• Vederlichte verzen

    Zijn jongensdroom om te kunnen vliegen heeft de in 2019 overleden Belgische kunstenaar Panamarenko nooit losgelaten. Heel zijn carrière lang bouwde hij machines met vleugels om die droom te verbeelden. Hij was niet de enige met zo’n droom. Verre van. Al eeuwenlang blijft de mens de vogels bewonderen om hun vliegkunsten. Ook dichters lijken begeesterd te zijn door de gevleugelden van het dierenrijk. Van vogels krijg je nooit genoeg is de waarachtige titel van een bloemlezing Nederlandstalige vogelpoëzie, samengesteld door Jan de Bas en Arie Bijl. Uit die honderdvijftig gedichten kan de lezer trachten achterhalen waarom de titel zo correct aanvoelt en waarom niet alleen dichters, maar mensen uit allerlei geledingen, gefascineerd blijven door vogels en soortgenoten.  

    Vogelvrij en verscheiden

    Ook in deze anthologie vormt de verwondering het startschot om enkele verzen aan vogels te wijden. Een enkele observatie kan volstaan om een hele beeldenwereld en wirwar aan verlangens te ontsluiten. Soms is de wens om bijvoorbeeld een reiger te zijn ook vrij letterlijk te nemen, zoals in een naamloos gedicht van Ed Franck: ‘Eénbenig / spiegel ik me / in een zomerse plas / aan een blauwe reiger / wat weinig / veren voor een vogel / de armen te hoekig / voor sierlijke vleugels // Maar stilstaan / op één been / kan ik al.’ Maar de variatie in aanpak is enorm. Gaande van de puntige abstractie van Judith Herzberg ( ‘bijna nooit zie je een vogel in de lucht / zich bedenken / zwenken terug) tot de absurde humor van Jan Hanlo’s gedicht mus (‘Tsjielp, tsjielp, tsjtielp…’).

    Niet enkel het taalregister maar ook de kwaliteit van de gedichten vertoont in deze bundel sterke schommelingen. Om te kunnen schommelen heb je uitmuntende uitschieters nodig en die zijn zeker aanwezig en bevatten een intense zeggingskracht. Die poëtische intensiteit ontstaat als de dichter zijn lezer vanuit een ordinaire waarneming weet mee te voeren naar een anders onbereikbare gedachte of onbekend gevoel. Zo oppert de dichteres Hanny Michaelis door het observeren van twee duiven die als ‘populaire vredessymbolen’ ‘menswaardig’ met elkaar zitten te vechten de volgende gedachte: ‘leerzaam tafereeltje voor wie / net als ik geneigd is / meer van dieren te houden / dan van de meeste mensen.’  En een opvliegende duif wekt bij Roland Jooris afstand op: ‘Eensklaps en wit / laat zij slechts / verte / in mij na.’ 

    Alledaagse verzen

    Soms blijft zo’n verdieping of bevraging van het vanzelfsprekende jammerlijk achterwege. De beelden verzanden in het alledaagse en ook de taal blijft braaf. In ‘tsjilp’ van Jaap Robben bevatten de verzen een aantal sentimentele strofes die niet verrassend genoeg geformuleerd zijn om echt te ontroeren: ‘voordat ik haar daar leg / hou ik haar stijve lijfje / dicht tegen me aan//.’ Dat is best een aardige en lieve strofe, maar meer ook niet. Wanneer eenvoudige taal de scherpte mankeert om een herkenbare situatie te ontstijgen, dan blijft het gedicht vastplakken aan het banale en wordt daarmee vleugellam. Dat is zeker het geval als je het vergelijkt met de spitsheid in ‘Eén zwaluw’ van Toon Tellegen: ‘Jij, / jij was een zwaluw, / De eerste zwaluw, // en je maakte zeven zomers / zonder één winter ertussenin. //’

    Natuurlijk pretendeert zo’n thematische bloemlezing niet per se baanbrekende poëzie te bevatten en hangt veel af van wat de samenstellers beogen. In hun bondige maar goed toegelichte voorwoord beamen Jan de Bas en Arie Bijl hun hoop dat ‘deze bloemlezing u als lezer inspireert om van vogels en poëzie te genieten’. De verzen van Robben of het reigerverlangen in het gedicht van Ed Franck kunnen dankzij hun laagdrempeligheid inderdaad grote groepen mensen charmeren. En de kwaliteit is allesbehalve slecht. Maar eerder in het voorwoord verklaren de samenstellers dat ‘dichters proberen om in taal door te dringen tot emoties die nauwelijks of zeer gebrekkig in woorden zijn te vatten en het gedrag van de vogel kan de lezer in zijn eigen gedragsspiegel laten kijken.’ Dat doel wordt door de meerderheid van de gedichten in deze bundel dan weer amper behaald.

    De beelden die wel op het netvlies blijven kleven kunnen echter een prima kennismaking inluiden met een voor de lezer onbekende poëet. Enkele van de interessantste gedichten uit de bundel zijn dan ook al redelijk exemplarisch voor de stijl en taal van een auteur: de minimale abstractie van Roland Jooris of de absurditeit van Hanlo en net zoals in zijn romans behandelt Ted van Lieshout in ‘dag mus’ schuldgevoelens en daderschap: ‘Wij vonden een gewonde mus / en legden hem in een doos. / Anders was hij doodgegaan. // […] Het leven van zoiets kleins is te teer / voor mensenhanden. Hij wijst ons / met zijn pootjes als daders aan.’

    ‘Hebban olla uogala nestas hagunnan’

    Al vanaf de bovenstaande en oudst bekende Nederlandse zin doorkruisen vogels allerhande de poëzie van de lage landen. Nog steeds hebben alle vogels nesten en nog steeds krijgen we nooit genoeg van deze dieren. Ook niet na het doorbladeren van deze bloemlezing. Pauwen, meeuwen, roerdompen, merels, meerkoeten, hoenen… Zo divers als het vogelrijk zich laat gelden, zo veelzijdig is de hedendaagse poëzie. Wie deze anthologie als vogelgids of een verzameling baanbrekende gedichten beschouwt, zal na een tijdje gefrustreerd raken. Misschien is deze lectuur als het vogelspotten zelf. Bladzijde na bladzijde zie je niets op de bladspiegel neerstrijken. Heb geduld en blijf geconcentreerd verder speuren en lezen. Want opeens komt er een magnifiek exemplaar aanvliegen, een uitmuntend gedicht. Volg zijn vlucht en ga op zoek naar meer van deze auteur. Treed in de vleugelslag van Panamarenko en vlieg de vogel of verzen achterna. Deze gevleugelde woorden zullen je meevoeren naar de hoogste boom, naar zijn nest en naar het kloppende hart van de poëzie. 

     

     

  • De dichter als Richter

    Wie is die ‘je’ uit de titel tot wie Gerda Blees haar woorden richt? ‘[…] dat moet jij wel zijn, Willem Jan’, staat te lezen op de flap aan de binnenkant van dit kleine cahier. Het bevat een essay uit 2022 dat Gerda Blees als gastschrijver schreef voor het literair tijdschrift Liter, ter ere van het vijftigjarige dichtersjubileum van Willem Jan Otten, een dichter die zij bewondert. Elke avond, veertig dagen lang, schreef Blees precies honderd woorden, gericht aan Otten. Ze zal bewust gekozen hebben voor die afbakening: veertig dagen duurde ook de tijd waarin Jezus in de woestijn verbleef, waar hij door Satan op de proef werd gesteld, zoals in de Bijbel staat. Ook nu nog kennen katholieken de veertigdaagse vasten die voorafgaat aan het paasfeest, veertig dagen van inkeer en bezinning. Otten bekeerde zich in de jaren negentig tot het katholieke geloof en liet zich dopen; de symboliek van Blees’ onderneming zal hem vast niet zijn ontgaan.

    Inkeer en zelfreflectie, daar moet Gerda Blees zich ook van bewust zijn geweest toen ze zich ’s avonds op haar kamer richtte tot Otten in de uren die ze eigenlijk aan haar nieuwe roman had moeten besteden. ‘Romanontwijkend schrijfgedrag’ noemt ze het. Gerda Blees schreef eerder al een roman, een verhalenbundel en twee gedichtenbundels. Met haar roman Wij zijn licht won ze in 2021 de Literatuurprijs van de Europese Unie en de Nederlandse boekhandelsprijs. In het essay vertelt ze hoe ze Ottens poëzie had leren kennen toen ze zijn bundel Eindaugustuswind uit 1998 las. Hoe allereerst de klanken van dat woord haar aangrepen, hoe ze die terug zag komen in de rest van het gedicht. Klank is het begin van taal, stelt Blees vast. Dat geldt niet alleen voor de taalontwikkeling die ze bij haar zoontje kon waarnemen, maar ook voor de aantrekkingskracht van een gedicht. Eerst is er klank, dan volgt het beeld, nog later de betekenis en de interpretatie.

    Terloops geformuleerde zinnen

    De prachtige, haast terloops geformuleerde zinnen van Blees over dit procedé doen denken aan de educatie van Helen Keller, de doofblinde schrijfster die van haar lerares Anne Sullivan het vingeralfabet leerde toen ze zeven jaar was. In de weliswaar zeer geromantiseerde film The miracle worker uit 1962 is de euforie op het gezicht van een jonge Keller te lezen als ze voor de eerste keer begrijpt dat de vingertekens die in haar handpalm gemaakt worden een beeld uit de werkelijkheid voorstellen, namelijk als ze haar hand houdt in het water dat uit de pomp stroomt. Deze verbinding van taal met beeld die plotseling inzichtelijk wordt, maakt Blees duidelijk aan de hand van een ontroerend gedicht van Otten, waarin het water een belangrijke rol speelt:

    ‘Wij bereikten
    na een tocht door een druipend bos
    het Randmeer.
    Het was alsof een slapende haar ogen opende
    en ons kende.
    Jij zat voorop.
    Ik legde mijn hand
    op de warme kokosnoot van je schedel.
    Het licht keek ver je ogen in.
    Ik zei: dit nu is water.
    Wa-ter.
    Wa-ter.
    Wa-ter zei ik nog een keer.
    En jij zei: bwa-pl.
    Je zei het nog een keer.
    Het was zeker, zoontje van mij,
    dat wij hetzelfde niet begrepen.’

    Blees selecteert een aantal motieven die ze steeds ziet terugkeren in de poëzie van Otten:  vader, kind, water. De relatie vader-kind kan gezien worden als die van een gelovige tot God. Water is het symbool voor alle leven, met water wordt een kind gedoopt. Water kan ook een spiegel zijn waarin je zelf gereflecteerd wordt; een  gedicht heeft ook die functie, volgens Blees. Zowel dichter als lezer kunnen zichzelf tegelijk weerspiegeld zien in een gedicht en daardoor kunnen ze ook een glimp van elkaar opvangen. Deze verbinding, die dichter en lezer met elkaar aangaan via het gedicht, komt niet alleen door de dichter tot stand, maar evenzeer door de lezer, die zich een voorstelling tracht te maken van wat hij leest. Zowel de dichter als de lezer trachten via het gedicht net als Helen Keller greep te krijgen op de werkelijkheid. Wat doet de lezer met het gedicht, en wat doet het gedicht met de lezer? De dichter schrijft een gedicht, de lezer zet het om in klank en bedenkt daar een beeld bij, dat niet noodzakelijkerwijs hetzelfde hoeft te zijn als wat de dichter in zijn hoofd had toen hij schreef.

