijn poëtische werkzaamheid periodiseerde. Gevolg daarvan is dat wie álle nagelaten gedichten wil lezen daarvoor op minstens drie plaatsen moet kijken (p. 387-438, p. 463-480 en p. 515-517).   

    Kleine indruk

    Er is geen beginnen aan om van deze spiksplinternieuwe Marsman door middel van een enkel gedicht een indruk te geven. Zeker wie zich nu (februari 2021) veroordeeld weet tot binnenblijven, kan zich met dit boek een groot plezier doen en zelf bladeren, verkennen en lezen: het is de moeite ten volle waard. Toch, ter aanmoediging,  deze bijvoorbeeld:

    golf spoelt uit buik der nacht
    (walm en stank)
    Dag zweet. Tomate-rood
    vette vrucht –
    splijt tegen donker!
    (donker is rot en scherp)
    vlezen bol is aarde
    – larven
      zwermen
      vratig:
      mensen! –
    gespoten sap is licht
    geschrompeld vlies
    hemel.

     Ziedaar, met deze tekst benaderde de 19-jarige dichter op 29 juni 1919 de kunstenaar Theo van Doesburg, een der voormannen van De Stijl. Marsman schreef hem: ‘U is een der betrekkelijk weinigen die ’n vers als bijgaand zuiver kunnen zien. Ik ben daarom zoo vrij het u ter beoordeling toe te zenden.’ Hoe Van Doesburg heeft gereageerd vermeldt de historie niet, maar bewaard heeft hij het gedicht wel, aangezien het zich nog altijd in zijn archief bevindt.  Een half jaar daarvoor, oktober 1918, schreef Marsman het gedicht ‘Herfstland’. 

    Er is geen groter rust dan deze rust:
    herfstland in schemering.
    Aarde is moe en bruin,
    en aan de lucht de grijze stapeling van wolken,
    kleuren zijn dood, geabsorbeerd
    met klank en alle leven in grijze damp.
    Zie! aan de vage randen
    der eindeloze landen
    staan groepen bomen:
    de stomme, zwarte handen,
    die uit de sterke aarde
    grijpen naar de waze randen
    van den hemel, … om te dragen.
    – Door strakke spleten in het Westen
    druppelt licht,
    moe wittig licht,
    als uit een andre wereld …
    En in het trillend middelpunt
    van deze bruinen cirkel: vruchtbare aarde
    en dezen koepel: avondhemel
    het vlammend zaad van aarde en hemel
    staat: mijn jeugdig lijf.

    Misschien is de wens de vader van de gedachte, maar het lijkt of in een enkele regel al een vingeroefening hoorbaar is voor de latere ‘Herinnering aan Holland’. 

    Met de uitgave van Ik die bij sterren sliep. Verzamelde verzen krijgt het dichterschap van H. Marsman een volkomen nieuwe kans. Of Dichter des Vaderlands Lieke Marsman zich alsnog genoodzaakt ziet tot het kiezen van een pseudoniem is twijfelachtig. Maar als een paal boven water staat, dat poëzie-minnend Nederland met dit literair-historische monument een grote dienst is bewezen.  

     

     

  • Het dubbele gezicht van de eenvoud

    Het komt niet vaak voor dat de bladspiegel van een poëziebundel regelmatig opgebouwde gedichten laat zien van louter terzetten of kwatrijnen. Bij de terhandneming van Alles is hier nog, de nieuwste bundel van Marc Tritsmans, valt dit daarom onmiddellijk op. Het heeft iets sympathieks. Dit is een dichter die zich niet verliest in pretentieuze gekunsteldheid, maar gewoon mooi vloeiende regels schrijft. Voor lezers die Tritsmans al kennen is dit geen nieuws. Alles is hier nog is Tritsmans dertiende bundel en is ook inhoudelijk heel vertrouwd. De bundel is opgebouwd uit vier delen die samen de menselijke levenslijn beschrijven. Het eerste deel heet dan ook ‘Beginnen’ en bestaat uit een reeks van elf gedichten van elk drie terzetten die de eerste levensdagen van een baby beschrijven.

    Inlevingsvermogen

    Opmerkelijk genoeg gebeurt dit vanuit het ik-perspectief, wat immers onmogelijk is omdat een zuigeling zich nog niet van de werkelijkheid bewust is. We kunnen een baby niet naar zijn ervaringen vragen, noch gaan onze herinneringen ver genoeg terug. Precies dat maakt deze gedichten bijzonder. De dichter stelt zich met groot inlevingsvermogen voor wat er door het hoofd van een zuigeling zou kunnen gaan, maar dat, vanuit de kennis en ervaring van de volwassene. Dit levert een spanningsveld op. In de eerste gedichten bevindt het kind zich zelfs nog in de baarmoeder.

    ‘Dit is het zijn in zijn zuiverste zin.
    Er is nog geen tijd en er zijn nog
    geen vragen en zo mag het altijd

     blijven maar dat kan ook hier dus
    niet. Iets groots staat op stapel.
    Er zijn tekenen dat de grot mij

     wil verjagen want wanden komen nu
    dreigend op me toe terwijl het bonzen
    angstaanjagend snel en almaar luider.’

    Het verlangen naar geborgenheid is een bekend thema in Tritsmans oeuvre, dat ook in deze bundel regelmatig terugkomt. In prachtige, ritmische regels beschrijft de dichter minutieus het hele proces van geboorte, gevoed worden, het ontdekken van het eigen lichaam, om na de aanvankelijke vrees de opwinding van het leven te ontdekken: ‘De wereld rondom mij stopt niet met groeien / wordt almaar spannender, steeds meer moet / worden ontdekt: nooit wil ik hier nog vandaan.’

    Levensverhalen

    Het tweede deel, ‘Kleine verhalen’, heeft een anekdotische inslag. De toon is een stuk verhalender en ze gaan over de verwondering van alledag, over onderwerpen als natuur en muziek. Het zien van een bijzondere vogel, of het wonder wanneer voor je ogen een oude dame op een brancard door middel van een ladderwagen haar grachtenpand in wordt getild, alsof het om een tenhemelopneming gaat. Vaak gaan de gedichten over (zelf)relativering en dood. Van kleine drama’s als onmacht bij de plundering van een merelnest door een kat of een bespiegeling over een vliegtuigcrash waarbij niets anders overblijft dan ‘misschien nog een tas / ergens aangespoeld met daarin dit door zeewater / volmaakt geworden leesboekje’. Soms behelzen de verzen niet meer dan een gedachtespinsel: hoe komt het dat, terwijl gedurende ons leven al onze cellen en neuronen worden vervangen, wij toch als dezelfde worden herkend? Een enkel keer is de toon luchtiger, zoals wanneer de dichter erover mijmert Bachs Goldbergvariaties te spelen. (‘Wat ik wel zou willen kunnen’).

    Deel drie bevat de tweede lange cyclus van de bundel, ‘Litanie van de tijd’, waarin Tritsmans filosofeert over de tijd. De nadruk ligt hierbij op de vergankelijkheid – het is tenslotte een klaagzang – een thema waar Tritsmans vaak over dicht. In de eerste gedichten slaat hij een woedende toon aan: de tijd is een ‘stilzwijgende vermorzelaar’, ‘een genadeloze pletwals’ en ‘wrede verbrijzelaar’, ‘Die geen enkele cel, geen enkele vezel / in ons weerloze lichaam ongemoeid laat. / Die ons onderwerpt en knecht en paait’. Maar algauw wordt de toon milder en wordt de tijd ook afgeschilderd als ‘de hondstrouwe, immer aanwezige / de machtige maker, de geduldige / opvoeder, de wijze leermeester’. We kunnen immers niet zonder tijd: ‘Ongrijpbaar, niets is de tijd / maar zonder hem waren / ook wij niets, was er nergens / iets.’

    In het gedicht ‘Geen psalm’ dat op de cyclus volgt voegt Tritsmans als een soort noot hieraan toe dat de mens in het proces van vergankelijkheid zelf een kwalijke rol speelt door met zijn gedrag de aarde te vernietigen. Een thema dat Tritsmans in zijn vorige bundel Het zingen van de wereld uitvoerig behandelde.

