• Een knappe jongen

    Ik was in de ban van het verhaal over de oude en koppige moeder en de ongeduldige schrijver in Ik kom terug van Adriaan van Dis en las elk moment dat ik even niets te doen had. Ik stond op het perron in Brummen en sloeg voor de drie minuten die mij restte tot de trein zou arriveren, het boek open en zat direct weer midden in die ongemakkelijke verwikkelingen tussen moeder en zoon. Vaag achter me hoorde ik een vrouwenstem zeggen: ‘Hee…, hallo? Hoe is het?’ Het was een vlotte herfstochtend, helder zonlicht streek over het perron terwijl de trein kwam binnenrijden. ‘Kees’, zei de man die iets verder op het perron stond en er niet oud maar ook niet jong uitzag. De vrouw was van het type vijftig is het nieuwe veertig dat ze met heel haar wezen had omarmd. ‘Jaja, natuurlijk. Kees, haha. Ik was het even kwijt, maar nee, natuurlijk Kees. Hoe is het?’ Hoewel Kees en de vrouw en ik door verschillende ingangen de trein binnen gingen, kwamen we in dezelfde coupe te zitten.

    Zo gauw ik had plaats genomen nam ik mijn boek weer ter hand. Ik was bij de scène dat Van Dis neerknielde in het toilet waar zijn moeder op de pot zat en er ogenschijnlijk niet meer zonder hulp vanaf kon komen. Niemand mocht haar helpen, iedere aanraking tussen haar en de personen die haar na stonden, was een onmogelijkheid. Door de cynische opmerkingen en botte genegenheid tussen moeder en zoon, zou je het boek bijna dichtslaan maar dan komt dus die scène die zo schrijnend stuntelig is en tegelijk zo vertederend. Hij knielt voor haar neer en, hij die nooit fysiek contact met haar zocht, raakt in een moment van overgave met zijn hand haar ontblote knie aan en vraagt of hij haar zal helpen. Zijn moeder schrikt en zegt zoiets als: ‘Ben je gek. Ik heb van niemand hulp nodig.’ En de schrijver weet weer waar zijn plaats is: ‘Hup jongen, in je mand.’

    Ondertussen spraken Kees en de vrouw op een toon met elkaar waarin de verrassing om het weerzien en de verbazing over wie ze geworden waren de boventoon voerden. Je kon er gewoon uit horen dat ze elkaar sinds de middelbare school niet meer gesproken hadden. Hun gebabbel kabbelde om me heen als ritselende bladeren die zacht door de wind beroerd werden. Mijn oren spitsten zich toen ik Kees hoorde zeggen, ‘En dan hebben we Ap nog.’ Ze waren duidelijk hun referentiekader aan het aftasten vanwaaruit ze ooit de wereld tegemoet gingen. ‘Ja,’ zei de vrouw van vijftig is het nieuwe veertig, ‘die was laatst nog op tv. Heb ik op internet nog terug gekeken. Leuk hoor. Vond het vroeger zo’n knappe jongen. Ik herkende hem niet meer.’

    ‘Ach ja,’ zei Kees die deed of hij dat van die knappe jongen niet gehoord had en verder ging met: ‘En hij werd geïnterviewd door die jongen uit Oeken.’
    ‘Wim Brands’, zei de vrouw van het nieuwe veertig. ‘Ja die,’ zei Kees. ‘Hij leek me wel gelukkig’ zei de vrouw weer en ik begreep dat ze het over Ap had. ‘Haha,’ lachte ze opeens, ‘hij is er in ieder geval wel mee bezig.’ Toen wist ik dat het Ap Dijksterhuis was die onlangs geïnterviewd werd in Brands met boeken over zijn nieuwe boek, Op naar geluk. De trein reed het station van Arnhem binnen en ik moest overstappen. Terwijl ik over het perron liep dacht ik aan jongens zoals Ap, Wim en Adriaan die, hoe ver ze het ook brengen in hun leven, voor altijd ‘die jongens’ blijven.

     


    Inge Meijer is een pseudoniem en wil dat wel zo houden. Zij schrijft over boeken als steunpilaren van het leven en over de ontdekkingen die zij doet in de marges van de literatuur.

  • De noodzaak van boeken

    Nadat ik met mijn boeken was verhuisd van het centrum van Amsterdam naar de westelijke grens van de stad, begon ik de boekenkasten in te richten naar onderwerp. Gelijk wist ik dat er een kast moest vrijblijven voor ‘mijn’ boeken. Het is een volgepropte kast geworden met boeken over uiteenlopende onderwerpen. Boeken die ik bij me wil houden, die nabij moeten zijn, want ze verrijken de geest, ze doen je afdwalen van het soms schrijnende hier en nu.

