• Kom eraan kan niet lang meer duren

    De gedichtenbundel Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is opgebouwd uit afdelingen met gelijknamige titels (en een onderdeel ‘wingewest’). Dit klinkt symbolisch, maar de titels dekken zo te zien de  lading niet helemaal. Het gedicht ‘Fukushima’ maakt deel uit van de Binnenwereld, het gedicht ‘However is a fancy but’, over de vijf meest voorkomende vormen van spijt op het sterfbed, staat in Buitenwijk, het gedicht ‘Drone 3 – afstandbestuurbare karma-agent’ is gerubriceerd onder de Natuurlijke omstandigheden.  Verrassend dus dat Bruinja ons daarmee op het verkeerde been zet. Of  is de betekenis te ver gezocht en is het in die zin alleen maar vrijblijvend? Op het omslag van de bundel een foto van een blinde, gepleisterde bakstenen muur. Voor een boekje met gedichten getiteld Binnenwereld, buitenwijk, natuurlijke omstandigheden is dat een programmatische foto. Het belooft in elk geval weinig romantiek.

    Tsead Bruinja (1974) heeft al enige tientallen publicaties op z’n naam staan, inclusief enkele bloemlezingen. Het betreft hoofdzakelijk poëzie, deels in het Fries. Zijn nieuwe werk is lichtvoetig en anekdotisch – maar begrijpelijk of toegankelijk kan het niet worden genoemd. Hij speelt soms met merkwaardige, typografische ordening, met schuine strepen en extra wit en zelfs met tekst die lichtgrijs is afgedrukt in contrast met zwarte woorden. Ongetwijfeld met een reden – maar die is niet altijd duidelijk. Maar de raadselachtigheid van sommige van zijn gedichten maakt ze niet minder poëtisch. Soms is het gewoon een mooi spel met taal zoals in het gedicht In kannen en kruiken:

    zijn we van plan zal gaan gebeuren
    komt eraan kan niet lang meer duren
    hebben we aan gedacht hadden we ons voorgenomen
    zullen we niet vergeten is bij ons in goede handen
    komen we samen uit gaan we aan werken
    kunt u ons op afrekenen is in kannen en kruiken
    (…)

    Via drones komt de techniek Bruinja’s poëzie binnen alsook verwijzingen naar werk van anderen (vintage, postmodern, van Willy Alberti tot Palinurus). De actualiteit komt aan bod ( Assad, Mark Rutte, een verwijzing naar ‘de sp-leider’), punten en komma’s ontbreken en aan neologismen geen gebrek. Grote gevoelens, doorgaans een populair poëtisch ingrediënt, zijn in Binnenwereld (!) ver te zoeken of worden van zo zakelijke context voorzien dat  voor de hand liggende emoties geen kans krijgen. Een poëtisch procedé dat de dichter meermalen toepast – en met succes – is het effect van herhaling. Bijvoorbeeld in het gedicht Echt:

    wij weten niet waar we aan beginnen als we beginnen
    verbazen ons over wat er uit de verhuisdozen komt
    willen niet weten waar we aan beginnen

    het karton bewaren we achter een kast in de gang
    uitgevouwen dieven van de nacht mogen ze meenemen
    vuilnismannen niet
    denken te menen waar we aan beginnen
    kunnen niet weten waar we mee thuiskomen
    of waar we het achterlaten

    spreken ergens te laat af het niet meer te doen
    en stoppen het te doen
    het is een druppel op een lauwwarme plaat
    die niet sist maar langzaam verdampt
    we verdwijnen tussen de randen

    je herinnert je niet alleen de mooie dingen
    je herinnert je het verkrampte gezicht de woede ziekte
    vermoeidheid het vergelen

    wij weten niet waar we aan beginnen
    moeten kiezen en kibbelen over wat er mee
    of naar de kringloop gaat
    gaan aan elkaar voorbij
    voegen gezichten toe aan de carrousel
    beginnen opnieuw

    menen het dan pas echt

    Bruinja’s gedichten zijn in woordkeus en opbouw constant afwisselend. Alsof de dichter telkens weer aan de verwachting van de lezer wil ontsnappen, alsof hij ongrijpbaar wil zijn. Anderzijds wil de dichter de lezer wel verder helpen: op zijn uitgebreide website zijn de gedichten uit deze bundel te horen en is er ook achtergrondinformatie beschikbaar, afzonderlijk per gedicht gepresenteerd.

    Sterk is Bruinja in poëtische statements, beknopt (geschikt om te twitteren). Pakkend en toch ongrijpbaar. Bijvoorbeeld:

    er is veel wat je kan
    als je niks meer kunt

    of, in het gedicht ‘Bouillon’, met een politieke ondertoon,

    nog even en ik ga de poëzie in
    om de wereld te verbeteren

    of

    nederlanders vinden zichzelf geweldig
    ik vind Nederlanders ook geweldig

    Bruinja’s gedichten zijn beslist de moeite waard om te proeven. Waarbij zich onwillekeurig het befaamde credo van Harry Mulisch aan je opdringt: ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’. Bruinja heeft zich met zijn jongste bundel uitstekend van die taak gekweten.

     

     

  • Een stromende rivier als trap

    In haar debuutbundel Trappen duikt Sebastiene Postma met een serie verhalende gedichten de Engelse poëzie en romantiek in. De veertig verzen vormen een doorlopende reeks biografische schetsen van literaire grootheden die met een haast anekdotische pennenstreek worden neergezet. Een poëtische roddelrubriek waarbij elke eerste strofe van een vers een allusie op een van de aangehaalde grootheden weergeeft. De tweede strofe vormt meestal een vrije beschouwing op de eerste en in het derde deel – een tweeregelige afsluiting – wordt getracht een conclusie te omvatten.

     

    Deze trapsgewijze opbouw van de verzen is de eerste zichtbare verwijzing naar de titel van deze bundel. Alle gedichten bevatten een aantal verwijzingen naar het begrip ’trap’, in meerdere betekenissen. Postma heeft het over opgaande en neerdalende traptreden, over de balustrade en de traploper, trapleer en ladder. Ook legt ze verbindingen met een trap als lijkbaar, graf, schop, strop of val. Op veelal raadselachtige wijze verweeft ze deze associaties in het gedicht waarin een auteur de hoofdrol speelt. Het lijkt een wat gekunstelde constructie waardoor de lezer zich vooral niet moet laten afschrikken. Hier geldt het algemene adagium van de poëzie: kleine beetjes tegelijk, niet te veel, niet te snel.

    In gedicht III wordt de tragische teloorgang van John Keats aangehaald met de beginregels:

    Zelfs toen zijn longen volledig waren
    weggerot en hij niet meer kon eten of rechtop staan,
    probeerde hij nog omhoog te kruipen.
    De huid op zijn knieën was allang vergaan.
    Wit bot schuurde over het marmer.

    De doodzieke dichter komt in Rome niet meer op krachten en sterft uiteindelijk aan tuberculose. Voor Postma is de voorstelling eenvoudig te verwerken in de telkens terugkerende trapmetafoor:

    Uiteindelijk lag Keats verslagen
    onder aan de Spaanse Trappen in Rome.
    Hij zag hoe trapbomen langs hem heen
    bogen en verder cirkelden naar boven en beneden.

    Als in een golvende zee wordt Keats door traptreden bedolven en ‘alles werd in de wervel meegesleurd’. Met de tweeregelige afmaker draait Postma het perspectief om, door te benadrukken dat Keats tot op het laatst in zijn eigen wereld leefde: ‘Die mixed metaphor daarbuiten maakte hém/ niet bang’.

    Het zijn vooral die droge vaststellingen waarmee Sebastiene Postma haar gedichten laat vibreren. Alsof ze na veel speurwerk een geheime onthulling doet, die vervolgens omgeeft met vermoedens en associaties om er tenslotte haar eigen visie op los te laten. Die persoonlijke beschouwing wordt in kleine, nuchtere regeltjes geplaatst. Als het cement tussen feiten, aannames en allusies worden die, op hun beurt, weer verpakt in mysterieuze verwijzingen naar alles wat met de trap te maken heeft. Over T. S. Eliot doet ze het volgende boekje open:

    Onbegrijpelijk toch, vind je niet,
    dat Eliot, die altijd een masker droeg, altijd speelde,
    die emotioneel niet te benaderen was
    en die zich bewust was van de gevolgen
    van elke daad die hij verrichte,
    op zijn achtenzestigste
    zich gaat gedragen alsof hij voor het eerst
    verliefd is. Niemand geloofde het.

