• Rotonde als anticlimax

    Mark Boog (1970) publiceerde vanaf 2000 een tiental gedichtenbundels en romans. Zijn nieuwste bundel De rotonde uit 2015 kreeg als ondertitel mee: ‘roman in verzen’, en is dus een combinatie van het verhalende en poëtische genre. Of er heel veel ‘romans in verzen’ zijn is de vraag … Een overbekend voorbeeld is Jevgeni Onegin van de Russische grootmeester A.S. Poesjkin uit 1833. Maar dat is veel omvangrijker dan De rotonde.

    De rotonde kent een strakke opbouw. Het bestaat uit drie afdelingen, die elk bestaan uit 33 gedichten. Elk gedicht telt vijftien regels, volgens het schema 4 : 4 : 4 : 3. De gedichten krijgen telkens hun beslag in twaalf regels. De drie slotregels vormen – met tal van kleine variaties – een telkens herhaald slotakkoord, een mantra die een ondertoon geeft aan het verhaal van dreigende onrust:

    Hij ziet de weg.
    Hij buigt het hoofd.
    Het onweert in de verte.

    Overtuigende poëzie

    De gedichten zijn gesteld in blanke verzen, ongerijmd dus, en met een krachtig en dwingend metrum en ritme. Daarmee overtuigt de dichter vanaf de eerste bladzijde. Was het niet A. Roland Holst die het een kenmerk van goede poëzie noemde als de lezer onwillekeurig de neiging voelt de gedichten in kwestie hardop voor te lezen? Mark Boog’s poëzie in De rotonde voldoet vaak aan dat criterium. De afzonderlijke gedichten, als ze al zo heten mogen, laten zich  op zich zelf lezen. Maar beter is toch ze tot je te nemen in de context van de hele bundel, als onderdeel van het verhaal, van de ‘roman’, omdat ze dan beter tot hun recht komen.

    Het verhaal gaat over meneer Van Dam. Hij heeft genoeg van zijn uitzichtloze bestaan dat kennelijk wordt bepaald door saai kantoorwerk, door de vergeefse maar niet aflatende zoektocht naar de liefde en door drankzucht. Hij heeft besloten zijn ziel aan de duivel te verkopen. Heel veel specifieke(re) contouren krijgt de figuur Van Dam niet, maar dat belemmert het meeleven of de geloofwaardigheid geen moment.

    Maar zelfs Van Dam herbergt een ziel. Hij loopt
    er jaren al mee rond, en is het dan
    een grauwe ziel, een ongevleugelde,
    het is er een. Zijn kostbaarste bezit.

    De advertentie die hij ooit de krant
    heeft aangeboden: “Ziel te koop. Niet duur.
    Als nieuw, haast ongebruikt. Gevraagde prijs:
    Talent, genie, genot, iets groots en vurigs.

    Ik wacht op vrijdagavond bij het kruispunt,
    na zonsondergang. U herkent mij
    aan de lege blik, de grijze jas
    het stof tussen de kaken.” Geen reacties.

    Overtuigend verbeeld

    En zo gaat Van Dam op pad, naar het kruispunt waar hij zijn ziel aan de duivel wil verkopen, net zoals volgens overlevering talrijke onwaarschijnlijk begenadigde kunstenaars en artiesten. Dit omineuze besluit valt min of meer samen met het concept van de zelfmoord. Zelfmoordenaars werden – eveneens volgens overlevering – begraven nabij een kruispunt, zodat hun zondige zielen de weg kwijt zouden raken. De rotonde verhaalt van Van Dams tocht naar zo’n kruispunt, en maakt de lezer deelgenoot van zijn overpeinzingen en inzichten. Poëtisch verwoord, sterk verbeeld, en overtuigend.

    De mens is een ontkenningsautomaat.
    Hij lacht zijn ziekte weg en pimpelt vrolijk
    de jenever binnen na crematie
    of begrafenis. Begint opnieuw.   

    Zo ook Van Dam – maar nu niet meer. Hij trekt
    zijn natte jas uit, vele kilo’s zwaar
    en laat hem achter op het wegdek. Dan
    slaat weer de twijfel toe. De nacht, het zwart,

    het niets! En onder het asfalt meters diep
    de zware klei, die zuigt, die aan hem trekt.
    Op hem leunt een zuil van storm en regen.
    drager van het al. […]

    Zelfbewust dichterschap

    De catch van Mark Boogs lange gedicht, helemaal aan het eind, is eigenlijk prozaïsch (no pun intended). Geheel in overeenstemming met de actuele praktijk in de wegenbouw is het kruispunt waarnaar Van Dam zo doelbewust en ‘definitief’ op weg was omgebouwd tot …? Juist ja: een rotonde. En daardoor is de betekenisvolle symboliek van het ‘kruispunt’ krachteloos geworden en ontlaadt de door de dichter opgebouwde spanning zich als een anticlimax. Van Dam rest geen andere keus dan doelloos rondjes te gaan draaien, achter een vage, grijze gestalte aan …

    De uitwerking van het verhaal doet denken aan een James Bond-film: Spannend, verrassend, onderhoudend, tot aan het einde, wanneer het verhaal steevast uit de bocht vliegt en het eigenlijk te gek wordt. Het lot van Van Dam in Boog’s De rotonde is niet zozeer ‘te gek’. De spanning, die zo knap, dreigend en beheerst werd opgebouwd, wordt aan het slot gewoon niet ingelost.
    Misschien is poëzie voor zo’n ‘verhaal’ dan toch een ongeschikt vehikel? Wel is het een uiting van Boogs sterke en zelfbewuste dichterschap. Dus: ‘verhalend’ is De rotonde niet helemaal geloofwaardig, poëtisch wel.

     

     

  • Bruggenbouwer

    De Syrisch-Libanese Adonis (1930) staat bekend als de grootst levende Arabische dichter. Het blijkt maar weer eens hoe slecht we hier soms op de hoogte zijn van het oostelijk halfrond, want Adonis is hier een vrij onbekende naam. In 2013 zond Het uur van de wolf een documentaire over hem uit, die overigens nog steeds online te zien is. Op een aantal door Ahmed Aboutalebin in 1995 vertaalde gedichten na, duurde het toch nog ruim een decennia voor er een Nederlandse bloemlezing verscheen. Uitgeverij Jurgen Maas, die overigens goed op de hoogte is van wat er in de literaire Arabische wereld speelt, bracht Wat blijft uit, met een voorwoord van de eerder genoemde Aboutaleb.

    Vertaler en dichter
    Adonis bevindt zich op meerdere manieren in een vreemde positie. Hij is atheïst, maar knipoogt tegelijkertijd naar de Koran, de Bijbel én naar klassieke mythologie; aan die laatste ontleende hij zijn pseudoniem. Hij vertaalde Yves Bonnefoy en Tomas Tranströmer, én was de eerste die de complete Metamorfosen van Ovidius in het Arabisch vertaalde. Dit bijpraten is niet alleen nodig omdat Adonis een relatieve onbekende is in ons taalgebied, maar ook omdat zijn vertaalgedrag en interteksten goede coördinaten bieden om zijn eigen werk te plaatsen.