    Ik zie een boek van Joost Zwagerman staan, Beeld verplaatst, zijn gedichten bij foto’s van Koos Breukel, Charlotte Dumas, Erwin Olaf, of bij kunstwerken van Rob Scholte, Harald van der Vlugt en Pieter Bijwaard. Omdat ik hou van de combinatie beeld en woord, of in het algemeen kunstdisciplines die elkaar beïnvloeden of op elkaar reageren en met elkaar communiceren. Maar ook over Tahiti Tattoos. Ik heb er zelf ook een paar, geen Moorse, maar het versierde mensenlijf fascineert me. Waarom je lichaam alleen laten tekenen door het leven? Maak van je lichaam een kunstwerk. Maak van je armen, rug en benen een wandelende totempaal, vol tekens van het verleden dat je met je meedraagt. Ik zie een boek over Moorish Architecture staan. De Europese cultuur die al eeuwen lang beïnvloed is door andere culturen en continenten. We gaan er zelfs heen op vakantie, om te zien hoe de veroveraars van het Iberische schiereiland ons verrijkten met hun gebouwen en ambachten.
    Europäische Meisterzeichnungen aus der Sammlung der Fürsten zu Waldberg-Wolfegg, alleen al de titel van het boek, heerlijk. Je waant je onmiddelllijk in een van die Zuid-Duitse deelstaatjes in de 17
    de eeuw. Keurvorst Max Willibald (1604-1667) was er naast krijgsheer ook (kunst)verzamelaar en legde een van de grootste private verzamelingen van die tijd aan. Meer dan tienduizend werken op papier verzamelde deze man. Vast niet altijd op rechtmatige wijze, maar toch, daar wil ik wel eens heen. Net zoals ik graag nog eens het Museum Schloss Moyland bezoek, waar ook een boek over is. Dat is een slot over de grens bij Nijmegen, waar de verzameling van Franz en Joseph van der Grinten is tentoongesteld.  De meeste werken zijn van de kunstenaar Joseph Beuys, waarvan ik een groot liefhebber ben, vooral van zijn werken op papier. Er liggen in ‘mijn’ kast ook een paar boeken van mopperkont George Steiner. De cultuurfilosoof die een wereld verloren ziet gaan aan gemeenschappelijke referenties, literair, historisch en cultureel. Hij is natuurlijk een highbrow-academicus die weinig op heeft met onze snelle tijd. Door hem leer je wel in het heden de poëzie te ontdekken, de paralellen met vroeger te zien, waardoor je blik meerduidiger en vooral filosofischer wordt.

    Dit zijn maar een paar van de ongeveer 300 boeken die in ‘mijn’ kast staan. Wellicht een volgende keer meer. Meer over de betekenis van boeken die nabij zijn.

     

    joot.nl

     

     

  • Laat mij uw huis zien

    Laatst overkwam het me weer. Ik fietste naar de buurtwinkel en zag onderweg in een flits twee identieke schemerlampjes op een kast in een woonkamer staan. En zag ik dat goed, hadden ze een rechthoekig rieten kapje en stonden ze precies afgemeten ieder aan een kant van de kast? Ik raakte er door bevangen en keek achterom, er ontsnapte me zelfs een ‘ohoo’. Ik moest wel afstappen om van een afstand door het raam naar binnen te kunnen kijken. De lampjes waren duidelijk van het soort dat in geen enkel interieur past en dat je aanschaft op een dag dat het allemaal even niet mee zit. Dat kan nog wel eens voorkomen op een zaterdagochtend. Het gevoel dat er iets moet veranderen waardoor je leven een wending neemt maar dat je niet weet hoe. De aanschaf van twee identieke lampjes met een rieten kapje kan helpen. Lampjes die de rust uitstraalden van een twee-eenheid. Het was een huis waar geen plaats is voor boeken want dan waren die lampjes nooit aangeschaft.

    Een dag later, toen ik in de rij stond bij de apotheek om medicijnen voor Mijn kleine vriendin af te halen, werd ik betoverd door de handelingen van een apothekersassistent. Ze bevond zich in de open ruimte achter de balie waar de medicijnen worden bewaard. In een appelgroen bloesje, zoals al haar collega’s droegen, keek ze met een doktersrecept in haar hand geruisloos langs de plafondhoge kasten. Ze bestudeerde de etiketten op de laden, van boven naar beneden, keek weer op het recept in haar hand en trok een lade geruisloos open. Met kalme vingers ging ze licht ruisend en tastend door de open lade en haalde er een wit apothekersdoosjes uit. Waarna ze de la weer (geruisloos) dichtschoof en direct, maar ozo geruisloos met snelle blik en voor een laatste check, de gegevens op het doosje verifieerde met de gegevens op het doktersbriefje. Op geluidloze schoenen liep ze naar het andere gangpad waar ze het apothekersdoosje en het recept met een elastiekje omwikkelde en op een schap zette. Van onder dat schap pakte ze het volgende doktersbriefje en bewoog zich opnieuw geruisloos naar de kastwand.

    Ik zag hoe ze bij thuiskomst haar appelgroene bloesje voor een eenvoudig vestje verruilde en zich met een even eenvoudige maaltijd en het boek, waarop ze zich de hele dag had verheugd in verder te lezen, aan tafel zette. Ik wist zelfs zeker te weten dat het de nieuwste van Connie Palmen zou zijn. Ze leest namelijk alleen boeken van schrijvers die bij de DWDD verschijnen.