    Geschreven voor speciale lezer

    Blees kent aan de gedichten van Otten nog een extra dimensie toe: het gedicht dat geschreven is met een speciale lezer voor ogen. De titel van een bundel van Otten uit 2011 luidt: Gerichte gedichten. Hierin richt Otten zich tot God. Blees richt zich tot Otten. Volgens haar brengen ‘gerichte’ gedichten schrijver en lezer nog dichter bij elkaar, want door het richten schept de dichter zich aan de achterkant van het papier een luisteraar en aan zijn eigen kant een lyrisch ik, dat niemand anders kan zijn dan de dichter zelf. ‘En dat moet jij wel zijn, Willem Jan.’

    Deze veertig keer honderd woorden zijn gericht aan Willem Jan Otten, maar ze geven net zo goed een inkijkje in Blees’ eigen poëtica. Ze laten zien dat Blees zelf ook een heel goede dichter is. Ook al vergeet ze nooit dat ze schrijft voor een ander, toch laat ze onbevangen een deel van zichzelf zien dat de vorm lijkt aan te nemen van een dagboek. Ze maakt de lezer deelgenoot van haar gedachten die niet alleen gaan over de poëzie van Otten, maar ook over haar zoontje, haar schrijfproces, en over haar dagelijkse leven. Maar in haar laatste ‘brief’ aan Otten weet ze alles in honderd woorden te vatten wat ze daarvoor geschreven heeft:

    ‘[…] Als ik durfde, schreef ik je een gedicht, over water, een kind en een vader. Iets of iemand zou in het water schrijven, en dan kwam er een windvlaag, […] die het uitwiste, en vanuit een roeibootje in der hemel zagen we Nijhoff zwaaien, ‘Hoi WJO, hoi Gerda!’ en de wereld was nooit meer hetzelfde. Straks duw ik deze woorden af en worden ze door het feestcomité over de Sloterplas naar jouw bovenverdieping geroeid. Dan komen we ieder aan de andere kant van het spiegelglas te staan. Op hoop van zegen zal jij dan mijn lezer zijn en ik jouw gelezene.’

    Gerda Blees heeft een prachtige, oprechte brief geschreven als eerbetoon aan Willem Jan Otten. Zo doordacht, zo poëtisch, zo liefdevol; het kan niet anders of Otten moet hier heel blij mee geweest zijn.

     

     

  • Niets is zonder ons

    Begin dit jaar verscheen bij uitgeverij Prometheus, Ik meld mij af, ik meld mij aan van Philip Huff. Gedichten die lezen als verhalen van een of meerdere pagina’s lang, soms opgedeeld in enkele korte scènes. De titels zijn de ene keer poëtisch, de andere keer bijtend nuchter – niet meer dan één woord – maar hoe dan ook verlokkend tot verder lezen: Handen, Spiegel voor een spiegel, Williamsburg Bridge, IJsland, Halverwege de wandeling, Acid, Maart (dennenappels die opentikken).
    Meteen al het eerste gedicht verklaart de titel: ‘Soms denk ik dat wat gebeurt op ons teert. // Niets is zonder ons. // De wereld heeft klerken nodig, // anders is alles voor niemand gebeurd. // Ik meld mij af, ik meld mij aan.’

    De plicht om verslag te doen van wat er gebeurt, van het eigen leven, wordt door de schrijver wel gevoeld maar – zo lijkt het – niet van harte vervuld. Waarom ook? In het geval van Philip Huff gaat het om een pijnlijke en verdrietige jeugd die je je liever niet zou herinneren, laat staan beschrijven. ‘Ik meld mij af’. Maar het verleden, de herinnering laat zich niet vergeten. Je moet er wat mee of je wilt of niet. En soms wil je er inderdaad wat mee. Omdat ook van een ellendig verhaal soms de behoefte wordt gevoeld dat het verteld wil worden. ‘Ik meld mij aan’.

    En omdat ook de beschadigde mens het recht heeft zichtbaar te zijn: hier ben ik, dit is er met mij gebeurd. Los van verwijt of een eventuele schuldvraag; los van de vraag of men zich ooit slachtoffer heeft gevoeld en dat later al dan niet wil blijven. De naakte feiten, zoals in een aantal van Huffs gedichten, door een kind geregistreerd; derhalve zonder schuld, want kunnen kinderen wel schuldig zijn? Ook waar de woorden als zodanig niet vallen, gaat het veel over schuld en plicht, en de twijfel daarover. Moet je het verleden met je meeslepen, of mag je loslaten, vergeten?

    Straffe metaforen, prachtige beelden

    Hoe belangrijk is het om iets van de achtergrond van de schrijver te weten? Bij poëzie, muziek, beeldende kunst wordt vaak gezegd: laat het gewoon over je heen komen, het gaat om wat je voelt. Zonder voorkennis. Anderen zeggen juist meer te begrijpen als ze wel iets van de kunstenaar weten, van zijn of haar motieven, jeugd, omstandigheden. Hoe merkwaardiger de details, hoe interessanter het wordt. Gewoon maar onbevangen en onbevooroordeeld iets laten binnenkomen, daar is de kijker, lezer, luisteraar doorgaans niet zo goed in. Die wil graag kunnen duiden wat ie hoort of ziet.

    Straffe metaforen gebruikt Huff om de pijn in te kunnen bergen, om te vertellen over dingen die hij zich herinnert maar zich eigenlijk niet herinneren wil. Je zou een pilaar moeten zijn, oppert hij, want hoe minder je opvalt, hoe minder zichtbaar je bent, hoe beter het is.

    ‘We waren studenten: we kregen handvatten voor het leven
     aangereikt, maar, meenden we, het leven kreeg geen grip op ons.
     Pas als je eruit bent, kun je zien hoe stompzinnig
     die gedachte is. Het leven ging niet beginnen,
     het was het leven al, en wij bloedden,
     bloedden uit wonden –
     die wij nog niet zagen.’

    Verzen zonder rijm of vaste structuur zijn het. Ongrijpbaar, gratuit als de gedachten zelf; sommige laten zich lang genoeg vasthouden voor een paar fraaie, coherente regels; sommige niet lang genoeg om te worden getemd; van sommige komt slechts de geur voorbij, of een ruis in bladeren. Je weet dat er iets is, iets was, zonder precies te weten wat. Laat het genoeg zijn. Het is genoeg. Die open, vrije, bijna nihilistische verzen zijn gevuld met een weelderige, haast ouderwets aandoende beeldtaal. Rijk aan aandacht voor de schoonheid van het alledaagse, hoe ruig, banaal, liederlijk, onbeduidend ook. Rijk aan bijvoeglijke naamwoorden – dat zal dat ouderwetse dan wel zijn -; rijk aan kleur ook, en van alle kleuren het meest nog blauw; frescoblauw, lichtblauw, vaalblauw, aderblauw. ‘een blauw licht dat om mijn voeten // op de uitlopende golven viel, // inkt-, kobalt-, en marineblauw, // zo diep dat geen renaissanceschilder // er ooit bij kon.’

    Licht, veel warm licht

    Er zijn kinderen, en dieren; zowel kleine als grote, dode als levende; verval en kwetsbaarheid ineen. Er wordt verdronken, gestorven, begraven, liefde verloren. Er is bloed, ziekte, opmerkelijk veel lichaamsdelen, een dode broer, en zorgen om een kwijnende planeet. En dat alles wordt op een uiterst zintuigelijke manier beschouwd en waargenomen.

    ‘Je donderend hart en een moeder met een tumor,
     je broer in de aarde en je vader in een tehuis.
     Er zal steeds meer verdriet dan geluk bestaan,
     dat is wat je terughoort in de diepe klanken van de toetsen
     op dagen dat de grijze wind waait –
     over een veld aan een baai waar warm licht op staat.’

    Gezien wordt er wat licht is en donker, wat glinstert of juist niet. Alles heeft klank, maakt geluid. Geproefd wordt het zoute, zoete en zure. En man, wat wordt er veel gegeten in deze bundel, gedronken trouwens ook. Bovenal wordt er gevoeld; warm en koud, glad en ruw en zand tussen de tenen. Vooral het contrast tussen droog en nat is treffend en keert veelvuldig terug. Of dit: ‘Om hoe het is // met je hoofd te rusten // op een jas, tegen het trillende glas // van de trein, de zon op je gezicht -‘

    En natuurlijk wat veel dichters het meest lijkt te bezielen: jeugdherinneringen. Met name het onherroepelijk voorbije staat garant voor weemoed, nostalgie; dat wat was en nooit meer terugkomt. Ja, vooral dichters hebben er een antenne voor.

    Autoroute du soleil

    In zo’n hoofd waar zoveel ruimte is voor dolen en dwalen, is vast ook een vergaarbak vol herinneringen van allerlei soort. Zoals die ene bak achter in de kringloopwinkel, waar van alles in zit wat in geen enkele categorie valt onder te brengen en waarbij je je afvraagt of het überhaupt nog voor iemand van nut kan zijn. Maar wie kan bepalen wat de zin is van al die bewaarde flarden, gedachten, beelden, snippers van feiten en gebeurtenissen in andermans hoofd? Mogelijk stelt zelfs de bewaarder zichzelf weleens die vraag: wat moet ik hiermee?

    Schrijvers en dichters weten er wel raad mee. Geen herinnering zo bizar of ongerijmd, vroeg of laat komt die ergens van pas; omdat het op die plek, op dat moment iets betekent. Of niet. Dan is het enkel een prachtig beeld – of een reeks van prachtige beelden – waarvan de lezer mag meegenieten.

    ‘Platgelopen plastic flessen lagen rondom vuilnisbakken.
     Het tankstation was koel, de airco gierde en mijn moeder
     pakte voorverpakte ham-kaas-eistokbroden uit een open ijskast,
     stapelde ze tegen haar borst als houtblokken.
     Een lange rij bij de pomp, een lange rij bij de kassa.

     We werkten een rozenkrans af van frescoblauwe dagen,
     waterijsgroen gras, popliedjesgouden graanvelden
     en betrouwbaar ijs, toegewijde sneeuw.
     Dag vorst, mijn norse vriend.
     Kom je nog eens praten?’

    Wie met zo veel gemak en flair en in slechts enkele zinnen de lezer weet mee te sleuren van alledaagse noodzakelijkheden als brood, benzine en toiletbezoek, naar beelden die zo wondermooi zijn dat de tranen er van in je ogen springen, kan zich met recht een dichter noemen. Dan verdwijnt de vraag of het iets betekent – de eis ook dat het iets zou móeten betekenen – naar de achtergrond; dan is poëzie doel in en op zichzelf, puur omdat ze doet wat ze doet, omdat ze schuurt, raakt, ontroert, troost, verstilt, of juist rammelt, trapt, schudt tot er iets in beweging komt.

     

     

  • Toont Tellegen zijn kunsten opnieuw?