    Waarna ze vervolgt met een beschrijving van een stromende rivier, vermomd als trap, die door het landschap kronkelt: ‘De trap is een sterke, bruine god’. In de finale wordt opnieuw de vraag gesteld hoe het nu zat met de viriele Eliot: ‘Het is een onveranderlijke, roerloze woestijn./ Niet? Kunnen we niet bloeien én verdorren?’

    Gedicht VIII begint met de simpele vaststelling ‘Sylvia Plath was ongeliefd’ en de kleine anekdote hoe Plath razend werd ’toen ze ontdekte dat een vriendin met potlood in haar boeken had geschreven’ (‘De kanttekeningen randden Plaths boeken aan’). Dan brengt Postma de trapmetafoor in met de regels ‘Sommigen kunnen hun voeten niet/ netjes op de regels van de tekst zetten/ en zo naar de laatste bladzijde klimmen’. Om tenslotte af te sluiten met de ontroerende conclusie:

    Was er maar geen witte rand.
    Was het hele vel maar gevuld.

    ‘Wat nou weer?’ begint gedicht IX, over war poet Wilfred Owen. Met de bezwering dat voor deze dichter de poëzie geen troost is, maar vooral een waarschuwing, tekent Postma het omgeploegde WOI-slagveld van bovenaf:

    Het zigzagpatroon van de trappen
    is alleen vanuit de lucht duidelijk
    waar te nemen. Het ene hoekige
    stelsel ligt achter het andere.

    Tijdens het bouwen van een drijvende brug over een kanaal wordt Owen, evenals de meeste van zijn kameraden, gedood bij een vijandelijke aanval. ‘Sommigen blijven in de modder/ nog nakronkelen als wormen.’

    Postma weet met deze petit histoires op een ontwapenende manier haar onderwerpen met een vleug persoonlijk drama te omringen. Als de presentator van een entertainmentshow komt ze doorlopend met feiten en weetjes die in één beweging haar hoofdpersoon neerzet. Ze rept onder meer over Mary Lamb die per ongeluk haar moeder vermoordt, Walt Withman die als prophet-poet ogen in zijn achterhoofd lijkt te hebben, Leigh Hunt die in de gevangenis belandt vanwege kritiek op de overheid, de overspelige vrouw van William Morris en de hoogvlieger Byron. Telkens worden deze revelaties gevolgd door een verwonderlijke samensmelting met de trap. Het stijgen tot grote hoogte en afdalen in diepe ellende. Of het nu gaat om de verbinding tussen de verdiepingen of de ondersteuning van de balustrade, de metafoor is tot het uiterste op te rekken en Postma weet daar op een verbluffende wijze poëzie van te maken.

     

     

     

     

  • Tussen engagement en lamlendigheid

    Maarten van der Graaff debuteerde in 2013 met de bundel Vluchtautogedichten, waarvoor hij in 2014 de C. Buddingh’-prijs voor beste poëziedebuut kreeg. Die prijs verdiende hij, hoe wisselvallig de bundel soms ook overkwam. Op de beste momenten liet Van der Graaff  zien dat wilde uitspattingen te combineren zijn met een grote taalbeheersing; op de mindere momenten kwam hij nogal moedwillig fragmentarisch, ontoegankelijk en excentriek over. Dat debuut maakte bovendien erg nieuwsgierig naar hoe Van der Graaff zich verder zou ontwikkelen. Toen Dood werk aangekondigd werd, gebeurde dat echter met een weinig enthousiasmerend citaat:

    Nederland, ik schrijf dit niet zomaar,
    ik zoek naar je dood en gemeenschap.
    Ik zoek naar je waarheid en haat.
    Ik schrijf gedichten, ik ben in de war.
    Ik zoek naar je lichaam,
    ik ben oppervlakkig.

    Een passage die gespeend is van elke vorm van esthetische fraaiheid. Het is een warrig stukje waarin een aantal dito gedachten naast elkaar staan; het roept meer vragen op dan dat echt iets te zeggen. Ook bij aandachtige lezing blijft onduidelijk wat Van der Graaff hier precies wil zeggen. Maar vergeleken met dat fragment valt Dood werk uiteindelijk hard mee, en is bij vlagen vrij sterk. Voor ‘mooie’, beeldrijke poëzie hoef je de bundel niet te lezen, maar de gedichten blijken heel andere kwaliteiten te hebben.

    De ‘ik’ in Dood werk lijkt  erg op Van der Graaff zelf: opgegroeid op het eiland Goeree-Overflakkee, binnen een christelijk milieu, nu ongelovig en woonachtig in Utrecht, geëngageerd, dezelfde vrienden (o.a. Frank Keizer en Hannah van Binsbergen), en zo te zien ook dezelfde boekenkast: onder meer Jack Spicer, Chris Kraus en Kirill Medvedev. Wie Van der Graaff op facebook heeft, zal de auteurs herkennen uit berichtwisselingen tussen zijn vrienden en hem. De bundel is in twee delen opgedeeld: lijstgedichten en geklokte gedichten. Wat opvalt is dat Van der Graaff minder wild is geworden, en er  een wat prozaïschere stijl op nahoudt die anekdotische elementen vertoont. De gedichten hebben vaak iets weg van de praterige ‘“I do this, I do that” poems’ van Frank O’Hara. Maar vooral de lijstgedichten doen aan Kirill Medvedev denken (de Russische dichter die vorig jaar nog een grote sensatie was in de scene rond Van der Graaff en Frank Keizer). Ook Van der Graaff zoekt het nu in vaak langgerekte lijsten van observaties, ideeën, geregeld (een deel van) een anekdote tussendoor. Er lijkt geen hiërarchie of samenhang te zijn.

    Na die eerste helft met lijstgedichten volgt de reeks ‘Geklokte gedichten’, die qua opzet en indeling aan de tweede helft van Vluchtautogedichten doet denken, de reeks ‘Vrije encylopedie’. Beide reeksen laten zich lezen als één lang gedicht en zijn ook duidelijk opgezet als een geheel. De gedichten volgen elkaar direct op en beginnen niet op een nieuwe pagina. De geklokte gedichten verschillen vaak niet zo van de lijstgedichten, op de tijdsaanduidingen na. Van der Graaff beschrijft zelf het procedé in een van de gedichten:

    Hoe maak je een geklokt gedicht? / Kijk op de klok. Noteer de tijd. // Schrijf een gedicht. / Wanneer je stopt met schrijven en even zit te lummelen / moet je daarna, wanneer je verdergaat, de tijd noteren.

    Daarna volgen verdere stappen om zo’n geklokt gedicht te schrijven en de opmerking: ‘Nu ben je een dichter. Creatief en ondernemend.’ Het slot van deze instructie doet denken aan Tristan Tzara’s beroemde ‘Hoe maak je een Dada-gedicht?’, dat eindigt met het sarcastische ‘En u zult zien, u bent een ongelooflijk origineel schrijver met feeling, hoewel miskend door het volk’ (vertaling door Sjoerd Kuyper en Peter Nijmeier). Die spot zit er ook bij Van der Graaff in, die poëzie schrijven tot een aan te leren trucje herleidt.

    Maar zo gemakkelijk ligt het uiteraard niet: Van der Graaff is een serieus dichter. Tegelijkertijd geeft hij ook toe dat hij helemaal niet zo’n verheven figuur is. De grootste charme van Dood werk schuilt mijns inziens in de kloof tussen zeer geëngageerd willen zijn en dat vervolgens niet zijn. Tussen interesses als de Hoge Cultuurvorm Poëzie en ‘[i]n wasbakken plassen.’ De verteller komt geregeld nogal lamlendig over, klaagt dat hij te veel drinkt, zich niet om zijn lichaam bekommert en al moe is als hij net wakker is geworden. Er is vast een lezing mogelijk waarin die persoonlijke problemen symptomen zijn van wat er mis is de samenleving, maar het engagement is  minder interessant dan de discrepantie tussen engagement en lamlendigheid.

    Dat engagement blijft toch wat flets, omdat er nergens echt stellingen worden ingenomen. De gedichten zijn daar te gefragmenteerd voor; het zijn gedachtenflarden, geen afgeronde standpunten en roepen vaker vragen op dan ze antwoord geven. Dat zal enerzijds niet ieders smaak zijn, maar je zou die opzet als een uitdaging kunnen zien. Het prima Dood werk zal daarom voor uiteenlopende meningen, lezingen en beoordelingen zorgen, maar laten we wel zijn, dat is spannender dan een bundel waar iedereen het over eens is.