    En toen kreeg ik een lumineus idee. Ik moest daarbij aan een rubriek van Aaf Brandt Cortius van enkele jaren terug denken. Over de inhoud van een tas. Aan de hand daarvan kon zij de persoon beschrijven. Zo wist ze bijvoorbeeld dat iemand onzeker was (deo-stick) of goed georganiseerd (geen overbodige voorwerpen in tas). Ik zou dat zomaar kunnen doen over de inrichting van uw huis. En dan zal ik u vertellen welk boek u moet lezen om verder te komen met uw leven. Zoiets.

     

     

     

     

  • Bushokboeken

    Uitstalling als sociaal experiment

    Sommigen werpen een blik naar binnen tijdens het lopen, een enkeling stopt, de meesten staan er met hun rug naar toe. Of kijken wel maar zien ze niet. Boeken, mooi uitgestald achter het raam op een tafel van de ontwerper Kho Liang Ie. De brieven van Vincent van Gogh, een monografie over Anselm Kiefer, een paar titels van Friedrich Nietzsche, een Atlas of the Functional City en een set boeken over het 19de eeuwse Parijs van de fotograaf Eugène Atget. Het hoeft ook niet, ik ben geen boekhandel met openingstijden. Maar aanbellen mag als je een boek wilt zien. De uitstalling is voor mij een sociaal experiment geworden.

    Sinds een een paar maanden woon en werk ik in Nieuw-West, stadsdeel Geuzenveld op de grens naar Osdorp. Daarvoor heb ik meer dan tien jaar een winkel gehad in één van de negen straatjes in hartje Amsterdam, tussen de grachten. Heel anders dus.

    Ik had besloten mijn bureau aan de straatkant te zetten omdat aan de achterkant een gemeenschappelijke tuin is waarin kinderen een jungle creëerden en waarin dagelijks het darwinistische principe survival of The Fittest de boventoon voert.

    Als ik vanaf mijn werkplek naar links kijk, zie ik een bushokje. Halte Troelstralaan voor de buslijnen 69 en 61, richting Schiphol en Slotervaart. Ik zie vanaf deze plek veel mensen, wachtend op de bus. Ogen gericht op de straathoek waar de bus verschijnen moet. Ze willen weg van deze plek. Naar werk, school, familie of vliegtuig.

    Terwijl e-mails met bestellingen uit Nederland en uit de rest van de (vooral) Westerse wereld binnenkomen, heeft nog geen enkele wachtende een keer aangebeld en om een boek gevraagd. Het grote raam dat ons scheidt, lijkt een scheiding te markeren van werelden van verschil: leefwereld, denkwereld, culturele wereld. Is dat ook zo? Ik zou eigenlijk gewoon eens op een wachtende moeten afstappen en vragen of het haar/hem is opgevallen dat ik hier zit. Met kasten vol boeken, achter dat grote raam, op vier meter afstand van de doorgaande straat, de buurtring zoals de gemeente deze weg noemt.

    De wachtende mens als beschouwelijk object. Tweederde is vrouw, denk ik.  Alle huidskleuren zijn vertegenwoordigd. Blank is in de minderheid. Ik vind dat geen vervelende gedachte. Waarom zouden wij, witte mensen, dit deel van de aarde claimen. Omdat we er een paar eeuwen hebben gewoond?

    Sommigen gebruiken het bushokje als spiegel of om van zich af te staren, of misschien wel ter meditatie. Toevallige ontmoetingen vinden er plaats. Een enkeling rookt een sigaret, de meesten kijken op hun smartphone, luisteren muziek middels koptelefoon of oortjes en er wordt veel gesmst en geappt. Haarkleur is vooral donker, mediterraan, Afrikaans, Oost-Europees, Aziatisch. Soms een blonde dame, of een wat oudere blanke heer. Vaker is de haarkleur verstopt onder een hoofddoek, petje of shawl.
    Ik vraag me wel eens af: Hoeveel van hen hebben gisteravond de tv uitgelaten en een boek opengeslagen?


    JOOT.NL

     

  • Stylemeister

    Boeken om zelf te houden

    Boekenkastblog door Stefan Ruiters

    Amsterdam, dinsdagochtend 10.00 uur. Ik stap een op twee hoog gelegen appartement  binnen, vlakbij de Beethovenstraat. ‘De champagne staat al klaar hoor, haha.’ Zo’n uitbundige ontvangst bij een boekeninkoop heb ik niet eerder gehad. Door de kamers lopend, zie ik gelijk dat deze man stijl heeft. Alles in de ruimte is zorgvuldig gecomponeerd, als een 3D-schilderij. Onmiddellijk moet ik denken aan het atelier cq de woning van Mondriaan in Parijs en New York. Uitgebalanceerd, elementair, doordacht. Maar er is een verschil: de strenge, rechtlijnige Mondriaan ving zijn wereld in de kleuren rood, geel, blauw, in dit huis is het voornamelijk het zwart en het wit die overheersen, met hier een daar grijs of een houtkleur. En de man die tegenover me staat, is het uiterste contrast in persoonlijkheid: flamboyant, hartelijk, open, met een goede dosis zelfrelativering. ‘Nou, kijk maar wat er tussen zit, joh.’ Ik zie de stapels verspreid in een zijkamer staan en in de twee ingebouwde kasten in de muur.