    Of je nu zijn verhalen over de eekhoorn en de mier leest, of zijn nieuwste gedichtenbundel, de boeken van Toon Tellegen zijn onmiddellijk te herkennen. Het is moeilijk om precies aan te geven hoe dat komt, want zijn algemene thema’s worden ook door andere auteurs behandeld: de dood, het leven, het al dan niet bestaan van God. Ligt het aan de verwondering die zijn verhalen kenmerkt, de verbazing over heel gewone dingen die we als vanzelfsprekend aannemen, of komt het door de heel directe manier van spreken? Want de taal die Tellegen gebruikt, is bedrieglijk eenvoudig. Hij spreekt vaak rechtstreeks een generiek jij aan, met wie hij toch vooral in de meeste gevallen zichzelf bedoelt. Er komen geen grote woorden aan te pas, geen spitsvondige trucjes of dubbele bodems.

    Dat maakt het ook zo lastig om aan te geven of zijn boeken voor kinderen bedoeld zijn of voor volwassen lezers. Voor de liefhebbers van de verhalen en gedichten van Tellegen doet dat er weinig toe. Hij heeft een zeldzaam groot oeuvre op zijn naam staan, waaronder meer dan twintig dichtbundels. Nu de auteur de tachtig is gepasseerd, behandelt hij in zijn nieuwste bundel, Langs een helling, nog een extra thema: de ouderdom en het verglijden van de tijd. Het leven wordt voorgesteld als een helling waarvan je jeugd de top vormt. Naarmate je ouder wordt, glijd je daar langzaam vanaf. En waar je eenmaal beneden gekomen, bent aanbeland, weet zelfs de dichter niet. Ook de voorkant van de bundel doet denken aan het bekende licht aan het einde van de tunnel, een bestemming in de verte. Het past goed bij de filosofische inslag die in alle gedichten terugkomt:

    Op weg
    Ik wou dat ik langs een weg liep die onbegaanbaar was,
    dat ik moest terugkeren, maar niet terugkeerde
    en maar doorliep en doorliep,
    het verschil tussen begaanbaar en onbegaanbaar nog niet wist.

    Komisch en absurd

    Hoewel de gedichten overwegend komisch en absurd zijn, is er ook een melancholieke toon binnengeslopen. Tellegen bekijkt zijn verleden met weemoed, zoals dat gaat bij ouderdom. Dat terugkijken levert ook teleurstellingen op, evenals het besef dat het leven niet overgedaan kan worden. Er zit niets anders op dan te aanvaarden dat het niet volmaakt is. Toch is Tellegen nooit pessimistisch. Hij weet in de slotregels van zijn gedichten vaak een paradox en een milde ironie te leggen, waardoor een negatief gegeven wordt omgebogen tot troost, ook al is die schraal.

    zij die verdrinken roepen naar elkaar:
    ‘zijn er onder ons ook wanhopigen?’
    niemand antwoordt
    ‘en ongefundeerde optimisten?’
    ‘ik! ik!’
    ‘en waarover bent u dan optimistisch tegen beter weten in?’
    ‘dat we gered zullen worden’
    (Uit: ‘De waarde van het leven’)

    Laat ons niet bestaan

    Voorafgegaan door een gedicht over twee meisjes, zijn ook vijf gedichten opgenomen die doen denken aan Tellegens boek Twee oude vrouwtjes. Hierin staan korte absurdistische verhalen over twee oude vrouwen die na elke wending van het lot opnieuw beseffen niet zonder elkaar te kunnen. In de vijf gedichten in Langs een helling wordt de leeftijd van de twee vrouwen niet specifiek vermeld en hun avonturen zijn per gedicht van ernstiger aard: ze dansen, ze worden gekruisigd, ze kussen elkaar wanhopig, ze nemen afscheid van elkaar en in het laatste gedicht smeken ze hun bedenker om hen alsjeblieft te laten ophouden met bestaan: ‘verzin ons toch niet meer!/ laat ons toch niet bestaan!’ Desondanks laat de dichter ze continu terugkeren. Het is interessant om te zien hoe deze gedichten als korte cyclus apart staan van de overige, temeer daar het vrijwel de enige gedichten zijn – afgezien van het vijfde
    – waarin geen sprake is van een eerste persoon enkelvoud of meervoud, van waaruit Tellegen gewoonlijk schrijft.

    Ook in deze bundel is de ambivalente relatie van de lyrische ik met God aanwezig, met de eeuwige twijfel over Diens bestaan. En mocht Hij bestaan, dient Hij dan bevochten of getroost te worden? Daarover lijkt Tellegen zelf nog geen duidelijkheid te hebben, maar zijn worsteling daarmee levert wel de mooiste gedichten op. De gedichten over de dood zijn eveneens prachtig:

    Verborgen in het struikgewas
    Verborgen in het struikgewas – oude man die ik ben –
    zie ik de dood:
    hij is naakt, hij stapt in het water, het is een warme dag
    heeft hij vandaag niets te doen?
    ik weet wel iemand…
    hij zwemt,
    mooi monster,
    vriend die geen vriend is
    ik sluip weg voor hij me ziet –
    alsof hij me ooit ook maar één tel uit het oog verliest…

    Tellegen brengt in Langs de helling bij elkaar wat zijn poëzie kenmerkt: het eenvoudige taalgebruik, de simpele voorstelling zoals een kind die zou maken, het tikje humor, de speelsheid, maar ook de kracht van zijn goedgekozen metaforen die de gedichten diepte schenken. Achter de directe waarneming gaat een onvermoede diepere betekenis schuil. Deze kwaliteiten maken Langs de helling een typische én een unieke Tellegen.

     

     

  • Het intellectuele streven krijgt nederig tintje

    Reeds voorbij het midden van zijn leven voelde T.S. Eliot een sterke behoefte met iets troostrijks voor de dag te komen. Zoals het Beethoven met zijn late strijkwartetten was gelukt: iets te creëren wat vreugde brengt en rechtvaardiging voor het bestaan. Met dát in zijn achterhoofd componeerde Eliot zijn beroemde Four quartets, die door Paul Claes voor uitgeverij Koppernik zijn vertaald als Vier kwartetten. Met deze vier, als muziekstukken opgezette, langere gedichten won de tot Brits onderdaan genaturaliseerde Amerikaanse dichter-essayist in 1948 de Nobelprijs voor literatuur. Zelf rekende Eliot ze ook tot hoogtepunt van zijn dichterlijk oeuvre dat met onder meer Prufrock and Other Observations (1917) en The Waste Land (1923) beroemde modernistische klassiekers bevatte. Dichtwerken ook die de nodige bagage bij het lezerspubliek veronderstellen. 

    Sinds zijn bekering tot de Anglicaanse Kerk in 1927 zette Eliot niet langer exclusief in op de ondergang van de moderne cultuur en zocht hij niet langer verlossing in het culturele verleden. Wat Eliot met zijn Vier kwartetten voor ogen stond was de mogelijkheden te onderzoeken om door middel van kunst en spiritualiteit troost te bieden. De in zijn vroegere, modernistische werk toegepaste pastiche en formele experimenten maakten plaats voor filosofie en logica met een bijbehorend nieuw taalbewustzijn dat klanken en de zinnelijkheid van taal benut om muzikale, dramatische vormen te creëren. De lezer van de Vier Kwartetten wordt als het ware uitgenodigd zich in de beelden te herkennen. Om eleganter uit te pakken heeft Eliot gezocht naar een balans tussen het intellectuele, esthetische en het emotionele. Zijn pogingen hiertoe worden hier en daar door hem zelf becommentarieerd. Het intellectuele streven krijgt zodoende een nederig tintje en tegelijkertijd accentueert het de stem van de dichter. Ofschoon tussen 1935 en 1942 geschreven en aanvankelijk afzonderlijk gepubliceerd, zijn de vier gedichten in 1943 voor het eerst gezamenlijk als Four Quartets in boekvorm uitgegeven. 

    Meditaties over tijd

    Het begrip ‘tijd’ komt in deze gedichten, zo berekende Paul Claes, zo’n keer of vijfenzeventig voor. In ieder kwartet wordt het begrip echter op een andere wijze aangevlogen. Ze kunnen als vier meditaties over de tijd worden beschouwd. Aan ieder kwartet ligt een andere herinnering of ervaring ten grondslag. Centraal in de Vier kwartetten staat het conflict tussen individuele sterfelijkheid en het eindeloze komen en gaan van het menselijk bestaan. Om de spanning tussen beide voelbaar te maken, concentreert elk kwartet zich op een specifieke locatie met een onderscheidende betekenis voor zowel Eliots leven, als voor de hele menselijke geschiedenis. De titels zijn vernoemingen naar de vier plaatsen: Burnt Norton, East Coker, The Dry Salvages en Little Gidding. Vanuit iedere locatie wordt een reeks ideeën over spiritualiteit en betekenisvolle ervaringen gelanceerd, op een zodanig objectieve wijze dat de lezer zich erin kan herkennen.

    Gedurende de tijd dat Eliot zijn Vier kwartetten schreef, brak de Tweede Wereldoorlog uit en die eiste zijn plaats op in dit werk. Claes biedt in zijn commentaar achterin een mis-niks-route die de controlfreak langs ieder literair-filosofisch, cultureel-historisch detail van de vier kwartetten leidt. Terecht is deze toelichting gescheiden gehouden van het poëem zelf. Want die is zonder ook goed genietbaar. Waarmee niet gezegd is dat al die verwijzingen en toespelingen slechts een laagje vernis zouden vormen, integendeel: de traditie van waaruit Eliot heeft gepikt, zit als een vloerverwarming onder het gedicht. De lezer voelt er de warmte van, maar hoeft de leidingen niet te zien. 

    Citeerbare zinnen

    Eliot ontleent zijn inspiratie aan de Bijbel, Augustinus, Dante, Johannes van het Kruis, Milton, Keats, Mallarmé, Baudelaire en Yeats. Zijn poëzie staat voor helderheid en nauwkeurigheid van uitdrukking en kent een uitgebalanceerde technische opbouw van het gedicht in zijn totaliteit. Behalve rijk aan traditie zijn de gedichten ook rijk aan aforismen. De beroemdste daarvan is ongetwijfeld de eerste gecombineerd met de laatste regel van Burnt Norton: ‘In my beginning is my end’ respectievelijk, ‘In my end is my beginning’. Uiterst citeerbare zinnen uit deze kwartetten zijn onder andere: ‘Home is where one starts from’ (‘Thuis is de plek van waaruit we vertrekken’). ‘Only through time time is conquered’ (‘Enkel door toedoen van de tijd wordt de tijd overwonnen.’). Om die overwinning is het de Vier kwartetten uiteindelijk te doen. Prachtig hoe deze beide citaten in het laatste kwartet Little Gidding weer opgepakt worden: 

    ‘Wat wij het begin noemen is vaak het einde
     En een einde maken is een begin maken.
     Het einde is ons vertrekpunt. En elke uitspraak
     En elke zin die juist klinkt (waarin elk woord zich thuis voelt,
     Zijn plaats inneemt om de andere woorden te ondersteunen,
     Een woord dat niet bedeesd en niet opdringerig is,
     Een ongedwongen omgang tussen oud en nieuw,
    (…)
    En aan het eind van onze zoektocht
    Komen we aan waar we zijn vertrokken
    En zien de plek voor het eerst.’