    Na aandacht voor de geboorte, de levensverhalen en het verstrijken van de tijd eindigt Tritsmans in het vierde en laatste deel ‘Eindigen’ met de dood. Tritsmans verhalen en bespiegelingen zijn steeds treffend geformuleerd en meestal herkenbaar. Tegelijkertijd vormt dit soms een bezwaar als het om inzichten gaat die weinig bijzonder zijn, zoals bij de bespiegelingen over de tijd. Soms wordt het zelfs sentimenteel, zoals in het gedicht ‘Het boek van mijn vader’. Hierin treft de ‘ik’ in een boek van zijn overleden vader diens naam op het schutblad aan ‘in nog altijd even koningsblauwe inkt’. De laatste strofe luidt:

    ‘Als een meteoriet uit vroegere warmere tijden
    rust het boek van de vader hier nu schroeiend
    in een hand die al begonnen is te lijken op de zijne.’

    In een later gedicht kan de ‘ik’ zich dankzij een oude foto verplaatsen naar het Knokke van 1948 waarop zijn ouders jong, verliefd en hoopvol zijn te zien. Het is de sensatie waarnaar de titel van de bundel verwijst: Alles is hier nog

    Even ademloos

    Tritsmans drukt zich wel erg letterlijk uit en wanneer hij beeldspraak gebruikt, bewandelt hij gebaande paden. Neem het gedicht ’Deuren’, ‘Hoeveel deuren hebben zich zovele jaren / en zo vanzelfsprekend voor ons geopend.’ De deuren openen naar ‘werelden / waarin al die mensen die ons koesterden / die wij koesterden, voor altijd samen / en veilig waren, zo leek het.’ Het gedicht besluit met ‘Dezelfde deuren / nu gesloten, het paradijs voorgoed onbereikbaar.’ 

    De kwaliteit van deze bundel ligt in de precieze bewoordingen, de fijngevoelige blik en het ritme van de poëzie. Tritsmans schrijft heldere taal in fraai lopende zinnen. Eenvoud is zijn kracht, maar ook zijn zwakte: de gedichten benoemen terwijl het om verbeelding zou moeten gaan. De gedichten zijn sterker wanneer er gekozen is voor een bijzondere invalshoek, zoals in de eerste cyclus. Andere voorbeelden zijn ‘Schrödingers kat’ en ‘Het gedrag van kwantumparen’ die respectievelijk uitgaan van een gedachte-experiment van de Oostenrijkse fysicus Erwin Schrödinger en een proef van de TU Delft ten aanzien van het gedrag van kwantumparen. In het sonnet ‘Stilte’ zorgt Tritsmans voor een bijzonder effect door stilte als persoon op te voeren. Dan ben je, met de dichter, even ademloos.

    STILTE

    Gisteren trof ik haar nog onverwacht.
    In een afgelegen hoekje van de wereld
    en de tijd lag ze blijkbaar door iedereen
    vergeten en onaangeroerd terwijl ik haar

    toch lang en steeds wanhopiger had gezocht
    en wat me opviel: hoe loodzwaar zij hier
    tussen de bomen hing, hun kruinen wat
    liet doorbuigen en hoe zij overduidelijk

    verongelijkt en op weerwraak belust
    de wereld haar wil oplegde zoals je
    iemand met een kussen welbewust

    het ademen belet. De wind, de vogels
    en ik, wij zwegen met ons allen
    onder haar nietsontziend gewicht.

     

     

  • Lieke Marsman nieuwe Dichter des Vaderlands

    Met de onthulling van een gigantische banier op een metershoge toren in Tilburg, werd vanmiddag om 14.00 uur bekend gemaakt dat Lieke Marsman de nieuwe Dichter des Vaderlands is. Het banier onthulde de dichtregel: ‘Oneindigheid van tijd houdt me overeind nu – Lieke Marsman’. Zij zal de huidige Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja opvolgen voor een termijn van twee jaar. Lieke Marsman is de achtste Dichter des Vaderlands en werd gekozen door een benoemingscommissie van kenners en dichters. Tijdens deze functie, ambassadeur van de poëzie, zal Marsman gedichten schrijven bij nationale gebeurtenissen die het land en de wereld beroeren.

    ‘Marsman is een dichter die als geen ander de lyriek een functie weet te geven in de onontkoombare werkelijkheid; die de woorden uit de wereld en actualiteit een nieuwe lading geeft, wat haar stem onwrikbaar en bij tijden ontroerend waarachtig maakt.’ ‘Marsmans politiek en feministisch geladen teksten en optredens sorteren ook effect bij een groter publiek. Mede daarom zal zij een uitstekende Dichter des Vaderlands zijn.’, aldus de benoemingscommissie.

    Lieke Marsman (1990) schrijft al vijftien jaar poëzie. In 2015 rondde ze een onderzoeksmaster filosofie af. Intussen debuteerde ze in 2010 met de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud, (Van Oorschot) waarvoor ze drie prijzen won, de C. Buddingh’-prijs, C.W. van der Hoogtprijs en de debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar tweede bundel, De eerste letter (Van Oorschot), verscheen in 2014. Begin 2018 werd Lieke Marsman getroffen door een zeldzame vorm van kanker, kraakbeenkanker. In die periode ontstond De volgende scan duurt vijf minuten, tien gedichten en een essay over hoe een ziek lichaam zich verhoudt tot een zieke wereld. Marsman schreef hiermee een pleidooi om maatschappelijke verantwoording te nemen voor de wereld waarin we leven. Haar betrokkenheid is aansprekend.

    Juist vandaag verschijnt haar nieuwe bundel In mijn mand (Uitg. Pluim), waarin ze de grootste thema’s behandelt die het menselijke bestaan kenmerken, namelijk: de waarde van het leven en de plek van de dood in een mensenleven.

    Het comité dat de nieuwe Dichter des Vaderlands aanstelde bestond uit Simone Atangana Bekono, Inez Boogaarts, Menno Hartman, Daphne de Heer, Antoine de Kom, Maaike Meijer, Benno Tempel, Thomas de Veen en Linda Veldman.

     

    Vanavond om 19.00 uur  geeft Tsead Bruinja het stokje door aan Lieke Marsman tijdens een feestelijke avond, te volgen via deze link op Tilt . Inloggen of aanmelden is niet nodig. Dichters Joost Oomen, Hannah van Binsbergen, Vrouwkje Tuinman en Jerry Afriyie dragen voor, muziek van Harold K en Nicole Terborg is gastvrouw van dienst.
    De organisatie is in handen van Tilt.

     

     

    Auteursfoto: Merlijn Doomernik

     

    ,
  • The Hill We Climb – Amanda Gorman leest inauguratie gedicht

     

    De Amerikaanse dichter en activist uit Los Angeles Amanda Gorman, is met haar 22 jaar de jongste dichter ooit in de Amerikaanse geschiedenis die bij de inauguratie van een Amerikaanse president een gedicht voordroeg. Een gedicht over de actuele gebeurtenissen, over verdergaan, ‘The Hill We Climb’. Op 17 jarige leeftijd publiceerde ze al een poëzieboek, The One for Whom Food Is Not Enough (2015). In haar poëzie richt Gorman zich op kwesties van onderdrukking, feminisme, ras en marginalisatie, evenals de Afrikaanse diaspora.

     

  • Een rijke bundel over de Joodse cultuur

    Joodse gedichten is simpelweg de titel van de twintigste poëziebundel van Nachoem M. Wijnberg (1961). Bestreek de vorige bundel van de P.C. Hooft-laureaat, Afscheidswedstrijd uit 2018, het terrein van de voetbalsport, ditmaal heeft de dichter zijn speelveld verruimd tot de rijke geschiedenis van de Joodse cultuur. Onder veel meer biedt deze cultuur  met haar ballingschap, diaspora, het wachten op de echte Messias in plaats van een valse, anti-semitisme, (anti)zionisme, hoe Joden elkaar en anderen zien, hoe anderen Joden zien, een bont en uitdagend palet. Niet het minst voor Wijnberg die inmiddels heeft aangetoond dat alles voor hem aanleiding kan zijn er zijn gedachten in gedichtvorm over uit te spreiden. Deze rijke bundel met 69 gedichten, illustreert dat opnieuw. 