    Dood werk
    Maarten van der Graaff
    64 blz.
    Prijs: € 19,99
    Uitgever, Atlas Contact

    Zie ook:
    Maarten van der Graaff – Vluchtautogedichten
    Kirill Medvedev – Alles is slecht

  • Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    Bloemlezing waarin de ene dichter beter bevalt dan de ander

    De poëzie van een land ontwikkelt zich vaak dankzij impulsen van buitenaf. Zonder de Italianen had het sonnet waarschijnlijk niet bestaan, met als verdere consequentie dat de Nederlandse canon bijvoorbeeld ‘De moeder de vrouw’ armer was geweest. Ook de Franse poëzie is een internationale aangelenheid, blijkens Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton.

    De in deze bloemlezing opgenomen dichters hebben vaak meer met Pound dan met Mallarmé. Samensteller en vertaler Jan H. Mysjkin laat in zijn inleiding, waarin de situatie van de Franse poëzie op dat moment wordt geschetst, zien hoe de Franse en Amerikaanse poëzie naar elkaar toe zijn gekropen. Franse dichters vertaalden hun Amerikaanse broeders als John Ashbery en Michael Palmer, die op hun beurt weer Franse poëzie vertaalden. (Of zoals Wallace Stevens ooit schreef: ‘French and English constitute a single language’; een bewering die gretig door Paul Auster aangehaald werd in zijn inleiding voor The Random House Book of 20th Century French Poetry.) De poëzie van Frankrijk, die een sterk hermetische traditie kent, (Geboorten van het vers. Levende Franse poëzie 1940-1960 bijvoorbeeld) stond sterk in het teken van het omgaan met de erfenis van het surrealisme), blijkt opener te zijn geworden, maar vaak niet minder moeilijk.

    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton is net zo opgezet als de eveneens door Mysjkin verzorgde twee eerdere delen Levende Franse poëzie: een lange inleiding en vervolgens een selectie van verscheidene dichters. Van elk van hen is meestal of een reeks of een afdeling gedichten gekozen, of een keuze uit één bundel. Bovendien wordt elke dichter voorgesteld met een tekst die ergens tussen een inleiding en een kort essay inzit. De vertaling is zoals we die van Mysjkin gewend zijn: ze lezen zo vloeiend als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Dat doet er evenwel niets aan af dat het toch jammer is dat ook deze uitgave niet tweetalig is.

    Zoals eigenlijk met de meeste bloemlezingen het geval is, smaakt de ene dichter beter dan de ander. Uw recensent is bijvoorbeeld niet zo gecharmeerd van de warrige Jean-Paul Auxeméry, of het flauwe, geforceerde taalgebruik van Katalin Molnár (‘alsJijWillenMakenGedicht / inTaalDieJijNietKennen / jijDenkenEerst / datDatZijnOnmogelijk’; overigens geen eenmalig experiment, want Molnárs hele bijdrage is op deze manier geschreven). Daar staan heel wat interessantere dichters tegenover, zoals Leslie Kaplan. De van haar opgenomen gedichten zijn consequent in de men-vorm geschreven en gaan over het werk in een fabriekshal. De alles beheersende sfeer daar wordt duidelijk neergezet met regels als ‘De fabriek, men gaat erheen. Alles is er. Men gaat erheen. / Het exces – de fabriek.’ of ‘Men kan niets doen. // Men monteert een versnellingsbak.’

    Wie op zoek gaat naar opvallende tendensen in deze bloemlezing, ontdekt wellicht de interesse in en flirts met het banale of niet-literaire taalgebruik (en daar hebben we het postmodernisme weer). Denk daarbij aan Kaplans harde, kale stijl, maar ook aan het opgenomen werk van Olivier Cadiot. Zijn prozagedichten zijn montages van passages uit lesboeken. Dat levert werk op dat enerzijds van een Barbarber-achtige lichtvoetigheid is, en anderzijds een vertonrustende ondertoon heeft: ‘Ik begrijpen (o.v.t.) dat deze gebeurtenis in tranen drenken (v.v.t.) en ik zwijgen (o.v.t.). De vrouw nemen (o.v.t.) haar zoon van de takken van de boom en zij geven (o.v.t.) hem haar echtgenoot te dragen’.

    Een andere ontdekking is Véronique Pittolo. Van haar is een selectie vertaald uit Héros (Helden; 1998), een boek dat het midden houdt tussen een conceptuele gedichtenbundel en een filmscenario. Pittolo’s prozaïsche, vaak bijna onnadrukkelijk geformuleerde regels roepen vaak direct filmbeelden op: ‘De weg die MURIEL aflegt kan men volgen door het galmen / van haar hakken op het asfalt.’ Zulke beschrijvende passages worden afgewisseld met korte bespiegelingen als ‘Lange tijd dacht men dat helden zich tot een vast kader beperkten.’ De fragmenten overtuigen op zichzelf, én samen maken ze erg benieuwd naar (een vertaling van) de gehele bundel, en dat is wellicht het grootste compliment dat je een bloemlezer kunt maken.

    Hoewel niet elke vertegenwoordigde dichter even interessant is, is Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton een prima bloemlezing geworden. Deze uitgave is een geschikt startpunt voor avontuurlijke lezers die nieuwe ontdekkingstochtjes willen maken.


    Gelukkig tussen ruïnes van bordkarton. Levende Franse poëzie 1980-2000

    Redacteur en samensteller: Jan H. Mysjkin
    240 blz.
    Prijs: € 22,50
    Uitgegeven bij Poëziecentrum

  • Het ritme van weemoed en verlangen

    Wanneer Myrte Leffring haar gedichten voordraagt (te zien op NPO Cultura) spreekt ze met haar hele lichaam. De woorden komen aarzelend, worden nauwkeurig gevormd en vervolgens zorgvuldig geplaatst in een regel die het enjambement op de meest perfecte wijze weergeeft. Lichte bewegingen van hand en hoofd ondersteunen het ritme. Bij de laatste regels neemt het stemvolume voorzichtig af, de slotwoorden komen er haast fluisterend uit.

    Het is een performance in bescheidenheid die goed past bij de verzen uit de debuutbundel Om je schouders hang ik de nachten. De voornamelijk melancholische strekking van de gedichten wordt in korte regels en in trefzekere klanken tot leven gebracht. Het is de kracht van Leffring om in weinig woorden een situatie te schetsen die gaandeweg herkenbaar wordt en naar het einde toe in een kleine apotheose openbreekt.

    Ik wil een huis
    met stenen die heten

    een tuin met bloemen
    die spreken

    fluisterende schaduw
    langs mijn dak

    geluid van zomervliegtuig
    geen tekst aan staart
    warme bromvlieg
    hemelronk
    alles komt goed

    In dit gedicht is de eenvoud zo glashelder dat de twijfel rijst het gedicht niet goed gelezen te hebben. Maar er is niets meer dan dat. Een kinderlijk zomergevoel, een uitgebeende tekst die als een weemoedige dagboekaantekening direct beklijft: huis, tuin, bloemen, vliegtuig, bromvlieg, goed. Het mooie woord ‘hemelronk’ vormt het hoogtepunt van de verbeelding, daarna volgt de sentimentele afsluiting. Het mag simpel lijken, het is vooral scherpzinnig. En uiterst sensitief.

    Weemoed en verlangen vormen de basis van Leffrings werk. Geliefden die elkaar verlaten (vijf dagen geleden/ deed zij/ de deur dicht) en geliefden die naar elkaar verlangen (ik zie nog zó/ hoe jij naar mij/ keek toen ik deed/ wat ik deed langzaam). Er is ouderdom, ziekte en dood (ik zit bij je/ ik kom elke dag/ om je te vertellen/ wie ik ben) en er is vooral veel terugkijken naar vroeger. De kindertijd als oorsprong van eeuwige beloften en veiligheid. Drijven is zo’n gedicht, op het pathetische af:

    Mijn moeder is een eiland
    in de tijd
    ik zag de ouders van mijn vrienden
    ouder worden
    ze kregen kwalen, rimpels, ze klaagden
    als bejaarden of lagen in
    een ziekenhuis

    mijn moeder niet, zij is een eiland
    waar ik naartoe drijf als de stroming
    het mij toestaat

    Maar na de liefdesbezwering, de verlatingsangst en het afscheid aan de rand van het graf komt de dichter met een keiharde uitsmijter:

    we lachen harder
    dan eigenlijk kan

    En meteen is het warme gevoel verdwenen. Het is een heerlijk, sardonisch einde, waarbij de vraag opgeworpen wordt wie de ‘we’ zijn die zo onbedaarlijk moeten lachen. Dochter en moeder, dochter en broers of zussen, dochter en medestanders? Gelukkig past Myrte Leffring deze extreme contrasten toe, het zijn de gerichte kogels waarmee ze haar vermeende ‘gevoelsversjes’ rigoureus aan flarden schiet.