    Universele beleving

    De structuur van herhalende terugkeer van thema’s en frases, en termen als ‘einde’ en ‘begin’ in minieme variaties doorontwikkeld – zo kenmerkend voor dit gedicht én voor een strijkkwartet – dat alles krijgt de cadans van de circulaire tijd. Zo min als verleden, heden en toekomst gescheiden kunnen worden, kunnen de woorden dat die gebruikt worden om die begrippen te beschrijven. Zonder zijn toevlucht te nemen tot excentrieke, vervreemdende woordcombinaties, kiest Eliot voor de onopgesmukte ernst van termen als ‘verleden’ en ‘heden’ om zijn punt te maken. Uiteindelijk bereikt hij ermee dat zijn gedicht de individuele herinnering ontstijgt, en een meer universele beleving wordt, een herinnering van een gehele cultuur.

    Paul Claes presenteert de lezer een vertaling die recht doet aan het ritme en de diverse, gevarieerde rijmschema’s, dat geeft een Nederlands equivalent van Four Quartets. Het erkent de verdiepende kracht die ritme en melodie uitoefenen op de betekenis van een zin. Zijn vertaling maakt je bewust van de structuren van rijm en ritme die onder dit gedicht liggen. Het origineel is ernaast afgedrukt en niet enkel om te negeren. Ook heeft hij een knappe prestatie geleverd met zijn verklarende toelichtingen achterin waarmee hij de zoekende lezer houvast geeft.

    Een doorlopend verhaal met een kop en een staart krijgt de lezer van Eliot niet gepresenteerd, noch de conclusie van een afgeronde boodschap. Verontrustende wanhoop gaat over in berustende hoop: ‘Wij sterven met de stervenden; / Zie hoe zij heengaan en wij met hen. / Wij worden met de doden geboren; / Zie hoe zij terugkeren en ons meevoeren.’ De sprankjes hoop komen vanzelf bij esthetisch bevredigende zinnen als: ‘Wij zijn alleen nog niet verslagen / Omdat wij zijn blijven proberen.’
    De Vier kwartetten zullen keer op keer gelezen moeten worden om het gedicht uiteindelijk een ervaring van waarheid en schoonheid te laten worden. De lezer die aan het einde gekomen, terugkeert naar het begin van het gedicht, zal het opnieuw kunnen ervaren als was het de eerste keer.     

     

     

  • Dichter bij de dichter

    De tweede bundel van Lamia Makaddam heet Vrijetijdsgedichten omdat de gedichten erin geschreven zijn in haar vrije momenten, ‘[…] de schaarse minuten en uren die ik op het toilet en in bad doorbreng, of als ik eet, loop en slaap.’ De bundel is opgedragen aan haar zonen, die zeiden dat ze haar nooit zagen schrijven en zich afvroegen wanneer ze dat dan wel had gedaan. Het combineren van huishouden, moederschap en schrijverschap is een opgave, zoals Annie M.G. Schmidt al aangaf in haar ironische gedicht Moeder dicht. Veel vrouwelijke auteurs schreven alleen als ze de kans kregen, tussen de soep en de aardappelen door. Geen wonder dat Agatha Christie zei dat ze om te schrijven alleen een tafel nodig had, en het maakte niet uit waar die stond.

    Lamia Makaddam schrijft haar versregels tussen het schoonmaken van de koelkast en het boodschappen doen door. (‘Uiteindelijk is het schoonmaken gestopt uit woede en het schrijven doorgegaan uit liefde.’) Daarom misschien zijn haar zinnen zo onopgesmukt geschreven in korte en langere prozagedichten als bladzijden in een dagboek, tekstblokken waarin haar observaties verbonden worden met haar gedachten. Die gedachten dwalen noodgedwongen vaak af van dichten, omdat de alledaagse werkelijkheid zich weer opdringt, waarmee de dichter zich moet zien te verzoenen: de tuin moet verzorgd, er moet gewerkt worden als tolk voor politie en vreemdelingendienst.

    Chaos van het dagelijks leven

    De gedichten zijn fragmentarisch en bieden een inkijkje in de chaos van het dagelijkse leven, dat immers ook niet rechtlijnig en ononderbroken verloopt. Zo waaieren de onderwerpen van de gedichten eveneens alle kanten uit: herinneringen aan het verleden, bespiegelingen over taal, over zintuigen, waarbij vooral de ogen een grote rol spelen:

    ‘Ik wilde de bode van de rechtbank naar haar ogen vragen terwijl ze mijn
    naam opschreef. Ik wilde haar vragen of ze net als ik leed aan glaucoom.
    Blauw water. Of wit. Water krijgt pas kleur, smaak en geur als het zich
    in je ogen nestelt. Ik zie met de ogen van een ziende, en ik denk met
    de mentaliteit van een blinde en met zijn verlangen om de mensheid te
    ontlopen.
    […]
    De bode zit achter een van de hoge bureaus in de rechtbank van Den
    Haag. Ze schrijft mijn naam op en zegt dat ik hem niet hoef te spellen.
    Wij zijn de club van de uitgedoofde ogen, wij onthouden namen.’

    Menselijk leed

    Er is in de gedichten vaak sprake van kijken, blind zijn, ogen verliezen en ogen sluiten. Dat is niet verwonderlijk bij een dichter die misschien in haar persoonlijk leven, maar zeker door haar werk als tolk zo veel gezien heeft op het gebied van menselijk leed. Soms is het motief ‘zicht’ metaforisch bedoeld als een beeld van iets dat niet gezien werd of niet gezien mocht worden, maar Makaddam brengt dat beeld heel direct terug tot de naakte werkelijkheid door het voor te stellen alsof de gebeurtenis letterlijk heeft plaatsgevonden: dat je een oog kwijtraakt en het moet zoeken in de menigte van mensen. Ze verstaat de kunst om heen en weer te schakelen tussen verbeelding en waarneming. Het onderscheid daartussen is heel klein in deze gedichten. Wat de ogen hebben waargenomen, wordt door de dichter omgezet in taal. Taal, woorden en boeken zijn middelen die haar troosten en verzoenen met de alledaagsheid en de eenzaamheid.

    ‘[…]
    Dit boek is geschreven in afwachting van de terugkeer van onze
    dierbaren. Het kan niet anders dan dat hiervóór veel boeken zijn
    geschreven met dezelfde reden. Loopt wachten uiteindelijk altijd uit
    op een boek? Verhoogt dat het belang van boeken, of vermindert het
    de waarde juist? Worden boeken geschreven om de tijd te doden, zoals
    iemand die besluit een kleed te weven in afwachting van de terugkeer
    van haar man uit de diaspora, of iemand die tarwe zaait in afwachting
    van de terugkeer van zijn zoon uit de oorlog?
    Schrijven zal nooit tot het niveau van het leven stijgen en de tijd die het
    kost om een zin te schrijven duurt jaren langer dan de zin zelf.
    Als we de tijd van de woorden, de letters en de punten in dit boek
    zouden verzamelen, dan zouden we zien dat dit een vreemd boek is,
    ontstaan in twee maanden, terwijl het schrijven ervan duizenden jaren
    heeft geduurd.’

    Hoewel Makaddam, geboren in Tunesië, de Nederlandse taal zo goed beheerst dat ze zowel Jij zegt het van Connie Palmen als Malva van Hagar Peeters in het Arabisch vertaald heeft, schrijft ze haar gedichten in het Arabisch, haar moedertaal; voor het schrijven van hoogstpersoonlijke gedichten is dit een voor de hand liggende keuze. Haar eerste bundel Je zult me vinden in elk woord dat ik schrijf, werd vertaald door Abdelkader Benali. De bundel Vrijetijdsgedichten, is vertaald door Djûke Poppinga. Beide vertalers zijn er wonderwel in geslaagd om de overgang van gedachten en herinneringen zo soepel te laten overgaan in de realiteit van iedere dag, zoals de dichter zelf ook doet.

    Weerspiegeling van een gedachtestroom

    De gedichten hebben geen titel, zijn niet onderverdeeld in afdelingen. Ze wekken de indruk dat ze inderdaad zó in één keer opgeschreven zijn, als weerspiegeling van een gedachtestroom, zonder doorhalingen of verbeteringen. Het zijn boeiende gedichten, omdat ze zo direct aanspreken en een andere, nieuwe kijk bieden op alledaagse dingen. De verrassende beelden die Makaddam gebruikt, laten een indruk achter die niet gemakkelijk vergeten wordt. Ze verdiepen wat op het eerste gezicht oppervlakkig lijkt en verbinden de dichter met de lezer: wat strikt persoonlijk leek, wordt toegankelijk gemaakt. Het zijn ontroerende gedichten, waarin grote woorden niet nodig zijn om over te brengen wat de gedachten en de gevoelens zijn die erachter schuilgaan. Makaddam weet de meest ingewikkelde zaken in een paar zinnen terug te brengen tot de kern, tot dat waar het voor haar allemaal om draait: ogen en kijken, taal en gedichten, dood en leven.

    ‘”[…] Waarom verwart u de boeken met elkaar, de werkelijkheid
    met poëzie?”
    “Omdat ik mijn hand heb uitgestoken naar de leegte en de leegte haar
    heeft vastgepakt.Ik heb mijn voet neergezet op het begin van de weg
    en die heeft me in zijn armen gesloten. ik heb op de schappen naar een
    boek gezocht en heb er duizenden gevonden.
    Ik zal niet blind worden, hoe blind ik ook zal worden.’”

     

     

  • Twijfel aan de werkelijkheid van het werkelijke

    In het najaar van 2022 verscheen De hartvinger van Paul Demets, sluitstuk van een trilogie waarvan de eerdere delen het jaar daarvoor zijn uitgebracht bij dezelfde uitgever. Een bundel die in meerdere opzichten niet op zichzelf staat. De Vlaamse dichter heeft zich laten inspireren door de schilderijen van stadsgenoot Raoul De Keyser; beiden op hun beurt weer door de Franse filosoof Jacques Derrida. Pas in het vrij uitvoerige nawoord geeft de dichter uitleg daarover. Wellicht was de bundel toegankelijker geweest als die uitleg voorin had gestaan. Voor het overige is de opbouw zeer overzichtelijk. De in totaal negenenveertig gedichten – alle zonder titel – zijn verdeeld over zeven cycli van gelijke lengte. Daarvan hebben alleen het eerste en het laatste onderdeel geen verwijzingen naar specifieke schilderijen. Alle andere gedichten wel. Niet verweven in de tekst, maar onderaan vermeld als in de catalogus van een tentoonstelling, zakelijk bijna; naam, jaartal, vindplaats.
    Sowieso verdient het aanbeveling een en ander van De Keysers werk op te zoeken op internet. Zijn schilderijen zijn niet de obligate kunstwerken die dankzij allerhande beelddragers – van kalender tot koektrommel, van paraplu tot schooletui – bij een groot publiek bekend zijn. Al helemaal niet bij mensen die naar eigen zeggen ‘niets met kunst hebben’.

    Ruimte tussen woord en beeld

    Wie bekend is met begrippen als deconstructivisme, postmodernisme, semiotiek, weet enigszins in welke hoek hij het zoeken moet. Wie die termen niet kent, komt met een natuurlijke basishouding van ‘ik snap het niet’ echter ook een heel eind. Want dat is waar het – kort door de bocht – om draait: dat wat ons ontsnapt, juist als wij – waarnemer, kijker, lezer – denken het te pakken te hebben.