    De bundel wekt niet de indruk het product te zijn van iemand die met zijn Joodse identiteit worstelt noch ermee te koop loopt. Integendeel, Wijnberg spreekt de hoop uit dat hij ‘vreemdeling zal blijven in het midden van [zijn] eigen vreemdheid.’ Die bekentenis maakt het minder vreemd dat de Holocaust er geen vooraanstaande plaats inneemt. Hoewel er gestrooid wordt met referenties aan prominenten uit de Joodse cultuur als Abraham, Mozes, Maimonides, Nachmanides, Einstein, Celan, Seinfeld tot en met Judith Herzberg, valt deze poëzie prima zonder achtergrondkennis van de Joodse cultuur te lezen. Deze bundel  is op z’n plaats in het oeuvre van Nachoem M. Wijnberg met als vanouds af en toe een gedicht met een titel waarbij op het aantal woorden niet is gespaard:

    DE SABBAT VAN TROOST DIE VOLGT OP DE VERWOESTING VAN DE TEMPEL, DE PLAATS WAAROVER IK KON ZEGGEN: ALS JE NAAR MIJ WIL ZOEKEN, AAN HET BEGIN VAN DE AVOND, BEN IK IN DIE PLAATS DIE MAKKELIJK TE VINDEN IS

    ‘Als er iets is wat ik elke dag moet doen
     is er een dag van de week dat ik niet hoef.

     Dat is alles wat de sabbat betekent
     en dat mag ik ook op de sabbat bedenken.

     De sabbat kan ik elke dag uitroepen,
     zo zijn ook hemel en aarde gemaakt.

     Alsof ik elke dag iets nieuws moet maken
     en op de sabbat maak ik wat er al was.’

    Raadselachtige eenvoud

    Wijnberg is een dichter die het ingewikkelde terugbrengt tot een raadselachtige eenvoud. Met een simpele zin weet Wijnberg de humanistische inslag van de orthodoxe Yeshayahu Leibowitz te schetsen. Hij laat hem zeggen, ‘dat de wet zo vrijgevig is een Jood toe te staan zich aan de wet te houden’. Voor wie de Joodse cultuur niet erg vertrouwd is, loopt in deze Joodse gedichten toch tegen een vertrouwde Wijnberg aan. Om onder het fijne weefsel van Wijnbergs gedachtensluier de schoonheid van poëzie te ontdekken hoeft men niet dieper te graven dan in vorige bundels. De zinnen blijven met hun alledaagse woorden en parlando genoeg aan de oppervlakte om er een diepere laag onder te vermoeden. ‘De Messias komt / als iedereen enkel nog boeken schrijft / alsof ze door een ander geschreven zijn.’ Of: ‘Beter dan eten / is kijken naar kookwedstrijden op tv / en het begin gemist hebben en het einde / overslaan.’ 

    De kracht van Wijnberg is dat zijn manier van denken, met schijnbewegingen en uitweidingen per bundel niet zo verschilt. Waar de onderwerpen dat wel doen, blijft een nieuwe Wijnberg toch altijd weer verrassen. Waar een dichter als Kouwenaar de pijl in de roos van een perfecte gedicht tracht te splijten door nog eens zo’n pijl af te schieten, biedt Wijnberg meer variatie.

    Uitwerken van gedachten

    In interviews heeft Wijnberg geregeld benadrukt dat gedichten schrijven voor hem een manier van het uitwerken van zijn gedachten is. Het zal duidelijk zijn dat hij met het onderwerp Joodse cultuur alle kanten op kon. Met de wetteksten, de bijhorende commentaren en uitweidende verhalen, gelardeerd met discussies tussen rabbijnenscholen. Daarbij wordt van de ene stelling op de andere tegenstelling gesprongen en moet de Talmoed voor Wijnberg een zeer rijke, inspirerende bron voor zijn denken, en dus zijn gedichten zijn geweest. Maar meer dan in de Joodse identiteit lijkt Wijnberg thuis te zijn in zijn gedichten. Hij heeft in zijn gedichten een scherp oog voor de benarde positie van het Joodse volk. Door zijn lange geschiedenis heen ziet hij dat ‘enkel de Joden op het land overblijven, / waar ze als vissen zijn.’ Het kwetsbare is bij Wijnberg in veilige handen, zoals blijkt uit de prachtige zin: ‘dat een Jood niet gevraagd kan worden op te geven / waar er maar één van is.’

    Aan het slot van deze bundel, waarin men aan de hand van de dichter een eind heeft opgelopen met werkelijke en mythologische vertegenwoordigers uit de Joodse cultuur, kan men zich wellicht goed vinden in de allerlaatste woorden: ‘vreemdheid heeft in mij bezit genomen, / ik heb vreemde gedachten, / de enige die ik nog heb.’

     

     

  • Het leven van Proust, een eerbetoon in gedichten

    Er zullen genoeg lezers zijn die zich hebben voorgenomen om tijdens een sabbatical of na hun pensionering alle zeven delen van Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust te gaan lezen. Maar de meesten stoppen al na het eerste boek, De kant van Swann, zodra de schrijver de madeleine genuttigd heeft dat zijn geheugen activeert en hem in staat stelt zijn herinneringen op te roepen aan het dorpje Combray waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hanneke van Schooten wekt in haar derde bundel de indruk dat zij een van de weinigen is die Proust tot en met het laatste deel gelezen heeft. Haar bewondering voor de schrijver heeft deze bundel tot een eerbetoon aan Proust gemaakt, wat niet alleen in de gedichten tot uitdrukking komt, maar ook in de zeer verzorgde uitgave van deze bundel, waarin diverse portretten van Proust en voorbeelden van zijn handschrift zijn opgenomen.

    Geheugenhulp

    De titel van de bundel doet onmiddellijk denken aan het ‘geheugenpaleis’, een mnemotechniek die leert dat je de dingen beter kunt onthouden als je ze een plek geeft op een denkbeeldige route door een denkbeeldig huis. De naam is ontleend aan het verhaal over Simonides van Keos, een lierdichter uit het antieke Athene, die na de instorting van een paleis de doden kon identificeren doordat hij zich herinnerde waar ze aan tafel hadden gezeten. Van Schooten laat het bij Proust iets anders werken: al zijn herinneringen liggen al opgeslagen in zijn geheugen en moeten door toevallige voorwerpen opgeroepen worden. Anders dan bij het geheugenpaleis heeft Proust hier geen zeggenschap over, al laat Van Schooten hem met taal en woorden proberen greep te krijgen op zijn herinneringen:

    Geheugenkathedraal

    Hoe verwoed hij woorden zoekt,
    zijn zinnen kiest, met precisie inbedt
    en ordent naar een vaste wet.

    Tot in het sterfbed toe een jacht
    ─ wild vloekend of in kille berekening ─
    naar de ondraaglijke vracht  herinneringen
    van tijd, van vorm en van verhaal.
    Een universum: zijn geheugenkathedraal.

    Meester in manipulatie.
    Duivelskunstenaar met taal.
    Spraak en adem
    zijn levenslange kwaal.

    De twee laatste versregels duiden op het feit dat Proust zijn hele leven aan astma leed; hij stierf aan een longontsteking. 

    Geheim der dingen

    De zeven afdelingen van deze bundel bevatten allemaal gedichten met eenzelfde thema: de wens om via herinneringen achter ‘het geheim van dingen te komen’. De gedichten zijn chronologisch gerangschikt, beginnend met Proust als kind en eindigend bij zijn dood:

    Ziener

    Dingen hebben hun geheim,
    als kind al wist hij dat,
    stelde later verbijsterd vast
    dat hij als ziener aangewezen was
    om orde te scheppen
    in de scherven, de chaos,
    de mieren van zijn brein
    om het raadsel op te lossen.