    Er wordt ook flink geleden in deze bundel: het laatste deel is gewijd aan lijden en sterven. In het gedicht Lunch kruipt Leffring in het hoofd van een dementerende bejaarde man. Hij verwart heden met verleden en probeert zijn herinneringen te matchen met de situatie waar hij in verkeert:

    Het ruist achter zijn voorhoofd
    hij ziet zijn armen fladderen
    zou wel iets te drinken lusten
    maar misschien komen dan
    die vogels weer
    zijn mond voelt zacht en nat zo
    was zij ook, ooit, in een
    veld vol golvend graan

    Op indringende wijze confronteert Leffring de lezer met de hulpeloosheid van iemand die nog steeds bestaat maar er eigenlijk niet meer is. Haar taal is bijzonder geschikt om de krachteloze hersenschimmen te verbeelden en kenmerkt zich door de lieflijkheid waarmee ze te werk gaat. Regels vol erbarmen en zacht gevoel, zonder in de valkuil van het larmoyante sentiment te belanden. Daar zijn haar woorden te raak voor, de beelden worden niet omfloerst door enig effectbejag.

    Nog directer is het gedicht Tabee. Een aangrijpend relaas over de genoegdoening van een mishandelde vrouw die haar man en belager de deur wijst. En weer op die nuchtere toon, een haast emotieloze opsomming van feiten die door de voortdenderende kadans nog meer impact krijgt:

    Je neukte me kreupel
    nam me voor lief
    schond mijn schande
    verdraaide mijn armen
    mijn woorden mijn zinnen
    pakte mijn handen
    jij huilde, ik niet

    Na paginalang meegevoerd te zijn op de ritmische golven van het wel en wee uit Leffrings pen volgt opeens de bewustwording: er is geen interpunctie. Nergens een punt of komma te bekennen, behalve hier en daar om twee zinsdelen uit elkaar te houden. De gedichten beginnen allemaal met een hoofdletter, als om een officieel startpunt te markeren, en storten zich vervolgens als een waterval de diepte in. Dat werkt goed, het houdt de vaart erin en geeft de weemoedige sfeer tegelijkertijd een zekere urgentie: het tempo dat de lezer automatisch aanneemt wordt niet gehinderd door obstakels. Alleen de goedgeplaatste witregels zorgen voor een aangenaam oponthoud.

    Lees Om je schouders hang ik de nachten in kleine stukjes tegelijk, de overdaad aan zwaarmoedigheid kan wat veel zijn. Leffring houdt haar poëzie dicht bij zichzelf, een vanzelfsprekende debutanteneigenschap, maar haar talent doet sterk verlangen naar een meer weidsere blik, die hopelijk in de volgende bundel tevoorschijn komt.


    Om je schouders hang ik de nachten

    Myrte Leffring
    Prijs: € 14,95
    Uitgegeven bij Van Gennep

  • Drietalige uitgave van Shakespeare’s Rape of Lucrece

    In het derde hoofdstuk van Max Havelaar vertelt de Amsterdamse koffiemakelaar Batavus Droogstoppel, hoe zijn zoon Frits uit het pak van Sjaalman een lang gedicht van Heinrich Heine had opgevist. Het gebeurde tijdens een avondje bij de familie Rosemeyer.  De zoon had het voorgedragen en zou dat kunststukje, op dringend verzoek van de andere gasten, herhalen:

    ‘Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee ’t hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was — waarin ze groot gelijk had, vind ik — dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was met die vertelling.’

    Ik moest aan deze Havelaar-passage denken bij het lezen van De schennis van Lucretia van Shakespeare. Dit lange gedicht verhaalt van de beeldschone Lucretia, echtgenote van een Romeinse vorst, die zozeer wordt begeerd door een edelman, dat deze haar  ’s nachts overrompelt en verkracht. Vervuld van schaamte en weerzin pleegt Lucretia, nadat ze haar man gesmeekt had haar te wreken, zelfmoord.

    Reuzensprongen door de tijd

    Deze samenvatting doet geen recht aan Shakespeare’s rijmende vertelling van 265 strofen van elk zeven regels. Toch komt het verhaal hier op neer. Shakespeare wijdt uit, vergelijkt en herhaalt. Hij schrijft, kortom, poëzie. Het is een serieus, soms schokkend gedicht dat ons met reuzensprongen door de tijd voert. De gebeurtenis zelf voltrekt zich ca. 500 jaar vóór onze jaartelling tegen de achtergrond van het ontstaan van de Romeinse republiek. Shakespeare ontleende zijn motief aan teksten van Livius en Ovidius van ruim een half millenium later. Shakespeare zelf  publiceerde dit gedicht in 1594. Het is een uitdaging dit lange en vormvast opgebouwde gedicht te lezen en de bekoring ervan te ondergaan. Hoewel een verkrachting zich moeilijk leent voor een poëtische behandeling, wordt het gedicht zeker spannend en dramatisch wanneer de lezer weet wat de sluwe verkrachter Tarquinus van plan is.​

    De werkelijke betekenis van deze publicatie zit in de toegang die tot de tekst wordt verschaft. Uitgever en vertaler – het moet gezegd – reiken de lezer hierbij optimaal de hand. Op de linkerbladzijde lezen we de Engelse tekst, rechts de metrisch parallelle en dus gelijkvormige vertaling van de hand van Peter Verstegen. De bonus van deze publicatie is verborgen in de noten en het commentaar. Per couplet wordt daar namelijk een letterlijke vertaling van de tekst gegeven, zonder het keurslijf van metrum en rijm. Dat zijn dus drie versies van Shakespeares tekst: het origineel, de dichterlijke omzetting in het Nederlands en de letterlijke vertaling.

    Engels van vierhonderd jaar geleden

    Shakespeare lees je het best in het Engels. Maar het Engels van vierhonderd jaar geleden begrijpen, is niet voor iedereen weggelegd. Waar vertaler Peter Verstegen zich aan de vormvastheid onderwerpt, is de vertaling teleurstellend. Je merkt hoe de vertaler zich in bochten wringt  om het Nederlands metrisch en qua betekenis gelijk op te laten gaan met het Engels, en daar lijdt het resultaat onder. Terwijl de vrije, letterlijke vertaling van  de tekst, (die ‘verstopt’ zit in het verklaringen- en notenapparaat), wel de noodzakelijke verduidelijking biedt:

    ‘This said, his guilty hand plucked up the latch,
    And with his knee the door he opens wide;
    The dove sleeps fast that this night owl will catch.
    Thus treason works ere traitors be espied;
    Who sees the lurking serpent steps aside;
    But she, sound sleeping, fearing no such thing,
    Lies at the mercy of his mortal sting.’

    De Nederlandse metrisch-poëtische vertaling luidt:

    ‘Hij zwijgt, waarna hij stil de klink oplicht,
    De deur wijd openduwend met zijn knie;
    De duif slaapt waar die nachtuil zich op richt.
    Zo werkt verraad eer ’t wordt bespeurd; al wie
    Een slang ziet, stapt meteen opzij, maar zie
    Hoe zij daar in haar onschuld ligt te slapen,
    Reeds prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen.’

    De letterlijke vertaling in het notenapparaat is als volgt:

    ‘Na deze woorden lichtte zijn schuldige hand de klink,
    En met zijn knie opent hij de deur wijd.
    De duif slaapt diep die deze nachtuil wil vangen.
    Zo werkt verraad nog eer verraders bespeurd zijn;
    Wie de slang op de loer ziet liggen, stapt opzij,
    Maar zij, vast in slaap, niet vrezend voor zoiets,
    Ligt overgeleverd aan de genade van zijn dodelijke steek.’

    De lezer kan zelf vaststellen hoezeer in deze strofe de poëtische omzetting afwijkt van de originele tekst, en hoe weinig poëtisch de letterlijke vertaling is. Waar de schone Lucretia in het Engels is overgeleverd aan ‘the mercy of his mortal sting’ is dat in het dichterlijk Nederlands geworden dat zij ‘Reeds [is] prijsgegeven aan zijn dodelijk wapen’, terwijl Lucretia hier echter nog springlevend is. De Engelse ‘mercy’ is wel in de letterlijke vertaling te vinden.

    Vertaling te prozaïsch

    Kortom, de poëtische vertaling schiet zijn doel voorbij omdat die niet duidelijk genoeg is en vaak gewrongen en te vrij. De letterlijke vertaling is te prozaïsch om voor poëtisch te kunnen doorgaan. Op zijn best poëtisch proza, dus. Maar zo heeft de vertaler het vast niet bedoeld en zo presenteert de uitgever het ook niet.