    Alles wat wij waarnemen, benoemen, menen te begrijpen is wat het is, en tegelijk toch ook niet. Tenminste niet zo definitief als wij doorgaans aannemen. Een stoel is volgens Derrida enkel een stoel in vergelijking met andere voorwerpen waarop je níet kunt zitten. Veel hangt af – en Demets en De Keyser volgen hem daarin – van de context, van wat zich rondom het woord, rondom het ding afspeelt. Het enige dat wel onthouden moet worden, en waarvan Demets nadrukkelijk melding maakt op de achterflap, is ‘parergon’, het begrip waarmee Derrida de ruimte tussen woord en beeld aanduidt. Over die ruimte – die gerust kan worden opgevat als vrije ruimte, speelruimte – gaat het in deze gedichten, alsook in de doeken van De Keyser. Noch de dichter, noch de schilder laat zich wat dat betreft dwingen tot een vastomlijnde eenduidigheid.

    ‘Als iemand me zei dat die lijn de krijtlijn op het voetbalveld was, dan zei ik dat het iets anders was. Als iemand me zei dat het iets anders was, zei ik: het is de krijtlijn op het voetbalveld. Het is hetzelfde en het is niet hetzelfde.’ Zo omschrijft De Keyser zelf die notie van vrije ruimte. In de laatste cyclus van de bundel, waarin Demets meermaals verwijst naar de Twin Towers en Guantanamo Bay, staat het zo:

    ‘Als ik een schilderij aanval, dan is dat de vrijheid die ik neem.’

     Er is verf.
     Ze zal over de dingen strijken.

     Oog voor het accident.
     Onophoudelijk toont de televisie.
     Wij allen zijn getuigen.

     De werkelijkheid wijkt terug
     achter het verschijnen.
     Hier kan geen zonlicht bij.

     We worden gedicteerd.
     ‘Er zijn meerdere einden.’
     We kunnen niet zelf beslissen.

    Een kaal verslag van een gebeurtenis die bij velen nog vers op het netvlies staat en weinig aan de verbeelding overlaat. Tegelijk is niets wat het lijkt in dit gedicht en wordt de lezer op uiterst verwarrende wijze in het ongewisse gelaten omtrent de vraag of wij nu wel of niet vrij zijn, of wij nu wel of niet invloed hebben op deze werkelijkheid, en in hoeverre wij dader zijn of slechts passieve getuigen van wat wij waarnemen.

    Hoeveel ruimte, hoeveel vrijheid, en waartoe?

    Dergelijke vragen worden in meerdere gedichten gesteld, in uiteenlopende bewoordingen en telkens ook anders van toon en emotie. Zoals bijvoorbeeld in de zesde cyclus:

    ‘We moeten recht doen aan het verschil.
     Maar wie is hier wie? Wat is wat?

     Glaasje Sancerre?

     Elk woord is een supplement van het argument,
     aldus Jacques.’

    Welbeschouwd speelt veel – en idealiter zo veel mogelijk – van ons leven zich af in die ruimte tussen woord en beeld; tussen wat vastligt en wat mogelijk ook anders kan. Wat zou er anders te hopen en te dromen overblijven? Vooral waar het leven schier onleefbaar is en de mens nood heeft aan alternatieven, een visioen dat het mogelijk ook anders kan. Misschien, ooit.

    Daarmee is de door Derrida opgeworpen notie van het ‘parergon’ geen academische kwestie meer, en gaat het bij lange na niet enkel over taal, kunst, woord en beeld. Zonder die ruimte zouden wij als eendimensionale wezens met onszelf samenvallen; punten zonder lijnen die ergens heen gaan. Er zou geen fantasie zijn, geen gedroom, geen hoop op transformatie. Die ruimte hebben we nodig om van de ene vorm van zijn naar de andere te geraken. Zo niet, dan zijn we gedoemd aan de lopende band van een volledig voorgeprogrammeerd leven te staan, als personages uit George Orwells 1984, of erger. Terwijl veel in deze gedichten juist gaat over transformatie, over wèl groeien, wèl veranderen, wèl mens zijn met huid en haar.

    Ouderwets hoffelijk

    Er zijn nogal wat gedichten geschreven over kunstenaars en kunstwerken. Auden over Brueghel, Shelley over Da Vinci, Plath over De Chirico, Ginzberg over Cézanne. In alle gevallen met enige, of een behoorlijke afstand tussen gedicht en kunstwerk. Zelden waren dichter en kunstenaar tijdgenoten van elkaar. Nog zeldzamer zijn de gevallen waarbij ze elkaar hebben gekend.

    Paul Demets en Raoul De Keyser kenden elkaar wel. Zelfs hadden zij vanaf hun eerste ontmoeting in 2000 in de bibliotheek van Deinze – hun beider geboortestad – regelmatig contact. Een naar vriendschap neigende omgang die Demets liefdevol beschrijft in het uitgebreide nawoord. Waarom aan deze ontmoetingen in 2005 – het jaar dat het manuscript van De hartvinger werd voltooid – een einde kwam, wordt niet vermeld. Helaas, zou men haast denken. Aangestoken door de serene integriteit van deze vriendschap, is dat woord echter niet op z’n plaats.
    Het past hier om te accepteren en te respecteren dat Demets zelf bepaalt wat hij erover kwijt wil. Zoals De Keyser op zijn beurt bepaalde wat hij wel en niet met de dichter wenste te delen als het ging om zijn werk. Daarmee ademt het relaas van deze vriendschap – en vermoedelijk ook de vriendschap zelf – een aangenaam soort hoffelijkheid die heden ten dage zeldzaam is en die daardoor ietwat ouderwets overkomt, maar juist daarom niet minder charmant.

    Zonder veel van de persoonlijke kanten van deze vriendschap prijs te geven, heeft Demets wel de essentie weten te destilleren van wat hen beiden bewoog en dreef in hun kunstenaarschap. Wat met Derrida in het achterhoofd – het eeuwige getwijfel, het nooit zeker weten, achter elke verwijzing weer een volgend raadsel moeten ontdekken – bepaald geen sinecure is. Dat geeft aan hun beider werk een zuiverheid die krachtig is en tegelijk ontwapenend kwetsbaar. Alsof gedicht en schilderij tezamen het product zijn van een intiem, symbiotisch proces. Vooral daar waar het gedicht is gecomponeerd rond een citaat van de schilder. Zoals bijvoorbeeld het zesde gedicht uit de laatste cyclus.

    ‘Ik heb wel vaker dingen overgeschilderd.’

     De huid, de dichtheid.
     De trilling, de hapering.
     De textuur die vertakt.
     Willen schenden.
     Het licht uit balans gebrachte evenwicht.

     Woordresten, listig, mij te vlug af.
     Spreken over wat zou kunnen zijn
     met iemand die er niet is. Het
     roerend eens zijn met die iemand.

     Daartussen: vogelgekwetter.

     

    Raoul De Kyser (1930-2012)

     

  • Voortrazende realiteit

    In de verontrustende en duistere tijden waarin we leven is de blik van de dichter van grote waarde. Niet door het opgeheven vingertje, maar door een confronterende verbeelding die de actualiteit scheef trekt als de rechte lijn van de werkelijkheid niet meer voldoet. Zo ook in de bundel Het gelijk van honderd tegelijk zingende bossen van Pieter Boskma. De kloeke uitgave bevat 153 pagina’s met een indringende serie verzen over onze ‘condition humaine’. Verzen die in een nauwelijks bij te houden tempo aan ons voorbijtrekken:

    ‘Al lijken de dagen van het bloedvergieten ver,
    achter elke boom wordt een vlindermes geslepen.
    Het zwarte boek van oorlog wordt maar zelden
    dichtgeslagen, altijd steekt wel een vinger

    tussen de pagina’s van een vaderlandse nederlaag
    die gewroken moet. Wellust en wanenstrijd, bepaald
    geen feestje voor de kalmte, waar bleef de reddende engel
    in zijn boerenbont, genderneutraal profeetgewaad?’

    Barokke kwatrijnen

    Boskma is een verhalende dichter die de uitbundigheid en overdrijving niet schuwt. In zijn regels is duidelijk de ziel van de – mede door hem opgerichte – dichtersgroep Maximalen te herkennen. Deze club zette zich eind jaren tachtig af tegen het minimalisme in de dichtkunst; het ‘figuurzagen van fletse stillevens’ werd door hen de grond in geboord door een luidruchtige en overdadige poëzie, waarin de werkelijkheid in vele vormen en associaties de wereld in werd geslingerd.

    Dat is Boskma niet verleerd. In zijn barokke kwatrijnen ligt het absurdisme, vermengd met een bijtende ironie, overal op de loer. De zogenaamde verteller bevindt zich in de vrije natuur en al wandelend door het bos leegt hij zijn hoofd in een onafgebroken gedachtestroom. Alles komt voorbij in de meest uitzinnige samenstellingen: pornotheken, eigennestbevuilers, MeToo’tjes, deepfake, kadaverknagers, mengbloedkroost, broeikasmolochs, voetvolkgejodel. Met zijn ratelende zinnen neemt de dichter de samenleving op de korrel. Zwartgallig en lichtvoetig tegelijk, de voorgehouden spiegel is confronterend, maar de ingebakken humor maakt deze gedichten meer dan draaglijk.

    Cynische oaseberichten

    De kwatrijnenreeksen staan onder de titel ‘Oaseberichten’ door de bundel verspreid. Dat is cynisch bedoeld, helemaal in de stijl van Boskma’s dichtwerk. Deze verzen benoemen als boodschappen uit onze gemeenschappelijke oase, ons collectieve toevluchtsoord waar rust en regelmaat zouden moeten heersen, is een contrast dat de lezer in eerste instantie op een verkeerd been deze bundel in trekt:

    ‘Schaarser de lichtbrengers, dazer de zwartkijkers
    en de azijnpissers over de kinderbloed drinkende,
    elk wezen met een opening verkrachtende elite
    in de kronkelkrochten van de algoritmefuik.

    Ja, lieve kinderen, zo was het ooit in de wereld,
    schrik maar niet te hard want die tijden hebben we gehad.
    Heden lepelen dichtersvorsten dikke ballen uit de soep,
    van vleesvervangers hoor, de carnivoor is uitgestorven –’

    Dode schrijversvrienden

    Het voortrazende tempo waarmee de dichter zijn licht op de realiteit laat schijnen, wordt op een aantal plekken onderbroken door een gedicht onder de verzamelnaam ‘Intermezzo van de dood’. Hier worden de schrijversvrienden van Boskma geëerd die in de afgelopen jaren zijn overleden. De bijzondere in memoriams vormen een subliem rustpunt in de hectische wereld die in de Oaseberichten wordt beschreven. Het is een constructie die de samenstelling van deze bundel tot een hoogtepunt maakt.

    In het vierdelige vers voor Joost Zwagerman is de verontwaardiging over diens zelfmoord voelbaar: ‘Je verdiepte je hardnekkig in de zelfgezochte dood,/ dat houdt niemand vol. Het einde gaat dan wenken/ als een wit verlichte vriend die je de stilte in zal leiden./ Wie te vaak denkt aan eigen hand gaat door eigen hand.’