    Die poëzie verspringt namelijk nogal eens van toon en de associaties die zo opgeroepen worden. Er is een wat ouderwets tweeluik over ‘de dichter’, waarbij die figuur een verheven rol toegeschreven krijgt die in de moderne Nederlandse poëzie vreemd klinkt:

    Hij zegt tegen de vorst: Sta op en kijk
    Je zult zien dat je mijn spoor en stappen volgt
    dat mijn gedichten
    eigendom zijn van het licht en dat jij een lichtstraal
    van mij bent die gloeit in mijn woorden

    In andere gedichten schemeren bijvoorbeeld Bonnefoy en Tranströmer door. Ze doen ook geregeld denken aan wat pakweg vijfenzeventig tot honderd jaar geleden als moderne poëzie gold. Klinkt lulliger dan bedoeld; Adonis’ gedichten zijn soms wat ouderwets, maar niet onleesbaar gedateerd. Bij een gedicht als ‘Concert 11 september 2001 voor Christus’ is het bijna even opschrikken: we zijn werk van een tijdgenoot aan het lezen. Maar veel in Wat blijft, ‘Een lied voor de tijd’ bijvoorbeeld, zou met enige fantasie uit een bloemlezing met een titel a la British Modernist Poetry kunnen komen:

    De tijd, de tijd van het beleg, die niets ziet
    dan dit bloed dat loopt in de straten
    vol huizen die niets zien
    dan deze ontploffingen in een onzichtbaar lijf
    Ik zeg tegen het zuiden: Ik ging
    waar jij ging, volgde ik, jij gaat
    en ik ga mee
    Jij leidt mijn stappen naar hoe
    Jij richt mijn vuur op wat trilt, naar mij wijst… misschien

    Hier wordt – ongemakkelijk actueel – oorlogsgeweld duidelijk opgeroepen. Daar staat onduidelijkheid tegenover: het is nogal met dat wel en niet zien, met vaagheden als ‘wat trilt’ (wat precies?) en ‘naar hoe’. Die twee polen blijven in de meeste gedichten tegenover elkaar staan; in het beste geval roepen ze een bepaalde spanning op, en in het slechtste geval enige ergernis.

    Het zal voor veel westerse lezers zonder Arabis(tis)sche achtergrond te zien zijn wat er voor oosterse elementen in Adonis’ poëzie zitten (ook uw recensent is zo iemand). Voor hen zijn er enige voetnoten achterin de bundel opgenomen die bijvoorbeeld uitleggen Ibn Abbas en Aboe Dharr metgezellen zijn van de profeet Mohammed, vrede zij met hem. Maar wie Khalida, aan wie een heel gedicht gewijd is, is moet je zelf maar opzoeken. De uitleg lijkt op zulke momenten vrij willekeurig te zijn. Opvallend: door het opvoeren van personages als Job – die wij uit de Bijbel kennen, maar ook een rol speelt in de Koran – herinnert Adonis ons er ook aan dat christendom en islam heel wat raakvlakken hebben.

    Aboutaleb schrijft in zijn voorwoord: ‘Adonis noemt ontworteling een nieuwe (en hogere) manier om te wortelen. Je moet het andere, het vreemde niet alleen zien als iets waarvoor je open moet staan, maar als wezenlijke dimensie van je mens-zijn. […] Zo tonen zijn gedichten de weg naar een nieuw soort burgerschap waarin interculturele dialoog en culturele diversiteit centraal staan.’ Een cynicus zou zeggen dat dat wel heel politiek correct klinkt en makkelijk inspeelt op de huidige tijdsgeest, maar Wat blijft laat duidelijk zien dat Adonis een bruggenbouwer is. Hij staat in twee tradities tegelijkertijd en verbindt deze, en nog veel meer zaken, in zijn gedichten.

    Het al eerder genoemde lange gedicht ‘Concert 11 september 2001 voor Christus’ is een goed voorbeeld daarvan. Een schijnbaar willekeurige datum (let op: een maand die voor het eerst voorkwam op de Romeinse kalender, en die was er 2001 v.C. nog niet) roept gelijk associaties op met de elfseptemberaanslagen uit onze moderne tijd. Er wordt een spiegeling opgeroepen, maar hoewel we redelijk wat weten over de beschavingen van vierduizend jaar geleden, is dat bij lange na niet zoveel als we van de huidige tijd weten. Wat Adonis laat volgen lijkt een soort invulling te zijn, een magische, anachronistische plek waar Apollo, Hegel en Jim Morrison buurten. Wie zich geroepen voelt is uitgenodigd om het gedicht uit te pluizen; en hetzelfde geldt voor het hele en soms moeilijk te doorgronden, maar zeker niet oninteressante Wat blijft.

     

    ,
  • Prachtige scherven in debuutbundel Dodion

    Pijn, smart, lijden – er is een flink aantal woorden voor dat, wat zeer doet, voorhanden. Toch weet Lotte Dodion (1987) in haar rauwe debuut Kanonnenvlees nog een aanzienlijk repertoire toe te voegen aan die vocabulaire. In zowel directe als veelzijdige metaforen passeert een bonte verzameling wijzen waarop mensen elkaar en zichzelf kwetsen de revue.

    In de bundel, die bestaat uit achtentwintig gedichten en een zestien pagina’s lange dichtcyclus, snijdt Dodion als een woordenfolteraar steeds nieuwe vormen van smart aan. De Vlaamse poëet doet dat vooral in de huiselijke sfeer, waar ,,munitie uit de barkast” wordt getrokken en mensen elkaar hooguit een ,,glimlach uit blik” gunnen. Het openingsgedicht ‘Schietgebed’ weet met slechts één strofe de omineuze toon meteen te zetten: ,,Ik moet je iets vertellen”.

    Dodion heeft knappe beeldspraak in huis die vaak recht voor zijn raap is, maar ook meerdere, subtielere lagen herbergt. Zo zwijgt in de afsluitende gedichtencyclus, het hoogtepunt van het boek, een moeder ,,een porseleinen stilte” en lacht de ikpersoon ,,een rookgordijn”. Een treffend sfeerbeeld dat het ongemakkelijke esthetisch weet te maken. De Vlaming bewaart een goede balans: het directe wordt niet oppervlakkig en het diepzinnige niet cryptisch.

    Dodion uit zich vooral in het vrije vers, maar trakteert de lezer tevens op een reeks sfeerverhogende poëtische technieken. Door slechts spaarzaam eindrijm toe te passen, lijken de woorden die rijmen een extra hechte verbintenis aan te gaan. Bijvoorbeeld wanneer in verder vrijwel rijmloze gedichten ineens ,,dood” en ,,schoot”  of ,,verveelt” en ,,spiegelbeeld” een wrange echo luid doen klinken. Een krachtig effect, zeker omdat sterke banden en hun verpletterende eindes het voornaamste thema vormen in Kanonnenvlees.

    Een ander stijlmiddel is het abrupt afbreken van zinnen en weglaten van woorden, zoals: ,,je steeds van het een naar het ander / nooit ergens echt”. De verhaspelde regels hebben iets gehaasts, iets onvolledigs en leggen een ongemakkelijke breuk bloot. Zonder het te noemen, wordt het afwezige pijnlijk benadrukt.

    De pijn die Dodion presenteert is een lijden dat raakt en naar meer doet verlangen. Er worden voor iedereen herkenbare situaties opgeroepen, maar de snedige metaforiek geeft de smart ook iets persoonlijks. Toch is Dodion zeker geen masochist. Wrok, woede, verdriet en verlangen naar een andere afloop (,,ik wil niet af raken / zonder jou”) druipen van de regels.