    In zo’n huis wil je wonen, denk ik, de boeken van de grote fotografen Cartier-Bresson, Avedon, Bourke-White en Mapplethorpe doorbladerend. Het interieur is speels, met hier en daar een beeldhouwwerkje, een schilderij of een foto, dan weer een stoel van leer en hout en een robuuste tafel met graatmagere stoeltjes. De referenties aan de kunst zijn overal aanwezig: een lamp als een Alexander Calder, een schilderij dat doet denken aan een Franz Kline, een stoel die refereert aan Rietveld, een reliëf aan de muur aan het kubisme. Elke lijn, vorm of verhouding klopt. Je kunt ook denken: too much, te doordacht, bijna totalitair kunstzinnig. Maar als je nog eens goed kijkt, zie je ook stenen liggen, de planten en de nerven in het hout, ofwel de grillige vormen van de natuur naast de bedachte compositie van het interieur.

    Dit is zo’n inkoop waarvan ik denk: ik wil al die boeken eigenlijk houden, ik ga ze helemaal niet in de verkoop doen. Ik ga naar huis, ik ga ze lezen, de boeken over de modernistische Weense architectuur, over de Silver Factory van Warhol, de jaren voor de Eerste Wereldoorlog in Parijs en de  19de-eeuwse tuinen van Japan. Daarna ga ik schilderen, ik timmer een stoel in elkaar, ik ga beeldhouwen, het bos in om de natuur fotografisch te betrappen op zijn allernatuurlijkste schoonheid. Ik word een estheet, een dandy! De geest van de uomo universalis wordt vaardig over mij. Heeft mijn Culturele studie aan de Universiteit van Amsterdam, toch zin gehad: ik sta open voor de bronnen en uitingen van de westerse cultuur en laaf mij eraan, inspiratio doordrenk mij! Nee, het zal allemaal wel loslopen, maar wat een heerlijke ervaringen zijn het om andermans werelden van de geest in boeken gevangen, te mogen betreden. Stylemeister, bedankt!

     

  • Je weet het nooit

    ‘Geluk is geld terugsturen’, stond in de krant. Twee broers, Msgane Zeray (17) en Fnan Tesfahans (10) uit Eritrea zijn gelukzoekers, al komt het idee niet van henzelf. Hun ouders, veeboeren in Eritrea, zonden hen naar Londen. Als ze daar werk vinden, moeten ze de zestienduizend euro die ze meekregen, eerst terugverdienen. De familie heeft in hen geïnvesteerd en verwacht dat ze een vaste bron van inkomsten zullen worden. De jongens hebben gelopen en gelopen tot de grond onder hun voeten verdween. Eerst door de woestijnen van Ethiopië en Soedan, daarna naar de kust van Libië en toen de benauwende reis in de buik van een schip naar Lampedusa. Zeven maanden zijn ze al onderweg. Als ze naar huis bellen drukt hun oudste broer hen op het hart hun familie niet te vergeten.

    Ik herinner me een zondagmiddag dat ik aan de rafelige rand van een omgeploegde akker stond. Ik was zeven, twee van mijn broers waren met mijn vader naar de bioscoop. Ik mocht niet mee, was boos en liep de straat uit, de dijk op. Ik liep tot niets me meer vertrouwd voorkwam, stilstond aan de rand van een akker waarvan de vette aardkluiten in de namiddagzon glommen. Ik wist opeens zeker dat aan het einde van dit omgeploegde land Duitsland lag. Duitsland leek zich altijd in de nabijheid van ons gezin op te houden. Het leek of ik het naar me toe kon halen, stapte op de brokken aarde en met moeite mijn evenwicht bewarend liep ik richting einder. Na een meter of tien kwam er een gevoel van verlatenheid over me heen die ik nooit eerder ervaren had. Ik voelde me los van alles, alleen. De donkere aarde, voor en achter me beangstigde me. Alsof ik met veel bravoure hoog in een klimrek was geklauterd, niet meer terug kon.

    Ik denk dat de vader van Fnan en Msgane voor ze op reis gingen met hun het plan heeft besproken. ‘Kijk’, zei de vader, ‘hier is voor ieder van jullie achtduizend euro. Daar moeten jullie de gidsen en het vervoer van betalen. Jullie moeten er eten voor kopen en een telefoon zodat jullie naar huis kunnen bellen, elke dag, vergeet dat niet.’ Hun moeder overstelpte hen met goede raad en welke kleding ze aan moesten, waar ze hun geld moesten verbergen en ‘elke dag bellen, vergeet dat niet’. Oudste broer ontvouwde de wereldkaart voor hen en wees met zijn vinger waar Eritrea lag en hoe ze naar Engeland konden komen. Het zag er op de kaart geruststellend overzichtelijk uit. De jongens geloofden het wel, ze wilden vertrekken. Ze kregen de kaart mee. Ze belden elke dag, alleen niet die dagen dat ze op de boot zaten, ziek waren, geen bereik hadden.

