• Begenadigd dichter maar geen avonturier

    ‘De dichters liegen de taal uit elkaar’ stelt dichter Guillaume van der Graft in het gedicht De derde waarheid, ‘en maken logaritmen van de vereenzaamde dingen’. Dat liegen nemen we met een flinke korrel zout, maar de machtsverheffing van eenzame dingen is een fraaie formulering waarmee de poëzie als geheel wordt omschreven. Van der Graft (1920-2010) heeft nogal wat gedicht over schrijven en dichten, alsof hij telkens weer opnieuw bevestiging zocht in zijn speurtocht naar de geheimen die de taal voor hem verborgen hield.

    ‘Schilderen is te handtastelijk,
    filmen te openbaar,
    gedichten schrijven gaat heimelijk,
    incognito, voor een paar
    handen, een paar
    ogen, het is een gebaar
    van verstandhouding met
    een enkeling,
    regel na regel hakkel je
    kleine hapjes van het hart’

    De bundel is een ruime bloemlezing uit het werk van Guillaume van der Graft, die eigenlijk Willem Barnard heette en theoloog was. In zijn lange poëzieloopbaan heeft hij pas aan het einde van de vorige eeuw enige bekendheid gekregen, doordat zijn werk werd opgemerkt door de toenmalige generatie dichters als Hagar Peeters en Menno Wigman, die zich enigszins verwant met hem voelden. Samensteller Ingmar Heytze heeft zich uitgeleefd op het oeuvre van Van der Graft en een honderdtal gedichten voor deze bundel bijeengebracht. Heytze is duidelijk een bewonderaar en was bevriend met de dichter. De eerlijkheid gebied te zeggen dat dit niet in het voordeel van dit boekwerk spreekt: deze bloemlezing is veel te dik.

    Van der Graft was beslist een begenadigd dichter, een ware taalkunstenaar, maar geen avonturier. Zijn verzen bestaan veelal uit constructies die enerzijds een individuele diepgang bezitten, maar tegelijkertijd, een aantal achter elkaar lezend, een oppervlakkigheid vertonen die deze bundel al snel minder boeiend maakt. In Te wit om door te gaan, net over de helft van het boek, zit die ontwikkeling er al flink in:

    ‘Het sneeuwt. Het is bevroren water,
    het is verloren tijd, het is

    andersomtaal, een zwijgzaam praten,
    licht vallend uit de duisternis.

    Het sneeuwt, het heeft met de dood te maken
    en met de klokken van voorbij,

    er ligt vergeving op de daken,
    er is een toekomst buiten mij.’

    Nog een aanmerking op dit gedicht: de laatste twee regels tonen hoe de dichter hier en daar zijn religieuze wereld in de poëzie verwerkt. Dat hoeft geen obstakel te zijn, maar zorgt wel voor een sfeer van bovenaardsheid die een onverdeelde poëtische kwaliteit in de weg staat. De hand van de onafhankelijke dichter dreigt overlopen te worden door de zalvende toon van zijn overtuiging: ‘God alleen weet hoe bang/ ik ben. God weet hoe erg/ verbroken samenhang schrijnt (…)’.

    Gelukkig zijn er vaak korte strofes die plotseling opspringen en de aandacht weer richten op de eigenzinnige uitdrukkingsvorm die Van der Graft ook in zijn poëzie heeft gestopt. Hij schrijft als vader aan zijn kind in Reisvaardig en begint met de uitnodiging: ‘Laten we samen op reis gaan, dochtertje,/ ver genoeg om anders te worden’. Om de magie nog verder uit te bouwen in de volgende regels:

    ‘Je bent nog zo aan het begin,
    dat je de eilanden ziet ontstaan
    en hoe de nacht plechtig het ei legt
    van de maan.

    Een mooi beeld, aan het prille begin zien dat ‘eilanden ontstaan’, hoe een levensweg aanvangt en een kind de weg gewezen wordt. De lieflijkheid in deze regels vormt een kenmerkend onderdeel in de taal van de dichter. Op veel momenten in Er loopt een gedicht voor mij uit komt hij spontaan tot uitbarsting in een heftige ode aan de liefde. Niet sentimenteel, maar als een nuchtere vaststelling van zijn gemoedstoestand. In Getrouwd ontwaken begint hij in stevige woorden: Ik treed verwoestend bij haar / binnen / om een nieuw leven te beginnen, / zij keert haar glimlach om. Om vervolgens af te sluiten, in vervoering: Er luiden bellen die wij samen bliezen.

    Het wisselende karakter van deze bundel, de vlakke verzen tegenover de meer enigmatische regels, maakt dat de lezer met horten en stoten naar het eind toe beweegt. Onderweg ligt nóg een flink obstakel op zijn pad: Van der Graft doet in vrijwel al zijn gedichten aan rijm. Niet volledig en op alle plaatsen, maar toch genoeg – zowel binnen als buiten – om een zekere geforceerdheid op te roepen. De worsteling van de dichter wordt voelbaar op iedere pagina en draagt niet bij aan een ongeremde leeservaring. Als hij dan ook nog zaken weet te combineren, ontstaat er een vorm van reli-rijm:

    ‘God zit ook onder de grond
    met ogen van steen en een mond
    van water. Hij spreekt bomen.
    Hij zegt: laat de kinderen komen.
    Ik weet precies wat hij zegt,
    ik heb mijn vader gelegd
    onder mijn voeten. Ik
    sta doodstil op zijn blik,
    maar hij plant mij voort,
    woord voor woord.’

    Ingmar Heytze verklaart in zijn verantwoording deze uitgave chronologisch te hebben geordend. Naar het einde toe wordt Van der Graft merkbaar vrijer in zijn vorm, een wat lossere stijl met een ruimer arsenaal aan woorden. In die zin is Er loopt een gedicht voor mij uit een grondige ontwikkelingsgeschiedenis van een dichter geworden. Met als treffend sluitstuk een gedicht waarin de dichter opnieuw over zichzelf dicht:

    ‘Zoveel leven

    Het spijt mij dat er zoveel leven is
    dat niet mee mocht in mijn gedicht: bacillen
    bijvoorbeeld, onwelwillende

    kiemen, de zwanenzang
    van hoestende longen, klieren
    waaruit alleen maar tranen

    geboren worden. Hun taal
    verdraagt mijn woorden niet.

    Dat dingen niet bestaan is geen bezwaar
    getuige die denkwaardige
    vissen die naar mij fluiten, vogels

    die met nieuwsgierige kieuwen
    toonladders oefenen, tak op tak af.
    Ze schuilen hier, ze waren nergens welkom,

    tenzij in een eenzaam gedicht mij.’

     

     

  • Getuigenis van een sterven

    Michel Faber (1960) is geboren in Nederland maar woont al sinds zijn kindertijd in landen waar Engels de voertaal is: eerst Australië, later Schotland. Sinds eind jaren 90 publiceert hij romans en verhalen, alle geschreven in het Engels. Meerdere van zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands. Wereldwijd succes verwierf hij met The crimson petal and the white uit 2002 (vertaald als: Lelieblank, scharlakenrood), een omvangrijke roman over het leven van een 19-jarige prostituee in Londen tijdens de regeerperiode van koningin Victoria. Tot leven. Een liefdegeschiedenis is de eerste bundel gedichten van Faber.

    De reikwijdte van poëzie in onbegrensd. Gerrit Komrij merkte al eens op: de onderwerpen waarover gedicht wordt, variëren van God tot een eierslaatje. Nu is er dan de bundel Tot leven. Deze gedichten zijn geschreven naar aanleiding van de ziektegeschiedenis en het overlijden van Fabers vrouw Eva, gedichten over multipel myeloom, een ongeneeslijke vorm van beenmergkanker. Nu kan poëzie heel goed waarachtig zijn, en zelfs zuiver autobiografisch zonder terughoudendheid. Met pathetiek ligt het anders: dat kan gedichten gruwelijk ongenietbaar maken of in elk geval onpoëtisch. Het rustige, nuchter-informatieve voorwoord bij deze gedichtenbundel is in dat opzicht – klinkt gek in deze context misschien – geruststellend. Pathetiek staat de lezer niet te wachten. Hartverscheurend verdriet des te meer.

    […]

    Waar je ook komt kussen ze je op de wangen,
    betrekken ze je in hun toekomstplannen,
    vertellen ze je hun geheimen,
    delen ze je hun dromen mee,
    en beloven je van alles
    wat ze nooit zullen gaan doen.
    Alleen je beenmerg kan
    met zekerheid voorspellen
    wat je toekomst brengen zal.

    Dit zijn geen gedichten die je leest omdat je graag ‘een mooi gedicht’ wilt lezen. Deze gedichten zijn een getuigenis die in een andere vorm waarschijnlijk tenenkrommend zou zijn geweest vanwege de volkomen ongefilterde realiteit, de overbodige feitelijke details die het juist in poëzie zo goed doen.

    […]

    Na elk verlies en elke nieuwe zwakte
    verviel je verder aan mijn zorg.
    Bij elke nieuwe handeling besefte ik nog meer
    dat ik er was voor jou, en dat wij tot het laatst
    er samen voor zouden staan.
    Met elke nieuwe taak won
    ik meer je vertrouwen
    en leerde jou op mijn beurt
    dat je mij vertrouwen kon
    Mijn liefde was niet langer uit op je genezing,
    maar richtte zich op het verwarmen van je sokken,
    het kloppen van je custard, het prakken van tomaat,
    het lezen van verhalen, het masseren van je been,
    en op geliefde, vriend, verzorger zijn ineen.
    Kapot en weer hersteld was ik wat ik beweerd had
    nooit te kunnen zijn: je steun en toeverlaat.

    De bundel valt in twee delen uiteen. Het eerste deel gaat in op de ziekte en het aftakelingsproces. Het tweede deel op de periode na de dood van de geliefde vrouw. Het [moment van] overlijden zelf komt – overtuigend, net als in veel andere gedichten – onnadrukkelijk maar onverbiddelijk voorbij. Nog een treffend voorbeeld van deze krachtige gedichten:

    Je as
    Je as weegt zwaar, weegt
    zwaarder dan ik dacht.
    Ik wandel naar de trein
    met in mijn hand het plastic tasje met
    de asbus die de uitvaartleider meegaf,
    door de hoofdstraat met zijn cafetaria’s,
    winkelfilialen en moegslenterde toeristen
    met tasjes als het mijne, waarin flessen drank
    die minder wegen dan jouw overschot,
    en ik heb het gevoel dat ik
    te veel heb gekocht.