    De dreunende taal waarmee Dodion vele gedichten eindigt, galmt bij de lezer soms nog even na. De dichteres toont ons de brokken en scherven die overblijven nadat een eensgezind bouwwerk plots ineenzijgt en trekt de lezer mee in de leegte die volgt op verlies en uiteengaan in plaats van die nieuwe, spannende wereld die men zich had voorgespiegeld. Een bundel om je op een regenachtige dag in onder te dompelen.

     

     

  • Een cerebrale dichter

    De Vlamingen van Nederland zijn de Friezen. Tweetalig als ze zijn, groot geworden met de moedertaal van een kleine minderheid, zijn ze taalgevoeliger dan andere Nederlanders – en dus alleen al daarom beter gedisponeerd voor het schrijven, lezen, vertalen, proeven en appreciëren van poëzie.

    Het kan heel goed daardoor komen dat de gedichten van de Fries Elmar Kuiper zich moeilijk ‘geven’ aan niet-Friezen. Nu is dat op zichzelf volkomen in orde: de literatuur is immers niet per se het domein van gemakzoekers. Maar het lezen van de gedichten van Elmar Kuiper noopt wel tot een benadering met omtrekkende bewegingen.

    Volgens de flaptekst van de bundel Ruimtedier is de dichter (naast veel anders) verpleegkundige in de psychiatrie. Het verklaart mogelijk enkele bizarre beelden of overgangen; in elk geval sluit het aan op:

    De man op de gesloten afdeling

    U bent de Messias, zei de man. Mijn haar golfde tot  
    over de schouders. De gang was schaars verlicht. Bij
    de uitgang hield hij me tegen. Broeder, zei hij, alleen
    u kunt me redden. Laat me uw hand zien.

    Nu kende ik zijn biografie. De zusters spanden samen
    als witte heksen. De Gestapo had een schroeiplek in
    zijn trui gebrand. Dokter Mengele vergiftigde zijn lijf.

    […]

    Bij nadere beschouwing lijken gedichten die rechtstreeks met de psychiatrische praktijk verband houden schaars te zijn in deze bundel. Wél opvallend is het royale aantal ‘vogel-gedichten’, inclusief verwijzingen naar vliegen, vleugels, nesten en eieren. Dat die – direct of indirect – samen  geen afdeling vormen, maar verspreid door de gehele bundel voorkomen (een op de drie), geeft aan dit motief extra gewicht. En bedoelt Elmar Kuiper met het ‘ruimtedier’ uit de titel van zijn bundel een vogel, dier immers dat zoveel ‘ruimte’ nodig heeft? Op het omslag is in elk geval wel het gestileerde skelet verwerkt van een gevederde vriend. Tussen de regels door fladderen een reiger, een meeuw, een trotse gaai, zwaluwen, de adelaar, een parkiet, een duif (prijsdoffer!), ransuilen, gieren, een mus (uiteraard), merels en spreeuwen. En dan nog noem ik ze niet allemaal – bovendien heet Kuipers vorige bundel Hechtzwaluwen. Een vertrouwd beeld: begint een van de bekendst gedichten uit de wereldliteratuur niet met ‘Auf flügeln des
    Gesangens …’?

    Programmatische regels zijn niet overdadig in Ruimtedier, maar ze zijn er wel en ze pakken ook direct, bijvoorbeeld: ‘De mens grossiert in gejammer’ of ‘Nergens trekt het leven | een grens tussen mens en medemens.’ Of

    Gelukkig overwoekert de geschiedenis alles.
    Zoals elk gedicht het andere gedicht
    overwoekert […].

    En de poëzie? Kuiper dicht vooral cerebraal. Afstandelijk, onvoorspelbaar, zonder uitgesproken vormvastheid, maar toch een beetje streng, hier en daar met historisch of maatschappelijk engagement:

    Ja, ze bestaan nog en ik draag mijn steentje bij
    als vrijwilliger van een organisatie ter bevordering
    van natuurbehoud ga ik net over de grens.    

    Als dichter lijkt Kuiper sommige grenzen zorgvuldig te bewaken. Bijna komisch en in elk geval ontroerend is het dan ook dat het meest poëtische gedicht uit de bundel ‘Slagers’ heet, en gaat over Herman, de genetisch gemanipuleerde stier:

    Slagers die niets uitbenen, de droef
    stemmende slagers die stoeien
    met Herman de stier, de droeve slagers
    die knielen in het bloed van de briesende
    Herman die stoeit met de slagers, de drieste
    trieste onthoornde stier en de droef
    knielende slagers en arme Herman
    uitgeloeid in het bloed van de uitgestoeide slagers.

    Er spreekt een waardig, wellicht zelfs trots zelfbewustzijn uit een vers over een rund, geschreven door een Friese dichter. Dat hij er poëzie van maakt bevestigt Kuipers weerbarstige talent.

     

     

  • Zwelgend hart

    Liefdesverdriet is een ongesteldheid, onvergelijkbaar met andere kwalen van het menselijk hart. Een heftige, zelfmedelijdende golf van eigenwaan overspoelt onze gewoonlijk medemenselijke houding en zorgt voor een vervreemding van alles wat neigt naar helderheid en relativering. Dit moet bij schrijver/dichter Chrétien Breukers (1965) met factor twee vermenigvuldigd worden, gezien de mededeling op de achterflap van zijn jongste bundel De zomer haalt nog één keer uit. Breukers kijkt terug op maar liefst twee liefdes die voorbijgingen. Of dit feit een krachtiger impuls zou moeten geven aan de impact van zijn verdriet, en mogelijk aan de kwaliteit van de hier gepubliceerde gedichten, is de vraag die zich meteen opdringt. Wel is vast te stellen dat twee voorbije liefdes een grotere stroom aan zwelgende woorden teweegbrengen dan slechts een enkele.

    Het eerste gedicht uit deze bundel handelt over de verse herinnering aan het gezamenlijk liefdesspel. Op een bijtende toon haalt Breukers uit, de intimiteit vermorzelend onder de woorden:

    Hoe zal ik je beminnen? Haal ik de harde hand
    van stal of heb je liever eerst muziek en wijn
    en ruis van nepsatijnen lakens?

    Zal ik een bok doen toebereiden
    in zijn eigen melk? Mijn hoeven zet ik
    in je vlees. Mijn woede reageer ik
    af op officieren uit mijn leger.

    Dit is een boosheid die het ergste doet verwachten. Gelukkig gaat het er in de volgende verzen wat rustiger aan toe. De dichter mijmert over de eerste ontmoeting en vindt de juiste woorden om zijn passie te beschrijven: ‘Ik gromde van geluk’. Om te vervolgen met een wat uitgekauwde banketbakkersmetafoor: ‘Ik kneedde mij/ een lichaam naar gelijkenis. Ik tekende je ledematen/ in het deeg. Daar was je dan’.

    Breukers weet met zijn korte, afgeknepen zinnetjes een gevoelige wereld te boetseren. Liefde, teleurstelling en eenzaamheid worden vermengd met spontane observaties uit het dagelijks leven: een klussende buurman, een voorbijrijdende vuilniswagen of wandelend door de stad Utrecht. De samensmelting van die externe alledaagsheid met de persoonlijke zielenpijn vormt een goede basis voor deze poëzie maar wordt na een tiental gedichten ook wat clichématig. Er wordt doorlopend gereflecteerd op wat de dichter zelf voelt en ziet, er is geen sprake van een oorzaak, of een aanleiding, die tot deze toestand heeft geleid. Nog maar eens een gevoelige herinnering:

    Ochtend. De haag der dagen groeit per centimeter.
    De zon is grijs. De kade wordt gebezemd door het licht.
    De eerste auto’s maken geen geluid. Ik trek mijn kleren uit.
    Je slaapt. Ik ga de kamer in en sla het dekbed iets opzij.