    In strofe één, meteen al een omineus voorteken, staat: ‘Collatium begroet zijn duistere gloed, / Die niemand ziet […]’ Hoe kan dat nu? Iets begroeten wat ‘niemand ziet’? Shakespeare zelf dichtte over ‘lightless fire’, op zich vernuftig vertaald met ‘duistere gloed’, maar bij Shakespeare is dit ‘fire’ ‘in pale embers hid’ wat zich, met Verstegens letterlijke vertaling bij de hand, laat begrijpen als ‘het lichtloze vuur […] in bleke as verscholen’. Geen sprake dus van een begroeting van iets dat onzichtbaar is.

    Deze publicatie is een goede aanleiding  weer eens met deze poëtische en dramatische tekst van Shakespeare bezig te zijn. Het is voor het betere begrip van de Engelse taal jammer dat de poëtische vertaling tegenover het Engels is afgedrukt en dat de letterlijke vertaling in het notenapparaat is ondergebracht. Dat had beter andersom gekund, omdat het voortdurend bladeren tussen het Engels en het Nederlands dan niet nodig is. Tot troost kan strekken dat Frits Droogstoppel na zijn herhaalde voordracht van Heine’s gedicht bij het avondje van de Rosemeyers weliswaar niet de goedkeuring kreeg van zijn vader:  ‘… maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was.’

     

     

  • Gedichten van een rijkgevulde dis

    Een gedicht een impressie van een emotie, een observatie van een tafereel, een familieportret of verhaal? Schetsen in versvorm die het zicht op de werkelijkheid verscherpen dan wel vervormen? Bij poëzie kun je daar mee aankomen.

    Het Liegend Konijn maakt de diversiteit van de poëzie in het Nederlandse taalgebied op ruimhartige wijze zichtbaar. In het boekwerk dat in het dagelijkse leven voor een (literair) tijdschrift doorgaat, zijn deze keer 154 gedichten opgenomen van 34 dichters. Wel geheel volgens de traditie van een literair tijdschrift schittert er in Het Liegend Konijn, naast nieuw werk van gerenommeerde  dichters, een tiental jonge talenten.

    Eén van de jonge talenten is Mathijs Gomperts. Het is van een prachtig, onhandige droefheid te lezen hoe nabestaanden afscheid nemen van hun dierbare in het gedicht Oud-West: onder het laken vandaan steken protserig zijn voeten / maat negenenveertig (…) iedereen dromt om die voeten, houdt ze vast, betast ze, / schudt ze de hand (…) want wat moet je met zo’n lijk? hoe rouw je er mee? / nou, we hielden er dus de voeten van vast en huilden (maar lees vooral het hele gedicht dat uit drie coupletten bestaat waarin de weg wordt gebaand naar die rouwende voeten).

    Op de cover prijken de namen van de dichters die een bijdrage aan deze editie leverden en dan denk je: Ah, Lies van Gasse, Bernke Klein Zandvoort, Paul Demets en kijk aan, nieuw werk van Delphine Lecompte, Maarten van der Graaff, Hans Mirck, Saskia Stehouwer en Arno van Vlierberghe (hoewel de laatste nog geen bundel heeft gepubliceerd maar wel eerder in HLK stond), en je wordt nieuwsgierig.

    In Hoelang duurt dat, iemand nooit meer zien? dicht Dirk Clement in prachtige strofen over het leven tussen geboorte en dood en hoe je geheugen speelt met waarheid en leugen: (…) zo liegen wij onszelf en ons leven voortdurend bij elkaar. / Wie wij zijn is wie wij ons herinneren te zijn.
    Marleen de Crée dwingt de lezer zich te verdiepen in actuele thema’s: (…) hoe is wegjagen als iemand / begonnen is met blijven

    Tot de verbeelding spreekt het werk van Saskia Stehouwer die vorig jaar debuteerde met Wachtkamers, wat in de pers goed, doch als bevreemdende poëzie werd ontvangen. De zeer gedetailleerde gebeurtenissen in haar gedichten lijken zich over tijd en ruimte heen te buigen en tegelijkertijd binnen te dringen, als een zoemende mug bij het oor die de giftige steek al voelbaar doet maken. In het gedicht Ketting zit een ik achter het raam, het is mooi weer. Dan: (…) het verleden belt op spreekt in / had je een vriend besteld?
    In het volgende couplet zit de ik met hoogtevrees boven op een tafel nota bene ook nog in een flat en eet een appel: Ik woon hier zonder te weten / waar ik niet woon / is er iemand die met me mee wil lopen? Haar werk getuigt van een ‘ik’ die de wereld op afstand houdt maar die tevens scherp observeert. In het derde gedicht Gang bijvoorbeeld: dan komt het moment om iets te zeggen / waardoor mijn vingers open gaan / en de omtrek voelen van de vensterbank. Hoe een concrete gedachte de motoriek aanstuurt waarmee de sensitiviteit aangesproken wordt. Gedichten die, vanaf de eerste strofe tot de laatste, je meenemen, of je wilt of niet, je gaat gewoon.

    Het was weer een heerlijk genoegen deze editie door te nemen en de poëtische diversiteit, als van een rijkelijk gevulde dis, stukjes bij beetjes te verorberen. Van Het Liegend Konijn  krijg je nooit genoeg en het gaat lang mee.

    Het Liegend Konijn

    Redactie: Jozef Deleu
    jaargang 13, nr. 1, april 2014
    Losse nummers: € 25,-
    Abonnement 2 nummers, € 45,-
    Uitgegeven bij Van Halewijck / Leuven en
    Van Gennep /Amsterdam

     

     

  • De moppentrommel van Wouter Godijn

    Wouter Godijns poëzie lijkt sterk onderhevig te zijn aan smaak, getuige de zeer verdeelde ontvangst van zijn bundels. Dat ligt aan de eigenaardige, wilde gedichten die Godijn schrijft, die door de een beoordeeld wordt als ‘[g]eniaal gezeur, kortom’ (Piet Gerbrandy) en door de ander als ‘een beetje pijnlijk en vermoeiend’ (Joep van Ruiten). Bovendien heeft Godijn nogal de neiging tot humor, en van alle kunsten lijkt humor nog wel het sterkst een kwestie van smaak te zijn. Zo vindt uw recensent Van Oekel’s Discohoek hilarisch, maar heeft hij ook gemerkt dat zeker niet iedereen zijn enthousiasme deelt. Godijns humor drukt een groot stempel op zijn poëzie, zo groot zelfs dat die het karakter van de gedichten lijkt te bepalen.

    Maar afijn, laten we eens inzoomen op de bundel De professor en de hyena, die uit drie delen bestaat. De vrij losjes opgezette afdeling ‘Hyena’, en de twee reeksen ‘Dat ik nog steeds niet geloof’ en ‘De professor’. De afdelingen komen losjes bij elkaar in het slotgedicht: ‘De dichter die eigenlijk de professor is die de hyena is / heeft een droom (is het wel een droom?)’. Maar voor het zover is gebeurt er het een en ander: Terminators dringen het huis binnen, een teddybeer is een hyena geworden, een professor krijgt een nieuwe naam: ‘Case. Test Case.’, en nog veel, veel meer. De gedichten zelf zitten vaak tot de rand volgepropt:

    Terminators in ons huis! Als we are killed
    zullen ze onze plaats innemen niemand nobody
    zal het verschil zien see the difference filmisch
    violence. Ik heb – eindelijk – een uzi,
    mijn vrouw zon geweer – naam vergeten – riot gun? –
    waarmee je dwars door een muur kun schieten (in slow motion rondvliegend,
    bijna in fladderende koolwitjes veranderend puin).
    Naar de zolder! Naar de zolder!
    De voormalige gouverneur van Californië verschijnt.
    Is even later weer verdwenen suddenly he disappeared he must save
    the neighbours. Kletterbattlebattleketter.
    Naar het dak! Ten slotte buigen wij
    over onze stil geworden lichamen
    wie won, waarom, wie zijn
    wij. We – en nu graag een tabaksbruine heldenstem –
    just don’t know honeyponey.

    De gedichten roepen veel associaties met het werk van andere dichters op. Godijn gebruikt regelmatig typografische eigenaardigheden en handgeschreven tekst, en maakt een keer een tekeningetje bij een gedicht. Die buitenissigheden doen aan Tonnus Oosterhoff denken, en nog wat verder terug in de tijd, aan Paul van Ostaijen. Godijn doet ook denken aan de breedsprakerige gedichten van zijn uitgeverijgenoot Micha Hamel. Daar moet je tegen kunnen; beide dichters kunnen vermoeiend worden in hun woordenstroom. Godijn houdt er bovendien een merkwaardig, vaak aan Lucebert herinnerend idioom op na. Kijk niet gek op van ‘kééééééfkefkefkef’, ‘ziegeenhandvoorogenwaarzijnwenu?’, ‘kalekloekklokkeplop’ of ‘brulslaaf’.