    Hoe verder weg van hun thuisland, hoe vager het plan werd. De broers wisten nog wat hun vader hen had voorgelegd, maar konden er niet meer bijkomen. Het was te ver alles, ze waren de intentie  kwijt. En je wordt bang, door de verhalen die je onderweg hoort, dat je in Duitsland, Zweden of Nederland (waar ligt dat?) zult aankomen. Je bent vooral bang dat angst je zal overvallen om alles wat je met het leven verbond en jouw bestaan tot jouw bestaan maakte, er niet meer is, niemand je meer kent. Dat je nooit meer grond onder je voeten zult voelen. Waar zijn we aan begonnen. Laten we terug gaan, of nee, eerst moeten we die zestienduizend euro terugverdienen. Als we dat gedaan hebben, dan gaan we terug.

     

     

  • De laatste keer

    Net voor ik gisteren vroeg in de ochtend naar Londen vertrok om een aantal jaren vijftig vintage prints te kopen, wierp ik snel een blik op de voorpagina van de Volkskrant. Ik ben verbijsterd bij het zien van de grote zwart-wit foto van Joost Zwagerman. Hij heeft zich het leven benomen. Het was alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Hij leed aan het leven,  teveel om aan te kunnen.

    Afgelopen voorjaar was het de laatste keer dat ik bij hem boeken ging kopen. Hij was vergeten dat ik zou komen. Bezig met z’n laatste boek, zoals nu blijkt. Over licht in de kunst, De stilte van het licht. Ik kon een aantal boekendozen bekijken en meenemen. De grote bups zou later komen. Met een van zijn zoons zou hij de kunstboeken gaan rangschikken en zou ik weer langs mogen komen in zijn Haarlemse huis.

    Joost noemde mij Joost. Waarschijnlijk niet omdat hij zo heette, maar vanwege de gelijkenis met JOOT. Naar de naam Joost luister ik overigens ook als ik op inkoop ben bij de oud-museumdirecteur. Die noemt mij ook af en toe zo.

    Zwagerman was een aimabele kerel. Hij vertelde dat hij mogelijk weer zou verhuizen naar Amsterdam. Een paar jaar geleden las ik over zijn scheiding en dat hij  ergens in een vakantiehuisje woonde en dat hij een slechte periode doormaakte. Ik voelde verwantschap. Dat klinkt misschien pathetisch, maar het voelde wel zo. Ik was ook net gescheiden en woonde op een zolderetage. Hij voelde dat het langzaam weer beter ging, maar de foto bij dat krantenartikel was treffend. Donker van kleur en sfeer: een man alleen, in een huisje, een lichtplek en verder niks, de donkerte om hem heen, zoekend naar eigenwaarde. Zo zwart als hij het leven toen zag, heb ik het gelukkig nooit ervaren.

    Dat hij zo enthousiast en gedocumenteerd over kunst sprak en schreef, was mooi om naar te luisteren en te lezen. Het heeft hem mogelijk getroost, dat dacht ik althans. Tot ik in een Engelse trein vandaag het volgende las van Stefan Hertmans, in zijn bundel Steden. Schrijvend over Hölderlin:  ’Een vergelijkbaar effect had het licht van de Provence op Van Gogh; de melancholicus wil begrijpen wat de oorsprong is van dit overweldigende effect van het zichtbare en kiest fataal verkeerd, dat wil zeggen: niet voor het gedachteloos ondergaan, maar voor de altijd pijnlijke vraag naar de wijkende ervaring van dit bevreemdende gevoel zodra je het wilt vatten – een vergissing die voortkomt uit het feit dat mensen met aanleg voor neuroses niet kunnen aanvaarden dat de aangename bijwerkingen van landschap en klimaat geen hogere betekenis hebben.’

     

  • Museumdirecteur 2

    Pak jij Goethe’s kleurenleer nog wel eens uit de kast?

    Boekenkastblog door Stefan Ruiters

    Uur na uur gaan de boeken van de oud-museumdirecteur door mijn handen. De klassiekers, de canonieke namen en periodes van de westerse cultuur: Karel de Grote, Goethe, Dante, Ulysses, Renaissance, Mozart, Beckett, Lincoln, Coleridge, Byron, Heine, Aristoteles, Byzantium, Nietzsche en ik kan nog wel even doorgaan. En dan laat ik de Nederlandse Rembrandt, Lucebert, Busken Huet, Wolkers, Faverey, Nooteboom en Zwagerman nog achterwege. Het is een dagenlange exercitie langs de geschiedenis van het gedrukte, vooral mannelijke, westerse woord. Bij elkaar opgeteld heb ik een dag of twee in de studeerkamers van de oud-museumdirecteur in Amsterdam-Zuid  gebivakkeerd. Van minstens tweeduizend boeken heb ik de flaptekst gelezen en soms een eerste alinea. Het duizelt me van de vele tips die van sluiers zijn opgelicht.