    Treffende beelden

    In de vijfde afdeling, De zaklantaarn van het geheugen, weet Van Schooten met een prachtig beeld weer te geven hoe het geheugen werkt: Proust ziet zijn geliefde dorp Combray, ‘in  gedachten nooit als één geheel / maar eerder in fragmenten / zoals een zaklantaarn accenten / op laat lichten van een groot gebouw in de ronde / focus van zijn schijnsel opgedeeld / hier en daar een helder beeld / uitgesneden tegen een donkere achtergrond.’

    De gedichten zijn rustig en eenvoudig van taal, maar met treffende beelden. Het zijn weloverwogen, uitgebalanceerde gedichten. Sommige hebben eindrijm, maar dat dringt zich nooit aan de lezer op, maar is er als het ware terloops in terechtgekomen. Ze maakt daarentegen ruim gebruik van begin- en klinkerrijm. Van Schooten heeft zich goed in Proust weten in te leven en kijkt door zijn ogen naar de wereld om hem heen; ze laat hem echter niet zelf aan het woord.

    Ze beschrijft hoe Prousts zoektocht naar het verleden gelijk oploopt met de ontwikkeling van zijn schrijverschap: naarmate hij dichterbij de uiteindelijke ordening van zijn geheugen komt, vindt hij een eigen stijl om zijn ‘paleizen van taal’ te bouwen, als tegenhanger van de geheugenpaleizen. De herinneringen die steeds sterker bovenkomen, getriggerd als ze worden door landschappen, huizen en torenspitsen, lopen parallel met de mate waarin Proust zijn eigen literaire stem vindt en komen samen in het laatste deel van zijn romancyclus, De verloren tijd hervonden. Ook geuren en smaken zijn sterke prikkels: zo wijdt Van Schooten twee gedichten aan het beroemde moment waarop Proust een madeleine in zijn kopje vlierbloesemthee doopt, waardoor herinneringen aan zijn jeugd weer bovenkomen. 

    Vanaf dat moment begint hij te schrijven, zielsgelukkig, omdat hij beseft dat hij zijn herinneringen kan omzetten in taal: ‘Hij wist ineens hoe en waarom / hij dode zielen bevrijden kon.’ Niet de voorwerpen, maar de taal wordt voor hem de behoeder van het verleden. Door de taal heeft hij de tijd hervonden. 

    Zingen van de dingen

    In het laatste gedicht vertelt Van Schooten dat hij de dingen zingen liet, maar dat ook zijn eigen stem nog steeds te horen is:

    Visioen

    (…)

    Nu hij zwijgt,
    dood hem heeft ingelijfd,
    ligt hij rustig ingebed voor altijd
    in zijn hervonden tijd.

    Nu klinkt zijn stem
    van elke bladzij die hij schreef
    en zingen zijn woorden voor hem.

    In De klokkenluider van de Notre Dame van Victor Hugo uit 1831 komt een geleerde voor die in zijn studeerkamer kijkt naar het eerste gedrukte boek kijkt; gedrukt in plaats van met de hand geschreven, iets wat in zijn ogen het begin vormt van de vernietiging van andere manieren van vereeuwiging. Hij doet vervolgens het raam open en kijkt naar de enorme kathedraal. ‘Dit hier zal dat daar doden’, zegt hij: het gedrukte boek zal het gebouw vernietigen. In het geval van Proust is het omgekeerd: daar hebben de boekdrukkunst en de bundel van Hanneke van Schooten ervoor gezorgd dat Prousts geheugenkathedraal vereeuwigd is. 

     

     

  • Bedwelmende poëzie van een jonggestorven dichter

    Wee, gij gouden huiveringen van de dood, / Als de ziel koelere bloesems droomt.

    Voor wie poëzie zoekt met overrijpe herfsttinten, purper & maanverlicht verderf kan zijn hart ophalen bij de Oostenrijkse dichter Georg Trakl (1887-1914). Van  hem verscheen onlangs – onder de titel Gedichten – de royaalste bundeling die ooit in Nederlandse vertaling van hem verschenen is. Trakls werk is vergeven van donkere schreden, gedoofde engelen en stamelende bronnen. Meestal is het herfst, vaak schemerig of al avond. De bedwelmende kerkhofhuivering, het novembergemoed en ‘het liefelijke gezang der herrezenenzijn echter niet slechts accessoires in deze poëzie.

    Trakls obsessieve symboliek van dood en vergankelijkheid volgt haar eigen wetten die niet altijd biografisch of logisch te duiden zijn. Al is de verleiding groot zijn onheilszwangere poëzie biografisch te interpreteren. Wat te denken van een vermeend incestueuze verhouding met zijn muzikaal getalenteerde zus, die hij ook nog eens aan verdovende middelen verslaafd maakt; een kunstminnende, zich afzonderende moeder die haar rol liever laat vervullen door een Franse gouvernante; een vroeg overleden vader met wie de jonge Georg een goede band had. Met de gouvernante wordt het protestante geloof van zijn ouders ingeruild voor een katholieke opvoeding. Met haar verschijnt ook Franse literatuur in huis. Als vroegrijp kind dweept hij reeds vroeg met de ondergangsstemmingen van het fin de siècle. Hij kan zich goed spiegelen aan de hoofdpersonen uit Dostojevski’s, Huysmans’, Strindbergs en Ibsens werk. Ook Nietzsche vindt een weerklank in zijn werk.

    Aankomend dichter

    Wat dichters betreft kan hij zich aanvankelijk vinden in het werk van Maeterlinck, Baudelaire en Verlaine. Op het gymnasium raakt hij in de ban van drugs en verlaat de school voortijdig. Zijn keuze voor een apothekersopleiding lijkt ingegeven door de mogelijkheid zich zo van een toegang tot verdovende middelen te verzekeren. Hij frequenteert bordelen, poseert als poète maudit en koketteert met zelfdoding. Zijn eerste, zwaar aangezette schreden op het dichterspad staan stijf van de symbolistische clichés uit zijn tijd en baren weinig opzien. Er ontstaan depressies, schizofrene stemmingen en een overstelpend schuldgevoel. 

    In 1908 gaat hij in Wenen medicijnen studeren, maar zijn eigen gezondheid laat te wensen over. Wanneer hij zich verdiept in het werk van Rimbaud krijgen zijn gedichten meer richting. Als hij najaar 1912 in het tijdschrift Der Brenner publiceert, begint zijn poëzie het niveau te bereiken waaraan zijn roem te danken is. Ofschoon behept met de kenmerken en bijverschijnselen van een obstinate eenling, bezat Trakl de gave contacten te leggen met invloedrijke figuren als Oskar Kokoschka, Karl Kraus, Laske-Schüler en Adolf Loos om zo, als aankomend dichter, voet aan de grond te krijgen. 

    In 1913 verschijnt zijn eerste bundel Gedichte. Door zijn verslaving zit hij voortdurend krap bij kas. Uit financiële nood besluit hij dienst te nemen in het Oostenrijkse leger. Dan breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Als er een aanzienlijke geldsom van de bankierszoon Ludwig Wittgenstein – die hij overigens niet persoonlijk heeft gekend –  zijn kant opkomt lijkt zijn smeekbede om financiële steun verhoord. Maar het bereikt hem te laat.

    Overdosis cocaïne

    Totale ontreddering overvalt hem als hij in zijn eentje medische verzorging moet verlenen aan kapotgeschoten soldaten aan het front in Polen, najaar 1914. Na een mislukte zelfmoordpoging wordt hij ter observatie in een kliniek in Krakau opgenomen. Daar weet hij zich op 3 november 1914, zevenentwintig jaar oud en met een tweede bundel op de drempel van verschijnen, een fatale dosis cocaïne toe te dienen. Zijn bijna vijf jaar jongere zus zal haar broer slechts drie jaar overleven. Zij maakt in september 1917 met een kogel een eind aan haar leven. Als belangrijkste vrouw uit zijn leven leeft zij in zijn poëzie nog voort.

    Aan mijn zuster

    Waar je gaat komt herfst en avond,
    Blauw ree, dat onder bomen klinkt,
    Eenzame vijver in de avond.