    Of De professor en de hyena je kopje thee is of niet, bepaalt de leesbeleving van deze bundel ontzettend. Het mee kunnen gaan met de gedichten maakt het verschil tussen een spannende wending en de zoveelste rare kwinkslag. Nu komt de ‘ik’ in dit stuk: ik kan er zelf niet tot nauwelijks in mee. Godijns humor is mijn smaak niet en al snel begon dat, in combinatie met het complete gebrek aan dosering, mij tegen te staan. Mag je een bundel op haar ongedoseerdheid aankijken? Ja hoor, dat mag best als het grootste deel van de gedichten in lange reeksen gepresenteerd worden.

    Je kunt je afvragen of Godijns poëzie van die reeksinsteek profiteert. De professor en de hyena is tjokvol, maar roept tegelijkertijd de vraag op of er eigenlijk wel zoveel gebeurt. Afwijkende typografie, het vreemde idioom, de tekening nota bene, ze zijn allemaal leuk en tot op zekere hoogte best vrolijkmakend, maar echt veel gewicht hebben die toevoegingen niet. Er mist een stevige bodem onder die Spielerei. De gedichten worden daardoor nogal vluchtig; soms lijkt één pufje genoeg om het gedicht de andere kant op te laten waaien. Dat Godijns gedichten zichzelf ondermijnen, zoals vaker over zijn poëzie is geschreven, is prima hoor, maar ze worden er ook vaak te vrijblijvend van.

    De moppentrommel staat vaak onveilig dichtbij in De professor en de hyena, en ofschoon doodserieuze poëzie ook allerminst een pretje is, mist er te veel een bodem om deze bundel echt beklijvend te achten. En nu ga ik deze recensie eens fijn ondermijnen: Maar misschien kijkt u heel anders tegen deze poëzie aan.

  • De fluistering van tijd tegen ruimte

    Wie de biografie van Conrad Aiken (Georgia, 1889-1973) kent, leest Preludes voor Memnon met meer helderheid. Aikens levensloop is vanaf het prille begin verweven met zijn poëzie. De doorlopende queeste van de dichter, verwoord in 63 verzen, wordt gevormd door onzekerheid en angst en een constante vraagstelling die ontegenzeglijk iets te maken heeft met zijn verleden. In een wervelstorm van poëtische uitingen laat Aiken zijn worsteling met de werkelijkheid zien.

    Op twaalfjarige leeftijd was Aiken getuige van een gruwelijk voorval. In het ogenschijnlijk stabiele gezin werd zijn moeder op een vroege ochtend door zijn vader vermoord waarna deze zichzelf doodschoot. De aanleiding of oorzaak van dit drama is nooit aan het licht gekomen maar de impact is groot op het leven van de jonge schrijver. Zijn verdere loopbaan werd gekenmerkt door een obsessieve vorm van introspectie en een onderduiken in bewustwording; met af en toe zeer destructieve neigingen.

    De preludes zijn stuk voor stuk wonderlijke bouwsels van visionaire gedachten als een  poëzieverhaal te lezen of in losse verzen te consumeren. Er is sprake van een duistere herinnering en een zwaarmoedige verwachting, van chaos, dood en verderf. In het filosofische onderbewustzijn lijkt de dichter op zoek naar een uitkomst die slechts in drama is te verwoorden.

    Morsdood is dus de dood en in haat veranderde de liefde,
    De varen in marmer en het uur in sneeuw;
    Muziek in het gerucht van wormen en deze
    Sterrendans in een zinloze dodendans van atomen;
    Kom, we zullen zonder spijt ons hart breken
    En een triest begin met ons einde maken.

    Toch wist Aiken in alle onzekerheid en ellende die hij over ons uitstort ook een ander geluid te laten horen. De dichter spreekt als ik-figuur in een doorlopende monoloog maar is ook op zoek naar een jij-figuur, een liefde, een vrouw. Hij spreekt haar aan en probeert hoopvol te klinken: ‘Lief, laat ons andermaal de regen roemen./ Laat ons zoeken naar een nieuw ABC’, om even later weer te vervallen in de vergeefsheid van dit verlangen:

    Dit alles stelt niets voor: alles wat we noemden is niets:
    Je ogen en je haar zijn niets, je verdriet en je tranen,
    Evenmin jouw lach, die de kamer vulde met geschater,
    En je haastige tred, die even haastig kwam als ging;
    Niets en nog eens niets, zoals het wonderkruid.
    Mettertijd verdord.

    Een andere bijzonderheid is dat Aiken in zijn verzen gewag maakt van een regelmatig terugkerende god. Dat is geen religieuze entiteit en wordt niet opgevoerd als allesoverheersende macht (‘Geen god heeft ons verlaten, want wij zijn goden./ We dorsten nergens naar’). Aikens god is een visionaire kracht die op ieder moment en om verschillende redenen aangehaald wordt. Een te beklagen, te verwijten, te bewonderen of lief te hebben mysterie dat juist de motor van deze gedichten op stuwende wijze aanjaagt.

    O glurende god, welk geheim hou je verborgen?
    Hier in de kantlijn van de lente zingt de narcis,
    Zulk een baarlijke nonsens als geen god voorzag.
    Pluk hem, determineer en analyseer de wortel:
    Het is jouw hart. Lach dan, met het plezier van een maniak.
    Die hemelse waanzin deed deze wereld helder schijnen.

    Dat Aiken een romanticus was, moge duidelijk zijn. In zijn voortdurende gevecht met emoties, telkens neigend naar een vernietigende afloop, doorspekt hij zijn ritmische taal met een vorm van realisme die een Whitmansiaans karakter heeft. Tussen alle doem en wanhoop duikt zo nu en dan een prachtige natuurbeschrijving op: een roodgekleurde horizon, de observatie van een boomblad met een glijdende regendruppel, het ‘karmozijnen zaad der zaden’. Ergens in dat diepe ravijn van heftige gevoelens wist de dichter houvast te vinden, voor korte tijd, maar in een hoopvolle overtuiging.

    Wat voor koele en groene varens van gedachten zijn dat,
    Die, druipend van het vocht, deze muren versieren?

    Rust. Een zalige stilte verdrijft de spoken die op vleugels
    Van geluid en schaduw kwamen. Jij bent al datgene.

    In Preludes voor Memnon wordt alles benoemd en alles bevraagd. Toch is het geen zoektocht naar waarheden, geen worsteling van een mens die smacht naar antwoorden. Conrad Aiken wilde met zijn lyrische zinnen greep krijgen op zijn eigen bewustzijn door in één groot gebaar zijn onzekerheden en angsten eruit te gooien. In feite keerde hij zich af van de wereld en probeerde hij zijn eigen scheppingsverhaal te schrijven, zijn eigen waarheid, een innerlijke noodzaak om te overleven.

    Het hart trekt samen met zijn leed van lasten,
    Tot het ontspannen zich van leed ontdoet.

    Die noodzaak dreef hem niet tot een solitaire toestand. Hij bleef in contact met diverse realiteiten: de natuur, de liefde, de levenskracht, de dood. Zijn vermogen om deze diepgaande speurtocht naar het eigen zijn om te zetten in beeldende woorden is van een ongekende schoonheid.

    In een onlangs uitgezonden interview met Ilja Leonard Pfeijffer, waarin Pfeijffer sprak over zijn onlangs verschenen bundel Idyllen (ook een lange reeks verhalende verzen), komt het motto uit Nijhoffs prozagedicht Awater (1934) ter sprake: ‘ik zoek een reisgenoot’. Dat is precies waar Conrad Aiken naar op zoek leek te zijn: geen reisgenoot als menselijk gezelschap, maar een reisgenoot in taal, in ‘de fluistering van tijd tegen ruimte’ om samen mee op te trekken door dit weerbarstige en onvolkomen leven.


    Preludes voor Memnon

    Conrad Aiken
    Vertaling Hans Dekkers & René Huigen
    134 blz.
    € 18,95
    Uitgeverij Karaat

     

    Aantal pagina’s: 134

  • Precisiewerk van een chaoot

    Leonard Nolens publiceerde in ruim veertig jaar meer dan dertig dichtbundels en enkele dagboeken. Hij verwierf drie oeuvreprijzen, waaronder de Prijs der Nederlandse Letteren 2012. Nolens’ lyrische en persoonlijke gedichten hebben hun weg naar een groot publiek gevonden. Zijn verzamelde gedichten werden al onder drie opeenvolgende titels gebundeld, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven, 2dl (2012).