    Steeds dringt de vraag zich aan me op: wie leest al deze schrijvers en boeken nog? Pak jij nog wel eens Goethe uit de kast om over zijn kleurenleer te lezen? Of de editie van Ulysses van James Joyce die met de computer gecorrigeerd is naar het handschrift van de Ierse schrijver? Überhaupt: wie heeft Goethe nog in de kast staan, in het Duits, in het Nederlands, laat staan een studie over zijn Wilhelm Meisters Lehrjahre? Heb jij De Goddelijke Komedie van Dante Alighieri gelezen? Of Paradise Lost van John Milton? Ik ook vrij weinig hoor. Ik ben zo’n secundaire lezer die zijn hele leven al de echte bronnen zou willen lezen. Dan pak ik een boek over de Romantiek in de Duitse literatuur en filosofie in plaats van dat ik een boek van Novalis of Schiller lees. Ik verklaar dat door een gebrekkige start in algemene kennis die ik nooit heb meegekregen, van thuis niet, van school niet. Ik streef wel naar dat intellectuele niveau. Maar de vraag is: heb je er wat aan, is het relevant? Ja zeker heb ik er wat aan in de biotoop van boekhandels en musea. Maar verder merk ik toch vrij weinig van een interesse voor kunst en literatuur in mijn omgeving in het bijzonder in de samenleving in het algemeen. De Klassieken is geen gespreksonderwerp zoals politiek of sport.

    Zelfs de oud-museumdirecteur kreeg daar, op het hoogste niveau, mee te maken. Hij vertelde: ‘Ik stond ooit tijdens de presentatie van Mondriaans Victory Boogie Woogie naast Gerrit Zalm, de minister van Financiën, in de wc. Hij vraagt aan me: “Is dit wel zo’n goed idee, deze aankoop? Wel veel geld, hè?” Ik zei tegen hem: als we nu uit de wc lopen is ie al weer een miljoen meer waard!’

    Weer krijg ik een boek in mijn handen gedrukt, van Tim Hilton: One more kilometre and we’re in the showers. ‘Moet je lezen, schitterend boek, van een echte wielrenfanaaat en fietser.’ Ik zeg dat ik dat ga doen, maar eerst ga ik vanavond zelf fietsen, naar de zee en weer terug.

    Lees hier Boekenlast van een museumdirecteur

  • Moederschap

    Het somberde nogal de laatste week. Donkere dagen in juli, dat red ik niet. Sombere gedachten rommelden door mijn hoofd en filterden zich uit tot er één idee bleef hangen waarvan ik dacht: hm, daar zit wat in. Ik dacht: moederschap is een onmogelijke opgave. En daar schrok ik nogal van.

    Op zulke dagen is het goed je boekenkast te herschikken. En wat bleek ik opeens een veelheid aan boeken te bezitten die de duistere kanten van het moederschap bevestigen. De moederkarakters in boeken zijn vaak schrikbarend  herkenbaar.
    Ik pak er willekeurig wat uit om te etaleren. De moeder in Julia Francks roman Rug aan rug heeft zonder twijfel haar moederschap niet aanvaard, ze is een on-moeder. Hoewel het zich afspeelt in de tijd na de Tweede Wereldoorlog en Duitsland in puin ligt, is ze niet te volgen in haar keuze voor de wederopbouw van haar land en daarbij haar twee kinderen aan hun lot overlaat. Het loopt dan ook niet goed af met die kinderen. Wel een mooi boek.

    Dan heb ik hier Beenderen van de onlangs (en te jong) overleden Zimbabwaanse schrijver Chenjerai Hove (1956). Het komt me nu wat bevreemdend voor maar ik las dit boek begin jaren negentig met grote aandacht toen ik zwanger was van mijn tweede dochter. Beenderen is een zeer intens verhaal over de zoektocht van de oude moeder Marita naar haar zoon die  omkwam in de vrijheidsstrijd toen Zimbabwe nog Rhodesië was. De zoektocht van Marita gaat via de herinneringen van degenen die hem gekend hebben. Deze moeder is tot grote offers in staat. Ach, ik zou zo’n Grootse moeder willen zijn, dacht ik toen.

    Wat zich op een inzichtelijke manier in de geest van een moeder afspeelt, is te lezen in De verborgen dochter van de Italiaanse schrijver Elena Ferrante. Ferrante weet het moederschap te schetsen als een drama in vele bedrijven. Als een gekmakend doolhof van emoties en schurende verwachtingen, waaraan je je  steeds weer verwond, als aan de braampjes van een glad stuk metaal. Ze schrijft over een jonge vrouw die twee dochters krijgt maar al snel besluit dat het moederschap haar niet ligt. Op een dag vertrekt ze en begint een nieuw leven, zonder kinderen. Er gaat een bepaalde dreiging uit van dit verhaal, van de weggelopen moeder. Ze voelt geen spijt of verdriet. Het gaat zelfs nog verder: ze kan de liefde tussen een jonge moeder en haar dochtertje, die ze ontmoet op het strand aan de Ionische kust, niet aanzien en stookt ertussen. Een verhaal waarvan je je als moeder wilt afkeren maar blijft er naar kijken. Dat verlangen de dingen achter je te laten, gewoon op stappen en aan een nieuw stuk beginnen. Ik ken dat wel. Maar ja.