    Voor wie het weten wil: ‘Vraag het dan gerust’ is het mooiste (of beste?) gedicht in deze bundel. Zoek het maar op. Anderzijds … ‘mooiste’ of ‘beste’ zijn kwalificaties die slecht bruikbaar zijn in dit verband. Het criterium van vorm of traditie is hier ook al ruimschoots losgelaten. En toch is er iets ontstaan in dichtvorm dat – zoals altijd bij goede poëzie –  meer is dan de som der delen. Een bevrijding voor de schrijver, een memento voor de aanbeden overledene, een houvast voor wie dit is overkomen of te wachten staat. Kankerpoëzie die sterk is en onnadrukkelijk, die straalt, heelt en troost.

     

     

     

  • Activistische dichtkunst

    Ondanks dat er de afgelopen jaren geen gebrek was aan schrijnende politieke, maatschappelijke en economische problemen, is het Nederlandstalige poëzielandschap in die tijd niet overspoeld door een golf van jonge, geëngageerde dichters. Gelauwerde activistische poëten als de Belgische Charles Ducal en Dichteres des Vaderlands Anne Vegter lieten luidkeels van zich horen, vooral wat de vluchtelingencrisis betreft. Maar veel jonge en debuterende dichters hielden zich verre van politieke thema’s. Zo erg dat Ilja Leonard Pfeijffer in zijn vorige, veelvuldig onderscheiden bundel Idyllen de volgende aanklacht in keurige alexandrijnen aanhief:

    ‘Dus vrienden, grote dichters van heel Nederland /
    en België, waar wordt geschreeuwd is taal vacant. /
    Ik vraag niets, wil niets, eis niets, heb niets uit te leggen. /
    Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?’

    Daar liet de bard uit Genua het niet bij zitten. Samen met zijn goede vriend en geestverwant Erik Jan Harmens schreef hij de bundel Duetten, een dertigtal titelloze gedichten waarin de twee dichters steeds beurtelings een strofe schreven. De samenwerking kwam tot stand via de mail  en is chronologisch afgedrukt. Uitgever Lebowski verwoordt de bundel  treffend als ‘een dringend lied’ waarin gezongen wordt ‘dat de wereld naar de ratsmodee gaat’.

    Zo’n typering kan de verwachting wekken dat er hier plat gekankerd gaat worden op incapabele politici en domme plebejers die de maatschappij en aarde naar de verdommenis helpen. Maar dan ken je Pfeijffer en Harmens nog niet. Van Brexit tot racistisch gejoel (‘daar moet een piemel in!’) , van populisme en ‘dobbernegers’ tot jihadisme: de grote kwesties van deze tijd worden allemaal opgediend – en gefileerd.

    Een van de sterkte attaques van de bundel is het begrip tonen voor de aantrekkingskracht van jihadisme in een maatschappij die nog slechts in één ding gelooft: ‘ons heilig groeimodel’. En actueel nadat minister Edith Schippers (VVD, Volksgezondheid) onlangs zei dat alle culturen helemaal niet gelijkwaardig waren. ‘De onze is een stuk beter dan alle andere die ik ken’, aldus Schippers. Koren op de molen van Harmens en Pfeijffer, die juist begrijpen dat gemarginaliseerde en gediscrimineerde jongeren zich door een zuiver, eenduidig fundamentalisme met een missie laten meevoeren – tegenover een decadente samenleving die is vervallen tot ‘debiel geconsumeer’. Pfeijffer:

    ‘We leven hier een tandpastareclame na /
    Verkrampt en grimmig grijnzend in de camera /
    Ik snap het wel dat iemand maait met zijn geweer /
    Beschiet en blaas maar op die boel. Het gaat niet meer’

    Dergelijke kritiek op de leegheid van de consumptiemaatschappij is uiteraard nieuw noch origineel. Al ruim een eeuw wijzen filosofen, dichters, musici en kunstenaars op hoe een overgave aan luxegoederen, massamedia en technische speeltjes de ziel en diepere zingeving van de burger en maatschappij heeft uitgehold. Pfeijffer en Harmens vernieuwen deze kritiek echter op eigenzinnige wijze en plaatsten die midden in deze tijd – waardoor hun gedichten overlopen van urgentie.

    Niet alle zaken zijn politiek-maatschappelijk van aard. Het alcoholisme dat Pfeijffer en ´Westmalleman´ Harmens beiden jarenlang met zich meetorsten en uiteindelijk overwonnen ( waarover beiden eerder schreven, respectievelijk in Brieven uit Genua en Hallo, muur) komt veelvuldig aan de orde. Verrassend genoeg wordt het afkicken niet gepresenteerd als een van daadkracht getuigende triomf. Integendeel, er wordt met openlijke nostalgie teruggeblikt op de tijden dat ‘ik nog dronk en oplossingen vloeibaar waren’ (Pfeijffer) en toen ‘alles al na de eerste plop versofte in mijn zorgenkop’ (Harmens). Het verworden  tot geheelonthouder voelt als een kater en de ‘onwennig vast[e]’ koers wordt dan ook door beide dichters gehekeld. Harmens:

    ‘er is geen roes meer er is alleen maar tijd
    die tikt als messenprikken in je nuchterheid’

    Kortom: wee mij, mijn groots en meeslepend bestaan is gereduceerd tot het delen van een bonuskaart en ‘theedoeken en washandjes […] strijken / voordat we naar de mooie bloemen buiten kijken’. Een pijnlijk besef. Wie het vervolgens moeten ontgelden, zijn de passieloze, burgerlijke typetjes die hun ‘gewoonheid nergens op [hebben] bevochten’. Wat weten zij van een bruisend bestaan? De krachtige, authentieke oermens is uitgestorven, pleiten de dichters. Wat resteert: ‘[d]e jacht is punten sparen, leven uitgekien, / gezever, complicaties en een stroom van woorden’. En wederom de drang om op wanhopige wijze aan de mondaine waanzin te ontsnappen: ‘[g]eef me een geweer / en zendtijd. Ik leef nog een allerlaatste keer.’

    Ook een ander soort uitgeblust plebs wordt op de hak genomen – en wel de mensen die de echte wereld hebben verruild voor een virtuele en neppe social media-realiteit. Dat is onderdeel van een breder thema dat over de bundel is uitgesmeerd: het verlies van en de wanhopige zoektocht naar iets authentieks. ‘als tantalus reik ik door mijn tijdlijn naar authenticiteit […] als midas raak ik alles wat ik tag weer kwijt’, dicht Harmens. Hierbij wordt zelfs een knappe vergelijking tussen bluefaces (term voor mensen die continue in de weer zijn met hun smartphone waarbij het blauwe licht hun gelaat beschijnt) en de grot van Plato gelegd. Het veelvuldig opduiken van Instagram, Facebook en de neologismen die daarmee gepaard gaan, komt soms wat repetitief, bijna lelijk over. Dat lijkt opzet: door dit effect wordt de lelijkheid en monotonie van de online tijdlijnen onderstreept.

    Hoewel de dichters beiden soortgelijke thema’s te lijf gaan, hebben ze ieder natuurlijk hun eigen uitgesproken stijl. Pfeijffer gaat door op de weg die hij met Idyllen was ingeslagen en spuwt zijn rijke vocabulaire strak in rijmende alexandrijnen over de lezer uit. Harmens werkt met zijn kenmerkende georganiseerde chaos, waarbij spontaan optredend rijm vooral functioneel ingezet wordt, om woorden banden te laten aangaan of om echo’s te laten opklinken. Ook verhaspelt hij zinnen om een warrig effect teweeg te brengen en passeert de typische ranzige esthetiek die Harmens eigen is, geregeld de revue: ‘nadat ik je restjes poep uit m’n wc-pot pis / verbeeldt het wit keramiek mijn jouwgemis’.

    Duetten trakteert ons op twee nietsontziende dichters die de wereld (en de lezer) op schitterende wijze bij de kladden grijpen en er flink van langs geven. Het duo dat in 2009 al opriep tot meer engagement en urgentie in hun in Trouw gepubliceerde Manifest voor een riskante literatuur bewijst nu meer dan ooit actuele thema’s en maatschappelijke problemen in versvorm nieuwe zeggingskracht te kunnen geven. Dat lijkt, zeker na het lezen van deze bundel, hoognodig. Met Pfeijffer, Harmens en een handjevol anderen als voorhoede is het niet ondenkbaar dat activistische dichtkunst in Nederland toe is aan een wederopstanding. Een aanrader voor mensen die wakker geschud willen of moeten worden.

     

    Lees ook:
    Idyllen
    Brieven uit Genua
    Hallo, muur

     

     

  • Wie is er geen Cassandra

    In 1978 debuteerde Elly de Waard met haar bundel Afstand, waarin zij een eigen stem liet klinken dwars tegen het geluid van de Vijftigers in. Zij pleitte voor een meer lyrische poëzie, waarin op directe wijze uitdrukking werd gegeven aan emoties en gevoelens. Ook het ritme kreeg een prominente plaats toebedeeld, want De Waard stelt dat gedichten voorgedragen moeten kunnen worden: ‘Dichters die hun eigen werk niet kunnen voordragen […] hebben te weinig naar zichzelf geluisterd.’ Inmiddels heeft zij vijftien bundels op haar naam staan, waarvan In die tijd die, de jongste is.