    Mooi verwoord, hoewel de worsteling van de dichter langzamerhand wel erg overheersend wordt. Breukers laat met doeltreffende zinnen zijn verdriet de vrije loop, maar wil ook niet helemaal toegeven aan die treurige gesteldheid. Er is verzet, hij probeert het weg te duwen, het zit hem hoog dat hij in deze situatie is gemanoeuvreerd:

    Soms graaft het zich een weg door hersenstam en ruggenmerg,
    en ik, veel eenzamer dan God, doe net alsof het er niet is.

    Het is er niet. Het is er bij mijn weten nooit geweest. Nog even
    en ik hef op doordeweekse dagen tol op zaken van het hart.

    De herinnering aan de liefde én het besef dat hij slachtoffer van zijn eigen pijn is, wordt hem te veel (‘veeg het met één beweging van je hand bij mij vandaan’). Dan schiet hij uit zijn slof en vervalt in een rancuneuze stemming die het gemis omzet in regelrechte woede: ‘Mijn haat maakt groene bliksemflitsen in de lucht’. Het wordt moeilijk om de lijdende dichter te blijven volgen, zijn taal is afgepast en vol beeldende waarnemingen, maar de uitwerking van zijn gedichten brengt steeds meer ongemak. ‘Geef nooit het hele hart, dat is dan weg’ neemt hij zichzelf voor.

    Tegen het einde van de bundel ziet Breukers, in een nostalgische bespiegeling van ‘mijn oude buurt’, zijn dochters in de verte fietsen. Het daaropvolgende vers is een niet mis te verstane boodschap aan het adres van de moeder van zijn kinderen:

    Voed mijn dochters op en lever hellevegen af.
    Pook het vuur dat in hen sluimert op. Het kan,

    het lukt je wel. Je moederhaat als aanmaakblok,
    je vrouwentoorn als lucifer. Je minnaressenhoon.

    Het is niet de zomer, maar Chrétien Breukers zelf die nog één keer uithaalt. Op een steeds geforceerder wordende toon getuigt hij van zijn liefde, gemis, verontwaardiging en woede. Dat hij daarbij mooie plaatjes uit zijn omgeving en zijn herinnering schetst, is slechts een verzachtende omstandigheid: zonder enige vorm van introspectie wordt de wereld beschouwd, en vooral zijn eigen positie daarin. Hier is een boze dichter aan het woord.

     

  • De macht om te binden of te ontbinden

    Saemus Heaney moet zich wel vermaakt hebben toen hem ter ore kwam dat er een relletje gaande was rond de Nederlandse vertaling van District & Circle, zijn bundel uit 2006 die in 2010 in Nederland werd vertaald en onmiddellijk uit de handel werd genomen. Door tijdgebrek en slordigheid was een onzorgvuldige werk ontstaan. De nieuwe vertaling uit 2010, door Onno Kosters en Han van der Vegt, vormt nu eens te meer een pleziertje voor de Ierse Nobelprijswinnaar. Vertalen is met de handen in de aarde van de taal zitten, schoffelen, dingen omgooien, echt vakwerk en ambachtelijkheid, en om die reden aan Heaney welbesteed. En nu is in zijn tweetaligheid dit vakwerk ook echt te volgen. In deze bundel, waarin als vanouds het Ierse landleven naast persoonlijke herinnering de hoofdrol spelen, kijkt Heaney ook terug op zijn lectuur van Wordsworth, Rilke, Seferis, Kaváfis, Neruda, Auden, hij incorporeert hun poëzie, vertaald ze en spreekt ze toe.

    Nu is dat niet het aantrekkelijkste deel van deze bundel. Heaneys oeuvre is een oeuvre uit een stuk, hij behoort tot de weinige dichters in wier werk op elke plaats een eigen en herkenbare toon te horen is. Een goede reden om als vertaler met de handen in het haar te zitten. Een uitstekende reden ook om te constateren dat Heaney in zijn eigen vertaling van gedichten van bijvoorbeeld Rilke, Rilke kapot maakt en er een vreemd samenraapsel van Rilke- en Heaney-elementen van maakt, een soep die niet smaakt.

    De bundel District en Circle bevat twee lange en veelbesproken gedichten: het titelgedicht, waarin een tocht met de metro mythische connotaties krijgt, en een variatie op een oud thema van Heaney, de ‘Tollund mens’. Deze gemummificeerde man die uit vierde eeuw voor Christus stamt en  in Denemarken in de jaren ’50 werd gevonden, is vanaf vroeg in Heaneys werk een heel aantrekkelijk motief gebleken. De man, die door een wonderlijk samenspel van grondlagen en weersinvloeden en chemische afscheiding van mos zeer goed behouden bleef, geeft een schok van herkenning door zijn ongelofelijk levensecht gelaat. Een tuimelende tijdreis deze ‘Man van Tollund’, en om die reden waarschijnlijk zo populair bij Heaney, die zijn ‘omkijken’  altijd heel ronduit en aards wenst vorm te geven. Toch zijn in deze bundel niet de dichtersgedichten, niet de langere kunststukken de ware attractie, maar is het de schijnbaar dagelijkse landwereld, waarvan we wel willen geloven dat die nog bestaat in Ierland.

    Hooitouw

    Die wirwar van zachte toevoer en voeding –
    handenvol aan een hoop hooi ontlokt,
    gevierd om op te gaan in het spinnen, vouwen,
    ineengedraaid en strakgetrokken, rikkerdekik, tot touw –

    maar even vaak hanteerde ik aan het andere eind
    de haak
    liep achteruit, wond met al mijn inzet
    door elke klink en knik het hele verhaal ineen
    om de eindjes in elkaar te vlechten –

                        in mijn linkerhand
    de uitgeboorde vlierstok met schroefdraad,
    in mijn rechter de vervaardigde streng.

                          De wind in mijn rug,
    de zon op mijn gezicht, de macht om te binden, of te ontbinden
    vergaard uit en gewrongen in elke ruk en slag.

    Deze wereld bestaat in Ierland waarschijnlijk zo min als in Nederland nog. Heaney herinnert hem zich, zoals hij zich Hughie O’Donoghue herinnert, en Mick Joyce, Creagh Meadows, Bobby Breen, en vele andere mensen en plaatsen die Heaney ‘door elke klink en knik ineenvlecht’ met de ‘macht van de dichter om te binden of te ontbinden’. Heaney dicht over landwerk en ambacht omdat dat de aardse taal van zijn omkijken is. Een portrettengalerij van gewone mensen is deze bundel daarmee ook. In de metaforiek van oude gebruiken en handelswijzen en woorden (egtand, aambeeld, kolenbak, slaaplelie, ransel) en de prachtig ontnuchterende gewoonheid van de beschreven mensen en wat zij doen: ‘op zaterdagavond in Loudans slagerswinkel / stonden we in de rij’ is District en Circle een rijke wereld in zichzelf.