    Ter nagedachtenis aan de in 2021 overleden dichter Hafid Bouazza volstaat een uitgebreid kroeggesprek waarin vooral het geheugen van de beide dichters het laat afweten. De conversatie is hoorbaar gedrenkt in alcohol en vol wederzijdse misvattingen.

    Het sluitstuk van de bundel is een in memoriam voor Remco Campert onder de noemer ‘Epiloog van de dood’. Boskma vermengt een aantal bijzondere kenmerken van de overleden dichter met frasen uit diens poëzie. Het resultaat is een wonderschoon en intiem naschrift dat recht doet aan Campert en tegelijkertijd deze bundel op een monumentale manier afsluit:

    ‘Dichter

    Een sprietje gras dat door een stoeprand breekt,
    ongezien vertrapt door velen, maar de enkeling
    leunt op zijn wandelstok voorover,

    ziet de wilde manen van verschoten kameraden
    recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
    een volmaakt bevrijde dinsdagmiddag in april,

    en voelt de tijger in hem altijd nog de klauwen uitslaan
    naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld
    vliegen kan, en man en muis de profetie beamen:

    “Dichter? Dichter gaat niet dood.”

    Misschien omdat hij al die jaren nauwelijks verouderd is
    en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen,
    misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet,

    opdat altijd weer langs het lange smalle water,
    altijd weer in ontketend lentemiddaglicht,
    altijd weer zijn rimpelloze zang weerklinken zal,

    en dat die altijd maar, oh
    dat die voor altijd… En hij richt zich
    langzaam op en loopt vlug weer door.’

     

     

  • Een genre-experiment in verbluffend mooie zinnen

    Wulk is volgens Myrte Leffring (1973) een ‘niet eerder getoond genre-experiment’. Het experiment betreft een complementair tweeluik, bestaande uit een roman (proza) en een bundel gedichten. In de roman wisselen de hoofdstukken die spelen in 1996 af met de hoofdstukken die spelen in 2016. In 1996 zijn de zussen Lea en Kim op vakantie in Normandië, waar iets vreselijks gebeurt met hun moeder. Dat vreselijke voel je als lezer al vanaf de eerste dag aankomen, maar je weet niet wat. De roman is in de tegenwoordige tijd gesteld en daarin spreekt Lea haar zes jaar jongere zus Kim aan. In de hoofdstukken die spelen in 2016 zoekt Kim per telefoon contact met Lea. Ze hebben elkaar meer dan vijftien jaar niet gesproken. Deze teksten zijn geschreven in de verleden tijd en ook vanuit het perspectief van Lea. 

    Daarbij is er een bundel met gedichten. De gedichten corresponderen met de hoofdstukken uit het prozaboek, zowel die uit 1996 als die uit 2016. Leffring gebruikt bij iedere prozatekst en het complementaire gedicht hetzelfde motto. Achterin de boeken schijft ze: ‘Zo kunnen de romanhoofdstukken en de gedichten in hun onderlinge samenhang worden gelezen en geïnterpreteerd.’ De lezer wordt dus uitgenodigd tot een vergelijking van beide genres. 

    Eerst proza dan het gedicht

    We beginnen met de roman. Romanfiguur Lea houdt een schrift bij waarin ze regels noteert, regels ‘die zo waar en zo beeldend zijn dat je ze op geen enkele andere manier zou kunnen verwoorden.’ Daarna wordt het eerste gedicht gelezen en zo ging het door,  eerst een romanhoofdstuk lezen en daarna het corresponderende gedicht. Deze leeswijze bepaalt voor een deel de waardering voor dit genre-experiment. Want wat als eerst de gedichten werden gelezen en daarna het proza? 

    Het verhaal van de twee zussen en de moeder is door de afwisseling tussen 1996 en 2016 niets minder dan suspense. Wat is er in 1996 precies gebeurd. Waardoor zijn de zussen van elkaar verwijderd in de loop der tijd. Wat is er met hun moeder aan de hand. Je vermoedt van alles, maar als een volleerd detectiveschrijver houdt Leffring de kaarten tegen de borst. Hoofdstuk na hoofdstuk ontstaat een volledig beeld van wat er heeft plaats gevonden. De zussen zijn zeer nauw bij elkaar betrokken en aan elkaar overgeleverd. Lea droomt dat ze een Wulk is, een schelpdier. Haar zus Kim maakt in de schelp een gaatje, haalt er een kettinkje doorheen en hangt het om haar hals, zodat hun hartenklop één wordt. Lea voelt zich verantwoordelijk voor haar Kim. Ze worden verwaarloosd door hun moeder en strijden bij haar om aandacht. Vader Erik en diens nieuwe vriendin spelen een ondergeschikte rol. Het is een aangrijpend verhaal over zusterliefde, inclusief haat en strijd en mimetische elementen. Lea verwijt haar moeder dat ze hun leven niet ontraadselt en ontrafelt, zoals een echte moeder doet. Ze is dan ook lange tijd onwetend van wat er met haar moeder aan de hand is.

    Poëzie als samenvatting

    De prozastukken die in 2016 spelen beginnen met een poging van Kim om contact met Lea op te nemen. Dat brengt bij Lea een enorme spanning teweeg. Ze is bang dat haar zus na al die jaren achter het geheim is gekomen dat Lea sinds 1996 met zich meedraagt. Als lezer zit je meteen middenin het verhaal en je wilt doorlezen. Het doorlezen werd echter onderbroken door de manier van lezen: na ieder prozahoofdstuk, het corresponderende gedicht lezen, waarmee de spanning even werd opgeschort.

    Dan komt de vraag: wat voegen die gedichten toe. Zinnen uit de prozateksten komen geheel of gedeeltelijk terug in het corresponderende gedicht. Af en toe produceert Leffring een zin in een gedicht die heel mooi, kort en bondig een paar alinea’s proza vervangt. Zo dicht ze bijvoorbeeld ‘aarzelvragen en maalgedachten tuimelen in de droogtrommel van mijn hoofd’, als verwoording van een lap prozatekst waarin Lea zich zorgen maakt en niet weet wat ze moet doen. De gedichten zijn te lezen als een soort samenvatting van de prozateksten. Wellicht heeft Leffring er meer mee bedoeld dan dat. Tijdens het lezen van het proza ontstond na een paar hoofdstukken de vraag welke regels daaruit in het corresponderende gedicht terug zouden komen. Vaak was dit niet moeilijk te raden. Of de bundel gedichten op zichzelf zou kunnen staan is achteraf niet te zeggen. Ze zijn niet meer op zichzelf te lezen nadat de prozateksten gelezen zijn. 

    Niet helemaal duidelijk is waarom de prozateksten als ondertitel ‘Vallen’ hebben en de gedichten ‘Opstaan’. Het is bepaald niet zo dat de prozateksten aangeven waar het verkeerd ging tussen de twee zussen en de gedichten hoe ze er samen uitkwamen. Die tweedeling is er niet uit te halen. Maar wat dan wel.

    Leffring hoopt dat haar boek als genre-experiment ‘breed zal worden ingezet’: als lesmateriaal op middelbare scholen, als gespreksonderwerp voor leesclubs, als uitgangspunt voor een literaire workshop in boekhandel of bibliotheek. Waar het prima voor gebruikt kan worden. Wel roept het vragen op als: Is proza zeggen en poëzie zwijgen, zoals een leerboek Nederlands van 5-havo samenvat? Dichters gebruiken ingedikte taal, zij zeggen veel met weinig woorden, maar zeggen dichters ook alles. En is wat er mist in de gedichten, te lezen in de roman.

    Een moment van reflexie

    Wat dit experiment van lezen heeft opgeleverd, is dat de gedichten een adempauze geven, een moment van reflectie tussen de spannende prozateksten in. Verder voegen de gedichten in deze tweeluik weinig toe. Ze herhalen te veel zinnen en gedachten uit de prozatekst om mijn gedachten over het verhaal op een ander niveau te brengen of over een andere boeg te gooien. Misschien was de verwachting van de poëzie te hoog. Het proza kan wel op zichzelf staan. Myrtle Leffring is begonnen als dichter en dat lees je terug in de prozateksten. Haar prozaverhaal overtuigt meteen door de heldere en soms verbluffend mooie zinnen. 

    WULK van Myrte Leffring overtuigt maar gedeeltelijk als genre-experiment, maar dat doet niets af aan de kwaliteit van het boek als geheel. Is het een genre-experiment voor Leffring zelf, heeft ze willen bepalen of ze ook proza kan schrijven? Dan is ze met lof geslaagd. Ze drukt zich in proza namelijk even adequaat uit als in poëzie. De schrijfster verwoordt een tedere en tegelijkertijd heftige relatie tussen zussen onderling en hun specifieke relatie met hun teloorgaande moeder. En dat alles in een heldere en trefzekere stijl, soms gebruik makend van de nieuwste, door jongeren gebezigde uitdrukkingen, zonder onnodige uitweidingen die de plot compliceren. Ik denk dat Leffring er in haar proza in slaagt regels te schrijven die op geen enkele andere manier verwoord hoeven te worden. Dit boek is het eerste levensvatbare prozakindje van dichter Myrte Leffring. Ze kan het. Een aangrijpend boek, dat is het.

     

     

  • Iets van toen in het nu

    Kijken met andermans ogen van Ad Zuiderent opent met een voorwoord dat bij nader inzien een gedicht in prozavorm blijkt te zijn. Het leest als een briefje op de keukentafel: kom binnen, ik ben er even niet, maar maak het je gemakkelijk. Zo uitnodigend dat de bezoeker inderdaad zijn jas ophangt en alvast een speculaasje uit de koektrommel durft te nemen. En let vooral op de rommel, schrijft de gastheer er nog bij.

    Het is hem menens, zoveel is duidelijk. Dit is geen uitnodiging voor de bühne; hier wordt geen schone schijn opgehouden. In deze bundel, in deze dichterswereld is de lezer echt welkom. De gast mag rondkijken, luisteren, er eens lekker voor gaan zitten, of mee eropuit. Want er wordt heel wat gewandeld en nog meer gefietst. Door de dichter zelf of door het fictieve personage Ligthart. Een alter-ego dat de dichter in zijn vorige bundel in het leven heeft geroepen om voor zichzelf meer ruimte te creëren; ruimte om gedachten, meningen, bevindingen uit te spreken waarvoor in gedichten niet altijd plaats is.

    De tijd, een trage sloper 

    Onduidelijk blijft of deze Ligthart, die door meerdere gedichten zijn eigen meanderende route gaat, op een of andere manier verwijst naar Jan Ligthart, de sociaal bewogen onderwijsvernieuwer die ruim een eeuw eerder al met kritische ogen keek naar het stadsleven in Amsterdam. Net als veel hervormers in die dagen sprak hij zijn oprechte zorg uit over industrialisatie en verstedelijking, en alle kwalijke effecten daarvan op mens en natuur.

    Niet alleen wordt in deze bundel opgeroepen te kijken met andermans ogen, wat uiteraard een nieuwe visie moet opleveren en dat inderdaad ook vaak doet. Tevens wordt de lezer verlokt te kijken door de sluiers van de tijd; een beetje zoals wanneer je door je wimpers kijkt. Je ziet wel wat je ziet, maar toch niet precies hetzelfde, iets minder misschien, of juist meer, maar hoe dan ook anders.