    De titel van de bundel doet aartsvaderlijk en bijbels aan, als het begin van het evangelie van Lucas: ‘En het geschiedde in die dagen […]’. In het derde gedicht, dat dezelfde titel draagt, wordt dat aangevuld: ‘In die tijd (die van alle tijden is)’. Ook uit de verdeling van de gedichten blijkt dat De Waard probeert alles te omvatten: ‘Tijd en ruimte’, ‘Materie, aarde’ en ‘Slaap, evenwicht’. De vierde afdeling is getiteld “Oorlogscyclus’  en staat los van de andere.
    Vanuit het idee dat De Waard het gehele universum probeert te betrekken in deze bundel kan ook de keuze van de gedichten verklaard worden: er is geen onderscheid gemaakt, alles hoort bij elkaar. Hermetische gedichten zijn geplaatst naast de wat eenvoudigere, humor en ernst lopen door elkaar, evenals heden en verleden: Eeuwen geleden is niet verder weg / dan Afrika, Antarctica en dichterbij / dan Mars. […]

    Er is een sterke ontwikkeling in de toon en het onderwerp van de gedichten merkbaar door de gehele bundel: in de eerste afdeling ‘Tijd, ruimte’ lijkt de dichter alleen te observeren en verslag te doen zonder verdere interpretaties, als een waarnemer op afstand:

    Als wij aannemen dat het heelal een
    gesloten systeem is, bepaald door zijn
    oneindigheid, dan zal het, zoals alle
    gesloten systemen, onderhevig zijn
    aan de wet van het behoud van energie

    De gehanteerde versvormen wisselen elkaar af, evenals  ritmes,  lengte van de gedichten en de woordkeuze. Die doet de ene keer archaïsch aan en in een ander gedicht juist zeer hedendaags is, waarbij zowel ‘hymne’ als ‘rap’ een plaats krijgen in datzelfde gedicht. Weer andere gedichten zijn ronduit flauw of onbegrijpelijk, zoals het openingsgedicht ‘De triniteit van pi’, dat eerder thuishoort in een wiskundig studieboek. Toch is er bij deze bundel geen sprake van een aantal willekeurig bij elkaar geraapte gedichten, maar doet het geheel aan als een collage waarvan de uitkomst meer is dan de som der delen. In het gedicht ‘Het belang van willekeur’ zegt De Waard dan ook: ‘Zelf deed ik weinig of veel, maar het toeval / was altijd mijn meester’. Er wordt aan het een niet meer belang gehecht dan aan het ander: wetenschap en natuur zijn, hoewel vaak tegenstrijdig, beide van invloed. Zo kan Alfred Einstein  samen met Brian Ferry een plaats krijgen in het grote geheel.

    In het tweede deel ‘Materie, aarde’ wordt de afstand die de dichter ten aanzien van de dingen bewaart, gaandeweg kleiner en laat ze haar betrokkenheid zien en de emoties die vooral de natuur bij haar kan losmaken: ‘Wat genoot ik ervan, de wilde orde / die er heerste op mijn gebied’. Hoewel gevoelens zich aandienen, is het belangrijk dat er nog orde heerst, al is dat ‘wilde orde’.  Maar geleidelijk aan is verlies van controle onontkoombaar en verzet daartegen is nutteloos: accepteren en berusten is het enige dat we kunnen doen als de elementen, de natuur en de ouderdom alles gaan beheersen.

    In het derde deel ‘Slaap, evenwicht’ wordt deze tendens voortgezet. De gedichten worden milder van strekking, liefdevoller en humoristisch. Ze spreken van rust en berusting. In de chaos van de tijd is er een evenwicht gezocht en gevonden, echter niet zonder het angstige besef dat het tij elk moment kan keren:

    Wat is er in de lichtheid
    van mijn leven overdag
    dat het betaald moet worden
    met de zwaarte van de nacht?

    Deze mooie cyclus van angst en aanvaarding had hiermee afgesloten kunnen zijn, ware het niet dat De Waard er een vierde deel aan toegevoegd heeft: Oorlogscyclus. Hiermee komt alles wat in de voorgaande delen gezien en overwonnen was, weer op losse schroeven te staan. Paniek en angst domineren – ‘angst is een roofdier dat onder je bed slaapt’ – en worden teweeg gebracht door de actualiteit van oorlog, vluchtelingen en de ramp met de MH17. Hier is het niet mogelijk om afstand te nemen: De Waard uit haar angst en haar woede zonder terughouding:

    Ooit werd ik in een oorlog geboren
    Aan het eind kleurt de wereld opnieuw in bloed’

    Ze waarschuwt voor een nieuwe oorlog in het laatste, prachtige gedicht ‘Als Cassandra’:

    Wie is er geen Cassandra in een tijd
    waarin je zonder visionair te zijn
    kunt zien dat Troje zal gaan branden?

    Het verontrustende laatste deel van de bundel vormt een angstwekkend contrast met de zojuist verworven milde zelfgenoegzaamheid uit de voorgaande delen en dat is ook merkbaar aan het taalgebruik dat De Waard hanteert. Strakke en korte ritmes doen deze gedichten opgejaagd klinken als de vluchtelingen over wie zij spreekt. Voor mooie woorden en elegante vergelijkingen is er geen plaats meer. Dwingend spreekt ze  de lezer rechtstreeks aan: ‘Luister, het is de wind niet, blijf niet doof’.

    Elly de Waard heeft met deze prachtige bundel de angstgevoelens van vele mensen vertolkt. ‘In die tijd die’ is een titel die elk voor zich kan aanvullen. Wat voor de hand ligt, is het besef dat die bedoelde tijd toch vooral de ónze is, met alle verschrikkingen en ellende die om ons heen waar te nemen zijn. In deze bundel laat De Waard de actualiteit van het heden en het leed van het verleden dooreen lopen. Tijd en ruimte laat ze versmelten tot één heelal, één alles omvattende kosmos, waarin alleen het kleine universum van het menselijk bewustzijn zich probeert te verzetten tegen de krachtstroom van de natuur en de loop van de planeten, de omwenteling van de jaren, de terugkeer van de seizoenen.

     

     

  • Poète maudit plaatst zich buiten de samenleving

    De reputatie van de Franse dichter Charles Baudelaire (1821-1867) heeft zich losgezongen van het alledaagse. Baudelaire is helemaal een ‘figuur’ geworden, een symbool, het prototype van de ‘gedoemde dichter’, de poète maudit. Het begrip ‘poète maudit’ werd gemunt in 1884 toen Paul Verlaine een bloemlezing uitbracht van het werk van gedoemde dichters die – toevallig of niet – min of meer gelijktijdig naar voren traden in Frankrijk in de 19de eeuw. Behalve Baudelaire betrof het onder meer Arthur Rimbaud, Tristan Corbière, Gérard de Nerval, Stéphane Mallarmé en Comte de Lautréamont. De poète maudit plaatste zich buiten de samenleving, spotte met normen en waarden van de burgerij, schopte heilige huisjes omver, ging zich te buiten aan seksuele uitspattingen, brak met vertrouwde, literaire technieken, gebruikte verdovende middelen, richtte zich kortom te gronde – en overleed jong.

    Baudelaire voldoet helemaal aan dit profiel. Zijn persoonlijke geschiedenis werd bepaald door drugsgebruik, grote armoede en schulden, onstuimig liefdesleven, ziekte (m.n. syfilis) – maar als literair figuur werd Baudelaire bekend en geroemd om zijn opzienbarende en vernieuwende werk. Met de scandaleuze publicatie Les Fleurs du Mal (1857) luidde hij een nieuwe fase in van de poëzie.

    De genese van de bundel Les Fleurs du Mal is een geschiedenis op zich. Enkele gedichten uit de eerste versie werden als onzedelijk verboden – een verbod dat in het libertijnse Frankrijk pas in 1949 werd opgeheven. Zijn hele korte leven lang werkte Baudelaire aan de bundel die zozeer met zijn dichterschap samenviel. De definitieve versie van Les Fleurs du Mal omvatte uiteindelijk 151 gedichten. Zonder specifieke aanleiding (?) verschijnt bij Athenaeum-Polak & Van Gennep een eenvoudig uitgevoerd boekje met daarin vijftig gedichten uit Les Fleurs du Mal van Baudelaire in het Frans, met daarbij de vertalingen van de hand van Paul Claes, onder de titel Zwarte Venus. Een verwijzing naar de ‘mulattin’ Jeanne Duval, met wie Baudelaire ca. 20 jaar een weinig stabiele relatie onderhield. Paul Claes is dichter en schrijver, maar vooral bekend en gelauwerd om zijn vertaalwerk uit het Frans, Engels, Duits en Latijn, van berucht ‘moeilijke’ auteurs als Rimbaud en Joyce. Ook vertaalde hij werk van Nederlandstalige dichters in het Engels van bijvoorbeeld J.A. dèr Mouw en Guido Gezelle. Claes is een toegewijd en nauwkeurig lezer, die van zijn leesavonturen op gedegen wijze verslag doet, zoals ook nu in Zwarte Venus van Baudelaire.

    Zwarte Venus bevat een korte inleiding, een beknopt chronologisch overzicht van de belangrijkste feiten uit Baudelaires leven en een literatuuropgave, inclusief een overzicht van eerder verschenen Nederlandse vertalingen. Bovendien levert Claes per gedicht gedetailleerd commentaar, waarin hij ingaat op de geschiedenis en achtergronden van de gedichten. Het is, om kort te gaan, een uitstekend uitgangspunt voor een (hernieuwde) kennismaking met het werk van de gedoemde dichter Baudelaire. Voorbehoud daarbij is het feit, dat poëzie vertalen de moeilijkste aller kunsten is, zoals J.C. Bloem heeft gezegd. De vertaler blijft dicht bij het origineel en kan dan evidente gewrongenheid niet vermijden. Of de dichter vertaalt ‘vrij’, en maakt – geïnspireerd door het werk van een ander – eigenlijk nieuw werk. Van dit laatste zijn tal van vertalingen van Jean Pierre Rawie een goed voorbeeld.

    Nu dan naar de Zwarte Venus van Claes / Baudelaire. Uit de vertalingen en commentaar spreekt de grote deskundigheid van Paul Claes, evenals zijn zorgvuldigheid en toewijding. En de vertalingen zijn zonder meer knap – maar ‘tot leven’ komen de gedichten in het Nederlands niet. Als voorbeeld dient het gedicht ‘Spleen’, echt een Baudelaire-woord, een moeilijk vertaalbaar begrip dat Wikipedia niet onaardig omschrijft als zich ‘lekker droevig’ voelen, en waarvan de Duitse variant ‘Weltschmerz’ duidelijker is (en dus bekender werd).