    In de hoofdstraat van Granard kwam ik Duffy tegen,
    die ik nog kende van vóór de jaren des verstands,
    in korte broek in het lokaal voor Oudere Kinderen
    waar een keer op een winterdag juf Walls
    het hoofd verloor en ons de kuiten ranselde
    om vuilbekkerij waarvan we dachten dat ze die niet kon horen.
    ‘Godallemachtig ,’ riep Duffy uit, en liep op me af,
    z’n stok in de lucht, beide armen breed uitgespreid,
    godallemachtig! Weet je nog, dat Spaanse rietje?’

    Waarbij de vanzelfsprekendheid van dit gedeeld verleden en de humoristische schijnbare coïncidentie dat de schrijver van het gedicht zich Duffy herinnert om exact dezelfde reden als waarom Duffy zich hem blijkt te herinneren, precies de tijdsprong is waar het in deze poëzie vaak om draait.

    Een tijdsprong als bij de man van Tollund, de enige 2.500 jaar oude mummie die je vandaag gerust een knappe vent kunt noemen weet Heaney zijn eigen landsverleden en -verhalen, zijn sappig-archaïsche maar soepele taal, plezierig algemeen te maken, voor elke lezer, wars van opgeblazen dichterlijkheid. Heaney blijft goed.

     

    Deze recensie verscheen eerder in Poëzietijdschrift Awater.

  • Mooie zintuigen

    Op 30 maart 2014 overleed onverwacht dichter, essayist en romancier Erik Menkveld op 54-jarige leeftijd. Hij publi- ceerde drie dichtbundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005), waarin hij een duidelijke ontwikkeling liet zien.


    Vanaf een binnenplaats gestaard te hebben
    naar de oude sterren
    op een donkere bank gestaard te hebben
    naar de uitgestrooide lichten,
    die mijn onwetendheid niet kon benoemen
    of ordenen tot sterrenbeelden,
    verwijld te hebben bij de watercirkel
    in de geheime regenput,
    het geuren van jasmijn en kamperfoelie,
    de stilte van de vogel in zijn slaap,
    de boog van het portaal, de vochtigheid
    – die dingen zijn misschien wel het gedicht.

    J.L. Borges, vertaling Barber van de Pol en  Maarten Steenmeijer.


    Bij de dood van een dichter kantelt zijn oeuvre. De drie bundels die Erik Menkveld (1959-2014) publiceerde zijn nu de enige drie bundels geworden. En bij het herlezen van die poëzie kantelt de lezer mee, want veel gedichten krijgen een geheel andere portée wanneer de dichter dood is. En dan niet alleen de meer voor de handliggende gevallen van ‘pijnlijke’ gedichten die refereren aan het midden-in-het-leven staan (gedichten voor kinderen bijvoorbeeld) en die dus altijd wel bitter zijn geworden, maar ook gedichten die in het licht komen te staan van een zekere manier van kijken die nu typisch is geworden voor deze dichter.

    Menkveld ontwikkelde zich in zijn oeuvre ruwweg van een lichte ‘inlevende’ dichter à la  Szymborska in De karpersimulator, tot een waarnemende en verzamelende à la Borges in Prime Time. Menkveld heeft een opmerkelijke hoeveelheid perspectieven beproefd –  misschien wel de meeste in het Nederlands taalgebied –  hij schreef niet slechts over een ‘popelend boontje’,  of  was ‘geeuwend uit eeuwige leeuwheid’, of bezag de wereld vanachter de net neergeslagen ogen van een stenen meisje van de beeldhouwer Hildo Krop:

    Mij en heel de roekeloos
    veranderlijk bestaande stad die mij omgeeft

    brengt zij tot stand vanuit dat veel te hoge hoofd;
    hier fiets ik, onverklaarbaar volledig aanwezig

    op een brug in Amsterdam-Zuid – vreemde inval
    van een stenen meisje, dat even haar ogen sluit.

    Tot zelfs het perspectief van het raamkozijn:

    Nu we de kozijnen zijn
    in deze keuken, kijken
    ze wel naar de leuke
    overbuurvrouw op haar
    balkon of een bescheiden
    lijnvlucht die overkomt,
    maar niet naar ons
    die alles omlijsten.

    Menkveld wel. Zowel dit mild schertsend geportretteerde misnoegde kozijn als de stenen gedachten van een meisje in welke hij zelf figureert tekenen Menkvelds buitengemene behoefte zijn eigen bewustzijn te verbreden.

    Iemand schreef naar Menkvelds uitgever een ‘asymmetrische vriendschap’ te zijn gaan voelen na het lezen van zijn boeken, asymmetrisch omdat de vriendschap van een lezer voor een schrijver van éen kant komt, vriendschap omdat het lezen van sommige schrijvers juist dat met je doet: dat je vrienden met de schrijver zou willen worden. Diezelfde asymmetrie heeft Menkveld in zijn ‘incorporaties’ – want dat zijn het, hij verdwijnt in het lichaam van andere dieren, objecten, kunstwerken, bezielt ze. Hij vergroot zijn eigen wereld door zowel kozijn als gebeeldhouwd meisje te kunnen zijn. En daar zit dan misschien toch wat melancholie, een diepe spijt op te moeten houden waar je ophoudt.

    Of zoals het energiek luidt in het motto van de tweede bundel Schapen nu!: ‘Groots is de Schepper! Wat gaat hij nu van je maken? Waar gaat hij je nu heensturen? Zal hij je misschien tot de lever van een muis maken? Of tot de poot van een insect?’ Het is een citaat uit een taoïstisch geschrift, en inderdaad zal de schepper van Menkvelds bundel je als adem door de longen van een schaap doen gaan. Menkveld is soms redelijk Tao.

    Dat heeft me altijd dwarsgezeten: elk dier
    dat men ziet is een fractie van mij.

    Van deze kunstige dier- en ding bezieling dus, beweegt het werk van Menkveld zich naar het verzamelen van sensaties met een steeds grotere precisie. Een poging zelf middelpunt van alles te worden, een aleph, in Borgesiaanse termen, de plek waar alles samenkomt. Menkveld ontwikkelde zich van een goedgeluimd ‘ bezieler van alles’ naar een dichter die wat hij ziet, leest, proeft, hoort, denkt,  binnenhaalt, is, en welgeformuleerd doorgeeft.

    In het zelfportret ‘Mooie zintuigen’  kijkt de dichter in de ruit van een trein en ziet sardonisch

    Doppen niet al te benepen,
    gok niet te gek, geen fietsenrek

    maar verderop, directer

    mooie zintuigen moet ik zeggen,
    al heb ik ze liever ongemerkt
    van binnenuit in gebruik

    We zien de dichter even naar zichzelf kijken. Menkveld is vaak evenwichtig en monter – een uitgesproken melancholiek gedicht steekt er als opvallend uit – en in dit prachtig gecomponeerd en muzikale gedicht wervelt de dichter naar een scherpe apotheose. Hij ziet een medereiziger in de spiegeling en

    Moet je mij onverstoorbaar
    zien blijven: ongerept bedachtzaam
    medereiziger, zich duidelijk
    niet bewust hoe smeulende
    overbuurvrouw terloops
    zijn weerspiegeling beschouwt
    vanuit het dansfeest op haar hoofd.
    Niet éen keer lijk ik uit mijn
    ogenschijnlijk kijken naar het
    dwars door haar lawaaiig staren
    en mijzelf heen razend grazen
    varen bouwen op te kijken.