    Zo laat Zuiderent – meermaals bij monde van Ligthart – de lezer regelmatig kijken naar wat hij op zijn tochten tegenkomt. Naar de oevers langs het IJ, waar zelfs binnen het tijdsbestek van een generatie meer is veranderd dan men in een paar regels beschrijven kan.

    ‘… dat wat hijzelf
     had gezien als een beeld dat hij altijd weer kon terughalen
     steeds verder onder nieuwbouw verdween, hij dacht zichzelf
     in halflandelijkheid te hebben bewaard, maar de wateren
     waren verzameld, de Pontsteiger een oh en ah van overmaat:
     de stilte rond de stapels blanke planken en rijen schepen
     voor de binnenvaart zou hem begroeten, dacht Ligthart,
     en er lag weliswaar verderop een cruiseschip op het droge,
     maar intussen ging de zoveelste school voor voorbereidend
     vervolgonderwijs uit, vielen scholieren als hijzelf destijds,
     met z’n drieën naast elkaar, op weg naar Noord, waar een event
     op handen was, even helemaal samen met de eigen snelheid…’

    In dergelijke stream of consciousness-zinnen laat de dichter de vertrouwde wereld van meerdere generaties tegelijk zien. En tussen al die fietsers – soms letterlijk elleboog aan elleboog op die pont naar Noord gepropt – een nauwelijks te overbruggen afstand in beleving. De jongeren zijn zich maar zo zelden bewust van alles wat verandert, en van wat er reeds veranderd is; de oudere (Ad Zuiderent werd geboren in 1944) is dat des te meer. Een besef dat aan de gedichten in deze bundel een klank, een kleur van weemoed verleent. Sterker nog, vaak is die weemoed zelf de essentie, de grondtoon van het gedicht. Zichtbaar en invoelbaar door de heldere, soms bijna schrijnende contrasten die worden gebruikt: stilte tegenover lawaai, snelheid versus traagheid.

    ‘Toen wij eindelijk in beweging gekomen Claerbout
     achter ons hadden gelaten, en met Claerbout de dag
     dat hij onversneld had laten zien hoe tijd de trage maar
     besliste sloper is die met dagelijks verschuivend licht
     illusies van een duizendjarig rijk eens en voorgoed
     begoochelt tot hun tegendeel…’

    De bomen, de bladeren

    Met een dergelijke gevoeligheid voor het verstrijken van de tijd en al dat buiten zijn, al dat gefiets door stad en land, kan het niet anders of ook die andere vorm van vergankelijkheid moet worden genoemd: de cirkelgang van de natuur en de jaarlijks terugkerende processen van kiemen, groeien en bloeien, kwijnen en sterven. ‘Dat bladeren ook weer zouden vallen, / ja, dat heb je van in den beginne geweten.’

    Waar Zuiderent enerzijds – fiets aan de hand, starend over het IJ – de grotere lijnen van de geschiedenis beziet en overdenkt, telt hij anderzijds met evenveel precisie en aandacht de vogels in zijn tuin; kijkt hij naar het verkleuren van de bomen; beschrijft hij het steeds opnieuw voorbij trekken van de seizoenen. Zelfs het gedoe van de daarbij behorende werkzaamheden wordt in die beschrijving meegenomen.

    ‘Wie nu geen boomschaar, bosmaaier
     of bladhark heeft, niets van Husqvarna,
     Fiskars, Stihl, geen bijl, geen sikkel,
     wetsteen, hakblok noch kettingzaag,
     landhak of laarzenknecht, wie zelfs
     geen kruiwagen heeft, moet brieven,
     ansichtkaarten schrijven of gedichten.’

    Platanen hemel van een Franse film

    Niet alleen in Amsterdam, in Nederland, wordt het verstrijken van de tijd waargenomen en verdicht. In het derde deel van de bundel ‘Comédie-Française’ wordt zowel de geschiedenis van de mensentijd beschreven als de natuur met de elementen die voor dit gebied zo typerend zijn. Met een vanzelfsprekend gemak verweeft Zuiderent kloosters en kastelen, de oorlog en het verzet, Paul Verlaine en Nescio met drooggevallen rivieren, cipressen en de Mont Ventoux. Zodanig weet de dichter – en daaruit blijkt onmiskenbaar zijn talent – beelden met woorden te bekleden dat in de taal het beeld volledig zichtbaar en voelbaar blijft.

    ‘Door het open dak
     schijnt de platanen hemel
     van een Franse film.

     Wij zijn een slak op koers
     die afstand niet telt
     in kilometers maar in tijd.’

    Hoewel dat soepele heen en weer bewegen tussen speels en serieus tot het einde toe gehandhaafd blijft – evenals de weemoedige toon trouwens -, lijkt de uitnodiging van het begin gaandeweg te veranderen in een opdracht aan de lezer. Steeds minder wordt er dromerig tussen de wimpers door gekeken. In plaats daarvan wordt de lezer, als bij een schoolboek zo tegen het einde van het jaar met het eindexamen reeds in zicht, gemaand er nog eens stevig de pas in te zetten en meer te focussen op wat al de hele tijd het eigenlijke doel was: leren kijken met andermans ogen.

    Kijken met je oren

    Nadrukkelijker wordt er in deel vier, dat ‘Tijdslot’ heet en verwijst naar de strak georganiseerde museumbezoeken tijdens de corona-periode, en in deel vijf, dat dezelfde titel draagt als de bundel, een appèl gedaan op de zintuigen van de lezer. Tasten, proeven, horen, en kijken uiteraard. Er komen woorden voorbij als lezen, tekenen, schrijven, zelfs leren een pen vast te houden. Kunstenaars en hun kunstwerken worden met name genoemd; schilders, fotografen, dichters, musici zelfs, alsof je ook met je oren kunt kijken.

    En misschien kan dat ook wel, als je zo op waarnemen bent ingesteld. Dan is kijken niet meer een louter fysiologisch proces maar een werkelijk doordrongen raken van, besef hebben van, een ge’waar’worden. Een volkomen aanwezig zijn in en bij datgene wat je waarneemt, ongeacht de wijze waarop dat waarnemen gebeurt.

    Ongetwijfeld moet het hoe en wat daarvan de dichter al veel langer hebben bezig gehouden. Wellicht dat daarom het motto is ontleend aan een andere dichter, Fernando Pessoa. Die bij monde van zijn alter-ego Ricardo Reis zegt : ‘In ons leven tallozen; / Ik weet niet, als ik denk / Of voel, wie denkt of voelt. / Ik ben de plaats slechts waar / Gevoeld wordt of gedacht.’

     

  • Van Binsbergen viert de taal

    Toen het begrip overvloed nog geen schaduwrandje van onbehagen kende droomde menigeen over een aards paradijs waar, zonder dat men er moeite voor hoefde te doen, alles in overvloed voorhanden had. In Luilekkerland of ‘Cocagne’, zoals dit paradijselijke lustoord heette, vlogen de gebraden ganzen je in de mond. Waar dit rijk zonder schaarste precies gelegen was, kon echter niemand vertellen. Wel dat de weg erheen niet eenvoudig was. Wie het onderwerp van Luilekkerland bij de horens vat, zoals van Hannah van Binsbergen in haar dichtbundel Kokanje, heeft de mogelijkheid het via meerdere routes aan te vliegen.

    In onze tijd van – althans tot voor kort – vanzelfsprekende overvloed tegen betaalbare prijzen heeft dergelijk wensdenken zijn bekoorlijkheid verloren. Bovendien heeft haaks hierop de opvatting postgevat dat de reis ergens heen belangrijker zou zijn dan de bestemming. Om niet te spreken van het ongezonde van overvloed en het gezonde van matigheid. De flaptekst geeft alvast een schot voor de boeg: ‘In deze bundel neemt Van Binsbergen de wereldse geneugten serieus, en kiest voor behoefte en plezier. Overvloed is mogelijk, maar we moeten er wel voor vechten’. Spoiler alert: zo helder en eenduidig leest deze bundel bepaald niet!

    Gebraden ganzen

    Slechts een kleine minderheid van de vierenveertig, in lengte sterk verschillende gedichten uit deze bundel hebben een onverholen relatie met Kokanje. Tegenover aan duidelijkheid niets te wensen over latende titels als De waarheid in Luilekkerland’ en ‘Histories Kokanje, staan gedichten waarin duiding de lezer beduidend minder aanvliegt dan de gebraden ganzen hem in Luilekkerland doen. Maar ach, het is poëzie en die wint nu eenmaal meer bij meerstemmigheid dan bij enkelvoudigheid.

    De paradoxale titel Feiten over het paradijs – welke feiten en waarheden kunnen immers matchen met fictieve begrippen? – geeft misschien al aan dat we het onderwerp niet te nauw hoeven te nemen. Beter deze gedichten ‘gewoon’ lezen zonder je af te vragen of ze je nader tot Kokanje dan wel tot een sluitende interpretatie brengen. Zonder vooropgezet plan lezen zal genade mogen vinden bij de dichteres, die immers zelf bekent: ‘ik had een plan; er kwam niets van terecht.’

    Ouderwets dichterlijke taal

    De zinnen van Van Binsbergen zijn vaak zinnelijk en dartelen soms in ouderwets dichterlijke taal: ‘het langzame neerwaartse zeilen / van de bloesem dat je vorig jaar zag zul je elk jaar zoeken tot je / dood’. Dan weer marcheren ze op de schalkse toon van een levenslustige mars: ’Hef bokalen doe het gauw want achter me wordt weer gegeten / de dans gaat door’. Is Kokanje de plek waar de nectar van de taal in overvloed aanwezig is, waar het oogsten van de dichter kan beginnen? De thematiek van grenzeloze overvloed rijmt in ieder geval wel op Van Binsbergens losgaan op de registers van de taal: van archaïsch dichterlijk tot stoere slam met regels die verraderlijk goed bekken: ‘Het was de enige dag in het jaar dat de schurken / aan de feb gaan met de schalken.’ Zou dat dieet van het dubbelzinnige dan toch met Kokanje te maken hebben? Het voor de dichter noodzakelijke alfabet staat hem overal ter beschikking. 

    Meer dan een doelbewuste gang gaat het er in deze bundel vooral zwervend en dwalend aan toe. Er wordt dan ook gewaarschuwd: ‘rampspoed haast zich achter snelle lopers’. Beter dan maar ingescheept in het ‘narrenschip’, al is het hopen dat het blijft drijven. Van oudsher vervoert het narrenschip outcasts op hun dooltocht naar een onmaatschappelijke bestemming. En maatschappelijk gewantrouwd wordt een dichter maar al te gauw stelt Van Binsbergen, omdat zo iemand wordt gezien als eentje die niet echt werkt, maar iedere dag maar doorgaat met z’n leven.