    Zacht de vlucht van de vogels klinkt,
    De droefheid boven je wenkbrauwbogen,
    Je schuchtere glimlach klinkt.

    God heeft je oogleden verbogen.
    Sterren zoeken ’s nachts, Goede Vrijdagskind,
    Je wenkbrauwbogen. 

    In het circa tweehonderd gedichten tellende oeuvre wemelt het van de verwijzingen naar haar. De vele androgyne gestalten in zijn werk zijn wel gelezen als drang zich te verschonen van bloedschennende betrekkingen tot zijn zus. Trakls zinnen ademen een diepe zucht naar  rust en reinheid, maar raken niet zelden verstrikt in het dualisme tussen het ontluikende en het rottende. Bijna devoot tasten zijn woorden naar geborgenheid in taal. Vooral die van Hölderlin en de romantiek van Novalis. Het vele blauw bij Trakl vindt zijn bron in Novalis’ blaue Blume. ‘Want stralender steeds ontwaakt uit zwarte minuten van waanzin / De duldende bij de drempel van verstening / En machtig ontvangt hem het koele blauw en het lichtende sterven van de herfst, // Het stille huis en de sagen van het woud,/ Maat en wet en de maanlichtende paden der afgezonderden.’ 

    Toevluchtoord voor zichzelf

    Het motief van de met doem en zonde bezoedelde beschaving, wordt sterk polariserend uitgewerkt tegenover de onschuld van de natuur en gelocaliseerd in een tijdperk van sagen en mythen. Archetypische gestalten als Kaspar Hauser, Helian en Elis duiken hier en daar als weerloos slachtoffer op. Afschuw van de wereld om hem heen versterkte bij Trakl de noodzaak tot verinnerlijking. Dat had hij gemeen met zijn neo-romantische generatiegenoten als Roland Holst en Bloem. Zijn stijl mag wat gekunsteld zijn en een voorliefde voor archaïsche taal en curieuze exclamaties als ‘O! gij bronzen tijden/ begraven daarginds in het avondrood’ zijn kenmerkend. Toch woonde de schepper ervan niet in een Ivoren Toren. In wezen schiep Trakl met zijn poëzie waarin engelengezang weerklinkt, een toevluchtsoord voor zichzelf.

    Meestal dichtte Trakl rijmloos, zonder vast metrum en met een eigen, muzikaal ritme. Daarnaast schreef hij een aantal prozagedichten. Maar in welke vorm ook, het schizofrene in zijn beelden treft als een bliksemschicht. Gaandeweg monteerde hij die beelden rücksichtlos achter elkaar in een eigenzinnige woordvolgorde met een fragmentarische structuur als resultaat: ‘In wenkbrauwen van de vermoeide nestelen spoedig sterren / Bescheiden inkeer komt in koele kamers.’ De metafoor wordt gestript van zijn vergelijking. De geabstraheerde beeldtaal staat los van verklarende grammaticale verbanden. Een afwezig lyrisch-ik vervaagt de grens tussen subject en object en dompelt de lezer onder in een bedwelmende, verabsoluteerde metaforenroes. Een objectief afbeeldende structuur streven deze zinnen vanzelfsprekend niet meer na, de woorden zélf scheppen. Ze graven daarmee dieper dan het puur biografische. Eerder getuigen ze van de onverzoenlijke kloof tussen psyche en werkelijkheid. 

    Inspirerend voor generaties na hem

    Zijn poëzie werkte inspirerend op generaties ná hem (Marsman en Gilliams), maar hij vond ook weerklank bij experimentele dichters van na de Tweede Wereldoorlog zoals Lucebert, Hugo Claus en zelfs bij post-modernisten als Stefan Hertmans. ‘Wer mag er gewesen sein?’ vroeg Rilke zich af. En Ludwig Wittgenstein moest bekennen: ‘Ich verstehe sie nicht; aber ihr Ton beglückt mich. Es ist der Ton der wahrhaft genialen Menschen!’ 

    De Trakl-Forschung heeft boekenplanken volgeschreven over alleen al de kleursymboliek in zijn oeuvre, laat staan over de invloed van drugs op zijn metaforen. Maar hij is voor de poëzieliefhebber beslist geen dichter die pas te genieten valt na raadpleging van doorwrochte studies. Zijn zinnen trekken de lezer naar zich toe. Daarom is het fijn dat met deze tweetalige en betaalbare editie de eigenzinnige Oostenrijker binnen handbereik is van de liefhebber. De heldere inleiding door C.O. Jellema en het nawoord van de vertaler geven de lezer een goed houvast om het universum van deze dichter te verkennen. Deze poëzie achter elkaar lezen is niet aan te bevelen, maar met mate genoten komt deze dichter goed tot zijn recht en blijft de lezer ontvankelijk voor de schoonheid van zinnen als: ‘Zacht streelt het karige groen de knie van de vreemdeling, / Een milde god zijn zeer vermoeide voorhoofd, / Tasten zijn zilveren schreden terug naar de stilte.’

     

     

  • Verhaal van alle tijden opnieuw verteld in prachtige bundel

    De zevende bundel van Liesbeth Lagemaat, Vissenschild, laat zich lezen als een grimmig sprookje. In gedichten die bestaan uit louter distichons (twee regels), ontvouwt zich doorlopend het lange, epische verhaal over Elpis, een ouderloos meisje dat opgevoed wordt door haar tante en in de herberg moet helpen bij het bedienen van de gasten. Dagelijks loopt zij de afstand ‘tussen herberg en hoeve’, waarbij ze op een avond aangerand wordt door Allesman/Nietsman, die haar verkracht en vermoord. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de rivier en wordt gedragen door een ‘vissenschild’, haar geest wordt ‘een molecuul van licht’ en gaat hemelen. 

    Dit verhaal is vrijwel gelijk aan de Vlaamse legende van de Fiere Margriet, ofwel Margaretha van Leuven, die rond 1207 geboren werd. Omdat zij zich hevig verzette tegen haar verkrachter, kreeg ze de bijnaam ‘de fiere’ of ‘de trotse’. Haar lichaam zou volgens de legende door vissen stroomopwaarts gedragen zijn door de rivier de Dijle in de richting van de vismarkt van Leuven, met een wijnkruik nog in haar hand. Ze werd een echte volksheilige aan wie mirakels werden toegeschreven en in 1902 werd ze zalig verklaard. In 1982 werd er een standbeeld van haar in Leuven geplaatst, drijvend in het water, naakt, met de kruik in haar hand.

    Een oud verhaal

    Lagemaat kiest ervoor om haar verhaal te laten verwoorden door ‘de kalligrafist’, die zich gedwongen voelt om het verhaal van Elpis te vertellen (‘Tegen wil en dank dient zij zich aan’) en die zoekt naar vormen om haar te laten ontstaan. Hij verzint een begin, waarin de twaalfjarige Elpis een voorspellende droom heeft, een donker visioen waarin ze op het water drijft. 

    De taal die de dichter de kalligrafist in de mond legt, is die van orakels, een droomtaal met een sterk, dwingend ritme en met verzonnen woorden. Deze woorden, zoals ‘zweemschirrezusje’ en ‘flikkerse vlinderslagvrouw’ kunnen in geen enkel woordenboek worden opgezocht, maar bepalen in sterke mate de muziek en de droomsfeer van de bundel, die zich goed leent om voorgelezen te worden. De woorden van de kalligrafist staan in romein; als de verhaalpersonen zelf aan het woord zijn, is de tekst cursief gedrukt. Zoals wanneer de tante van Elpis haar verhaal doet:

    DE DAALDERSE VROUW,
    HARDNEKKIG IN WROK EN HUNKERING

    ‘ Spreek ik als een moeder van nep en gort en ik weet het,
      jazeker, ze heeft haar ogen overal dat kind,

     […]

     […] Daar loopt ze. Daar. En wat is dat
     voor een naam, Elpis. Niemand die zo heet.’