    Een schitterende zin die Menkveld ten voeten uit is: relativerend, precies, verrassend, tot denken aanzettend, je verplaatsend. Erik Menkveld was een culturele veelvraat, wereldpoëzie, film, beeldende kunst, klassieke muziek, in alle gedaanten, de klassieken, culinaria,  jazz, religie, filosofie verpakt hij in dit oeuvre op een laconieke wijze en op zo’n manier dat het glanst. Ook wel dat het swingt, of statig danst. Of uitschiet, maar fraai, omdat het langste Menkvelddichtwoord appelrodewingerdrankomrande er in moest. Of een oplawaaiverzekerend komaaropkind. Menkveld kon goed schapen bezielen en zich inleven in zijdehandelaren, maar het mooiste aan Menkveld bleken zijn zintuigen. Veel van wat zij onbekommerd waarnamen is er nog.

     

    Dit stuk is eerder verschenen in Poëzietijdschrift Awater (2014).

    Erik Menkveld publiceerde de bundels, De karpersimulator (1997), Schapen nu! (2001) en Prime Time (2005). In januari 2016 verscheen Verzamelde gedichten bij uitgeverij Van Oorschot.

     

     

  • Wereldpoëziedag met een gedicht van Laurence Vielle

    De Belgische Dichter des Vaderlands, Laurence Vielle schreef in de nasleep van de Internationale Dag van het Geluk het gedicht Veiligheid, dat wij op Wereldpoëziedag, graag laten klinken. Dit is haar tweede Gedicht des Vaderlands.

     

    Veiligheid

    gemoeds-
    rust
    geef mij wat
    gemoedsrust
    heren dames zonder scrupules
    ik heb een dak
    nodig
    eten voor mijn kinderen
    verzorging en wie weet een
    tuin om in te werken
    benoem in mijn land
    een minister van geluk
    voor mijn veilig/gelatenheid
    en een hart open voor de ander
    en reizen wil ik ook
    reeën en wolken bespieden
    wegen om op te stappen
    om zonder herrie met elkaar te verbinden
    mooie banken om met elkaar te praten
    bomen die naast ons staan
    die ons aanzetten om te blijven
    breng me muziek bij
    breng me gedichten bij
    wakker onze verlangens
    naar schoonheid aan
    iedere dag zeggen jullie
    “ durf nog meer te
    besparen
    de kosten van de sociale zekerheid
    blijven maar oplopen
    die stijging moet gestopt”
    en de zekerheid de sociale
    die welvaart onder iedereen
    verdeelt, onder sterken en zwakken
    die rust brengt in de ziel
    de zekerheid die bijdraagt
    aan mijn zielenrust
    wordt nog een beetje ingekort
    terwijl een man in mijn woonwijk
    van koude sterft
    de andere veiligheid
    jullie zwaaien ermee
    tanks tanks op onze keien
    “ burgers vrouwen mannen
    voor jullie welzijn maken wij
    miljoenen en miljoenen euros vrij
    vei veilig veilighei
    veiligheidheidheidheidheidheid heidheidheidheid
    het is voor jullie veiveiligheidheidheidheidheidheidheid”
    moeder vader het hele gezin
    zit bang voor de teevee
    blijft thuis
    in die veiligheid
    heren dames die voor ons besturen
    neen daar geloof ik niet in

     

    (Vertaald door het Vertalerscollectief van Passa Porta: Pierre Geron, Danielle Losman, Bart Vonck en Katelijne De Vuyst)

    In België werd enkele jaren geleden op één van de belangrijke pijlers van de sociale zekerheid zwaar bezuinigd. Tegelijkertijd ontspoorde het budget voor de veiligheid (de strijd tegen het terrorisme).
    ‘Veiligheid’ houdt twee tegengestelde bewegingen in die de essentiële behoeften onder druk zetten.

  • De kracht ligt in een soort alledaags surrealisme

    Het aantal gedichtenbundels dat per jaar verschijnt lijkt overzichtelijk en het aantal debuten in deze categorie zeker. Toch ontsnapt er af en toe een debuutbundel aan de aandacht; Heidi Korens, Gedachten over een mogelijk einde bijvoorbeeld, heeft bijvoorbeeld op weinig aandacht kunnen rekenen. Bij nadere kennismaking van deze bundel blijkt dat ten onrechte te zijn. Koren schrijft heldere poëzie die niet vrij is van (beginners)foutjes, maar uiteindelijk overtuigt.

    Zo’n veertig gedichten telt de bundel, die niet onderverdeeld zijn in afdelingen. Alles staat door elkaar: kortere teksten, prozagedichten met een bijna verhalende toon, soms is de toon anekdotisch, soms lyrisch. Gedachte-experimenten (kun je met een caravan over de rand van de hemel rijden?) worden afgewisseld met melancholie, inclusief J.C. Bloemachtige slotregel:

    ‘Ik weet mij vrouw / Ik weet mij ouder van mijn kroost / en ouder elke dag Ben doordrongen van zijn boot Ik zwaai verlegen om hem te zeggen / dat ik niet vergeet / Ik kan niet leven zonder de dood.’

    Een rode lijn is er echter niet; opvallend in een tijd waarin poëziedebuten steeds vaker  behoorlijk uitgekristalliseerd aandoen, of zelfs al een duidelijk geheel vormen. Gedachten over een mogelijk einde is in zekere zin een typisch debuut in bijna klassieke zin: van een dichter die aftast, stijlen en methodes probeert.

    Voordeel daarvan is dat Koren niet in herhaling, of nog erger, maniertjes vervalt. Nadeel is dat de gedichten van wisselende kwaliteit  zijn. Het ene idee is wat beter uitgewerkt dan het andere, het ene gedicht is sterker dan het andere. Maar tegenover de niet altijd even goed uitpakkende experimenten staan ook fraaie gedichten; Turing Top 100-fraai zou je bijna zeggen. Ze doen vermoeden dat Korens kracht in een soort alledaags surrealisme ligt, waarin ze het gewone en het ongewone in elkaar laat overvloeien; het anekdotische en het lyrische; lichte humor en dito melancholie. Het openingsgedicht slaagt daar goed in, met regels als ‘Uit mijn voetzolen groeien wortels / het hoogpolig tapijt in’.

    Korens volgende project, haar afstudeerwerk aan de Schrijversvakschool, schijnt een roman te zijn. Hopelijk blijft ze ook gedichten schrijven, want haar debuut smaakt naar meer en schept verwachtingen. Want de schrijver van een gedicht als het volgende, laat zien dat ie wat kan:

    ‘Ik denk wel eens aan astronauten
    aan hangen boven de vissenkom

    zwemmen in het niets
    hapjes lucht nemen

    aan hoe ik vroeger op kon stijgen uit mijn bed
    mijn kleine slaapkamer uit

    de schoorsteen door
    zweven boven het alles

    dat ik mij voornam het koordje van mijn pyjama
    vast te knopen aan de poot van mijn ledikant’

     

     

  • Poëzieorgie zonder grenzen

    Het omslagontwerp van de nieuwste bundel van Delphine Lecompte is een doeltreffende vertaling van de geschreven woorden die aan de binnenzijde te vinden zijn. Op een helder blauw fond heeft de vormgever in schreeuwerige en haast oogverblindende typografie de titel en auteursnaam neergezet. Letters als aan- en uitflitsende neonverlichting, een kakafonie van verschillende indrukken, het is precies zoals de verzen van Lecompte overkomen op de lezer.