    Opvallend is dan ook dat Nolens met zijn jongste bundel, Opzichtige stilte, na onderwerpen als liefde, het leven, zichzelf, zijn familie en de stad, thematisch een geheel nieuw perspectief opent: namelijk het dagelijks leven in een of andere zorginstelling. De gedichten in deze bundel zijn verdeeld in vier afdelingen: De kuur I en II, Ontslag en Weerzien. Er komen stethoscopen voorbij, valiumslikkers, schreeuwtherapie en een dokter. De nadruk op deze thematiek past bij Nolens’ poëzie, die direct en prominent aanwezig is. Opdringerig haast, maar desondanks moeiteloos aanvaardbaar om de opeenstapeling van verbluffende beelden en verrassende observaties.

    Wat was het dan dat ons ontbrak toen wij belden om hulp?
    Mezelf. En wat kwamen wij ook weer tekort? Mezelf.
    (…)
    Maar wat is mijn kunst? Een doorslaand succes van de wanhoop.
    Gedichten zijn immers precisiewerk van een chaoot.

    De gedichten van Nolens zijn vrij en toch vormvast. Ontregelend en toch regelmatig. Elke afdeling in de bundel heeft, qua lengte en structuur, min of meer overeenkomstige vormen. In De kuur I en II zijn we getuige, en onderdeel van de dagelijkse routine in een verder niet nader te karakteriseren zorginstelling. Er is afstand en vervreemding: tussen patiënt en dokter en de medebewoners onderling.

    Drie keer per nacht verschijnt een zaklamp straal
    in ons gezicht, ze komen je slaap onderzoeken.

    Ze inspecteren je dromen, geen raam kan er open.
    De deuren dragen ons nummer en staan op een kier

    in het gelid. En de wekkers van dienst lopen vrolijk
    te zwaaien met thermometers en klokken van stemmen,

    goeiemorgen! Het gaat als een emmer koud water
    je bed in, geen hond die zich wast om wakker te worden.
    (…).

    Onvermijdelijk dringt de vergelijking zich op met andere dichters die berichtten vanuit een instelling. Maar Jan Arends’ poëzie – ’wie kan zo mager praten met de taal als ik?’ – is kaler dan die van Nolens. Met Achterberg is, door de lyriek en de spanning die de gedichten kenmerkt, meer verwantschap aan te wijzen. Al zijn Achterbergs meest kwetsbare en directe kliniekgedichten pas na zijn dood gebundeld, Blauwzuur (1969). De kuur II bestaat uit vijftien vierregelige gedichten, allen opgebouwd volgens het rijmschema aaba. Nog sterker voelbaar wordt hier de associatie met Achterberg. Het eigentijdse element overtuigt volkomen:

    CODE
    Wij raken langzaamaan verslaafd aan het verdriet
    van onze groep. Wij delen dat als drank en wiet
    en hebben de flessen en spuiten verstopt in de nachtkluis van morgen.
    De code is geheim. En die vergeet ons niet.

    De afdeling Ontslag bestaat opnieuw uit een groep ongeveer gelijkvormige gedichten en bevat vooral aanmoedigingen en bemoedigingen: Leef lang,  Ga dromend, Word wakker, Schrijf, Omhels en

    Kniel
    voor niemand. Knik
    een ogenblik lang naar de man
    die jou verwekte, geef hem een hand
    en rep je, ren het huis uit.
    Ren. En red
    je gezicht.

    In de laatste afdeling Weerzien, kondigt de troost van de  verlossing zich aan in de titels van de gedichten: Liefdesbrief, Thuiskomst, Mei en Nachtegalenpark. Onmiskenbaar is er hier meer ruimte voor Nolens’ vertrouwde en warme thematiek. In het gedicht Mei vindt letterlijk een opruiming plaats met een zeldzame, komische noot als opluchting tot besluit.

    MEI
    Ik hoor mijn lieve zenuwpees weer fluiten
    boven en rommelen in kasten en sleuren met koffers.
    Het huis is tot de nok een reis op til.

    Ik ga naar de kelder en sleep een rinkelende berg
    flessen uit mijn dal van vorige winter
    de trap op en flikker vloekend een klotejaar in de container.

    De glasharmonica bliksemt zijn katers aan scherven.
    Haar fluitende reislust bevlindert de kamers daar hoog bovenuit.
    Een nieuwe lente en een nieuw geluid.  

    Een gedicht Mei noemen en eindigen met de zin ‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’, dat is weer eens wat anders dan Gorter deed. Nolens speelt voortdurend met de verwachting van de lezer door de ene keer vanuit de ‘ik’ persoon  te schrijven en de volgende keer vanuit de derde persoon. Maar spreekt ook een ‘jij’ en ‘u’ aan. De thematiek van de bundel roept vragen op. Hebben wij hier met autobiografische gedichten te maken? Heeft Nolens zelf een poos in een kliniek gezeten? Antwoorden op deze vragen doen niet werkelijk ter zake als het goed is. En het is goed.

     

     

  • Slierten familie uit je ogen wrijven

    Poëzierecensie door

    Het duurt even voor je vat krijgt op de poëzie van Saskia Stehouwer. Misschien omdat de aandacht meer door een deel dan door het geheel wordt getrokken: de strofe in plaats van het gedicht, het gedicht in plaats van de afdeling of de hele bundel.
    Misschien zit het verstand er teveel tussen. Met beredeneren kom je niet zo heel ver in de gedichten van Stehouwer. Vaak zijn er momenten waarop de lezer de weg kwijtraakt. Toch zijn haar gedichten niet warrig. Dat je al lezende soms verdwaalt in de gedichten is misschien wel de bedoeling. De onzekerheid die het oplevert past wel bij een thema waarin veel onzekerheid woelt. Weliswaar wordt er vaak op een stellige manier vooruit gewezen naar een toekomst, maar misschien gebeurt dat alleen om die onzekerheid te bezweren.

    morgen ontmoet hij een jongen
    die een helder beeld heeft van zijn toekomst

    morgen zal hij iets kwijtraken en in een hotel gaan wonen
    om het terug te vinden

    Het lijken zinnen die iemand zegt om zichzelf gerust te stellen: morgen wordt het beter.

    Stehouwer maakt in haar gedichten vaak gebruik van de gebiedende wijs: ‘blijf aantekeningen maken’; ‘let op de lichtinval’; ‘teken een vis’, ‘stop voor je de laatste druppel / uit je sinaasappels hebt geperst’; ‘leg je hand op je hoofd en laat hem daar’. Ook dat lijkt te duiden op een zekere stelligheid. Maar de vraag is aan wie de strikte aanwijzingen gericht zijn. Zegt de ik dat tegen zichzelf? Dan lijkt het op een uiterste manier om zichzelf in de hand te houden, om overzicht te houden op de eigen situatie.
    Er zijn verschillende gedichten die verwarring over het perspectief opleveren. Is ‘je’ een ander of is het een verhuld ‘ik’? Het lijkt of vaak het laatste het geval is; vaak wordt de ‘je’ ook van binnen uit beschreven. .

    Meer

    waar je loodzwaar zwemt
    de schubben van een oud liedje
    op je huid gestempeld
    je hoofd dreinend onder de arm

    wij willen dat je blijft drijven

    het zicht is slecht
    je wrijft de slierten familie uit je ogen
    steekt een kaars aan
    voor de verkeerde god
    hij stuurt niemand

    je ademt in
    vult je longen met het slijm
    van pestende kinderen
    en ponykampen

    wij dirigeren de paarden
    op de oprijlaan
    tot ze in koor roepen
    dat je terug moet komen
    jij zwaait buiten beeld

    De ‘je’ in dit gedicht zou zomaar een ‘ik’ kunnen zijn. De ‘wij’ zijn dan de mensen om die ‘ik’ heen. Zij hebben het voor het zeggen. Zij kunnen zeggen hoe ze het willen, zij dirigeren de paarden. De ‘je’ heeft het lastiger: ze moet loodzwaar zwemmen, heeft slecht zicht en als ze een kaars aansteekt, is het voor de verkeerde god: er komt niemand te hulp.

    Er zijn pestende kinderen en ponykampen. Dat zou een herinnering kunnen zijn, zoals er meer verleden is: er zijn ook ‘slierten familie’ die het zicht belemmeren op de omringende wereld. Wie zijn die ‘ze’ die roepen ‘dat je terug moet komen’? Het zullen niet de paarden zijn. Is dat de familie die uit de ogen gewreven wordt?