    Elpis’ naam betekent ‘hoop’ in de Griekse mythologie, de hoop die achterbleef in de doos met onheil, die Pandora ondanks alle waarschuwingen toch opende. De ‘daalderse’ vrouw, de ‘vrouw met het duitenhoofd’, misschien zo genoemd omdat ze over het geld gaat in de herberg, heeft zelf nooit kinderen kunnen krijgen en staat zichzelf daarom niet toe om van Elpis te houden:

    ‘Te wrokken over een houten schoot, en de duurmalige
     verdamping van wat ik ben in kop en lijf, zouden mijn vingers

     geen daalders tikken dan wou geen mens nog raken aan
     mijn huid. Een zeemleren lap is mijn woonst. En toch. Soms

     leg ik mijn hand op de kan die zij net naar binnen bracht, Elpis.
     Lijkt het steen van de kruik warm als klei. […]’

    Stiefmoeder en schaduwzusje

    Net als in de sprookjes van Grimm is ook hier de boze stiefmoeder aanwezig. De kalligrafist noemt haar ‘die moeder van stief / en waan’, die jaloers is op het ontluikende meisje dat inmiddels zestien jaar is. Uit eenzaamheid heeft Elpis een ‘schaduwzusje’, gefantaseerd, een ‘nevelkind’. Datzelfde ‘schirrezusje’ probeert Elpis te behoeden als ze van de herberg naar huis loopt:

    ‘[…] Van achter pakt het schirrezusje haar bij de kladden.
     aan de oever ligt drijfzand vandaag, weg bij die beek.’[…]’

    Maar ze kan niet voorkomen dat de kruik van Elpis gebroken wordt door Nietsman, die verandert in Allesman als hij Elpis naar huis begeleidt. De kalligrafist zoekt uitvluchten om niet te hoeven optekenen hoe het verder gaat. Hij is bang dat hij medeschuldig zal worden aan wat komen zal en wat niet te veranderen is: de verkrachting en de moord op Elpis. Maar Elpis weet dat hem geen schuld treft:

    ‘[…] Kan ik hem beschermen

     tegen de schending, hem zacht naar het breekpunt geleiden.
     Mijn lichaam was nooit van mij, ben ik weggeglipt in een scheur

     van het weilanddecor. Wat blijft, en later zich toont in schittering –
     kon ik hem geven dit respijt: een soelaas om mijn lot dat niet

     door hem ontwonden. Hij is de tekenzetter, dat is al. Hij verdient
     compassie. Voorlopig kan ik niets doen dan zijn handen warmen,

     zijn pols, de muis van zijn duim.’

    Een verhaal van alle tijden

    De kalligrafist probeert een ander einde voor haar te bedenken, maar moet zich neerleggen bij het feit dat hij de gebeurtenissen slechts kan boekstaven, niet beïnvloeden. Hij moet Elpis laten gaan en schrijft een eerbetoon voor haar waarin zij rust op haar vissenschild. Het is een verhaal van alle tijden, maar Lagemaat heeft het opnieuw verteld in deze prachtige bundel. De afbeelding op de voorkant brengt in eerste instantie een epos uit de oudheid in herinnering, maar door kleine dingen zoals een horloge een rol laten spelen, plaatst de dichter het dichterbij in de tijd. Het is de dromerige, fantasierijke taal, vol mooie vondsten en een dwingend ritme, die deze bundel tot een genoegen maken om te lezen. Alsof je met open mond luistert naar een oud verhaal, gezeten bij het haardvuur, terwijl wind en duisternis om het huis waren. 

    Op 12 december zal Liesbeth Lagemaat in Amsterdam een gesproken opera op basis van haar bundel laten horen in het theater van Stichting Perdu in Amsterdam.

     

     

  • Een poging de schepping te herscheppen

    In de vierde bundel van Martijn den Ouden, Ruimtedagen, gaat het over de schepping. Dat is aan een predikantenzoon wel toe te vertrouwen. Bijzonder is evenwel dat de schepping nog moet worden voltrokken. Het motto is ontleend aan Openbaringen, het laatste Bijbelboek. Daarin wordt geprofeteerd over de toekomst. Dit is dus wat de lezer ongeveer kan verwachten. Er is geen maagdelijk begin, alles is er al:

    ‘dit is het begin
     het begin is niet woest
     of leeg

     het begin is een onvoorstelbaar
     zware doos
     van onbepaalde afmetingen
     waarin alles besloten ligt’

    Je denkt hierbij aan het heelal, maar het blijkt om een soort doos van Pandora te gaan. In het motto is sprake van een vrouw: ‘En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw; bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren.’ (Openbaringen 12:1). In Ruimtedagen is de vrouw genaamd Marna, en er is ook ‘de lezer’. Tussen hen vinden een aantal dialogen plaats over de schepping, waarbij ze meteen al van mening verschillen:

    ‘dit is geen begin

     een weiland
     vol overwoekerde kuilen en keien
     waarin beesten hun poten breken

     en aria’s zingen

     Marna
     toch is het een begin

     het valt nog onder de hoofdregel’

    Alles op losse schroeven

    Aan welke hoofdregel de discussie moet voldoen blijkt daarna: ‘alles moet zich in de ruimte bevinden’. De definitie van ruimte staat in een noot onderaan de bladzijde. Vervolgens wordt er door de lezer een paar keer aan de definitie getornd, die zich daarmee een onbetrouwbare gesprekspartner toont. Hij wordt omschreven als ‘alwetend, almachtig […] een konijnenpootje aan een snoer om de hals’. Dat konijnenpootje, talisman en geluksbrenger, zit Marna dwars: het konijnenpootje hoort in de ruimte. Ze zijn het erover eens dat er ‘geen autoriteit [is] waaraan we verantwoording moeten afleggen / behalve aan onszelf’. Later blijkt de lezer het pootje toch weer te dragen, anders ‘voel ik me zo naakt’.

    Door alles steeds op losse schroeven te zetten wordt niet alleen de discussie, maar ook het leesproces ontregeld. De dichter speelt overduidelijk een spel. Dat blijkt ook uit de vorm. Aan het begin van de bundel geeft Den Ouden in een kort gedicht een opsomming van elementen die zich in de ruimte bevinden. Deze vormen vervolgens de bouwstenen van de volgende gedichten, die de schepping beschrijven. Het scheppingsproces komt hierdoor aan de oppervlakte, wat op zich een aardige vondst is, maar tevens gekunsteld overkomt.

    Centraal in de discussie tussen Marna en de lezer staat een veulentje ‘met natte bruine ogen’, symbool voor hoop en onschuld, waar het slecht mee gaat: ‘het veulentje breekt zijn poten / en zingt een aria’. In het volgende gedicht rilt het van angst en koorts: ‘de lezer is genoodzaakt een roofdier / tot de ruimte toe te laten’. Terwijl de lezer onverschillig of zelfs cynisch is, toont Marna erbarmen: ‘waarom ligt er een veulen te creperen in het weiland’, ‘ik heb liever dat het aria’s zingt’. 

    Twaalf scheppingsdagen

    De schepping vindt niet plaats in zeven, maar in twaalf dagen (ruimtedagen). Twaalf is net als zeven een heilig getal. De bundel wemelt van Bijbelse symboliek en metaforen, die in een heel ander licht worden gesteld. De werkelijkheid is aards en rauw. Zo barst in de brandende braamstruik ‘een luidruchtige discussie los/ over wie wanneer het vuilnis naar buiten brengt’. Daarnaast zijn er ook verwijzingen naar andere religieuze en filosofische bronnen. De theepot die opduikt bijvoorbeeld, die verwijst naar Bertrand Russells theepotfilosofie over de bewijsbaarheid van God: ook de nietige theepot zou in het heelal onzichtbaar zijn. 