    Spleen

    Wanneer de lage lucht haar deksel zwaar laat wegen
    Op onze geest die zucht in zijn neerslachtigheid,
    En op de omtrek van de horizon gezegen
    Een donker daglicht droever dan de nacht verspreidt,

    Wanneer de aarde kil verandert in een kerker
    Waarbinnen als een vleermuis onze Hunkering
    Tegen de wanden fladdert met verschrikte vlerken
    En met haar kop botst op de klamme zoldering,

    Wanneer de regen eindeloze vlagen laat beginnen
    En zo tralies nabootst van een weids gevang,
    En als een stille drom van walgelijke spinnen
    Zijn webben weeft binnen onze gedachtegang,

    Ontsteken klokken in een plotselinge toorn
    En richten naar de lucht hun dolle razernij
    Als zwervers die ver van hun land de weg verloren
    En losbarsten in onophoudelijk geschrei.

    – Een lange lijkstoet zonder trommen of trompetten
    Trekt langzaam door mijn ziel; na de genadeslag
    Weent de Hoop, en de wrede Angst, die mij verplette,
    Plant op mijn neergebogen hoofd zijn zwarte vlag.

    Ziedaar een programmatisch gedicht. Het is geen slecht Nederlands en zelfs, meelezend met het – gelukkig ernaast afgedrukte Frans – geen slechte vertaling, hier en daar zelfs mooi maar echt tot leven komt het niet. Juist de poëtische vonk, die als het goed is gedichten elektriseert en betovert, is in de vertaling verloren geraakt. En dat is jammer – maar misschien onvermijdelijk. Niettemin dient dit boekje uitstekend als leidraad tot het lezen van Baudelaires beroemde gedichten in het Frans, wat deze poëzie zeker verdient. De toegewijde dichter Paul Claes is daarbij – om zijn kennis van het Frans en van het werk van de gedoemde dichters – een leidsman zoals men zich geen betere wensen kan.

     

     

  • Een ervaren en vernuftige poëzielezer

    Mijn gedichtenschrift van Benno Barnard is een boek van feestelijke rijkdom. Het bevat ruim vijftig korte opstellen die allemaal zijn geschreven naar aanleiding van of in reactie op een of twee gedichten. Die gedichten zijn geschreven door overbekende schrijvers als Sappho van Lesbos, Goethe of T.S. Eliot. Maar Mijn gedichtenschrift bevat ook beschouwingen over werk van veel minder bekende auteurs als Maurice Carême, János Lackfi of Francis Dannemark. De gedichten zijn vrijwel allemaal opgenomen in hun oorspronkelijke vorm. Als bonus bevat het boek – naast de originele teksten – in alle gevallen ook vertalingen, vaak van de hand van Benno Barnard, maar ook van talrijke anderen zoals Paul Claes, Lucienne Stassaert, Charles B. Timmer, P.B. Shelley (!) of Google (!!). De talen waaruit vertaald is vormen ook weer een uitgebreide en verrassende staalkaart: Engels, Frans, Duits, Hongaars, Russisch, Pools … Daarnaast worden nog eens tientallen andere auteurs in de teksten terloops aangehaald of wordt naar hen verwezen. Alsof Barnard met dit boek de meervoudige onbegrensdheid van poëzie heeft willen onderstrepen.

    Gelaagdheid

    Voor zover Barnard de liefde voor de poëzie niet belijdt door zijn keuze voor tekst en auteur, dan is het wel door zijn beschouwingen. Die onttrekken zich aan enige vorm van algemene karakterisering. Het zijn herinneringen, opstellen met een taalkundige invalshoek, persoonlijke, poëtische boutades, literair-historische verhandelingen en zo voort. Alleen door te beschrijven in welke hokjes dit boek niet past, kan enigszins een beeld worden gegeven van de ongewone kwaliteit ervan. En die is – als gezegd: feestelijk en rijk. Want de dichter die Barnard zelf is, komt in zijn opstellen natuurlijk geregeld aan het woord – wat het poëtisch gehalte van dit boek nog verder verhoogt. Het is (ook) daardoor hoogstpersoonlijk van karakter. Het boek wemelt van aforisme-achtige uitspraken: “Elders is het niet beter, gewoonlijk zelfs aanzienlijk slechter.” Of: “Vergeefs zoekt de westerse beschaving een vorm van doodsstrijd die haar verleden waardig is.” Of Barnard valt direct en persoonlijk bij de lezer in huis, bijvoorbeeld als volgt: “Bij alles hoort een gedicht; dit [het gedicht ‘Insomnia’ van de 12de eeuwse Ibn-al-Hammarah] hoorde bij de hotelkamer in Rabat, waar ik in april 2004 wakker lag van Marokko”, waarmee in enkele woorden een gelaagde setting wordt opgeroepen die nieuwsgierig maakt naar het vervolg.

    Een levenlang

    Het boek heeft – naast de echte buitenlanders – een overduidelijk Vlaams zwaartepunt. Dat is begrijpelijk voor wie weet dat Benno Barnard, een Hollander van geboorte, bijna veertig jaar in België woonde. Min of meer voor de hand liggende Nederlandse dichters ontbreken. Geen Bloem, Brassinga, Campert, Gerhardt, Gerlach, Komrij, Lucebert, Nijhoff, Rawie of Hendrik de Vries. Maar wel Ingmar Heytze, P.C. Hooft, Ed Leeflang en … Benno Barnard. Maar ook Barnards eigen gedicht is een tekst die is geïnspireerd op een vers van een ander, nl. de Engelse dichter Matthew Arnold.

    Wel signaleert Barnard hier op een mooie manier hoe gedichten een mensenleven lang mee kunnen gaan en met je mee-groeien: “Dat gedicht ken ik al vele jaren – en zoals dat gaat met sommige verzen, ze worden portable, je draagt ze levenslang met je mee, en terwijl je dat doet wijzigt hun betekenis zich in je ingewanden.” Ook aan zo’n bijna terloops gemaakte opmerking merk je met een ervaren en vernuftige poëzielezer te maken te hebben.

    Doet dit boek ergens aan denken, al is het maar in de verte? In de verte – misschien – aan Komrij’s bloemlezingen-plus-beschouwingen als In liefde bloeyende (1998) en Trou moet blijcken (2001). Maar Komrij wilde de lezer door middel van deze bundels toch altijd graag iets leren. Bij Barnard krijg je als lezer meer het gevoel dat je wordt getrakteerd. Een traktatie om lang en langzaam van te genieten.

     

     

  • Onvergelijkbare Nacht van de Poëzie

    Onbehaaglijk koude rillingen die via de ruggengraat omhoog kruipen en kippenvel krijgen bij het horen van een gedicht. Dat kon je zomaar overkomen tijdens de 34e editie van Nacht van de Poëzie. In Tivoli/Vredenburg te Utrecht hingen zo’n 2000 bezoekers aan de lippen van een twintigtal opmerkelijke dichters. Een Nacht die overrompelde met dichterlijke bijdragen en enkele opzienbarende entr’actes.

    De Nacht opende glorieus met een beeldpresentatie van voorgaande Nachten, wervelende lichtbundels als sproeiende douchekoppen, openingswoorden van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin en de Vlaamse dichter Charlotte Van Den Broeck die de spits afbeet. Haar dichtwerk over lijden en het doorbreken van sleur, was in tegenstelling tot het werk waar ze vorig jaar de Nacht mee afsloot, minder doordringbaar, maar evenwel met veelduidende strofen als: ‘geluk is geruisloos’. Of: ‘niemand strijkt de hemden meer of de man eronder’.

    ‘Spiegeling’
    Voor de geëngageerde Belgische dichter (voorheen Dichter des Vaderlands) Charles Ducal, is het socialisme nog zeer bruikbaar. Thema’s als arbeiders, Kongo, vluchtelingen op zee met een uitstapje voor een ode aan schrijver Emil Verharen (1855-1916) wist hij het publiek te boeien. Onze eigen Dichter des Vaderlands Anne Vegter is ook zeker geëngageerd maar bracht dit met zowel onontkoombare scherpte als luchtigheid. Zij was het die de luisteraars kippenvel en rillingen bezorgde met het indringende gedicht waarin ze zich afvraagt: ‘Wat nu, als de hele wereld kantelt’. Een fantastische omkeerbaarheid van de vluchteling. Heel Nederland valt uit elkaar en iedereen slaat op de vlucht maar nergens welkom. De opbouw was scherp en zonder pardon. Zo hebben we dat graag. Afsluitend klonk haar bekende: ‘Geschiedenis vindt evenwicht, maar niet vanzelf.’,werd in deze versie: ‘altijd’. Ook Joke van Leeuwen hield het publiek een spiegel voor met een karakteristiek beeld van de huidige Nederlander waarin, aan het geregeld opklinkende lachen te horen, velen zich herkenden.

    K. Michel veroverde de zaal met humor en mooie vondsten. Sterk opgebouwde, verhalende gedichten. Zoals het gedicht dat begint met het wachten op de accountant om zijn zaken op orde te brengen, is meesterlijk. Het gaat uiteindelijk over een verstoorde zus die er eigenlijk niet is omdat ze dood is. Dat een dichter niet altijd weet welke kant het gedicht op gaat, bewijst hij door de account er weer uit te schrijven en zo kwam de ‘boekhouding nooit op orde’.

    De jonge dichters van de Nacht onderscheidden zich door werk waarin nog veel werd ‘losgemaakt van ouders (vooral moeders) en werd geworsteld met verwachtingen die hen zijn opgelegd. Roos Rebergen eindigde een gedicht over moeder met; ‘Gelukkig zijn we geen vriendinnen.’ Wat veelal bij alle dichters de boventoon voerde was toch wel de op hol geslagen wereld, vluchtelingen, chaos en machteloosheid over hoe de dingen gaan. Er is geen beter voertuig, bleek deze Nacht maar weer eens, dan de poëzie om aan dit alles uitdrukking te kunnen geven.