    Het enige antwoord dat de ‘je’ geeft, is zwaaien naar degenen die naar haar roepen. Maar dat doet ze buiten beeld, zodat niemand het ziet. In de laatste regel is er een ‘jij’, wat nadrukkelijker is dan ‘je’. Zouden de stappen van ‘je’ steviger geworden zijn? Zou het zwemmen minder zwaar geworden zijn? Waar komt ze terecht nu ze haar eigen gang gaat? De gedichten van Stehouwer roepen altijd vragen op. Daarom houden ze me zo bezig.

    Die slierten familie slingeren door de hele bundel. In het gedicht ‘Glimp’ wordt gesproken over een vader die het huis uit loopt: ‘we zagen hem nooit meer’. Twee kantjes lijkt een sleutelgedicht over familie omstandigheden met daarin de volgende regels:

    we volgen het spoor van de vader
    tot aan de voordeur
    een kruis gekerfd naast de kruk
    tot hier en niet verder

    Het gekerfde kruis lijkt een magisch symbool om de vader tegen te houden. Indertijd tevergeefs gezet of nu, in dit gedicht, alsnog in de deur gekrast.

    Het weggaan van de vader heeft het ongetwijfeld moeilijker gemaakt voor de jeugdige ‘ik’. Maar in het slot van het gedicht laat ze zich er niet meer door weerhouden:

    ik kijk naar de tekening
    van een boot in mijn hand
    schuif mijn ribben recht
    en hijs de zeilen

    De bundel heet Wachtkamers, wat niet wil zeggen dat er alleen maar gewacht wordt op wat komen gaat. Vaker is te lezen dat de wachtkamers verlaten worden. Dat iemand daadwerkelijk op weg gaat en dat er een verleden wordt achtergelaten. Een ongemakkelijk verleden dat invloed heeft op het heden. Maar de ‘ik’ recht haar rug.

    Uit de gedichten van Stehouwer spreekt vitaliteit: frisse beelden, maar ook personages die zich niet neerleggen bij hun situatie. Of, zoals het in ‘Glimp’ staat: ‘we rechtten onze schouders / en ontdekten onze nek.’

    Veel gedichten in deze bundel zijn spannend. Ze maken nieuwsgierig naar de wereld die ze oproepen, veel meer hoeven gedichten niet te doen.

     

    Wachtkamers

    Saskia Stehouwer
    88 blz.
    € 12,50
    Uitgeverij Marmer 2014

     

  • Google maps en de Zondvloed

    Poëzierecensie door

    Ellen Deckwitz debuteerde in 2011 met De steen vreest mij en een jaar later verscheen Hoi feest. Beide gedichtenbundels waren eigenzinnig, technisch sterk en esthetisch fraai. Hoi feest lag in het verlengde van het debuut, maar De blanke gave verschilt sterk van het eerdere werk, terwijl de gedichten wel duidelijk Deckwitz-gedichten blijven.

    Deckwitz’ poëzie lijkt evenwel soberder geworden: er is minder in het oog springende taligheid. In eerdere bundels was er steeds een min of meer anekdotisch kader rond haar taalspel. Ze liet de taal kantelen, gebruikte beelden die tegelijkertijd associatief en intuïtief waren. De anekdotiek lijkt zeker in de eerste afdelingen van de De blanke gave verder naar voren geschoven, en het talige naar achteren. Dat is weliswaar toch een beetje jammer, maar inhoudelijk valt er gelukkig genoeg te beleven.

    Net als haar eerste bundel De steen vreest mij, is De blanke gave een los opgezette conceptuele bundel, wederom rond een familie. Over de vader in De blanke gave leren we dat hij soldaat is geweest die vaak bidt en Noach bewondert. Het achterliggende verhaal van deze bundel is niet zozeer een familiegeschiedenis, maar een verslag van de aarde die overstroomd wordt. De parallel tussen de Zondvloed en menselijke onverschilligheid tegenover het milieu, wordt via die Noach-vermelding impliciet, maar duidelijk getrokken. De vijf afdelingen van de bundel doen uiteraard aan de vijf bedrijven van de (Griekse) tragedie denken, waardoor je als lezer al snel doorkrijgt dat er iets vreselijk mis zal gaan.

    De aarde wordt in De blanke gave al snel geteisterd door overstromingen. Een punt van kritiek is wel dat het toekomstvisioen van een ondergelopen aarde erg expliciet naar voren komt. In het gedicht ‘Visje’ staat: ‘Ik droomde van een visje. Een jongetje of een meisje, / het maakte niet uit. Zolang het ademde. Het zou een prachtig / staartje krijgen.’ Vul ‘Het zou een prachtig’ eens niet aan tot ‘kind(je) zijn.’; een omgekeerde evolutie. Als de ‘ik’ dan ook nog eens de atlas ‘alvast […] atlasblauw’ krast, wordt het wel heel duidelijk wat er gaat gebeuren.

    Dat probleem wordt al eerder in de tweede afdeling helder neergezet, in het gedicht ‘Hij had het de hele avond over drie ijsmummies uit de Eerste Wereldoorlog die in 2010 onder smeltende gletsjers vandaan kwamen’. Daarin staat de volgende passage:

    voor google maps fotograferen ze elk jaar de
    gletsjers opnieuw

    omdat het googlen van gletsjers iets meer energie
    kost dan twintig gloeilampen een week laten branden

    en dat is prachtig

    ieder jaar danken we google maps
    dat ze weer wat voorgeslacht
    onder het smeltijs vandaan halen

    Het sarcasme druipt er vanaf. De logica tussen het fotograferen en waarom dat gebeurt (‘omdat’) klopt niet, en die ‘en dat is prachtig’ staat daar zo geïsoleerd dat je niet anders dan af kunt vragen hoe dat hoge energieverbruik nu prachtig kan zijn. Het gedicht vraagt op deze manier extra aandacht om te lezen, waardoor de impliciete boodschap des te harder overkomt.

    Volgens de wetten van de tragedie zou in de vierde afdeling van De blanke gave de catastrofe plaatsvinden. In die afdeling, ‘Kleine paarden’, is echter van water geen sprake. Rick is het hoofdpersonage; al aan het begin van de bundel dook hij even op als een vriend van de vader van de ‘ik’. Een schijnbaar los draadje als de persoon Rick, blijkt verderop in De blanke gave ingewoven te zijn, en dat gebeurt vaker. Waar sommige gedichten aanvankelijk buiten het verhaal lijken te vallen, blijken ze vaak toch een plaats in het geheel te hebben.

    Rick leek eerst een onbezorgde man die van elke blauwe envelop ‘een bootje […] vouwde dat echt kon drijven’, maar in ‘Kleine paarden’ blijkt hij een getraumatiseerde soldaat te zijn. In gedachten beleeft hij zijn tijd in het leger steeds opnieuw, getuige de Michauxachtige regels ‘laat je oogleden kadasters zijn / waarvoor soldaatjes daveren.’ Deckwitz’ taligheid komt duidelijk in deze reeks naar voren: door de gedichten heen komen woorden en beelden langs die te maken hebben met het geweld. ‘onze rick / je zou hem zo perforeren / door de kamer strooien / met het raam wijd open’ lijkt eerst betrekking te hebben op Ricks verstrooidheid, maar krijgt door zijn verleden een pijnlijke lading.

    ‘Kleine paarden’ gaat bovendien ook over schuld: ‘[Hij bedoelde] zijn glimlach niet als gunst […] maar als het inlossen van schuld / oprichten van een schild. // We vertellen moeders dat hij sommige jongetjes / uit de rij heeft getrokken.’ Ricks traumatische herinneringen aan zijn gedrag als soldaat is een soort spiegel geworden van de menselijke onverschilligheid tegenover het milieu. Hoewel er geen verwijzingen naar water in de reeks staan, is de Zondvloed zeker niet op veilige afstand. De overstromingscatastrofe wordt buiten beeld gelaten, waardoor die nog dreigender wordt.

    De overstromingstragedie loopt bijna laconiek af: de mensen wennen aan het water, in New Orleans wordt weer vrolijk pianogespeeld alsof er niets aan de hand is en ‘de kinderen die resteerden zeilden blij.’ Het is de ongemakkelijke conclusie van een duidelijk geëngageerde, maar nooit pamfletterige bundel. Onder het verhaal van De blanke gave liggen genoeg ideeën om het hoofd van menig lezer te laten borrelen.

     

    De blanke gave

    Ellen Deckwitz
    64 blz.
    € 15,00
    Uitgeverij Atlas/Contact