     

     

  • Voor wie de morgen nooit meer aanloeit

    Ook als schrijvers zich niet meer onder de levenden bevinden, willen ze op onverwachte momenten nog wel eens opduiken. Hermans, die meer typemachines bezat dan hij boeken heeft geschreven, leeft voort in zijn typemachines die in de stad Gent in België een onderkomen vonden. Om de typemachines te kunnen onderhouden worden ze ter adoptie aangeboden, als waren het verweesde, in de steek gelaten kinderen die gevoed en onderwezen dienen te worden. Door er een te adopteren zou het zomaar kunnen dat je er beter door gaat schrijven, een beetje nihilistischer misschien, maar toch.

    In het weekend van 4 juli werd er een stille tocht gehouden ter nagedachtenis aan omgekomen Arubaan, door politie geweld. In het verslag van de tocht werd uit de mond van ene Mark Marugg opgetekend dat het een waardige optocht zou gaan worden, dat hij geen relschoppers tussen de aanwezigen zag. Toen schreef de verslaggever: ‘Marugg, achterneef van schrijver Tip, zou later gelijk krijgen.’

    Tip Marugg (1923-2006) is een schrijver van tenminste drie boeken. Hij leefde op de Caribische eilanden waar ook Mitch Henriquez vandaan kwam. De schrijver is al jaren dood. Mitch Henriquez pas enkele weken. Tip had geen weet van Mitch, toch kreeg hij een rol toebedeeld in de stille tocht ter nagedachtenis aan hem. Tip Marugg, die bij leven nog nooit in Nederland was geweest, was daar opeens aanwezig. Marugg was een kluizenaar die niets van roem wilde weten. Maar hij drong zich overduidelijk opeens aan de verslaggever op en hij moest hem er wel als oudoom en schrijver bijhalen tijdens die stille tocht. Het leek alsof het hele gebeuren, die stille tocht, door het noemen van zijn naam een bovenwindse waarde kreeg. Het lostrok van het alledaagse. Ook de woorden Justice For Mitch die in witte letters op zwarte T-shirts gedrukt stonden, kregen meer inhoud. Wat natuurlijk onzin is, maar toch: literatuur verbinden aan een dramatisch gegeven maakt het tot, tja toch wel tot literatuur. Mitch zou zo in één van de het leven tartende romans van Tip Marugg kunnen plaats nemen.

    Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was en Tip Marugg een alom bekend literair figuur was. Dat het de schrijver was die in 1988 met zijn boek De morgen loeit weer aan, genomineerd werd voor de AKO literatuurprijs. Een schrijver die, toen hij beroemd dreigde te worden, overwoog een bord in zijn tuin te zetten met: ‘Ik ben niet thuis’. Een schrijver die de drank het liefst had en zijn hondje Fonda noemde, naar Jane Fonda.

    Tip Marugg werd als oudoom van Mark Marugg,die meeliep in de stille tocht, meegenomen van station Moerdijk naar het Zuiderpark. Naar de plek waar het allemaal gebeurd was. Maar wie zou hem nu eigenlijk nog kennen, buiten het handjevol insiders van de Caribische literatuur. Wel stoer eigenlijk van die verslaggever. Laat de mensen zich maar afvragen wie Tip is. En wie Mitch is. Beiden met elkaar verbonden door een achterneef van Marugg. Tip en Mitch voor wie de morgen nooit meer aanloeit.

     

     

  • Boekenlast van een museumdirecteur

    Elk boek werd ter hand genomen en doorgebladerd 

    Boekenkastblog door Stefan Ruiters

    ‘Ik heb veel aan u gedacht de laatste tijd’. ‘Ik ook aan jou, Stefan. Ik moet hier echt weg, ik word gek. Ik ga kleiner wonen dus gaan er veel boeken de deur uit. Ook de echt goede boeken.‘

    Kunsthistoricus, oud-museumdirecteur en samensteller van tentoonstellingen, recent nog van Arnulf Rainer in het CoBrA Museum in Amstelveen, heeft me gebeld. Twee keer eerder ben ik hier op inkoop geweest. De eerste keer dat ik aanbelde, deed hij open in badjas. ‘Goedemorgen. Weet u nog? We hadden een afspraak.’
    ‘Ja, weet ik. Hoezo? Omdat ik in mijn badjas loop? Zo loop ik er altijd bij hoor in huis. Kom binnen.’
    Na een kop koffie aan de eettafel, gaan we op weg naar de bovenetage met boeken en blijven even staan in de gang, ook vol boeken. Ik ontwaarde een werk van de arte povera- kunstenaar Jannis Kounellis in de hoek. Een donker gewaad. Voor ik het wist stond ik, op zijn instigatie, voor dat kunstwerk gehurkt tegenover de kunstdirecteur, die ook neerhurkte. In gedachten moest ik samen met hem een gefingeerde sculptuur van de Amerikaanse kunstenaar Carl Andre optillen. ‘Weet je waarom die kunstwerken van hem een bepaalde maat hebben? Heel simpel, je kunt niet zwaarder tillen dan dit.’
    Het voelde als een privé-college van de grote meester. Ik moest denken aan hem als museumdirecteur in de jaren zeventig en tachtig en zijn vele bezoeken aan de ateliers van de kunstenaars die hij bewonderde en exposeerde. Hij schreef ook veel essays over hen. Later werden die stukken gebundeld in het boek Tussen kunstenaars. Met de veelzeggende ondertitel Een Romance.