    De macht van taal

    ‘Denken jullie soms dat dat makkelijk is? / Denken jullie dat dat geen werk is?’ riposteert ze. Veelzeggend is de titel Otium en de daarin vervatte boodschap: ‘ik geef u / het recht op luiheid in het wild. De wind en wij, / wij weten beter dan elkaar te vleien en de raad / die hij ons geeft is goed en meestal niet te duur.’ De dichter ziet als ideaal dat het ‘goed [zou] moeten zijn en genoeg om aan dit meer te / wonen en elke dag te werken aan het grote gedicht dat wandelen / heet.’ Het niet-weten wordt in Kokanje gekoesterd ‘Waarom, waarom is een raadsel / om je bij te staan, een daad om te verstrooien.’ Een dichter die naar de juiste woorden en beelden grijpt komt in de buurt van begrijpen: ‘Geef ons één dichter die de zee begrijpt / Of een handvol inktvissen die trachten / hem inzichtelijk te maken.’ Wat in deze bundel bovenal gevierd wordt is de macht van taal: 

    ‘jij komt binnen.
     Jij vertaalt.
     Jij verlaat ons.
     Jij begrijpt ons.
     Jij betaalt:

     we geven het door
     en zien het gebeuren:
     de grond van deze verdieping geeft ons
     plotselinge hoogtevrees.

     De voorzienigheid voorziet niet eindeloos.’

     Slak, onverbloemde reizigers
     Slak, onverbloemde reizigers

    Woorden die van de wind leven

    Taal geeft houvast, al was het maar omdat het troostrijke verbanden kan leggen in onze verbeelding: ‘al het gesprokene wordt teruggevonden in de laatste letter.’ In Dolen lezen we: ‘Laat los de boze / honden van de tekst.’ Acht gedichten verder in de reeks Gang staat: ‘de honden / luisteren niet meer naar de mensen. Het onderwerp / gaat met je op de loop: / dat je je oor op een roos / drukt wil nog niet zeggen / dat hij je toespreekt.’ Wie de teugels van de taal in handen heeft, bezit de macht van de verbeelding, en plooit die tot zijn eigen bevrijding. Zo lezen we elders: ‘Is het erger dat de bloem me opslokt / of ik vermager tot mijn streven’. In het gedicht met de mooiste titel De nacht is de ochtend van de ziel staat misschien wel de mooiste zin: ‘Het is zo ver, het voorbije / maar het is zo voorbij.’ 

    In dit rijk van de taal is de toon monter en vrijmoedig, dichterlijk en boertig op zijn tijd. De noodzaak om juist met dit thema van Kokanje voor de dag te komen, spat niet van de pagina’s af. De dichterlijke vrijmoedigheid om naast de pot te piesen des te meer. Van Binsbergen viert de taal. Laat die soms in het gareel lopen, in draf of in galop maar laat de taal hier en daar ook flink met haar zinnen aan de haal gaan. Daarin lijkt het alsof haar woorden van de wind leven en gelukkig zijn. Zelf is Van Binsbergen niet bepaald lui geweest en heeft ze zich niet beperkt tot oogsten van laaghangend fruit in de woordenbrij. Maar ze lijkt Kokanje als bestemming eigenlijk niet echt nodig te hebben omdat haar meeste gedichten ook wel blind lijken te varen. Lezer, vergeet dat je op weg bent naar Kokanje en lees de flaptekst niet als reisgids maar neem vooral mee wat je onderweg tegenkomt. ‘Dit is mijn verborgen boodschap / gratis beschikbaar voor iedereen: / de oogst is gedaan maar het veld staat nog vol / je moet pakken, volproppen je tas.’

     


     Een keer eerder kwam het voor dat twee recensenten hetzelfde boek kregen toegestuurd. Hettie Marzak en Albert Hogeweij ontvingen beiden de bundel Kokanje, en beiden bezorgden ons een bespreking. Beide recensies, al liggen de meningen niet ver uit elkaar, zijn zeer de moeite waard. Daarom werd besloten ze allebei te plaatsen. De recensie van Hettie Marzak verscheen in oktober en is hier te lezen.

  • Uiteindelijk moet je het met de dood bekopen

    Wat is een hivemind? Volgens Wikipedia is ‘hive’ een concept dat gebruikt wordt voor directe communicatie tussen de hersenen van een groep mensen. Hierdoor wordt het mogelijk om snel kennis te delen en ontstaat er zelfs een gezamenlijke intelligentie. Wanneer de techniek ertoe leidt dat de aangesloten individuen hun identiteit en vrije wil verliezen, spreekt men van een hive mind. In de debuutbundel van Maxime Garcia Diaz, Het is warm in de hivemind, wordt het aan de lezer overgelaten om te bepalen of het aangenaam warm is door de veelheid en de verbondenheid van degenen die er deel van uitmaken, of dat die warmte juist drukkend en benauwend is. 

    De bundel laat zich lezen alsof je op internet klikkend en scrollend aan het zoeken bent naar informatie: er komen in korte tijd heel veel fragmenten voorbij waarvan het waarheidsgehalte niet gemakkelijk vast te stellen is, filmpjes, meningen, discussies, plaatjes, ontboezemingen, verleidingen en verdachtmakingen. Om deze indruk te wekken maakt de dichter gebruik van diverse lettertypes, afbeeldingen, emojis, kleurstellingen in de lay-out. Ook het gebruik van uitingen in verschillende talen zoals Frans en klassiek Grieks, maar vooral Engels doen het lezen van deze gedichten lijken op een rit in een achtbaan: in een razend tempo, bijna niet om bij te houden, word je door de gedichten geleid en kom je na lezing snakkend naar adem tot stilstand. 

    Definiëring van vrouw-zijn

    Toch is deze bundel zorgvuldig samengesteld volgens een uitgesponnen thema: in drie afdelingen  – origin stories, baby-faced simulacrum en no wave – die ieder bestaan uit lange gedichten wordt ‘floor wolkenveldt’ als protagonist opgevoerd, een meisje dat op zoek is naar haar eigen identiteit en naar de definiëring van haar vrouw-zijn. De bevestiging van zichzelf zoekt zij in de wereld van de sociale media, waarbij het internet fungeert als spiegel, rolmodel en vriendin. Elke voorbijkomende hype wordt wanhopig omarmd (‘smeer je tandvlees in met kristalletjes/& trek het korset strakker’), maar niets kan de zekerheid bieden dat je nu volmaakt bent.
    Garcia Diaz schildert aan de hand van een enkel individu een verontrustende toekomst, waarin de mens perfect en maakbaar moet zijn en waar het werkelijke leven niet meer te onderscheiden is van ‘virtual reality’. Ze laat zien hoe vooral jonge meisjes zich laten beïnvloeden door de cultuur van Tiktok, Facebook en Instagram en de commentaren van anderen:

    ‘de reiniging dient zich aan
     we hebben een aard en we traceren
     haar contouren
     live through this w/me, meisje’

    Ideaalbeeld nastreven

    De dichter laat zien hoe de moderne maatschappij erin geslaagd is om jonge vrouwen en meisjes te laten twijfelen aan hun zelfbeeld en zichzelf en hun sekse te beschouwen als minderwaardig, doordat ze moeten voldoen aan een ideaalbeeld waarvan ze weten dat ze het nooit zullen belichamen, maar dat ze toch met alle middelen nastreven:

    ‘[…]
     In augustus 2017 steeg het zelfmoordcijfer onder Amerikaanse
     tienermeisjes tot het hoogste in veertig jaar (it was a queer, sultry
     summer) ongeveer vijftien Nederlandse vrouwen overlijden elk jaar
     aan anorexia
     ik zag de beste meisjes van mijn generatie
     hongerend, hysterisch, naakt

    Het cursief gedrukte citaat is van Sylvia Plath, van wie ook een foto is afgebeeld bij dit gedicht. De gedichten verwijzen niet alleen naar Plath, maar ook naar Virginia Woolf (‘er was een meisje dat haar zakken/ vulde met stenen en de rivier inliep’), Christina Rossetti, Allen Ginsberg en talloze andere dichters, schrijvers en filosofen. Garcia Diaz weet de meest uiteenlopende voorstellingen met elkaar te verbinden, van Marie Antoinette tot Disneyland, van de klassieke oudheid tot moderne popmuziek. Achter in de bundel staan verwijzingen naar de webpagina’s die refereren aan de citaten in de gedichten. 

    Een steeds terugkerend thema is het verlangen naar echtheid, naar waarachtigheid in een artificiële leefwereld waarin echt niet meer van nep te onderscheiden is. Is het daarom dat van alle afgebeelde portretten in deze bundel de ogen uitgesneden zijn? Alsof ze alleen maar naar binnen kunnen kijken en de hen omringende wereld niet meer willen zien. Tegelijk maakt het een angstaanjagende indruk, alsof het een andere kant toont van de geportretteerde vrouwen, een grimmige en duistere aard, die ook in de gedichten te bespeuren is. 

    ‘ik wil dromen dat het ochtend is
     en dat het dan ook ochtend is

     en dat de wereld geen gevaar is
     maar een zachte moederadem
     en dat ik niet bang ben
     maar gevaarlijk
     dat ik tanden heb
     dat ik bijten kan

    Uiteindelijk de dood

    Een speciale rol is voorbehouden aan Marie Antoinette in het lange gedicht Artificielle, waarvan gedeeltes onderbroken worden door een plaatje van een stuk taart (‘qu’ils mangent de la brioche’). ‘The saddest queen’ wordt beschreven zoals ze zich in Versailles bezighoudt met haar speelgoedboerderij en de draaiende theekoppen van Disneyland tot aan het moment van executie. Zij staat symbool voor alle vrouwen die zich moeten conformeren aan de heersende conventies, de normen en waarden van de maatschappij die net zo snel kunnen veranderen in hun tegendeel. Hoe je ook je best doet om je zo goed mogelijk aan te passen, het zal nooit goed genoeg zijn, omdat alles sneller verandert dan je kunt bijhouden. Uiteindelijk moet je het toch met de dood bekopen, lijken deze gedichten te zeggen. 

    ‘onderweg naar de guillotine
     voelt haar plastic lichaam geen pijn meer,
     lost op in dunne, broze nevel
     fragile magic
     de theekop
     komt langzaam tot stilstand.
     stunned silence,
     dazzled citizens

     een klein hoopje poeder
     op het schavot.

    Optimistische boodschap

    Deze bundel is zowel een feministisch manifest als een aanklacht tegen de wegwerpmaatschappij, een waarschuwing tegen de gevaren van het internet, een hekeldicht op de moderne tijd, een pessimistisch toekomstvisioen, een grimmig sprookje. Woede, vertedering en humor wisselen elkaar af. Hoe vaker je de bundel leest, hoe meer gelaagdheid er te ontdekken valt en overeenkomsten die eerder niet naar voren sprongen. De overweldigende overvloed aan informatie en het kolkende tempo maken het niet gemakkelijk, maar de tour de force die deze (debuut!)bundel is, nodigt uit om steeds opnieuw te lezen. Zeer terecht heeft deze bundel de C. Buddingh’-prijs gewonnen.

    Garcia Diaz sluit af met een optimistische, liefdevolle boodschap: als de moeder van de lyrische ik een sms’je stuurt met de waarschuwing om toch vooral haar medicatie niet te vergeten, luidt de laatste regel van het gedicht in antwoord hierop: ‘ik stuur haar HARTJE HARTJE HARTJE HARTJE’
    Er is dus hoop dat het allemaal nog goed komt.