    Ongemakkelijk samenspel
    Ester Naomi Perquin en Piet Piryns presenteerden als duo voor de derde maal op rij De Nacht. Dat de rolverdeling in die drie jaar zich duidelijk onderscheidde, gaven ze zelf al aan. Perquin, de empathische die een relatie met het publiek opbouwt, noemde het publiek vorig jaar om te zoenen en Piryns’, degene die de blik streng op het tijdschema houdt en het publiek er met de kop bijhoudt. Dat dit niet altijd voor een goede balans zorgde werd duidelijk toen Piryns de Zuid-Afrikaanse schrijver Marlene van Niekerk verzocht het podium te verlaten toen haar tijd om was terwijl zij op het punt stond haar slotgedicht voor te dragen. Onverkwikkelijk vooral omdat Perquin bij aankondiging van Van Niekerk het publiek vertelde dat zij slechts enkele uren geleden geland was en speciaal voor de Nacht naar hier was gekomen. Het was een wat gênante samenloop van aanpak. Ook omdat haar voordracht begeleid werd door verhalen over de schrijnende toestand in haar land, waar per jaar 21.000 mensen (waaronder 8000 kinderen) door geweld om het leven komen. Natuurlijk, De Nacht duurt lang. Maar enige consideratie was hier op zijn plaats geweest. Het boegeroep uit verschillende hoeken van de zaal was dan ook niet van de lucht.

    En dan kwam Hans Dorrestijn nog met zijn zwartgallige maar oh zo vertederende humor, die zichzelf als een mislukte Joost Zwagerman bestempelde. Hij zelf had immers vaak genoeg klappertandend op een stoel, met een touw om zijn nek gestaan, maar was er nog steeds. Een mislukte Joost Zwagerman, jaja.

    De twee debutanten van de Nacht waren Marieke Rijneveld en Jonathan Griffioen, waarvan vooral Rijneveld verraste met haar wijze van uitdrukken als: ‘Troosten is als inparkeren / het is weten en meten’, is natuurlijk prachtig. En van Griffioen is nu al zeker dat zijn opening van de 35e Nacht onvergetelijk zal zijn.

    Wandelgangen en entr’actes
    In de wandelgangen (waar kleine uitgevers achter hun tafeltjes zaten, literaire tijdschriften vertegenwoordigd waren en boeken en eetwaren te verkrijgen waren), kon je een dichter in afwachting van zijn optreden in ogenschijnlijk rustige tred zijn rondjes om de zaal heen zien draaien. Hier en daar een enkele pauzerende bezoeker minzaam groetend. Zoals het een dichter betaamt. Een van deze rondwandelende dichters, F. Starik besprong in grasgroenkostuum het podium om het dichterschap te vieren. Met een gretigheid die het publiek soms achteruit deed deinzen, bracht hij een dichterlijke tirade over ‘gras’ (dat zich overal en onophoudelijk vertoont), ten gehore. Hiermee schudde hij de ingedutte zaal voor de rest van de Nacht goed wakker.

    De entr’actes waren verrassend en ook zo verbluffend vreemd, dat de neiging om met voorgaande jaren te vergelijken er volledig bij inschoot. Al met al was het een feestje waar niets onder de maat bleef en het publiek zich welwillend naar schikte. Uitschieters waren Mondharmonicaspeler Tim Welvaars die een hommage bracht aan de onlangs overleden Toots Thielemans en waarvan je dacht toen je hem hoorde spelen: ‘Waarom heb ik nog nooit eerder van die man gehoord?’ Daar is De Nacht dan ook weer voor, om ontdekkingen te doen en nieuwe kunstenaars te leren kennen.

    Zoals de Israëlische Asaf Avidan, muzikaal fenomeen met een stem die ongekend is en nog het dichtst bij het stemgeluid van The Tallest Man on Earth komt, maar zoals gezegd ook ‘ongekend’ is. Zijn teksten en manier van zingen deden af aan toe aan Leonard Cohen denken. Vooral de ballade The Labyrinth song, waarin het repeterende refrein deze associatie nog versterkte:

    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last
    Oh Ariadne, I have failed you in this labyrinth of my past
    Oh Ariadne, let me sing you, and we’ll make each other last

    En tussendoor met een regelmaat ,die het begeleidende ritme van deze Nacht werd, het vrolijk gerinkel van brekende wijnglazen. Soms een enkel glas, soms bij drieën tegelijk. Daarbij lijkt het publiek elk jaar jonger te worden, als is er een soort verschuiving in leeftijd waarneembaar. Waarschijnlijk ook dat daarom deze zeer succesvolle Nacht tot aan het einde toe opvallend druk bezocht bleef.

     

     

    Foto: Anna van Kooij

     

  • Sentimental journey naar de jongere zelf

    Deze dichtbundel is de eerste publicatie van Roos Rebergen, waarmee niet duidelijk is of het een debuut mag heten want Rebergen schrijft al jarenlang liedteksten die zij samen met haar band Roosbeef tijdens optredens ten gehore brengt en op cd’s uitgeeft. De bekendste daarvan is ongetwijfeld ‘Ze willen wel je hond aaien maar niet met je praten’. De gedichten uit Ik ben al 11 jaar geen 16 meer sluiten daar goed bij aan: wie Roosbeef heeft zien en vooral horen optreden, kan zich moeiteloos voorstellen hoe Rebergen een melodie zet onder haar gedichten en ze dan zingt met haar doordringende, aparte stem, net zo opvallend als haar neonroze haar toen was.

    Die stem klinkt door in haar  gedichten: het lijkt alsof Rebergen schrijft zoals ze spreekt, alsof ze met iemand in een conversatie verwikkeld is. Maar we horen slechts één kant van het gesprek door één spreker en we vallen er zonder achtergrondinformatie middenin. In veel van haar gedichten richt ze zich rechtstreeks tot één speciaal persoon; het is aan de lezer om uit te maken wie dat is: haar broer, haar moeder, haar ex-vriend of iemand die we slechts vluchtig leren kennen, zoals ‘kees’ uit het gedicht ‘Weergoden’:

    ik was aan het soundchecken en plots zat hij daar achterin
    ik was zo blij dat hij daar zat
    hij was me niet vergeten

    Het is verleidelijk de gedichten daarom autobiografisch te noemen, maar heeft niet Simon Carmiggelt met vaste hand een streep door dat voornemen getrokken, toen hij stelde dat men dan net zo goed tegen Shakespeare kon zeggen: ‘Zo, wat hoor ik, heeft uw oom uw vader vermoord?’, enkel en alleen omdat hij dat Hamlet liet overkomen. Toch ontkom je niet aan de indruk dat de ik-figuur Rebergen zelf is: alle gedichten zijn vanuit  de eerste persoon geschreven en handelen over heel persoonlijke aangelegenheden. En elke dichter legt iets van zichzelf in zijn werk.

    De bundel is geïllustreerd met een aantal collages van de hand van Colin Temple, een Vlaamse kunstenaar met wie Rebergen vier jaar een relatie had. De collages hebben niet rechtstreeks betrekking op de gedichten, maar geven meer de sfeer van de bundel aan. Rebergen gebruikt geen interpunctie, zelfs geen hoofdletters, op een enkel vraagteken na. Ook is er nergens eindrijm te bespeuren. Sommige gedichten beslaan twee pagina’s, andere bestaan uit slechts twee regels. Wat opvalt is dat er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van herhaling, vooral in het begin van de zinnen:

    een date

    er is geen uur afgesproken
    er is geen dag afgesproken
    er is geen plaats afgesproken
    er is geen hoop
    er zijn geen verwachtingen
    ik doe iets leuks aan
    ik zal er zijn
    ik kan niet wachten
    ik kijk ernaar uit

    De neutrale opstelling die gecreëerd wordt door de herhaling van de passieve vorm van de zinnen slaat om in een positieve houding zodra het onderwerp vervangen wordt door ‘ik’ en de zinsbouw actief wordt, waardoor de wanhoop omslaat in hoop. Tegelijkertijd wordt de indruk gewekt dat de ik in het gedicht zich juist daarom verheugt op de ontmoeting omdat die zo vrijblijvend is. De korte zinnen drukken het ongeduld uit en het trappelend verlangen.

    In het prachtige, lange gedicht ‘toen wij‘, dat zich richt tot de broer van het lyrisch ik, begint elke regel met een onderschikkend ’toen’, zonder dat er een hoofdzin op volgt en wordt er teruggeblikt op een gedeeld verleden, om dan plotseling zonder herhaling heel direct te eindigen met:

    soms mis ik het nauwelijks
    maar nu jij een kind krijgt en een huis koopt
    meer dan ooit
    beloof me dat het een broer gaat krijgen en stop met roken
    sukkel

    De ‘sentimental journey’ naar het verleden is bezworen en het heden komt weer nuchter naar voren, beklemtoond door dat prachtige ‘sukkel’ als slotzin. Opvallend is de manier waarop in de gedichten naar iets gekeken wordt vanuit een andere ooghoek dan gebruikelijk is; meestal levert dat een komisch effect op:

    soms hoopte ik dat zij zij was
    en zij niet ik
    maar het leven heb je niet in de hand
    net zoals paarden het blijven beesten

    Het taalgebruik van Rebergen lijkt argeloos kinderlijk (‘de wind klonk zoals ernie van bert en ernie met zijn stem de wind nadoet / woei woei woei’), maar daardoor weet ze juist heel goed te verwoorden wat ze wil zeggen. In Ik ben al 11 jaar geen 16 meer, is een eigenzinnige jonge vrouw aan het woord die zich uit alle macht verzet tegen het volwassen worden. Dat  doet ze op een verrassende en kwetsbare manier, in het besef dat alle verzet zinloos is. Zij heeft de verwondering van een kind behouden dat alles voor de eerste keer ziet, voor wie alle dingen nieuw en belangrijk zijn en er een volstrekt eigen logica op na houdt. Haar poëzie lijkt simpel op het eerste gezicht, maar er schuilt veel meer onder de oppervlakte dan de eerste indruk doet vermoeden.

    Door bijzondere beelden en zinswendingen te gebruiken bereikt Rebergen vaak een verfrissend resultaat waar je als lezer blij van wordt. Toch is het niet allemaal rozengeur en maneschijn in haar gedichten: soms slaat de verwondering om in uitzichtloosheid en depressie en is de herhaling van ‘het gaat goed met mij’ in het ontroerende gedicht ‘lieve moeder’ net iets te nadrukkelijk om waar te zijn.

    Niet alle gedichten in deze bundel zijn even goed: sommige gedichten lijken te zijn toegevoegd om het aantal te vermeerderen en dat is jammer, want kwaliteit gaat boven kwantiteit. De vervreemdende illustraties benadrukken nog eens de verwarring die volwassen worden met zich meebrengt: het zijn veelal collages van vrouwen in raadselachtige situaties, die de sfeer van de bundel verhogen.