    In de studeerkamer, die volstond met goed gevulde boekenkasten, ging hij  recht voor de kast op een kruk zitten met de rug naar me toe. Steeds pakte hij een boek uit de kast, hield het een paar seconden in zijn handen, bladerde erin, las  enkele regels, wikte en woog alvorens te besluiten het boek weer terug te zetten of over zijn schouder heen aan mij gegeven. Af en toe gaf hij een toelichting bij zijn selectie en deed vooral aanbevelingen om bepaalde schrijvers te lezen, veel Duitsers. Hij had veel boeken dubbel aangekocht tijdens zijn reizen, bang dat hij het  niet in zijn collectie had. Later bleek dan, als hij weer thuis was, dat het boek al in zijn boekenkast stond. Veel literatuur, biografieën en opvallend veel boeken over onderwerpen buiten zijn vakgebied. Hij lijkt daarin op een andere grote meneer in de architectuur, de wereldberoemde Rem Koolhaas. Ook hij koopt veel boeken bij mij over kunst en fotografie. Niet over architectuur. De renaissancistische geest van de intellectuele omnivoor waart in hen lustig rond. Wat een rijkdom met hen te mogen verkeren.

    Na een urenlange sessie van boeken bekijken, lezen en beoordelen, besloten we snel weer af te spreken voor een volgende ronde. ‘Dan wil ik weer veel weg doen hoor. Het is allemaal veels te veel.’

    JOOT.NL

  • Ongezien

    Er zat een huilende zakenman in de Overground van Liverpool Street Station naar London Fields. Het was maandagmorgen. Eerder die ochtend namen we de dubbeldekker naar St. Pauls Cathedral maar kwamen nooit aan. Er was een ongeluk gebeurd, we kwamen niet verder dan Liverpool Street. Terwijl we stil stonden keek ik vanuit de dubbeldekker van bovenaf naar de Londenaren op straat die zo bezig waren met de dingen die ze doen moesten, dat ze niet merkten hoe druk het was. Voor zover ik kijken kon, zag ik een lange rode sliert van dubbeldekkers door de straat slingeren. Alles stond stil. We stapten uit, de buschauffeur zei: ‘I’m sorry.’ Terwijl we over de brede trottoirs liepen, kruisten strak geklede zakenmannen, die soms een papier of map in de hand hielden maar bijna altijd een beker koffie, telkens ons pad. Het begon te regenen. We namen de Overground terug naar London Fields.

    Toen kwamen we in dezelfde Overground te zitten waarin de huilende zakenman, waarvan ik een paar keer dacht dat het Joris Luyendijk was, maar vond hem daarvoor dan toch weer iets te fors, had plaats genomen. Hij was midden dertig en aan het bellen, zoals je dat van een zakenman verwacht. Ik grabbelde in mijn tas naar een potlood om iets waaraan ik dacht op te schrijven. De trein naderde juist een station, minderde vaart. Ik hoorde hoe de zakenman die steeds voor een moment op Joris Luyendijk leek en dan weer niet, met een prettige stem zei: ‘In about Twenty minutes I’ll be there.’ Toen stopte hij opeens met ademhalen. Ik hoorde het. Zoals het suizen in verwarmingsbuizen, dat je pas hoort als het stilvalt. De zakenman hield de mobiel tegen zijn oor gedrukt als kon hij hem nooit meer daarvan los krijgen, kneedde met ritmisch wrijvende hand de fronzen uit zijn voorhoofd terwijl aan hem een schokkende snik ontsnapte. Zijn gezicht was opgepropt van het huilen dat hij niet wilde laten gaan maar dat toch moest gebeuren. Niemand scheen het te merken, maar ik zag het.

    We bereikten onze bestemming en liepen door het park van London Fields naar Broadway Market. Daar was het rustig. Er zat een vrouw in de etalage van de Syrische bakkerij. Ze zat op de grond aan een laag tafeltje waaronder ze haar benen gestoken had en rolde met een dunne stok geroutineerd het deeg tot een perfect dunne pizza. Onverstoorbare handelingen die door niemand leken te worden opgemerkt. Ze zat er elke dag en bleef geroutineerd het deeg uitrollen waarmee ze een toren van pizza’s bouwde. Ze keek nooit naar buiten. Ze zag niet dat ik naar haar keek. En ik dacht nog aan die huilende zakenman, of er nu iemand bij hem was, die begreep waarom hij huilde.

     

     


    Inge Meijer is een pseudoniem, ze schrijft over dingen en boeken die ze leest.