    Dichter, bokser, koningsdochter is alweer de zesde dichtbundel van Lecompte die in 2010 met haar debuut De dieren in mij de C. Buddingh’-prijs won. Haar verzen zijn verhalend, vrijwel zonder structuur en met een veelheid aan indrukken opgetuigd. De ik-figuur is onderworpen aan verschillende angsten, overheersende machten om tegen te strijden, en probeert zichzelf daarvan te bevrijden.

     In mei leer ik een dadaïst kennen en niets verandert
    Ik blijf ongepast, ik blijf obscene gedichten schrijven
    Over sponzenverkopers en over vogelwichelaars,
    Over gekwelde okapi’s en over uitgekiende meeuwen
    Die mij vrede brengen, ik heb vrede met mijn barsheid.

    Er lijkt geen rem te zitten op deze poëzie. De verschillende strofen worden steevast bevolkt door vreemde figuren als de robuuste kreeftenkweker, de necrofiele tegelzetter, de tirannieke bontmagnaat of de charismatische kriekenvreter. Als in de apocalyptische wereld van schilder Jheronimus Bosch laat Lecompte haar personages in de meest bizarre uitdossingen op het toneel verschijnen. Een haast mystieke werkelijkheid waarin de hoofdpersoon haar weg probeert te vinden en heden en verleden tracht te overdenken.

    Die wereld wordt in krachtige zinnen beschreven. Een onafgebroken stroom vaststellingen die een bepaalde omstandigheid inleidt, om al in de volgende regels een scherpe wending te maken en in een geheel andere vorm uiteen te vallen. Slechts hier en daar is een lijn te ontdekken, maar al snel wordt de lezer weer losgelaten in een werveling van nieuwe ontwikkelingen.

    Daar waar ik een staart zou moeten hebben kust
    De oude kruisboogschutter mij innig, hij vindt niet
    Dat ik een staart mis, hij vindt toch dat ik vreselijk onvolmaakt ben
    Ik vind niet dat hij verwerpelijk is, ik vind wel dat hij een staart mist, ik bijt hem
    In de straat wordt een touwslagersvrouw gewurgd door haar bipolaire schoonbroer.

    Wanneer we opnieuw gekleed zijn zeg ik tegen de oude kruisboogschutter:
    ‘Ik wil opnieuw beginnen. Ik wil opnieuw analfabetisch zijn en dieren leren spellen…’
    ‘Welke dieren?’
    ‘Gekwelde okapi’s, balorige woelmuizen, onstuimige steenmarters, en spitsvondige orka’s.’
    De oude kruisboogschutter zucht, eet een brok gruyère, trekt mijn kleren weer uit.

    Het is de oude kruisboogschutter, die in veel gedichten opduikt als een vaste waarde, naar wie de ik-figuur telkens weer terugkeert. De man met wie ze seks heeft, die haar borsten beoordeelt en klaagt over het uitblijven van fellatio. De relatie is tweeledig: de hoofdpersoon lijkt zowel mantelzorger als geliefde te zijn. Een onaangename verhouding, waarbij lichamelijk contact en seksuele uitbarstingen haast terloops aan de oppervlakte komen, maar in iedere regel op de loer liggen.

    De verwarring in deze gedichten is tegelijk een feestelijk spel met woorden: Lecompte is een groot liefhebster van de meest surrealistische adjectieven die ze met smaak in haar verzen verwerkt. Het versterkt de verhalende kracht en maakt dat de zinnen hardop gelezen willen worden; de beste manier om te proberen greep op deze poëzie te krijgen.

    Toch krijgt de onderliggende tragiek in Dichter, bokser, koningsdochter de overhand als men zich door de hoofdstukken ‘moeder en kind’, ‘seks en werk’ en ‘liefde en brood’ heen werkt. De beschouwingen vliegen alle kanten uit en eindigen steevast in een onnadrukkelijke afloop. In de tussenliggende regels is telkens weer de speldenprik van narigheid aanwezig, de rauwe seks, al dan niet vrijwillig aangegaan door de hoofdpersoon. De zweem van kinderlijke zorgeloosheid, gecombineerd met een zakelijke vanzelfsprekendheid maakt ook ‘Ode aan pooier Benny’ tot een ongemakkelijke confrontatie:

    Benny had geen gouden tanden, maar wel een grote auto
    Met bespottelijke snufjes en onnodige airco
    Het was nooit warm die zomer, ik mocht hem pijpen tijdens het rijden
    Op de achterbank lag een zwaarlijvige pointer Pipo genaamd
    Pipo was milder dan Benny, maar Benny rook lekkerder dan Pipo.

    Benny rook naar vettige diademen en Portugese zwoerdslierten
    Hij zei vaak lukrake dingen zoals: ‘Mijn moeder vond eens een punaise
    In een gestolen preitaart.’ En: ‘Ik hou van het woord assegaai.’
    En ook nog: ‘Toen ik acht was heb ik voor het eerst een zeepzieder naakt gezien.’
    ‘Ik ook, ik ook!’ Was mijn reactie op zijn voorlaatste uitspraak
    Maar hij dacht dat ik op de naakte zeepzieder doelde.

    Het razende tempo waarmee Delphine Lecompte haar enerverende leven aan de man brengt, maakt dat de lezer zich al snel verzadigd afwendt. Door de grillige opsomming van gebeurtenissen en uiterlijkheden veinst ze een soort luchtigheid die echter als een zware deken over de pagina’s ligt. Het zijn vooral de terugkerende scherven seksuele confrontatie waar de dichter naar toe lijkt te willen werken: een liefdeloze blootlegging van een beschadigde ziel. En toch, gelukkig, in een volgende strofe wordt opeens een gevoeligheid aan de dag gelegd die het gevestigde beeld weer helemaal doet kantelen:

    Ik hoop dat niemand sterft vandaag
    Niemand die ik ken aan een hersenbloeding
    Of aan een bespottelijke verstikking in een marsepeinen misthoorn
    Op een verlaten parkeerterrein, vooral wij niet
    Ik hoop vooral dat wij blijven leven vandaag.

    Lecompte blijft leven, zoveel is zeker. De poëzieorgie – zoals ze haar eigen dichtkunst noemt – is een uitbundig spel met woorden waarbij de fysieke relatie met anderen telkens weer tot, nauwelijks aanraakbare, realiteit wordt gemaakt.

     

  • Zeggingskracht van poëzie

    In 2014 verscheen de poëziebundel Weg van Damascus, van de Palestijns-Syrische dichter Ghayath Almadhoun. Op het omslag van deze bundel is het schilderij ‘De kus’ van Gustav Klimt te herkennen – maar liefelijk of ongeschonden is het niet, integendeel. Kennelijk is het schilderij veel meer dan levensgroot aangebracht op de muur van een gebouw of huizencomplex. Het zit vol beschadigingen, inslagen van kogelgaten, hele stukken muur ontbreken. Het symboliseert een aangrijpende werkelijkheid, die een wrede combinatie laat zien van enerzijds tederheid, overgave, artistieke inspiratie en aan de andere kant de bittere, actuele realiteit van oorlog en verwoesting. De titel van de bundel is Weg van Damascus, waarmee – voor zover dat nog nodig was – die bittere actualiteit in drie woorden ook nog eens is samengevat. Het gaat over het Midden-Oosten en over ‘weg’ zijn. Het hele oorlogs- en vluchtelingenvraagstuk is aan de orde, nog vóór de lezer de bundel zelfs maar heeft opengeslagen.