    Toch is het vooral de eigen stem van Rebergen die door de hele bundel heen te horen is en die het lezen de moeite waard maakt. Zij  transformeert alledaagsheid tot poëzie, ziet dingen, zoals gezegd, waar een ander achteloos aan voorbij loopt en die zij weet te benoemen op een manier die je voorgoed de ogen opent.

     

     

  • Concrete en eigentijdse gedichten

    De bundel Van groot belang, al een tijdje geleden verschenen, is een in meerdere opzichten opvallende bundel van dichter en prozaschrijver Nachoem M. Wijnberg (1961). Gestoken in een kaal, wit kaft dat 256, veelal dichtbedrukte bladzijden bijeenhoudt, verraadt de buitenkant niet dat het een dichtbundel betreft. Het etiket ‘gedichten’ heeft deze dichter al enige bundels geleden afgezworen, maar zijn vijftiende bundel is op het provocatieve af ook nog eens verstoken van een flaptekst of toelichting op het omslag.

    De titel wordt al met al op generlei wijze gehinderd voor zichzelf te spreken. Weinig dichters zullen zich dergelijke vrijzinnigheden durven veroorloven. Maar Wijnberg geniet een dusdanige reputatie als dichter  (o.a. VSB-prijs 2009 voor Het leven van) dat hij niet hoeft te vrezen onopgemerkt te blijven. Werd  in zijn qua omvang ook niet misselijke voorganger Nog een grap het fenomeen van de grap ontleed, zijn nieuwste gedichten kristalliseren zich rond politiek-economische vraagstukken. Niet vreemd voor een dichter die een hoogleraarspost cultureel ondernemerschap en management bekleedt. Goed beschouwd stonden veel van zijn dichterlijke motieven al in het teken van economische verhoudingen, zoals (ver)kopen, schenken, aannemen, schaarste en voorraad enz.. Maar in Van groot belang voeren de economische, politiek bestuurlijke besluitvormingen de boventoon. Ze zijn aanzet, drijfveer van veelal betogende dan wel bevragende zinnen, die meanderend over de pagina’s gaan en waar in eerste instantie alledaagsheid de lezer het zicht op poëzie kan benemen.

    In al deze gedichten is sprake van een zekere ‘je’ tegen wie wordt aangepraat. De stijl leest vlot als van iemand die niet alles op alles heeft gezet om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Aangezien de je-vorm consequent is volgehouden, is eenheid bewaakt, maar eentonigheid niet buiten de deur te houden. De bundel is dik maar daarmee niet veelstemmig. De aangesproken ‘je’ bevindt zich in een situatie (niet zelden economisch, of politiek bestuurlijk van aard) waarin hij beslissingen heeft te nemen. Het gedicht ontrolt zich vervolgens als de losgewoelde overwegingen en redeneringen van opgeworpen vragen. Het geeft zicht op de motieven tot handelen in dergelijke situaties. In het licht daarvan kan men deze gedichten zeker niet van enig belang verstoken achten.

    Maar de poëzieliefhebber is allereerst gediend met typische Wijnbergconstructies als:
    ‘Je leest een geschiedenis van iets waarin elke gebeurtenis vergeleken
    wordt met een gebeurtenis uit de geschiedenis van iets anders.’

     Of:
    Je weet dat je afscheid moet nemen
    van wat al bijna klaar is
    met afscheid van jou nemen,’

    Met zinnen die met weinig woorden een nieuw verschiet openen:
    Als je de wet was of misschien vergeving zou je zeggen: je ziet zo waar ik
    woon, het is het huis zonder voordeur.
    Je kwam op de dag terug en zag dat de deuropening leeg was.
    Eerst was je verbaasd, daarna verontwaardigd, daarna opnieuw verbaasd.’

    Dat deze dichter met zijn vorige bundel Nog een grap nog lang niet al zijn humoristisch kruit had verschoten bewijst een passage als:
    ‘als je de God beledigt van wie veel minder macht dan jij
    heeft en hij je vraagt of je die God wilde beledigen of dat je enkel bedoelde
    dat wat je over zijn God gehoord hebt niet overeenkomt met de
    waardigheid die zo’n God zou kunnen hebben, kun je beter die kans, die je
    niet vaak krijgt, nemen en zeggen dat je dat laatste bedoelde.’

    Ook zijn neiging om sommige gedichten hilarische titels mee te geven (Sigmund Freud op bezoek bij Constantinos Kaváfis, of omgekeerd, maar ze hadden tegen elkaar gezegd dat dat niet zou uitmaken), of titels die langer zijn dan het gedicht zelf, heeft hij niet opgegeven.

    Wat deze bundel anders maakt dan zijn voorgangers, is dat de gedichten concreter, eigentijdser zijn gestoffeerd. In weerwil van enige uitstapjes naar het verleden waarin onder andere Marx, Keynes,  en Kaváfis worden geciteerd, bieden deze gedichten genoeg aansluiting bij de eigentijdse problematiek. Uitgekleed van poëtisch taalgebruik en beeldspraak leggen de zinnen een alledaagsheid bloot die haar weerga niet kent:  ‘Je grootvader was een keer in zijn leven uitgenodigd om te lunchen met een directeur van wat toen de Amsterdamsche Bank was, later de AMRO, en nog later de ABN AMRO’.

    Men stuit ook op veel stukken die in een leerboek niet zouden misstaan: ‘Kapitalisme in de zin van dat de toe-eigening van arbeidsvoorwaarde door / de eigenaren van de productiemiddelen de belangrijkste bron van / investeringen is, ontstaat pas als en doordat er voldoende duurzame en / kostbare productiemiddelen zijn om in te investeren. / Vóór de negentiende eeuw zijn de meeste duurzame goederen geen / productiemiddelen en de meeste investeringen zijn om te handelen‘ enz. Wijnberg mag zich dan als eigenzinnig dichter manifesteren, de eigenzinnige poëzielezer heeft het recht zich af te vragen wat hij met zulke zinnen aan moet. Wijnberg komt de lezer tegemoet door hier en daar een Envoi in te lassen, maar men ontkomt niet aan de indruk dat de professor in deze bundel een thuiswedstrijd speelt.

    Van groot belang lijkt vooral een demonstratie van de verkennende rol van taal in ons begrip van werkelijkheid. Keer een vraag binnenste buiten en kijk welk soort logica komt bovendrijven, zoals in de laatste twee strofen van Worauf man in Europa stolz ist:
    Een grote overwinning,
    omdat bijna niemand die verwacht had,
    en wie die wél verwacht had,
    heeft die ook een prijs
    gekregen?

     En als hij gehoopt had
    dat wat hij verwacht had
    niet zou gebeuren,
    krijgt hij dan nog
    een dag?’

    Dit soort creatieve denkbewegingen strookt met de verwachtingen die men heeft van moderne poëzie en zeker die van Wijnberg die altijd al excelleerde in omkeringen en het blootleggen van de achterkant van logica. De oplossingen evolueren tot relativeringen van het probleem. Zijn gedichten tonen dat als men zijn verbeelding inzet in plaats van zijn logische denkwijze, de vraagstelling in een heel ander licht komt te staan, maar daarmee niet minder geldig wordt.

    Voor wie echter meent dat in poëzie de in zee geplengde druppel wijn door de zee moet worden gezuiverd in plaats van door diezelfde zee te worden verwaterd, is deze bundel te overwoekerend. Na verloop van tijd begint het oeverloze tegen te staan. Wijnberg lijkt dan op de cruisecontrol zijn gedachten alle kanten op te drijven met de ingesleten routine van het tegen elkaar uitspelen en omdraaien van tegengestelde begrippen in de mogelijke veronderstelling tussendoor genoeg poëzie te morsen. Resultaat komt dan uit op iets wat beneden zijn gemiddelde poëtische niveau ligt:

    ‘Een voorraad van iets hebben maakt het je mogelijk later iets te / beslissen omdat er iets gebeurd is en daarom wil je voorraden hebben voor / de belangrijkste gebeurtenissen waarvan je denkt dat ze mogelijk zijn. // Zo heeft elke gebeurtenis haar voorraad en omgekeerd, en kun je kiezen / met welk van de twee je wilt beginnen.’ 

    Overvloed werkt als een omgekeerde verrekijker: het haalt de gemorste schoonheid niet op, maar maakt die nietiger. Om bij een prachtige, ontroerende strofe als: ‘Is het goed als niemand/meer over je weet dan je jezelf/kunt herinneren?’ te komen moet men veel minder fraais voor lief nemen. Wijnberg heeft ooit gezegd van ieder gedicht wel tien versies te schrijven voor hij ze de wereld inzond. Het valt inmiddels moeilijk te geloven dat hij deze werkwijze nog steeds trouw is. Of wil deze poëzie toonbeeld zijn van wat hij zelf in Van groot belang poneert: ‘Maar het is een misverstand dat een gedicht van alle teksten het meest / voltooid is, het is juist wat het sterkst vraagt om beter te worden.’

     

     

  • Hier smelt niets samen

    Amalgaam is een experimentele dichtbundel’, zo begint de inleiding van deze gezamenlijke uitgave van twee dichters: de Vlaamse Willy Martin en de Zuid-Afrikaanse Carina van der Walt. Dat experimentele is zeker niet te vinden in hun poëzie, maar slaat op de curieuze samenstelling van dit boekje. Een ingewikkeld verhaal. Willy Martin is de grondlegger van ANNA, het Groot Woordenboek Afrikaans en Nederlands, een woordenboek dat beide, nauwverwante talen niet afzonderlijk behandeld, maar in één grote mengelmoes presenteert. Dit zogenaamde ‘amalgamatiemodel’ – waarin de woordbetekenissen in beide talen als het ware samensmelten – is de (taalkundige) aanleiding voor deze dichtbundel.

    Na lezing van de als handleiding geschreven inleiding, is de verwachting groot dat de daaropvolgende poëzie zo’n zelfde amalgamatie zal ondergaan. Dat er met taal wordt geëxperimenteerd, dat de woorden uit Zuid-Afrika de Nederlandse zullen ontmoeten om in vele lagen elkaars diepgang te kunnen aftasten. Een smeltkroes van gedichten die samen een bijzonder spanningsveld zullen opleveren. Niets van dat alles.