    Zo blijft de lezer voortdurend aan het puzzelen met vorm en betekenis. Ruimtedagen moet gelezen worden als een geheel en is chronologisch opgebouwd. Den Ouden heeft de afwisseling gezocht in de vorm. Naast de tien dialogen en de twaalf gedichten over de respectievelijke scheppingsdagen die door de bundel zijn geweven, bevat de bundel nog een aantal prozagedichten en een brief. De gedichten zijn kaal met (ultra)korte regels en bovendien vrij verhalend. Verbanden worden voornamelijk gelegd door herhaling. Den Ouden doet niet aan mooischrijverij. Slechts een enkele keer tref je een paar mooie regels:

    ‘het water is koud
    ondanks het vlammende geweld dat de zon
     erop loslaat
     is het water koud

     kom hier
     KIJK

     bomen groeien uit minachting
    voor de zoogdieren

     vogels kunnen zij velen
     de lucht is wat hen verbindt’

    Eruptie van beelden

    De handelingen zijn absurd. De discussie gaat in de kern over schuld en onschuld. Het veulentje is al genoemd. Er is veel verdorvenheid: ‘er zijn tegenstrijdige regels opgesteld / die een moraal kweken waarbij het geoorloofd / is en zelfs gewaardeerd wordt om geniepige proeven / op dieren uit te voeren’. Ook is er wreedheid tussen mensen onderling: ‘de mensen met de normale oren zijn bezig de kleinorige uit te roeien’. Een parallel met de vervolging van de christenen door de Romeinen. Later duikt ook ene Adolf op met ‘een strakke scheiding en een smal snorretje’. Het gaat hier ineens wel erg van dik hout zaagt men planken.

    Ondertussen heeft de relatie tussen Marna en de lezer een persoonlijke vorm aangenomen. Je voelt het bij de volgende regels al aankomen:

    ‘Marna strekt zich uit

     ze draagt haar badpak
     wit
     met een rode streep
     over de borsten

     rokend is ze op haar mooist
     in haar zwarte brillenglazen
     dansen tien vlammen’

    Maar ook deze relatie loopt slecht af. De bundel eindigt met een eruptie van beelden, vol neologismen en klankrijm. De taal valt letterlijk uit elkaar. Als laatste blijven de woorden ‘ik licht’ achter, een verwijzing naar het licht aan het begin van de schepping wanneer de wereld nog moet worden ingericht. De bundel is terug bij af. Er volgen nog twee gedichten – als we die zo kunnen noemen – die alleen bestaan uit losse letters en punten. Dit komt opnieuw nogal gekunsteld over.

    Ten slotte vraagt je je af wat Den Ouden met de bundel wil zeggen. Dat de wereld niet deugt? Dat ieder zijn eigen werkelijkheid heeft? Dat er geen perfecte schepping mogelijk is? Door de nadruk op de vorm en de vele buitentekstuele verwijzingen is het lezen van Ruimtedagen vooral een intellectuele excercitie: de lezer heeft wat meegemaakt, maar staat tegelijkertijd met lege handen.

     

     

  • Taal die striemt en overweldigt

    De titel van de zesde bundel van Anne Vegter doet vermoeden dat het terrein van de wetenschap betreden wordt, maar al gauw blijkt dat de titel op z’n Nederlands uitgesproken dient te worden: gegevens over een big, een varken. Met ‘big’ wordt de man bedoeld, vriend, echtgenoot, vader, geliefde van de vrouw die in deze bundel in drie verschillende gedaantes haar beklag doet over zijn ontrouw. De eerste vrouw die aan het woord komt is de Zuid-Afrikaanse dichteres Ingrid Jonker, van wie een prachtig portret werd geschilderd in de documentaire Korreltjie niks is mij dood. Haar bekendste gedicht is wel Die kind wat dood geskiet is deur soldate by Nyanga. 

    Toen Ingrid Jonker tien jaar was, overleed haar moeder en ging ze met haar zus bij haar vader wonen, die al voor haar geboorte haar moeder verlaten had. In zijn nieuwe gezin werd ze echter nooit volledig opgenomen; haar band met haar vader bleef slecht. Later werd ze verliefd op de al getrouwde schrijver Andre Brink, op de veel oudere schrijver Pieter Venter en nog later op de twintig jaar oudere Jack Cope. Een abortus, de breuk met Brink en haar manische depressiviteit deden haar in een kliniek belanden, van waaruit ze in 1965 de zee inliep en verdronk.

    In naam van Ingrid Jonkers

    Vegter laat Jonker aan het woord in een fictief interview over haar reis naar Europa in de eerste afdeling, Hoe Europa doen. De gedichten hebben de vorm van proza, omdat Vegter er heel veel biografische gegevens in heeft verwerkt. Ze laat Jonker vertellen over haar verlangen om te reizen en grote steden te zien. De mannen die haar daarbij beurtelings vergezellen, zijn niet echt betrokken bij haar leven: Cope blijft onverschillig bij haar abortus, Brink gaat terug naar zijn vrouw, de ruzies zijn niet van de lucht. Als Jonker daarna instort, komt dat niet als een verrassing: haar doodsverlangen wordt door Vegter door de hele cyclus heen verweven in de gedichten. In het laatste gedicht als Jonker naar een kliniek wordt gebracht, laat ze haar zeggen: 

    ‘Ik neem dit niemand kwalijk.
     Ik wilde zelf ook want ik moest van mezelf almaar dood.
     Daarom neem ik niemand iets kwalijk.’

    Overspelige man

    De big, waarvan tot nu toe geen melding werd gemaakt, doet zijn intrede in de tweede afdeling, ‘Big Data’ genaamd. Deze bestaat uit gedichten waarin een vrouw zich richt tot haar overspelige man. Beiden blijven naamloos, maar de man wordt big of pigboy genoemd. Deze gedichten zijn minder toegankelijk dan de rest van de bundel, omdat er weinig achtergrondinformatie gegeven wordt over de relatie van de man en de vrouw en de uiteindelijke breuk. De beelden die Vegter gebruikt, zijn niet eenvoudig te duiden. Het zijn duidelijk voelbare woede-uitbarstingen van de vrouw, waarin ze de man verwijten toeslingert die een glimp laten zien van wat er zich moet hebben afgespeeld: de relatie was aanvankelijk goed, er kwamen kinderen, er werden toekomstplannen gemaakt, maar leugens en ontrouw hebben alles vernield. Therapie en verzoeningspogingen brengen geen redding meer, de man vertrekt naar een andere vrouw. 

     in de praktijk

    ‘meer dan een jaar en wat deed dat met je of wil je dat niet delen dokter zegt seksles
       is dat iets
     om over na te denken de honger neemt af de bloedarmoede neemt toe en de statistieken
     knikken vriendelijk
     je dacht dat je de uitzondering was de enige die godvergeten ver wilde fietsen om haar
     tranen
     naar een begrafenis te brengen trouw, mevrouw, een schaars goed, ik heb nogal wat
     oudere patiëntes die
     net u en het zusje van mijn vrouw is trouwens ook boem de leidende rol in de rouw is
       voor ons’

    Kwijlende big

    De laatste en langste afdeling is Medea 2.0 die de vorm van een monoloog heeft. Medea is in de Griekse mythologie de tovenares die haar twee kinderen doodde om haar ontrouwe echtgenoot Jason te straffen. De kinderen doden doet Vegters Medea niet, maar het scheelt maar weinig of ze waren omgekomen bij een auto-ongeluk.
    Big heeft na een relatie van twintig jaar troost gezocht bij een andere vrouw: ‘[…] een kwijlende big / die zijn neus snoot / in een jonge schoot’.  In vlijmende zinnen  beschrijft Vegter hoe de zelfrealisatie van de vrouw ondergeschikt werd gemaakt aan de ambities van de man uit naam van de liefde. Daar droeg ze zelf schuld aan, ze maakte zichzelf te afhankelijk van het mannelijk leiderschap, want ‘ik wilde je te graag’.

    Tijdens een autorit met de beide jongens op de achterbank verliest ze haar concentratie, raakt een paaltje, waardoor de auto gaat tollen en achteruit het water in rijdt. Ze ziet zich gedwongen om haar man te bellen, te vragen of hij hen komt halen. Het wordt een vreselijk gesprek vol beschuldigen en verwijten, die Vegter als zweepslagen laat knallen. Ze bedenkt ook wat ze met hem zou doen:

    Wraak en vergiffenis

    ‘hem halverwege laten bungelen
     uithongeren
     versterven
     of aan je hakken omhooghengelen
     ik help je niet
     vader van mijn liefsten
     verschrompel in je droge riool
     je had een ander
     (alweer’)

    Toch is haar liefde voor hem niet verdwenen. Als Jason op de stoep staat en ‘jammert dat de liefde niet voorbij is’, weet ze niet wat ze moet doen. Vegter haalt Euripides aan, die de oorspronkelijke Medea schreef, en besluit met: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend.’ 