    Klinische observaties
    De gedichten van Almadhoun bestaan uit poëtisch proza of prozaïsche poëzie. De bundel bevat volgens de inhoudsopgave elf gedichten, die bijna alle uit meerdere delen bestaan.  De tekst van ‘De stad’ bijvoorbeeld, kennelijk over Damascus,  valt in acht stukken van zeer ongelijke omvang uiteen. Overkoepelend is het markante contrast tussen lieflijke beelden en de schrille realiteit.

    […] Deze stad heeft de navelstreng die haar verbindt met de dood niet doorgesneden. Elke nacht slijpt ze haar mes, in afwachting van de volgende slachting. Had ik maar de warmte van de motor van een auto in jouw trieste winter, of de kou van een graf in jouw bittere zomer, o woestijn van cement, o stad die thee drinkt op de melodie van de strijd, die de dans van de nederlaag danst op de lijken van haar verdoolde zonen. Amen.

    De cyclus ‘Details’, bestaande uit 19 fragmenten, is in klinische observaties evenzeer schrijnend – en juist door de poëtische vorm veelzeggend en aangrijpend.

    Een aantal mensen probeerde me weg te trekken, maar de sluipschutter protesteerde met zijn geweer, waarna ze zich bedachten. Hij was een gewetensvolle sluitpschutter, die eerlijk zijn werk deed en tijd noch mensen verkwistte.

    Afzichtelijke werkelijkheid
    Of wat te denken van de verbluffende speelsheid waarmee Almadhoun de begrippen ‘verdriet’ en ‘leed’ te lijf gaat in het gedicht ‘Hoe ik een dichter werd’:

    Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te kopen. We vonden een verdriet dat in goed staat verkeerde, het was alleen een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. […]

    Overtuigend slaagt de dichter erin een uitzichtloze en afzichtelijke werkelijkheid die wij alleen kennen uit de krant en van de actualiteitenrubriek, op een indringende en ‘andere’  manier onder de aandacht te brengen. Voorwaar geen geringe verdienste van de dichter – en de bevestiging van de overweldigende en onuitputtelijk zeggingskracht van de poëzie. Van Almadhouns poëzie, maar ook van poëzie in het algemeen. Zoals het ook iets zegt over dichters, die uit omstandigheden die daar beslist geen aanleiding toe geven, inspiratie weten te putten voor gedichten die confronteren, amuseren, afleiden en troosten. Dit dwingt in het geval van Almadhoun niet alleen bewondering af, maar ook diep, diep respect.

     

     

  • Chroniqueur van Nederlandstalige poëzie

    Ik wilde ik kon u iets geven
    tot troost diep in uw leven,
    maar ik heb woorden alleen,
    namen, en dingen geen.

    Uit: Verzamelde lyriek tot 1905
    Herman Gorter (1864-1927)

    Vorig jaar kwam de prachtige bloemlezing het Nieuwe Groot Verzenboek uit, onder redactie van Jozef Deleu (1937) vooral bekend als samensteller van het tweejaarlijks poëzie tijdschrift Het Liegend Konijn. Deleu is een groot kenner en volger van de Nederlandstalige poëzie. Van de wieg tot het graf zou je kunnen zeggen, gezien de indeling van het Groot verzenboek. Ongelooflijk ook hoe hij steeds weer opnieuw verrast met zijn keuze en samenstelling.

    Het begon allemaal met een 17 jarige jongeman die vanaf 1954 van elk gedicht dat hem beroerde de titel in een boekje noteerde. Een keuze uit dat poëzie logboek leidde in 1976 tot de eerste uitgave van wat toen nog , Groot gezinsverzenboek, 500 gedichten over leven, liefde en dood heette. In de daarop volgende jaren verscheen er met enige regelmaat een geheel herziene uitgave waar in de loop der jaren gedichten aan toegevoegd werden. En zo kan het dat deze zevende editie, Groot Verzenboek 600 gedichten over leven, liefde & dood tegelijk de achttiende, herziene en uitgebreide druk is.

    De bloemlezing kent zeven afdelingen met titels als:Verwachting en geboorte. Vader en moeder. Man en vrouw. Het samenleven. Het huwelijk. De vriendschap, en de laatste afdeling: Eenzaamheid. Ziekte. Dood. Het doet wat stichtelijk aan, zoiets als de Baedeker voor de vrouw uit de jaren zeventig: een naslagwerk voor de huisvrouw, moeder en echtgenote, maar dit is meer. Laat de thema’s los en freewheel er doorheen, ook dat is een manier om de dichters van onze tijd te leren kennen.

    Onuitputtelijke bron

    Dit verzenboek beslaat een tijdspanne van bijna veertig jaar (1976 – 2016) aan Nederlandstalige poëzie, geselecteerd op de thema’s waar poëzie bij uitstek geschikt voor is: het leven, de liefde en de dood. Het lijkt een wat plat gegeven maar wanneer er een bruiloft is, of een begrafenis dan worden de gemoederen ten diepste geraakt. Een handvol poëzie om uitdrukking te geven aan vreugde of verdriet is dan nooit weg. Daar is deze bloemlezing een uitkomst voor. Maar meer dan dat is het een prachtige verzameling van belangwekkende dichters die in het Zuiden met Guido Gezelle begint en in het Noorden met Herman Gorter.

    Alles wat daar tussen ligt is een struinen door een dichterslandschap waar we Vasalis ontmoeten, Hans Warren, Hanny Michaelis, Hugo Claus, Ester Naomi Perquin, Hester Knibbe, Ed Hoornik, Leopold, Leo Vroman, Esther Jansma, Paul Rodenko, Lucebert, Remco Campert, Maria Barnas, Maria van Dalen, Kira Wuck, Lies van Gasse, Ingmar Heijtze, Menno Wigman, Ida Vos, Rob Schouten, Mark van Tongele, Karel van Woestijne, Stefan Hertmans, Ilja Leonard Pfeiffer, Tsjead Bruinja, Sasja Jansen,Adriaan Morrien, Annie M.G. Schmidt, Slauerhoff, K. Schippers, Marjolein van Heemstra, Hagar Peters, Chrétien Breukers… Een onuitputtelijke bron van namen die genoemd mogen worden, als een gedicht op zich. Het blijft verrassen wie er allemaal in staan en voor een deel is het een heerlijk feest der herkenning.

    Deze bloemlezing vormt ongemerkt een brug tussen de tijd dat poëzie serieuzer en zwaarder van aard werd geacht, (en alleen  voorgedragen in kleine kring) en deze tijd waarin poëzie vooral via podium/theater festivals wordt beleefd. Er zijn nog nooit zoveel poëziefestivals geweest als in de laatste tien jaar. Voor Jozef Deleu maakt dit niet uit. Van hem kun je verwachten dat hij al die 600 gedichten kent en ze met gevoel voor tijd en persoon gekozen heeft in de stilte van zijn werkkamer, poëtische bronnen aansprekend waaruit woorden vloeien voor levensmarkerende momenten. Zijn onvermoeibare inzet om poëzie die er toe doet wereldkundig te maken, is wederom zeer prijzenswaardig.