    Beide dichters hebben hun oeuvre opgeschud en een keuze gemaakt uit de gedichten die in aanmerking kwamen om opgenomen te worden in deze bundel. De verzen zijn in een aantal obligate hoofdstukken geplaatst, met als thema ‘plaatsen’, ‘mensen’ en ‘vertalingen’. Met een voorwoord over woorden en een naschrift over het land van herkomst is er niets in deze verzameling te vinden dat iets laat voelen van het amalgaam dat ons aanvankelijk was beloofd.

    Sterker nog, de opeenvolging van de gedichten doet nog veel meer verwonderen: het geheel is geplaatst op alfabetische volgorde van de titels. Met deze onderverdeling geven de dichters aan dat het inhoudelijke samengaan van de verzen er eigenlijk niet toe doet. Een haast achteloze reeks die juist het tegenovergestelde van de beoogde samensmelting laat zien.

    Dan de gedichten zelf. Willy Martin probeert in zijn Nederlandstalige poëzie diverse kleine observaties te verwoorden in dichtvorm. De vlakke toon en de weinig bijzondere onderwerpen maken zijn verzen nogal kleurloos. Er zit geen verwondering en geen verrassing in deze gedichten, de observatie loopt dood met hier en daar een kleine opleving als slotakkoord. In Hockeymeisjes staat hij in de supermarkt:

    drie hockeymeisjes
    vóór mij in de rij
    ook zonder stick kan iedereen
    ze moeiteloos herkennen
    de korte rokjes
    de hoge benen
    de rode kousen
    het haar in een paardestaart

    wanneer ik aan de kassa kom
    lijkt de cassière
    één van hen
    maar noch haar ogen
    noch haar stem
    die haar verraden
    terwijl zij obligaat
    mijn klantenkaartje vraagt

    ook als je denkt
    dat zij je zullen redden
    ze laten zich niet kennen
    de regels eigen aan dit spel

    Geen redding door hockeymeisjes, dat is wat Martin hier vaststelt. Hij wil maar duidelijk maken dat de wereld van deze wezens nooit met de zijne zal samengaan. Er zijn ‘regels eigen aan dit spel’ en die zal hij niet kunnen leren. Het gebaar aan het einde, een interessante wending in de laatste vier regels, is te summier om nog iets toe te voegen. Ook een verdwaalde ’tanka’ als Samen trekt dit schip niet meer vlot. Met wat geworstel is het
    5-7-5-7-7 stramien ingevuld, maar de zeggingskracht is gevlogen:

    twee eksters tripp’len
    over ’t pas gemaaide gras
    vliegt er een weg ’t duurt
    niet of ze zijn weer samen
    ieder op zijn eigen kant

    De bijdrage van Carina van der Walt is van een andere orde. Zij heeft het voordeel van de taal: Zuid-Afrikaans lijkt te zijn gemaakt voor de poëzie. De melodieuze klank en de prachtige woorden geven het gedicht een meerwaarde die, misschien juist voor Nederlanders, een nieuw universum ontsluit. De taal is soms naïef en zacht, dan weer onbedoeld grof, hier en daar verscholen in onbegrijpelijke woordcombinaties om vervolgens glashelder tevoorschijn te komen. Maar ook de inhoud van haar verzen is ruimer, spannender en met flair geschreven. Waar Martin met name over zichzelf dicht, soms een ‘jij’ introducerend, pakt Van der Walt alle onderwerpen aan waar ze door verwonderd wordt. Zoals het ironische en directe Vespa-verhuring:

    hier ry die meisies hulle bromponies
    soos minnaars
    sodat toeriste
    hulle leepoog agterna staar

    sjiek in hulle sjoebroekies &
    Roger Vivier-stilleto’s
    is dié Parisiennes binne sakpas bereik
    van die gulsige reisiger

    so dink hy as hy sy varkleerbeursie uithaal
    om ’n Vespa te huur
    vir ’n pretrit van ’n uur
    wat stylloos pot op die kop versuur

    Het is voor Nederlandse lezers een fraai spel tussen de betekenis van woorden en de nuchtere eenvoud van hun verschijning. Dat een ‘bromponie’ staat voor een scooter en een ‘sjoebroekie’ hotpants betekent, mag in een poëtische wereld tot een verrassende bijdrage worden gerekend. Hoe Van der Walt de ‘meisies’ verbindt met het ‘varkleerbeursie’ van de ‘gulsige reisiger’ is een mooie observatie. Om even later een paar prachtige regels over twee vrienden te schrijven in Voorlaaste woorde oor Mandela:

    Mohammad Ali staan kopskud-kopskud
    geboë oor die bed van sy ou skermmaat
    saam het hulle die fyn voetwerk van die kryt
    geleer & die lees van presies die regte tyd
    as swaargewigte kon hulle goed mik raak slaan
    maar veral wys & strategies ontwyk
    dans-dans koes vir die uitklophou van die tyd

    Hier werkt taal als katalysator om de prachtige tegenstelling tevoorschijn te toveren: twee grote mannen in een kleine ontmoeting. De boksmetaforen werken als magische begrippen om de politicus en de sportman te typeren. Het fijne voetenwerk, hoofdschuddend en dansend raak te slaan en aan het einde proberen weg te duiken voor ‘die uitklophou van die tyd’.

    Het slot van Amalgaam bestaat uit een hoofdstukje met vertalingen van gedichten van anderen in de talen van beide auteurs. Zo wordt er een Zuid-Afrikaanse versie gemaakt van Paul van Ostaijens Melopee en Willy Martin vertaalt een Afrikaans gedicht in het zogenaamde Verkavelingsvlaams. Daarmee geven de dichters duidelijk aan hoe deze bundel tot stand is gekomen. Een min of meer taalwetenschappelijke insteek ligt ten grondslag aan een rommelige bloemlezing uit eigen werk. Amalgaam zou beter tot zijn recht zijn gekomen als de dichters elkaars werk hadden vertaald – gewoon recht-toe-recht-aan op twee pagina’s één gedicht in twee talen. Voor de lezer zou de samensmelting dan een stuk duidelijker zijn geweest.

     

     

     

  • Poëzie van de 21e eeuw als ‘work in progress’

    Dichters van het nieuwe millennium. Nederlandse en Vlaamse poëzie in de 21e eeuw is zo’n boek waar je veel over kunt zeuren, maar dat uiteindelijk toch gewoon geslaagd is. In het voorwoord wordt al een voorschot gegeven: er wordt toegegeven dat de selectie niet compleet is, en dat je als lezer ongetwijfeld namen zult missen.  De afwezigheid van bijvoorbeeld Dennis Gaens is jammer. Maar verder zijn de meeste beeldbepalende dichters die in dit millennium debuteerden, aanwezig. Van Alfred Schaffer en Rodaan Al Galidi tot Ellen Deckwitz en Lieke Marsman, gesorteerd op jaar van debuut. Het besproken gezelschap is representatief divers qua leeftijd en geslacht en meerdere dichters hebben een niet-westerse afkomst; hier dus niet alleen middelbare, blanke mannen. Bovendien is de aandacht goed verdeeld tussen Vlaamse en Nederlandse auteurs, zowel de besprokene als de besprekers.

    Door die variëteit is het fijn grasduinen in het boek. Je kunt bijvoorbeeld eerst de hoofdstukken over de eigen favoriete dichters gaan lezen, of dichters die je op andere wijze interesseren. Of je gaat juist met interesse de stukken doornemen over auteurs met wie je weinig hebt, een goed hoofdstuk kan je namelijk ook aansporen om je oordeel te herzien. Elk hoofdstuk biedt wel een verrijking, een nieuwe invalshoek van de eigen lectuur. In die zin is dit boek zeker geslaagd. Kila van der Starre bijvoorbeeld legt helder uit hoe Lieke Marsman ‘zowel binnen als buiten haar poëzie de relatie tussen taal en werkelijkheid […] thematiseert.’

    Een echt ‘leesboek’ is Dichters van het millennium niet, de stukken zijn overwegend academisch van toon en opzet. Er vallen af en toe termen die waarschijnlijk alleen degenen die een taal- of cultuurstudie hebben gedaan, zullen begrijpen. Het helpt bijvoorbeeld als je het verschil kent tussen een veld in de Bourdieuaanse zin en een isotopisch veld (al kom je zonder die kennis ook heus wel een eind). De auteurs zijn immers ook academici;  verschillende vooraanstaande hoogleraren als Jos Joosten en Erik Spinoy, promovendi als Dera en Posman zelf, en zelfs een researchmasterstudent. Ze stippen van alles aan, elk artikel bevat biografische informatie over de dichter, een korte receptiegeschiedenis en een deel close reading. Ondertussen worden er door het boek heen (soms vrij zijdelings) ook onderwerpen behandeld als: de relatie tussen de Nederlandse en Vlaamse literaire wereld, of de invloed van internet en het podium op poëzie.

    En over die laatste twee punten mag gezeurd worden, om met de internetkritiek te beginnen. Her en der wordt een op internet verschenen recensie aangehaald, maar in veel stukken worden hoofdzakelijk kritieken aangehaald die in papieren media verschenen. En dat terwijl bijvoorbeeld kranten steeds minder ruimte hebben voor poëzierecensies (of überhaupt voor literatuurkritiek), en verschillende websites misschien (nog) niet hun prestige hebben, maar die ruimte juist wel bieden. Denk aan het wat academischere De Reactor, of juist wat meer mainstreamsites als Meander of inderdaad Literair Nederland. Jos Joosten zet een belangrijke kanttekening:

    ‘De receptie [van Vluchtautogedichten van Maarten van der Graaff] toont namelijk stilaan de nieuwe dimensie waarin de internetkritiek voorziet. Op het moment dat geen enkele krant de bundel had besproken, waren er tal van recensies verschenen op het internet. Dit waren over het algemeen serieuze, lange artikelen’.

    Joosten merkte daarvoor al op dat de bundel in de papieren media bijna alleen werd besproken nadat Van der Graaff de C. Buddingh’-prijs had gekregen. Dat Fabian Stolk over de receptie van Annemarie Estors debuut opmerkt dat er ‘slechts éen louter zurige recensie’ verscheen, is daarom bepaald niet chique en een beetje jammer.