    In een stijgende lijn van pijn, haat en woede heeft Vegter drie vrouwen hun verhaal laten doen in een taal die striemt en overweldigt. Overtuigende verhalen van sterke vrouwen, levensecht. 

     

     

  • Verlangen naar verandering

    De Vlaamse Tom Van de Voorde (1974) is dichter, essayist en vertaler van voornamelijk Amerikaanse poëzie. Zijn eerste bundel Vliesgevels filter (2008) werd genomineerd voor de C.Buddingh’-prijs, de tweede, Liefde en aarde, voor de Herman de Coninckprijs. Deze tweede bundel kreeg tevens de driejaarlijkse poëzieprijs van de provincie Oost-Vlaanderen. Daarnaast publiceerde Van de Voorde in diverse literaire tijdschriften. Zijn werk werd in meer dan tien talen vertaald.

    Zijn vierde dichtbundel Jouw zwaartekracht mijn veer is een intrigerende titel: je kunt je voorstellen dat ‘jouw zwaartekracht’ een vaste waarde in het leven van de ik-figuur betekent, waarnaar de laatste onvermijdelijk weer terugkeert. Anderzijds zou het ook kunnen dat de veer een springveer is, die zich herhaaldelijk aan de zwaartekracht wil onttrekken door even op te springen. Het is hoe dan ook een titel om over na te denken.
    Dat geldt ook voor de inhoud, want Van de Voorde laat in deze bundel veel van zichzelf zien, maar omdat de gedichten heel persoonlijk zijn, zijn ze ook vaak ondoorzichtig en niet gemakkelijk te interpreteren voor de lezer.

    Onvrede

    In vijf afgebakende afdelingen, die niet veel met elkaar te maken lijken te hebben, brengt de dichter zijn observaties en zijn gevoelens onder woorden. De eerste afdeling, Ik toog mijn gebergte, gaat uit van een status quo die niet bevredigend is, een dagelijks leven dat nodig dient te worden opgeschud:

    We always began it again

    het is 4 a.m. en ik kijk
    naar een etende vrouw

    Het paleis dat onze heuvels
    en muren verlicht

    vertelt leugens
    aan slapende gezinnen

    Niemand kijkt toe hoe
    ons bouwwerk in elkaar stort

    terwijl mijn ruggengraat
    tussen haar dijen hangt

    Wie zal waken
    over de hongerige gier

    die boven mij zweeft
    als ik weer ingeslapen ben

    Het verlangen naar verandering van richting in het leven wordt steeds sterker en culmineert uiteindelijk in gedichten met titels als De vooravond van een verandering en De zorg voor eigen keuzes, waarin de dichter tenslotte ‘onbegonnen’ de avond inloopt, en zich herinnert ‘wat achter mij verborgen ligt’.

    Homo politicus, de tweede afdeling, herbergt een aantal gedichten waarin begrippen ter sprake komen als democratie, fascisme, hamer en sikkel, populisme en leiderschap. Hoewel in elk van deze gedichten een lyrisch ik aan het woord is en er vanuit een persoonlijk standpunt gesproken wordt, missen ze echte betrokkenheid en de mogelijkheid tot identificatie voor de lezer. Dat de dichter geen hoge pet op heeft van de politiek, weet hij echter wel op humoristische wijze duidelijk te maken.

    Heel anders daarentegen is de afdeling Apocalyps van het kleine geschil, met tien gedichten waarvan er slechts twee een titel kregen. Dit is pure liefdespoëzie over de relatie tussen twee mensen die ruzie hebben gekregen en hun best doen om de afstand die tussen hen ontstaan is, weer te overbruggen. Deze gedichten zijn eenvoudiger en directer dan de overige, maar weten daardoor juist te raken in hun oprechtheid die ontdaan is van alle literaire pretenties.

    Een kwestie van uitdrukking

    Op het punt iets te zeggen
    vraag je me waarom
    ik niets zeg

    Ik vermijd
    de vergelijkende trap
    en doe iets
    met mijn eerste zin

    Je zwijgt
    wanneer me ontgaat
    wat eerder is gezegd

    het duurt lang
    voor de dag weer lijkt
    op de vorige

    Amerikaanse kunst

    Maar het persoonlijkst is de dichter in de afdeling De schilderijententoonstelling, waarin hij spreekt over voornamelijk Amerikaanse schilders van het abstract expressionisme, over de componist Morton Feldman, de Amerikaanse dichter Wallace Stevens wiens gedichten door Van de Voorde vertaald zijn. Beeldende kunst, poëzie en vertaling daarvan worden hier samengebracht in een aantal heel lange gedichten – het gedicht Robert Mangold en ik beslaat tien pagina’s waarin de dichter een fictief telefonisch gesprek met de 82-jarige schilder voert – waarin de dichter zijn ideeën over moderne kunst en kunstkritiek uiteenzet.

    Wie meer wil weten over al deze kunstenaars en hun werk moet heel veel opzoeken, want alleen al in het gedicht Ons worden meer dan twintig vrouwelijke kunstenaars genoemd in het kader van een tentoonstelling die de dichter wil opzetten met als titel Female Abstraction.

    Het lange gedicht Who’s afraid of red, yellow and blue werd geschreven bij het schilderij van Barnett Newman, dat de meeste mensen wel zullen kennen, al was het alleen maar door de aanval in 1986 op de derde versie van het werk, toen een verwarde man met een stanleymes vijf lange sneden in het doek maakte. Dat werd toen gerestaureerd op een manier die leek alsof er met een verfroller overheen gegaan was. Maar Van de Voorde rept daar niet over: bij hem leidt het schilderij tot een bespiegeling over het nut van vertalen, over poëzie en of helderheid daarbij een vereiste is. De kernvraag waar het gedicht omheen cirkelt, is wat de ideale leeftijd is om gedichten te schrijven. Het is een ernstig zelfonderzoek naar waarden, zekerheden en twijfels omtrent het kunstenaarschap en wat belangrijk is. De dichter moet daarbij wel tot de conclusie komen dat wanneer je ouder wordt de gedachte aan de toekomst automatisch verbonden blijkt te zijn met de dood. Het gedicht leest als een credo, een heel intieme getuigenis van wat het levensdoel en de idealen van de dichter inhouden. Alsof je een kijkje kunt nemen in zijn ziel. Het is een van de mooiste gedichten uit deze bundel.

    Bijna net zo mooi is de laatste afdeling Les Barricades Mystérieuses, waarin in acht gedichten een ode wordt gebracht aan Clement Greenberg, een van de invloedrijkste kunstcritici in de Verenigde Staten, die een lans brak voor het abstract expressionisme.

    6. Op het laatst schreef ik
    een brief in gebroken Alexandrijns
    en sprak hem als boodschap in;
    Beste Clement,
    Loodzwaar is de vracht
    die zelden bijna nooit de bodem
    van diens kracht verzacht
    Hij wou geschiedenis op aarde,
    schreef hij terug,
    desnoods iets hemels als
    zekerheid, ontspanning en comfort,
    jongleren in een eenzame jungle
    van onmiddellijke gewaarwording

    Het is aan te raden om Google en Wikipedia bij de hand te hebben bij het lezen van deze bundel. Nog beter is het om van tevoren al het een en ander op te zoeken over de genoemde kunstenaars. Niet dat de gedichten anders onbegrijpelijk zijn: ze gaan uiteindelijk niet over hen, maar over hoe ze de dichter beïnvloed hebben in zijn liefde voor kunst en hoe ze hem duidelijk gemaakt hebben waar het wezen van zijn eigen kunstenaarschap lag. In die zin gaat deze bundel, hoeveel namen er ook genoemd zijn, alleen maar over Van der Voorde zelf.