    Ander punt van kritiek is de manier waarop veel bijdragende auteurs omgaan met de flink gegroeide populariteit van de combinatie poëzie en podium. Erik Spinoy citeert in zijn bijdrage een interview met dichter Bart van der Straeten: ‘“poëzie die het goed doet op een podium”, dat wil zeggen, “kleinkunstpoëzie met een humoristische kwinkslag”.’ Een dergelijke houding lijkt ook uit verschillende teksten van bijdrages te spreken; je zou je kunnen afvragen of ze recent naar een poëzievoordracht zijn geweest.

    Toch nog   een dichter noemen die mist: een bijdrage over Martijn Teerlinck zou niet verkeerd zijn geweest: iemand die heeft geslamd, én wiens poëzie meer te maken heeft met Faverey en Celan dan ‘kleinkunstpoëzie’. Daarentegen zijn er wel stukken opgenomen over Ellen Deckwitz (slamkampioen 2009) en Maud Vanhauwaert, over wie wordt betoogd dat de opvallende vorm van haar bundel Wij zijn evenredig opgevat kan worden als ‘een poging om de openheid van het podium op het papier te evenaren.’ Kijk, zo kan het ook.

    Er sluimert wel vaker subjectiviteit door; Obe Alkema steekt bijvoorbeeld zijn bewondering voor Ramsey Nasr niet onder stoelen en banken, en dat is vreemd voor zo’n objectief bedoeld en academisch boek: ‘[Hij] laat zijn lezers aan zijn lippen hangen door dramatiek, meeslepende spanning en een indruk van toegankelijkheid. […] Ramsey Nasr is een alleskunner.’ Over Mark Boog merkt Mathijs de Ridder op: ‘In De rotonde keert de dichter veeleer terug naar het thema dat in zijn eerste bundels met zoveel brille had uitgewerkt.’ Zulke passages blijven toch wat merkwaardig, al zijn veel bijdragende auteurs ook poëzierecensent.

    Hoewel nog niet elke bijdragende auteur gewend lijkt te zijn aan belangrijke vernieuwingen van de 21e eeuw, zoals de opkomst van het internet en de grote populariteit van poëzievoordrachten, geeft Dichters van het nieuwe millennium een uitstekend overzicht van de poëzie van deze eeuw; op moment van schrijven natuurlijk nog wel een work in progress omdat we pas in 2016 zitten. Maar dat wordt ook duidelijk in het boek, dat juist veranderingen en ontwikkelingen in kaart brengt.

     

     

  • Eva Gerlach op haar best

    Alleen dieren kunnen het ware geluk kennen, zo schreef de filosoof Friedrich Nietzsche in zijn vroege essay Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben. Dieren leven namelijk ‘onhistorisch’ in een continu heden. De mens, daarentegen, is in staat zich zaken te herinneren en hierop te reflecteren. Een last, omdat dit meegetorste verleden het zicht kan vertroebelen en de levenslust kan afremmen. Maar ook een zegen, omdat de mens hiermee de unieke gave heeft om cultuur te vervaardigen.

    Van die laatste gave bedient dichteres Eva Gerlach (1948) zich in Ontsnappingen op voortreffelijke wijze. In negen reeksen van steeds vijf of zes gedichten worden mensen opgevoerd die proberen te ontsnappen aan of naar iets of iemand – of juist een ontsnapping, zoals het vlieden van de tijd of een gekoesterd moment, tegen te gaan. De rode draad in al dit escapisme is dat dit meestal op dezelfde manier eindigt: tragisch.

    Tijd
    Die thematiek is niet nieuw voor Gerlach. Al sinds haar debuut Verder geen leed uit 1979 speelt zij op confronterende wijze met alledaagse menselijke smart. In Ontsnappingen is het veelal de verstrijkende tijd die de karakters opbreekt, doorwrocht van een verlangen naar een “toen” dan wel naar een “straks”. Dit wordt direct aangekondigd in de eerste strofe:

    ‘Het veld verschuift terwijl je wordt gereden. / Dichtbij sneller dan ver, zo verplaatst het zich samen / naar achteren buiten je oog.’ en even verderop ‘als een belegerd fort wacht herinnering, aan alle / kanten ritselt het vergeten, al het bekende / schijnt door, gaat liggen, teert in’

    Is dit knagen van de klok hier nog abstract, analytisch haast, in de rest van de bundel worden tal van personages opgevoerd in wie het treuren om het verleden concreet wordt. Net als in de rest van het oeuvre van Gerlach steken ook in Ontsnappingen de doden (of breder: de vertrokkenen) veelvuldig hun hoofd om de hoek. Soms lukt het de ik-persoon niet zich van hen los te rukken, dan weer worden verwoede pogingen ondernomen om zij die ons ontvallen zijn terug te halen.

    In de dichtreeks Meneer Touba zien we hoe ‘moeder’ zich voor duizend euro (het wordt al gauw twaalfhonderd) laat oplichten door een spirituele goeroe (‘een rots in de tijd’). ‘Voor duizend contant / maakt hij me nieuw’, ratelt de moeder, maar van nieuw maken is geen sprake: de vrouw wil slechts dat meneer Touba ‘Vader’ terughaalt. ‘Als ik vastere grond ben geworden kom je terug’, spreekt moeder hoopvol in een brief aan vader terwijl ze vijfeurobiljetten opvouwt. Als de man naar wie zij zo verlangt toch niet verschijnt en de goeroe de benen neemt, volgt moeder het voorbeeld van veel sekteleden bij wie een verwachte Apocalyps toch uitblijft. Vaak zie je dat zij niet hun geloof opgeven, maar zeggen dat de wereld dan wel niet is vergaan, maar er wel een “kosmische verandering” heeft plaatsgevonden. “Alles is nieuw, zegt mijn moeder, wat was er eerst, niets.”

    Bewaarzucht
    Verderop in de bundel zien we een ik-persoon die de gedachte aan een vertrokken geliefde warm houdt door ‘vier van je handdoeken’ over verschillende deuren in het huis laat hangen.

    ‘Handdoek over de deur van de keuken, ik / kraak de kamers allemaal tegelijk / zodat ik weer zie hoe je hier / rondloopt daar stilstaat‘.

    Wanneer het ongemakkelijk of zwaar wordt, zet Gerlach geregeld warrig taalgebruik of afgebroken zinnen in om dit voelbaar te maken. De tocht langs de handdoeken eindigt dan ook met ‘Ben je nu weg of’.
    Een drang tot behouden komt op meerdere plaatsen in Ontsnappingen terug: de karakters bewaren (of conserveren zelfs) voorwerpen van vertrokkenen (vier handdoeken dus, maar ook lippenstift, ‘je holte in het matras’) die een brug slaan naar een verleden toen zij er nog waren, voordat zij ontsnapten. De last van het gemis drukt hard op de nostalgische personages.

    Oorlog en migranten
    Gerlach neemt in Ontsnappingen ook actuele ontwikkelingen op in haar tijdloze thematiek. De dichtreeks ‘geen ding’, waarvan delen eerder verschenen in het oorlogsnummer van Het liegend konijn in 2014, is volgens de dichteres ‘gebaseerd op nieuwsuitzendingen en YouTube-video’s over kinderen in de Syrische burgeroorlog. Hier minder complexe beeldspraak en meer rauwe werkelijkheid.
    Een ander actueel thema in Ontsnappingen is de vluchtelingencrisis. Zij wijdt een dichtreeks aan het personage Draadnagel, die een stank meedraagt die ‘niet te harden’ is, wat zowel letterlijk als figuurlijk opgevat kan worden. De ik-persoon besluit met hem te ruilen. Ook de onwelwillende houding van Europa komt ter sprake: ‘ ‘vaarniet’ zei de god / maar we gingen aan boord’ en meer belerend

    ‘Sluit de mond, hou de adem binnen, / kijk niet om, we komen hier aan / op atlassen, nooit in onszelf, we gaan niet terug’.

    Haar beeldspraak is niet zozeer cryptisch, als wel rijk en gelaagd. Haar metaforen kunnen soms wel drie, vier lagen in zich dragen en bij een derde keer herlezen kun je nog steeds nieuwe aspecten ontdekken en inzichten opdoen die je daarvoor over het hoofd zag – iets wat niet iedere dichter weet te presteren. Toch blijft veel van haar metaforiek direct en toegankelijk, met name wanneer het over oorlogsleed of  romantische liefde gaat. Zoals in ‘mors’:

    ‘ik zal de tijd verdelen in toen / je er was en toen niet, ik heb je als dorst vriend, ik neem je / mee in mijn vel dat zo doof als een stok / niet meer terugpraat wanneer ik het aai’.

    Of het gedicht ‘zegel’, waarin gekoesterd wordt hoe iemand zijn hoofd teder tegen de ik-persoon aanlegt. Minder gelaagd, maar zeker niet minder schitterend.

    Triptiek
    Deze nieuwe bundel is het middelste deel van het drieluik Labyrint, dat in 2011 opende met Kluwen. In laatstgenoemd dichtwerk stonden ook het vastklampen aan herinneringen en het ontsnappen aan het heden centraal, hoewel een prominentere rol was weggelegd voor een antropologie van de ongrijpbare doolhof die het leven is, alsook de personen die hierin figureren. De bundel besluit met een helder voorbeeld van de ambiguïteit van het ontsnappen, dat als rode draad door de bundel loopt, namelijk: het sterven van een dierbare. In een aftellende reeks wordt gekeken naar de “voet” van een stervend persoon. De cyclus (en bundel) besluit prachtig met een eenvoudig kwartijn, waarin de sfeer en thematiek van het hele boek in vier regels worden samengevat:

    Ik heb je voet na een tijdje / weer onder de deken gedaan, / ging aan je hoofdeind zitten, / ben nog niet opgestaan.’

    In Ontsnappingen is Gerlach op haar best: haast tastbare emotie vervlochten in weergaloze, rijke beeldspraak met een thematiek die tegelijkertijd tijdloos en actueel is. De dichteres introduceert tal van karakters en strooit ze met neologismen. Een zeer gevarieerde bundel die wel  eens tot de beste poëzie van 2016 zou kunnen behoren.